02013R1308 — NL — 01.01.2019 — 005.001


Onderstaande tekst dient louter ter informatie en is juridisch niet bindend. De EU-instellingen zijn niet aansprakelijk voor de inhoud. Alleen de besluiten die zijn gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie (te raadplegen in EUR-Lex) zijn authentiek. Deze officiële versies zijn rechtstreeks toegankelijk via de links in dit document

►B

VERORDENING (EU) Nr. 1308/2013 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 17 december 2013

tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad

(PB L 347 van 20.12.2013, blz. 671)

Gewijzigd bij:

 

 

Publicatieblad

  nr.

blz.

datum

►M1

VERORDENING (EU) Nr. 1310/2013 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 17 december 2013

  L 347

865

20.12.2013

►M2

VERORDENING (EU) 2016/791 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 11 mei 2016

  L 135

1

24.5.2016

►M3

GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2016/1166 VAN DE COMMISSIE van 17 mei 2016

  L 193

17

19.7.2016

►M4

GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2016/1226 VAN DE COMMISSIE van 4 mei 2016

  L 202

5

28.7.2016

►M5

VERORDENING (EU) 2017/2393 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 13 december 2017

  L 350

15

29.12.2017


Gerectificeerd bij:

►C1

Rectificatie, PB L 130, 19.5.2016, blz.  9 (1308/2013)




▼B

VERORDENING (EU) Nr. 1308/2013 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 17 december 2013

tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad



DEEL I

INLEIDENDE BEPALINGEN

Artikel 1

Toepassingsgebied

1.  Bij deze verordening wordt een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten vastgesteld, d.w.z. alle in bijlage I bij de Verdragen vermelde producten, met uitzondering van de visserij- en de aquacultuurproducten die zijn vermeld in de wetgevingshandelingen van de Unie houdende een gemeenschappelijke marktordening voor visserijproducten en aquacultuurproducten.

2.  De in lid 1 bedoelde landbouwproducten worden ingedeeld in de volgende, in de respectievelijke delen van bijlage I vermelde sectoren:

a) granen, deel I;

b) rijst, deel II;

c) suiker, deel III;

d) gedroogde voedergewassen, deel IV;

e) zaaizaad, deel V;

f) hop, deel VI;

g) olijfolie en tafelolijven, deel VII;

h) vlas en hennep, deel VIII;

i) groenten en fruit, deel IX;

j) verwerkte groenten en fruit, deel X;

k) bananen, deel XI;

l) wijn, deel XII;

m) levende planten en producten van de bloementeelt, deel XIII;

n) tabak, deel XIV;

o) rundvlees, deel XV;

p) melk en zuivelproducten, deel XVI;

q) varkensvlees, deel XVII;

r) schapen- en geitenvlees, deel XVIII;

s) eieren, deel XIX;

t) pluimveevlees, deel XX;

u) ethylalcohol uit landbouwproducten, deel XXI;

v) producten van de bijenteelt, deel XXII;

w) zijderupsen, deel XXIII;

x) andere producten, deel XXIV.

Artikel 2

Algemene bepalingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB)

Verordening (EU) nr. 1306/2013 en de op grond daarvan vastgestelde bepalingen zijn van toepassing op de in de onderhavige verordening bepaalde maatregelen.

Artikel 3

Definities

1.  Voor de toepassing van deze verordening zijn de definities die in bijlage II voor bepaalde sectoren zijn vastgesteld, van toepassing.

2.  De definities in bijlage II, deel II, afdeling B, zijn alleen tot het einde van het verkoopseizoen 2016/2017 voor suiker van toepassing.

3.  Tenzij in deze verordening anders is bepaald, zijn voor de toepassing ervan de in Verordening (EU) nr. 1306/2013, Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad ( 1 ) en Verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad ( 2 ) vastgestelde definities van toepassing.

4.  Om rekening te houden met de specifieke kenmerken van de rijstsector, is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 227 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van de in deel I van bijlage II bij de onderhavige verordening opgenomen definities inzake de rijstsector voor zover dit noodzakelijk is om de definities aan de marktontwikkelingen aan te passen.

5.  Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder

a)

"minder ontwikkelde gebieden" : de gebieden die als zodanig zijn gedefinieerd in artikel 90, lid 2, eerste alinea, onder a), van Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad ( 3 ).

b)

"ongunstige weersomstandigheden die met een natuurramp kunnen worden gelijkgesteld" : weersomstandigheden, zoals vorst, hagel, ijs, regen of droogte, die voor een landbouwer leiden tot een verlies van meer dan 30 % van de gemiddelde jaarproductie in de laatste drie jaar of de gemiddelde productie van drie van de laatste vijf jaar, de hoogste en de laagste productie niet meegerekend.

Artikel 4

Aanpassingen aan de voor landbouwproducten gebruikte nomenclatuur van het gemeenschappelijk douanetarief

Indien dat nodig is om rekening te houden met wijzigingen die in de gecombineerde nomenclatuur zijn aangebracht, is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 227 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot aanpassing van de productomschrijvingen en verwijzingen in deze verordening naar posten en postonderverdelingen van de gecombineerde nomenclatuur.

Artikel 5

Omrekeningspercentages voor rijst

De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen waarin het volgende wordt vastgelegd:

a) de omrekeningspercentages voor rijst in de verschillende bewerkingsstadia, de bewerkingskosten en de waarde van de bijproducten;

b) alle nodige maatregelen betreffende de toepassing van de omrekeningspercentages voor rijst.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 229, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 6

Verkoopseizoenen

De volgende verkoopseizoenen worden vastgesteld:

a) 1 januari tot en met 31 december van een bepaald jaar voor de sector groenten en fruit, de sector verwerkte groenten en fruit en de sector bananen;

b) 1 april tot en met 31 maart van het daaropvolgende jaar voor de sector gedroogde voedergewassen en de sector zijderupsen;

c) 1 juli tot en met 30 juni van het daaropvolgende jaar voor:

i) de sector granen;

ii) de sector zaaizaad;

iii) de sector olijfolie en tafelolijven;

iv) de sector vlas en hennep;

v) de sector melk en zuivelproducten;

d) 1 augustus tot en met 31 juli van het daaropvolgende jaar voor de wijnsector;

e) 1 september tot en met 31 augustus van het daaropvolgende jaar voor de rijstsector;

f) 1 oktober tot en met 30 september van het daaropvolgende jaar voor de suikersector.

Artikel 7

Referentiedrempels

1.  De volgende referentiedrempels worden vastgesteld:

a) voor de sector granen, 101,31 EUR per ton, voor het stadium van de groothandel voor aan het pakhuis geleverde goederen, niet gelost;

b) voor padie, 150 EUR per ton, voor de standaardkwaliteit volgens de definitie in punt A van bijlage III, voor het stadium van de groothandel voor aan het pakhuis geleverde goederen, niet gelost;

c) voor suiker van de standaardkwaliteit volgens de definitie in punt B van bijlage III, voor onverpakte suiker, af fabriek:

i) voor witte suiker: 404,4 EUR per ton;

ii) voor ruwe suiker: 335,2 EUR per ton;

d) voor de sector rundvlees, 2 224 EUR per ton voor karkassen van mannelijke runderen van bevleesdheids-/vetheids-klasse R3 zoals omschreven in het in bijlage IV, punt A, bepaalde indelingsschema van de Unie voor karkassen van runderen die ten minste acht maanden oud zijn;

e) voor de sector melk en zuivelproducten:

i) 246,39 EUR per 100 kg voor boter;

ii) 169,80 EUR per 100 kg voor mageremelkpoeder;

f) 1 509,39 EUR per ton voor karkassen van varkens van de standaardkwaliteit zoals in termen van gewicht en magervleesaandeel als volgt omschreven in het in bijlage IV, punt B, bepaalde indelingsschema van de Unie voor karkassen van varkens:

i) karkassen met een gewicht van 60 tot minder dan 120 kg: klasse E;

ii) karkassen met een gewicht van 120 tot 180 kg: klasse R.

g) voor de sector olijfolie:

i) 1 779 EUR per ton voor extra olijfolie van de eerste persing;

ii) 1 710 EUR per ton voor olijfolie van de eerste persing;

iii) 1 524 EUR per ton voor olijfolie voor verlichting waarvan het gehalte aan vrije vetzuren twee graden bedraagt, welk bedrag met 36,70 EUR per ton wordt verlaagd voor elke extra graad zuurgehalte.

2.  De Commissie houdt toezicht op de referentiedrempels vastgesteld in lid 1, rekening houdend met objectieve criteria, onder meer ontwikkelingen in de productie, productiekosten (met name inputs) en markttendensen. Indien nodig worden de referentiedrempels volgens de gewone wetgevingsprocedure geactualiseerd in het licht van de ontwikkelingen in de productie en op de markten.



DEEL II

INTERNE MARKT



TITEL I

MARKTINTERVENTIE



HOOFDSTUK I

Openbare interventie en steun voor particuliere opslag



Afdeling 1

Algemene bepalingen inzake openbare interventie en steun voor particuliere opslag

Artikel 8

Toepassingsgebied

In dit hoofdstuk worden voorschriften inzake marktinterventie vastgesteld die betrekking hebben op:

a) openbare interventie, in het kader waarvan de bevoegde autoriteiten van de lidstaten producten aankopen en opslaan totdat deze worden afgezet, en

b) de verlening van steun voor de opslag van producten door particuliere marktdeelnemers.

Artikel 9

Oorsprong van in aanmerking komende producten

Producten die in aanmerking komen voor aankoop in het kader van de openbare interventie of voor verlening van steun voor particuliere opslag zijn van oorsprong uit de Unie. Indien deze producten afkomstig zijn van gewassen, zijn de gewassen bovendien in de Unie geoogst, en indien deze producten afkomstig zijn van melk, is de melk bovendien in de Unie geproduceerd.

Artikel 10

Schema's van de Unie voor de indeling van karkassen

De schema's van de Unie voor de indeling van karkassen zijn overeenkomstig, respectievelijk de punten A en B van bijlage IV van toepassing in de rundvleessector met betrekking tot karkassen van runderen die ten minste acht maanden oud zijn en in de varkensvleessector met betrekking tot andere varkens dan fokvarkens.

In de sector schapen- en geitenvlees kunnen de lidstaten een schema van de Unie voor de indeling van schapenkarkassen toepassen overeenkomstig de voorschriften van bijlage IV, punt C.



Afdeling 2

Openbare interventie

Artikel 11

Voor openbare interventie in aanmerking komende producten

De openbare interventie geldt, onder de in deze afdeling vastgestelde voorwaarden en overeenkomstig eventuele aanvullende eisen en voorwaarden die de Commissie door middel van gedelegeerde handelingen overeenkomstig artikel 19 en uitvoeringshandelingen overeenkomstig artikel 20 kan vaststellen, voor de volgende producten:

a) zachte tarwe, durumtarwe, gerst en maïs;

b) padie;

c) vers of gekoeld rundvlees van de GN-codes 0201 10 00 en 0201 20 20 tot en met 0201 20 50 ;

d) boter die in een erkend bedrijf in de Unie rechtstreeks en uitsluitend is geproduceerd uit rechtstreeks en uitsluitend uit koemelk verkregen room en die een minimumgehalte aan botervet van 82 gewichtspercenten en een maximumgehalte aan water van 16 gewichtspercenten heeft;

e) mageremelkpoeder van eerste kwaliteit dat in een erkend bedrijf in de Unie volgens het verstuivingsprocedé uit koemelk is bereid en een minimumgehalte aan eiwit van 34,0 gewichtspercenten op de vetvrije droge stof heeft.

Artikel 12

Openbare-interventieperioden

De openbare interventie is open:

a) voor zachte tarwe, durumtarwe, gerst en maïs, van 1 november tot en met 31 mei;

b) voor padie, van 1 april tot en met 31 juli;

c) voor rundvlees, het gehele jaar door;

d) voor boter en mageremelkpoeder, van 1 maart tot en met 30 september.

Artikel 13

Opening en sluiting van de openbare interventie

▼C1

1.  Gedurende de in artikel 12 genoemde perioden geldt dat de openbare interventie:

▼B

a) open is voor zachte tarwe, boter en magere melkpoeder;

b) door de Commissie door middel van uitvoeringshandelingen kan worden geopend voor durumtarwe, gerst, maïs en padie (inclusief specifieke variëteiten of types padie) indien de marktsituatie dat vereist. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 229, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

c) door de Commissie, door middel van uitvoeringshandelingen die zonder toepassing van de procedure bedoeld in artikel 229, lid 2 of lid 3, worden vastgesteld, kan worden geopend voor rundvlees, wanneer, gedurende een overeenkomstig artikel 20, eerste alinea, onder c), vastgestelde representatieve periode, de gemiddelde marktprijs die in een lidstaat, of een regio van een lidstaat, op basis van het in bijlage IV, punt A, bedoelde schema van de Unie voor de indeling van karkassen van runderen wordt genoteerd, onder 85 % van de in artikel 7, lid 1,onder d), bedoelde referentiedrempel blijft.

2.  De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen waarin de openbare interventie voor de runds- en kalfsvleessector wordt gesloten wanneer gedurende een overeenkomstig artikel 20, eerste alinea, onder c), vastgestelde representatieve periode de in lid 1, onder c), van het onderhavige artikel bepaalde voorwaarden niet langer vervuld zijn. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld zonder toepassing van de procedure bedoeld in artikel 229, lid 2 of lid 3.

Artikel 14

Aankoop tegen een vaste prijs of in het kader van een openbare inschrijving

Indien de openbare interventie open is overeenkomstig artikel 13, lid 1, worden de maatregelen inzake de bepaling van aankoopprijzen voor de producten bedoeld in artikel 11, alsmede, indien van toepassing, de maatregelen inzake kwantitatieve beperkingen in het geval van aankopen tegen een vaste prijs, overeenkomstig artikel 43, lid 3 VWEU door de Raad vastgesteld.

Artikel 15

Openbare-interventieprijs

1.  Onder openbare-interventieprijs wordt verstaan:

a) de prijs waartegen producten in het kader van de openbare interventie worden aangekocht, in het geval van aankopen tegen een vaste prijs, of

b) de maximumprijs waartegen voor openbare interventie in aanmerking komende producten mogen worden aangekocht, in het geval van aankopen in het kader van openbare inschrijvingen.

2.  De maatregelen inzake de bepaling van het niveau van de openbare-interventieprijs, de bedragen van toeslagen en kortingen daaronder begrepen, worden overeenkomstig artikel 43, lid 3 VWEU door de Raad vastgesteld.

Artikel 16

Algemene beginselen inzake het afzetten van producten uit de openbare interventie

1.  Producten die in het kader van de openbare interventie zijn aangekocht, worden op zodanige wijze afgezet dat:

a) marktverstoring wordt voorkomen;

b) de kopers gelijke toegang hebben tot de goederen en op voet van gelijkheid worden behandeld; en

c) de verbintenissen die voortvloeien uit overeenkomstig het VWEU gesloten internationale overeenkomsten worden nagekomen.

2.  Producten die in het kader van de openbare interventie worden aangekocht, kunnen worden afgezet door deze beschikbaar te stellen voor de regeling voor de voedselverstrekking aan de meest hulpbehoevenden in de Unie als opgenomen in de relevante rechtshandelingen van de Unie. ►C1  In die gevallen, is de boekwaarde van deze producten gelijk aan het toepasselijke, in artikel 15, lid 2, van deze verordening bedoelde niveau van de openbare-interventieprijs. ◄

3.  Jaarlijks publiceert de Commissie de voorwaarden op basis waarvan de in het kader van de openbare interventie aangekochte producten in het vorige jaar werden verkocht.



Afdeling 3

Steun voor particuliere opslag

Artikel 17

In aanmerking komende producten

Steun voor particuliere opslag kan worden toegekend, onder de in deze afdeling vastgestelde voorwaarden en overeenkomstig eventuele verdere eisen en voorwaarden die de Commissie door middel van gedelegeerde handelingen overeenkomstig de artikel 18, lid 1, of artikel 19 en uitvoeringshandelingen overeenkomstig de artikel 18, lid 2, of artikel 20 kan vaststellen, voor de volgende producten:

a) witte suiker;

b) olijfolie

c) vezelvlas;

d) vers of gekoeld vlees van runderen die ten minste acht maanden oud zijn;

e) boter die is geproduceerd uit rechtstreeks en uitsluitend uit koemelk verkregen room;

f) kaas;

g) uit koemelk geproduceerd mageremelkpoeder;

h) varkensvlees;

i) schapen- en geitenvlees.

Punt f) van de eerste alinea geldt alleen voor kaas met een beschermde oorsprongsbenaming of beschermde geografische aanduiding overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1151/2012 die langer wordt opgeslagen dan de rijpingsduur die is bepaald in het in artikel 7 van die verordening bedoelde productdossier voor het betrokken product en/of een rijpingsduur die bijdraagt tot het verhogen van de waarde van de kaas.

Artikel 18

Voorwaarden voor de verlening van steun

1.  Om te zorgen voor markttransparantie, is de Commissie bevoegd om, indien dat nodig is, overeenkomstig artikel 227 gedelegeerde handelingen vast te stellen om de voorwaarden te bepalen op grond waarvan zij kan beslissen steun voor particuliere opslag voor de in artikel 17 vermelde producten te verlenen, rekening houdend met:

a) de genoteerde gemiddelde marktprijzen in de Unie en met de referentiedrempels, en met de productiekosten voor de betrokken producten; en/of

b) de noodzaak tijdig te reageren op een bijzonder nijpende marktsituatie of bijzonder nijpende economische ontwikkelingen die aanzienlijke negatieve gevolgen hebben voor de marges in de sector.

2.  De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen waarin wordt besloten:

a) steun voor particuliere opslag te verlenen voor de in artikel 17 vermelde producten, rekening houdend met de in lid 1 van dit artikel bedoelde voorwaarden,.

b) het verlenen van steun voor particuliere opslag te beperken.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 229, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

3.  De maatregelen ter bepaling van het bedrag van de in artikel 17 bedoelde steun voor particuliere opslag worden overeenkomstig artikel 43, lid 3 VWEU door de Raad vastgesteld.



Afdeling 4

Gemeenschappelijke bepalingen inzake openbare interventie en steun voor particuliere opslag

Artikel 19

Gedelegeerde bevoegdheden

1.  Om ervoor te zorgen dat producten die in het kader van de openbare interventie worden aangekocht of waarvoor particuliere opslagsteun wordt verleend, geschikt zijn voor langdurige opslag en van gezonde, deugdelijke en gebruikelijke handelskwaliteit zijn, alsmede om rekening te houden met de specifieke kenmerken van de verschillende sectoren met het oog op het kosteneffectief functioneren van openbare interventie en particuliere opslag, is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 227 gedelegeerde handelingen vast te stellen ter bepaling van de eisen en voorwaarden waaraan die producten moeten voldoen, naast de in deze verordening vervatte voorschriften. Deze eisen en voorwaarden hebben ten doel, voor de aangekochte en opgeslagen producten het volgende te garanderen:

a) de kwaliteit van die producten, uit het oogpunt van kwaliteitsparameters, kwaliteitsgroepen, kwaliteitsklassen, categorieën productkenmerken en leeftijden;

b) de subsidiabiliteit op het gebied van hoeveelheden, verpakking, inclusief etikettering, bewaring, eerdere opslagcontracten, erkenning van ondernemingen en het stadium van de producten waarop de openbare-interventieprijs en de steun voor particuliere opslag betrekking hebben.

2.  Teneinde rekening te houden met de specifieke kenmerken van de graansector en de padiesector is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 227 gedelegeerde handelingen vast te stellen ter bepaling van kwaliteitscriteria uit het oogpunt van zowel aankoop als verkoop van zachte tarwe, durumtarwe, gerst, maïs en padie.

3.  Om voldoende opslagcapaciteit en de doeltreffendheid van de openbare-interventieregeling uit het oogpunt van kosteneffectiviteit, distributie en toegang voor marktdeelnemers te garanderen en om de kwaliteit van de in het kader van de openbare interventie aangekochte producten met het oog op het wegwerken ervan aan het einde van de opslagperiode in stand te houden, is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 227 gedelegeerde handelingen vast te stellen ter bepaling van:

a) de eisen waaraan de opslagruimten voor alle onder de openbare-interventieregeling vallende producten moeten voldoen;

b) de voorschriften inzake de opslag van producten in en buiten de lidstaat die verantwoordelijk is voor de producten en voor de behandeling van deze producten op het gebied van douanerechten en andere bedragen die krachtens het GLB voor deze producten moeten worden toegekend of over deze producten moeten worden geheven

4.  Teneinde de steun voor particuliere opslag het gewenste effect op de markt te laten sorteren, is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 227 gedelegeerde handelingen vast te stellen ter bepaling van:

a) de voorschriften en voorwaarden die van toepassing zijn indien de opgeslagen hoeveelheid kleiner is dan de gegunde hoeveelheid;

b) de voorwaarden voor de toekenning van een voorschot;

c) de voorwaarden waaronder kan worden besloten dat producten waarvoor contracten voor particuliere opslag zijn gesloten, opnieuw mogen worden afgezet of op andere wijze mogen worden weggewerkt.

5.  Teneinde ervoor te zorgen dat de regelingen voor openbare interventie en voor particuliere opslag goed functioneren, is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 227 gedelegeerde handelingen vast te stellen ter bepaling van:

a) het gebruik van openbare inschrijvingen op zodanige wijze dat marktdeelnemers gelijke toegang tot de goederen hebben en op voet van gelijkheid worden behandeld;

b) de aanvullende voorwaarden waaraan marktdeelnemers moeten voldoen om het doeltreffend beheer van en het toezicht op de regeling voor lidstaten en marktdeelnemers te faciliteren;

c) de eis voor marktdeelnemers tot het stellen van een zekerheid die garandeert dat marktdeelnemers hun verplichtingen nakomen.

6.  Teneinde rekening te houden met de technische evolutie en de behoeften van de in artikel 10 bedoelde sectoren, alsmede met de noodzaak de aanbiedingsvorm van de verschillende producten te standaardiseren in het belang van de markttransparantie, de notering van prijzen en de toepassing van marktinterventiemaatregelen, is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 227 gedelegeerde handelingen vast te stellen:

a) tot aanpassing en actualisering van de bepalingen van bijlage IV betreffende de schema's van de Unie voor de indeling, identificatie en aanbiedingsvorm van karkassen;

b) tot vaststelling van aanvullende bepalingen betreffende de indeling,inclusief de indeling door gekwalificeerde classificateurs, en volgens geautomatiseerde indelingstechnieken, de identificatie, de weging en het merken van karkassen, en betreffende de berekening van gemiddelde Unieprijzen en de daarbij gehanteerde wegingscoëfficiënten;

c) tot vaststelling, in de sector rundvlees, van uitzonderingen op bepalingen en specifieke afwijkingen die de lidstaten kunnen verlenen aan slachthuizen waarin een gering aantal runderen wordt geslacht, alsmede aanvullende bepalingen voor de betrokken producten, onder meer inzake de bevleesdheids- en de vetbedekkingsklassen, en, in de sector schapenvlees, aanvullende bepalingen inzake gewicht, vleeskleur en vetbedekking en de criteria voor de indeling van karkassen van lichte lammeren;

d) tot verlening van de toestemming aan de lidstaten het indelingsschema voor varkenskarkassen niet toe te passen en van de toestemming andere beoordelingscriteria te hanteren naast gewicht en geschat magervleesaandeel of tot vaststelling van afwijkingen van dat schema.

Artikel 20

Uitvoeringsbevoegdheden overeenkomstig de onderzoeksprocedure

De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast waarin de maatregelen worden vastgelegd die nodig zijn voor de uniforme toepassing van dit hoofdstuk in de Unie. Die maatregelen kunnen in het bijzonder betrekking hebben op:

a) de door een marktdeelnemer te betalen kosten in het geval dat de interventieproducten niet aan de minimumkwaliteitseisen voldoen;

b) het vaststellen van de minimumopslagcapaciteit voor de interventieopslagruimten;

c) de voor de toepassing van dit hoofdstuk vereiste representatieve perioden, markten en marktprijzen;

d) de levering van de in het kader van de openbare interventie aangekochte producten, de ten laste van de aanbieder komende vervoerkosten, de overname van de producten door de betaalorganen en de betaling;

e) de verschillende bewerkingen waarmee het uitbeningsproces in de sector rundvlees gepaard gaat;

f) de praktische regeling voor het verpakken, het op de markt brengen en de etikettering van producten;

g) de procedures voor de erkenning van ondernemingen die boter en mageremelkpoeder produceren, voor de toepassing van dit hoofdstuk;

h) de toestemming om producten op te slaan buiten het grondgebied van de lidstaat waar de producten zijn aangekocht en opgeslagen;

i) het verkopen of het afzetten van de in het kader van de openbare interventie aangekochte producten, in het bijzonder met betrekking tot verkoopprijzen, de voorwaarden voor de uitslag en het latere gebruik of de bestemming van de uitgeslagen producten, met inbegrip van procedures betreffende producten die beschikbaar worden gesteld voor gebruik in het kader van de regeling als bedoeld in artikel 16, lid 2, overdrachten tussen lidstaten daaronder begrepen;

j) voor producten die in het kader van de openbare interventie worden aangekocht, de bepalingen betreffende de verkoop, onder de verantwoordelijkheid van de lidstaten, van kleine hoeveelheden die in de lidstaten in opslag zijn gebleven en die niet meer mogen worden herverpakt of die kwaliteitsverlies hebben geleden;

k) met betrekking tot particuliere opslag, de sluiting en de inhoud van contracten tussen de bevoegde autoriteit van de lidstaat en de aanvragers;

l) de inslag, de opslag en de uitslag van producten in het kader van de particuliere opslag;

m) de duur van de particuliere opslag en de voorwaarden waaronder die termijnen, nadat ze in de contracten zijn vastgelegd, kunnen worden verkort of verlengd;

n) de voor het aankopen tegen een vastgestelde prijs te volgen procedures, met inbegrip van de procedures voor het stellen van een zekerheid en het bedrag daarvan en voor het verlenen van vooraf bepaalde steun voor particuliere opslag;

o) het gebruik van openbare inschrijvingen, zowel voor openbare interventie als voor particuliere opslag, meer bepaald wat betreft:

i) de indiening van de offertes of de inschrijvingen en de minimumhoeveelheid voor de indiening van een offerte of inschrijving;

ii) de procedures voor het stellen van een zekerheid en voor het bepalen van het bedrag van de zekerheid; en

iii) de selectie van de offertes, waarbij in acht moet worden genomen dat de voorkeur moet uitgaan naar de offerte die het gunstigst is voor de Unie en dat de openbare inschrijving niet noodzakelijk leidt tot het gunnen van een contract;

p) de toepassing van schema's van de Unie voor de indeling van runder-, varkens- en schapenkarkassen;

q) een andere dan de in bijlage IV, punt A.IV, vastgestelde aanbiedingsvorm van hele en halve karkassen met het oog op het constateren van de marktprijzen;

r) de door de lidstaten toe te passen correctiefactoren voor een andere aanbiedingsvorm van runder- en schapenkarkassen indiende referentie-aanbiedingsvorm niet wordt gebruikt;

s) de praktische regeling voor het merken van ingedeelde karkassen en voor de berekening door de Commissie van de gewogen gemiddelde Unieprijs voor runder-, varkens- en schapenkarkassen;

t) het verlenen van toestemming aan de lidstaten om voor de op hun grondgebied geslachte varkens een andere dan de in bijlage IV, punt B.III, vastgestelde aanbiedingsvorm van varkenskarkassen vast te stellen indien aan één van de volgende voorwaarden is voldaan:

i) de normale handelspraktijk op hun grondgebied wijkt af van de in bijlage IV, punt B. III, eerste alinea, omschreven standaard aanbiedingsvorm;

ii) het is op grond van technische eisen gerechtvaardigd;

iii) de karkassen worden op uniforme wijze onthuid.

u) de bepalingen betreffende het ter plaatse toetsen van het toepassen van de indeling van karkassen in de lidstaten door een uit deskundigen van de Commissie en door de lidstaten aangewezen deskundigen samengesteld comité van de Unie. In die bepalingen wordt er tevens in voorzien dat de Unie de uit het toetsen voortvloeiende kosten voor haar rekening neemt.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 229, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 21

Andere uitvoeringsbevoegdheden

De Commissie stelt de uitvoeringshandelingen vast om de lidstaten toestemming te verlenen om in afwijking van bijlage IV, punt C.III voor lammeren met een slachtgewicht van minder dan 13 kg, de onderstaande indelingscriteria te hanteren:

a) slachtgewicht;

b) kleur van het vlees;

c) vetbedekking.

Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld zonder toepassing van de in artikel 229, lid 2 of lid 3, bedoelde procedure.



HOOFDSTUK II

Steunregelingen

▼M2



Afdeling 1

Steun voor de verstrekking van groenten en fruit en van melk en zuivelproducten in onderwijsinstellingen

Artikel 22

Doelgroep

De steunregeling ter verbetering van de distributie van landbouwproducten en ter verbetering van de eetgewoonten van kinderen is bedoeld voor kinderen die regelmatig naar een crèche, kleuterschool of een basisschool of middelbare school gaan die door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten wordt beheerd of is erkend.

Artikel 23

Steun voor de verstrekking van schoolgroenten en -fruit en van schoolmelk, begeleidende educatieve maatregelen en daarmee gepaard gaande kosten

1.  Er wordt Uniesteun verleend ten behoeve van kinderen in de in artikel 22 bedoelde onderwijsinstellingen:

a) voor de verstrekking en verdeling van subsidiabele producten als bedoeld in de punten 3, 4 en 5 van dit artikel;

b) voor begeleidende educatieve maatregelen, en

c) ter dekking van bepaalde daarmee gepaard gaande kosten voor apparatuur, publiciteit, toezicht en evaluatie, alsmede logistiek en verdeling, voor zover die kosten niet onder a) vallen.

De Raad stelt overeenkomstig artikel 43, lid 3 VWEU beperkingen vast voor het aandeel Uniesteun voor maatregelen en kosten als bedoeld in de punten b) en c) van de eerste alinea van dit lid.

2.  Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder:

a)

„schoolgroenten en -fruit” : de producten bedoeld in lid 3, onder a) en lid 4, onder a);

b)

„schoolmelk” : de producten bedoeld in lid 3, onder b), en lid 4, onder b), alsmede de producten bedoeld in bijlage V.

3.  Lidstaten die wensen deel te nemen aan de overeenkomstig lid 1 vastgestelde steunregeling („de schoolregeling”) en om de overeenkomstige Uniesteun verzoeken, moeten, rekening houdend met de nationale omstandigheden, voorrang verlenen aan de verstrekking van producten van een of beide van de volgende groepen:

a) verse groenten en fruit en verse producten van de bananensector;

b) consumptiemelk en de lactosevrije versies daarvan.

4.  Niettegenstaande lid 3, en teneinde de consumptie van bepaalde producten te bevorderen en/of tegemoet te komen aan de specifieke voedingsbehoeften van kinderen op hun grondgebied, kan een lidstaat zorgen voor de verstrekking van producten uit een of beide van de volgende groepen:

a) verwerkte groente- en fruitproducten, naast de producten bedoeld in lid 3, onder a);

b) kaas, wrongel, yoghurt en andere gegiste of aangezuurde zuivelproducten zonder toegevoegde aroma's, vruchten, noten of cacao, naast de producten in lid 3, onder b).

5.  Ingeval de lidstaten het nodig achten voor het bereiken van de doelstellingen van de schoolregeling en de doelstellingen genoemd in de in lid 8 bedoelde strategieën, mogen zij naast de producten bedoeld in de leden 3 en 4 ter aanvulling ook de in bijlage V bedoelde producten verstrekken.

In dat geval wordt de Uniesteun slechts uitgekeerd voor het melkbestanddeel van het verstrekte product. Dat melkbestanddeel mag qua gewicht niet lager zijn dan 90 % voor producten van categorie I van bijlage V, en 75 % voor producten van categorie II van bijlage V.

De Raad bepaalt de hoogte van de Uniesteun voor het melkbestanddeel overeenkomstig artikel 43, lid 3, VWEU.

6.  Producten die in het kader van de schoolregeling worden verstrekt, bevatten niets van het volgende:

a) toegevoegde suiker;

b) toegevoegd zout;

c) toegevoegde vetten;

d) toegevoegde zoetstoffen;

e) toegevoegde kunstmatige smaakversterkers E 620 tot en met E 650 als omschreven in Verordening (EG) nr. 1333/2008 van het Europees Parlement en de Raad ( 4 ).

Niettegenstaande de eerste alinea van dit lid kan iedere lidstaat besluiten, nadat daarvoor toestemming is verkregen van zijn voor gezondheid en voeding verantwoordelijke nationale autoriteiten, conform zijn nationale procedures, dat subsidiabele producten als bedoeld in de punten 4 en 5 beperkte hoeveelheden toegevoegde suikers, toegevoegd zout en/of toegevoegde vetten mogen bevatten.

