02013R1407 — NL — 25.10.2023 — 002.001


Onderstaande tekst dient louter ter informatie en is juridisch niet bindend. De EU-instellingen zijn niet aansprakelijk voor de inhoud. Alleen de besluiten die zijn gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie (te raadplegen in EUR-Lex) zijn authentiek. Deze officiële versies zijn rechtstreeks toegankelijk via de links in dit document

►B

VERORDENING (EU) Nr. 1407/2013 VAN DE COMMISSIE

van 18 december 2013

betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun

(Voor de EER relevante tekst)

(PB L 352 van 24.12.2013, blz. 1)

Gewijzigd bij:

 

 

Publicatieblad

  nr.

blz.

datum

►M1

VERORDENING (EU) 2020/972 VAN DE COMMISSIE  van 2 juli 2020

  L 215

3

7.7.2020

►M2

VERORDENING (EU) 2023/2391 VAN DE COMMISSIE  van 4 oktober 2023

  L 

1

5.10.2023




▼B

VERORDENING (EU) Nr. 1407/2013 VAN DE COMMISSIE

van 18 december 2013

betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun

(Voor de EER relevante tekst)



Artikel 1

Toepassingsgebied

1.  

Deze verordening is van toepassing op steun die aan ondernemingen wordt verleend in alle sectoren, met uitzondering van:

▼M2

a) 

steun verleend aan ondernemingen die actief zijn in de primaire productie van visserij- en aquacultuurproducten;

▼M2

a bis) 

steun voor ondernemingen die actief zijn in de sector verwerking en afzet van visserij- en aquacultuurproducten, wanneer het steunbedrag wordt vastgesteld op basis van de prijs of de hoeveelheid aangekochte of op de markt gebrachte producten;

▼B

b) 

steun verleend aan in de primaire productie van landbouwproducten actieve ondernemingen;

c) 

steun verleend aan in de sector verwerking en afzet van landbouwproducten actieve ondernemingen, in de volgende gevallen:

i) 

wanneer het steunbedrag wordt vastgesteld op basis van de prijs of de hoeveelheid van dergelijke van primaire producenten afgenomen producten die door de betrokken ondernemingen op de markt worden gebracht;

ii) 

wanneer de steun afhankelijk wordt gesteld van de voorwaarde dat deze steun geheel of ten dele aan primaire producenten wordt doorgegeven;

d) 

steun voor werkzaamheden die verband houden met de uitvoer naar derde landen of lidstaten, met name steun die direct aan de uitgevoerde hoeveelheden is gerelateerd, en steun voor de oprichting en exploitatie van een distributienet of andere lopende uitgaven in verband met werkzaamheden op het gebied van uitvoer;

e) 

steun die afhangt van het gebruik van binnenlandse in plaats van ingevoerde goederen.

▼M2

2.  
Wanneer een onderneming actief is in de in lid 1, punt a), a bis), b) of c), bedoelde sectoren en ook actief is in een of meer van de sectoren of andere activiteiten verricht die onder deze verordening vallen, is deze verordening van toepassing op steun die voor de laatstgenoemde sectoren of activiteiten wordt verleend, mits de betrokken lidstaat, met passende middelen zoals een scheiding van de activiteiten of een uitsplitsing van de kosten, ervoor zorgt dat de activiteiten in de van het toepassingsgebied van deze verordening uitgesloten sectoren geen overeenkomstig deze verordening verleende de-minimissteun genieten.

▼B

Artikel 2

Definities

1.  

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

▼M2

a)

„landbouwproducten” : de in bijlage I bij het Verdrag vermelde producten, met uitzondering van de visserij- en aquacultuurproducten die onder Verordening (EU) nr. 1379/2013 van het Europees Parlement en de Raad ( 1 ) vallen;

▼B

b)

„verwerking van landbouwproducten” : een bewerking van een landbouwproduct die een product oplevert dat nog steeds een landbouwproduct is, met uitzondering van activiteiten op landbouwbedrijven die nodig zijn om een plantaardig of dierlijk product voor de eerste verkoop voor te bereiden;

c)

„afzet van landbouwproducten” : het in voorraad hebben of uitstallen met het oog op verkoop, te koop aanbieden, leveren of op enige andere wijze verhandelen, met uitzondering van de eerste verkoop door een primaire producent aan wederverkopers of verwerkingsbedrijven en alle activiteiten waarmee een product voor een dergelijke eerste verkoop wordt voorbereid. Verkoop door een primaire producent aan eindgebruikers wordt beschouwd als afzet indien deze plaatsvindt in speciaal daartoe voorziene afzonderlijke lokalen;

