02014R1141 — NL — 04.05.2018 — 001.001


Onderstaande tekst dient louter ter informatie en is juridisch niet bindend. De EU-instellingen zijn niet aansprakelijk voor de inhoud. Alleen de besluiten die zijn gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie (te raadplegen in EUR-Lex) zijn authentiek. Deze officiële versies zijn rechtstreeks toegankelijk via de links in dit document

►B

VERORDENING (EU, EURATOM) Nr. 1141/2014 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 22 oktober 2014

betreffende het statuut en de financiering van Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen

(PB L 317 van 4.11.2014, blz. 1)

Gewijzigd bij:

 

 

Publicatieblad

  nr.

blz.

datum

►M1

VERORDENING (EU, Euratom) 2018/673 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 3 mei 2018

  L 114I

1

4.5.2018




▼B

VERORDENING (EU, EURATOM) Nr. 1141/2014 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 22 oktober 2014

betreffende het statuut en de financiering van Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen



HOOFDSTUK I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Onderwerp

Bij deze verordening worden de voorwaarden vastgesteld betreffende het statuut en de financiering van politieke partijen op Europees niveau (hierna: „Europese politieke partijen”) en politieke stichtingen op Europees niveau (hierna: „Europese politieke stichtingen”).

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

1. „politieke partij”: een vereniging van burgers:

 die politieke doeleinden nastreeft, en

 die erkend is door, of opgericht is in overeenstemming met, de rechtsorde van ten minste één lidstaat;

2. „politieke alliantie”: een gestructureerde samenwerking tussen politieke partijen en/of burgers;

3. „Europese politieke partij”: een „politieke alliantie” die politieke doeleinden nastreeft en in overeenstemming met de voorwaarden en procedures van deze verordening bij de conform artikel 6 opgerichte Autoriteit voor Europese politieke partijen en stichtingen is geregistreerd;

4. „Europese politieke stichting”: een entiteit die formeel verbonden is met een Europese politieke partij, die in overeenstemming met de voorwaarden en procedures van deze verordening bij de Autoriteit is geregistreerd, en waarvan de activiteiten, binnen de doelstellingen en fundamentele waarden die de Unie nastreeft, het bereiken van de doelstellingen van de Europese politieke partij dichterbij kunnen helpen brengen door een of meer van de volgende taken uit te voeren:

a) het maken van observaties en analyses, en het leveren van bijdragen aan het debat over Europese politieke aangelegenheden en het proces van Europese integratie;

b) het ontwikkelen van activiteiten in verband met Europees overheidsbeleid, zoals het organiseren en mede mogelijk maken van studiebijeenkomsten, opleidingen, conferenties en studies over dergelijke aangelegenheden voor betrokkenen en belanghebbenden, waaronder jongerenorganisaties en andere vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld;

c) het ontwikkelen van samenwerking ter bevordering van de democratie, ook in derde landen;

d) het kader te vormen waarbinnen nationale politieke stichtingen, academici en andere relevante actoren op Europees niveau kunnen samenwerken;

5. „regionaal parlement” of „regionale assemblee”: orgaan waarvan de leden ofwel een regionaal gekozen ambt vervullen ofwel politiek verantwoording schuldig zijn aan een gekozen vergadering;

6. „financiering uit de algemene begroting van de Europese Unie”: een subsidie toegekend conform deel 1, titel VI, dan wel een bijdrage toegekend conform titel VIII van deel 2 van Verordening (EU, Euratom) nr. 966//2012 van het Europees Parlement en de Raad ( 1 ) („het Financieel Reglement”);

7. „donatie”: alle schenkingen in geld, alle giften in natura, levering onder de marktwaarde van alle goederen, diensten (waaronder leningen) of werken en/of andere transacties die een economisch voordeel vormen voor de betrokken Europese politieke partij of Europese politieke stichting, met uitzondering van bijdragen van leden en gebruikelijke door individuele personen op vrijwillige basis uitgevoerde politieke activiteiten;

8. „bijdrage van leden”: elke betaling in geld, waaronder lidmaatschapsbijdragen, of elke bijdrage in natura, of levering onder de marktwaarde van goederen, diensten (waaronder leningen) of werken en/of andere transacties die, indien aan de Europese politieke partij of de Europese politieke stichting verstrekt door één van hun leden, de betrokken Europese politieke partij of Europese politieke stichting economisch voordeel opleveren, met uitzondering van gebruikelijke door individuele personen op vrijwillige basis uitgevoerde politieke activiteiten;

9. „jaarlijkse begroting” voor de toepassing van de artikelen 20 en 27: het totale bedrag van de uitgaven van een bepaald jaar, zoals vermeld in de jaarrekening van de betrokken Europese politieke partij of de betrokken Europese politieke stichting;

▼M1

10. „nationaal contactpunt”: één of meer personen die door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat specifiek is/zijn belast met de uitwisseling van informatie inzake de toepassing van deze verordening;

▼B

11. „zetel”: de plaats waar de centrale administratie van de Europese politieke partij of de Europese politieke stichting gevestigd is;

12. „samenloop van inbreuken”: twee of meer inbreuken, begaan in het kader van één onrechtmatige handeling;

13. „herhaalde inbreuk”: een inbreuk, gepleegd binnen vijf jaar nadat aan de overtreder een sanctie is opgelegd voor eenzelfde inbreuk.



HOOFDSTUK II

STATUUT VAN EUROPESE POLITIEKE PARTIJEN EN EUROPESE POLITIEKE STICHTINGEN

Artikel 3

Voorwaarden voor registratie

1.  Een politieke alliantie kan onder de volgende voorwaarden een verzoek tot registratie als Europese politieke partij indienen:

a) haar zetel is gevestigd in een lidstaat, zoals bepaald in haar statuten;

b)  ►M1  de bij haar aangesloten partijen worden in ten minste een vierde van de lidstaten vertegenwoordigd door leden van het Europees Parlement, of leden van nationale dan wel regionale parlementen, of leden van regionale assemblees, of ◄

zij of de bij haar aangesloten partijen hebben in ten minste een vierde van de lidstaten bij de laatste verkiezingen voor het Europees Parlement ten minste drie procent van de in ieder van die lidstaten uitgebrachte stemmen behaald;

▼M1

b bis) de bij haar aangesloten partijen zijn geen lid van een andere Europese politieke partij;

▼B

c) met name in haar programma en optreden respecteert zij de waarden waarop de Unie berust, als bedoeld in artikel 2 VEU, te weten eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten, waaronder de rechten van personen die tot minderheden behoren;

d) zij of haar leden hebben deelgenomen aan de verkiezingen voor het Europees Parlement of heeft publiekelijk haar voornemen te kennen gegeven om aan de volgende verkiezingen voor het Europees Parlement deel te nemen, en

e) zij heeft geen winstoogmerk.

2.  Een verzoekende partij kan onder de volgende voorwaarden een verzoek tot registratie als Europese politieke stichting indienen:

a) zij heeft banden met een overeenkomstig de voorwaarden en procedures van deze verordening geregistreerde politieke partij;

b) haar zetel is gevestigd in een lidstaat, zoals bepaald in haar statuten;

c) met name in haar programma en optreden respecteert zij de waarden waarop de Unie berust, als bedoeld in artikel 2 VEU, te weten eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten, waaronder de rechten van personen die tot minderheden behoren;

d) haar doelstellingen vormen een aanvulling op de doelstellingen van de Europese politieke partij waarmee zij formeel verbonden is;

e) haar raad van bestuur is samengesteld uit leden uit ten minste een vierde van de lidstaten, en

f) zij heeft geen winstoogmerk.

3.  Aan een Europese politieke partij kan slechts één Europese politieke stichting formeel verbonden zijn. Elke Europese politieke partij en de daaraan verbonden Europese politieke stichting verzekert de scheiding tussen hun respectievelijke dagelijkse leiding, bestuursstructuren en financiële rekeningen.

Artikel 4

Goed bestuur van Europese politieke partijen

1.  De statuten van een Europese politieke partij zijn in overeenstemming met het geldende recht van de lidstaat waar haar zetel is gevestigd en bevatten bepalingen betreffende:

a) haar naam en logo, die duidelijk te onderscheiden zijn van die van elke bestaande Europese politieke partij of Europese politieke stichting;

b) het adres van haar zetel;

c) een politiek programma met haar doelstellingen;

d) een verklaring overeenkomstig artikel 3, lid 1, onder e), dat zij geen winstoogmerk heeft;

e) indien van toepassing, de naam van de met de partij verbonden politieke stichting en een beschrijving van de formele band tussen beide;

f) haar administratieve en financiële organisatie en procedures, waarin met name de organen en bureaus worden vermeld die bevoegd zijn tot administratieve, financiële en juridische vertegenwoordiging, alsmede de regels inzake het opstellen, de goedkeuring en de controle van jaarrekeningen, en

g) de te volgen interne procedure bij haar vrijwillige ontbinding als Europese politieke partij.

2.  De statuten van een Europese politieke partij bevatten bepalingen inzake de interne organisatie van de partij, en hebben in ieder geval betrekking op:

a) de modaliteiten voor toelating, uittreding en uitsluiting van haar partijleden, met de lijst van bij haar aangesloten partijen in bijlage bij de statuten;

b) de rechten en plichten voor elk type lidmaatschap en de daarmee verband houdende stemrechten;

c) de bevoegdheden, verantwoordelijkheden en samenstelling van haar bestuursorganen, met voor elk van deze organen de criteria voor de selectie van kandidaten en de procedures voor hun benoeming en ontslag;

d) haar interne-besluitvormingsproces, in het bijzonder de stemprocedures en quorumvereisten;

e) haar houding ten aanzien van transparantie, met name inzake de boekhouding, rekeningen en donaties, de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de bescherming van persoonsgegevens, en

f) de interne procedure voor het wijzigen van haar statuten.

3.  De lidstaat waar de zetel is gevestigd kan inzake de statuten aanvullende eisen stellen, mits die aanvullende eisen niet onverenigbaar zijn met deze verordening.

Artikel 5

Goed bestuur van Europese politieke stichtingen

1.  De statuten van een Europese politieke stichting zijn in overeenstemming met de geldende wetgeving van de lidstaat waar zij haar zetel heeft en bevatten ten minste bepalingen betreffende:

a) haar naam en logo, die duidelijk te onderscheiden zijn van die van elke bestaande Europese politieke partij of Europese politieke stichting;

b) het adres van haar zetel;

c) een beschrijving van haar doelstellingen, die in overeenstemming zijn met de in artikel 2, punt 4, opgesomde activiteiten;

d) een verklaring overeenkomstig artikel 3, lid 2, onder f), dat zij geen winstoogmerk heeft;

e) de naam van de met de stichting verbonden Europese politieke partij en een beschrijving van de formele band tussen beide;

f) een lijst met haar organen, met voor elk van deze organen de bevoegdheden, verantwoordelijkheden en samenstelling, evenals de procedure voor de benoeming en het ontslag van de leden en de beheerders van deze organen;

g) haar administratieve en financiële organisatie en procedures, waarin met name de organen en bureaus worden vermeld die bevoegd zijn tot administratieve, financiële en juridische vertegenwoordiging, alsmede de regels inzake het opstellen, de goedkeuring en de controle van jaarrekeningen;

h) de interne procedure voor het wijzigen van haar statuten, en

i) de te volgen interne procedure bij haar vrijwillige ontbinding als Europese politieke stichting.