7.  Naast de producten bedoeld in de leden 3, 4 en 5 van dit artikel, kunnen de lidstaten bepalen dat andere landbouwproducten worden opgenomen in het kader van de begeleidende educatieve maatregelen, met name die welke worden genoemd in artikel 1, lid 2, onder g) en v).

8.  Als voorwaarde voor zijn deelname aan de schoolregeling stelt een lidstaat, voorafgaand aan zijn deelname en vervolgens om de zes jaar, op nationaal of regionaal niveau een strategie voor de uitvoering daarvan vast. Deze strategie kan worden gewijzigd door de autoriteit die verantwoordelijk is voor de opstelling daarvan op nationaal of regionaal niveau, in het bijzonder in het licht van monitoring en evaluatie, en van de bereikte resultaten. In de strategie wordt op zijn minst aangegeven in welke behoeften moet worden voorzien en hoe deze zijn geprioriteerd, wat de doelgroep is, welke resultaten moeten worden bereikt en, indien voorhanden, wat de gekwantificeerde streefdoelen ten opzichte van de uitgangssituatie zijn. Ook wordt aangegeven wat de meest geschikte instrumenten en acties zijn om die doelstellingen te bereiken.

De strategieën kunnen specifieke elementen in verband met de uitvoering van de schoolregeling bevatten, waaronder die ter vereenvoudiging van het beheer ervan.

9.  De lidstaten stellen in het kader van hun strategieën een lijst op van alle producten die in het kader van de schoolregeling moeten worden geleverd, hetzij door reguliere verstrekking of in het kader van educatieve begeleidende maatregelen. Onverminderd lid 6, moeten zij er ook voor zorgen dat de voor gezondheid en voeding verantwoordelijke nationale autoriteiten voldoende betrokken zijn bij de opstelling van die lijst, of dat deze autoriteiten de gepaste toestemming hebben gegeven voor die lijst, in overeenstemming met nationale procedures.

10.  Om de schoolregeling doeltreffend te doen functioneren, voorzien de lidstaten tevens in begeleidende educatieve maatregelen, die onder meer maatregelen en activiteiten kunnen omvatten welke erop zijn gericht kinderen weer in contact te brengen met landbouw via activiteiten, zoals boerderijbezoeken, en de verstrekking van een grotere verscheidenheid aan landbouwproducten zoals bedoeld in lid 7. Deze maatregelen kunnen ook bedoeld zijn voor de educatie van kinderen ten aanzien van daarmee verband houdende kwesties, zoals gezonde eetgewoonten, lokale voedselketens, biologische landbouw, duurzame productie of de strijd tegen voedselverspilling.

11.  De lidstaten selecteren de producten die worden verstrekt of worden opgenomen in begeleidende educatieve maatregelen, op basis van één of meer van de volgende objectieve criteria: gezondheids- en milieuoverwegingen, seizoensgebondenheid, verscheidenheid en beschikbaarheid van lokale of regionale producten, waarbij voor zover mogelijk voorrang wordt gegeven aan uit de Unie afkomstige producten. De lidstaten kunnen met name lokale of regionale aankopen, biologische producten, korte toeleveringsketens of milieubaten en, indien nodig, producten aanmoedigen die op grond van de kwaliteitsregelingen van Verordening (EU) nr. 1151/2012 zijn erkend.

De lidstaten kunnen in hun strategieën voorrang geven aan overwegingen betreffende duurzaamheid en eerlijke handel.

Artikel 23 bis

Financiële bepalingen

1.  Onverminderd lid 4 van dit artikel mag de steun die uit hoofde van de schoolregeling wordt toegewezen voor de verstrekking van producten, de begeleidende educatieve maatregelen en de daarmee gepaard gaande kosten, zoals bedoeld in artikel 23, lid 1, niet meer bedragen dan 250 miljoen EUR per schooljaar.

Binnen dat algemene maximum, bedraagt de steun maximaal:

a) voor schoolgroenten en -fruit: 150 miljoen EUR per schooljaar;

b) voor schoolmelk: 100 miljoen EUR per schooljaar.

2.  Bij de toewijzing van de in lid 1 bedoelde steun wordt voor elke lidstaat rekening gehouden met het volgende:

a) het aantal kinderen van zes tot tien jaar in de betrokken lidstaat;

b) de mate van ontwikkeling van de gebieden in de betrokken lidstaat, zodat aan minder ontwikkelde gebieden en aan de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee in de zin van artikel 1, lid 2, van Verordening (EU) nr. 229/2013 meer steun wordt toegewezen, en

c) voor schoolmelk, naast de onder a) en b) vermelde criteria, de besteding in het verleden van de Uniesteun voor de verstrekking van melk en zuivelproducten aan kinderen.

De toewijzingen voor de betrokken lidstaten moeten ervoor zorgen dat hogere steun wordt toegekend aan de in artikel 349 VWEU genoemde ultraperifere gebieden, om rekening te houden met de specifieke situatie van deze regio's wat betreft het betrekken van producten, en om te stimuleren dat ultraperifere gebieden die geografisch dicht bij elkaar liggen, producten van elkaar betrekken.

Bij de toewijzingen voor schoolmelk op grond van de in dit lid genoemde criteria moet ervoor worden gezorgd dat alle lidstaten recht hebben op ten minste een minimumbedrag aan Uniesteun per kind in de leeftijdsgroep bedoeld in de eerste alinea, onder a). Dat bedrag mag niet lager zijn dan het gemiddelde bedrag, berekend over alle lidstaten, van de Uniesteun per kind in het kader van de schoolmelkregeling die van toepassing was vóór 1 augustus 2017.

De Raad neemt overeenkomstig artikel 43, lid 3, VWEU maatregelen voor de vaststelling van indicatieve en definitieve toewijzingen en voor de herverdeling van Uniesteun voor schoolgroenten en -fruit en voor schoolmelk.

3.  Lidstaten die willen deelnemen aan de schoolregeling dienen elk jaar een verzoek in voor Uniesteun in, onder vermelding van het gevraagde bedrag voor schoolgroenten en -fruit en schoolmelk die ze willen verstrekken.

4.  Een lidstaat kan één keer per schooljaar maximaal 20 % van één of meer van zijn indicatieve toewijzingen overdragen, mits het in lid 1 genoemde algemene maximum van 250 miljoen EUR niet wordt overschreden.

Dit percentage mag tot 25 % worden verhoogd voor lidstaten met ultraperifere gebieden vermeld in artikel 349 VWEU en in andere naar behoren gemotiveerde gevallen, bijvoorbeeld indien een lidstaat een specifieke marktsituatie moet aanpakken in de sector waarop de schoolregeling van toepassing is, zijn bijzondere bezorgdheid over de geringe consumptie van een bepaalde groep producten, of andere maatschappelijke veranderingen.

Overdrachten kunnen worden gedaan:

a) voorafgaand aan de vaststelling van de definitieve toewijzingen voor het volgende schooljaar, tussen de indicatieve toewijzingen van de lidstaat, of

b) na het begin van het schooljaar, tussen de definitieve toewijzingen van de lidstaat, indien die toewijzingen zijn vastgesteld voor de betrokken lidstaat.

De in punt a) van de derde alinea bedoelde overdrachten mogen niet worden gedaan uitgaande van de indicatieve toewijzing voor de groep producten waarvoor de betrokken lidstaat om een bedrag verzoekt dat hoger is dan zijn indicatieve toewijzing. De lidstaten stellen de Commissie in kennis van het bedrag van de overdrachten tussen de indicatieve toewijzingen.

5.  De schoolregeling laat aparte nationale schoolregelingen die verenigbaar zijn met Unierecht, onverlet. De in artikel 23 bedoelde Uniesteun kan worden gebruikt om het toepassingsgebied of de doeltreffendheid van bestaande nationale schoolregelingen of regelingen voor de verstrekking van schoolgroenten en -fruit en schoolmelk te vergroten, maar mag niet in de plaats komen van de financiering voor die bestaande nationale regelingen, behalve voor de gratis verstrekking van maaltijden aan kinderen in onderwijsinstellingen. Indien een lidstaat besluit de werkingssfeer van een bestaande nationale schoolregeling uit te breiden of doeltreffender te maken door te verzoeken om Uniesteun, vermeldt hij in de in artikel 23, lid 8, bedoelde strategie hoe dit zal worden gerealiseerd.

6.  De lidstaten kunnen de Uniesteun aanvullen met nationale steun voor de financiering van de schoolregeling.

De lidstaten kunnen die steun financieren met de opbrengsten van een door de betrokken sector te betalen heffing of met een andere door de particuliere sector te leveren bijdrage.

7.  De Unie kan krachtens artikel 6 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 tevens financiering verlenen voor voorlichtings-, publiciteits-, monitoring- en evaluatiemaatregelen met betrekking tot de schoolregeling, onder meer door maatregelen voor de bewustmaking van het publiek van de doelstellingen van de regeling, en voor gerelateerde maatregelen op het gebied van netwerkvorming die gericht zijn op de uitwisseling van ervaring en beste praktijken ter vergemakkelijking van de tenuitvoerlegging en het beheer van de regeling.

De Commissie kan, overeenkomstig artikel 24, lid 4, van deze verordening, een gemeenschappelijke identiteit of grafische elementen voor de vergroting van de zichtbaarheid van de schoolregeling ontwikkelen.

8.  De aan de schoolregeling deelnemende lidstaten maken in de schoolgebouwen of op andere relevante plaatsen bekend dat zij aan de schoolregeling deelnemen en wijzen daarbij op de rol van de Unie als subsidieverstrekker. De lidstaten mogen alle geschikte publiciteitsmiddelen gebruiken, daaronder begrepen posters, specifieke websites, informatief grafisch materiaal, en voorlichtings- en bewustmakingscampagnes. De lidstaten dragen zorg voor de meerwaarde en zichtbaarheid van de schoolregeling van de Unie ten opzichte van de verstrekking van andere maaltijden in onderwijsinstellingen.

Artikel 24

Gedelegeerde bevoegdheden

1.  Teneinde gezonde eetgewoonten bij kinderen te bevorderen en ervoor te zorgen dat de steun die uit hoofde van de schoolregeling wordt verstrekt, ten bate komt van kinderen in de in artikel 22 genoemde doelgroep, wordt aan de Commissie de bevoegdheid toegekend om overeenkomstig artikel 227 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende voorschriften inzake:

a) de aanvullende criteria inzake de subsidiabiliteit van de in artikel 22 bedoelde doelgroep;

b) de erkenning en selectie van steunaanvragers door de lidstaten;

c) de opstelling van de nationale of regionale strategieën en inzake de begeleidende educatieve maatregelen.

2.  Teneinde een doelmatige en doelgerichte besteding van de Uniemiddelen te waarborgen en de uitvoering van de schoolregeling te vergemakkelijken, wordt aan de Commissie de bevoegdheid toegekend om overeenkomstig artikel 227 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot:

a) de vaststelling van de kosten en maatregelen die in aanmerking komen voor Uniesteun;

b) de verplichting voor de lidstaten om de doeltreffendheid van hun schoolregeling te monitoren en te evalueren.

3.  Teneinde rekening te houden met de wetenschappelijke ontwikkelingen, wordt de Commissie gemachtigd gedelegeerde handelingen vast te stellen overeenkomstig artikel 227, met het oog op het aanvullen van de lijst van kunstmatige smaakversterkers bedoeld in artikel 23, lid 6, eerste alinea, onder e).

Teneinde ervoor te zorgen dat de producten die zijn verstrekt overeenkomstig artikel 23, leden 3, 4 en 5, voldoen aan de doelstellingen van de schoolregeling, wordt aan de Commissie de bevoegdheid toegekend om gedelegeerde handelingen vast te stellen overeenkomstig artikel 227, ter bepaling van de maximumgehalten voor toegevoegde suiker, toegevoegd zout en toegevoegd vet die door de lidstaten kunnen worden toegestaan overeenkomstig artikel 23, lid 6, tweede alinea, en die technisch noodzakelijk zijn voor de bereiding of vervaardiging van verwerkte producten.

4.  Teneinde de schoolregeling onder de aandacht van het publiek te brengen en de zichtbaarheid van de Uniesteun te vergroten, wordt aan de Commissie de bevoegdheid toegekend om overeenkomstig artikel 227 gedelegeerde handelingen vast te stellen waarbij de lidstaten die aan de schoolregeling deelnemen, ertoe worden verplicht duidelijk bekendheid te geven aan het feit dat zij Uniesteun krijgen voor de uitvoering van de regeling, onder meer met betrekking tot:

a) indien nodig, de vaststelling van specifieke criteria inzake de presentatie, de samenstelling, de afmetingen en het ontwerp van de gemeenschappelijke identiteit of de grafische elementen;

b) de specifieke criteria inzake het gebruik van publiciteitsmiddelen.

5.  Teneinde de meerwaarde en de zichtbaarheid van de schoolregeling te waarborgen, wordt aan de Commissie de bevoegdheid toegekend om overeenkomstig artikel 227 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de voorschriften voor de verstrekking van producten ten opzichte van de verstrekking van andere maaltijden in onderwijsinstellingen.

6.  Aangezien ervoor moet worden gezorgd dat de Uniesteun tot uitdrukking komt in de prijs waartegen de producten in het kader van de schoolregeling beschikbaar worden gesteld, wordt aan de Commissie de bevoegdheid toegekend om overeenkomstig artikel 227 gedelegeerde handelingen vast te stellen, waarbij de lidstaten worden verplicht in hun strategieën uit te leggen hoe dit zal worden gerealiseerd.

Artikel 25

Uitvoeringsbevoegdheden overeenkomstig de onderzoeksprocedure

De Commissie kan bij wege van uitvoeringshandelingen de voor de toepassing van deze afdeling vereiste maatregelen vaststellen, onder andere met betrekking tot:

a) de informatie die in de strategieën van de lidstaten moet worden opgenomen;

b) de steunaanvragen en betalingen, met inbegrip van de vereenvoudiging van de procedures die voortvloeien uit het gemeenschappelijk kader voor de schoolregeling;

c) de methoden voor de bekendmaking van de schoolregeling en de maatregelen op het gebied van netwerkvorming in het kader van de regeling;

d) de indiening, vorm en inhoud van de jaarlijkse verzoeken om steun en de monitoring- en evaluatieverslagen van de aan de schoolregeling deelnemende lidstaten;

e) de toepassing van artikel 23 bis, lid 4, onder meer wat betreft de termijnen voor de overdrachten en de indiening, de vorm en de inhoud van de desbetreffende kennisgevingen.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 229, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

▼B



Afdeling 2

Steun in de sector olijfolie en tafelolijven

Artikel 29

Programma's ter ondersteuning van de sector olijfolie en tafelolijven

1.  De Unie financiert de driejarige activiteitenprogramma's die worden opgesteld door krachtens artikel 152 erkende producentenorganisaties, krachtens artikel 156 erkende unies van producentenorganisaties of krachtens artikel 157 erkende brancheorganisaties met betrekking tot:

a) monitoring en beheer van de markt in de sector olijfolie en tafelolijven;

b) verbetering van de milieueffecten van de olijventeelt;

c) verbetering van het concurrentievermogen van de olijventeelt door middel van modernisering;

d) verbetering van de kwaliteit van de productie van olijfolie en tafelolijven;

e) het traceerbaarheidssysteem, en de certificering en bescherming van de kwaliteit van olijfolie en tafelolijven, in het bijzonder de monitoring van de kwaliteit van de aan eindverbruikers verkochte olijfoliën, onder het gezag van de nationale overheid;

f) de verspreiding van informatie over de activiteiten die producentenorganisaties, unies van producentenorganisaties of brancheorganisaties ontplooien ter verbetering van de kwaliteit van olijfolie en tafelolijven.

2.  De Uniefinanciering voor de in lid 1 bedoelde activiteitenprogramma's bedraagt:

a) 11 098 000 EUR per jaar voor Griekenland;

b) 576 000 EUR per jaar voor Frankrijk; en

c) 35 991 000 EUR per jaar voor Italië.

3.  De maximale Uniefinanciering voor de in lid 1 bedoelde activiteitenprogramma's is gelijk aan het door de lidstaten ingehouden steunbedrag. De subsidiabele kosten worden gefinancierd ten bedrage van maximaal:

a) 75 % voor de activiteiten op de in lid 1, onder a), b) en c), bedoelde gebieden;

b) 75 % voor de investeringen in vaste activa en 50 % voor andere activiteiten op het in lid 1, onder d), bedoelde gebied;

c) 75 % voor de activiteitenprogramma's die in ten minste drie derde landen of niet-producerende lidstaten door erkende organisaties als bedoeld in lid 1 uit ten minste twee producerende lidstaten worden ontplooid op de in lid 1, punten e) en f), bedoelde gebieden, en 50 % voor de andere activiteiten op die gebieden.

De lidstaat zorgt voor aanvullende financiering tot 50 % van de niet door de Uniefinanciering gedekte kosten.

Artikel 30

Gedelegeerde bevoegdheden

Om voor een efficiënte en doeltreffende besteding van de in artikel 29 bedoelde Uniesteun te zorgen en omde kwaliteit van de productie van olijfolie en tafelolijven te verbeteren, is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 227 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot:

a) voor de in artikel 29, lid 1, bedoelde gebieden, de specifieke maatregelen die met de Uniesteun kunnen worden gefinancierd en de activiteiten en kosten die daarmee niet kunnen worden gefinancierd;

b) de minimumtoewijzing door de lidstaten van Uniefinanciering aan specifieke gebieden;

c) de eis dat zekerheid wordt gesteld bij de indiening van een verzoek om erkenning van een activiteitenprogramma en indien er een voorschot wordt betaald;

d) de door de lidstaten te hanteren criteria bij de selectie en goedkeuring van de activiteitenprogramma’s.

Artikel 31

Uitvoeringsbevoegdheden overeenkomstig de onderzoeksprocedure

De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen waarin de maatregelen worden vastgelegd die nodig zijn met het oog op de toepassing van deze afdeling en die betrekking hebben op:

a) de uitvoering van de activiteitenprogramma's en de wijziging van die programma's;

b) de betaling van de steun, met inbegrip van voorschotten op die steun;

c) de procedures voor het stellen van zekerheid bij de indiening van een verzoek om goedkeuring van een activiteitenprogramma en indien er een voorschot wordt betaald, alsmede het bedrag van de zekerheid.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 229, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.



Afdeling 3

Steun in de sector groenten en fruit

Artikel 32

Actiefondsen

1.  Producentenorganisaties in de sector groenten en fruit en/of hun unies kunnen een actiefonds oprichten. Dit fonds wordt gefinancierd met:

a) financiële bijdragen van:

i) de leden van de producentenorganisatie en/of de producentenorganisatie zelf; of

ii) unies van producentenorganisaties via de leden van deze unies.

b) financiële steun van de Unie die kan worden verleend aan producentenorganisaties, of aan unies daarvan, indien deze unies een operationeel programma of een gedeeltelijk operationeel programma indienen, beheren en uitvoeren, overeenkomstig de voorwaarden die door de Commissie worden bepaald door middel van gedelegeerde handelingen overeenkomstig artikel 37, respectievelijk uitvoeringshandelingen overeenkomstig artikel 38.

2.  Actiefondsen worden slechts gebruikt ter financiering van operationele programma's die zijn ingediend bij en zijn goedgekeurd door de lidstaten.

Artikel 33

Operationele programma's

1.  De operationele programma's in de sector groenten en fruit lopen ten minste drie en ten hoogste vijf jaar. Zij hebben twee of meer van de in artikel 152, lid 1, onder c), genoemde doelen, dan wel twee van de volgende doelen:

a) productieplanning, inclusief raming en monitoring van de productie en de consumptie;

b) verbetering van de kwaliteit van de verse of verwerkte producten;

c) verhoging van de handelswaarde van de producten;

d) bevordering van de afzet van de verse of verwerkte producten;

e) milieumaatregelen, met name op watergebied, en milieuvriendelijke productiemethoden, waaronder biologische landbouw;

▼M5

f) crisispreventie en crisisbeheersing, waaronder begeleiding van andere producentenorganisaties, unies van producentenorganisaties, producentengroeperingen of individuele producenten.

▼B

De operationele programma's worden ter goedkeuring aan de lidstaten overgelegd.

2.  Unies van producentenorganisaties kunnen ook een volledig of gedeeltelijk operationeel programma presenteren dat bestaat uit acties die door de aangesloten organisaties zijn vastgesteld, maar niet door hen worden uitgevoerd, in het kader van hun operationele programma's. Voor de operationele programma's van unies van producentenorganisaties gelden dezelfde voorschriften als voor de operationele programma's van producentenorganisaties en ze worden met de operationele programma's van de aangesloten organisaties beoordeeld.

De lidstaten zorgen er daartoe voor dat:

a) de acties van de operationele programma's van een unie van producentenorganisaties volledig gefinancierd worden uit bijdragen van die aangesloten organisaties van die unie en dat die financiering wordt bijeengebracht door de actiefondsen van deze aangesloten organisaties;

b) de acties en de overeenkomstige financiële bijdrage vermeld worden in het operationele programma van elke aangesloten organisatie;

c) er geen dubbele financiering plaatsvindt.

3.  De in lid 1, eerste alinea, onder f), bedoelde maatregelen voor crisispreventie en crisisbeheersing bestaan erin crises op de groente- en fruitmarkten te vermijden en op te vangen, en omvatten in dit verband:

a) investeringen om het beheer van de in de handel gebrachte hoeveelheden efficiënter te maken;

b) opleidingsmaatregelen en uitwisselingen van beste praktijken;

▼M5

c) afzetbevordering en communicatie, waaronder acties en activiteiten die zijn gericht op diversificatie en consolidatie van de groente- en fruitmarkten, preventief of gedurende een crisisperiode;

d) steun voor de administratieve kosten van het opzetten van onderlinge fondsen en een financiële bijdrage voor het aanvullen van onderlinge fondsen na de compensatie van aangesloten producenten wier inkomen ten gevolge van ongunstige marktomstandigheden ernstig is gedaald;

▼B

e) herbeplanting van boomgaarden waar dat nodig is na verplichte rooiing om sanitaire of fytosanitaire redenen in opdracht van de bevoegde autoriteit van de lidstaat;

f) het uit de markt nemen van producten;

g) het groen oogsten of het niet oogsten van groenten en fruit;

h) oogstverzekeringen;

▼M5

i) begeleiding van andere producentenorganisaties, unies van producentenorganisaties, producentengroeperingen of individuele producenten.

▼B

Steun voor oogstverzekeringen moet bijdragen tot het garanderen van de inkomsten van producenten als er verliezen worden geleden ten gevolge van natuurrampen, ongunstige weersomstandigheden, ziekten of plagen.

In de verzekeringsovereenkomsten wordt bepaald dat de begunstigden nodige risicopreventiemaatregelen moeten nemen.

Crisispreventie- en crisisbeheersingsmaatregelen, met inbegrip van de aflossing van kapitaal en rente zoals bedoeld in de vijfde alinea, mogen niet meer dan één derde van de uitgaven in het kader van het operationele programma vormen.

Producentenorganisaties mogen commerciële leningen aangaan om crisispreventie- en crisisbeheersingsmaatregelen te financieren. De aflossing van kapitaal en rente in verband met deze leningen mag dan onderdeel zijn van het operationele programma, en komt zo in aanmerking voor financiële Uniesteun op grond van artikel 34. Specifieke acties in het kader van crisispreventie en -beheersing kunnen met dergelijke leningen worden gefinancierd, ofwel rechtstreeks, ofwel beide.

4.  Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder:

a)

"groen oogsten" : het oogsten van de totale hoeveelheid onrijpe, niet-afzetbare producten op een bepaalde oppervlakte die vóór het groen oogsten niet beschadigd zijn als gevolg van klimaatomstandigheden, ziekte of andere oorzaken;

b)

"niet oogsten" : de beëindiging van de huidige productiecyclus op de betrokken oppervlakte wanneer het product goed ontwikkeld en van gezonde handelskwaliteit is. De vernietiging van producten als gevolg van een klimaatgebeurtenis of ziekte wordt niet als niet oogsten beschouwd.

5.  De lidstaten zorgen ervoor dat:

a) de operationele programma's twee of meer milieuacties omvatten; of

b) ten minste 10 % van de uitgaven in het kader van de operationele programma's milieuacties betreft.

▼M5

De milieuacties voldoen aan de eisen inzake agromilieu- en klimaatverbintenissen of inzake verbintenissen op het vlak van biologische landbouw die in artikel 28, lid 3, en artikel 29, leden 2 en 3, van Verordening (EU) nr. 1305/2013 zijn vastgesteld.

Wanneer ten minste 80 % van de bij een producentenorganisatie aangesloten producenten een of meer identieke, in artikel 28, lid 3, en artikel 29, leden 2 en 3, van Verordening (EU) nr. 1305/2013 bedoelde agromilieu- en klimaatverbintenissen of verbintenissen op het vlak van biologische landbouw is aangegaan, telt elk van die verbintenissen als een milieuactie als bedoeld in punt a) van de eerste alinea van dit lid.

▼B

De steun voor de in de eerste alinea van dit lid bedoelde milieuacties dekt de extra kosten en het inkomensverlies die uit de actie voortvloeien.

6.  De lidstaten zorgen ervoor dat investeringen die de druk op het milieu verhogen, slechts worden toegestaan als doeltreffende voorzorgsmaatregelen worden genomen om het milieu tegen deze druk te beschermen.

Artikel 34

Financiële steun van de Unie

1.  De financiële steun van de Unie is gelijk aan het bedrag van de in artikel 32, lid 1, onder a), bedoelde financiële bijdragen die daadwerkelijk betaald zijn en is beperkt tot 50 % van de daadwerkelijk gedane uitgaven.

2.  De financiële steun van de Unie is beperkt tot 4,1 % van de waarde van de door elke producentenorganisatie of haar unie in de handel gebrachte productie.

Dit percentage kan echter in het geval van producentenorganisaties worden verhoogd tot 4,6 % van de waarde van de in de handel gebrachte productie mits het bedrag dat 4,1 % van de waarde van de in de handel gebrachte productie overschrijdt, uitsluitend wordt gebruikt voor crisispreventie- en crisisbeheersingsmaatregelen.

In het geval van unies van producentenorganisaties mag dat percentage worden verhoogd tot 4,7 % van de waarde van de in de handel gebrachte productie, mits het bedrag dat 4,1 % van de waarde van de in de handel gebrachte productie overschrijdt, uitsluitend wordt gebruikt voor crisispreventie- en crisisbeheersingsmaatregelen die door die unie van producentenorganisaties worden uitgevoerd namens haar leden.

3.  Op verzoek van een producentenorganisatie wordt het in lid 1 vastgestelde maximum van 50 % verhoogd tot 60 % indien een operationeel programma of een gedeelte daarvan voldoet aan ten minste een van de volgende voorwaarden:

a) het wordt ingediend door meerdere producentenorganisaties van de Unie, die in het kader van transnationale regelingen in verschillende lidstaten werkzaam zijn;

b) het wordt ingediend door een of meer producentenorganisaties voor regelingen die door samenwerkende branches in een bedrijfskolom worden toegepast;

c) het heeft uitsluitend betrekking op specifieke steun voor de productie van onder Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad ( 5 ) vallende biologische producten;

d) het is het eerste programma dat wordt ingediend door een erkende producentenorganisatie die voortkomt uit de fusie van twee erkende producentenorganisaties;

e) het is het eerste programma dat wordt ingediend door een erkende unie van producentenorganisaties;

f) het wordt ingediend door producentenorganisaties in lidstaten waar minder dan 20 % van de groente- en fruitproductie door producentenorganisaties wordt afgezet;

g) het wordt ingediend door een producentenorganisatie in een van de in artikel 349 VWEU vermelde ultraperifere gebieden van de Unie.

▼M5

4.  Het in lid 1 genoemde maximum van 50 % wordt tot 100 % verhoogd in de volgende gevallen:

a) de hoeveelheden uit de markt genomen groenten en fruit bedragen niet meer dan 5 % van het volume van de in de handel gebrachte productie van elke producentenorganisatie en worden als volgt afgezet:

i) gratis verstrekking aan daartoe door de lidstaten erkende liefdadigheidsinstellingen of -organisaties voor hun acties ten behoeve van personen die op grond van de nationale wetgeving recht hebben op overheidsbijstand, met name omdat zij over onvoldoende middelen beschikken om in hun levensonderhoud te voorzien;

ii) gratis verstrekking aan door de lidstaten aangewezen strafinrichtingen, scholen en openbare onderwijsinstellingen, in artikel 22 bedoelde instellingen en kindervakantiekampen, alsmede ziekenhuizen en bejaardentehuizen, waarbij de lidstaten de nodige maatregelen nemen opdat de in dit kader verstrekte hoeveelheden boven de hoeveelheden komen die deze instellingen normaal aankopen;

b) acties in verband met de begeleiding van andere producentenorganisaties of van overeenkomstig hetzij artikel 125 sexies van Verordening (EG) nr. 1234/2007, hetzij artikel 27 van Verordening (EU) nr. 1305/2013 erkende producentengroeperingen, op voorwaarde dat deze organisaties of groeperingen afkomstig zijn uit regio's van de lidstaten als bedoeld in artikel 35, lid 1, van deze verordening, of van individuele producenten.

Artikel 35

Nationale financiële steun

1.  In regio's van de lidstaten waar de producenten in de sector groenten en fruit in aanzienlijk mindere mate georganiseerd zijn dan het gemiddelde van de Unie, mogen de lidstaten producentenorganisaties nationale financiële steun toekennen voor een bedrag van ten hoogste 80 % van de in artikel 32, lid 1, onder a) genoemde financiële bijdragen en van ten hoogste 10 % van de waarde van de in de handel gebrachte productie van een dergelijke producentenorganisatie. Die steun komt bovenop de steun uit het actiefonds.

2.  De mate waarin producenten in een regio van een lidstaat georganiseerd zijn, wordt als aanzienlijk onder het gemiddelde van de Unie beschouwd wanneer de gemiddelde organisatiegraad minder dan 20 % is in drie opeenvolgende jaren voorafgaand aan de uitvoering van het operationele programma. De mate van organisatie wordt berekend als de waarde van de productie van groenten en fruit in de desbetreffende regio, die is afgezet door producentenorganisaties, unies van producentenorganisaties en overeenkomstig artikel 125 sexies van Verordening (EG) nr. 1234/2007 of artikel 27 van Verordening (EU) nr. 1305/2013 erkende producentengroeperingen, gedeeld door de totale waarde van de productie van groenten en fruit in die regio.

3.  De lidstaten die uit hoofde van lid 1 nationale financiële steun toekennen, stellen de Commissie in kennis van de regio's die aan de in lid 2 bedoelde criteria voldoen, en van de nationale financiële steun die aan producentenorganisaties in die regio's is toegekend.

▼B

Artikel 36

Nationaal kader en nationale strategie voor operationele programma's

1.  De lidstaten stellen een nationaal kader vast met de algemene voorwaarden voor de in artikel 33, lid 5, bedoelde milieuacties. In dit kader wordt met name bepaald dat die acties moeten voldoen aan de toepasselijke eisen van Verordening (EU) nr. 1305/2013, met name de eisen van artikel 3 daarvan.

De lidstaten leggen hun voorstel voor een nationaal kader voor aan de Commissie, die door middel van zonder toepassing van de in artikel 229, lid 2 of lid 3, bedoelde procedures vastgestelde uitvoeringshandelingen binnen drie maanden vanaf de indiening kan verzoeken daarin wijzigingen aan te brengen indien zij van oordeel is dat het voorstel niet bijdraagt tot de verwezenlijking van de doelstellingen van artikel 191 VWEUen van het Zevende Milieuactieprogramma van de Unie. Door operationele programma's gesteunde investeringen in individuele bedrijven moeten eveneens in overeenstemming zijn met deze doelstellingen.

2.  Elke lidstaat stelt een nationale strategie voor duurzame operationele programma's in de sector groenten en fruit vast. Deze strategie omvat:

a) een analyse van de situatie wat de sterke en de zwakke punten en het ontwikkelingspotentieel betreft;

b) een toelichting bij de keuze van de prioriteiten;

c) de doelstellingen van de operationele programma's en instrumenten, en prestatie-indicatoren;

d) een evaluatie van de operationele programma’s;

e) rapportageverplichtingen voor producentenorganisaties.

De nationale strategie moet tevens het in lid 1 bedoelde nationale kader bevatten.