▼M2

d)

„visserij- en aquacultuurproducten” : de producten als omschreven in artikel 5, punten a) en b), van Verordening (EU) nr. 1379/2013;

e)

„primaire productie van visserij- en aquacultuurproducten” : alle handelingen in verband met de visserij, de kweek of de teelt van aquatische organismen, alsmede activiteiten op het landbouwbedrijf of aan boord die nodig zijn om een dier of plant klaar te maken voor de eerste verkoop, met inbegrip van snijden, fileren of invriezen, en de eerste verkoop aan wederverkopers of verwerkers;

f)

„verwerking en afzet van visserij- en aquacultuurproducten” : alle handelingen, met inbegrip van de hantering, de behandeling en de transformatie, die worden uitgevoerd na het moment van aanlanding (of oogst in geval van aquacultuur) en die resulteren in een bewerkt product, en de distributie ervan.

▼B

2.  

„Eén onderneming” omvat voor de toepassing van deze verordening alle ondernemingen die ten minste één van de volgende banden met elkaar onderhouden:

a) 

één onderneming heeft de meerderheid van de stemrechten van de aandeelhouders of vennoten van een andere onderneming;

b) 

één onderneming heeft het recht de meerderheid van de leden van het bestuurs-, leidinggevend of toezichthoudend orgaan van een andere onderneming te benoemen of te ontslaan;

c) 

één onderneming heeft het recht een overheersende invloed op een andere onderneming uit te oefenen op grond van een met die onderneming gesloten overeenkomst of een bepaling in de statuten van laatstgenoemde onderneming;

d) 

één onderneming die aandeelhouder of vennoot is van een andere onderneming, heeft op grond van een met andere aandeelhouders of vennoten van die andere onderneming gesloten overeenkomst als enige zeggenschap over de meerderheid van de stemrechten van de aandeelhouders of vennoten van laatstgenoemde onderneming.

Ondernemingen die via één of meer andere ondernemingen één van de in de eerste alinea, onder a) tot en met d), bedoelde banden onderhouden, worden ook als één onderneming beschouwd.

Artikel 3

De-minimissteun

1.  
Steunmaatregelen worden geacht niet aan alle criteria van artikel 107, lid 1, van het Verdrag te voldoen, en zijn derhalve vrijgesteld van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag, indien zij voldoen aan de voorwaarden die in deze verordening zijn vastgesteld.
2.  
Het totale bedrag aan de-minimissteun dat per lidstaat aan één onderneming wordt verleend, ligt niet hoger dan 200 000  EUR over een periode van drie belastingjaren.

Het totale bedrag aan de-minimissteun dat per lidstaat wordt verleend aan één onderneming die voor rekening van derden goederenvervoer over de weg verricht, bedraagt maximaal 100 000  EUR over een periode van drie belastingjaren. Deze de-minimissteun wordt niet gebruikt voor de aanschaf van vervoermiddelen voor goederenvervoer over de weg.

3.  
Indien een onderneming voor rekening van derden goederenvervoer over de weg verricht en ook andere activiteiten verricht waarvoor het plafond van 200 000  EUR geldt, is het plafond van 200 000  EUR van toepassing op de onderneming, mits de betrokken lidstaat, met passende middelen zoals een scheiding van de activiteiten of een uitsplitsing van de kosten, ervoor zorgt dat het voordeel voor de activiteit van het goederenvervoer over de weg niet meer dan 100 000  EUR bedraagt en dat de de-minimisssteun niet wordt gebruikt voor de aanschaf van vervoermiddelen voor goederenvervoer over de weg.
4.  
De de-minimissteun wordt geacht te zijn verleend op het tijdstip waarop de onderneming krachtens de toepasselijke nationale wet- en regelgeving een wettelijke aanspraak op de steun verwerft, ongeacht de datum waarop de de-minimissteun aan de onderneming wordt betaald.
5.  
De in lid 2 vastgestelde plafonds zijn van toepassing ongeacht de vorm van de de-minimissteun of het daarmee nagestreefde doel en ongeacht of de door de lidstaat verleende steun geheel of ten dele uit middelen van Unie-oorsprong wordt gefinancierd. De periode van drie belastingjaren wordt vastgesteld op basis van de belastingjaren zoals de onderneming die in de betrokken lidstaat toepast.
6.  
Voor de toepassing van de in lid 2 vastgestelde plafonds wordt steun als een subsidiebedrag uitgedrukt. Alle bedragen die worden gebruikt, zijn brutobedragen, dus vóór aftrek van belastingen of andere heffingen. Wanneer steun in een andere vorm dan een subsidie wordt verleend, is het steunbedrag het bruto-subsidie-equivalent van de steun.