2.  De lidstaat waar de zetel is gevestigd mag inzake de statuten aanvullende eisen stellen, mits die aanvullende eisen niet onverenigbaar zijn met deze verordening.

Artikel 6

Autoriteit voor Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen

1.  Hierbij wordt een Autoriteit voor Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen (de „Autoriteit”) opgericht, die zich zal bezighouden met de registratie van, het toezicht op en het opleggen van sancties aan Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen overeenkomstig deze verordening.

2.  De Autoriteit heeft rechtspersoonlijkheid. Zij is onafhankelijk en oefent haar bevoegdheden uit in volledige overeenstemming met deze verordening.

De Autoriteit neemt besluiten inzake de registratie en de schrapping uit het register van Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen overeenkomstig de bij deze verordening vastgestelde procedures en voorwaarden. Voorts controleert de Autoriteit op gezette tijden of de geregistreerde Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen aan de in artikel 3 genoemde voorwaarden voor registratie en de overeenkomstig artikel 4, lid 1, onder a), b) en d) tot en met f), en artikel 5, lid 1, onder a) tot en met e) en g), vastgestelde bepalingen inzake goed bestuur blijven voldoen.

De Autoriteit houdt in haar besluiten ten volle rekening met het fundamentele recht op vrijheid van vereniging en de noodzaak van pluriformiteit van de politieke partijen in Europa.

De Autoriteit wordt vertegenwoordigd door haar directeur, die namens de Autoriteit al haar beslissingen neemt.

3.  De directeur van de Autoriteit wordt voor een periode van vijf jaar, die niet verlengd kan worden, in onderlinge overeenstemming en na een openbare sollicitatieoproep benoemd door het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (gezamenlijk het „tot aanstelling bevoegde gezag”), op basis van voorstellen van een selectiecomité dat is samengesteld uit de secretarissen-generaal van die drie instellingen.

De directeur van de Autoriteit wordt gekozen op grond van zijn persoonlijke en professionele kwaliteiten. Hij is geen lid van het Europees Parlement, heeft geen kiezersmandaat en is geen werknemer of voormalig werknemer van een Europese politieke partij of Europese politieke stichting. Er bestaat geen belangenconflict tussen de taak van de benoemde directeur als directeur van de Autoriteit en andere officiële taken, met name in verband met de toepassing van de bepalingen van deze verordening.

Wanneer de post van directeur vrijkomt door opzegging, pensionering, ontslag of overlijden wordt deze vervuld overeenkomstig dezelfde procedure.

In geval van normale opvolging of vrijwillig ontslag blijft de directeur in functie totdat de vervanger zijn functie opneemt.

Als de directeur van de Autoriteit niet langer aan de voor de uitoefening van zijn functie vereiste voorwaarden voldoet, kan hij worden ontslagen in onderlinge overeenstemming tussen ten minste twee van de drie in de eerste alinea genoemde instellingen en op basis van een verslag van het in de eerste alinea genoemde selectiecomité, opgesteld op eigen initiatief of op verzoek van een van de drie instellingen.

De directeur van de Autoriteit verricht zijn werkzaamheden in volledige onafhankelijkheid. Wanneer de directeur in naam van de Autoriteit optreedt, vraagt noch aanvaardt hij instructies van instellingen, regeringen, organen of instanties. De directeur van de Autoriteit onthoudt zich van elke handeling die onverenigbaar is met de aard van zijn taken.

Het Europees Parlement, de Raad en de Commissie oefenen ten aanzien van de directeur gezamenlijk de bevoegdheden uit die krachtens het Statuut van de ambtenaren (en de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie), zoals neergelegd in Verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 259/68 van de Raad ( 2 ), aan het tot aanstelling bevoegde gezag zijn verleend. De drie instellingen kunnen gezamenlijk besluiten de uitoefening van de aan het tot aanstelling bevoegde gezag verleende bevoegdheden geheel of gedeeltelijk aan een van hen toe te vertrouwen, met uitzondering van het nemen van besluiten inzake benoeming of ontslag.

Het tot aanstelling bevoegde gezag kan de directeur andere taken opdragen, mits deze niet onverenigbaar zijn met de werklast in verband met de uitvoering van zijn taken als directeur van de Autoriteit, noch aanleiding geven tot belangenconflicten of de volledige onafhankelijkheid van de directeur in gevaar brengen.

4.  De Autoriteit bevindt zich fysiek in het Europees Parlement, dat de Autoriteit de benodigde kantoorruimte ter beschikking stelt en zorgt voor faciliteiten voor administratieve ondersteuning.

5.  De directeur van de Autoriteit wordt bijgestaan door personeelsleden van een of meer instellingen van de Unie. Indien deze personeelsleden activiteiten verrichten voor de Autoriteit, handelen zij onder het exclusieve gezag van de directeur van de Autoriteit.

De aanstelling van de personeelsleden geeft geen aanleiding tot een belangenconflict tussen hun taken voor de Autoriteit en eventuele andere officiële taken. De personeelsleden onthouden zich van alle handelingen die onverenigbaar zijn met de aard van hun taken.

6.  De Autoriteit sluit overeenkomsten met het Europees Parlement en, indien passend, met andere instellingen over administratieve regelingen die nodig zijn met het oog op de uitvoering van haar taken, met name overeenkomsten inzake personeel, diensten en ondersteuning, als bedoeld in de leden 4, 5 en 8.

7.  In de algemene begroting van de Europese Unie worden de kredieten voor de uitgaven van de Autoriteit ter beschikking gesteld onder een afzonderlijke titel in de afdeling van het Europees Parlement. De kredieten zijn toereikend om het volledig en onafhankelijk functioneren van de Autoriteit te waarborgen. De directeur legt een ontwerpbegrotingsplan voor de Autoriteit voor aan het Europees Parlement. Dit ontwerpbegrotingsplan wordt openbaar gemaakt. Het Europees Parlement delegeert de functies van ordonnateur met betrekking tot deze kredieten aan de directeur van de Autoriteit.

8.  Verordening nr. 1 van de Raad ( 3 ) is van toepassing op de Autoriteit.

De voor het functioneren van de Autoriteit en het register vereiste vertaaldiensten worden geleverd door het Vertaalbureau voor de organen van de Europese Unie.

9.  De Autoriteit en de ordonnateur van het Europees Parlement delen alle informatie die nodig is voor de uitvoering van hun respectieve bevoegdheden uit hoofde van deze verordening.

10.  De directeur dient jaarlijks een verslag in bij het Europees Parlement, de Raad en de Commissie over de activiteiten van de Autoriteit.

11.  Het Hof van Justitie van de Europese Unie gaat overeenkomstig artikel 263 VWEU de wettigheid na van de besluiten van de Autoriteit en is bevoegd kennis te nemen van geschillen over de vergoeding van schade die door de Autoriteit is veroorzaakt, overeenkomstig de artikelen 268 en 340 VWEU. Ingeval de Autoriteit in strijd met deze verordening nalaat een besluit te nemen, kan overeenkomstig artikel 265 VWEU bij het Hof van Justitie van de Europese Unie een beroep wegens nalaten worden ingesteld.

Artikel 7

Register voor Europese politieke partijen en stichtingen

1.  De Autoriteit zet een register van Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen op en beheert dit register. Informatie uit het register is beschikbaar overeenkomstig artikel 32.

2.  Met het oog op de goede werking van het register is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 36 en binnen het toepassingsgebied van de relevante bepalingen van deze richtlijn gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot:

a) de informatie en ondersteunende documenten die de Autoriteit in bewaring heeft en waarvoor het register de aangewezen opslagplaats moet zijn, waaronder de statuten van een Europese politieke partij of Europese politieke stichting, eventuele andere documenten die zijn ingediend in het kader van een registratieverzoek overeenkomstig artikel 8, lid 2, eventuele documenten ontvangen van de in artikel 15, lid 2, bedoelde lidstaat waar de zetel is gevestigd, en informatie over de identiteit van de personen die lid zijn van organen dan wel functies bekleden met bevoegdheden op het gebied van administratieve, financiële of juridische vertegenwoordiging, als bedoeld in artikel 4, lid 1, onder f), en artikel 5, lid 1, onder g);

b) onder a) van dit lid bedoeld materiaal uit het register waarvoor het register bevoegd is, ter bevestiging van de wettigheid zoals vastgesteld door de Autoriteit uit hoofde van de bevoegdheden die haar overeenkomstig deze verordening zijn toegekend. De Autoriteit is niet bevoegd tot verificatie van de naleving door een Europese politieke partij of Europese politieke stichting van enige verplichting of vereiste die aan de betrokken partij of stichting is opgelegd door de lidstaat waar haar zetel is gevestigd overeenkomstig de artikelen 4 en 5, en artikel 14, lid 2, en die een aanvulling vormen op de verplichtingen en vereisten die in deze verordening zijn neergelegd.

3.  De Commissie geeft bij uitvoeringshandelingen nadere invulling aan het systeem voor toekenning van registratienummers in het register en voor standaarduittreksels uit het register die door het register op verzoek beschikbaar worden gesteld aan derde partijen, met inbegrip van de inhoud van brieven en documenten. Dergelijke uittreksels omvatten geen persoonsgegevens andere dan de identiteit van de personen die lid zijn van organen dan wel functies bekleden met bevoegdheden op het gebied van administratieve, financiële of juridische vertegenwoordiging, als bedoeld in artikel 4, lid 1, onder f), en artikel 5, lid 1, onder g). Deze uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 37 bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 8

Registratieverzoek

1.  Een registratieverzoek wordt bij de Autoriteit ingediend. Een verzoek tot registratie als Europese politieke stichting kan alleen worden ingediend via de Europese politieke partij waar de verzoekende partij formeel bij is aangesloten.

2.  Het verzoek gaat vergezeld van:

a) documenten waaruit blijkt dat de verzoekende partij voldoet aan de voorwaarden van artikel 3, met inbegrip van een formele standaardverklaring opgesteld volgens het standaardformulier in de bijlage;

b) de statuten van de partij of stichting, die de bepalingen bevatten zoals vereist in de artikelen 4 en 5, met inbegrip van de relevante bijlagen en, in voorkomend geval, de verklaring van de in artikel 15, lid 2, bedoelde lidstaat waar de zetel is gevestigd.

3.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 36 en binnen het toepassingsgebied van de relevante bepalingen van deze verordening gedelegeerde handelingen vast te stellen:

a) tot vaststelling van aanvullende informatie of ondersteunende documenten in verband met lid 2, die de Autoriteit in staat moeten stellen haar verantwoordelijkheden uit hoofde van deze verordening in verband met het beheer van het register na te komen;

b) tot wijziging van de formele standaardverklaring in de bijlage voor wat betreft de waar nodig door de verzoekende partij in te vullen gegevens, om te waarborgen dat de Autoriteit over voldoende informatie beschikt met betrekking tot de ondertekenaar, zijn of haar mandaat en de Europese politieke partij of Europese politieke stichting die hij of zij vertegenwoordigt met het oog op de indiening van de verklaring.

4.  Documentatie die bij de Autoriteit in het kader van het verzoek is ingediend wordt onverwijld gepubliceerd op de in artikel 32 bedoelde website.