3.  De leden 1 en 2 gelden niet voor lidstaten waar geen erkende producentenorganisaties bestaan.

Artikel 37

Gedelegeerde bevoegdheden

Teneinde een efficiënte, gerichte en duurzame steun voor de producentenorganisaties en de unies daarvan in de sector groenten en fruit te waarborgen is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 227 gedelegeerde handelingen vast te stellen ter bepaling van voorschriften betreffende:

a) actiefondsen en operationele programma's, met betrekking tot:

i) de geraamde bedragen, de besluiten van de producentenorganisaties en de unies daarvan over de financiële bijdragen en het gebruik van de actiefondsen;

ii) de in het kader van operationele programma's op te nemen of uit te sluiten maatregelen, acties, uitgaven en administratieve kosten en personeelskosten, de wijzigingen daarin, alsmede de door de lidstaten te bepalen aanvullende eisen;

iii) het voorkomen van dubbele financiering vanuit operationele programma's en plattelandsontwikkelingsprogramma's;

iv) operationele programma's van unies van producentenorganisaties;

v) de bijzondere voorschriftens welke gelden voor gevallen waarin unies van producentenorganisaties geheel of ten dele operationele programma's beheren, behandelen, uitvoeren en indienen;

vi) het verplichte gebruik van gemeenschappelijke indicatoren voor de monitoring en evaluatie van de operationele programma's;

b) het nationale kader en de nationale strategie voor operationele programma's betreffende de verplichting om de doeltreffendheid van de nationale kaders en van de nationale strategieën te volgen en te evalueren;

c) de financiële steun van de Unie, met betrekking tot:

i) de grondslag voor de berekening van de in artikel 34, lid 2, bedoelde financiële steun van de Unie en van de in artikel 32, lid 2, bedoelde waarde van de in de handel gebrachte productie;

ii) de voor de berekening van de steun geldende referentieperioden;

iii) het betalen van voorschotten en de eis zekerheid te stellen wanneer er een voorschot op de steun wordt betaald;

iv) de bijzondere voorschriften welke gelden voor de financiering van operationele programma's van unies van producentenorganisaties, met name van programma's met betrekking tot de toepassing van de in artikel 34, lid 2, bedoelde grenzen;

d) crisispreventie- en crisisbeheersingsmaatregelen, met betrekking tot:

i) de mogelijkheid voor de lidstaten om een of meer crisispreventie- en crisisbeheersingsmaatregelen niet toe te passen;

▼M5

ii) voorwaarden in verband met artikel 33, lid 3, eerste alinea, onder a), b), c) en i);

▼B

iii) de door de lidstaten vast te stellen toegestane bestemmingen van uit de markt genomen producten;

iv) het maximumniveau van de steun voor uit de markt genomen producten;

v) de eis dat het uit de markt nemen van producten voorafgaandelijk wordt gemeld;

vi) de grondslag voor de berekening van het volume van de in de handel gebrachte productie met het oog op gratis verstrekking als bedoeld in artikel 34, lid 4, en de bepaling van een maximumvolume van de in de handel gebrachte productie in het geval van het uit de markt nemen van producten;

vii) de eis dat op verpakkingen van voor gratis verstrekking bestemde producten het logo van de Unie wordt aangebracht;

viii) de voorwaarden waaraan ontvangers van uit de markt genomen producten moeten voldoen;

ix) het gebruik van definities voor de toepassing van deze afdeling;

x) de door de lidstaten vast te stellen voorwaarden betreffende groen oogsten en niet oogsten;

xi) oogstverzekeringen.

xii) onderlinge fondsen; en

xiii) de voorwaarden betreffende, en de vaststelling van een maximum voor de uitgaven voor, de herbeplanting van boomgaarden om sanitaire of fytosanitaire redenen overeenkomstig artikel 33, lid 3, eerste alinea, onder e);

e) nationale financiële steun, met betrekking tot:

i) de mate van organisatie van de producenten;

ii) de eis dat zekerheid wordt gesteld indien er een voorschot wordt betaald;

iii) de maximale vergoeding van de nationale financiële steun door de Unie.

Artikel 38

Uitvoeringsbevoegdheden volgens de onderzoeksprocedure

De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen waarin maatregelen worden vastgelegd betreffende:

a) het beheer van de actiefondsen;

b) de informatie die moet worden opgenomen in de in artikel 36 bedoelde operationele programma's, nationale kaders en nationale strategieën, de indiening ervan bij de lidstaten, de termijnen, de begeleidende documenten en de goedkeuring door de lidstaten;

c) de uitvoering van de operationele programma's door de producentenorganisaties en de unies van producentenorganisaties;

d) de indiening, de vorm en de inhoud van de monitoring- en evaluatieverslagen over de nationale strategieën en de operationele programma's;

e) steunaanvragen en steunbetalingen, inclusief voorschotten op de steun en gedeeltelijke steunbetalingen;

f) de praktische regeling voor het aanbrengen van het logo van de Unie op verpakkingen van voor gratis verstrekking bestemde producten;

g) het in acht nemen van de handelsnormen in het geval dat producten uit de markt worden genomen;

h) de vervoer-, sorteer- en verpakkingskosten in het geval van gratis verstrekking;

▼M5

i) afzetbevordering, communicatie, opleiding en begeleiding in gevallen van crisispreventie en crisisbeheersing;

▼B

j) de uitvoering van het uit de markt nemen van producten, groen oogsten of niet oogsten en oogstverzekeringsmaatregelen;

k) de aanvraag, toestemming, betaling en vergoeding van de nationale financiële steun;

l) de procedures voor het stellen van een zekerheid indien er een voorschot wordt betaald, alsmede het bedrag van de zekerheid.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 229, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.



Afdeling 4

Steunprogramma’s in de wijnsector



Onderafdeling 1

Algemene bepalingen en subsidiabele maatregelen

Artikel 39

Toepassingsgebied

In deze afdeling worden de voorschriften vastgesteld voor de toewijzing van financiële middelen van de Unie aan de lidstaten en het gebruik dat de lidstaten van deze middelen maken in het kader van vijfjarige nationale steunprogramma's (hierna "steunprogramma's") ter financiering van specifieke steunmaatregelen ten behoeve van de wijnsector.

Artikel 40

Verenigbaarheid en coherentie

1.  De steunprogramma's zijn verenigbaar met het recht van de Unie en zijn coherent met de activiteiten, beleidslijnen en prioriteiten van de Unie.

2.  De lidstaten zijn verantwoordelijk voor de steunprogramma’s en zorgen ervoor dat deze intern coherent zijn en op een objectieve manier worden opgesteld en uitgevoerd, met inachtneming van de economische situatie van de betrokken producenten en de noodzaak een niet-gegronde ongelijke behandeling van de producenten te vermijden.

3.  Geen steun wordt verleend voor:

a) onderzoeksprojecten en maatregelen ter ondersteuning van andere dan de in artikel 45, lid 2, onder d) en e), bedoelde onderzoeksprojecten;

b) maatregelen die zijn opgenomen in programma’s voor plattelandsontwikkeling van de lidstaten uit hoofde van Verordening (EU) nr. 1305/2013.

Artikel 41

Indiening van steunprogramma's

▼C1

1.  De in bijlage VI opgenomen producerende lidstaten dienen bij de Commissie een ontwerp van een vijfjarig steunprogramma in met daarin ten minste één van de in artikel 43 vermelde subsidiabele maatregelen.

▼B

2.  De steunmaatregelen in het ontwerp van steunprogramma’s worden vastgesteld op het geografische niveau dat de lidstaten als het meest adequate beschouwen. De lidstaat pleegt met de bevoegde autoriteiten en organisaties op het passende territoriale niveau overleg over het ontwerp van steunprogramma alvorens het bij de Commissie in te dienen.

3.  De lidstaten dienen elk één ontwerpsteunprogramma in, waarin specifieke regionale factoren in aanmerking kunnen worden genomen.

4.  De steunprogramma's worden drie maanden nadat het ontwerp van steunprogramma bij de Commissie is ingediend, van toepassing.

De Commissie kan echter uitvoeringshandelingen vaststellen waarin wordt geconstateerd dat een ingediend ontwerp van steunprogramma niet aan de in deze afdeling vastgestelde voorschriften voldoet en stelt de betrokken lidstaat daarvan in kennis. De lidstaat dient in dat geval een herzien ontwerp van steunprogramma in bij de Commissie. Het herziene steunprogramma wordt twee maanden na de indiening van het herziene ontwerp van steunprogramma van toepassing, tenzij het nog steeds onverenigbaar is met de voorschriften, in welk geval het bepaalde in deze alinea geldt.

Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld zonder toepassing van de in artikel 229, lid 2 of 3, bedoelde procedure.

5.  Lid 4 is van overeenkomstige toepassing op door de lidstaten ingediende wijzigingen in de toepasselijke steunprogramma's.

Artikel 42

Inhoud van de steunprogramma's

De steunprogramma's bevatten ten minste de volgende elementen:

a) een gedetailleerde beschrijving van de voorgestelde maatregelen en de becijferde doelstellingen die ermee worden nagestreefd;

b) de resultaten van het gepleegde overleg;

c) een beoordeling van de verwachte technische, economische, maatschappelijke en milieueffecten;

d) een tijdschema voor de uitvoering van de maatregelen;

e) een algemeen financieel overzicht van de middelen die zullen worden gebruikt en de geplande indicatieve verdeling van de middelen over de maatregelen, met inachtneming va de in bijlage VI opgenomen begrotingslimieten;

f) de criteria en kwantitatieve indicatoren voor toezicht en evaluatie en de maatregelen die zijn getroffen om de correcte en doeltreffende uitvoering van de steunprogramma's te garanderen; en

g) een overzicht van de bevoegde autoriteiten en organen die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van het steunprogramma.

Artikel 43

Subsidiabele maatregelen

De steunprogramma's kunnen een of meer van de volgende maatregelen omvatten:

a) afzetbevordering overeenkomstig artikel 45;

b) herstructurering en omschakeling van wijngaarden overeenkomstig artikel 46;

c) groen oogsten overeenkomstig artikel 47;

d) onderlinge fondsen overeenkomstig artikel 48;

e) oogstverzekeringen overeenkomstig artikel 49;

f) investeringen overeenkomstig artikel 50;

g) innovatie in de wijnsector overeenkomstig artikel 51;

h) distillatie van bijproducten overeenkomstig artikel 52.

Artikel 44

Algemene voorschriften voor steunprogramma's

1.  De beschikbare financiële middelen van de Unie worden toegewezen binnen de in bijlage VI bepaalde begrotingslimieten.

2.  Uniesteun wordt slechts verleend voor subsidiabele uitgaven die worden gedaan na de indiening van het betrokken ontwerp van steunprogramma.

3.  De lidstaten dragen niet bij in de kosten van maatregelen die in het kader van de steunprogramma's door de Unie worden gefinancierd.



Onderafdeling 2

Specifieke steunmaatregelen

Artikel 45

Afzetbevordering

1.  De in dit artikel bedoelde steun is bestemd voor voorlichtings- en afzetbevorderingsmaatregelen ten voordele van wijn uit de Unie.

a) in de lidstaten, zodat de consument wordt geïnformeerd over verantwoord wijnverbruik en over de Unieregelingen inzake oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen; of

b) in derde landen, zodat de concurrentiepositie van wijn uit de Unie wordt verbeterd.

2.  De in lid 1, onder b), bedoelde maatregelen gelden voor wijn met een beschermde oorsprongsbenaming of een beschermde geografische aanduiding en op wijn met een aanduiding van het wijndruivenras en hebben slechts betrekking op één of meer van de volgende elementen:

a) maatregelen op het gebied van public relations, afzetbevordering of reclame die met name aandacht vragen voor de hoge normen voor de Unieproducten, met name op het gebied van kwaliteit, voedselveiligheid of milieu;

b) deelname aan evenementen, beurzen of tentoonstellingen van internationaal belang;

c) voorlichtingscampagnes, met name betreffende de Unieregelingen inzake oorsprongsbenamingen, geografische aanduidingen en de biologische productie;

d) studies naar nieuwe markten die noodzakelijk zijn voor de verruiming van de afzetmogelijkheden;

e) studies om de resultaten van de voorlichtings- en afzetbevorderingsmaatregelen te evalueren.

3.  De Uniebijdrage voor in lid 1 bedoelde voorlichtings- en afzetbevorderingsmaatregelen bedraagt ten hoogste 50 % van de subsidiabele uitgaven.

Artikel 46

Herstructurering en omschakeling van wijngaarden

1.  Maatregelen op het gebied van herstructurering en omschakeling van wijngaarden hebben tot doel het concurrentievermogen van de wijnproducenten te verbeteren.

2.  Steun voor herstructurering en omschakeling van wijngaarden wordt slechts verleend indien de lidstaten de inventaris van hun productiepotentieel overeenkomstig artikel 145, lid 3, indienen.

3.  Steun voor herstructurering en omschakeling van wijngaarden, die ook kan bijdragen tot de verbetering van duurzame productiesystemen en de ecologische voetafdruk van de wijnsector, wordt uitsluitend verleend voor een of meer van de volgende activiteiten:

a) omschakeling op andere rassen, onder meer door overenting;

b) aanleg van wijngaarden op andere plaatsen;

c) herbeplanting van wijngaarden waar dat nodig is na verplichte rooiing om sanitaire of fytosanitaire redenen in opdracht van de bevoegde autoriteit van de lidstaat;

d) verbetering van wijnbouwtechnieken, in het bijzonder de invoering van geavanceerde systemen van duurzame productie.

Voor de gewone vernieuwing van wijngaarden, d.w.z. de herbeplanting van hetzelfde perceel met hetzelfde druivenras en volgens dezelfde teeltmethode van de wijnstokken wanneer wijnstokken het einde van hun natuurlijke ontwikkelingscyclus hebben bereikt, wordt geen steun verleend.

De lidstaten kunnen verdere specificaties vaststellen, met name wat betreft de leeftijd van de vervangen wijngaarden.

4.  Steun voor herstructurering en omschakeling van wijngaarden, met inbegrip van verbetering van wijnbouwtechnieken, wordt uitsluitend in de volgende vorm verleend:

a) een vergoeding van de producenten voor het verlies aan inkomsten als gevolg van de uitvoering van de maatregel;

b) een bijdrage in de herstructurerings- en omschakelingskosten.

5.  De in lid 4, onder a), bedoelde vergoeding van de producenten voor het verlies aan inkomsten mag tot 100 % van het betrokken verlies dekken en dient in een van de volgende vormen te worden verleend:

a) toestemming om, ongeacht deel II, titel I, hoofdstuk III, afdeling IVa, onderafdeling II, van Verordening (EG) nr. 1234/2007 betreffende de overgangsregeling voor aanplantrechten, uiterlijk tot het einde van de maximaal drie jaar durende overgangsregeling voor aanplantrechten oude en nieuwe wijnstokken naast elkaar te laten bestaan;

b) financiële compensatie.

6.  De bijdrage van de Unie in de daadwerkelijke kosten van de herstructurering en omschakeling van wijngaarden bedraagt maximaal 50 % van die kosten. In minder ontwikkelde gebieden mag de bijdrage van de Unie in de herstructurerings- en omschakelingskosten maximaal 75 % bedragen.

Artikel 47

Groen oogsten

1.  Voor de toepassing van dit artikel wordt onder "groen oogsten" verstaan de volledige vernietiging of verwijdering van onrijpe druiventrossen, waardoor de opbrengst van de betrokken oppervlakte tot nul wordt herleid.

Het aan de wijnstokken laten van verhandelbare druiven op het einde van de normale productiecyclus (niet oogsten) wordt niet als groen oogsten beschouwd.

2.  Steun voor groen oogsten dient met het oog op het voorkómen van marktcrises bij te dragen tot het herstel van het evenwicht tussen vraag en aanbod op de wijnmarkt van de Unie.

3.  Steun voor groen oogsten mag worden verleend als een vergoeding in de vorm van een door de betrokken lidstaat vast te stellen forfaitaire betaling per hectare. De betaling mag niet meer bedragen dan 50 % van de totale rechtstreekse kosten waarmee de vernietiging of de verwijdering van de druiventrossen gepaard gaat, en van het inkomstenverlies ten gevolge van die vernietiging of verwijdering.

4.  De betrokken lidstaten stellen op basis van objectieve criteria een systeem vast om te voorkomen dat individuele wijnproducenten dankzij de maatregel inzake groen oogsten een vergoeding krijgen die het in lid 3 bepaalde maximumpercentage overschrijdt.

Artikel 48

Onderlinge fondsen

1.  Ten behoeve van producenten die zich tegen marktschommelingen wensen te verzekeren, wordt steun voor het opzetten van onderlinge fondsen verleend.

2.  Steun voor het opzetten van onderlinge fondsen mag worden verleend in de vorm van tijdelijke en degressieve steun ter dekking van de aan deze fondsen verbonden administratieve kosten.

Artikel 49

Oogstverzekeringen

1.  Steun voor oogstverzekeringen moet bijdragen tot het garanderen van de inkomsten van producenten als er verliezen worden geleden ten gevolge van natuurrampen, ongunstige weersomstandigheden, ziekten of plagen.

In de verzekeringsovereenkomsten wordt bepaald dat de begunstigden nodige risicopreventiemaatregelen moeten nemen.

2.  Steun voor oogstverzekeringen kan worden verleend in de vorm van een financiële bijdrage van de Unie ten belope van maximaal:

a) 80 % van de verzekeringspremies die de producenten betalen om zich in te dekken tegen verliezen als gevolg van ongunstige weersomstandigheden die kunnen worden gelijkgesteld met natuurrampen;

b) 50 % van de verzekeringspremies die de producenten betalen om zich in te dekken:

i) tegen de in punt a) bedoelde verliezen en andere door ongunstige weersomstandigheden veroorzaakte verliezen;

ii) tegen verliezen die zijn veroorzaakt door dieren, plantenziekten of plagen.

3.  Steun voor oogstverzekeringen mag worden verleend indien de verzekeringsuitkeringen, inclusief vergoedingen die de producent ontvangt op grond van andere steunregelingen voor het verzekerde risico, niet meer dan 100 % van het door de producent geleden inkomstenverlies dekken.

4.  Steun voor oogstverzekeringen mag de mededinging op de verzekeringsmarkt niet verstoren.

Artikel 50

Investeringen

1.  Er mag steun worden verleend voor materiële of immateriële investeringen in verwerkingsinstallaties, en de infrastructuur van wijnhuizen en afzetstructuren en -instrumenten. Deze investeringen zijn bedoeld om de totale prestatie en de aanpassing aan de marktvraag van de onderneming te verbeteren en om het concurrentievermogen te versterken, en hebben betrekking op de productie of de afzet van wijnbouwproducten, bedoeld in bijlage VII, deel II, mede met oog op verbetering van de energiebesparingen, de algemene energie-efficiëntie, alsook duurzame procedés.

2.  De in lid 1 bedoelde steun, wat de maxima betreft,

a) wordt beperkt tot kleine, middelgrote en micro-ondernemingen in de zin van Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie ( 6 );

b) mag daarnaast worden verleend aan alle ondernemingen in de in artikel 349 VWEU vermelde ultraperifere gebieden en aan de kleinere eilanden van de Egeïsche Zee in de zin van artikel 1, lid 2, van Verordening (EU) nr. 229/2013 van het Europees Parlement en de Raad ( 7 ).

Voor ondernemingen die niet onder artikel 2, lid 1, van titel I van de bijlage bij Aanbeveling 2003/361/EG vallen en minder dan 750 werknemers of een omzet van minder dan 200 miljoen euro hebben, wordt de maximale steunintensiteit gehalveerd.

De steun wordt niet verleend aan ondernemingen in moeilijkheden in de zin van de communautaire richtsnoeren voor reddings- en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden ( 8 ).

3.  De kosten, bedoeld in artikel 69, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1303/2013, worden niet als subsidiabele uitgaven beschouwd.

4.  Met betrekking tot de subsidiabele investeringskosten zijn wat de steun betreft de volgende maximumpercentages van toepassing voor de bijdrage van de Unie:

a) 50 % in minder ontwikkelde gebieden;

b) 40 % in andere dan minder ontwikkelde gebieden;

c) 75 % in de in artikel 349 VWEU vermelde ultraperifere gebieden;

d) 65 % op de kleinere eilanden van de Egeïsche Zee, als gedefinieerd in artikel 1, lid 2, van Verordening (EU) nr. 229/2013.

5.  Artikel 71 van Verordening (EU) nr. 1303/2013 is van overeenkomstige toepassing op de in lid 1 van dit artikel bedoelde steun.

Artikel 51

Innovatie in de wijnsector

Er mag steun worden verleend voor materiële of immateriële investeringen die gericht zijn op de ontwikkeling van nieuwe producten, procedés en technologieën met betrekking tot de producten, bedoeld in bijlage VII, deel II. De steun dient ter versterking van de afzetbaarheid en de concurrentiepositie van wijnbouwproducten uit de Unie en kan een element van kennisoverdracht omvatten. Wat de steun betreft zijn de maximumpercentages met betrekking tot de bijdrage van de Unie waarin dit artikel voorziet dezelfde als die vermeld in artikel 50, lid 4.

Artikel 52

Distillatie van bijproducten

1.  Steun mag worden verleend voor de vrijwillige of verplichte distillatie van bijproducten van de wijnbereiding die is uitgevoerd overeenkomstig de in bijlage VIII, deel II, punt D, vastgestelde voorwaarden.

Het steunbedrag wordt vastgesteld per % vol en per hectoliter geproduceerde alcohol. Geen steun wordt betaald voor het alcoholvolume in de te distilleren bijproducten dat hoger ligt dan 10 % in verhouding tot het alcoholvolume in de geproduceerde wijn.

2.  De steun wordt betaald aan distilleerders die de voor distillatie geleverde bijproducten van de wijnbereiding verwerken tot ruwe alcohol met een alcoholgehalte van ten minste 92 % volume.

De lidstaten kunnen de toekenning van steun afhankelijk stellen van het stellen van een zekerheid door de begunstigde.

3.  De toepasselijke maximumniveaus van de steun zijn gebaseerd op de kosten voor het inzamelen en verwerken en worden door de Commissie door middel van uitvoeringshandelingen op grond van artikel 54 bepaald.

4.  De betrokken steun omvat een forfaitair bedrag om de kosten van de inzameling van de bijproducten van de wijnbereiding te vergoeden. Dat bedrag wordt van de distilleerder naar de producent overgedragen indien die kosten door de producent worden gedragen.

5.  De alcohol verkregen uit de in lid 1 bedoelde distillatie waarvoor steun wordt verleend, wordt uitsluitend voor industriële of energiedoeleinden gebruikt, teneinde concurrentieverstoring te voorkomen.



Onderafdeling 3

Procedurele bepalingen

Artikel 53

Gedelegeerde bevoegdheden

Teneinde ervoor te zorgen dat de doelstellingen van de steunprogramma's van de lidstaten voor de wijnsector worden verwezenlijkt en een efficiënt en doeltreffend gebruik van de middelen van de Unie te bewerkstelligen, is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 227 gedelegeerde handelingen vast te stellen ter bepaling van:

a) voorschriften met betrekking tot de verantwoordelijkheid voor de uitgaven die worden gedaan tussen de datum van ontvangst door de Commissie van de steunprogramma's c.q. van wijzigingen in steunprogramma's, en de datum van toepassing van de steunprogramma's c.q. van wijzigingen in steunprogramma's,

b) voorschriften met betrekking tot de inhoud van de steunprogramma's en de uitgaven, administratieve kosten en personeelskosten en acties die in de steunprogramma's van de lidstaten kunnen worden opgenomen en de voorwaarden en de mogelijkheid om betalingen te verrichten via tussenpersonen in het geval van de in artikel 49 bedoelde steun voor oogstverzekering;

c) voorschriften met betrekking tot de eis dat zekerheid wordt gesteld in het geval dat er een voorschot wordt betaald;

d) voorschriften met betrekking tot het gebruik van definities voor de toepassing van deze afdeling;

e) voorschriften met betrekking tot de vaststelling van een maximum voor de uitgaven voor de herbeplanting van boomgaarden om sanitaire of fytosanitaire redenen overeenkomstig artikel 46, lid 3, eerste alinea, onder c;

f) voorschriften met betrekking tot het voorkomen van dubbele financiering tussen:

i) de diverse acties in het kader van het steunprogramma van een lidstaat voor de wijnsector en

ii) het steunprogramma voor de wijnsector van een lidstaat en het programma voor plattelandsontwikkeling en de afzetbevorderingsprogramma's van die lidstaat;

g) voorschriften uit hoofde waarvan producenten bijproducten van de wijnbereiding aan de markt moeten onttrekken, en met betrekking tot de uitzonderingen op die verplichting ter voorkoming van bijkomende administratieve lasten, en voorschriften voor de vrijwillige certificering van distilleerders;

h) voorschriften die het de lidstaten toelaten om voorwaarden te bepalen voor het naar behoren functioneren van steunmaatregelen in hun programma's.

Artikel 54

Uitvoeringsbevoegdheden volgens de onderzoeksprocedure

De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen waarin maatregelen worden vastgelegd betreffende:

a) de indiening van de steunprogramma's, de overeenkomstige financiële planning en de herziening van de steunprogramma's;

b) de aanvraag-, selectie- en betalingsprocedures;

c) de indiening, de vorm en de inhoud van de verslagen en evaluaties van de steunprogramma's van de lidstaten;

d) het bepalen door de lidstaten van de steunpercentages voor groen oogsten en de distillatie van bijproducten;

e) het financieel beheer en bepalingen betreffende de toepassing van de steunmaatregelen door de lidstaten;

f) de procedures voor het stellen van zekerheid in het geval dat er een voorschot wordt betaald, alsmede het bedrag daarvan.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 229, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.



Afdeling 5

Steun in de bijenteeltsector

Artikel 55

Nationale programma's en financiering

1.  Ter verbetering van de algemene voorwaarden voor de productie en afzet van producten van de bijenteelt kunnen de lidstaten een driejarig nationaal programma voor de bijenteeltsector opstellen (de "bijenteeltprogramma's"). Deze programma's worden ontwikkeld in samenwerking met representatieve organisaties op het gebied van de bijenhouderij.

2.  De Uniebijdrage voor de bijenteeltprogramma's gelijkwaardig is aan50 % van de door de lidstaten ten laste genomen uitgaven voor de programma's zoals die overeenkomstig artikel 57, eerste alinea, onder c), zijn goedgekeurd.

3.  Om voor de in lid 2 bedoelde Uniebijdrage in aanmerking te komen, voeren de lidstaten een studie uit naar de structuur van de bijenhouderij op hun grondgebied, waarin zowel de productiestructuur als de afzetstructuur wordt onderzocht.

4.  De volgende maatregelen kunnen in de bijenteeltprogramma's worden opgenomen:

a) technische bijstand voor bijenhouders en bijenhoudersorganisaties;

b) bestrijding van vijanden van de bijenvolkenen ziekten in de bijenteelt, in het bijzonder de varroamijtziekte;

c) rationalisatie van de transhumance;

d) ondersteuning van laboratoria voor de analyse van producten van de bijenteelt om bijenhouders te helpen hun producten af te zetten en de waarde van hun producten te verhogen;

e) maatregelen voor het herstel van het bijenbestand in de Unie;

f) samenwerking met instanties die gespecialiseerd zijn in de uitvoering van programma's inzake toegepast onderzoek op het gebied van de bijenhouderij en de producten van de bijenteelt;

g) marktmonitoring;

h) verbetering van de kwaliteit van producten teneinde de producten beter in de markt te kunnen zetten;

Artikel 56

Gedelegeerde bevoegdheden

1.  Teneinde een doeltreffend en efficiënt gebruik van de financiële middelen van de Unie voor de bijenteelt te bewerkstelligen, is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 227 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot:

a) de voorkoming van dubbele financiering tussen de bijenteeltprogramma's van de lidstaten en de programma's voor plattelandsontwikkeling van de lidstaten;

b) de grondslag voor de toewijzing van de financiële bijdrage van de Unie aan elke deelnemende lidstaat op basis van, onder meer, het totale aantal bijenkasten in de Unie.

2.  Teneinde ervoor te zorgen dat de steunregeling van de Unie afgestemd is op de jongste ontwikkelingen en dat de onder de steunregeling vallende maatregelen doeltreffend zijn om de algemene voorwaarden voor de productie en afzet van de producten van de bijenteelt te verbeteren, is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 227 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot actualisering van de lijst van in artikel 55, lid 4, bedoelde maatregelen die in de bijenteeltprogramma's van de lidstaten kunnen worden opgenomen, door nieuwe maatregelen toe te voegen of bestaande maatregelen aan te passen zonder enige maatregel te schrappen. Die actualisering van de lijst van maatregelen laat de vóór de inwerkingtreding van de gedelegeerde handeling vastgestelde nationale programma's onverlet.

Artikel 57

Uitvoeringsbevoegdheden volgens de onderzoeksprocedure

De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen waarin de maatregelen worden vastgelegd die nodig zijn met het oog op de toepassing van deze afdeling en die betrekking hebben op:

a) de inhoud van de nationale programma's en van de door de lidstaten verrichte studies naar de productie- en afzetstructuur van hun bijenteeltsector;

b) de procedure voor de herverdeling van niet-bestede financiële middelen;

c) de goedkeuring van de door de lidstaten ingediende bijenteeltprogramma's, ook wat de toewijzing van de financiële bijdrage van de Unie aan elke deelnemende lidstaat betreft en het maximumniveau van de financiering door de lidstaten.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 229, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.



Afdeling 6

Steun in de hopsector

Artikel 58

Steun voor producentenorganisaties

1.  De Unie verleent steun aan overeenkomstig artikel 152 erkende producentenorganisaties in de hopsector met het oog op de financiering van de verwezenlijking van de in artikel 152, lid 1, onder c), onder i), ii) of iii), vermelde doelstellingen.

2.  De jaarlijkse financiering door de Unie van de steun aan de producentenorganisaties als bedoeld in lid 1, bedraagt voor Duitsland 2 277 000 EUR per jaar.

Artikel 59

Gedelegeerde bevoegdheden

Teneinde ervoor te zorgen dat de in artikel 58 bedoelde steun de verwezenlijking van de in artikel 152 bedoelde doelstellingen financiert, is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 227 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot:

a) steunaanvragen, waaronder voorschriften betreffende termijnen en begeleidende documenten;

b) voorschriften betreffende het voor steun in aanmerking komende hopareaal en de berekening van de aan elke producentenorganisatie te betalen bedragen.

Artikel 60

Uitvoeringsbevoegdheden overeenkomstig de onderzoeksprocedure

De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen waarin de voor de toepassing van deze afdeling vereiste maatregelen inzake steunbetaling worden vastgelegd.

Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 229, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.



HOOFDSTUK III

Vergunningenstelsel voor het aanplanten van wijnstokken

Artikel 61

Looptijd

Het in dit hoofdstuk vastgestelde vergunningenstelsel voor nieuwe aanplant van wijnstokken is van toepassing met ingang van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2030; de Commissie verricht een evaluatie halverwege om het functioneren van de regeling te beoordelen en doet, indien nodig, wetgevingsvoorstellen



Afdeling 1

Beheer van het vergunningenstelsel voor het aanplanten van wijnstokken

Artikel 62

Vergunningen

1.  Stokken van wijndruivenrassen die volgens artikel 81, lid 2, zijn ingedeeld, mogen alleen geplant of opnieuw geplant worden indien onder de voorwaarden van dit hoofdstuk een vergunning is afgegeven overeenkomstig de artikelen 64, 66 en 68.

2.  De lidstaten verlenen de in lid 1 bedoelde vergunning voor een in hectaren uitgedrukte specifieke oppervlakte wanneer producenten bij hen een aanvraag indienen die voldoet aan de criteria voor een objectieve en niet-discriminerende verlening. Die vergunning wordt zonder kosten voor de producent verleend.

3.  De in lid 1 bedoelde vergunningen zijn drie jaar geldig. Ingeval een producent een hem verleende vergunning gedurende de geldigheidsduur niet gebruikt, worden hem overeenkomstig artikel 89, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 administratieve sancties opgelegd.

4.  Dit hoofdstuk is niet van toepassing op het beplanten of herbeplanten van oppervlakten voor experimentele doeleinden of voor de teelt van moederplanten voor entstokken, noch op oppervlakten waarvan de opbrengst aan wijn of wijnproducten uitsluitend bestemd is voor consumptie door de wijnbouwer en zijn gezin of oppervlakten die voor het eerst zullen worden beplant, als resultaat van verplichte aankopen in het openbaar belang overeenkomstig de nationale wetgeving.

▼M5

5.  Lidstaten kunnen dit hoofdstuk toepassen op oppervlakten waarop wijn wordt geproduceerd die geschikt is voor de productie van wijn-eau-de-vie met een geografische aanduiding als geregistreerd in bijlage III bij Verordening (EG) nr. 110/2008 van het Europees Parlement en de Raad ( 9 ). Voor de toepassing van dit hoofdstuk kunnen die oppervlakten worden behandeld als oppervlakten waar wijnen met een beschermde oorsprongsbenaming of beschermde geografische aanduiding kunnen worden geproduceerd.