Van steun die in meerdere tranches wordt betaald, wordt door discontering de waarde op het tijdstip van de toekenning ervan berekend. De rentevoet die bij discontering wordt gehanteerd, is de disconteringsvoet die op het tijdstip van de steunverlening van toepassing is.

7.  
Wanneer het desbetreffende in lid 2 vastgestelde plafond door de toekenning van nieuwe de-minimisssteun zou worden overschreden, komt deze nieuwe steun in zijn geheel niet in aanmerking voor het voordeel van deze verordening.
8.  
In het geval van fusies of overnames wordt alle de-minimissteun die voordien aan elk van de fuserende ondernemingen is verleend, in aanmerking genomen om te bepalen of nieuwe de-minimissteun voor de nieuwe of de overnemende onderneming het desbetreffende plafond overschrijdt. De-minimissteun die vóór de fusie of overname rechtmatig is verleend, blijft rechtmatig.
9.  
Indien één onderneming in twee of meer afzonderlijke ondernemingen wordt gesplitst, wordt de vóór de splitsing verleende de-minimissteun toegerekend aan de onderneming die de steun genoot, hetgeen in beginsel de onderneming is die de activiteiten overneemt waarvoor de de-minimissteun werd gebruikt. Indien deze toerekening niet mogelijk is, wordt de-minimissteun evenredig toegerekend op basis van de boekwaarde van het aandelenkapitaal van de nieuwe ondernemingen op het daadwerkelijke tijdstip van de splitsing.

Artikel 4

Berekening van het bruto-subsidie-equivalent

1.  
Deze verordening is alleen van toepassing op steun waarvan het bruto-subsidie-equivalent vooraf precies kan worden berekend zonder dat een risicoanalyse hoeft te worden uitgevoerd (hierna „transparante steun” genoemd).
2.  
Steun vervat in subsidies of rentesubsidies wordt als transparante de-minimissteun beschouwd.
3.  

Steun vervat in leningen wordt als transparante de-minimissteun beschouwd indien:

a) 

tegen de begunstigde geen collectieve insolventieprocedure loopt en hij niet voldoet aan de criteria volgens het nationale recht om, op verzoek van zijn schuldeisers, aan een collectieve insolventieprocedure te worden onderworpen. In geval van grote ondernemingen verkeert de begunstigde in een situatie die vergelijkbaar is met een kredietrating van ten minste B-, en

b) 

voor de lening zekerheden zijn gesteld van ten minste 50 % van de lening en het een lening betreft van ofwel 1 000 000  EUR (of 500 000  EUR voor ondernemingen die in het goederenvervoer over de weg actief zijn) met een looptijd van vijf jaar ofwel 500 000  EUR (of 250 000  EUR voor ondernemingen die in het goederenvervoer over de weg actief zijn) met een looptijd van tien jaar. Indien een lening wordt toegekend voor een bedrag dat lager ligt dan die bedragen en/of wordt toegekend voor een looptijd van minder dan vijf jaar of tien jaar, wordt het bruto-subsidie-equivalent van die lening berekend als een overeenkomstig deel van het desbetreffende in artikel 3, lid 2, vastgestelde plafond, of

c) 

het bruto-subsidie-equivalent is berekend op grond van het referentiepercentage dat van toepassing is op het tijdstip van de steunverlening.

4.  
Steun vervat in kapitaalinjecties wordt alleen als transparante de-minimissteun beschouwd indien het totale door de overheid ingebrachte bedrag het de-minimisplafond niet overschrijdt.
5.  
Steun vervat in risicofinancieringsmaatregelen in de vorm van investeringen van aandelenkapitaal of hybride kapitaal wordt alleen als transparante de-minimissteun beschouwd indien het aan één onderneming verstrekte kapitaal het de-minimisplafond niet overschrijdt.
6.  