Artikel 9

Behandeling van het verzoek en besluit van de Autoriteit

1.  Het verzoek wordt door de Autoriteit onderzocht om vast te stellen of de verzoekende partij voldoet aan de voorwaarden voor registratie als vastgelegd in artikel 3 en of de statuten de in artikel 4 en 5 voorgeschreven bepalingen bevatten.

2.  De Autoriteit neemt een besluit tot registratie van de verzoekende partij, tenzij zij vaststelt dat de verzoekende partij niet voldoet aan de in artikel 3 vastgelegde voorwaarden voor registratie of dat de statuten niet de in artikel 4 en 5 voorgeschreven bepalingen bevatten.

De Autoriteit publiceert haar besluit tot registratie van de verzoekende partij binnen een maand na ontvangst van het registratieverzoek of, indien de in artikel 15, lid 4, vastgelegde procedures van toepassing zijn, binnen vier maanden na ontvangst van het registratieverzoek.

Indien een verzoek onvolledig is, verzoekt de Autoriteit de verzoekende partij om de vereiste aanvullende informatie onverwijld in te dienen. De in de tweede alinea bedoelde termijn gaat pas in op de datum van ontvangst door de Autoriteit van een volledig verzoek.

3.  De in artikel 8, lid 2, onder a), bedoelde formele standaardverklaring wordt voldoende geacht om de Autoriteit in staat te stellen na te gaan of de verzoekende partij voldoet aan de voorwaarden in artikel 3, lid 1, onder c), dan wel in artikel 3, lid 2, onder c), al naargelang van het geval.

4.  Een besluit van de Autoriteit tot registratie van een verzoekende partij wordt gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie, samen met de statuten van de betrokken partij of de stichting. Een besluit van de Autoriteit om een verzoekende partij niet te registreren wordt gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie, samen met gedetailleerde redenen voor de afwijzing van het verzoek.

5.  Wijzigingen met betrekking tot de overeenkomstig artikel 8, lid 2, bij het registratieverzoek ingediende documenten of statuten, worden ter kennis gebracht van de Autoriteit, die de registratie bijwerkt overeenkomstig de procedures vastgelegd in artikel 15, leden 2 en 4, mutatis mutandis.

6.  De bijgewerkte lijst van bij de Europese politieke partij aangesloten partijen, die overeenkomstig artikel 4, lid 2, bij de statuten van de partij wordt gevoegd, wordt jaarlijks aan de Autoriteit toegezonden. Elke wijziging waardoor de Europese politieke partij mogelijk niet meer aan de eisen van artikel 3, lid 1, onder b), voldoet, wordt binnen vier weken na die wijziging ter kennis gebracht aan de Autoriteit.

Artikel 10

Verificatie van de naleving van de voorwaarden en vereisten van de registratie

1.  Onverminderd de in lid 3 vastgelegde procedure verifieert de Autoriteit op gezette tijden of de geregistreerde Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen aan de in artikel 3 neergelegde voorwaarden voor registratie en de overeenkomstig artikel 4, lid 1, onder a), b) en d) tot en met f), en artikel 5, lid 1, onder a) tot en met e) en g), vastgestelde bepalingen inzake goed bestuur blijven voldoen.

2.  Indien de Autoriteit constateert dat niet langer wordt voldaan aan één of meer van de voorwaarden voor registratie of één of meer van de bepalingen inzake goed bestuur als bedoeld in lid 1, met uitzondering van de voorwaarden in artikel 3, lid 1, onder c), en artikel 3, lid 2, onder c), wordt de betreffende Europese politieke partij of stichting hiervan in kennis gesteld.

3.   ►M1  Het Europees Parlement, handelend op eigen initiatief of naar aanleiding van een met redenen omkleed verzoek van een groep burgers ingediend overeenkomstig de toepasselijke bepalingen van zijn Reglement, of de Raad dan wel de Commissie kan bij de Autoriteit een verzoek indienen tot verificatie van de naleving door een specifieke Europese politieke partij of Europese politieke stichting van de in artikel 3, lid 1, onder c) en artikel 3, lid 2, onder c), vastgelegde voorwaarden. In dergelijke gevallen en in de in artikel 16, lid 3, onder a), bedoelde gevallen, vraagt de Autoriteit het overeenkomstig artikel 11 opgerichte comité van onafhankelijke vooraanstaande personen om advies ter zake. Het comité brengt zijn advies binnen twee maanden uit. ◄

Indien de Autoriteit kennis krijgt van feiten die twijfel kunnen oproepen met betrekking tot de naleving door een specifieke Europese politieke partij of Europese politieke stichting van de in artikel 3, lid 1, onder c), en artikel 3, lid 2, onder c), vastgelegde voorwaarden, stelt zij het Europees Parlement, de Raad en de Commissie hiervan in kennis, zodat deze instellingen een verzoek tot verificatie kunnen indienen als bedoeld in de eerste alinea. Onverminderd de eerste alinea maken het Europees Parlement, de Raad en de Commissie hun voornemen kenbaar binnen twee maanden na ontvangst van deze informatie.

De in de eerste en tweede alinea uiteengezette procedures worden niet ingeleid binnen een periode van twee maanden voorafgaand aan de verkiezingen voor het Europees Parlement.

Rekening houdend met het advies van het comité besluit de Autoriteit of de betreffende Europese politieke partij of Europese politieke stichting uit het register wordt geschrapt. Het besluit van de Autoriteit wordt naar behoren gemotiveerd.

Een besluit van de Autoriteit tot schrapping uit het register vanwege niet-naleving van de in artikel 3, lid 1, onder c), of artikel 3, lid 2, onder c), vastgelegde voorwaarden kan alleen worden goedgekeurd indien sprake is van ernstige en manifeste schending van deze voorwaarden. Bij het nemen van het besluit wordt de procedure van lid 4 gevolgd.

4.  Een besluit van de Autoriteit tot schrapping uit het register van een Europese politieke partij of stichting vanwege een ernstige en manifeste schending van de in artikel 3, lid 1, onder c), of artikel 3, lid 2, onder c), vastgelegde voorwaarden wordt ter kennis gegeven aan het Europees Parlement en de Raad. Het besluit treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van drie maanden na de kennisgeving van het besluit aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Autoriteit heeft meegedeeld geen bezwaar te zullen maken. Indien het Europees Parlement en de Raad bezwaar maken, blijft de Europese politieke partij of stichting geregistreerd.

Het Europees Parlement en de Raad kunnen tegen het besluit alleen bezwaar maken op grond van redenen die verband houden met de beoordeling van de naleving van de in artikel 3, lid 1, onder c), of artikel 3, lid 2, onder c), vastgelegde voorwaarden.

De betrokken Europese politieke partij of Europese politieke stichting wordt meegedeeld dat bezwaar is gemaakt tegen het besluit van de Autoriteit tot schrapping uit het register.

Het Europees Parlement en de Raad bepalen hun standpunt overeenkomstig hun respectievelijke besluitvormingsvoorschriften, vastgesteld in overeenstemming met de Verdragen. Een bezwaar is naar behoren gemotiveerd en wordt openbaar gemaakt.

5.  Een besluit van de Autoriteit tot schrapping uit het register van een Europese politieke partij of Europese politieke stichting waartegen geen bezwaar is gemaakt overeenkomstig de in lid 4 vastgestelde procedure, wordt gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie, samen met de gedetailleerde redenen voor schrapping uit het register, en treedt drie maanden na de datum van publicatie in werking.

6.  Een Europese politieke stichting verliest automatisch haar status wanneer de Europese politieke partij waarmee de stichting verbonden is, uit het register wordt geschrapt.

Artikel 11

Comité van onafhankelijke vooraanstaande personen

1.  Hierbij wordt een comité van onafhankelijke vooraanstaande personen opgericht. Dit comité bestaat uit zes leden. Het Europees Parlement, de Raad en de Commissie wijzen elk twee leden aan. De leden van het comité worden gekozen op grond van hun persoonlijke en professionele kwaliteiten. Zij zijn geen lid van het Europees Parlement, de Raad of de Commissie, hebben geen kiezersmandaat en zijn geen ambtenaren of andere personeelsleden van de Europese Unie of werknemer of voormalig werknemer van een Europese politieke partij of Europese politieke stichting.

De leden van het comité voeren hun taken onafhankelijk uit. Zij vragen noch aanvaarden instructies van instellingen, regeringen, organen of instanties en onthouden zich van elke handeling die onverenigbaar is met de aard van hun taken.

Het comité wordt vernieuwd binnen zes maanden na het einde van de eerste zitting van het Europees Parlement na de verkiezingen voor het Europees Parlement. Het mandaat van de leden is niet verlengbaar.

2.  Het comité stelt zijn eigen reglement van orde vast. De voorzitter van het comité wordt door de leden uit hun midden gekozen overeenkomstig het reglement van orde van het comité. De secretariaatswerkzaamheden en de financiering van het comité komen ten laste van het Europees Parlement. Het secretariaat van het comité valt onder de exclusieve bevoegdheid van het comité.

3.  Op verzoek van de Autoriteit geeft het comité advies over elke mogelijke ernstige en manifeste schending door een Europese politieke partij of een Europese politieke stichting van de waarden waarop de Unie berust, als bedoeld in artikel 3, lid 1, onder c), en artikel 3, lid 2, onder c). Hiertoe kan het comité relevante documenten of bewijsstukken vragen van de Autoriteit, het Europees Parlement, de betreffende Europese politieke partij of Europese politieke stichting, andere politieke partijen, politieke stichtingen of andere belanghebbenden, en kan het comité verzoeken hun vertegenwoordigers te horen.

Het comité houdt in zijn adviezen ten volle rekening met het fundamentele recht op vrijheid van vereniging en de noodzaak van pluriformiteit van de politieke partijen in Europa.

De adviezen van het comité worden onverwijld voor het publiek toegankelijk gemaakt.



HOOFDSTUK III

RECHTSSTATUS VAN EUROPESE POLITIEKE PARTIJEN EN EUROPESE POLITIEKE STICHTINGEN

Artikel 12

Rechtspersoonlijkheid

Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen bezitten Europese rechtspersoonlijkheid.

Artikel 13

Wettelijke erkenning en handelingsbevoegdheid

Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen zijn in alle lidstaten wettelijk erkend en handelingsbevoegd.

Artikel 14

Toepasselijk recht

1.  Op de Europese politieke partijen en de Europese politieke stichtingen is deze verordening van toepassing.

2.  Voor de aangelegenheden die niet bij deze verordening worden geregeld, of, wanneer een aangelegenheid hierbij slechts gedeeltelijk is geregeld, voor de aspecten die niet onder deze verordening vallen, gelden voor Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen de desbetreffende bepalingen in het nationale recht van de lidstaat waar hun respectieve zetel is gevestigd.

Op activiteiten van Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen in andere lidstaten is de relevante nationale wetgeving van deze lidstaten van toepassing.

3.  Voor de aangelegenheden die niet bij deze verordening of de desbetreffende bepalingen bedoeld in lid 2 worden geregeld, of, wanneer een aangelegenheid hierbij slechts gedeeltelijk is geregeld, voor de aspecten die er niet onder vallen, gelden voor Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen de bepalingen van hun respectieve statuten.