▼B

Artikel 63

Vrijwaringsmechanisme voor nieuwe aanplant

1.  De lidstaten stellen elk jaar vergunningen voor nieuwe aanplant beschikbaar voor 1 % van de totale werkelijk met wijnstokken beplante oppervlakte op hun grondgebied, zoals gemeten op 31 juli van het voorgaande jaar.

2.  De lidstaten kunnen besluiten:

a) op nationaal niveau een lager dan het in lid 1 vermelde percentage toe te passen;

b) de afgifte van vergunningen op regionaal niveau te beperken voor specifieke oppervlakten die in aanmerking komen voor de productie van wijnen met een beschermde oorsprongsbenaming, voor oppervlakten die in aanmerking komen voor de productie van wijnen met een beschermde geografische aanduiding, of voor oppervlakten zonder geografische aanduiding.

3.  Elk van de in lid 2 bedoelde beperkingen draagt bij tot een ordelijke groei van de aanplant, wordt boven 0 % vastgesteld, en wordt op een of meer van de volgende specifieke gronden gerechtvaardigd:

a) de noodzaak een voldoende aangetoond risico van overaanbod van wijnproducten in verhouding tot de marktvooruitzichten voor die producten te vermijden, met dien verstande dat de beperking deze noodzaak niet overschrijdt;

b) de noodzaak een voldoende aangetoond risico van aanzienlijke waardevermindering van een bepaalde beschermde oorsprongsbenaming of beschermde geografische aanduiding te vermijden.

4.  De lidstaten maken alle ingevolge lid 2 genomen besluiten openbaar en motiveren deze naar behoren. De lidstaten stellen de Commissie onverwijld in kennis van alle door hen genomen besluiten, met de motivering.

Artikel 64

Verlening van vergunningen voor nieuwe aanplant

1.  Indien de totale oppervlakte waarop de subsidiabele aanvragen in een bepaald jaar betrekking hebben, niet groter is dan de door de lidstaat beschikbaar gestelde oppervlakte, worden al die aanvragen aanvaard.

De lidstaten kunnen voor de toepassing van dit artikel één of meer van de volgende objectieve en niet-discriminerende subsidiabiliteitscriteria toepassen:

a) de aanvrager beschikt over cultuurgrond met een oppervlakte die niet kleiner is dan de oppervlakte waarvoor hij de vergunning aanvraagt;

b) de aanvrager beschikt over voldoende vakbekwaamheid en deskundigheid;

c) de aanvraag houdt geen aanzienlijk risico van misbruik van de bekendheid van de specifieke beschermde oorsprongsbenamingen in, hetgeen wordt verondersteld tenzij het bestaan van een dergelijk risico wordt aangetoond door de overheidsinstanties;

▼M5

c bis) de aanvrager heeft geen wijnstokken aangeplant zonder de in artikel 71 van deze verordening bedoelde vergunning of zonder een in de artikelen 85 bis en 85 ter van Verordening (EG) nr. 1234/2007 bedoeld aanplantrecht;

▼B

d) in naar behoren gemotiveerde gevallen, één of meer van de in lid 2 bedoelde criteria, mits deze op objectieve en niet-discriminerende wijze worden toegepast.

▼M5

2.  Indien de in lid 1 bedoelde totale oppervlakte waarop de subsidiabele aanvragen in een bepaald jaar betrekking hebben, groter is dan de door de lidstaat beschikbaar gestelde oppervlakte, worden de vergunningen verhoudingsgewijs per hectare over alle aanvragers verdeeld op basis van de oppervlakte waarvoor zij de vergunning hebben aangevraagd. Bij de verlening van de vergunningen kan een minimum- en/of een maximumoppervlakte per aanvrager worden vastgesteld en zij kunnen tevens geheel of gedeeltelijk worden verleend overeenkomstig één of meer van de volgende objectieve en niet-discriminerende prioriteitscriteria:

▼B

a) producenten die voor het eerst wijnstokken planten en die bedrijfshoofd zijn (nieuwkomers);

b) gebieden waar wijngaarden bijdragen tot behoud van het milieu;

c) oppervlakten die voor het eerst zullen worden beplant, in het kader van landconsolidatiesprojecten;

d) gebieden met natuurlijke of andere specifieke beperkingen;

e) de duurzaamheid van ontwikkelings- of herbeplantingsprojecten op basis van een economische evaluatie;

f) voor het eerst te beplanten oppervlakten die bijdragen tot verhoging van het concurrentievermogen op bedrijfs- en regionaal niveau;

g) projecten die de mogelijkheid bieden de kwaliteit van producten met geografische aanduidingen te verbeteren;

h) voor het eerst te beplanten oppervlakten in het kader van het vergroten van de omvang van kleine en middelgrote bedrijven.

▼M5

2 bis.  Indien de lidstaat besluit een of meer van de in lid 2 bedoelde criteria toe te passen, kan hij besluiten de extra voorwaarde toe te voegen dat de aanvrager een natuurlijk persoon moet zijn die niet ouder is dan 40 jaar in het jaar van de indiening van de aanvraag.

▼M5

3.  De lidstaten maken de in de leden 1, 2 en 2 bis bedoelde criteria die zij toepassen, bekend en stellen de Commissie onverwijld daarvan in kennis.

▼B

Artikel 65

Rol van beroepsorganisaties

Bij de toepassing van artikel 63, lid 2, kunnen de lidstaten rekening houden met de aanbevelingen van de in de artikelen 152, 156 en 157 bedoelde erkende beroepsorganisaties die in de wijnsector actief zijn, of van de in artikel 95 bedoelde belanghebbende producentengroeperingen of van andere op grond van hun wetgeving erkende beroepsorganisaties op voorwaarde dat daarover vooraf door de betrokken representatieve partijen in het geografische referentiegebied een akkoord is bereikt.

De aanbevelingen gelden voor een periode van ten hoogste drie jaar.

Artikel 66

Herbeplantingen

1.  De lidstaten verlenen automatisch een vergunning aan producenten die per 1 januari 2016 een met wijnstokken beplante oppervlakte hebben gerooid en een aanvraag hebben ingediend. Die vergunning geldt voor een gelijkwaardige oppervlakte uitgedrukt in uitsluitend met wijnstokken beplante cultuurgrond. De onder die vergunningen vallende oppervlakten tellen niet meer voor de doeleinden van artikel 63.

2.  De lidstaten kunnen de in lid 1 bedoelde vergunning verlenen aan producenten die beloven een met wijnstokken beplante oppervlakte te zullen rooien indien de oppervlakte wordt gerooid uiterlijk aan het eind van het vierde jaar vanaf de datum waarop de nieuwe wijnstokken zijn aangeplant.

3.  De in lid 1 bedoelde vergunning wordt gebruikt op het bedrijf waar de rooiing heeft plaatsgevonden. De lidstaten kunnen in gebieden die in aanmerking komen voor productie van wijn met beschermde oorsprongsbenamingen of beschermde geografische aanduidingen, op basis van een aanbeveling van een beroepsorganisatie overeenkomstig artikel 65, de herbeplanting beperken tot wijnstokken die aan dezelfde specificatie inzake beschermde oorsprongsbenaming of beschermde geografische aanduiding voldoen als de gerooide oppervlakte.

4.  Dit artikel geldt niet in geval van het rooien van niet-toegestane aanplant.

Artikel 67

De minimis

1.  Het in dit hoofdstuk vastgestelde vergunningenstelsel voor nieuwe aanplant van wijnstokken is niet van toepassing in lidstaten waar de overgangsregeling inzake aanplantrechten, die is vastgesteld in deel II, titel I, hoofdstuk III, afdeling IVa, onderafdeling II, van Verordening (EG) nr. 1234/2007, niet van toepassing was op 31 december 2007.

2.  Lidstaten waar de in lid 1 bedoelde regeling op 31 december 2007 van toepassing was en die momenteel een met wijnstokken beplante oppervlakte van ten hoogste 10 000 hectaren hebben, kunnen besluiten het in dit hoofdstuk vastgestelde vergunningenstelsel voor aanplant van wijnstokken niet toe te passen.

Artikel 68

Overgangsbepalingen

1.  De aan producenten overeenkomstig de artikelen 85 nonies, 85 decies en 85 duodecies van Verordening (EG) nr. 1234/2007 vóór 31 december 2015 verleende aanplantrechten die niet door die producenten zijn gebruikt en op die datum nog geldig zijn, kunnen per 1 januari 2016 worden omgezet in vergunningen onder dit hoofdstuk.

Die omzetting vindt plaats wanneer die producenten daartoe voor 31 december 2015 een verzoek indienen. De lidstaten kunnen besluiten producenten toe te staan een dergelijk verzoek tot omzetting van rechten in vergunningen in te dienen tot en met 31 december 2020.

2.  Ingevolge lid 1 verleende vergunningen hebben dezelfde geldigheidsduur als de in lid 1 vermelde aanplantrechten. Niet-gebruikte vergunningen lopen uiterlijk af op 31 december 2018, of, indien een lidstaat het in lid 1, tweede alinea, bedoelde besluit heeft genomen, uiterlijk op 31 december 2023.

3.  De oppervlakten die vallen onder de ingevolge lid 1 verleende vergunningen tellen niet mee voor de doeleinden van artikel 63.

Artikel 69

Gedelegeerde bevoegdheden

De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 227 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende:

a) de voorwaarden voor de toepassing van de in artikel 62, lid 4, bedoelde vrijstelling;

b) de voorschriften in verband met de in artikel 64, leden 1 en 2, bedoelde criteria;

c) de toevoeging van criteria aan die welke zijn vermeld in artikel 64, leden 1 en 2;

d) het naast elkaar bestaan van wijnstokken die de producent heeft beloofd te zullen rooien, en wijnstokken die ingevolge artikel 66, lid 2, nieuw zijn aangeplant;

e) de redenen voor de besluiten van de lidstaten op grond van artikel 66, lid 3.

Artikel 70

Uitvoeringsbevoegdheden overeenkomstig de onderzoeksprocedure

De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen waarin de nodige maatregelen worden vastgelegd met betrekking tot:

a) de procedures voor het verlenen van vergunningen;

b) de door de lidstaten bij te houden administratie en de aan de Commissie te verzenden kennisgevingen.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 229, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.



Afdeling 2

Beheer van het vergunningenstelsel voor het aanplanten van wijnstokken

Artikel 71

Niet-toegestane aanplant

1.  Producenten rooien op eigen kosten oppervlakten die zonder vergunning met wijnstokken zijn beplant.

2.  Indien producenten de betrokken oppervlakte niet rooien binnen vier maanden na de datum van kennisgeving van de onregelmatigheid, zorgen de lidstaten er binnen twee jaar na het verstrijken van de periode van vier maanden voor dat de niet-toegestane aanplant worden gerooid. De kosten daarvan worden bij de betrokken producenten in rekening gebracht.

3.  De lidstaten delen de Commissie uiterlijk 1 maart van elk jaar de totale omvang mede van de oppervlakten waarvan is vastgesteld dat zij na 1 januari 2016 zonder vergunning met wijnstokken zijn beplant, alsmede de overeenkomstig de leden 1 en 2 gerooide oppervlakten.

4.  Ingeval een producent niet heeft voldaan aan de in lid 1 van dit artikel vervatte verplichting, worden hem overeenkomstig artikel 64 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 sancties opgelegd.

5.  Zonder vergunning met wijnstokken beplante oppervlakten komen niet in aanmerking voor nationale of uniesteunmaatregelen.

Artikel 72

Uitvoeringsbevoegdheden overeenkomstig de onderzoeksprocedure

De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen waarin de nodige maatregelen worden vastgelegd ter bepaling van de bijzonderheden van de kennisgevingseisen die de lidstaten moeten naleven, met inbegrip van mogelijke verminderingen van de in bijlage VI vermelde begrotingslimieten in geval van niet-naleving.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 229, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.



TITEL II

VOORSCHRIFTEN BETREFFENDE DE AFZET EN DE PRODUCENTENORGANISATIES



HOOFDSTUK I

Afzetvoorschriften



Afdeling 1

Handelsnormen



Onderafdeling 1

Inleidende bepalingen

Artikel 73

Toepassingsgebied

Onverminderd andere bepalingen die op landbouwproducten van toepassing zijn, en de bepalingen die in de veterinaire sector, de fytosanitaire sector en de levensmiddelensector zijn vastgesteld om te garanderen dat de producten aan de hygiëne- en gezondheidsnormen voldoen en om de gezondheid van dieren, planten en mensen te beschermen, worden in deze afdeling voorschriften betreffende handelsnormen voor landbouwproducten vastgesteld. Die voorschriften worden onderverdeeld in verplichte voorschriften en facultatieve gereserveerde vermeldingen voor landbouwproducten.



Onderafdeling 2

Sector- of productspecifieke handelsnormen

Artikel 74

Algemeen beginsel

De producten waarvoor overeenkomstig deze onderafdeling sector- of productspecifieke handelsnormen zijn vastgesteld, mogen slechts in de Unie worden afgezet als zij aan die normen voldoen.

Artikel 75

Vaststelling en inhoud

1.  Handelsnormen kunnen worden toegepast op een of meer van de volgende producten en sectoren:

a) olijfolie en tafelolijven;

b) groenten en fruit;

c) op basis van groenten en fruit verwerkte producten;

d) bananen;

e) levende planten;

f) eieren;

g) vlees van pluimvee;

h) smeerbare vetproducten voor menselijke consumptie;

i) hop.

2.  Teneinde rekening te houden met de verwachtingen van de consument en de economische voorwaarden voor de productie en de afzet voor landbouwproducten, alsmede de kwaliteit van de onder de leden 1 en 4 van dit artikel vallende producten te verbeteren, is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 227 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot sector- of productspecifieke handelsnormen voor alle handelsstadia, alsmede afwijkingen en vrijstellingen van de toepassing van die normen, met het doel in te spelen op voortdurend veranderende marktomstandigheden, op de veranderende vraag van de consument, op ontwikkelingen in de toepasselijke internationale normen en op het voorkomen van hindernissen voor productinnovatie.

3.  Onverminderd artikel 26 van Verordening (EU) nr. 1169/2011 van het Europees Parlement en de Raad ( 10 ) kunnen de in lid 1 bedoelde handelsnormen betrekking hebben op een of meer van de volgende elementen te bepalen op sector- of productspecifieke grondslag, die berusten op de kenmerken van de sector, op de noodzaak het op de markt brengen te reguleren en op de in lid 5 van dit artikel bepaalde voorwaarden:

a) de technische definities, aanduidingen en verkoopbenamingen voor andere sectoren dan die welke in artikel 78 zijn vermeld;

b) de indelingscriteria, zoals indeling in klassen, naar gewicht, naar grootte, naar leeftijd en in categorieën;

c) de soort, het planten- of dierenras of het handelstype;

d) de aanbiedingsvorm, de met de verplichte handelsnormen verband houdende etikettering, de verpakking, de voor verpakkingscentra geldende voorschriften, het merken, het oogstjaar en het gebruik van specifieke aanduidingen, onverminderd de artikelen 92 tot en met 123;

e) criteria zoals uiterlijk, consistentie, bevleesdheid, productkenmerken en watergehalte (uitgedrukt in procenten);

f) de specifieke stoffen die bij de productie worden gebruikt, of de componenten of bestanddelen, met inbegrip van hun gewichtsaandeel, zuiverheid en identificatie;

g) de productierichting en de productiemethode, met inbegrip van oenologische procédés en geavanceerde systemen van duurzame productie;

h) de versnijding van most en wijn, met inbegrip van definities daarvan, het mengen en de daarvoor geldende beperkingen;

i) de frequentie van inzameling, levering, bewaring en behandeling, de bewaarmethode en -temperatuur, de opslag en het vervoer;

j) de ligging van het landbouwbedrijf, en/of de oorsprong, uitgezonderd voor vlees van pluimvee en smeerbare vetproducten;

k) de beperkingen wat het gebruik van bepaalde stoffen en bepaalde procedés betreft;

l) het specifieke gebruik;

m) de voorwaarden inzake het afzetten, in bezit hebben, in het verkeer brengen en gebruiken van producten die niet in overeenstemming zijn met de op grond van lid 1 vastgestelde handelsnormen of de in artikel 78 bedoelde definities, aanduidingen en verkoopbenamingen, en inzake het verwijderen van bijproducten.

4.  Naast hetgeen is bepaald in lid 1, mogen de handelsnormen op de wijnsector worden toegepast. Lid 3, onder f), g), h), k) en m) is van toepassing op de wijnsector.

5.  De op grond van lid 1 van dit artikel vastgestelde sector- of productspecifieke handelsnormen gelden onverminderd hetgeen in de artikelen 84 tot en met 88 en bijlage IX is bepaald, met inachtneming van het volgende:

a) de specifieke kenmerken van het betrokken product;

b) de noodzaak om de voorwaarden te bewerkstelligen die het op de markt brengen van de producten vergemakkelijken;

c) het belang van de producent om het product en de productiekenmerken kenbaar te maken en het belang dat de consumenten hebben bij het ontvangen van adequate en transparante productinformatie, onder meer over de ligging van het landbouwbedrijf die per geval op het geschikte geografische niveau moet worden vastgesteld, na verrichting van een beoordeling die met name betrekking heeft op de kosten en administratieve lasten voor de marktdeelnemers, evenals op de voordelen voor de producenten en de eindconsument;

d) de beschikbare methoden om de fysische, chemische en organoleptische kenmerken van de producten te bepalen;

e) de standaardaanbevelingen van de internationale instanties;

f) het feit dat de natuurlijke en essentiële kenmerken van het product dienen te worden behouden en dat de samenstelling van het product geen ingrijpende veranderingen mag ondergaan.

6.  Teneinde rekening te houden met de verwachtingen van de consument en de noodzaak om de kwaliteit en de economische voorwaarden voor de productie en afzet van landbouwproducten te verbeteren, is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 227 gedelegeerde handelingen vast te stellen om de in lid 1 vervatte lijst van sectoren te wijzigen. Die gedelegeerde handelingen zijn strikt beperkt tot de aangetoonde behoeften die voortvloeien uit de veranderende vraag van de consument, de technische vooruitgang of de behoefte aan productinnovatie, en worden behandeld in een verslag van de Commissie aan het Europees Parlement en aan de Raad waarin met name de behoeften van de consument, de kosten en de administratieve lasten voor de marktdeelnemers, waaronder het effect op de interne markt en op de internationale handel, alsook de voordelen voor producenten en de eindconsument worden beoordeeld.

Artikel 76

Aanvullende eisen betreffende de afzet van producten in de sector groenten en fruit

1.  Naast de toepasselijke, in artikel 75 bedoelde, handelsnormen, in voorkomend geval, mogen producten in de sectoren groenten en fruit die bestemd zijn om vers aan de consument te worden verkocht, slechts worden afgezet als ze gezond, deugdelijk en van gebruikelijke handelskwaliteit zijn, en het land van oorsprong is aangeduid.

2.  De in lid 1 bedoelde handelsnormen, en alle overeenkomstig deze onderafdeling vastgestelde handelsnormen voor de sector groenten en fruit, zijn van toepassing tijdens alle handelsstadia, met inbegrip van de in- en uitvoer, en kunnen betrekking hebben op de kwaliteit, de indeling, het gewicht, de omvang, de onmiddellijke verpakking, de eindverpakking, de opslag, het vervoer, de aanbiedingsvorm en de afzet.

3.  De houder van producten van de sector groenten en fruit waarvoor handelsnormen zijn vastgesteld, mag die producten binnen de Unie alleen uitstallen, te koop aanbieden, leveren of op enige andere wijze verhandelen indien zij aan die normen voldoen. De houder van de producten is verantwoordelijk voor de naleving van deze bepaling.

4.  Om te zorgen voor de correcte toepassing van de vereisten bepaald in de eerste alinea van dit artikel en om rekening te houden met bepaalde specifieke situaties, is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 227 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende specifieke afwijkingen van dit artikel die nodig zijn voor de correcte toepassing ervan.

Artikel 77

Certificering voor hop

1.  Naast de toepasselijke handelsnormen, in voorkomend geval, is op de producten van de hopsector die in de Unie worden geoogst of vervaardigd, een certificeringsprocedure krachtens dit artikel van toepassing.

2.  De certificaten mogen slechts worden afgegeven voor producten die voldoen aan minimumkwaliteitskenmerken voor een bepaald handelsstadium. Voor hopmeel, met lupuline verrijkt hopmeel, hopextract en mengproducten van hop mogen de certificaten slechts worden afgegeven als het alfazuurgehalte van deze producten niet lager is dan dat van de hop waaruit zij zijn bereid

3.  Op de certificaten dienen ten minste te worden vermeld:

a) de plaats(en) waar de hop is geteeld;

b) het oogstjaar (de oogstjaren); en

c) het ras of de rassen.

4.  De producten van de hopsector mogen alleen in de handel worden gebracht of uitgevoerd als zij vergezeld gaan van een overeenkomstig dit artikel afgegeven certificaat.

Voor ingevoerde producten van de hopsector wordt de in artikel 190, lid 2, vastgestelde verklaring erkend als gelijkwaardig aan het certificaat.

5.  De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 227 gedelegeerde handelingen vast te stellen waarin maatregelen worden vastgelegd die afwijken van lid 4 van dit artikel:

a) om aan de commerciële eisen van bepaalde derde landen te voldoen; of

b) voor producten die bestemd zijn voor bijzondere gebruiksdoeleinden.

De in de eerste alinea bedoelde maatregelen:

i) mogen niet nadelig zijn voor de normale afzet van de producten waarvoor het certificaat is afgegeven; en

ii) moeten vergezeld gaan van garanties om elke verwarring met de bovenbedoelde producten te voorkomen.

Artikel 78

Definities, aanduidingen en verkoopbenamingen voor bepaalde sectoren en producten

1.  Naast de toepasselijke handelsnormen, in voorkomend geval, gelden de in bijlage VII opgenomen definities, aanduidingen en verkoopbenamingen voor de volgende sectoren of producten:

a) rund- en kalfsvlees;

b) wijn;

c) melk en zuivelproducten voor menselijke consumptie;

d) vlees van pluimvee;

e) eieren;

f) smeerbare vetproducten voor menselijke consumptie; en

g) olijfolie en tafelolijven.

2.  De in bijlage VII opgenomen definitie, aanduiding of verkoopbenaming mag in de Unie uitsluitend worden gebruikt voor het afzetten van een product dat voldoet aan de overeenkomstige in die bijlage vastgestelde eisen.

3.  De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 227 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de wijzigingen, afwijkingen of vrijstellingen van de in bijlage VII opgenomen definities en verkoopbenamingen. Die gedelegeerde handelingen hebben uitsluitend betrekking op de aangetoonde behoeften die voortvloeien uit de evoluerende vraag van de consument, technische vooruitgang of de behoeften aan productinnovatie.

4.  Teneinde ervoor te zorgen dat de definities en verkoopbenamingen in bijlage VII voor zowel de marktdeelnemers als de lidstaten duidelijk en goed te begrijpen zijn, is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 227 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot bepaling van de voorschriften voor de nadere invulling en de toepassing daarvan.

5.  Teneinde rekening te houden met de verwachtingen van de consumenten en met de ontwikkeling van de zuivelsector, is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 227 gedelegeerde handelingen vast te stellen om de zuivelproducten te bepalen waarvoor moet worden vermeld van welke diersoort de melk afkomstig is, indien zij niet afkomstig is van runderen, en om de nodige voorschriften vast te stellen.

Artikel 79

Tolerantie

1.  Teneinde rekening te houden met de specifieke kenmerken van elk product of elke sector, de verschillende afzetstadia, de technische voorwaarden, eventuele grote praktische problemen, en de nauwkeurigheid en herhaalbaarheid van de analysemethoden, is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 227 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot tolerantie voor een of meer specifieke normen bij overschrijding waarvan de hele partij producten als niet conform de betrokken norm wordt beschouwd.

2.  Bij het vaststellen van de in lid 1 bedoelde handelingen houdt de Commissie er rekening mee dat de intrinsieke eigenschappen van het product niet gewijzigd mogen worden en dat de kwaliteit ervan niet mag dalen.

Artikel 80

Oenologische procédés en analysemethoden

1.  Voor de productie en de bewaring van de in bijlage VIII, deel II, opgenomen wijnbouwproducten in de Unie wordt uitsluitend gebruikgemaakt van de oenologische procedés die op grond van bijlage VII zijn toegestaan en die worden bedoeld in artikel 75, lid 3, onder g), en in artikel 83, leden 2 en 3.

De eerste alinea is niet van toepassing op:

a) druivensap en geconcentreerd druivensap; en

b) voor de bereiding van druivensap bestemde druivenmost en geconcentreerde druivenmost.

De toegestane oenologische procedés mogen slechts worden toegepast om een goede bereiding, een goede bewaring of een goede ontwikkeling van het product te waarborgen.

De in bijlage VII, deel II, opgenomen wijnbouwproducten worden in de Unie geproduceerd in overeenstemming met de in bijlage VIII vastgestelde voorschriften.

2.  De in bijlage VII, deel II, opgenomen producten mogen in de volgende gevallen niet in de Unie in de handel worden gebracht:

a) indien zij met niet door de Unie toegestane oenologische procedés zijn geproduceerd,

b) indien zij met niet-toegestane nationale oenologische procedés zijn geproduceerd, of

c) indien zij niet in overeenstemming zijn met de in bijlage VIII vastgestelde voorschriften.

De wijnbouwproducten die overeenkomstig de eerste alinea niet kunnen worden afgezet, worden vernietigd. In afwijking van dit voorschrift kunnen de lidstaten toestemming verlenen voor het gebruik van sommige van die producten, waarvan zij de kenmerken bepalen, door distilleerderijen of azijnfabrieken, dan wel voor industriële doeleinden, op voorwaarde dat deze toestemming geen stimulans wordt om wijnbouwproducten te produceren met behulp van niet-toegestane oenologische procedés.

3.  Wanneer de Commissie oenologische procedés voor wijn als bedoeld in artikel 75, lid 3, onder g) toestaat:

a) houdt zij rekening met de door de OIV aanbevolen en gepubliceerde oenologische procedés en analysemethoden en met de resultaten die zijn geboekt met het experimentele gebruik van vooralsnog niet-toegestane oenologische procedés;

b) houdt zij rekening met overwegingen op het gebied van de bescherming van de menselijke gezondheid;

c) houdt zij rekening met het risico dat de consument door zijn vaste ideeënpatroon en bijbehorende verwachtingen ten aanzien van het product wordt misleid en gaat zij na of dat risico aan de hand van beschikbare voorlichting kan worden uitgesloten;

d) maakt zij de instandhouding van de natuurlijke en essentiële kenmerken van de wijn mogelijk zonder dat daarbij de samenstelling van het betrokken product substantieel wordt gewijzigd;

e) ziet zij erop toe dat een aanvaardbaar minimumniveau van milieuzorg wordt gehandhaafd;

f) neemt zij de algemene voorschriften inzake oenologische procedés en de in bijlage VIII vastgestelde voorschriften in acht.

4.  Teneinde de zorgen voor een correcte behandeling van wijnbouwproducten die niet kunnen worden afgezet, is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 227 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot bepaling van de voorschriften inzake de nationale procedures bedoeld in de tweede alinea van lid 2 van dit artikel, en afwijkingen daarvan voor de terugname of vernietiging van wijnbouwproducten die niet aan de eisen.

5.  Indien nodig stelt de Commissie uitvoeringshandelingen vast waarin de in artikel 75, lid 5, onder d), bedoelde methoden worden vastgelegd voor de in bijlage VII, deel II, vermelde producten. Deze methoden zijn gebaseerd op relevante methoden die zijn aanbevolen en gepubliceerd door de OIV, tenzij zij ondoeltreffend of ongeschikt zouden zijn om de door de Unie nagestreefde doelstelling te verwezenlijken. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 229, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

In afwachting van de vaststelling van die uitvoeringshandelingen worden de methoden en voorschriften toegepast die door de betrokken lidstaat zijn toegestaan.

Artikel 81

Wijndruivenrassen

1.  De in de Unie geproduceerde producten van bijlage VII, deel II, worden verkregen van wijndruivenrassen die overeenkomstig lid 2 in een indeling mogen worden opgenomen.

2.  Met inachtneming van lid 3 stellen de lidstaten in een indeling vast welke wijndruivenrassen op hun grondgebied met het oog op de wijnbereiding mogen worden aangeplant, heraangeplant of geënt.

Uitsluitend wijndruivenrassen die voldoen aan de volgende voorwaarden mogen in de indeling van de lidstaten worden opgenomen:

a) het betrokken ras behoort tot de soort Vitis vinifera of is verkregen uit een kruising van deze soort met andere soorten van het geslacht Vitis;

b) het ras is niet een van de volgende rassen: Noah, Othello, Isabelle, Jacquez, Clinton of Herbemont.

Indien een wijndruivenras uit de in de eerste alinea bedoelde indeling wordt geschrapt, worden de wijnstokken van dit ras binnen vijftien jaar na die schrapping gerooid.

3.  Lidstaten met een wijnproductie van niet meer dan 50 000 hectoliter per wijnoogstjaar, berekend op basis van de gemiddelde productie gedurende de laatste vijf wijnoogstjaren, worden vrijgesteld van de in lid 2, eerste alinea, bedoelde verplichting tot indeling.

Eveneens in die lidstaten mogen met het oog op de wijnbereiding evenwel uitsluitend wijndruivenrassen worden aangeplant, heraangeplant of geënt die voldoen aan het bepaalde in lid 2, tweede alinea.

4.  In afwijking van lid 2, eerste en derde alinea, en lid 3, tweede alinea, staan de lidstaten in het kader van wetenschappelijk onderzoek en experimenten het aanplanten, heraanplanten of enten van de volgende wijndruivenrassen toe:

a) wijndruivenrassen die niet zijn ingedeeld, indien het gaat om een andere dan in lid3 bedoelde lidstaat;

b) wijndruivenrassen die niet voldoen aan het bepaalde in lid 2, tweede alinea, indien het gaat om de in lid 3 bedoelde lidstaten.

5.  Oppervlakten die met het oog op de wijnbereiding met wijndruivenrassen zijn beplant in strijd met de leden 2, 3 en 4, worden gerooid.

De verplichting tot rooien van dergelijke oppervlakten vervalt evenwel indien de betrokken productie uitsluitend bestemd is om door de wijnbouwer en zijn gezin te worden geconsumeerd.

Artikel 82

Specifiek gebruik van wijn die niet overeenstemt met de in bijlage VII, deel II, opgenomen categorieën

Met uitzondering van wijn in flessen waarvan aantoonbaar is dat deze vóór 1 september 1971 is gebotteld, mag wijn die is verkregen van wijndruivenrassen die zijn opgenomen in overeenkomstig artikel 81, lid 2, eerste alinea, opgestelde indelingen, maar niet overeenstemt met een van de in bijlage VII, deel II, opgenomen categorieën, slechts worden gebruikt voor consumptie door de individuele wijnbouwer en zijn gezin, voor de vervaardiging van wijnazijn of voor distillatie.

Artikel 83

Nationale voorschriften voor bepaalde producten en/of sectoren

1.  Onverminderd artikel 75, lid 2, kunnen de lidstaten nationale voorschriften inzake andere kwaliteitsniveaus van smeerbare vetproducten vaststellen of handhaven. Deze voorschriften moeten de mogelijkheid bieden om deze kwaliteitsniveaus te beoordelen aan de hand van criteria in het bijzonder, met betrekking tot de verwerkte grondstoffen, de organoleptische kenmerken van de producten en de fysische en microbiologische stabiliteit van de producten.

De lidstaten die gebruik maken van de in de eerste alinea geboden mogelijkheid, zorgen ervoor dat met betrekking tot de in andere lidstaten vervaardigde producten die aan de in deze nationale voorschriften vastgestelde criteria voldoen, onder niet-discriminerende voorwaarden gebruik mag worden gemaakt van vermeldingen die aangeven dat aan deze criteria is voldaan.

2.  De lidstaten mogen het gebruik van bepaalde krachtens de Uniewetgeving toegestane oenologische procedés voor op hun grondgebied geproduceerde wijn beperken of verbieden en voorzien in strengere voorschriften met het oog op de bevordering van het behoud van de wezenlijke kenmerken van wijn met een beschermde oorsprongsbenaming of een beschermde geografische aanduiding, mousserende wijn en likeurwijn.

3.  De lidstaten kunnen toestemming verlenen voor het experimentele gebruik van niet-toegestane oenologische procedés.

4.  Teneinde een correcte en transparante toepassing van dit artikel te garanderen, is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 227 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de voorwaarden voor de toepassing van de leden 1, 2 en 3 van dit artikel, en de voorwaarden voor het in bezit hebben, in het verkeer brengen en gebruiken van de producten die zijn verkregen volgens de in lid 3 bedoelde experimentele procedés.