Steun vervat in garanties wordt als transparante de-minimissteun behandeld indien:

a) 

tegen de begunstigde geen collectieve insolventieprocedure loopt en hij niet voldoet aan de criteria volgens het nationale recht om, op verzoek van zijn schuldeisers, aan een collectieve insolventieprocedure te worden onderworpen. In geval van grote ondernemingen verkeert de begunstigde in een situatie die vergelijkbaar is met een kredietrating van ten minste B-, en

b) 

de garantie niet meer dan 80 % van de onderliggende lening bedraagt en ofwel het garantiebedrag 1 500 000  EUR bedraagt (of 750 000  EUR voor ondernemingen die in het goederenvervoer over de weg actief zijn) en de garantie een looptijd van vijf jaar heeft, ofwel het garantiebedrag 750 000  EUR bedraagt (of 375 000  EUR voor ondernemingen die in het goederenvervoer over de weg actief zijn) en de garantie een looptijd van tien jaar heeft. Indien het garantiebedrag lager ligt dan die bedragen en/of de garantie wordt toegekend voor een periode van minder dan vijf of tien jaar, wordt het bruto-subsidie-equivalent van die lening berekend als een overeenkomstig deel van het desbetreffende in artikel 3, lid 2, vastgestelde plafond, of

c) 

het bruto-subsidie-equivalent wordt berekend op basis van de safe-harbour-premies die in een mededeling van de Commissie zijn vastgesteld, of

d) 

voordat zij ten uitvoer wordt gelegd,

i) 

de methode voor het berekenen van het bruto-subsidie-equivalent van de garantie bij de Commissie is aangemeld op grond van een andere op dat tijdstip toepasselijke verordening van de Commissie op het gebied van staatssteun, en door de Commissie is goedgekeurd als in overeenstemming met de garantiemededeling of een mededeling ter vervanging daarvan, en

ii) 

die methode uitdrukkelijk is toegespitst op het soort garanties en het soort onderliggende transacties die in het kader van de toepassing van deze verordening in het geding zijn.

7.  
Steun vervat in andere instrumenten wordt als transparante de-minimissteun beschouwd indien het instrument voorziet in een maximum dat garandeert dat het desbetreffende plafond niet wordt overschreden.

Artikel 5

Cumulering

1.  
De-minimissteun die overeenkomstig deze verordening wordt verleend, mag worden gecumuleerd met de-minimissteun die overeenkomstig Verordening (EU) nr. 360/2012 van de Commissie ( 2 ) wordt verleend, tot het in die verordening vastgestelde plafond. De-minimissteun mag worden gecumuleerd met de-minimissteun die overeenkomstig andere de-minimisverordeningen wordt verleend, tot het desbetreffende in artikel 3, lid 2, vastgestelde plafond.
2.  
De-minimissteun wordt niet gecumuleerd met staatssteun ten behoeve van dezelfde in aanmerking komende kosten of met staatssteun ten behoeve van dezelfde risicofinancieringsmaatregel indien deze cumulering leidt tot het overschrijden van de hoogste toepasselijke steunintensiteit die of het hoogste toepasselijke steunbedrag dat in de specifieke omstandigheden van elke zaak is bepaald door een groepsvrijstellingsverordening die of een besluit dat de Commissie heeft vastgesteld. De-minimissteun die niet wordt verleend voor of kan worden toegewezen aan specifieke in aanmerking komende kosten, mag worden gecumuleerd met andere staatssteun die wordt verleend op grond van een groepsvrijstellingsverordening die of een besluit dat de Commissie heeft vastgesteld.