Artikel 15

Verkrijging van Europese rechtspersoonlijkheid

1.  Een Europese politieke partij of een Europese politieke stichting verkrijgt Europese rechtspersoonlijkheid op de dag van de bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie van het door de Autoriteit in overeenstemming met artikel 9 genomen besluit tot registratie.

2.  Indien dit wordt vereist door de lidstaat waar de zetel is gevestigd van de verzoekende partij die om registratie als Europese politieke partij of Europese politieke stichting verzoekt, gaat het overeenkomstig artikel 8 ingediende verzoek vergezeld van een door die lidstaat afgegeven verklaring, waarin wordt gemeld dat de verzoekende partij heeft voldaan aan alle desbetreffende nationale vereisten voor indiening van het verzoek, en dat de statuten van de verzoekende partij in overeenstemming zijn met de desbetreffende bepalingen als bedoeld in de eerste alinea van artikel 14, lid 2.

3.  Indien de verzoekende partij rechtspersoonlijkheid bezit naar het recht van een lidstaat, beschouwt die lidstaat de verkrijging van Europese rechtspersoonlijkheid als omzetting van de nationale rechtspersoonlijkheid in een Europese rechtspersoonlijkheid. De Europese rechtspersoonlijkheid neemt de bestaande rechten en verplichtingen van de nationale rechtspersoonlijkheid, die zal ophouden te bestaan, in volle omvang over. De betrokken lidstaat stelt geen beperkende voorwaarden vast voor een dergelijke omzetting. De verzoekende partij behoudt haar vestiging in de betrokken lidstaat totdat een overeenkomstig artikel 9 genomen besluit is gepubliceerd.

4.  Indien de lidstaat waar de zetel van de verzoekende partij is gevestigd dit vereist, stelt de Autoriteit de datum van bekendmaking als bedoeld in lid 1 niet eerder vast dan na overleg met die lidstaat.

Artikel 16

Beëindiging van de Europese rechtspersoonlijkheid

1.  Een Europese politieke partij of een Europese politieke stichting verliest haar Europese rechtspersoonlijkheid met de inwerkingtreding van het besluit van de Autoriteit tot schrapping ervan uit het register, zoals bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie. Het besluit treedt in werking drie maanden na de bedoelde bekendmaking, tenzij de Europese politieke partij of de Europese politieke stichting om een kortere periode verzoekt.

2.  Een Europese politieke partij of een Europese politieke stichting wordt uit het register geschrapt bij besluit van de Autoriteit:

a) als gevolg van een overeenkomstig artikel 10, leden 2 tot en met 5, genomen besluit;

b) in de situatie als bedoeld in artikel 10, lid 6;

c) op verzoek van de betreffende Europese politieke partij of Europese politieke stichting, of

d) in de in lid 3, eerste alinea, onder b), van dit artikel, bedoelde gevallen.

3.  Indien een Europese politieke partij of Europese politieke stichting ernstig heeft tekortgeschoten bij de naleving van relevante verplichtingen uit hoofde van nationaal recht als bedoeld in artikel 14, lid 2, eerste alinea, kan de lidstaat waar haar zetel is gevestigd een naar behoren gemotiveerd verzoek tot schrapping uit het register indienen, waarin de onwettige handelingen en de specifieke niet nageleefde nationale vereisten gedetailleerd en uitputtend worden beschreven. In dergelijke gevallen zal de Autoriteit:

a) voor aangelegenheden die uitsluitend of voornamelijk betrekking hebben op elementen die van invloed zijn op de eerbiediging van de waarden waarop de Unie berust, als bedoeld in artikel 2 VEU, een verificatieprocedure inleiden overeenkomstig artikel 10, lid 3. Artikel 10, leden 4, 5 en 6, zijn eveneens van toepassing;

b) voor andere aangelegenheden, en indien uit het naar behoren gemotiveerde verzoek van de betrokken lidstaat blijkt dat alle nationale rechtsmiddelen zijn uitgeput, besluiten om de betrokken Europese politieke partij of Europese politieke stichting uit het register te schrappen.

Indien een Europese politieke partij of Europese politieke stichting ernstig heeft tekortgeschoten bij de naleving van relevante verplichtingen uit hoofde van nationaal recht als bedoeld in artikel 14, lid 2, tweede alinea, en indien de aangelegenheid uitsluitend of voornamelijk betrekking heeft op elementen die van invloed zijn op de eerbiediging van de waarden waarop de Europese Unie berust, als bedoeld in artikel 2 VEU, kan de betrokken lidstaat een verzoek tot de Autoriteit richten overeenkomstig de bepalingen in de eerste alinea van dit lid. De Autoriteit handelt overeenkomstig de eerste alinea van dit lid, onder a).

In alle gevallen handelt de Autoriteit zonder onnodige vertraging. De Autoriteit stelt de betrokken lidstaat en de betreffende Europese politieke partij of Europese politieke stichting op de hoogte van het gevolg dat is gegeven aan het met redenen omklede verzoek tot schrapping uit het register.

4.  De Autoriteit stelt de datum van de in lid 1 bedoelde publicatie vast na overleg met de lidstaat waar de zetel van de Europese politieke partij of Europese politieke stichting is gevestigd.

5.  Indien de betrokken Europese politieke partij of Europese politieke stichting rechtspersoonlijkheid verkrijgt naar het recht van de lidstaat waar haar zetel is gevestigd, beschouwt die lidstaat dit als omzetting van de Europese rechtspersoonlijkheid in een nationale rechtspersoonlijkheid, waarbij de bestaande rechten en verplichtingen van de Europese rechtspersoonlijkheid in volle omvang overgaan. De lidstaat in kwestie stelt geen beperkende voorwaarden vast voor een dergelijke omzetting.

6.  Indien de Europese politieke partij of Europese politieke stichting geen rechtspersoonlijkheid verkrijgt naar het recht van de lidstaat waar haar zetel is gevestigd, wordt zij ontbonden volgens het toepasselijke recht van die lidstaat. De betrokken lidstaat mag eisen dat de ontbinding wordt voorafgegaan door de verkrijging door de betrokken partij of stichting van een nationale rechtspersoonlijkheid overeenkomstig lid 5.

7.  In alle situaties als bedoeld in de leden 5 en 6 waarborgt de betrokken lidstaat dat volledig wordt voldaan aan de in artikel 3 neergelegde voorwaarde inzake het ontbreken van een winstoogmerk. De Autoriteit en de ordonnateur van het Europees Parlement mogen met de betrokken lidstaat afspraken maken inzake de modaliteiten voor beëindiging van de Europese rechtspersoonlijkheid, met name om de terugvordering van middelen uit de algemene begroting van de Europese Unie en de inning van overeenkomstig artikel 27 opgelegde financiële sancties te waarborgen.



HOOFDSTUK IV

BEPALINGEN INZAKE FINANCIERING

Artikel 17

Voorwaarden voor financiering

1.  Een Europese politieke partij die overeenkomstig de in deze verordening vastgestelde voorwaarden en procedures is geregistreerd, die door ten minste één van haar leden in het Europees Parlement is vertegenwoordigd, en die zich niet in één van de in artikel 106, lid 1, van het Financieel Reglement bedoelde uitsluitingsgevallen bevindt, kan een verzoek om financiering uit de algemene begroting van de Europese Unie indienen, overeenkomstig de voorwaarden en bepalingen die door de ordonnateur van het Europees Parlement in een oproep tot het indienen van verzoeken om bijdragen zijn vastgesteld.

2.  Een Europese politieke stichting die is verbonden met een Europese politieke partij die overeenkomstig lid 1 een verzoek om financiering kan indienen, die overeenkomstig de in deze verordening vastgestelde voorwaarden en procedures is geregistreerd, en die zich niet in één van de in artikel 106, lid 1, van het Financieel Reglement bedoelde uitsluitingsgevallen bevindt, kan een verzoek om financiering uit de algemene begroting van de Europese Unie indienen, overeenkomstig de voorwaarden en bepalingen die door de ordonnateur van het Europees Parlement in een oproep tot het indienen van voorstellen zijn neergelegd.

3.  Wanneer wordt bepaald wie overeenkomstig lid 1 van dit artikel en artikel 3, lid 1, onder b), in aanmerking komt voor financiering uit de algemene begroting van de Europese Unie, wordt, evenals bij de toepassing van de bepalingen van artikel 19, lid 1, ervan uitgegaan dat een lid van het Europees Parlement slechts lid is van één Europese politieke partij, die, indien van toepassing, de partij is waartoe zijn of haar nationale of regionale politieke partij behoort op de uiterste datum voor het indienen van verzoeken voor financiering.

▼M1

4.  Financiële bijdragen of subsidies uit de algemene begroting van de Europese Unie bedragen niet meer dan 90 % van de jaarlijkse vergoedbare kosten die in de begroting van een Europese politieke partij zijn opgenomen en niet meer dan 95 % van de subsidiabele kosten die een Europese politieke stichting heeft gemaakt. Europese politieke partijen mogen het ongebruikte deel van de toegekende bijdrage van de Unie binnen één jaar na de toekenning ervan gebruiken om vergoedbare kosten te dekken. Bedragen die na dit begrotingsjaar ongebruikt blijven, worden overeenkomstig het Financieel Reglement teruggevorderd.

▼B

5.  Binnen de in de artikelen 21 en 22 bepaalde beperkingen hebben uitgaven die door middel van een financiële bijdrage vergoed kunnen worden betrekking op administratieve kosten, kosten in verband met logistieke steun, bijeenkomsten, onderzoek, grensoverschrijdende evenementen, studies, voorlichting en publicaties, alsmede op kosten in verband met campagnes.

Artikel 18

Verzoek om financiering

1.  Een Europese politieke partij of een Europese politieke stichting die voldoet aan de voorwaarden van artikel 17, lid 1 of 2, en die voor financiering uit de algemene begroting van de Europese Unie in aanmerking wenst te komen, dient na een oproep tot het indienen van verzoeken om bijdragen of een oproep tot het indienen van voorstellen een verzoek in bij het Europees Parlement.

2.  De Europese politieke partij en de Europese stichting moeten, op het ogenblik van hun verzoek, aan de in artikel 23 opgesomde verplichtingen voldoen en, vanaf de datum van het verzoek tot de afsluiting van het begrotingsjaar of het einde van de activiteit waarop de bijdrage of subsidie betrekking heeft, in het register opgenomen blijven; bovendien mogen zij aan geen van de in artikel 27, lid 1, en in artikel 27, lid 2, onder a), v) en vi), opgenomen sancties onderworpen zijn.

▼M1

2 bis.  Een Europese politieke partij voegt bij haar verzoek bewijsstukken toe waaruit blijkt dat de bij haar aangesloten EU-partijen doorgaans gedurende de twaalf maanden die aan de uiterste datum voor indiening van het verzoek voorafgaan, op hun website, op een duidelijk zichtbare en gebruikersvriendelijke wijze, het politieke programma en het logo van de Europese politieke partij hebben geplaatst.

▼B

3.  Een Europese politieke stichting voegt haar jaarlijkse werkprogramma of actieplan bij haar aanvraag.

4.  De ordonnateur van het Europees Parlement neemt binnen drie maanden na de afsluiting van de oproep tot het indienen van verzoeken om bijdragen of de oproep tot het indienen van voorstellen een besluit en keurt de desbetreffende kredieten goed en beheert deze in overeenstemming met het Financieel Reglement.