5.  De lidstaten kunnen uitsluitend aanvullende nationale bepalingen aannemen of handhaven voor producten die onder een handelsnorm van de Unie vallen, indien die bepalingen in overeenstemming zijn met het recht van de Unie, met name wat de eerbiediging van het beginsel van vrij verkeer van goederen betreft, en mits wordt voldaan aan Richtlijn 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad ( 11 ).



Onderafdeling 3

Facultatieve gereserveerde vermeldingen

Artikel 84

Algemene bepaling

Er wordt een regeling voor sector- of productspecifieke facultatieve gereserveerde vermeldingen ingesteld, die producenten van landbouwproducten met waardetoevoegende kenmerken of eigenschappen beter in staat moet stellen deze kenmerken of eigenschappen op de interne markt kenbaar te maken, en die met name de specifieke handelsnormen moet ondersteunen en aanvullen.

Deze onderafdeling is niet van toepassing op de in artikel 92, lid 1, bedoelde wijnbouwproducten.

Artikel 85

Bestaande facultatieve gereserveerde vermeldingen

1.  De op 20 december 2013 onder deze regeling vallende facultatieve gereserveerde vermeldingen zijn vervat in bijlage IX bij deze verordening; de voorwaarden voor het gebruik ervan worden overeenkomstig artikel 86, onder a), vastgesteld.

2.  De in lid 1 van dit artikel bedoelde facultatieve gereserveerde vermeldingen blijven, eventueel in gewijzigde vorm, van kracht, tenzij zij overeenkomstig artikel 86 worden geannuleerd.

Artikel 86

Reservering, wijziging en annulering van facultatieve gereserveerde vermeldingen

Teneinde rekening te houden met de consumentenverwachtingen, de ontwikkeling van de wetenschappelijke en technische kennis, de marktsituatie en de ontwikkelingen inzake handelsnormen en internationale normen, is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 227 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot:

a) de reservering van een bijkomende facultatieve gereserveerde vermelding, waarmee de gebruiksvoorwaarden ervan worden vastgelegd;

b) de wijziging van de voorwaarden voor het gebruik van een facultatieve gereserveerde vermelding; of

c) de annulering van een facultatieve gereserveerde vermelding.

Artikel 87

Bijkomende facultatieve gereserveerde vermeldingen

1.  Een vermelding komt in aanmerking om te worden gereserveerd als bijkomende facultatieve gereserveerde vermelding, indien zij voldoet aan de volgende eisen:

a) de vermelding heeft betrekking op een productkenmerk of op een teelt- of verwerkingseigenschap en op een sector of product;

b) de vermelding maakt de meerwaarde voor het product van de specifieke productkenmerken of de teelt- of verwerkingseigenschappe duidelijker kenbaar;

c) wanneer het product in de handel wordt gebracht, maakt het kenmerk of de eigenschap, bedoeld in punt a), het product herkenbaar voor de consument in verscheidene lidstaten;

d) de voorwaarden waaronder de vermelding wordt gebruikt zijn in overeenstemming met Richtlijn 2000/13/EG van het Europees Parlement en de Raad ( 12 ) of Verordening (EU) nr. 1169/2011.

Bij het invoeren van een bijkomende facultatieve gereserveerde vermelding houdt de Commissie rekening met alle toepasselijke internationale normen en met de bestaande gereserveerde vermeldingen voor de betrokken producten en sectoren.

2.  Teneinde rekening te houden met de bijzondere kenmerken van bepaalde sectoren alsook met de consumentenverwachtingen, is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 227 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot nadere bepaling van de eisen voor het invoeren van een bijkomende facultatieve gereserveerde vermelding, als bedoeld in lid 1 van dit artikel.

Artikel 88

Beperkingen inzake het gebruik van facultatieve gereserveerde vermeldingen

1.  Een facultatieve gereserveerde vermelding mag uitsluitend worden gebruikt ter beschrijving van producten die voldoen aan de toepasselijke gebruiksvoorwaarden.

2.  De lidstaten stellen passende maatregelen vast die ervoor zorgen dat de productetikettering geen aanleiding geeft tot verwarring met facultatieve gereserveerde vermeldingen.

3.  Teneinde ervoor te zorgen dat met facultatieve gereserveerde vermeldingen beschreven producten voldoen aan de toepasselijke gebruiksvoorwaarden, is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 227 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot nadere bepaling van de aanvullende voorschriften betreffende het gebruik van facultatieve gereserveerde vermeldingen.



Onderafdeling 4

Handelsnormen betreffende invoer en uitvoer

Artikel 89

Algemene bepalingen

Teneinde rekening te houden met de specifieke kenmerken van de handel tussen de Unie en bepaalde derde landen en met de bijzondere aard van sommige landbouwproducten, is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 227 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot:

a) de voorwaarden waaronder ingevoerde producten kunnen worden geacht een equivalent niveau van conformiteit met de handelsnormen van de Unie te bieden, alsmede de voorwaarden voor het toestaan van afwijkingen van artikel 74; en

b) de voorschriften voor de toepassing van de handelsnormen op uit de Unie uitgevoerde producten.

Artikel 90

Bijzondere bepalingen voor de invoer van wijn

1.  Tenzij anders is bepaald in overeenkomstig het VWEU gesloten internationale overeenkomsten, zijn de bepalingen inzake oorsprongsbenamingen, geografische aanduidingen en etikettering van wijn, vastgesteld in afdeling 2 van dit hoofdstuk en in de in artikel 78 van deze verordening bedoelde definities, aanduidingen en verkoopbenamingen van toepassing op in de Unie ingevoerde producten die binnen de GN-codes 2009 61 , 2009 69 en 2204 vallen.

2.  Tenzij anders is bepaald in overeenkomstig het VWEU gesloten internationale overeenkomsten, worden de in lid 1 bedoelde producten geproduceerd overeenkomstig oenologische procedés die zijn toegestaan door de Unie op grond van deze verordening, of, voorafgaand aan de toestemming uit hoofde van artikel 80, lid 3, geproduceerd overeenkomstig oenologische procedés die worden aanbevolen en gepubliceerd door de OIV.

3.  Voor de invoer van de in lid 1 bedoelde producten worden de volgende documenten overgelegd:

a) een bewijs van naleving van de in de leden 1 en 2 bedoelde bepalingen, dat in het land van oorsprong van het product is opgesteld door een bevoegde instantie die is opgenomen in een door de Commissie te publiceren lijst;

b) met betrekking tot voor rechtstreekse menselijke consumptie bestemde producten, een analyseverslag dat is opgesteld door een door het land van oorsprong van het product aangewezen instantie of dienst.



Onderafdeling 5

Gemeenschappelijke bepalingen

Artikel 91

Uitvoeringsbevoegdheden overeenkomstig de onderzoeksprocedure

De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen waarin:

▼C1

a) de lijst wordt opgesteld van de melk- en zuivelproducten, bedoeld in bijlage VII, deel III, punt 5, tweede alinea, en de smeerbare vetten, bedoeld in bijlage VII, deel VII, punt I, zesde alinea, onder a), op basis van de door de lidstaten aan de Commissie toe te sturen indicatieve lijsten van producten die volgens de lidstaten, op hun grondgebied, overeenstemmen met deze bepalingen;

▼B

b) voorschriften worden vastgelegd voor de toepassing van de sector- en productspecifieke handelsnormen;

c) voorschriften worden vastgelegdop grond waarvan wordt bepaald of de producten behandelingen hebben ondergaan die strijdig zijn met de toegestane oenologische procedés;

d) voorschriften inzake de analysemethoden voor het bepalen van de kenmerken van producten worden vastgelegd;

e) voorschriften voor het bepalen van het tolerantieniveau worden vastgelegd;

f) voorschriften voor de uitvoering van de in artikel 89 bedoelde maatregelen worden vastgelegd;

g) voorschriften worden vastgesteld inzake de identificatie of registratie van de producent en/of de industriële installaties waar het product is bereid of verwerkt, inzake de certificatieprocedures en inzake de handelsdocumenten, begeleidende documenten en bescheiden die moeten worden bijgehouden.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 229, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.



Afdeling 2

Oorsprongsbenamingen, geografische aanduidingen en traditionele aanduidingen in de wijnsector



Onderafdeling 1

Inleidende bepalingen

Artikel 92

Toepassingsgebied

1.  De in deze afdeling vastgestelde voorschriften inzake oorsprongsbenamingen, geografische aanduidingen en traditionele aanduidingen zijn van toepassing op de producten, bedoeld in bijlage VII, deel II, punten 1, 3 tot en met 6, 8, 9, 11, 15 en 16.

2.  De in lid 1 bedoelde voorschriften zijn gebaseerd op:

a) het beschermen van de rechtmatige belangen van consumenten en producenten;

b) het waarborgen van de soepele werking van de interne markt voor de betrokken producten; en

c) het bevorderen van de productie van in deze afdeling bedoelde kwaliteitsproducten, terwijl ruimte wordt gelaten voor nationale maatregelen op het gebied van kwaliteitsbeleid.



Onderafdeling 2

Oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen

Artikel 93

Definities

1.  Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder:

a)

"oorsprongsbenaming" :

de naam van een regio, een bepaalde plaats of - in uitzonderlijke gevallen en mits naar behoren gemotiveerd - een land, die wordt gebruikt voor de beschrijving van een in artikel 92, lid 1, bedoeld product dat aan de volgende eisen voldoet:

i) de kwaliteit en de kenmerken van het product zijn hoofdzakelijk of uitsluitend toe te schrijven aan de specifieke geografische omgeving met haar eigen door natuur en mens bepaalde factoren;

ii) alle druiven waarmee het product is bereid, zijn afkomstig uit dit geografische gebied;

iii) de productie vindt plaats in dit geografische gebied; en

iv) het product is verkregen van wijndruivenrassen die behoren tot de soort Vitis vinifera;

b)

"geografische aanduiding" :

een aanduiding die verwijst naar een regio, een bepaalde plaats of - in uitzonderlijke gevallen en mits terdege gemotiveerd - een land, en die wordt gebruikt voor de beschrijving van een in artikel 92, lid 1, bedoeld product dat aan de volgende eisen voldoet:

i) het product heeft een specifieke kwaliteit, reputatie of andere kenmerken die aan deze geografische oorsprong toe te schrijven zijn;

ii) ten minste 85 % van de voor de bereiding van het product gebruikte druiven zijn afkomstig uit dit geografische gebied;

iii) de productie vindt plaats in dit geografische gebied; en

iv) het product is verkregen van wijndruivenrassen die tot de soort Vitis vinifera behoren of die het resultaat zijn van een kruising van deze soort met andere soorten van het geslacht Vitis.

2.  Bepaalde traditioneel gebruikte namen zijn een oorsprongsbenaming indien zij:

a) een wijn aanduiden;

b) naar een geografische naam verwijzen;

c) voldoen aan de in lid 1, onder a), i) tot en met iv), bedoelde eisen; en

d) worden beschermd volgens de in deze onderafdeling vastgestelde procedure voor de bescherming van oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen.

3.  Oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen, waaronder die welke betrekking hebben op geografische gebieden in derde landen, komen in aanmerking voor bescherming in de Unie overeenkomstig de in deze onderafdeling vastgestelde voorschriften.

4.  De in lid 1, onder a), iii) bedoelde productie heeft betrekking op alle betrokken acties, van het oogsten van de druiven tot de voltooiing van het wijnbereidingsproces, met uitzondering van eventuele procedés die na het productiestadium plaatsvinden.

5.  Voor de toepassing van lid 1, onder b), ii), geldt dat het maximumpercentage van 15 % druiven die van buiten het afgebakende gebied afkomstig mogen zijn, afkomstig moeten zijn uit de betrokken lidstaat of het derde land waarin het afgebakende gebied gelegen is.

Artikel 94

Beschermingsaanvraag

1.  Een aanvraag om een naam te beschermen als oorsprongsbenaming of als geografische aanduiding omvat een technisch dossier met de volgende gegevens:

a) de naam die moet worden beschermd;

b) de naam en het adres van de aanvrager;

c) het in lid 2 bedoelde productdossier; en

d) het algemeen document, waarin het in lid 2 bedoelde productdossier is samengevat.

2.  De betrokken partijen kunnen aan de hand van het productdossier de omstandigheden nagaan in verband met de betrokken oorsprongsbenaming of geografische aanduiding.

Het productdossier bestaat ten minste uit de volgende elementen:

a) de naam die moet worden beschermd;

b) een beschrijving van de wijn(en):

i) met betrekking tot een oorsprongsbenaming, de belangrijkste analytische en organoleptische kenmerken;

ii) met betrekking tot een geografische aanduiding, de belangrijkste analytische kenmerken en een beoordeling of indicatie van de organoleptische kenmerken;

c) in voorkomend geval, de specifieke bij de productie van de wijn(en) gebruikte oenologische procedés, alsmede de betrokken beperkingen bij de productie ervan;

d) de afbakening van het betrokken geografische gebied;

e) de maximumopbrengst per hectare;

f) het wijndruivenras of de wijndruivenrassen waarvan de wijn(en) is (zijn) verkregen;

g) de gegevens tot staving van het verband bedoeld in artikel 93, lid 1, onder a), i), of, in voorkomend geval, in artikel 93, lid 1, onder b), i);

h) de toepasselijke eisen die zijn vastgesteld in Uniewetgeving of in nationale wetgeving of, indien daarin door de lidstaten is voorzien, door een organisatie die de beschermde oorsprongsbenaming of de beschermde geografische aanduiding beheert, met dien verstande dat die eisen objectief, niet-discriminerend en verenigbaar met het Unierecht moeten zijn;

i) de naam en het adres van de autoriteiten of organen die verifiëren of de bepalingen van het productdossier worden nageleefd, alsmede hun specifieke taken.

3.  Een beschermingsaanvraag met betrekking tot een geografisch gebied in een derde land bevat naast de in de leden 1 en 2 vermelde elementen het bewijs dat de betrokken naam in het land van oorsprong van het betrokken product beschermd is.

Artikel 95

Aanvragers

1.  De bescherming van een oorsprongsbenaming of een geografische aanduiding wordt aangevraagd door een belanghebbende producentengroepering of, in uitzonderlijke gevallen en mits terdege gemotiveerd, door een individuele producent. Andere betrokken partijen mogen zich bij de aanvraag aansluiten.

2.  Producenten mogen slechts bescherming aanvragen voor door hen geproduceerde wijn.

3.  Voor namen die een grensoverschrijdend geografisch gebied aanduiden of voor traditionele namen die verbonden zijn met een dergelijk gebied, mag een gemeenschappelijke aanvraag worden ingediend.

Artikel 96

Inleidende nationale procedure

1.  De aanvraag tot bescherming van een oorsprongsbenaming of geografische aanduiding voor wijn van oorsprong uit de Unie wordt behandeld in het kader van een inleidende nationale procedure.

2.  De beschermingsaanvraag wordt ingediend in de lidstaat op het grondgebied waarvan de oorsprongsbenaming of geografische aanduiding is ontstaan.

3.  De betrokken lidstaat gaat na of de beschermingsaanvraag voldoet aan de in deze onderafdeling vastgestelde voorwaarden.

De door die lidstaat te volgen nationale procedure houdt in dat de aanvraag naar behoren wordt bekendgemaakt en dat op het grondgebied van de betrokken lidstaat woonachtige of gevestigde natuurlijke of rechtspersonen met een legitiem belang gedurende ten minste twee maanden na de datum van bekendmaking van de beschermingsaanvraag bezwaar kunnen aantekenen tegen de voorgestelde bescherming door een met redenen omkleed bezwaarschrift in te dienen bij de betrokken lidstaat.

4.  Indien de lidstaat die de aanvraag onderzoekt, oordeelt dat een oorsprongsbenaming of geografische aanduiding niet aan de voorwaarden van deze onderafdeling voldoet of onverenigbaar is met de Uniewetgeving, wijst hij de aanvraag af.

5.  Indien de lidstaat die de aanvraag onderzoekt, oordeelt dat aan de eisen is voldaan, wordt het productdossier door hem volgens een adequate nationale procedure in ieder geval op het internet gepubliceerd en zendt de lidstaat de aanvraag naar de Commissie.

Artikel 97

Onderzoek door de Commissie

1.  De Commissie maakt de termijn bekend voor de indiening van een aanvraag tot bescherming van een oorsprongsbenaming of geografische aanduiding.

2.  De Commissie onderzoekt of de in artikel 94 bedoelde beschermingsaanvraag voldoet aan de in deze onderafdeling vastgestelde voorwaarden.

3.  Indien volgens de Commissie is voldaan aan de in deze onderafdeling vastgestelde voorwaarden, stelt zij uitvoeringshandelingen vast inzake de bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie van het in artikel 94, lid 1, onder d), bedoelde enig document en de verwijzing naar de bekendmaking van het productdossier die tijdens de inleidende nationale procedure heeft plaatsgevonden. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld zonder toepassing van de in artikel 229, lid 2 of lid 3, bedoelde procedure.

4.  Indien de in deze onderafdeling vastgestelde voorwaarden volgens de Commissie niet in acht zijn genomen, stelt zij uitvoeringshandelingen vast waarin de aanvraag wordt afgewezen.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 229 lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 98

Bezwaarprocedure

Lidstaten, derde landen of natuurlijke of rechtspersonen met een rechtmatig belang die woonachtig of gevestigd zijn in een andere lidstaat dan die waar de bescherming is aangevraagd, of in een derde land, kunnen gedurende uiterlijk twee maanden na de bekendmaking van het in artikel 94, lid 1, onder d), bedoelde enig document bezwaar tegen de voorgestelde bescherming aantekenen door bij de Commissie een met redenen omklede verklaring in te dienen met betrekking tot de in deze onderafdeling bepaalde voorwaarden om voor bescherming in aanmerking te komen.

In een derde land woonachtige of gevestigde natuurlijke of rechtspersonen dienen hun bezwaarschrift binnen de in de eerste alinea vastgestelde termijn van twee maanden rechtstreeks of via de autoriteiten van het betrokken derde land bij de Commissie in.

Artikel 99

Beschermingsbesluit

Op basis van de informatie waarover de Commissie na afloop van de in artikel 98 bedoelde bezwaarprocedure beschikt, stelt zij uitvoeringshandelingen vast waarin bescherming wordt verleend aan de oorsprongsbenaming of geografische aanduiding die aan de in deze onderafdeling vastgestelde voorwaarden voldoet en verenigbaar is met het Unierecht, dan wel waarin de aanvraag wordt afgewezen indien niet aan deze voorwaarden is voldaan.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 229, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 100

Homoniemen

1.  Bij de registratie van een naam waarvoor een aanvraag is ingediend en die volledig of gedeeltelijk homoniem is met een naam die overeenkomstig deze verordening is geregistreerd, wordt naar behoren rekening gehouden met de plaatselijke en traditionele gebruiken en elk risico op verwarring.

Een homonieme naam die bij de consument ten onrechte de indruk wekt dat de producten van oorsprong zijn van een ander grondgebied, wordt niet geregistreerd, ook al is de naam juist wat het grondgebied, de regio of de plaats van oorsprong van deze producten betreft.

Het gebruik van een geregistreerde homonieme naam is slechts toegestaan indien de praktische omstandigheden garanderen dat de in tweede instantie geregistreerde homonieme naam zich duidelijk onderscheidt van de reeds geregistreerde naam, voor zover de betrokken producenten een billijke behandeling krijgen en de consument niet wordt misleid.

2.  Lid 1 is van overeenkomstige toepassing wanneer een benaming waarvoor een aanvraag is ingediend, volledig of gedeeltelijk homoniem is met een geografische aanduiding die als dusdanig is beschermd krachtens het nationale recht van de lidstaten.

3.  Namen van wijndruivenrassen die geheel of gedeeltelijk bestaan uit een beschermde oorsprongsbenaming of een beschermde geografische aanduiding, worden niet gebruikt voor de etikettering van landbouwproducten.

Teneinde rekening te houden met de bestaande etiketteringspraktijken is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 227 bij gedelegeerde handeling uitzonderingen op dat voorschrift vast te stellen.

4.  De bescherming van oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen voor producten die onder artikel 93 van deze verordening vallen, geldt onverminderd de beschermde geografische aanduidingen die van toepassing zijn op gedistilleerde dranken in de zin van Verordening (EG) nr. 110/2008 van het Europees Parlement en de Raad ( 13 ).

Artikel 101

Aanvullende redenen tot weigering van de bescherming

1.  Een naam die een soortnaam is geworden, wordt niet beschermd als oorsprongsbenaming of geografische aanduiding.

In de zin van deze afdeling wordt onder een "naam die een soortnaam is geworden", verstaan de naam van een wijn die weliswaar verband houdt met de plaats of regio waar deze wijn oorspronkelijk werd geproduceerd of afgezet, maar in de Unie de gangbare naam van die wijn is geworden.

Om vast te stellen of een naam een soortnaam is geworden, wordt rekening gehouden met alle ter zake doende factoren, met name:

a) de bestaande situatie in de Unie, vooral in de consumptiegebieden;

b) het ter zake relevante Unie- of nationale recht.

2.  Een naam wordt niet als oorsprongsbenaming of geografische aanduiding beschermd indien de bescherming, rekening houdend met de reputatie en bekendheid van een merk, de consument kan misleiden ten aanzien van de werkelijke identiteit van de wijn.

Artikel 102

Verband met handelsmerken

1.  De registratie van een handelsmerk dat geheel of gedeeltelijk gevormd wordt door een beschermde oorsprongsbenaming of een beschermde geografische aanduiding die het betrokken productdossier niet naleeft, of waarvan het gebruik valt onder artikel 103, lid 2, en dat betrekking heeft op een product van de in bijlage VII, deel II, vermelde categorieën, wordt:

a) geweigerd indien de aanvraag voor registratie van het handelsmerk is ingediend na de datum waarop de aanvraag tot bescherming van de oorsprongsbenaming of de geografische aanduiding bij de Commissie is ingediend, en de oorsprongsbenaming of geografische aanduiding vervolgens wordt beschermd, of

b) nietig verklaard.

2.  Onverminderd artikel 101, lid 2, geldt dat een merk als bedoeld in lid 1 van dit artikel hetzij vóór de datum van bescherming van de oorsprongsbenaming of de geografische aanduiding in het land van oorsprong, hetzij vóór 1 januari 1996, op het grondgebied van de Unie is gedeponeerd, is geregistreerd of, mits het betrokken recht in deze mogelijkheid voorziet, rechten heeft verworven door gebruik te goeder trouw, verder mag worden gebruikt en mag worden verlengd, niettegenstaande de bescherming van de oorsprongsbenaming of van de geografische aanduiding, op voorwaarde dat er geen redenen zijn om het merk nietig of vervallen te verklaren op grond van Richtlijn 2008/95/EG van het Europees Parlement en de Raad ( 14 ) of van Verordening (EG) nr. 207/2009 van de Raad ( 15 ).

In dergelijke gevallen, mag de oorsprongsbenaming of de geografische aanduiding naast het betrokken merk worden gebruikt.

Artikel 103

Bescherming

1.  Beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen mogen worden gebruikt door alle marktdeelnemers die een overeenkomstig het betrokken productdossier geproduceerde wijn afzetten.

2.  Beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen, alsmede de wijnen die deze beschermde namen overeenkomstig het productdossier dragen, worden beschermd tegen:

a) elk direct of indirect gebruik door de handel van de beschermde naam:

i) voor vergelijkbare producten die niet in overeenstemming zijn met het bij de beschermde naam horende productdossier; of

ii) voor zover dat gebruik neerkomt op het uitbuiten van de reputatie van een oorsprongsbenaming of geografische aanduiding;

b) elk misbruik, elke nabootsing of voorstelling, zelfs indien de werkelijke oorsprong van het product of de dienst is aangegeven of indien de beschermde naam is vertaald, getranscribeerd of getranslitereerd of vergezeld gaat van uitdrukkingen zoals "soort", "type", "methode", "op de wijze van", "imitatie", "smaak", "zoals" en dergelijke;

c) elke andere onjuiste of misleidende aanduiding met betrekking tot de herkomst, de oorsprong, de aard of de wezenlijke kenmerken van het product op de binnen- of buitenverpakking of in reclamemateriaal of documenten betreffende het betrokken wijnproduct, alsmede het verpakken in een recipiënt die aanleiding kan geven tot misverstanden over de oorsprong van het product;

d) andere praktijken die de consument kunnen misleiden aangaande de werkelijke oorsprong van het product.

3.  Beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen worden in de Unie geen soortnamen in de zin van artikel 101, lid 1.

Artikel 104

Registreren

De Commissie stelt een openbaar toegankelijk elektronisch register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen voor wijn op en houdt dat bij. Oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen die betrekking hebben op producten van derde landen die in de Unie zijn beschermd krachtens een internationale overeenkomst waarbij de Unie een overeenkomstsluitende partij is, mogen in het register worden opgenomen. Tenzij deze in de genoemde overeenkomsten specifiek worden aangeduid als beschermde oorsprongsbenaming in de zin van deze verordening, worden zulke namen in het register opgenomen als beschermde geografische aanduiding.

Artikel 105

Wijzigingen van het productdossier

Een aanvrager die voldoet aan de in artikel 95 vastgestelde voorwaarden, mag om goedkeuring van een wijziging van het productdossier inzake een beschermde oorsprongsbenaming of een beschermde geografische aanduiding verzoeken, met name om rekening te houden met wetenschappelijke en technische ontwikkelingen of om de in artikel 94, lid 2, tweede alinea, onder d), bedoelde afbakening van het geografische gebied te herzien. In het verzoek worden de voorgestelde wijzigingen beschreven en gemotiveerd.

Artikel 106

Annulering

De Commissie kan, op eigen initiatief of naar aanleiding van een met redenen omkleed verzoek van een lidstaat, een derde land of een natuurlijke of rechtspersoon met een rechtmatig belang, uitvoeringshandelingen vaststellen waarin de bescherming van een oorsprongsbenaming of geografische aanduiding wordt geannuleerd indien de naleving van het betrokken productdossier niet langer kan worden gegarandeerd.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 229, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 107

Bestaande beschermde wijnnamen

1.  Wijnnamen als bedoeld in de artikelen 51 en 54 van Verordening (EG) nr. 1493/1999 van de Raad ( 16 ) en in artikel 28 van Verordening (EG) nr. 753/2002 van de Commissie ( 17 ), worden automatisch beschermd uit hoofde van de onderhavige verordening. De Commissie neemt deze namen op in het in artikel 104 van de onderhavige verordening bedoelde register.

2.  De Commissie neemt door middel van uitvoeringshandelingen die zonder toepassing van de in artikel 229, lid 2 of 3, bedoelde procedure worden vastgesteld, de nodige administratieve maatregelen om ervoor te zorgen dat wijnnamen waarop artikel 118 vicies, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van toepassing is, uit het in artikel 104 bedoelde register worden geschrapt.

3.  Artikel 106 is niet van toepassing op de in lid 1 bedoelde bestaande beschermde wijnnamen.

Tot en met 31 december 2014 kan de Commissie op eigen initiatief uitvoeringshandelingen vaststellen waarin de bescherming van de in lid 1 bedoelde bestaande beschermde wijnnamen wordt geannuleerd, indien deze namen niet voldoen aan de in artikel 93 vastgestelde voorwaarden.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 229, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

4.  Wat Kroatië betreft, worden de wijnnamen die in het Publicatieblad van de Europese Unie ( 18 ) bekend zijn gemaakt, uit hoofde van deze verordening beschermd mits de bezwaarprocedure een gunstig resultaat heeft. De Commissie neemt deze namen op in het in artikel 104 bedoelde register.

Artikel 108

Leges

De lidstaten mogen leges heffen ter dekking van door hen gemaakte kosten in verband met onder meer het onderzoek van beschermingsaanvragen, bezwaarschriften, wijzigingsverzoeken en annuleringsverzoeken uit hoofde van deze onderafdeling.

Artikel 109

Gedelegeerde bevoegdheden

1.  Teneinde rekening te houden met de specifieke kenmerken van de productie in het afgebakende geografische gebied, is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 227 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot:

a) de aanvullende criteria voor de afbakening van het geografische gebied; en

b) de beperkingen en afwijkingen met betrekking tot de productie in het afgebakende geografische gebied.

2.  Teneinde de kwaliteit en de traceerbaarheid van de producten te waarborgen, is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 227 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot bepaling van de voorwaarden onder welke het productdossier aanvullende eisen kan bevatten.

3.  Om ervoor te zorgen dat de legitieme rechten en belangen van de producenten en de marktdeelnemers worden beschermd, is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 227 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot:

a) het type aanvrager dat de bescherming van een oorsprongsbenaming of een geografische aanduiding kan aanvragen;

b) de voorwaarden voor het aanvragen van de bescherming van een oorsprongsbenaming of een geografische aanduiding, het onderzoek door de Commissie, de bezwaarprocedure en de procedures inzake de wijziging, annulering en omzetting van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen;

c) de voorwaarden met betrekking tot grensoverschrijdende aanvragen;

d) de voorwaarden voor aanvragen die geografische gebieden in derde landen betreffen;

e) de datum met ingang waarvan de bescherming of de wijziging ervan van toepassing is;

f) de voorwaarden voor wijziging van productdossiers.

4.  Teneinde een adequaat beschermingsniveau te waarborgen, is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 227 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot beperkingen ten aanzien van de beschermde naam.

5.  Teneinde ervoor te zorgen dat de marktdeelnemers en de bevoegde autoriteiten geen te groot nadeel ondervinden van de toepassing van deze onderafdeling op wijnnamen waarvoor vóór 1 augustus 2009 bescherming is verleend of waarvoor vóór die datum een beschermingsaanvraag is ingediend, is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 227 gedelegeerde handelingen vast te stellen waarin overgangsbepalingen worden vastgelegd met betrekking tot:

a) wijnnamen die vóór 1 augustus 2009 door de Commissie als oorsprongsbenaming of als geografische aanduiding zijn erkend, en wijnnamen waarvoor vóór die datum een beschermingsaanvraag is ingediend;

b) wijnen die vóór een specifieke datum in de handel zijn gebracht of geëtiketteerd; en

c) wijzigingen van het productdossier.

Artikel 110

Uitvoeringsbevoegdheden overeenkomstig de onderzoeksprocedure

1.  De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen waarin de nodige maatregelen worden vastgelegd met betrekking tot:

a) de in het productdossier te verstrekken informatie over het verband tussen het geografische gebied en het eindproduct;

b) de openbare bekendmaking van besluiten over de goedkeuring of de afwijzing van beschermingsaanvragen;

c) het opstellen en bijhouden van het in artikel 104 bedoelde register;

d) de omzetting van een beschermde oorsprongsbenaming in een beschermde geografische aanduiding;

e) de indiening van grensoverschrijdende aanvragen.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 229, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

2.  De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen waarin de nodige maatregelen worden vastgelegd betreffende de procedure voor het onderzoeken van aanvragen om bescherming van een geografische oorsprongsbenaming of van een geografische aanduiding, en van verzoeken om goedkeuring van een wijziging van een oorsprongbenaming of van een geografische aanduiding, de procedure voor bezwaarschriften, annuleringsverzoeken en omzettingsverzoeken, en de procedure voor het indienen van informatie over bestaande beschermde wijnnamen, in het bijzonder met betrekking tot:

a) de modeldocumenten en het transmissieformat;

b) de termijnen;

c) gedetailleerde bepalingen inzake de feitelijke informatie, het bewijsmateriaal en de ondersteunende documenten die ter staving van de aanvraag of het verzoek moeten worden overgelegd.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 229, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 111

Andere uitvoeringsbevoegdheden

Wanneer een bezwaar als onontvankelijk wordt beschouwd, stelt de Commissie een uitvoeringshandeling vast waarin wordt besloten dit bezwaar op grond van onontvankelijkheid af te wijzen. Die uitvoeringshandeling wordt vastgesteld zonder toepassing van de in artikel 229, lid 2 of 3, bedoelde procedure.



Onderafdeling 3

Traditionele aanduidingen

Artikel 112

Definitie

Onder "traditionele aanduiding" wordt verstaan de aanduiding die in de lidstaten traditioneel voor de in artikel 92, lid 1, bedoelde producten wordt gebruikt:

a) om aan te geven dat het product een beschermde oorsprongsbenaming of een beschermde geografische aanduiding heeft overeenkomstig de Uniewetgeving of de nationale wetgeving; of

b) ter aanduiding van de productie- of rijpingsmethode, de kwaliteit, de kleur, de aard van de productieplaats, of een historische gebeurtenis in verband met het product met een beschermde oorsprongsbenaming of een beschermde geografische aanduiding.