Artikel 6

Monitoring

1.  
Wanneer een lidstaat voornemens is overeenkomstig deze verordening de-minimissteun aan een onderneming te verlenen, stelt hij die onderneming schriftelijk in kennis van het voorgenomen steunbedrag, uitgedrukt als bruto-subsidie-equivalent, en van het feit dat het om de-minimissteun gaat, waarbij hij uitdrukkelijk naar deze verordening verwijst en de titel en de vindplaats ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie vermeldt. Wanneer overeenkomstig deze verordening in het kader van een regeling de-minimissteun wordt verleend aan verschillende ondernemingen en in het kader van die regeling aan die ondernemingen uiteenlopende bedragen aan individuele steun worden verleend, kan de betrokken lidstaat ervoor kiezen deze verplichting te vervullen door de ondernemingen een vast bedrag mee te delen dat met het in het kader van die regeling maximaal te verlenen steunbedrag overeenstemt. In dat geval wordt het vaste bedrag gebruikt om te bepalen of het desbetreffende in artikel 3, lid 2, vastgestelde plafond is bereikt. Voordat de lidstaat de steun verleent, verlangt hij van de betrokken onderneming een schriftelijke of elektronische verklaring over alle andere onder deze verordening of andere de-minimisverordeningen vallende de-minimissteun die deze onderneming gedurende de twee voorgaande belastingjaren en het lopende belastingjaar heeft ontvangen.
2.  
Wanneer een lidstaat een centraal register voor de-minimissteun heeft opgezet dat volledige informatie bevat over alle de-minimissteun die door enige autoriteit in die lidstaat is verstrekt, is lid 1 niet meer van toepassing vanaf het tijdstip waarop het register een periode van drie belastingjaren bestrijkt.
3.  
Een lidstaat verleent pas nieuwe de-minimissteun overeenkomstig deze verordening nadat hij zich ervan heeft vergewist dat dit het totale bedrag aan de-minimissteun dat aan de betrokken onderneming is verleend, niet zodanig doet toenemen dat het desbetreffende in artikel 3, lid 2, vastgestelde plafond wordt overschreden, en dat aan alle in deze verordening vastgestelde voorwaarden is voldaan.
4.  
De lidstaten leggen dossiers aan die alle informatie bevatten met betrekking tot de toepassing van deze verordening. Deze dossiers bevatten alle informatie die nodig is om te kunnen aantonen dat aan de voorwaarden van deze verordening is voldaan. De dossiers betreffende individuele de-minimissteun worden gedurende tien belastingjaren vanaf de datum van de steunverlening bewaard. Voor de-minimissteunregelingen worden de dossiers bewaard gedurende tien belastingjaren te rekenen vanaf de datum van de laatste individuele steunverlening op grond van die regeling.
5.  
De betrokken lidstaat verstrekt de Commissie op haar schriftelijk verzoek binnen twintig werkdagen, of binnen de langere termijn die in het verzoek is vastgesteld, alle informatie die de Commissie nodig acht om te kunnen nagaan of aan de voorwaarden van deze verordening is voldaan, en met name het totale bedrag aan de-minimissteun in de zin van deze verordening en van andere de-minimisverordeningen dat een onderneming heeft ontvangen.

Artikel 7

Overgangsbepalingen

1.  
Deze verordening is van toepassing op voor haar inwerkingtreding verleende steun indien de steun aan alle in deze verordening vervatte voorwaarden voldoet. Steun die niet aan die voorwaarden voldoet, zal door de Commissie worden beoordeeld overeenkomstig de desbetreffende kaderregelingen, richtsnoeren, mededelingen en bekendmakingen.
2.  
Alle individuele de-minimissteun die tussen 2 februari 2001 en 30 juni 2007 werd verleend en aan de voorwaarden van Verordening (EG) nr. 69/2001 voldoet, wordt geacht niet aan alle criteria van artikel 107, lid 1, van het Verdrag te voldoen en is bijgevolg van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld.
3.  
Alle tussen 1 januari 2007 en 30 juni 2014 verleende individuele de-minimissteun die aan de voorwaarden van Verordening (EG) nr. 1998/2006 voldoet, wordt geacht niet aan alle criteria van artikel 107, lid 1, van het Verdrag te voldoen en is bijgevolg van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld.
4.  
Na het verstrijken van de geldigheidsduur van deze verordening blijft een de-minimissteunregeling die aan de voorwaarden van deze verordening voldoet, nog gedurende zes maanden onder deze verordening vallen.

Artikel 8

Inwerkingtreding en toepassingsperiode

Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2014.

▼M1

Zij is van toepassing tot en met 31 december 2023.

▼B

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.



( 1 ) Verordening (EU) nr. 1379/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 houdende een gemeenschappelijke marktordening voor visserijproducten en aquacultuurproducten, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1184/2006 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 104/2000 van de Raad (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 1).

( 2 ) Verordening (EU) nr. 360/2012 van de Commissie van 25 april 2012 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun verleend aan diensten van algemeen economisch belang verrichtende ondernemingen (PB L 114 van 26.4.2012, blz. 8).