5.  Een Europese politieke stichting kan alleen een verzoek om financiering uit de algemene begroting van de Europese Unie indienen via de Europese politieke partij waaraan zij is verbonden.

Artikel 19

Criteria voor de toekenning en verdeling van middelen

▼M1

1.  De kredieten die beschikbaar zijn voor die Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen waaraan overeenkomstig artikel 18 bijdragen of subsidies zijn toegekend, worden jaarlijks als volgt verdeeld:

 10 % wordt gelijkelijk verdeeld tussen de begunstigde Europese politieke partijen,

 90 % wordt over de begunstigde Europese politieke partijen verdeeld in verhouding tot het aantal gekozen leden in het Europees Parlement.

Dezelfde verdeelsleutel wordt gebruikt voor het toekennen van financiering aan Europese politieke stichtingen, op grond van hun banden met een Europese politieke partij.

▼B

2.  De in lid 1 bedoelde verdeling wordt gebaseerd op het aantal gekozen leden in het Europees Parlement die lid zijn van de verzoekende Europese politieke partij op de uiterste datum voor indiening van financieringsverzoeken, rekening houdend met artikel 17, lid 3.

Na deze datum hebben wijzigingen van dit aantal geen invloed op het respectieve financieringsaandeel van Europese politieke partijen of Europese politieke stichtingen. Dit geldt onverminderd de vereiste in artikel 17, lid 1, dat een Europese politieke partij door ten minste één van haar leden in het Europees Parlement vertegenwoordigd is.

Artikel 20

Donaties en bijdragen

1.  Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen mogen donaties tot een waarde van 18 000  EUR per jaar per donor aanvaarden van natuurlijke personen of rechtspersonen.

2.  Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen leggen, bij het indienen van hun jaarrekeningen in overeenstemming met artikel 23, eveneens een lijst van donateurs over waarop zowel hun respectieve donaties als de aard en waarde van elk van de donaties worden vermeld. Dit lid geldt eveneens voor de bijdragen van partijen die lid zijn van Europese politieke partijen en van organisaties die lid zijn van Europese politieke stichtingen.

Voor donaties van natuurlijke personen met een waarde van meer dan 1 500  EUR en minder dan of gelijk aan 3 000  EUR, geeft de betrokken Europese politieke partij of Europese politieke stichting aan of de desbetreffende donoren vooraf schriftelijk toestemming hebben gegeven voor publicatie, overeenkomstig artikel 32, lid 1, onder e).

3.  Donaties die Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen in de zes maanden voorafgaand aan verkiezingen voor het Europees Parlement ontvangen, worden wekelijks schriftelijk en in overeenstemming met lid 2 aan de Autoriteit gemeld.

4.  Afzonderlijke donaties ter waarde van meer dan 12 000  EUR die door de Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen zijn aangenomen, worden onmiddellijk schriftelijk en in overeenstemming met de bepalingen van lid 2 aan de Autoriteit gemeld.

5.  Een Europese politieke partij of Europese politieke stichting aanvaardt geen van de volgende zaken:

a) anonieme donaties of bijdragen;

b) donaties uit de begrotingen van fracties in het Europees Parlement;

c) donaties van overheden van lidstaten of derde landen, of van ondernemingen waarop die overheid direct of indirect een overheersende invloed kan uitoefenen, hetzij op grond van eigendom of financiële participatie, hetzij via de op de onderneming toepasselijke bepalingen, of

d) donaties van particuliere entiteiten die gevestigd zijn in derde landen of van personen uit derde landen die niet stemgerechtigd zijn voor de verkiezingen voor het Europees Parlement.

6.  Een donatie die op grond van deze verordening niet is toegestaan, wordt binnen 30 dagen na ontvangst door de Europese politieke partij of de Europese politieke stichting:

a) aan de donateur of de namens hem optredende persoon terugbetaald, of

b) indien terugbetaling niet mogelijk is, aan de Autoriteit en het Europees Parlement gemeld. De ordonnateur van het Europees Parlement stelt daarop een schuldvordering vast en geeft opdracht deze in te vorderen, overeenkomstig de artikelen 78 en 79 van het Financieel Reglement. De middelen worden als algemene ontvangsten in de afdeling van het Europees Parlement in de algemene begroting van de Europese Unie opgenomen.

7.  Een Europese politieke partij mag bijdragen van haar leden ontvangen. Deze bijdragen mogen echter niet meer bedragen dan 40 % van de jaarlijkse begroting van deze Europese politieke partij.

8.  Een Europese politieke stichting mag bijdragen van haar leden en van de Europese politieke partij waarmee zij is verbonden ontvangen. Deze bijdragen mogen echter niet meer bedragen dan 40 % van de jaarlijkse begroting van deze Europese politieke stichting en mogen niet afkomstig zijn uit middelen die een Europese politieke partij overeenkomstig deze verordening uit de algemene begroting van de Europese Unie heeft ontvangen.

De bewijslast berust bij de betrokken Europese politieke partij, die de herkomst van de voor de financiering van de daaraan verbonden Europese politieke stichting gebruikte middelen duidelijk in haar rekeningen aangeeft.

9.  Onverminderd de leden 7 en 8 mogen Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen bijdragen van burgers die als lid bij hen zijn aangesloten aanvaarden tot een waarde van 18 000  EUR per jaar en per lid, indien dergelijke bijdragen door het betreffende lid in eigen naam worden gegeven.

Het in de eerste alinea neergelegde drempelbedrag is niet van toepassing indien het betreffende lid tevens een gekozen lid van het Europees Parlement, van een nationaal parlement of van een regionaal parlement of regionale vergadering is.

10.  Bijdragen die krachtens deze verordening niet zijn toegestaan worden terugbetaald overeenkomstig lid 6.

Artikel 21

Financiering van campagnes voor de verkiezingen voor het Europees Parlement

1.  Onder voorbehoud van het bepaalde in de tweede alinea kan de financiering van Europese politieke partijen uit de algemene begroting van de Europese Unie of enige andere bron worden gebruikt voor de financiering van campagnes die Europese politieke partijen voeren voor verkiezingen voor het Europees Parlement, waaraan zij of hun leden zoals voorgeschreven in artikel 3, lid 1, onder d), deelnemen.

Overeenkomstig artikel 8 van de Akte betreffende de verkiezing van de leden van het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen ( 4 ) wordt voor alle politieke partijen, kandidaten en derde partijen de financiering en mogelijke beperking van de verkiezingsuitgaven voor de verkiezingen voor het Europees Parlement, naast hun deelname aan die verkiezingen, in elke lidstaat door nationale bepalingen geregeld.

2.  Uitgaven in verband met de in lid 1 bedoelde campagnes worden duidelijk als zodanig vermeld in de jaarrekeningen van de Europese politieke partijen.

Artikel 22

Financieringsverbod

1.  Onverminderd artikel 21, lid 1, mag financiering van Europese politieke partijen uit de algemene begroting van de Europese Unie of enige andere bron niet worden gebruikt voor rechtstreekse of onrechtstreekse financiering van andere politieke partijen, met name niet voor nationale partijen of kandidaten. Op deze nationale politieke partijen en kandidaten blijven de nationale regelgevingen van toepassing.

2.  Financiering van Europese politieke stichtingen uit de algemene begroting van de Europese Unie of enige andere bron mag voor geen andere doeleinden worden gebruikt dan voor het financieren van hun activiteiten zoals gedefinieerd in artikel 2, lid 4, en voor uitgaven die rechtstreeks verband houden met de overeenkomstig artikel 5 in hun statuten genoemde doelstellingen. Deze mogen met name niet worden gebruikt voor rechtstreekse of onrechtstreekse financiering van verkiezingen, politieke partijen of kandidaten, of andere stichtingen.

3.  Financiering van Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen uit de algemene begroting van de Europese Unie of enige andere bron mag niet worden gebruikt voor het financieren van referendumcampagnes.



HOOFDSTUK V

CONTROLE EN SANCTIES

Artikel 23

Rekeningen en verplichtingen inzake controle en verslaglegging

1.  Ten laatste binnen zes maanden na afsluiting van het begrotingsjaar dienen de Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen bij de Autoriteit, met kopie aan de ordonnateur van het Europees Parlement en aan het bevoegde nationale contactpunt in de lidstaat waar hun zetel is gevestigd, de volgende documenten in:

a) hun jaarrekeningen en begeleidende nota's met betrekking tot ontvangsten en uitgaven, en activa en passiva bij aanvang en bij afsluiting van het begrotingsjaar, overeenkomstig het toepasselijke recht in de lidstaat waar hun zetel is gevestigd, alsmede hun jaarrekeningen op basis van de internationale standaarden voor jaarrekeningen als omschreven in artikel 2 van Verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad ( 5 );

b) een externe-auditverslag van de jaarrekeningen met betrekking tot zowel de betrouwbaarheid van die jaarrekeningen als de wettigheid en regelmatigheid van hun ontvangsten en uitgaven, dat is opgesteld door een onafhankelijke instantie of deskundige, en

c) de overeenkomstig artikel 20, leden 2, 3 en 4, overgelegde lijst van donateurs en contribuanten en hun respectieve donaties of bijdragen.

2.  In geval van uitgaven die gezamenlijk zijn gedaan door Europese politieke partijen en nationale politieke partijen of door Europese politieke stichtingen en nationale politieke stichtingen, of met andere organisaties, worden de bewijsstukken die rechtstreeks of via deze derden betrekking hebben op de uitgaven van de Europese politieke partijen of de Europese politieke stichtingen bij de in lid 1 bedoelde jaarrekeningen gevoegd.

3.  De in lid 1, onder b), bedoelde onafhankelijke instanties of deskundigen worden gekozen door, krijgen hun opdracht van en worden betaald door het Europees Parlement. Zij worden naar behoren gemachtigd om volgens het toepasselijke recht in de lidstaat waar hun zetel is gevestigd rekeningen te controleren.

4.  Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen verstrekken alle informatie die door de onafhankelijke instanties of deskundigen in het kader van hun controle wordt gevraagd.

5.  De onafhankelijke instanties of deskundigen stellen de Autoriteit en de ordonnateur van het Europees Parlement in kennis van elk vermoeden van illegale activiteiten, fraude of corruptie die de financiële belangen van de Unie kunnen schaden. De Autoriteit en de ordonnateur van het Europees Parlement stellen de nationale contactpunten hiervan in kennis.

Artikel 24

Algemene regels op het gebied van controle

1.  Controle op de naleving door Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen van de uit deze verordening voortvloeiende verplichtingen wordt in samenwerking uitgevoerd door de Autoriteit, de ordonnateur van het Europees Parlement en de bevoegde lidstaten.

2.  De Autoriteit controleert de naleving door de Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen van de uit deze verordening voortvloeiende verplichtingen, in het bijzonder wat betreft artikel 3, artikel 4, lid 1, onder a), b) en d) tot en met f), artikel 5, lid 1, onder a) tot en met e) en g), artikel 9, leden 5 en 6, en de artikelen 20, 21 en 22.