Artikel 113

Bescherming

1.  Een beschermde traditionele aanduiding mag uitsluitend worden gebruikt voor een product dat is geproduceerd overeenkomstig de in artikel 112, opgenomen definitie.

Traditionele aanduidingen worden beschermd tegen onrechtmatig gebruik.

2.  Traditionele aanduidingen worden uitsluitend in de in de aanvraag gebruikte taal en voor de in de aanvraag vermelde wijncategorieën beschermd tegen:

a) elk misbruik van de beschermde traditionele aanduiding, zelfs wanneer de beschermde traditionele aanduiding vergezeld gaat van uitdrukkingen als "soort", "type", "methode", "op de wijze van", "imitatie", "smaak", "zoals" of dergelijke;

b) enige andere bedrieglijke of misleidende vermelding over de aard, de kenmerken of de wezenlijke kwaliteiten van het product op de binnen- of de buitenverpakking, in reclamemateriaal of in documenten die betrekking hebben op het product;

c) andere praktijken die de consument kunnen misleiden, met name praktijken die de indruk wekken dat de wijn recht heeft op de beschermde traditionele aanduiding.

3.  Traditionele aanduidingen worden in de Unie geen soortnamen.

Artikel 114

Gedelegeerde bevoegdheden

1.  Teneinde een adequaat beschermingsniveau te waarborgen, is de Commissie bevoegd overeenkomstig artikel 227 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de taal en de schrijfwijze van de te beschermen traditionele aanduiding.

2.  Om de legitieme rechten en belangen van de producenten en de marktdeelnemers te beschermen, is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 227 gedelegeerde handelingen vast te stellen inzake:

a) het type aanvragers die bescherming van een traditionele aanduiding mogen aanvragen;

b) de voorwaarden waaronder een aanvraag om bescherming van een traditionele aanduiding als ontvankelijk wordt beschouwd;

c) de gronden voor bezwaar tegen een voorstel tot erkenning van een traditionele aanduiding;

d) de reikwijdte van de bescherming, het verband met handelsmerken, beschermde traditionele aanduidingen, beschermde oorsprongsbenamingen of beschermde geografische aanduidingen, homoniemen of bepaalde namen van wijndruivenrassen;

e) de redenen voor annulering van een traditionele aanduiding;

f) de datum voor indiening van een annuleringsverzoek of bezwaarschrift;

g) de procedures voor het aanvragen van bescherming van een traditionele aanduiding, inclusief het onderzoek daarvan door de Commissie, de bezwaarprocedures en de procedures voor annulering en wijziging.

3.  Teneinde rekening te houden met de specifieke kenmerken van het handelsverkeer tussen de Unie en bepaalde derde landen, is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 227 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot bepaling van de voorwaarden onder welke traditionele aanduidingen mogen worden gebruikt op producten van derde landen en tot bepaling van afwijkingen van artikel 112 en artikel 113, lid 2.

Artikel 115

Uitvoeringsbevoegdheden overeenkomstig de onderzoeksprocedure

1.  De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen waarin de nodige maatregelen worden vastgelegd betreffende de procedure voor het onderzoeken van aanvragen om bescherming van een traditionele aanduiding en van verzoeken om goedkeuring van een wijziging van een traditionele aanduiding, en betreffende de procedure voor bezwaarschriften en annuleringsverzoeken, in het bijzonder met betrekking tot:

a) de modeldocumenten en het transmissieformat;

b) de termijnen;

c) gedetailleerde bepalingen inzake de feitelijke informatie, het bewijsmateriaal en de ondersteunende documenten die ter staving van de aanvraag of het verzoek moeten worden overgelegd;

d) gedetailleerde voorschriften betreffende de openbare bekendmaking van beschermde traditionele aanduidingen.

2.  De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast ter goedkeuring of ter afwijzing van aanvragen tot bescherming van een traditionele aanduiding, verzoeken om goedkeuring van een wijziging van een traditionele aanduiding of aanvragen tot annulering van de bescherming van een traditionele aanduiding.

3.  De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast ter bescherming van traditionele aanduidingen waarvoor een beschermingsaanvraag is goedgekeurd, met name door deze in te delen overeenkomstig artikel 112 en door een definitie en/of de gebruiksvoorwaarden bekend te maken.

4.  De in de leden 1, 2 en 3 van het onderhavige artikel bedoelde uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 229, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 116

Andere uitvoeringsbevoegdheden

Wanneer een bezwaar als onontvankelijk wordt beschouwd, stelt de Commissie een uitvoeringshandeling vast waarin wordt besloten om dit bezwaar op grond van onontvankelijkheid af te wijzen. Die uitvoeringshandeling wordt vastgesteld zonder toepassing van de in artikel 229, lid 2 of lid 3, bedoelde procedure.



Afdeling 3

Etikettering en presentatie in de wijnsector

Artikel 117

Definitie

Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder:

a)

"etikettering" : de vermeldingen, aanwijzingen, fabrieksmerken, handelsmerken, afbeeldingen of tekens die voorkomen op verpakkingsmiddelen, documenten, schriftstukken, etiketten, banden of labels die bij een product zijn gevoegd of daarop betrekking hebben;

b)

"presentatie" : informatie die de consument kan afleiden uit de verpakking van het product, waaronder de vorm en het type van de fles.

Artikel 118

Toepasbaarheid van horizontale voorschriften

Tenzij in deze verordening anders is bepaald, zijn Richtlijn 89/396/EEG van de Raad ( 19 ), Richtlijn 2000/13/EG en Richtlijn 2007/45/EG van het Europees Parlement en de Raad ( 20 ), Richtlijn 2008/95/EG en Verordening (EU) nr. 1169/2011 van toepassing op de etikettering en presentatie.

Bij de etikettering van de producten bedoeld in bijlage VII, deel II, punten 1 tot en met 11, 13, 15 en 16, mogen geen andere aanduidingen worden gebruikt dan die welke in deze verordening zijn bedoeld, tenzij die aanduidingen voldoen aan de vereisten van Richtlijn 2000/13/EG of Verordening (EU) nr. 1169/2011.

Artikel 119

Verplichte aanduidingen

1.  Bij de etikettering en presentatie van de in bijlage VII, deel II, punten 1 tot en met 11, 13, 15 en 16, vermelde producten die in de Unie in de handel worden gebracht of bestemd zijn voor uitvoer, worden de volgende aanduidingen vermeld:

a) één van de in bijlage VII, deel II, opgenomen categorieën van wijnbouwproducten;

b) voor wijn met een beschermde oorsprongsbenaming of een beschermde geografische aanduiding:

i) de vermelding "beschermde oorsprongsbenaming" of "beschermde geografische aanduiding"; en

ii) de naam van de beschermde oorsprongsbenaming of de beschermde geografische aanduiding;

c) het effectieve alcoholvolumegehalte;

d) de herkomst;

e) de bottelaar of, indien het mousserende wijn, mousserende wijn waaraan koolzuurgas is toegevoegd, mousserende kwaliteitswijn of aromatische mousserende kwaliteitswijn betreft, de naam van de producent of de verkoper;

f) de importeur, indien het ingevoerde wijn betreft; en

g) indien het mousserende wijn, mousserende wijn waaraan koolzuurgas is toegevoegd, mousserende kwaliteitswijn of aromatische mousserende kwaliteitswijn betreft, het suikergehalte.

2.  In afwijking van het bepaalde in lid 1, onder a), mag de vermelding van de categorie van het wijnbouwproduct worden weggelaten indien op het etiket de beschermde oorsprongsbenaming of de beschermde geografische aanduiding wordt vermeld.

3.  In afwijking van het bepaalde in lid 1, onder b), mag de vermelding "beschermde oorsprongsbenaming" of "beschermde geografische aanduiding" in de volgende gevallen worden weggelaten:

a) indien op het etiket een traditionele aanduiding overeenkomstig artikel 112, onder a), wordt vermeld conform het in artikel 94, lid 2, bedoelde productdossier;

b) in uitzonderlijke en naar behoren gemotiveerde omstandigheden die de Commissie door middel van overeenkomstig artikel 227 vastgestelde gedelegeerde handelingen bepaalt teneinde te waarborgen dat de bestaande etiketteringspraktijken worden nageleefd.

Artikel 120

Facultatieve aanduidingen

1.  Bij de etikettering en presentatie van de in bijlage VII, deel II, punten 1 tot en met 11 en punten 13, 15 en 16, vermelde producten mogen, met name, de volgende facultatieve aanduidingen worden vermeld:

a) het wijnoogstjaar;

b) de naam van één of meer wijndruivenrassen;

c) voor andere dan de in artikel 119, lid 1, onder g), bedoelde wijnen, het suikergehalte;

d) indien het wijn met een beschermde oorsprongsbenaming of een beschermde geografische aanduiding betreft, traditionele aanduidingen overeenkomstig artikel 112, onder b);

e) het Uniesymbool voor beschermde oorsprongsbenamingen of beschermde geografische aanduidingen;

f) aanduidingen die verwijzen naar bepaalde productiemethoden;

g) voor wijnen met een beschermde oorsprongsbenaming of een beschermde geografische aanduiding, de naam van een andere geografische eenheid die kleiner of groter is dan het gebied dat aan de oorsprongsbenaming of de geografische aanduiding ten grondslag ligt.

2.  Onverminderd artikel 100, lid 3, en met betrekking tot het gebruik van in lid 1, onder a) en b), van het onderhavige artikel bedoelde aanduidingen voor wijnen zonder beschermde oorsprongsbenaming of beschermde geografische aanduiding:

a) voeren de lidstaten wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen in om te zorgen voor certificerings-, goedkeurings- en verificatieprocedures die moeten waarborgen dat de betrokken informatie waarheidsgetrouw is;

b) kunnen de lidstaten, op basis van niet-discriminerende en objectieve criteria en met inachtneming van de eerlijke concurrentie, voor wijnen die worden bereid uit op hun grondgebied voorkomende druivenrassen, lijsten opstellen van wijndruivenrassen die worden uitgesloten, in het bijzonder:

i) wanneer het gevaar bestaat dat bij de consument verwarring ontstaat omtrent de werkelijke oorsprong van de wijn, omdat het betrokken wijndruivenras een wezenlijk deel uitmaakt van een bestaande beschermde oorsprongsbenaming of een beschermde geografische aanduiding;

ii) wanneer de betrokken controles niet kosteneffectief zouden zijn omdat het betrokken wijndruivenras slechts een zeer klein gedeelte van het wijnbouwareaal van de lidstaat vertegenwoordigt;

c) worden voor mengsels van wijnen uit verschillende lidstaten geen wijndruivenrassen op het etiket vermeld, tenzij de betrokken lidstaten anders beslissen en voor uitvoerbare certificerings-, goedkeurings- en verificatieprocedures zorgen.

Artikel 121

Talen

1.  De in de artikelen 119 en 120 bedoelde verplichte en facultatieve aanduidingen worden, wanneer deze in woorden worden weergegeven, in één of meer officiële talen van de Unie op het etiket vermeld.

2.  Onverminderd lid 1 worden beschermde oorsprongsbenamingen, beschermde geografische aanduidingen of traditionele aanduidingen als bedoeld in artikel 112, onder b), op het etiket vermeld in de taal of talen waarvoor de bescherming geldt. Indien het beschermde oorsprongsbenamingen, beschermde geografische aanduidingen of specifieke nationale aanduidingen in een niet-Latijns alfabet betreft, kan de naam tevens in één of meer officiële talen van de Unie worden vermeld.

Artikel 122

Gedelegeerde bevoegdheden

1.  Teneinde rekening te houden met de specifieke kenmerken van de wijnsector is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 227 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot voorschriften en beperkingen inzake:

a) de presentatie en het gebruik van andere etiketteringsaanduidingen dan die waarin bij deze afdeling wordt voorzien;

b) verplichte aanduidingen betreffende:

i) de formulering van de verplichte aanduidingen en de voorwaarden voor het gebruik daarvan;

ii) de aanduidingen die naar een bedrijf verwijzen en de voorwaarden voor het gebruik daarvan;

iii) bepalingen waarbij de producerende lidstaten toestemming wordt verleend aanvullende voorschriften inzake verplichte aanduidingen vast te stellen;

iv) bepalingen waarbij extra afwijkingen worden toegestaan naast de in artikel 119, lid 2, bedoelde afwijkingen betreffende het weglaten van de vermelding van de categorie van het wijnproduct; en

v) bepalingen inzake het gebruik van talen;

c) facultatieve aanduidingen, met name met betrekking tot:

i) de formulering van de facultatieve aanduidingen en de voorwaarden voor het gebruik daarvan;

ii) bepalingen waarbij de producerende lidstaten toestemming wordt verleend aanvullende voorschriften inzake facultatieve aanduidingen vast te stellen;

d) de presentatie, met name met betrekking tot:

i) de voorwaarden voor het gebruik van bepaalde flesvormen, en een lijst van bepaalde specifieke flesvormen;

ii) de voorwaarden voor het gebruik van flessen en sluitingen van het type dat wordt gebruikt voor "mousserende wijnen";

iii) bepalingen waarbij de producerende lidstaten toestemming wordt verleend aanvullende voorschriften inzake de presentatie vast te stellen;

iv) bepalingen inzake het gebruik van talen.

2.  Teneinde de bescherming van de rechtmatige belangen van de marktdeelnemers te waarborgen, is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 227 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot voorschriften inzake de tijdelijke etikettering en presentatie van wijnen met een oorsprongsbenaming of een geografische aanduiding, mits die oorsprongsbenaming of geografische aanduiding voldoet aan de nodige eisen.

3.  Teneinde ervoor te zorgen dat marktdeelnemers niet worden benadeeld, is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 227 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot overgangsbepalingen voor wijn die overeenkomstig de vóór 1 augustus 2009 geldende toepasselijke voorschriften in de handel is gebracht en geëtiketteerd.

4.  Teneinde rekening te houden met de specifieke kenmerken van de handel tussen de Unie en bepaalde derde landen, is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 227 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot afwijkingen van het bepaalde in deze afdeling ten aanzien van de uit te voeren producten, indien die op grond van het recht van het betrokken derde land zijn vereist.

Artikel 123

Uitvoeringsbevoegdheden overeenkomstig de onderzoeksprocedure

De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen waarin de nodige maatregelen worden vastgelegd met betrekking tot de procedures en de technische criteria die op deze afdeling van toepassing zijn, met inbegrip van de maatregelen welke nodig zijn voor de certificerings-, goedkeuring- en verificatieprocedures die gelden voor wijnen zonder beschermde oorsprongsbenaming of beschermde geografische aanduiding. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 229, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.



HOOFDSTUK II

Specifieke bepalingen voor individuele sectoren



Afdeling 1

Suiker

Artikel 124

Duur

Met uitzondering van de artikelen 125 en 126 is de deze afdeling van toepassing tot het einde van het verkoopseizoen 2016/2017.



Onderafdeling 1

Specifieke maatregelen

Artikel 125

Overeenkomsten in de suikersector

1.  De voorwaarden voor de aankoop van suikerbieten en suikerriet, inclusief vóór de inzaai gesloten leveringscontracten, worden geregeld in schriftelijke sectorale overeenkomsten die worden gesloten tussen enerzijds telers in de Unie van suikerbieten en suikerriet of, namens hen, de organisaties waarvan zij lid zijn, en anderzijds suikerproducerende ondernemingen van de Unie of, namens hen, de organisaties waarvan zij lid zijn.

2.  Sectorale overeenkomsten als beschreven in bijlage II, deel II, afdeling A, punt 6, worden door de suikerproducerende ondernemingen gemeld aan de bevoegde instanties van de lidstaat waar zij suiker produceren

3.  Sectorale overeenkomsten dienen met ingang van 1 oktober 2017 te voldoen aan de aankoopvoorwaarden van bijlage X.

4.  Teneinde rekening te houden met de specifieke kenmerken van de suikersector en de ontwikkeling van de sector in de periode na beëindiging van de productiequota is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 227 gedelegeerde handelingen vast te stellen teneinde:

a) de voorwaarden bedoeld in bijlage II, deel II, afdeling A, te actualiseren;

b) de aankoopvoorwaarden voor biet bedoeld in bijlage X te actualiseren;

c) nadere voorschriften vast te stellen ter bepaling van het brutogewicht, de tarra en het suikergehalte van aan een bedrijf geleverde suikerbieten, alsook voorschriften betreffende suikerbietenpulp vast te stellen.

5.  De Commissie kan voor de uitvoering van dit artikel nodige uitvoeringshandelingen vaststellen, waaronder met betrekking tot de procedures, de kennisgevingen en de administratieve bijstand in het geval van sectorale overeenkomsten die meer dan één lidstaat betreffen. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 229, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

Artikel 126

Mededeling van de prijzen in de suikermarkt

De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen om een informatiesysteem inzake prijzen op de suikermarkt op te zetten, met inbegrip van een systeem voor de bekendmaking van de prijsniveaus voor deze markt. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 229, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Het in de eerste alinea bedoelde systeem is gebaseerd op informatie die wordt verstrekt door ondernemingen die witte suiker produceren, of door andere bij de handel in suiker betrokken marktdeelnemers. Deze informatie wordt vertrouwelijk behandeld.

De Commissie zorgt ervoor dat de specifieke prijzen of de namen van de individuele bedrijven niet worden bekendgemaakt.



Onderafdeling 2

Op de suikersector toepasselijke eisen in de in artikel 124 bedoelde periode

Artikel 127

Leveringscontracten

1.  Naast het naleven van de in artikel 125, lid 1, vermelde eisen, moeten sectorale overeenkomsten ook voldoen aan de aankoopvoorwaarden van bijlage XI.

2.  In de leveringscontracten wordt onderscheid gemaakt naargelang van de uit de suikerbieten te verkrijgen hoeveelheden suiker:

a) quotumsuiker zijn; of

b) buiten het quotum geproduceerde suiker zijn.

3.  Elke suikerproducerende onderneming verstrekt de lidstaat waar zij suiker produceert de volgende gegevens:

a) de hoeveelheden bieten als bedoeld in lid 2, onder a), waarvoor zij vóór de inzaai leveringscontracten heeft gesloten, en het suikergehalte waarop die contracten zijn gebaseerd;

b) het daarmee overeenstemmende geschatte rendement.

De lidstaten kunnen om aanvullende gegevens verzoeken.

4.  Suikerproducerende ondernemingen die vóór de inzaai geen leveringscontracten op basis van de minimumprijs voor quotumbieten, zoals bedoeld in artikel 135, hebben gesloten voor een met hun quotumsuiker overeenkomende hoeveelheid bieten, in voorkomend geval aangepast door middel van de overeenkomstig artikel 130, lid 2, eerste alinea, vastgestelde coëfficiënt voor preventieve onttrekking aan de markt, moeten ten minste de minimumprijs voor quotumbieten betalen voor alle suikerbieten die zij tot suiker verwerken.

5.  Met instemming van de betrokken lidstaat mag in sectorale overeenkomsten van het bepaalde in de leden 2, 3 en 4 worden afgeweken.

6.  Bij ontstentenis van sectorale overeenkomsten neemt de betrokken lidstaat de nodige, met deze verordening verenigbare maatregelen om de belangen van de betrokken partijen te beschermen.

Artikel 128

Productieheffing

1.  Er wordt een productieheffing gelegd op het suikerquotum, het isoglucosequotum en het inulinestroopquotum die in het bezit zijn van ondernemingen die suiker, isoglucose of inulinestroop produceren, zoals bedoeld in artikel 136, lid 2.

2.  Maatregelen inzake de vaststelling van de in lid 1 bedoelde productieheffing op het suikerquotum, het isoglucosequotum en het inulinestroopquotum worden door de Raad genomen overeenkomstig artikel 43, lid 3, VWEU.

Artikel 129

Productierestitutie

1.  Voor de in bijlage I, deel III, onder b) tot en met e), genoemde producten van de suikersector kan een productierestitutie worden toegekend indien voor de vervaardiging van producten als bedoeld in artikel 140, lid 2, tweede alinea, onder b) en c), geen overtollige suiker of ingevoerde suiker, overtollige isoglucose of overtollige inulinestroop beschikbaar is tegen een prijs die overeenstemt met de wereldmarktprijs.

2.  Maatregelen inzake de vaststelling van de in lid 1 bedoelde productierestitutie worden door de Raad genomen overeenkomstig artikel 43, lid 3, VWEU.

Artikel 130

Onttrekking van suiker aan de markt

1.  Om te voorkomen dat de prijzen in de interne markt instorten en om het hoofd te bieden aan bepaalde situaties van overproductie op basis van de geraamde voorzieningsbalans, en rekening houdend met de verplichtingen die voor de Unie voortvloeien uit de overeenkomstig artikel 218 VWEU gesloten internationale overeenkomsten, kan de Commissie uitvoeringshandelingen vaststellen om die hoeveelheden in het kader van de quota geproduceerde suiker of isoglucosedie de overeenkomstig lid 2 berekende drempel overschrijden, voor een bepaald verkoopseizoen aan de markt te onttrekken.

2.  Voor elke onderneming die over een quotum beschikt, wordt de in lid 1 bedoelde onttrekkingsdrempel berekend door haar quotum te vermenigvuldigen met een coëfficiënt. De Commissie kan uiterlijk op 28 februari van het voorafgaande verkoopseizoen uitvoeringshandelingen vaststellen waarmee deze coëfficiënt voor een verkoopseizoen wordt vastgesteld op basis van de verwachte markttendensen.

Op basis van geactualiseerde markttendensen kan de Commissie uiterlijk op 31 oktober van het betrokken verkoopseizoen uitvoeringshandelingen vaststellen om de coëfficiënt aan te passen of, indien uit hoofde van de eerste alinea geen coëfficiënt is vastgesteld, alsnog een coëfficiënt vast te stellen.

3.  Elke onderneming die over een quotum beschikt, slaat de suiker die binnen haar quotum boven de overeenkomstig lid 2 berekende drempel wordt geproduceerd, op eigen kosten op tot het begin van het volgende verkoopseizoen. De in een verkoopseizoen aan de markt onttrokken hoeveelheden suiker, isoglucose of inulinestroop worden behandeld als de eerste hoeveelheden die worden geproduceerd binnen het quotum voor het volgende verkoopseizoen.

In afwijking van de eerste alinea en met inachtneming van de verwachte tendensen op de suikermarkt, kan de Commissie evenwel uitvoeringshandelingen vaststellen om alle aan de markt onttrokken suiker, isoglucose of inulinestroop dan wel een deel daarvan voor het lopende of het volgende verkoopseizoen, of beide verkoopseizoenen, te beschouwen als:

a) overtollige suiker, overtollige isoglucose of overtollige inulinestroop die beschikbaar is om industriële suiker, industriële isoglucose of industriële inulinestroop te worden; of

b) tijdelijke quotumproductie waarvan een deel kan worden gereserveerd voor uitvoer met inachtneming van de verbintenissen van de Unie die voortvloeien uit de overeenkomstig het VWEU gesloten internationale overeenkomsten.

4.  Als de suikervoorziening in de Unie ontoereikend is, kan de Commissie uitvoeringshandelingen vaststellen dat een bepaalde hoeveelheid aan de markt onttrokken suiker, isoglucose of inulinestroop vóór het einde van de periode van onttrekking aan de markt op de markt van de Unie mag worden verkocht.

5.  Wanneer aan de markt onttrokken suiker wordt behandeld als de eerste suikerproductie van het volgende verkoopseizoen, wordt aan de bietenproducenten de minimumprijs van dat verkoopseizoen, als bedoeld in artikel 135, betaald.

Wanneer aan de markt onttrokken suiker industriële suiker wordt of wordt uitgevoerd overeenkomstig lid 3, tweede alinea, onder a) of b), zijn de voorschriften van artikel 135 betreffende de minimumprijs niet van toepassing.

Wanneer aan de markt onttrokken suiker vóór het einde van de periode van onttrekking aan de markt op de markt van de Unie wordt verkocht overeenkomstig lid 4, wordt aan de bietenproducenten de minimumprijs van het lopende verkoopseizoen betaald.

6.  De op grond van het onderhavige artikel vastgestelde uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 229, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

Artikel 131

Tijdelijk mechanisme voor marktbeheer

1.  Voor de duur van de in artikel 124 bedoelde periode kan de Commissie uitvoeringshandelingen vaststellen waarin de nodige maatregelen worden genomen om een toereikende suikervoorziening op de markt van de Unie te garanderen. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 229, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Met deze maatregelen kan het invoerrecht op ruwe suiker voor zover en zolang dat nodig is worden aangepast.

Binnen de context van het tijdelijk mechanisme voor marktbeheer, worden door de Raad overeenkomstig artikel 43, lid 3, VWEU maatregelen inzake de vastlegging van een overschotheffing genomen

2.  De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast waarin de passende hoeveelheid buiten het quotum geproduceerde suiker en ingevoerde ruwe suiker die op de markt van de Unie kan worden gebracht, wordt bepaald. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 229, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 132

Gedelegeerde bevoegdheden

Om rekening te houden met de specifieke kenmerken van de sector suiker en om ervoor te zorgen dat de belangen van alle partijen terdege in aanmerking worden genomen, en rekening houdend met het feit dat elke marktverstoring dient te worden voorkomen, is de Commissie de bevoegd om overeenkomstig met artikel 227 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot:

a) de in artikel 127 bedoelde aankoopvoorwaarden en leveringscontracten;

b) de actualisering van de aankoopvoorwaarden voor biet vermeld in bijlage XI;

c) de criteria die de suikerondernemingen moeten toepassen bij de verdeling van de hoeveelheden bieten waarop de vóór de inzaai gesloten leveringscontracten als bedoeld in artikel 127, lid 3, betrekking moeten hebben, over de verkopers van de bieten.

Artikel 133

Uitvoeringsbevoegdheden overeenkomstig de onderzoeksprocedure

De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen waarin de maatregelen worden vastgelegd die nodig zijn met het oog op de toepassing van deze onderafdeling betreffende procedures, inhoud en technische criteria.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 229, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgestekd.



Onderafdeling 3

Systeem voor de regulering van de productie

Artikel 134

Quota in de suikersector

1.  Voor suiker, isoglucose en inulinestroop wordt een quotaregeling toegepast.

2.  Als een producent met betrekking tot de in lid 1 van dit artikel bedoelde quotaregeling de desbetreffende quota overschrijdt en geen gebruik maakt van de in artikel 139 bedoelde overtollige hoeveelheden, wordt op die hoeveelheden een overschotheffing opgelegd met inachtneming van de in de artikelen 139 tot en met 142 vastgestelde voorwaarden.

Artikel 135

Minimumprijs voor bieten

De minimumprijs voor quotumbieten wordt door de Raad vastgesteld overeenkomstig artikel 43, lid, 3, VWEU.

Artikel 136

Toewijzing van quota

1.  De quota voor de productie van suiker, isoglucose en inulinestroop op nationaal of regionaal niveau worden vastgesteld in bijlage XII.

2.  De lidstaten kennen een quotum toe aan elke suiker-, isoglucose- of inulinestroopproducerende onderneming die op hun grondgebied is gevestigd en overeenkomstig artikel 137 is erkend.

Voor elke onderneming is het toe te kennen quotum gelijk aan het quotum dat voor het verkoopseizoen 2010/2011 op grond van Verordening (EG) nr. 1234/2007 aan de onderneming was toegekend.

3.  Bij de toewijzing van een quotum aan een suikerproducerende onderneming die meer dan één productie-eenheid heeft, nemen de lidstaten de maatregelen die zij noodzakelijk achten om terdege rekening te houden met de belangen van de suikerbieten- en de suikerriettelers.

Artikel 137

Erkende ondernemingen

1.  Op verzoek verlenen de lidstaten een erkenning aan een onderneming die suiker, isoglucose of inulinestroop produceert, of aan een onderneming die deze producten verwerkt bij de vervaardiging van een product dat voorkomt op de in artikel 140, lid 2, bedoelde lijst, op voorwaarde dat de onderneming:

a) het bewijs levert van haar professionele productiecapaciteit;

b) ermee instemt alle informatie te verstrekken en controles te ondergaan die verband houden met deze verordening;

c) niet het voorwerp is van een schorsing of intrekking van de erkenning.

2.  De erkende ondernemingen verstrekken de lidstaat op het grondgebied waarvan de oogst van de suikerbieten of van het suikerriet of de raffinage plaatsvindt, de volgende gegevens:

a) de hoeveelheden suikerbieten of suikerriet waarvoor een leveringscontract is gesloten, en de desbetreffende schattingen van de opbrengsten aan suikerbieten of suikerriet en aan suiker per hectare;

b) de gegevens over de verwachte en werkelijke leveringen van suikerbieten, suikerriet en ruwe suiker en over de suikerproductie, alsmede opgaven van de suikervoorraden;

c) de verkochte hoeveelheden witte suiker en de desbetreffende prijzen en voorwaarden.

Artikel 138

Herverdeling van het nationale quotum en verlaging van quota

1.  Een lidstaat kan de suiker- of isoglucosequota die aan een op zijn grondgebied gevestigde onderneming zijn toegekend, verlagen met ten hoogste 10 %. De lidstaten passen daarbij objectieve en niet-discriminerende criteria toe.

2.  De lidstaten kunnen quota tussen ondernemingen overdragen overeenkomstig de in bijlage XIII vastgestelde voorwaarden en met inachtneming van de belangen van elk van de betrokken partijen, in het bijzonder de suikerbieten- en de suikerriettelers.

3.  De overeenkomstig de leden 1 en 2 verlaagde hoeveelheden worden door de betrokken lidstaat toegewezen aan één of meer ondernemingen op zijn grondgebied die al dan niet over een quotum beschikken.

Artikel 139

Quotumoverschrijding

1.  De suiker, isoglucose of inulinestroop die in een verkoopseizoen boven het in artikel 136 bedoelde quotum worden geproduceerd, mag:

a) worden gebruikt voor de vervaardiging van bepaalde producten als bedoeld in artikel 140;

b) overeenkomstig artikel 141 worden overgeboekt naar de quotumproductie van het volgende verkoopseizoen;

c) worden gebruikt voor de specifieke voorzieningsregeling ten behoeve van de ultraperifere gebieden, overeenkomstig hoofdstuk III van Verordening (EU) nr. 228/2013 van het Europees Parlement en de Raad ( 21 );

d) worden uitgevoerd binnen een kwantitatieve grens door de Commissie, middels uitvoeringshandelingen, vast te stellen met inachtneming van de verbintenissen die voortvloeien uit op grond van het Verdrag gesloten internationale overeenkomsten; of

e) worden vrijgegeven op de interne markt, in overeenstemming met het in artikel 131 beschreven mechanisme, met het oog op het afstemmen van het aanbod op de vraag op basis van de geraamde voorzieningsbalans.

De in het eerste lid, onder e) van dit artikel genoemde maatregelen dienen te worden uitgevoerd voordat er enige maatregelen ter voorkoming van marktverstoringen als bedoeld in artikel 219, lid 1, kunnen worden geactiveerd.

De overige hoeveelheden worden onderworpen aan de in artikel 142 bedoelde overschotheffing.

2.  De op grond van dit artikel vastgestelde uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 229, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 140

Industriële suiker

1.  Industriële suiker, industriële isoglucose of industriële inulinestroop wordt gereserveerd voor de vervaardiging van een van de in lid 2 bedoelde producten indien:

a) daarvoor vóór het einde van het verkoopseizoen een leveringscontract is gesloten tussen de producent en een gebruiker, welke beiden overeenkomstig artikel 137 zijn erkend; en

b) deze suiker, isoglucose of inulinestroop uiterlijk op 30 november van het volgende verkoopseizoen aan de gebruiker is geleverd.

2.  Om rekening te houden met de technische evolutie, is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 227 gedelegeerde handelingen vast te stellen waarmee een lijst wordt opgesteld van producten die met industriële suiker, industriële isoglucose of industriële inulinestroop mogen worden vervaardigd.

Deze lijst behelst met name:

a) bioethanol, alcohol, rum, levende gisten, hoeveelheden smeerstroop en hoeveelheden stroop voor de vervaardiging van "Rinse appelstroop";

b) bepaalde industriële producten die geen suiker bevatten maar bij de vervaardiging waarvan suiker, isoglucose of inulinestroop wordt gebruikt;

c) bepaalde producten van de chemische of farmaceutische industrie die suiker, isoglucose of inulinestroop bevatten.

Artikel 141

Overboeking van overtollige suiker

1.  Elke onderneming kan besluiten de hoeveelheden die zij boven haar suikerquotum, haar isoglucosequotum of haar inulinestroopquotum produceert, geheel of gedeeltelijk over te dragen voor behandeling als een deel van de productie van het volgende verkoopseizoen. Onverminderd lid 3 is een dergelijk besluit onherroepelijk.