De ordonnateur van het Europees Parlement controleert de naleving door de Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen van de uit deze verordening voortvloeiende verplichtingen die betrekking hebben op de financiering door de Unie, overeenkomstig het Financieel Reglement. Bij de uitvoering van die controle neemt het Europees Parlement de nodige maatregelen met het oog op de preventie en de bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt.

3.  De in lid 2 bedoelde controle door de Autoriteit en de ordonnateur van het Europees Parlement strekt zich niet uit tot de naleving door Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen van de uit het toepasselijke nationaal recht voortvloeiende verplichtingen als bedoeld in artikel 14.

4.  De Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen verstrekken alle informatie die wordt gevraagd door de Autoriteit, de ordonnateur van het Europees Parlement, de Rekenkamer, het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) of de lidstaten, en die nodig is voor het uitvoeren van de controles waarvoor zij krachtens deze verordening verantwoordelijk zijn.

Desgevraagd en ten behoeve van de controle van de naleving van artikel 20 verstrekken de Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen aan de Autoriteit informatie met betrekking tot bijdragen van individuele leden en de identiteit van die leden. Bovendien kan de Autoriteit in voorkomend geval van Europese politieke partijen verlangen dat zij ondertekende bevestigende verklaringen van leden die gekozen functies bekleden voorleggen ten behoeve van de controle van de naleving van de in artikel 3, lid 1, onder b), eerste alinea, neergelegde voorwaarde.

Artikel 25

Uitvoering en controle met betrekking tot financiering van de Unie

1.  Kredieten voor de financiering van Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen worden vastgesteld volgens de jaarlijkse begrotingsprocedure en besteed volgens deze verordening en het Financieel Reglement.

De voorwaarden voor bijdragen en subsidies worden door de ordonnateur van het Europees Parlement in de oproep tot het indienen van verzoeken om bijdragen en de oproep tot het indienen van voorstellen vastgesteld.

2.  De controle op financiering afkomstig uit de algemene begroting van de Europese Unie en het gebruik ervan wordt overeenkomstig het Financieel Reglement uitgeoefend.

De controle geschiedt daarenboven op grond van een jaarlijkse audit door een externe en onafhankelijke instantie, als beschreven in artikel 23, lid 1.

3.  De Rekenkamer oefent haar controlerende bevoegdheden uit krachtens artikel 287 VWEU.

4.  Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen die op grond van deze verordening financieringen ontvangen, verstrekken de Rekenkamer op haar verzoek alle documenten of inlichtingen die voor de uitoefening van haar taak noodzakelijk zijn.

5.  In het besluit of de overeenkomst tot toekenning van een bijdrage of subsidie wordt uitdrukkelijk vastgelegd dat het Europees Parlement en de Rekenkamer bevoegd zijn om aan de hand van stukken en ter plaatse controle uit te oefenen op een Europese politieke partij of een Europese politieke stichting die respectievelijk een bijdrage of een subsidie uit de algemene begroting van de Europese Unie heeft ontvangen.

6.  De Rekenkamer en de ordonnateur van het Europees Parlement, of een andere door de ordonnateur van het Europees Parlement gemachtigde externe instantie, kunnen de nodige controles en verificaties ter plaatse uitvoeren om de wettigheid van de uitgaven te controleren en na te gaan of de bepalingen van het besluit of de overeenkomst tot toekenning van een bijdrage of subsidie zijn nageleefd, en, wat betreft de Europese politieke stichtingen, of het werkprogramma of de actie naar behoren is uitgevoerd. De betreffende Europese politieke partij of de Europese politieke stichting verstrekt alle hiervoor benodigde documenten en inlichtingen.

7.  Het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) kan overeenkomstig de bepalingen en procedures van Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad ( 6 ) en Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad ( 7 ) onderzoeken, waaronder controles en verificaties ter plaatse, uitvoeren om vast te stellen of er sprake is van fraude, corruptie of andere onwettige activiteiten in verband met bijdragen of subsidies uit hoofde van deze verordening, waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad. Deze controles kunnen eventueel leiden tot een besluit tot terugvordering door de ordonnateur van het Europees Parlement.

Artikel 26

Technische ondersteuning

Iedere vorm van technische ondersteuning door het Europees Parlement van Europese politieke partijen berust op het beginsel van gelijke behandeling. Zij wordt verleend volgens voorwaarden die niet ongunstiger zijn dan die welke gelden voor andere externe organisaties en verenigingen waaraan vergelijkbare voorzieningen ter beschikking kunnen worden gesteld en zij wordt verleend tegen overlegging van een factuur en tegen betaling.

Artikel 27

Sancties

1.  Overeenkomstig artikel 16 besluit de Autoriteit bij wijze van sanctie in elk van de volgende situaties tot schrapping van een Europese politieke partij of een Europese politieke stichting uit het register:

a) indien de partij of de stichting in kwestie bij een onherroepelijke rechterlijke beslissing is veroordeeld voor onwettige activiteiten die de financiële belangen van de Europese Unie schaden in de zin van artikel 106, lid 1, van het Financieel Reglement;

▼M1

b) indien na toepassing van de procedures van artikel 10, leden 2 tot en met 5, is vastgesteld dat de partij of de stichting niet langer voldoet aan een of meer van de in artikel 3, lid 1 of 2, vastgelegde voorwaarden;

▼M1

b bis) indien het besluit tot registratie van de partij of stichting in kwestie berust op onjuiste of misleidende informatie waarvoor de verzoekende partij verantwoordelijk is, of indien dergelijk besluit met bedrog is verkregen, of

▼B

c) indien een verzoek van een lidstaat tot schrapping uit het register op grond van ernstige niet-naleving van de uit nationaal recht voortvloeiende verplichtingen voldoet aan de in artikel 16, lid 3, onder b), vastgestelde vereisten.

2.  De Autoriteit legt in de volgende gevallen financiële sancties op:

a) niet-kwantificeerbare inbreuken:

i) indien niet wordt voldaan aan de vereisten van artikel 9, leden 5 of 6;

ii) indien de aangegane verplichtingen niet worden nagekomen en niet wordt gehandeld overeenkomstig de informatie die de Europese politieke partij of de Europese politieke stichting heeft verstrekt, als bedoeld in artikel 4, lid 1, onder a), b) en d) tot en met f), en artikel 5, lid 1, onder a), b), d) en e);

iii) indien de lijst van donateurs en hun respectieve donaties niet wordt overgelegd overeenkomstig artikel 20, lid 2, of donaties niet worden gemeld overeenkomstig artikel 20, leden 3 en 4;

iv) indien een Europese politieke partij of een Europese politieke stichting haar verplichtingen die zijn vastgelegd in artikel 23, lid 1, of artikel 24, lid 4, niet is nagekomen;

v) indien een Europese politieke partij of een Europese politieke stichting bij een onherroepelijke rechterlijke beslissing is veroordeeld voor onwettige activiteiten die de financiële belangen van de Europese Unie schaden in de zin van artikel 106, lid 1, van het Financieel Reglement;

vi) indien een Europese politieke partij of een Europese politieke stichting op enig moment opzettelijk onjuiste of misleidende informatie heeft achtergehouden of geleverd, of indien de organen die op grond van deze verordening gemachtigd zijn de begunstigden van financiering uit de algemene begroting van de Europese Unie aan audits of controles te onderwerpen fouten in de jaarrekeningen ontdekken die overeenkomstig de in artikel 2 van Verordening (EG) nr. 1606/2002 gedefinieerde internationale standaarden voor jaarrekeningen worden beschouwd als weglatingen of onjuiste weergaves van informatie van materieel belang;

b) kwantificeerbare inbreuken:

i) indien een Europese politieke partij of een Europese politieke stichting donaties en bijdragen heeft aanvaard die krachtens artikel 20, lid 1 of 5, niet zijn toegestaan, tenzij is voldaan aan de voorwaarden van artikel 20, lid 6;

ii) indien niet wordt voldaan aan de vereisten van de artikelen 21 en 22.

3.  De ordonnateur van het Europees Parlement mag een Europese politieke partij of een Europese politieke stichting uitsluiten van toekomstige financiering door de Unie voor een periode van maximaal vijf jaar, of maximaal 10 jaar indien sprake is van een herhaalde inbreuk binnen vijf jaar nadat de Europese politieke partij of Europese politieke stichting schuldig bevonden is aan de in lid 2, onder a), v) en vi), vermelde inbreuken. Dit laat de bevoegdheden van de ordonnateur van het Europees Parlement als vastgelegd in artikel 204 quindecies van het Financieel Reglement onverlet.

4.  Voor de toepassing van de leden 2 en 3 worden de volgende financiële sancties opgelegd aan een Europese politieke partij of een Europese politieke stichting:

a) voor niet-kwantificeerbare inbreuken: een vast percentage van de jaarlijkse begroting van de betreffende Europese politieke partij of Europese politieke stichting:

 5 %, of

 7, 5% bij samenloop van inbreuken, of

 20 % bij een herhaalde inbreuk, of

 een derde van bovengenoemde percentages indien de Europese politieke partij of Europese politieke stichting de inbreuk uit eigen beweging heeft aangegeven voordat de Autoriteit een officieel onderzoek is gestart, zelfs in het geval van een samenloop van inbreuken of een herhaalde inbreuk, en de betrokken partij of stichting passende corrigerende maatregelen heeft genomen;

 50 % van de jaarlijkse begroting van de betrokken Europese politieke partij of Europese politieke stichting van het voorgaande jaar, indien de Europese politieke partij of de Europese politieke stichting bij een onherroepelijke rechterlijke beslissing is veroordeeld voor onwettige activiteiten die de financiële belangen van de Europese Unie schaden in de zin van artikel 106, lid 1, van het Financieel Reglement;

b) voor kwantificeerbare inbreuken: een vast percentage van het bedrag van de onregelmatige ontvangen of niet gemelde middelen, overeenkomstig de volgende schaal, maar ten hoogste 10 % van de jaarlijkse begroting van de betrokken Europese politieke partij of Europese politieke stichting:

 100 % van de onregelmatige ontvangen of niet gemelde middelen, indien deze 50 000  EUR of minder bedragen, of

 150 % van de onregelmatige ontvangen of niet gemelde middelen, indien deze meer dan 50 000  EUR maar niet meer dan 100 000  EUR bedragen, of

 200 % van de onregelmatige ontvangen of niet gemelde middelen, indien deze meer dan 100 000  EUR maar niet meer dan 150 000  EUR bedragen, of

 250 % van de onregelmatige ontvangen of niet gemelde middelen, indien deze meer dan 150 000  EUR maar niet meer dan 200 000  EUR bedragen, of

 300 % van de onregelmatige ontvangen of niet gemelde middelen, indien deze meer dan 200 000  EUR bedragen;

 een derde van bovengenoemde percentages indien de betrokken Europese politieke partij of Europese politieke stichting de inbreuk uit eigen beweging heeft aangegeven voordat de Autoriteit en/of de ordonnateur van het Europees Parlement een officieel onderzoek is gestart, en de betrokken partij of stichting passende corrigerende maatregelen heeft genomen.

Voor de toepassing van bovengenoemde percentages wordt elke donatie of bijdrage afzonderlijk beoordeeld.

5.  Indien een Europese politieke partij of Europese politieke stichting schuldig is aan een samenloop van inbreuken, begaan tegen deze verordening, wordt alleen een sanctie opgelegd voor de ernstigste van die inbreuken, tenzij anders bepaald in lid 4, onder a).

6.  Voor de in deze verordening vastgelegde sancties geldt een verjaringstermijn van vijf jaar vanaf de dag waarop de betreffende inbreuk werd gepleegd, of, indien sprake is van aanhoudende of herhaalde inbreuken, vanaf de datum waarop de inbreuken werden beëindigd.

▼M1

Artikel 27 bis

Verantwoordelijkheid van natuurlijke personen

Wanneer de Autoriteit in de situaties bedoeld in artikel 27, lid 2, onder a), v) of vi), een financiële sanctie oplegt, kan zij, met het oog op de terugvordering als bedoeld in artikel 30, lid 2, bepalen dat een natuurlijke persoon die lid is van het bestuurlijk, beleidsbepalend of toezichthoudend orgaan van de Europese politieke partij of Europese politieke stichting, of die ten aanzien van de Europese politieke partij of Europese politieke stichting vertegenwoordigings-, beslissings- of controlebevoegdheid heeft, tevens verantwoordelijk is voor de inbreuk in de volgende gevallen:

a) in de situatie bedoeld in artikel 27, lid 2, onder a), v), indien de natuurlijke persoon bij de in die bepaling bedoelde rechterlijke beslissing ook verantwoordelijk is gesteld voor de onwettige activiteiten in kwestie;

b) in de situatie bedoeld in artikel 27, lid 2, onder a), vi), indien de natuurlijke persoon ook verantwoordelijk is voor de gedragingen of onjuistheden in kwestie.

▼B

Artikel 28

Samenwerking tussen de autoriteit, de ordonnateur van het Europees Parlement en de lidstaten

1.  Via de nationale contactpunten delen de Autoriteit, de ordonnateur van het Europees Parlement en de lidstaten informatie en stellen zij elkaar regelmatig op de hoogte van kwesties in verband met financieringsbepalingen, controles en sancties.

2.  Zij maken tevens afspraken over de praktische regelingen voor deze uitwisseling van informatie, en stellen daarbij onder andere regels vast inzake de bekendmaking van vertrouwelijke informatie of bewijs en de samenwerking tussen lidstaten.

3.  De ordonnateur van het Europees Parlement stelt de Autoriteit in kennis van bevindingen die aanleiding kunnen geven tot het opleggen van sancties overeenkomstig artikel 27, leden 2, 3 en 4, teneinde de Autoriteit de gelegenheid te geven passende maatregelen te treffen.

4.  De Autoriteit stelt de ordonnateur van het Europees Parlement in kennis van besluiten die zij heeft genomen met betrekking tot sancties, teneinde laatstgenoemde in staat te stellen hieraan een passend vervolg te geven overeenkomstig het Financieel Reglement.

Artikel 29

Corrigerende maatregelen en beginselen van goed bestuur

1.  Voordat het Europees Parlement een definitief besluit neemt inzake een van de in artikel 27 bedoelde sancties, stelt de Autoriteit of de ordonnateur van het Europees Parlement de Europese politieke partij of de Europese politieke stichting in kwestie in de gelegenheid de maatregelen te treffen die nodig zijn om de situatie binnen een redelijke termijn, die normaal gesproken niet langer mag duren dan een maand, te verhelpen In het bijzonder geeft de Autoriteit of de ordonnateur van het Europees Parlement de gelegenheid tot het corrigeren van schrijf- en rekenfouten, het zo nodig verstrekken van aanvullende documenten of informatie of het rechtzetten van kleine tekortkomingen.

2.  Indien een Europese politieke partij of een Europese politieke stichting heeft nagelaten binnen de in lid 1 voorgeschreven termijn corrigerende maatregelen te nemen, worden passende sancties overeenkomstig artikel 27 opgelegd.

3.  De leden 1 en 2 zijn niet van toepassing met betrekking tot de voorwaarden vastgelegd in artikel 3, lid 1, onder b) tot en met d), en in artikel 3, lid 2, onder c).

Artikel 30

Terugvordering

1.  Op basis van een besluit van de Autoriteit tot schrapping uit het register van een Europese politieke partij of een Europese politieke stichting, trekt de ordonnateur van het Europees Parlement een lopend besluit of lopende overeenkomst betreffende financiering van de Unie in of beëindigt dat besluit of die overeenkomst, behalve in gevallen als bedoeld in artikel 16, lid 2, onder c), en artikel 3, lid 1, onder b) en d). Tevens vordert hij de financiering van de Unie terug, met inbegrip van alle ongebruikte middelen van de Unie uit voorgaande jaren.

2.   ►M1  Een Europese politieke partij of een Europese politieke stichting waaraan een sanctie is opgelegd wegens een in artikel 27, lid 1 en lid 2, onder a), v) en vi), genoemde inbreuk, voldoet om die reden niet meer aan de voorwaarden van artikel 18, lid 2. De ordonnateur van het Europees Parlement beëindigt daarop het besluit of de overeenkomst tot toekenning op grond van deze verordening van een bijdrage of subsidie uit de begroting van de Unie en vordert het bedrag terug dat op grond van het besluit of de overeenkomst tot toekenning van een bijdrage of subsidie ten onrechte is uitbetaald, met inbegrip van alle ongebruikte Uniemiddelen uit voorgaande jaren. De ordonnateur van het Europees Parlement vordert tevens bedragen die op grond van het besluit of de overeenkomst tot toekenning van een bijdrage of subsidie ten onrechte zijn uitbetaald terug van een natuurlijke persoon ten aanzien van wie een besluit krachtens artikel 27 bis, is genomen, rekening houdend, in voorkomend geval, met de uitzonderlijke omstandigheden met betrekking tot die natuurlijke persoon. ◄

▼M1

In geval van dergelijke beëindiging blijven betalingen door de ordonnateur van het Europees Parlement beperkt tot de door de Europese politieke partij gedane vergoedbare uitgaven of de door de Europese politieke stichting gemaakte subsidiabele kosten tot aan de datum waarop het besluit tot beëindiging in werking treedt.

▼B

Dit lid is tevens van toepassing op de in artikel 16, lid 2, onder c), en artikel 3, lid 1, onder b) en d), bedoelde gevallen.



HOOFDSTUK VI

SLOTBEPALINGEN

Artikel 31

Informatieverstrekking aan de burgers

Behoudens het bepaalde in de artikelen 21 en 22 en hun eigen statuten en interne regelingen, nemen Europese politieke partijen alle passende maatregelen om voor de verkiezingen voor het Europees Parlement de burgers van de Unie in te lichten over de banden tussen de nationale politieke partijen en kandidaten en de betrokken Europese politieke partijen.

Artikel 32

Transparantie

1.  Het Europees Parlement publiceert, onder verantwoordelijkheid van zijn ordonnateur of onder die van de Autoriteit, op een speciaal daartoe gecreëerde website:

a) de namen en statuten van alle geregistreerde Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen, samen met de overeenkomstig artikel 8, bij het verzoek om registratie ingediende documenten, uiterlijk vier weken nadat de Autoriteit haar besluit heeft genomen, en de nadien krachtens artikel 9, leden 5 en 6, aan de Autoriteit meegedeelde wijzigingen;

b) een lijst van de verzoeken die niet zijn ingewilligd, samen met de overeenkomstig artikel 8, bij het verzoek om registratie ingediende documenten en de redenen van de weigering, uiterlijk vier weken nadat de Autoriteit een besluit heeft genomen;

c) een jaarlijks verslag met een tabel van de bedragen die zijn betaald aan de respectieve Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen, per begrotingsjaar waarvoor bijdragen zijn ontvangen of subsidies zijn betaald uit de algemene begroting van de Europese Unie;

d) de in artikel 23, lid 1, bedoelde jaarrekeningen en externe-auditverslagen alsook, voor Europese politieke stichtingen, de eindverslagen over de uitvoering van de werkprogramma's of acties;

e) de overeenkomstig artikel 20, leden 2, 3 en 4, door de Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen gemelde namen van donateurs en hun donaties, met uitzondering van donaties van natuurlijke personen met een maximale waarde van 1 500  EUR per jaar en per donateur, welke worden gemeld als „kleine donaties”. Donaties van natuurlijke personen waarvan de waarde per jaar meer dan 1 500  EUR bedraagt en minder dan of gelijk is aan 3 000  EUR worden niet gepubliceerd zonder de voorafgaande schriftelijke toestemming daartoe van de desbetreffende donateur. Indien geen voorafgaande toestemming is verleend, worden deze donaties gemeld als „kleine donaties”. Het totale bedrag van de kleine donaties en het aantal donateurs per kalenderjaar worden eveneens gepubliceerd;

f) de in artikel 20, leden 7 en 8, bedoelde bijdragen, die de Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen hebben gemeld overeenkomstig artikel 20, lid 2, met inbegrip van de identiteit van de aangesloten partijen of organisaties waarvan de bijdragen afkomstig zijn;

g) de details van en redenen voor definitieve besluiten van de Autoriteit ingevolge artikel 27, met inbegrip van eventuele door het comité van onafhankelijke vooraanstaande personen overeenkomstig de artikelen 10 en 11 vastgestelde adviezen, met inachtneming van Verordening (EG) nr. 45/2001;

h) de details van en de redenen voor definitieve besluiten van de ordonnateur van het Europees Parlement krachtens artikel 27;

▼M1

i) een beschrijving van de aan Europese politieke partijen verleende technische ondersteuning;

j) het in artikel 38 bedoelde evaluatieverslag van het Europees Parlement over de toepassing van deze verordening en de gefinancierde activiteiten, en

▼M1

k) een bijgewerkte lijst van leden van het Europees Parlement die lid zijn van een Europese politieke partij.

▼B

2.  Het Europees Parlement publiceert de lijst van rechtspersonen die lid zijn van een Europese politieke partij, die overeenkomstig artikel 4, lid 2, bij de statuten van de partij wordt gevoegd en overeenkomstig artikel 9, lid 6, wordt bijgewerkt, alsmede het totale aantal individuele leden.

3.  Persoonsgegevens worden niet op de onder lid 1 bedoelde website gepubliceerd, tenzij publicatie verplicht is op grond van lid 1, onder a), e) of g).

4.  Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen verstrekken potentiële leden en donateurs in een publiek toegankelijke privacyverklaring de krachtens artikel 10 van Richtlijn 95/46/EG vereiste informatie en wijzen hen erop dat hun persoonsgegevens door het Europees Parlement, de Autoriteit, OLAF, de Rekenkamer, de lidstaten of door hen gemachtigde externe organen en deskundigen worden verwerkt voor audit- en controledoeleinden, en dat hun persoonsgegevens op de in lid 1 bedoelde website bekendgemaakt zullen worden onder de in dit artikel vermelde voorwaarden. Overeenkomstig artikel 11 van Verordening (EG) nr. 45/2001 neemt de ordonnateur van het Europees Parlement deze informatie ook op in de in artikel 18, lid 1, bedoelde oproep tot het indienen van verzoeken om bijdragen of voorstellen.

Artikel 33

Bescherming van persoonsgegevens

1.  Bij de verwerking van persoonsgegevens op grond van deze verordening nemen de Autoriteit, het Europees Parlement en het in artikel 11 bedoelde comité van onafhankelijke vooraanstaande personen Verordening (EG) nr. 45/2001 in acht. Bij de verwerking van persoonsgegevens gelden zij als verantwoordelijke voor de verwerking in de zin van artikel 2, onder d), van die verordening.