2.  Ondernemingen die het in lid 1 bedoelde besluit nemen:

a) stellen de betrokken lidstaat vóór een door deze lidstaat te bepalen datum:

i) tussen 1 februari en 31 augustus van het lopende verkoopseizoen in kennis van de hoeveelheden rietsuiker die worden overgeboekt,

▼C1

ii) tussen 1 februari en 31 augustus van het lopende verkoopseizoen in kennis van de hoeveelheden bietsuiker of inulinestroop die worden overgeboekt;

▼B

b) verbinden zich ertoe die hoeveelheden op eigen kosten tot het einde van het lopende verkoopseizoen op te slaan.

3.  Indien de definitieve productie van de onderneming in het betrokken verkoopseizoen kleiner was dan de schatting die is gemaakt toen het in lid 1 bedoelde besluit werd genomen, mag de overgeboekte hoeveelheid uiterlijk op 31 oktober van het volgende verkoopseizoen met terugwerkende kracht worden aangepast.

4.  De overgeboekte hoeveelheden worden beschouwd als de eerste hoeveelheden die binnen het quotum van het volgende verkoopseizoen worden geproduceerd.

▼C1

5.  Voor suiker die overeenkomstig het onderhavige artikel tijdens een verkoopseizoen is opgeslagen, mogen geen andere opslagmaatregelen op grond van artikel 17 of artikel 130 worden toegepast.

▼B

Artikel 142

Overschotheffing

1.  Er wordt een overschotheffing geheven op:

a) de in een verkoopseizoen geproduceerde hoeveelheden overtollige suiker, isoglucose en inulinestroop, met uitzondering van de overeenkomstig artikel 141 naar de quotumproductie van het volgende verkoopseizoen overgeboekte en opgeslagen hoeveelheden of de in artikel 139, lid 1, eerste alinea, onder c), d) en e), bedoelde hoeveelheden;

b) de hoeveelheden industriële suiker, industriële isoglucose en industriële inulinestroop waarvoor uiterlijk op een door de Commissie, middels uitvoeringshandelingen, te bepalen datum nog geen bewijs is geleverd dat die hoeveelheden zijn verwerkt bij de vervaardiging van een van de in artikel 140, lid 2, bedoelde producten;

c) de overeenkomstig artikel 130 aan de markt onttrokken hoeveelheden suiker, isoglucose en isoglucose waarvoor niet is voldaan aan de in artikel 130, lid 3, bedoelde verplichtingen.

De uitvoeringshandelingen krachtens de eerste alinea, onder b), worden volgens de in artikel 229, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

2.  Maatregelen inzake de vaststelling van de in lid 1 bedoelde overschotheffing worden door de Raad genomen overeenkomstig artikel 43, lid 3, VWEU.

Artikel 143

Gedelegeerde bevoegdheden

1.  Om ervoor te zorgen dat de in artikel 137 bedoelde ondernemingen hun verplichtingen nakomen, is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 227 gedelegeerde handelingen vast te stellen waarmee voorschriften betreffende de verlening en de intrekking van de erkenning van deze ondernemingen worden vastgesteld, alsmede de criteria inzake administratieve sancties.

2.  Om rekening te houden met de specifieke kenmerken van de suikersector en om ervoor te zorgen dat de belangen van alle partijen terdege in aanmerking worden genomen, is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 227 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de betekenis van bepaalde termen voor de toepassing van de quotaregeling, alsook met betrekking tot de voorwaarden voor de verkoop aan ultraperifere gebieden.

3.  Om ervoor te zorgen dat de telers nauw worden betrokken bij een besluit om een bepaalde hoeveelheid van de productie over te boeken, is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 227 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot bepaling van voorschriften inzake de overboeking van suiker.

Artikel 144

Uitvoeringsbevoegdheden overeenkomstig de onderzoeksprocedure

Met betrekking tot de in artikel 137 bedoelde ondernemingen kan de Commissie uitvoeringshandelingen vaststellen waarmee voorschriften worden vastgesteld met betrekking tot:

a) door de ondernemingen ingediende aanvragen voor erkenning, door erkende ondernemingen bij te houden documentatie en door erkende ondernemingen in te dienen gegevens;

b) het systeem van door de lidstaten te verrichten controles van de erkende ondernemingen;

c) de mededelingen van de lidstaten aan de Commissie en aan de erkende ondernemingen;

d) de levering van grondstoffen aan de ondernemingen, met inbegrip van de leveringscontracten en de leveringsbonnen;

e) de equivalentie met suiker als bedoeld in artikel 139, lid 1, eerste alinea, ondera);

f) de specifieke bevoorradingsregeling voor de ultraperifere gebieden;

g) de uitvoer als bedoeld in artikel 139, lid 1, eerste alinea, onder d);

h) de samenwerking tussen de lidstaten met het oog op doeltreffende controles;

i) de wijziging van de in artikel 141 vastgestelde data voor specifieke verkoopseizoenen;

j) de vaststelling van de overtollige hoeveelheid, de mededelingen en de betaling van de overschotheffing op de in artikel 142 bedoelde overschotten;

k) de vaststelling van een lijst van voltijdraffinaderijen in de zin van bijlage II, deel II, afdeling B, punt 6.

Die uitvoeringshandelingen wordenvolgens de in artikel 229, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.



Afdeling 2

Wijn

Artikel 145

Wijnbouwkadaster en inventaris van het productiepotentieel

1.  De lidstaten houden een wijnbouwkadaster bij met bijgewerkte gegevens over het productiepotentieel. Met ingang van 1 januari 2016 geldt deze verplichting alleen indien de lidstaten het vergunningenstelsel voor het aanplanten van wijnstokken of een nationaal steunprogramma toepassen.

2.  Tot 31 december 2015 geldt de in lid 1 van het onderhavige artikel vastgestelde verplichting niet voor lidstaten waarin de totale oppervlakte die is beplant met wijnstokken van overeenkomstig artikel 81, lid 2, in een indeling opgenomen druivenrassen, minder dan 500 ha bedraagt.

3.  De lidstaten die in hun steunprogramma’s overeenkomstig artikel 46 voorzien in de herstructurering en omschakeling van wijngaarden, dienen uiterlijk op 1 maart van elk jaar een op het wijnbouwkadaster gebaseerde, bijgewerkte inventaris van hun productiepotentieel in bij de Commissie. Met ingang van 1 januari 2016 worden de bijzonderheden van de kennisgevingen aan de Commissie betreffende het wijnbouwareaal vastgelegd door de Commissie middels uitvoeringshandelingen. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 229, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

4.  Teneinde de monitoring en de verificatie van het productiepotentieel door de lidstaten te vergemakkelijken, is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 227 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot voorschriften betreffende de inhoud van het wijnbouwkadaster en vrijstellingen daarvan.

Artikel 146

Bevoegde nationale autoriteiten bevoegd voor de wijnsector

1.  Onverminderd andere bepalingen in deze verordening betreffende de aanwijzing van bevoegde nationale autoriteiten wijzen de lidstaten één of meer autoriteiten aan die bevoegd zijn voor de handhaving van de EU-bepalingen in de wijnsector. Met name wijzen de lidstaten de laboratoria aan die officiële analysen in de wijnsector mogen uitvoeren. De aangewezen laboratoria moeten voldoen aan de in norm ISO/IEC 17025 vastgestelde algemene criteria voor de werking van testlaboratoria.

2.  De lidstaten delen de Commissie de naam en het adres van de in lid 1 bedoelde autoriteiten en laboratoria mee. De Commissie maakt deze inlichtingen openbaar en actualiseert deze regelmatig.

Artikel 147

Begeleidende documenten en register

1.  De wijnbouwproducten mogen binnen de Unie slechts met een officieel goedgekeurd begeleidend document in het verkeer worden gebracht.

2.  De natuurlijke of rechtspersonen of groepen van personen die voor de uitoefening van hun beroep houder van wijnbouwproducten zijn, met name producenten, bottelaars, verwerkers en handelaren, zijn verplicht registers van de in- en uitslag van de betrokken producten bij te houden.

3.  Teneinde het vervoer van wijnbouwproducten en de verificatie daarvan door de lidstaten te vergemakkelijken, is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 227 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot:

a) de voorschriften betreffende het begeleidende document en het gebruik ervan;

b) de voorwaarden onder welke een begeleidend document moet worden beschouwd als een document dat een beschermde oorsprongsbenaming of een beschermde geografische aanduiding certificeert;

c) de verplichting tot het bijhouden van een register en het gebruik ervan;

d) het specificeren van de personen die verplicht zijn een register bij te houden en van de gevallen waarin van die verplichting kan worden afgeweken;

e) de transacties die in het register moeten worden opgenomen.

4.  De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen waarin het volgende wordt vastgelegd:

a) voorschriften betreffende de samenstelling van de registers, de daarin op te nemen producten, de termijnen voor het opnemen van vermeldingen in de registers en het afsluiten van de registers;

b) maatregelen op grond waarvan de lidstaten het maximaal aanvaardbare percentage voor verliezen moeten bepalen;

c) algemene en overgangsbepalingen voor het bijhouden van de registers;

d) voorschriften betreffende de bewaringstermijn voor de begeleidende documenten en de registers.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 229, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.



Afdeling III

Melk en zuivelproducten

Artikel 148

Contractuele betrekkingen in de sector melk en zuivelproducten

1.  Indien een lidstaat besluit dat voor elke levering van rauwe melk op zijn grondgebied door een landbouwer aan een verwerker van rauwe melk, een schriftelijk contract tussen de partijen moet worden gesloten en/of besluit dat een eerste koper een landbouwer voor een contract betreffende de levering van rauwe melk een schriftelijk voorstel moet doen, dienen dat contract en/of dat voorstel voor een contract te voldoen aan de in lid 2 vastgestelde voorwaarden.

Een lidstaat die besluit dat voor leveringen van rauwe melk van een landbouwer aan een verwerker van rauwe melk een schriftelijk contract tussen de partijen moet worden gesloten, bepaalt tevens, indien de rauwe melk door één of meer inzamelaars wordt geleverd, welk leveringsstadium of welke leveringsstadia onder dit contract vallen.

Voor de toepassing van dit artikel wordt onder "inzamelaar" verstaan: een onderneming die rauwe melk vervoert van een landbouwer of een andere inzamelaar naar een verwerker van rauwe melk of een andere inzamelaar, met dien verstande dat de eigendom van de melk telkens wordt overgedragen.

▼M5

1 bis.  Indien de lidstaten geen gebruikmaken van de mogelijkheden die worden geboden in lid 1 van dit artikel, kunnen producenten, een producentenorganisatie of een unie van producentenorganisaties eisen dat voor een levering van rauwe melk aan een verwerker van rauwe melk een schriftelijk contract wordt gesloten tussen de partijen en/of dat een schriftelijk voorstel voor een contract wordt gedaan door de eerste kopers, onder de in lid 4, eerste alinea, van dit artikel vastgestelde voorwaarden.

Indien de eerste koper een kleine, middelgrote of micro-onderneming in de zin van Aanbeveling 2003/361/EG is, is het contract en/of het voorstel voor een contract niet verplicht, onverminderd de mogelijkheid voor de partijen om gebruik te maken van een door een brancheorganisatie opgesteld standaardcontract.

▼M5

2.  Het contract en/of het voorstel voor een contract bedoeld in de leden 1 en 1 bis:

▼B

a) worden vóór de levering gesloten;

b) worden schriftelijk opgesteld; en

c) bevatten in het bijzonder de volgende gegevens:

i) de voor de levering verschuldigde prijs, die:

 statisch moet zijn en in het contract moet zijn vermeld, en/of

 wordt berekend op grond van een combinatie van verschillende in het contract opgenomen factoren, zoals marktindicatoren die de ontwikkeling van de marktsituatie weerspiegelen, de geleverde hoeveelheid en de kwaliteit of de samenstelling van de geleverde rauwe melk;

ii) de hoeveelheid rauwe melk die kan en/of moet worden geleverd en de leveringstermijn daarvan,

iii) de looptijd van het contract, waarbij onder vermelding van verstrijkingsbepalingen, hetzij bepaalde, hetzij een onbepaalde looptijd is toegestaan;

iv) details betreffende betalingstermijnen en -procedures;

v) de modaliteiten voor de inzameling of levering van de rauwe melk, en

vi) de voorschriften bij overmacht.

▼M5

3.  In afwijking van de leden 1 en 1 bis is een contract en/of een voorstel voor een contract niet vereist wanneer rauwe melk door een lid van een coöperatie wordt geleverd aan de coöperatie waarbij dat lid is aangesloten, op voorwaarde dat in de statuten van die coöperatie of in de bij deze statuten vastgestelde of daaruit voortvloeiende voorschriften en besluiten bepalingen zijn opgenomen van dezelfde strekking als het bepaalde in lid 2, onder a), b) en c).

▼B

4.  De partijen onderhandelen in alle vrijheid over alle elementen in door producenten, inzamelaars of verwerkers van rauwe melk gesloten contracten voor de levering van rauwe melk, met inbegrip van de in lid 2, onder c), bedoelde elementen.

▼M5

Niettegenstaande de eerste alinea geldt één of meer van de volgende mogelijkheden:

a) indien een lidstaat besluit dat voor de levering van rauwe melk overeenkomstig lid 1 een schriftelijk contract moet worden gesloten, kan de lidstaat:

i) een verplichting voor de partijen vaststellen om een verhouding overeen te komen tussen een bepaalde geleverde hoeveelheid en de prijs die voor die levering moet worden betaald;

ii) een minimale looptijd vaststellen die echter alleen van toepassing is op schriftelijke contracten tussen een landbouwer en de eerste koper van rauwe melk; de aldus vastgestelde minimale looptijd bedraagt ten minste zes maanden en mag de goede werking van de interne markt niet in het gedrang brengen;

▼B

b) indien een lidstaat besluit dat de eerste koper van rauwe melk de landbouwer voor een contract overeenkomstig lid 1 een schriftelijk voorstel dient te doen, kan de lidstaat bepalen dat het voorstel de ter zake in het nationale recht geldende minimale looptijd voor het contract moet omvatten; de aldus vastgestelde minimale looptijd bedraagt ten minste zes maanden, en mag de goede werking van de interne markt niet in het gedrang brengen.

De tweede alinea laat de rechten onverlet van de landbouwer om een dergelijke minimale looptijd schriftelijk te weigeren. In dat geval onderhandelen de partijen in alle vrijheid over alle elementen van het contract, met inbegrip van de in lid 2, onder c), bedoelde elementen.

5.  De lidstaten die van de bij dit artikel geboden mogelijkheden gebruik maken, stellen de Commissie in kennis van de wijze waarop de mogelijkheden worden toegepast.

6.  De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen met de nodige maatregelen voor de uniforme toepassing van lid 2, onder a) en b), en lid 3, alsook voorschriften met betrekking tot de kennisgevingen die krachtens dit artikel door de lidstaten moeten worden gedaan. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 229, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 149

▼C1

Contractuele onderhandelingen in de sector melk en zuivelproducten

▼M5

1.  Een producentenorganisatie in de sector melk en zuivelproducten die krachtens artikel 161, lid 1, is erkend, kan namens haar leden uit de landbouwsector, met betrekking tot de volledige gezamenlijke productie van die leden of een gedeelte daarvan, onderhandelen over contracten voor de levering van rauwe melk door een landbouwer aan een verwerker van rauwe melk of aan een inzamelaar in de zin van artikel 148, lid 1, derde alinea.

▼B

2.  De producentenorganisatie kan de onderhandelingen voeren:

a) ongeacht of de eigendom van de rauwe melk door de landbouwers wordt overgedragen aan de producentenorganisatie;

b) ongeacht of de via onderhandelingen tot stand gekomen prijs geldt voor de gezamenlijke productie van alle, dan wel een deel van de aangesloten landbouwers;

c) op voorwaarde dat, voor een welbepaalde producentenorganisatie aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

i) het volume rauwe melk waarover onderhandeld wordt niet meer dan 3,5 % van de totale productie van de Unie bedraagt,

ii) het volume rauwe melk waarover onderhandeld wordt en dat in een bepaalde lidstaat wordt geproduceerd niet meer dan 33 % van de totale nationale productie van die lidstaat bedraagt, en

iii) het volume rauwe melk waarover onderhandeld wordt en dat in een bepaalde lidstaat wordt geleverd, niet meer dan 33 % van de totale nationale productie van die lidstaat bedraagt;

d) op voorwaarde dat de betrokken landbouwers niet zijn aangesloten bij een andere producentenorganisatie die eveneens namens hen onderhandelingen over contracten voert; lidstaten kunnen evenwel in naar behoren gemotiveerde gevallen afwijken van deze voorwaarde indien landbouwers twee verschillende productie-eenheden hebben die zich in verschillende geografische gebieden bevinden;

e) op voorwaarde dat het lidmaatschap van de landbouwer van een coöperatie geen verplichting inhoudt dat de rauwe melk dient te worden geleverd overeenkomstig de voorwaarden die in de statuten van de coöperatie of de op grond van deze statuten vastgestelde voorschriften en besluiten zijn neergelegd; en

f) op voorwaarde dat de producentenorganisatie de bevoegde autoriteiten van de lidstaat of lidstaten waar zij actief is, in kennis stelt van het volume rauwe melk waarover onderhandeld wordt.

3.  Niettegenstaande de voorwaarden bepaald in lid 2, onder c), ii) en iii), mogen producentenorganisaties de onderhandelingen krachtens lid 1 voeren op voorwaarde dat per producentenorganisatie het volume rauwe melk waarover onderhandeld wordt en dat in een lidstaat met een totale jaarlijkse rauwe melkproductie van minder dan 500 000 ton wordt geproduceerd of geleverd, niet meer dan 45 % van de totale nationale productie van die lidstaat bedraagt.

4.  Voor de toepassing van dit artikel wordt met "producentenorganisatie" tevens "een unie van producentenorganisaties" bedoeld.

5.  Voor de toepassing van lid 2, onder c), en lid 3, maakt de Commissie aan de hand van de meest recente beschikbare gegevens op de door haar passend geachte wijze de in de Unie en de lidstaten geproduceerde hoeveelheden rauwe melk bekend.

6.  In afwijking van lid 2, onder c), en lid 3 kan de in de tweede alinea van het onderhavige lid bedoelde mededingingsautoriteit, zelfs wanneer de daarin vastgestelde maxima niet worden overschreden, in een individueel geval besluiten dat de onderhandelingen door de producentenorganisatie moeten worden heropend of dat niet door de producentenorganisatie mag worden onderhandeld, indien zij dit noodzakelijk acht om te voorkomen dat de mededinging wordt uitgesloten of dat de kmo's de rauwe melk op haar grondgebied verwerken, ernstig worden benadeeld.

Het in de eerste alinea bedoelde besluit wordt, met betrekking tot onderhandelingen over meer dan één lidstaat, door de Commissie genomen zonder toepassing van de in artikel 229, lid 2 of lid 3, bedoelde procedure. In andere gevallen wordt dit besluit genomen door de nationale mededingingsautoriteit van de lidstaat waarop de onderhandelingen betrekking hebben.

De in dit lid bedoelde besluiten worden pas van toepassing op de datum van kennisgeving van het besluit aan de betrokken ondernemingen.

7.  Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:

a) "nationale mededingingsautoriteit": de autoriteit als bedoeld in artikel 5 van Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad ( 22 );

b) "KMO": een kleine, middelgrote of micro-onderneming in de zin van Aanbeveling 2003/361/EG.

8.  De lidstaten waar de in dit artikel bedoelde onderhandelingen plaatsvinden, stellen de Commissie in kennis van de toepassing van lid 2, onder f), en van lid 6.

Artikel 150

Regulering van het aanbod van kaas met een beschermde oorsprongsbenaming of beschermde geografische aanduiding

1.  Op verzoek van een krachtens artikel 152, lid 3, erkende producentenorganisatie, een krachtens artikel 157, lid 3, erkende brancheorganisatie of een groepering van marktdeelnemers als bedoeld in artikel 3, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1151/2012, kunnen lidstaten voor een beperkte periode bindende voorschriften vaststellen tot regulering van het aanbod van kaas met een beschermde oorsprongsbenaming of beschermde geografische aanduiding overeenkomstig artikel 5, lid 1 en 2 van Verordening (EU) nr. 1151/2012.

2.  De in lid 1 van dit artikel bedoelde voorschriften worden vooraf goedgekeurd door de partijen in het in artikel 7, lid 1, onder c), van Richtlijn (EU) nr. 1151/2012 bedoelde geografische gebied. Een desbetreffende overeenkomst wordt gesloten tussen ten minste twee derde van de melkproducenten of hun vertegenwoordigers met een aandeel van ten minste twee derde in de totale rauwemelkproductie die wordt gebruikt voor het vervaardigen van de in lid 1 bedoelde kaas en, in voorkomend geval, ten minste twee derde van de producenten van deze kaas met een aandeel van ten minste twee derde in de productie van de kaas in het in artikel 7, lid 1, onder c), van Verordening (EU) nr. 1151/2012 bedoelde geografische gebied.

3.  Voor de toepassing van lid 1 met betrekking tot kaas met een beschermde geografische aanduiding is het in het productdossier van de kaas vastgestelde geografische gebied van oorsprong van de rauwe melk hetzelfde als het in artikel 7, lid 1, onder c), van Verordening (EU) nr. 1151/2012 bedoelde geografische gebied voor deze kaas.

4.  De in lid 1 bedoelde voorschriften:

a) hebben uitsluitend betrekking op de regulering van het aanbod van het betrokken product, met het doel het aanbod van de kaas af te stemmen op de vraag;

b) hebben uitsluitend betrekking op het betrokken product;

c) mogen niet voor langer dan drie jaar verplicht worden gesteld en mogen na deze periode worden verlengd door middel van een nieuw verzoek als bedoeld in lid 1;

d) brengen geen schade toe aan de handel in andere producten dan die waarop die voorschriften betrekking hebben;

e) hebben geen betrekking op transacties nadat de kaas in kwestie voor de eerste keer op de markt is gebracht;

f) leiden niet tot de afkondiging van vaste prijzen, zelfs niet van richt- of adviesprijzen;

g) leiden niet tot het onverkrijgbaar zijn van grote hoeveelheden van het betrokken product die anders wel verkrijgbaar waren geweest;

h) leiden niet tot discriminatie, vormen geen obstakel voor nieuwe toetreders tot de markt, of hebben geen negatieve gevolgen voor kleine producenten;

i) dragen bij tot de kwaliteitshandhaving of ontwikkeling van het betrokken product.

j) laten het bepaalde in artikel 149 onverlet.

5.  De in lid 1 bedoelde voorschriften worden bekendgemaakt in een officiële publicatie van de betrokken lidstaat.

6.  De lidstaten verrichten controles om zich ervan te verzekeren dat de in lid 4 vastgestelde voorwaarden zijn vervuld en indien de bevoegde nationale instanties oordelen dat de voorwaarden niet zijn vervuld, trekken de lidstaten de in lid 1 bedoelde voorschriften in.

7.  De lidstaten stellen de Commissie onverwijld in kennis van de in lid 1 bedoelde voorschriften die zij hebben vastgesteld. De Commissie stelt de overige lidstaten op de hoogte van deze kennisgevingen.

8.  De Commissie kan te allen tijde uitvoeringshandelingen vaststellen waarbij wordt bepaald dat een lidstaat de door hem overeenkomstig lid 1 vastgestelde voorschriften intrekt, indien de Commissie van oordeel is dat deze voorschriften niet voldoen aan de in lid 4 vastgestelde voorwaarden, de mededinging in een wezenlijk deel van de interne markt voorkomen of verstoren, de vrije handel belemmeren of het bereiken van de doelstellingen van artikel 39 VWEU in het gedrang brengen. Die uitvoeringshandelingen worden zonder toepassing van de in artikel 229, lid 2 of lid 3, van deze verordening bedoelde procedure vastgesteld.

Artikel 151

Verplichte aangiften in de sector melk en zuivelproducten

Met ingang van 1 april 2015 geven eerste kopers van rauwe melk bij de bevoegde nationale autoriteit aan hoeveel rauwe melk maandelijks aan hen is geleverd.

Voor de toepassing van dit artikel en artikel 148 wordt onder "eerste koper" verstaan een onderneming of groepering die van een producent melk koopt:

a) om deze, ook in het kader van een contract, in te zamelen, te verpakken, op te slaan, te koelen of te verwerken;

b) om deze door te verkopen aan een of meer ondernemingen die melk of andere zuivelproducten behandelen of verwerken.

De lidstaten stellen de Commissie in kennis van de in de eerste alinea bedoelde hoeveelheid rauwe melk.

De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen tot bepaling van voorschriften betreffende inhoud, vorm en termijnen van dergelijke aangiften en tot bepaling van maatregelen in verband met de kennisgevingen die overeenkomstig dit artikel door de lidstaten moeten worden gedaan. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 229, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.



HOOFDSTUK III

Producentenorganisaties en unies van producentenorganisaties en brancheorganisaties



Afdeling 1

Definitie en erkenning

Artikel 152

Producentenorganisaties

1.  De lidstaten kunnen, op verzoek, producentenorganisaties erkennen, die:

a) bestaan uit, en overeenkomstig artikel 153, lid 2, onder c), gecontroleerd worden door, producenten uit een in artikel 1, lid 2, bedoelde specifieke sector;

▼M5

b) zijn opgericht op initiatief van de producenten zelf en ten minste een van de volgende activiteiten verrichten:

i) gezamenlijke verwerking;

ii) gezamenlijke distributie, waaronder gezamenlijke verkoopplatformen of gezamenlijk vervoer;

iii) gezamenlijke verpakking, etikettering of verkoopbevordering;

iv) gezamenlijke organisatie van kwaliteitscontrole;

v) gezamenlijk gebruik van uitrusting of opslagfaciliteiten;

vi) gezamenlijk beheer van afval dat rechtstreeks voortkomt uit de productie;

vii) gezamenlijke aanschaf van productiemiddelen;

viii) andere gezamenlijke activiteiten in verband met diensten waarbij een van de onder c) van dit lid opgesomde doelstellingen wordt nagestreefd;

▼B

c) een specifieke doelstelling nastreven, die kan bestaan uit ten minste één van de volgende doelen:

i) verzekeren dat de productie wordt gepland en op de vraag wordt afgestemd, met name wat omvang en kwaliteit betreft;

ii) het aanbod en de afzet van de producten van haar leden concentreren, ook via direct marketing;

iii) de productiekosten en het rendement op investeringen om de normen met betrekking tot milieu en dierenwelzijn te halen, optimaliseren en de producentenprijzen stabiliseren;

iv) onderzoek verrichten en initiatieven ontwikkelen op het gebied van duurzame productiemethoden, innovatieve praktijken, economische concurrentiekracht en marktontwikkelingen;

v) het gebruik van milieuvriendelijke teeltmethoden, productietechnieken en goede praktijken en technieken op het gebied van dierenwelzijn bevorderen en daarvoor technische bijstand verstrekken;

(vi) het gebruik van productienormen bevorderen en daarvoor technische bijstand verstrekken, de productkwaliteit verbeteren en producten ontwikkelen met een beschermde oorsprongsbenaming, een beschermde geografische aanduiding of een nationaal kwaliteitskeurmerk;

vii) bijproducten, en met name afval, beheren ter bescherming van de water-, bodem- en landschapskwaliteit, en de biodiversiteit in stand houden of verbeteren;

viii) bijdragen tot duurzaam gebruik van de natuurlijke hulpbronnen en tot matiging van de klimaatverandering;

ix) initiatieven ontwikkelen op het gebied van afzetbevordering;

▼C1

x) het beheer waarnemen van de onderlinge fondsen die zijn bedoeld in de operationele programma's in de sector groenten en fruit bedoeld in artikel 33, lid 3, onder d), van deze verordening en artikel 36 van Verordening (EU) nr. 1305/2013;

▼B

xi) de nodige technische ondersteuning verlenen voor het gebruik van de regelingen voor termijnmarkten en landbouwverzekeringsstelsels;

▼M5

1 bis.  In afwijking van artikel 101, lid 1, VWEU, kan een op grond van lid 1 van dit artikel erkende producentenorganisatie namens haar leden met betrekking tot de totale productie van die leden of een gedeelte daarvan, de productie plannen, de productiekosten optimaliseren, producten op de markt brengen en over contracten voor de levering van landbouwproducten onderhandelen.

De in de eerste alinea bedoelde activiteiten kunnen worden verricht:

a) op voorwaarde dat een of meer van de activiteiten als bedoeld in lid 1, onder b), i) tot en met vii), werkelijk worden verricht, waardoor wordt bijgedragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van artikel 39 VWEU;

b) op voorwaarde dat de producentenorganisatie het aanbod concentreert en de producten van zijn leden op de markt brengt, ongeacht of de eigendom van de landbouwproducten door de producenten wordt overgedragen aan de producentenorganisatie;

c) ongeacht of de onderhandelde prijs geldt voor de gecombineerde productie van alle, dan wel een deel van de leden;

d) op voorwaarde dat de betrokken producenten niet zijn aangesloten bij een andere producentenorganisatie wat betreft de producten waarop in de eerste alinea bedoelde activiteiten betrekking hebben;

e) op voorwaarde dat het lidmaatschap van de landbouwer van een coöperatie die zelf geen lid is van de betrokken producentenorganisaties, geen verplichting inhoudt dat het landbouwproduct dient te worden geleverd overeenkomstig de voorwaarden die in de statuten van de coöperatie of de bij die statuten vastgestelde of daaruit voortvloeiende voorschriften en besluiten zijn neergelegd.

Lidstaten kunnen evenwel in naar behoren gemotiveerde gevallen afwijken van de in de tweede alinea, punt d), omschreven voorwaarde indien landbouwers twee verschillende productie-eenheden hebben die zich in verschillende geografische gebieden bevinden.

1 ter.  Voor de toepassing van dit artikel worden met „producentenorganisaties” tevens unies van producentenorganisaties die zijn erkend op grond van artikel 156, lid 1, bedoeld, voor zover dergelijke unies voldoen aan de vereisten van het eerste lid van dit artikel.

1 quater.  De nationale mededingingsautoriteit als bedoeld in artikel 5 van Verordening (EG) nr. 1/2003 kan in individuele gevallen besluiten dat, in de toekomst, een of meer van de in lid 1 bis, eerste alinea, bedoelde activiteiten moeten worden aangepast, stopgezet of helemaal niet mogen plaatshebben, indien zij dit noodzakelijk acht om te voorkomen dat de mededinging wordt uitgesloten of indien zij van oordeel is dat de doelstellingen van artikel 39 VWEU in gevaar worden gebracht.

Het in de eerste alinea van dit lid bedoelde besluit wordt, met betrekking tot onderhandelingen over meer dan één lidstaat, door de Commissie genomen zonder toepassing van de in artikel 229, lid 2 of lid 3, bedoelde procedure.

Wanneer de nationale mededingingsautoriteit overeenkomstig de eerste alinea van dit lid handelt, stelt zij de Commissie vóór of onmiddellijk na het initiëren van de eerste formele maatregel van het onderzoek hiervan schriftelijk op de hoogte, en deelt zij de Commissie de besluiten mee direct nadat ze genomen zijn.

De in dit lid bedoelde besluiten worden pas van toepassing op de datum van kennisgeving van het besluit aan de betrokken ondernemingen.

▼B

2.  Een uit hoofde van lid 1 erkende producentenorganisatie kan verder erkend blijven indien zij actief is in de afzet van andere producten die onder GN-code ex  22 08 vallen dan die bedoeld in bijlage I bij de Verdragen, mits het aandeel van deze producten niet meer bedraagt dan 49 % van de totale waarde van de in de handel gebrachte productie van de producentenorganisatie en deze producten geen steunmaatregelen van de Unie genieten. Deze producten worden, voor de producentenorganisaties in de sector groeten en fruit, niet in aanmerking genomen bij de berekening van de waarde van de afgezette productie met het oog op de toepassing van artikel 34, lid 2.

▼M5 —————

▼B

Artikel 153

Statuten van producentenorganisaties

1.  Op grond van de statuten van een producentenorganisatie zijn de aangesloten producenten met name verplicht:

a) de door de producentenorganisaties vastgestelde voorschriften inzake de verstrekking van productiegegevens, productie, afzet en milieubescherming toe te passen;

b) zich per geproduceerd product slechts bij een enkele producentenorganisatie aan te sluiten; lidstaten kunnen evenwel in naar behoren gemotiveerde gevallen afwijken van deze voorwaarde indien landbouwers twee verschillende productie-eenheden hebben die zich in verschillende geografische gebieden bevinden;

c) de door de producentenorganisatie voor statistische doeleinden gevraagde inlichtingen te verstrekken.