2.  Bij de verwerking van persoonsgegevens op grond van deze verordening voldoen de Europese politieke partijen en de Europese politieke stichtingen, de lidstaten, bij het uitoefenen van de controle op bepaalde aspecten van de financiering van Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen overeenkomstig artikel 24, en de onafhankelijke organen of deskundigen die bevoegd zijn om rekeningen te controleren overeenkomstig artikel 23, lid 1, aan Richtlijn 95/46/EG en de op grond daarvan vastgestelde nationale bepalingen. Bij de verwerking van persoonsgegevens gelden zij als verantwoordelijke voor de verwerking in de zin van artikel 2, onder d), van die richtlijn.

3.  De Autoriteit, het Europees Parlement en het in artikel 11 bedoelde comité van onafhankelijke vooraanstaande personen zien erop toe dat de persoonsgegevens die zij op grond van deze verordening verzamelen, uitsluitend worden gebruikt om te waarborgen dat de financiering van Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen en het lidmaatschap van Europese politieke partijen wettig, regelmatig en transparant zijn. Zij wissen alle voor dit doel verzamelde persoonsgegevens uiterlijk 24 maanden nadat de relevante delen ervan zijn gepubliceerd overeenkomstig artikel 32.

4.  De lidstaten en de onafhankelijke organen of deskundigen die gemachtigd zijn om rekeningen te controleren, gebruiken de persoonsgegevens die zij ontvangen alleen om toezicht uit te oefenen op de financiering van Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen. Zij wissen deze persoonsgegevens overeenkomstig het toepasselijke nationale recht na de doorgifte daarvan overeenkomstig artikel 28.

5.  Persoonsgegevens mogen langer worden bewaard dan de in lid 3 vastgestelde termijnen of de termijnen waarin het in lid 4 bedoelde toepasselijke nationale recht voorziet, indien dit nodig is in verband met juridische of administratieve procedures betreffende de financiering van een Europese politieke partij of een Europese politieke stichting, of betreffende het lidmaatschap van een Europese politieke partij. Uiterlijk één week nadat voornoemde procedures met een definitief besluit worden afgerond of eventuele audits, beroepsprocedures, geschillen of claims zijn afgehandeld, worden dergelijke persoonsgegevens gewist.

6.  De in de leden 1 en 2 bedoelde voor de verwerking verantwoordelijke entiteiten nemen passende technische en organisatorische maatregelen om persoonsgegevens te beveiligen tegen ongewilde dan wel onrechtmatige vernietiging, ongewild verlies, wijziging of niet-toegestane verspreiding of toegang, met name wanneer de verwerking doorgifte van gegevens via een netwerk omvat, dan wel tegen enige andere vorm van onwettige verwerking.

7.  Het is de verantwoordelijkheid van de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming erop toe te zien en te waarborgen dat de Autoriteit, het Europees Parlement en het in artikel 11 bedoelde comité van onafhankelijke vooraanstaande personen de fundamentele rechten en vrijheden van natuurlijke personen bij de verwerking van persoonsgegevens op grond van deze verordening eerbiedigen en beschermen. Elke betrokkene kan, onverminderd de mogelijkheden van beroep voor de rechter, een verzoek indienen bij de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming indien hij van oordeel is dat zijn recht op bescherming van zijn persoonsgegevens door de verwerking van die gegevens door de Autoriteit, het Europees Parlement of het comité is geschonden.

8.  De Europese politieke partijen en de Europese politieke stichtingen, de lidstaten en de onafhankelijke organen of deskundigen die gemachtigd zijn om krachtens deze verordening rekeningen te controleren, zijn overeenkomstig het toepasselijke nationale recht aansprakelijk voor schade die zij veroorzaken bij de verwerking van persoonsgegevens op grond van deze verordening. De lidstaten waarborgen dat inbreuken op deze verordening, op Richtlijn 95/46/EG en op de op grond daarvan vastgestelde nationale bepalingen, en met name het frauduleus gebruik van persoonsgegevens, strafbaar worden gesteld met doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties.

▼M1

Artikel 34

Recht te worden gehoord

Alvorens de Autoriteit of de ordonnateur van het Europees Parlement een besluit neemt dat de rechten van een Europese politieke partij, een Europese politieke stichting, een verzoekende partij als bedoeld in artikel 8 of een in artikel 27 bis bedoelde natuurlijke persoon kan schaden, hoort zij/hij de vertegenwoordigers van de betreffende Europese politieke partij, Europese politieke stichting of verzoekende partij, of de betrokken natuurlijke persoon. De Autoriteit dan wel het Europees Parlement vermeldt naar behoren de redenen voor haar of zijn besluit.

▼B

Artikel 35

Beroepsmogelijkheden

Tegen de besluiten die krachtens deze verordening zijn genomen, kan beroep worden aangetekend bij het Hof van Justitie van de Europese Unie, overeenkomstig de relevante bepalingen van het VWEU.

Artikel 36

Uitoefening van bevoegdheidsdelegatie

1.  De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.  De in artikel 7, lid 2, en artikel 8, lid 3, bedoelde bevoegdheid tot vaststelling van gedelegeerde handelingen wordt aan de Commissie verleend voor een termijn van vijf jaar met ingang van 24 november 2014. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de periode van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.

3.  De in artikel 7, lid 2, en artikel 8, lid 3, bedoelde bevoegdheidsdelegatie kan op elk ogenblik door het Europees Parlement of de Raad worden ingetrokken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.  Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

5.  Een krachtens artikel 7, lid 2, en artikel 8, lid 3, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt pas in werking als het Europees Parlement noch de Raad binnen een termijn van twee maanden na de datum van kennisgeving ervan aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft aangetekend tegen de gedelegeerde handeling, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad de Commissie voor het verstrijken van deze termijn heeft meegedeeld geen bezwaar te zullen aantekenen. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

Artikel 37

Comitéprocedure

1.  De Commissie wordt bijgestaan door een comité. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

2.  Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

▼M1

Artikel 38

Evaluatie

Het Europees Parlement publiceert, na raadpleging van de Autoriteit, uiterlijk op 31 december 2021 en daarna om de vijf jaar een verslag over de toepassing van deze verordening en over de gefinancierde activiteiten. Eventuele in het statuut en de financieringsstelsels aan te brengen wijzigingen worden in het verslag vermeld.

De Commissie dient uiterlijk zes maanden na de publicatie van het verslag van het Europees Parlement een verslag in over de toepassing van deze verordening, met, indien nodig, een wetgevingsvoorstel tot wijziging van deze verordening, waarin bijzondere aandacht wordt verleend aan de implicaties voor de positie van kleine Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen. Het verslag gaat zo nodig vergezeld van een wetgevingsvoorstel ter wijziging van deze verordening.

▼B

Artikel 39

Doeltreffende toepassing

De lidstaten treffen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat deze verordening doeltreffend wordt toegepast.

Artikel 40

Intrekking

Verordening (EG) nr. 2004/2003 wordt ingetrokken met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze verordening. Zij blijft echter van toepassing op rechtshandelingen en vastleggingen met betrekking tot de financiering van politieke partijen en politieke stichtingen op Europees niveau voor de begrotingsjaren 2014, 2015, 2016 en 2017.

▼M1

Artikel 40 bis

Overgangsbepaling

1.  De vóór 4 mei 2018 toepasselijke bepalingen van deze verordening blijven van toepassing op rechtshandelingen en vastleggingen met betrekking tot de financiering op Europees niveau van Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen die zijn vastgesteld voor het begrotingsjaar 2018.

2.  Met betrekking tot verzoeken om financiering voor het begrotingsjaar 2019 en in afwijking van artikel 18, lid 2 bis, verzoekt de ordonnateur van het Europees Parlement een Europese politieke partij, voordat hij over een verzoek om financiering beslist, om verstrekking van de in artikel 18, lid 2 bis, bedoelde bewijsstukken slechts voor een periode vanaf 5 juli 2018.

3.  Europese politieke partijen die vóór 4 mei 2018 geregistreerd zijn, dienen uiterlijk op 5 juli 2018 documenten in waaruit blijkt dat zij voldoen aan de in artikel 3, lid 1, onder b) en b bis), genoemde voorwaarden.

4.  De Autoriteit schrapt een Europese politieke partij en de daaraan verbonden Europese stichting uit het register als de betrokken partij binnen de in lid 3 genoemde termijn niet aantoont dat zij aan de in artikel 3, lid 1, onder b) en b bis) genoemde voorwaarden voldoet.

▼B

Artikel 41

Inwerkingtreding en toepassing

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

De Commissie stelt uiterlijk op 1 juli 2015 de in artikel 7, lid 2, en artikel 8, lid 3, onder a), genoemde gedelegeerde handelingen vast.

Deze verordening is van toepassing met ingang van 1 januari 2017. De in artikel 6 bedoelde Autoriteit wordt evenwel ingesteld per 1 september 2016. Na 1 januari 2017 geregistreerde Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen kunnen uitsluitend een financieringsaanvraag indienen uit hoofde van deze verordening voor activiteiten die in of na het begrotingsjaar 2018 van start gaan.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.




BIJLAGE

Door elke verzoekende partij in te vullen standaardverklaring

Ondergetekende, met een volledig mandaat van [naam van de Europese politieke partij of Europese politieke stichting] verklaart hierbij dat:

[naam van de Europese politieke partij of Europese politieke stichting] zich ertoe verbindt te voldoen aan de in artikel 3, lid 1, onder c), of artikel 3, lid 2, onder c), van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 vermelde voorwaarden voor registratie, te weten eerbiediging, in het bijzonder in haar programma en in haar activiteiten, van de waarden waarop de Unie berust, als bedoeld in artikel 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, namelijk eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten, waaronder de rechten van personen die tot minderheden behoren.

Rechtsgeldig ondertekend door:



Titel (mevrouw, de heer, …) naam en voornamen:

 

Functie binnen de organisatie die het verzoek tot registratie als een Europese politieke partij/Europese politieke stichting indient:

 

Plaats, datum:

 

Handtekening:

 



( 1 ) Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 (PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1).

( 2 ) Verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 259/68 van de Raad van 29 februari 1968 tot vaststelling van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen en de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van deze Gemeenschappen, alsmede van bijzondere maatregelen welke tijdelijk op de ambtenaren van de Commissie van toepassing zijn (PB L 56 van 4.3.1968, blz. 1).

( 3 ) Verordening nr. 1 van de Raad van 15 april 1958 tot regeling van het taalgebruik in de Europese Economische Gemeenschap (PB 17 van 6.10.1958, blz. 385/58).

( 4 ) PB L 278 van 8.10.1976, blz. 5.

( 5 ) Verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 19 juli 2002 betreffende de toepassing van internationale standaarden voor jaarrekeningen (PB L 243 van 11.9.2002, blz. 1).

( 6 ) Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 september 2013 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (Euratom) nr. 1074/1999 van de Raad (PB L 248 van 18.9.2013, blz. 1).

( 7 ) Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad van 11 november 1996 betreffende de controles en verificaties ter plaatse die door de Commissie worden uitgevoerd ter bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen tegen fraudes en andere onregelmatigheden (PB L 292 van 15.11.1996, blz. 2).