2.  De statuten van een producentenorganisatie voorzien ook in:

a) procedures voor het bepalen, het vaststellen en het wijzigen van de in lid 1, onder a), bedoelde voorschriften;

b) door de leden te betalen financiële bijdragen voor de financiering van de producentenorganisatie;

c) voorschriften op grond waarvan de aangesloten producenten op democratische wijze toezicht kunnen uitoefenen op hun organisatie en haar besluiten;

d) sancties bij overtreding van de statutaire verplichtingen, met name bij niet-betaling van de financiële bijdragen, of van de door de telersvereniging vastgestelde voorschriften;

e) voorschriften ten aanzien van de toelating van nieuwe leden, in het bijzonder een minimale lidmaatschapsduur van een jaar;

f) de voor de werking van de organisatie vereiste boekhoudkundige en budgettaire voorschriften.

3.  De leden 1 en 2 zijn niet van toepassing op producentenorganisaties in de sector melk en zuivelproducten.

Artikel 154

Erkenning van producentenorganisaties

1.  Teneinde erkend te worden door een lidstaat, is de producentenorganisatie die deze erkenning vraagt een rechtspersoon of een duidelijk omschreven deel van een rechtspersoon die:

a) voldoet aan de in artikel 152, lid 1, onder a), b) en c), gestelde eisen;

b) een door de betrokken lidstaat vast te stellen minimum ledental heeft en/of over een minimale hoeveelheid of waarde afzetbare producten beschikt in het afzetgebied waar zij actief is;

c) voldoende bewijs levert dat zij in staat is haar werk naar behoren te verrichten, vanuit het oogpunt van duur, efficiëntie, personele, materiële en technische ondersteuning van haar leden, alsook zoals passende van concentratie van het aanbod;

d) over statuten beschikt die in overeenstemming zijn met de onder a), b) en c).

▼M5

1 bis.  De lidstaten kunnen, op verzoek, besluiten meer dan één erkenning toe te kennen aan een producentenorganisatie die in verscheidene van de in artikel 1, lid 2, bedoelde sectoren werkzaam is, op voorwaarde dat die producentenorganisatie voor elke sector waarvoor zij de erkenning vraagt, aan de in lid 1 van dit artikel bedoelde voorwaarden voldoet.

▼M5

2.  De lidstaten kunnen besluiten dat producentenorganisaties die vóór 1 januari 2018 zijn erkend en die aan de voorwaarden van lid 1 van dit artikel voldoen, geacht worden als producentenorganisatie erkend te zijn overeenkomstig artikel 152.

3.  De lidstaten trekken de erkenning van producentenorganisaties die zijn erkend vóór 1 januari 2018, maar die niet voldoen aan de voorwaarden van lid 1 van dit artikel, uiterlijk op 31 december 2020 in.

▼B

4.  De lidstaten:

a) nemen, binnen vier maanden na de indiening van een met alle nodige bewijsstukken gestaafd erkenningsverzoek, een besluit inzake de erkenning van een producentenorganisatie; het verzoek wordt ingediend bij de lidstaat waarin de organisatie haar hoofdkantoor gevestigd is;

b) verrichten op gezette tijden die zij zelf bepalen, controles om zich ervan te verzekeren dat de erkende producentenorganisaties dit hoofdstuk naleven;

c) leggen die producentenorganisaties en unies van producentenorganisaties in geval van niet-naleving van of onregelmatigheden bij de toepassing van de in dit hoofdstuk bedoelde maatregelen de toepasselijke sancties op die zij hebben vastgesteld, en besluiten zo nodig de erkenning in te trekken;

d) brengen de Commissie elk jaar uiterlijk op 31 maart, op de hoogte van alle gedurende het voorgaande kalenderjaar genomen besluiten tot toekenning, weigering of intrekking van erkenning.

Artikel 155

Uitbesteding

De lidstaten mogen een erkende producentenorganisatie of een erkende unie van producentenorganisaties in de door de Commissie overeenkomstig artikel 173, lid 1, onder f), vastgestelde sectoren toestaan haar werkzaamheden (met uitzondering van de productie) uit te besteden, ook aan filialen, indien de producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties verantwoordelijk blijft voor de uitvoering van de uitbestede activiteit en de algehele zeggenschap over en het toezicht op de commerciële regeling inzake de verrichting van de activiteit houdt.

Artikel 156

Unies van producentenorganisaties

1.  De lidstaten kunnen, op verzoek, unies van producentenorganisaties erkennen die actief zijn in een in artikel 1, lid 2, bedoelde specifieke sector en die zijn opgericht op initiatief van erkende producentenorganisaties.

Met inachtneming van de op grond van artikel 173 vastgestelde voorschriften kunnen unies van producentenorganisaties dezelfde activiteiten of taken uitvoeren als producentenorganisaties.

2.  In afwijking van lid 1, kunnen de lidstaten, op verzoek, een unie van erkende producentenorganisaties in de sector melk en zuivelproducten erkennen indien de betrokken lidstaat van oordeel is dat de unie in staat is alle activiteiten van een erkende producentenorganisatie daadwerkelijk te verrichten en voldoet aan de in artikel 161, lid 1, vastgestelde voorwaarden.

Artikel 157

Brancheorganisaties

1.  De lidstaten kunnen daarom verzoekende brancheorganisaties erkennen die actief zijn in een specifieke, in artikel 1, lid 2, vermelde sector en die:

a) bestaan uit vertegenwoordigers van beroepsgroepen die betrokken zijn bij de productie en bij ten minste een van de volgende stadia van de toeleveringsketen: de verwerking of verhandeling, met inbegrip van de distributie, van producten van één of meer sectoren;

b) zijn opgericht op initiatief van alle of een deel van de aangesloten organisaties of unies;

c) ter behartiging van de belangen van hun leden en de consumenten een specifieke doelstelling nastreven, die in het bijzonder kan bestaan uit één van de volgende doelen:

i) de kennis inzake en de doorzichtigheid van de productie en de markt verbeteren, onder meer door bekendmaking van geaggregeerde statistische gegevens over de productiekosten en de prijzen - eventueel vergezeld van prijsindicatoren, de volumes en de looptijd van vooraf gesloten contracten - alsook middels terbeschikkingstelling van analyses van potentiële toekomstige marktontwikkelingen op regionaal, nationaal of internationaal niveau;

ii) de raming van het productiepotentieel, en de notering van de publieke marktprijzen;

iii) bijdragen tot een betere coördinatie van de wijze waarop producten op de markt worden gebracht, in het bijzonder aan de hand van onderzoek en marktstudies;

iv) verkenning van potentiële exportmarkten;

v) onverminderd de artikelen 148 en 168, het opstellen van standaardcontracten die verenigbaar zijn met de voorschriften van de Unie voor de verkoop van landbouwproducten aan kopers en/of de toelevering van verwerkte producten aan distributeurs en kleinhandelaren, rekening houdend met de noodzaak om eerlijke mededingingsvoorwaarden tot stand te brengen en verstoringen van de markt te voorkomen;

vi) het potentieel van de producten optimaal benutten, ook wat de afzetmogelijkheden betreft, en initiatieven ontwikkelen om de economische concurrentiekracht en het innovatievermogen te verbeteren;

vii) gegevens verschaffen en onderzoek verrichten om de productie en in voorkomend geval de verwerking en de afzet te vernieuwen, te rationaliseren, te verbeteren en te richten op producten die beter op de eisen van de markt en op de smaak en de verwachtingen van de consument zijn afgestemd, met name wat de kwaliteit van de producten betreft, inclusief de specifieke kenmerken van producten met een beschermde oorsprongsbenaming of een beschermde geografische aanduiding, en wat de bescherming van het milieu betreft;

viii) methoden zoeken die minder diergeneesmiddelen en gewasbeschermingsmiddelen vergen, het verbruik van andere productiemiddelen optimaliseren, de kwaliteit van de producten en het behoud van bodem en water garanderen, de voedselveiligheid met name middels traceerbaarheid van producten bevorderen, alsook de gezondheid en het welzijn van dieren verbeteren;

ix) methoden en instrumenten ontwikkelen om de kwaliteit van het product te verbeteren in alle stadia van de productie, alsook in voorkomend geval van de verwerking en de afzet;

x) alles in het werk stellen om de biologische landbouw, de oorsprongsbenamingen, de kwaliteitslabels en de geografische aanduidingen te verdedigen, te beschermen en te bevorderen;

xi) onderzoek naar een geïntegreerde, duurzame productie of naar andere milieuvriendelijke productiemethoden bevorderen en verrichten;

xii) een gezonde en verantwoorde consumptie van de producten in de interne markt stimuleren en/of voorlichting verstrekken over de schade die wordt veroorzaakt door riskante consumptiepatronen;

xiii) de consumptie van de producten bevorderen en/of voorlichting over de producten in de interne markt en de externe markten verstrekken;

xiv) bijdragen aan het beheer van bijproducten en de beperking en het beheer van afvalstoffen;

▼M5

xv) standaardclausules betreffende waardeverdeling, waaronder op de markt gegenereerde winsten en verliezen, in de zin van artikel 172 bis vaststellen, waarin wordt bepaald hoe ontwikkelingen van de relevante marktprijzen van de betrokken producten of andere grondstoffenmarkten tussen hen moeten worden toegewezen;

xvi) maatregelen uitvoeren om risico's in verband met de gezondheid van dieren, gewasbescherming en het milieu te voorkomen en te beheren.

1 bis.  De lidstaten kunnen, op verzoek, besluiten meer dan één erkenning toe te kennen aan een brancheorganisatie die in verscheidene van de in artikel 1, lid 2, bedoelde sectoren werkzaam is, op voorwaarde dat die brancheorganisatie voor elke sector waarvoor zij de erkenning vraagt, aan de in lid 1 en, in voorkomend geval, lid 3 bedoelde voorwaarden voldoet.

▼B

2.  In naar behoren gemotiveerde gevallen kunnen de lidstaten evenwel volgens objectieve en niet-discriminerende criteria besluiten dat de voorwaarde in artikel 158, lid 1, onderc), vervuld is door het aantal brancheorganisaties op regionaal of nationaal niveau te beperken, indien de nationale voorschriften die vóór 1 januari 2014 van kracht zijn, daarin voorzien en indien de werking van de interne markt daardoor niet wordt gehinderd.

3.  In afwijking van lid 1, kunnen de lidstaten in de sector melk en zuivelproducten erkenning verlenen aan brancheorganisaties die:

a) formeel erkenning hebben aangevraagd en bestaan uit vertegenwoordigers van beroepsgroepen die betrokken zijn bij de productie van rauwe melk en betrokken zijn bij ten minste een van de volgende stadia van de bevoorradingsketen: de verwerking of verhandeling, inclusief distributie, van producten van de sector melk en zuivelproducten;

b) zijn samengesteld op initiatief van alle of sommige van de onder a) bedoelde vertegenwoordigers;

c) in één of meer regio's van de Unie één of meer van de hieronder vermelde activiteiten uitoefenen, daarbij rekening houdend met de belangen van de leden van deze brancheorganisaties en van de consument:

i) het verbeteren van de kennis inzake en de doorzichtigheid van de productie en de markt, onder meer door statistische gegevens over de prijzen, de volumes en de looptijd van vooraf gesloten contracten voor de levering van rauwe melk bekend te maken en door analyses van potentiële toekomstige marktontwikkelingen op regionaal, nationaal en internationaal niveau te verstrekken;

ii) het bijdragen tot een betere coördinatie van de wijze waarop producten van de sector melk en zuivelproducten op de markt worden gebracht, onder meer door middel van onderzoek en marktstudies;

iii) het bevorderen van consumptie van en informatieverstrekking over melk en zuivelproducten op zowel de interne als de externe markten;

iv) verkenning van potentiële exportmarkten;

v) het opstellen van standaardcontracten die verenigbaar zijn met de voorschriften van de Unie voor de verkoop van rauwe melk aan afnemers of de levering van verwerkte producten aan distributeurs en de kleinhandel, rekening houdend met de noodzaak eerlijke concurrentievoorwaarden te verwezenlijken en marktverstoringen te voorkomen;

vi) het verstrekken van informatie en het verrichten van onderzoek om de productie af te stemmen op de eisen van de markt en op de smaak en de wensen van de consument, met name inzake productkwaliteit en milieubescherming;

vii) het in stand houden en ontwikkelen van het productiepotentieel van de sector melk en zuivelproducten, onder meer door het bevorderen van innovatie en het ondersteunen van programma's voor toegepaste onderzoek en ontwikkeling om het potentieel van melk en zuivelproducten ten volle te benutten, vooral om producten met toegevoegde waarde te creëren die aantrekkelijker zijn voor de consument,

viii) het zoeken naar methoden die minder veterinaire producten vergen; het verbeteren van het beheer van andere productiemiddelen en het bevorderen van de voedselveiligheid en de diergezondheid;

ix) het ontwikkelen van methoden en instrumenten om de kwaliteit van het product te verbeteren in alle stadia van de productie en de afzet;

x) het beter benutten van het potentieel van de biologische landbouw en het bevorderen van deze landbouw alsmede van de vervaardiging van producten met oorsprongsbenamingen, kwaliteitsmerken en geografische aanduidingen; en

xi) het bevorderen van geïntegreerde productie of van andere milieuvriendelijke productiemethoden;

▼M5

xii) standaardclausules betreffende waardeverdeling, waaronder op de markt gegenereerde winsten en verliezen, in de zin van artikel 172 bis vaststellen, waarin wordt bepaald hoe ontwikkelingen van de relevante marktprijzen van de betrokken producten of andere grondstoffenmarkten tussen hen moeten worden toegewezen; en

xiii) maatregelen uitvoeren om risico's in verband met de gezondheid van dieren, gewasbescherming en het milieu te voorkomen en te beheren.

▼B

Artikel 158

Erkenning van brancheorganisaties

1.  De lidstaten kunnen de brancheorganisaties erkennen die een verzoek daartoe indienen, op voorwaarde dat deze:

a) voldoen aan de in artikel 157 uiteengezette eisen;

b) in een of meer regio's van het betrokken gebied actief zijn;

c) een aanzienlijk deel van de in artikel 157, lid 1, onder a), genoemde economische activiteiten vertegenwoordigen;

d) met uitzondering van de in artikel 162 bedoelde gevallen zelf geen productie-, verwerkings- of afzetactiviteiten verrichten.

2.  De lidstaten kunnen brancheorganisaties die vóór 1 januari 2014 krachtens nationaal recht zijn erkend en aan de voorwaarden van lid 1 van dit artikel voldoen, aanmerken als erkende brancheorganisatie overeenkomstig artikel 157.

3.  Brancheorganisaties die vóór 1 januari 2014 krachtens nationaal recht zijn erkend en niet aan de voorwaarden van lid 1 voldoen, kunnen hun activiteiten tot 1 januari 2015 voortzetten overeenkomstig het nationaal recht.

4.  De lidstaten kunnen erkenning verlenen aan brancheorganisaties in alle sectoren die vóór 1 januari 2014 bestaan, ongeacht of deze op verzoek werden erkend, dan wel bij wet werden opgericht, ook al voldoen zij niet aan de voorwaarde van artikel 157, lid 1, of van artikel 157, lid 3, onder b).

5.  Indien lidstaten overeenkomstig lid 1 of lid 2 overgaan tot erkenning van een brancheorganisatie:

a) nemen zij binnen vier maanden na de indiening van een met alle nodige bewijsstukken gestaafd erkenningsverzoek, een besluit inzake de erkenning van de organisatie; dit verzoek wordt ingediend bij de lidstaat waarin de organisatie haar hoofdzetel heeft gevestigd;

b) verrichten zij op gezette tijden die zij zelf bepalen, controles om zich ervan te verzekeren dat de erkende brancheorganisaties voldoen aan de voorwaarden die aan hun erkenning verbonden zijn;

c) leggen zij de brancheorganisaties in geval van niet-naleving van of onregelmatigheden bij de uitvoering van de in deze verordening bedoelde maatregelen de toepasselijke sancties op die zij hebben vastgesteld en besluiten zij zo nodig hun erkenning in te trekken;

d) trekken zij de erkenning in als niet meer wordt voldaan aan de in dit artikel vastgestelde erkenningsvoorschriften en -voorwaarden;

e) brengen zij de Commissie elk jaar, uiterlijk op 31 maart, op de hoogte van alle gedurende het vorige kalenderjaar genomen besluiten tot toekenning, weigering of intrekking van erkenning.



Adfeling 2

Aanvullende voorschriften voor specifieke sectoren

Artikel 159

Verplichte erkenning

In afwijking van de artikelen 152 tot en met 158 verlenen de lidstaten, op verzoek, erkenning aan:

a) producentenorganisaties in:

i) de sector groenten en fruit voor zover het gaat om één of meer producten van deze sector en/of dergelijke, uitsluitend voor verwerking bestemde producten;

ii) de sector olijfolie en tafelolijven;

iii) de sector zijderupsen;

iv) de hopsector;

b) brancheorganisaties in de sector olijfolie en tafelolijven en de tabakssector.

Artikel 160

Producentenorganisaties in de sector groenten en fruit

In de sector groenten en fruit streven productenorganisaties ten minste één van de in artikel 152, lid 1, onder c), i), ii), en iii), genoemde doelstellingen na.

Op grond van de statuten van een producentenorganisatie zijn de aangesloten producenten verplicht hun volledige productie via de producentenorganisatie af te zetten.

Producentenorganisaties en unies van producentenorganisaties in de sector groenten en fruit worden geacht in economische aangelegenheden binnen hun mandaat op te treden in naam van, en namens, hun leden.

Artikel 161

Erkenning van producentenorganisaties in de sector melk en zuivelproducten

▼M5

1.  De lidstaten erkennen op verzoek als producentenorganisatie in de sector melk en zuivelproducten alle rechtspersonen of duidelijk omschreven onderdelen van die rechtspersonen, op voorwaarde dat:

a) zij bestaan uit producenten in de sector melk en zuivelproducten en op hun initiatief zijn opgericht en zij een specifieke doelstelling nastreven, die kan bestaan uit een of meer van de volgende doelen:

i) verzekeren dat de productie wordt gepland en op de vraag wordt afgestemd, met name wat omvang en kwaliteit betreft;

ii) het aanbod en het op de markt brengen van de producten van hun leden concentreren;

iii) de productiekosten optimaliseren en de producentenprijzen stabiliseren;

▼B

b) zij een minimumaantal leden hebben en/of beschikken over een door de betrokken lidstaat vastgesteld minimumvolume verkoopbare productie in het gebied waar zij actief zijn;

c) er voldoende bewijs voorhanden is dat zij in staat zijn hun activiteiten naar behoren te verrichten, vanuit het oogpunt van duur, doeltreffendheid en concentratie van het aanbod;

d) zij over statuten beschikken die in overeenstemming zijn met de onder a), b) en c).

▼M5

2.  De lidstaten kunnen besluiten dat producentenorganisaties die krachtens nationaal recht vóór 2 april 2012 zijn erkend en die de in lid 1 bepaalde voorwaarden vervullen, als erkende producentenorganisatie dienen te worden beschouwd.

▼B

3.  De lidstaten:

a) nemen, binnen vier maanden na de indiening van een van alle relevante bewijsstukken vergezeld erkenningsverzoek, een besluit inzake de erkenning van een producentenorganisatie; dit verzoek wordt ingediend in de lidstaat waar de organisatie haar hoofdzetel heeft;

b) verrichten, op gezette tijden die zij bepalen, controles om zich ervan te vergewissen dat de erkende producentenorganisaties en unies van producentenorganisaties het bepaalde in dit hoofdstuk naleven;

c) leggen die producentenorganisaties en unies van producentenorganisaties in geval van niet-naleving van of onregelmatigheden bij de uitvoering van de in dit hoofdstuk bedoelde maatregelen de toepasselijke sancties op die zij hebben vastgesteld, en besluiten zo nodig de erkenning in te trekken;

d) brengen de Commissie elk jaar, uiterlijk op 31 maart, op de hoogte van alle gedurende het vorige kalenderjaar genomen besluiten tot toekenning, weigering of intrekking van erkenning.

Artikel 162

Brancheorganisaties in de sector olijfolie en tafelolijven en de sector tabak

Wat brancheorganisaties in de sector olijfolie en tafelolijven en de sector tabak betreft, kan de in artikel 157, lid 1, onder c), bedoelde specifieke doelstelling tevens ten minste één van de volgende doelen omvatten:

a) het aanbod en de afzet van de producten van de leden concentreren en coördineren;

b) de productie en de verwerking gezamenlijk aanpassen aan de eisen van de markt, en het product verbeteren;

c) de rationalisatie en de verbetering van de productie en de verwerking bevorderen.

Artikel 163

Erkenning van brancheorganisaties in de sector melk en zuivelproducten

1.  De lidstaten kunnen brancheorganisaties in de sector melk en zuivelproducten erkennen op voorwaarde dat deze organisaties:

a) voldoen aan de in artikel 157, lid 3, vastgestelde voorwaarden;

b) in een of meer regio's van het betrokken gebied actief zijn;

c) een aanzienlijk deel van de in artikel 157, lid 3, onder a), genoemde economische activiteiten vertegenwoordigen;

d) zich niet zelf bezig houden met de productie, de verwerking of de verhandeling van producten in de sector melk en zuivelproducten.

2.  De lidstaten kunnen besluiten dat brancheorganisaties die krachtens nationaal recht vóór 2 april 2012 zijn erkend en die de in lid 1 bepaalde voorwaarden vervullen, worden geacht overeenkomstig artikel 157, lid 3, als brancheorganisatie erkend te zijn.

3.  Wanneer de lidstaten gebruik maken van de mogelijkheid een brancheorganisatie te erkennen overeenkomstig lid 1 of lid 2,

a) nemen zij, binnen vier maanden na de indiening van een van alle relevante bewijsstukken vergezeld erkenningsverzoek, een besluit inzake de erkenning van de brancheorganisatie; dit verzoek wordt ingediend in de lidstaat waar de organisatie haar hoofdzetel heeft;

b) verrichten zij op gezette tijden die zij zelf bepalen, controles om zich ervan te verzekeren dat de erkende brancheorganisaties voldoen aan de voorwaarden die aan hun erkenning verbonden zijn;

c) leggen zij de brancheorganisaties in geval van niet-naleving van of onregelmatigheden bij de uitvoering van de in deze verordening bedoelde maatregelen de toepasselijke sancties op die zij hebben vastgesteld en besluiten zij zo nodig de erkenning in te trekken;

d) trekken zij de erkenning in als:

i) niet langer wordt voldaan aan de in dit artikel vastgestelde eisen en voorwaarden voor erkenning;

ii) de brancheorganisatie zich aansluit bij één van de overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen bedoeld in artikel 210, lid 4; die intrekking van de erkenning geldt onverminderd de uit hoofde van het nationaal recht op te leggen sancties;

iii) de brancheorganisatie niet voldoet aan de in artikel 210, lid 2, eerste alinea, onder a) genoemde kennisgevingsverplichting;

e) brengen zij de Commissie elk jaar, uiterlijk op 31 maart, op de hoogte van alle gedurende het vorige kalenderjaar genomen besluiten tot toekenning, weigering of intrekking van erkenning.



Afdeling 3

Uitbreidingvan de voorschriften en verplichte bijdragen

Artikel 164

Uitbreiding van de voorschriften

1.  Als een erkende producentenorganisatie, een erkende unie van producentenorganisaties of een erkende brancheorganisatie die in één of meer specifieke economische regio's van een lidstaat werkzaam is, wordt beschouwd als representatief voor de productie, de verhandeling of de verwerking van een bepaald product, kan de betrokken lidstaat op verzoek van die organisatie of unie bepaalde overeenkomsten, besluiten of onderling afgestemde feitelijke gedragingen van die organisatie of unie voor een beperkte periode verbindend te verklaren voor andere marktdeelnemers of groeperingen van marktdeelnemers, die in de betrokken economische regio of regio's werkzaam zijn en die niet bij deze organisatie of unie zijn aangesloten.

2.  Voor de toepassing van deze afdeling wordt onder "economische regio" verstaan: een geografische zone die bestaat uit aan elkaar grenzende of naburige productiegebieden met homogene productie- en afzetomstandigheden.

3.  Een organisatie of unie wordt als representatief beschouwd wanneer deze in de betrokken economische regio of de betrokken economische regio's van een lidstaat het volgende vertegenwoordigt:

a) een aandeel van de productie, verhandeling of verwerking van het betrokken product of de betrokken producten dat overeenstemt met:

i) ten minste 60 % voor producentenorganisaties in de sector groenten en fruit, of

ii) ten minste twee derde in andere gevallen, en

b) in het geval van producentenorganisaties, meer dan 50 % van de betrokken producenten.

Indien, met betrekking tot brancheorganisaties, de bepaling van het aandeel van de productie, de verhandeling of de verwerking van het betrokken product of de betrokken producten praktische moeilijkheden oplevert, kan een lidstaat evenwel nationale voorschriften vaststellen om het in de eerste alinea, onder a), ii) bedoelde niveau van representativiteit te bepalen.

Wanneer het verzoek tot het verbindend verklaren van de voorschriften voor andere marktdeelnemers betrekking heeft op meer dan één economische regio, levert de organisatie of de unie het bewijs van de in de eerste alinea gedefinieerde minimumrepresentativiteit voor elke bij haar aangesloten branche in elke betrokken economische regio.

4.  Een verzoek tot verbindendverklaring voor andere marktdeelnemers, als bedoeld in lid 1, kan slechts worden ingediend voor voorschriften die gericht zijn op één van de volgende doelen:

a) rapportage over productie en afzet;

b) productievoorschriften die stringenter zijn dan de in de nationale of de regelgeving van de Unie vastgestelde voorschriften;

c) de opstelling van met de regelgeving van de Unie verenigbare standaardcontracten;

d) de afzet;

e) de milieubescherming;

f) maatregelen om het potentieel van producten te bevorderen en optimaal te benutten;

g) maatregelen ter bescherming van de biologische landbouw, oorsprongsbenamingen, kwaliteitslabels en geografische aanduidingen;

h) onderzoek met het oog op de valorisatie van de producten, met name via nieuwe gebruiksmogelijkheden die de volksgezondheid niet in gevaar brengen;

i) studies om de productkwaliteit te verbeteren;

j) onderzoek naar met name teeltmethoden die een geringer gebruik van gewasbeschermingsmiddelen of diergeneesmiddelen mogelijk maken en het behoud van de bodem en het behoud of de verbetering van het milieu garanderen;

k) de definitie van minimumkenmerken en -normen inzake verpakking en aanbiedingsvorm;

l) het gebruik van gecertificeerd zaaizaad en de monitoring van de kwaliteit van de producten;

m) de gezondheid van dieren of planten of de voedselveiligheid;

n) het beheer van bijproducten.

Deze voorschriften mogen andere marktdeelnemers in de betrokken lidstaat of in de Unie geen schade berokkenen, mogen geen van de in artikel 210, lid 4, bedoelde gevolgen hebben en mogen niet op andere wijze onverenigbaar zijn met het Unierecht of met de vigerende nationale voorschriften.

5.  De uitbreiding van de in lid 1 bedoelde voorschriften wordt integraal ter kennis van de marktdeelnemers gebracht door middel van bekendmaking in een officiële publicatie van de betrokken lidstaat.

6.  De lidstaten stellen de Commissie in kennis van de uit hoofde van dit artikel genomen besluiten.

Artikel 165

Financiële bijdragen van niet-leden

Indien de voorschriften van een erkende producentenorganisatie, een erkende unie van producentenorganisaties of een erkende brancheorganisatie krachtens artikel 164 worden uitgebreid en de activiteiten waarop die voorschriften van toepassing zijn, van algemeen economisch belang zijn voor marktdeelnemers wier activiteiten met de betrokken producten verband houden, kan de lidstaat die de erkenning heeft verleend nadat zij alle relevante belanghebbenden heeft geraadpleegd, besluiten dat ook niet bij de organisatie of de unie aangesloten individuele marktdeelnemers of groepen die voordeel hebben bij deze activiteiten, de volle financiële bijdrage die de leden betalen of een gedeelte daarvan aan de organisatie of de unie moeten betalen, voor zover die financiële bijdragen bestemd zijn voor de kosten die rechtstreeks uit de betrokken activiteiten voortvloeien.



Afdeling 4

Aanpassing van het aanbod

Artikel 166

Maatregelen om de aanpassing van het aanbod aan de eisen van de markt te vergemakkelijken

Teneinde de initiatieven van de in de artikelen 152 tot en met 163 bedoelde organisaties en unies om de aanpassing van het aanbod aan de eisen van de markt te vergemakkelijken, te stimuleren, uitgezonderd de initiatieven voor het uit de markt nemen van producten, is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 227 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot maatregelen in de in artikel 1, lid 2, opgenomen sectoren die tot doel hebben:

a) de kwaliteit te verbeteren;

b) een betere organisatie van productie, verwerking en afzet te propageren,

c) de notering van de marktprijstendensen te vergemakkelijken;

d) en het opstellen van korte- en langetermijnramingen aan de hand van gegevens betreffende de gebruikte productiemiddelen mogelijk te maken.

Artikel 167

Afzetvoorschriften ter verbetering en stabilisering van de werking van de gemeenschappelijke markt voor wijn

1.  Teneinde de werking van de gemeenschappelijke markt voor wijn, met inbegrip van de voor de vervaardiging van die wijn gebruikte druiven, most en wijn, te verbeteren en te stabiliseren, kunnen de producerende lidstaten afzetvoorschriften vaststellen om het aanbod te reguleren, met name door middel van besluiten van krachtens artikel 157 en artikel 158 erkende brancheorganisaties.

Die voorschriften moeten in verhouding staan tot het nagestreefde doel en mogen geen voorschriften betreffen:

a) die betrekking hebben op transacties die volgen op het tijdstip waarop het betrokken product voor het eerst is afgezet;

b) die prijsstellingen mogelijk maken, zelfs als het richtsnoeren of aanbevelingen betreft;

c) die een buitensporig groot gedeelte van de normaliter beschikbare oogst blokkeren;

d) die ruimte bieden voor weigering van de afgifte van nationale en uniebewijsstukken die nodig zijn om wijn in het verkeer te brengen en af te zetten, wanneer die afzet in overeenstemming is met de betrokken voorschriften.

2.  De in lid 1 bedoelde voorschriften worden integraal ter kennis van de marktdeelnemers gebracht door middel van hun bekendmaking in een officiële publicatie van de betrokken lidstaat.

3.  De lidstaten stellen de Commissie in kennis van de uit hoofde van dit artikel genomen besluiten.



Afdeling 5

Systemen voor het afsluiten van contracten

Artikel 168

Contractuele betrekkingen

1.  Onverminderd het bepaalde in artikel 148 inzake de sector melk en zuivelproducten en artikel 125 inzake de suikersector, geldt dat indien een lidstaat inzake landbouwproducten afkomstig van een in artikel 1, lid 2, bedoelde andere sector dan melk en zuivelproducten en suiker, het volgende besluit:

a) dat elke levering op zijn grondgebied van die producten door een producent aan een verwerker of een distributeur, verplicht moet worden gesloten met een schriftelijk contract tussen de partijen, en /of

b) dat de eerste kopers een schriftelijk voorstel moeten doen voor een contract betreffende de levering op zijn grondgebied van die landbouwproducten door de producent,

dat contract of dat voorstel voor een contract aan de in de leden 4 en 6 van dit artikel vastgestelde voorwaarden moet voldoen.

▼M5

1 bis.  Indien de lidstaten geen gebruikmaken van de mogelijkheden die worden geboden in lid 1 van dit artikel, kan een producent, een producentenorganisatie of een unie van producentenorganisaties, inzake landbouwproducten afkomstig van een in artikel 1, lid 2, bedoelde andere sector dan melk en zuivelproducten en suiker, eisen dat voor een levering van zijn producten aan een verwerker of een distributeur een schriftelijk contract wordt gesloten tussen de partijen en/of dat een schriftelijk voorstel voor een contract wordt gedaan door de eerste kopers, onder de in lid 4 en lid 6, eerste alinea, van dit artikel vastgestelde voorwaarden.

Indien de eerste koper een kleine, middelgrote of micro-onderneming in de zin van Aanbeveling 2003/361/EG is, is het contract en/of het voorstel voor een contract niet verplicht, onverminderd de mogelijkheid voor de partijen om gebruik te maken van een door een brancheorganisatie opgesteld standaardcontract.

▼B

2.  Indien een lidstaat besluit dat voor leveringen van de onder dit artikel vallende producten van producent aan een koper een schriftelijk contract tussen de partijen moet worden gesloten, dan bepaalt de lidstaat tevens welke leveringsstadia onder dit contract vallen ingeval de levering van de desbetreffende producten via een of meer tussenpersonen gaat.

De lidstaten zorgen ervoor dat de bepalingen die zij uit hoofde van dit artikel vaststellen, de goede werking van de interne markt niet in het gedrang brengen.

3.  In het in lid 2 beschreven geval kunnen de lidstaten een bemiddelingsmechanisme instellen voor gevallen waarin er geen onderlinge overeenstemming over het sluiten van een dergelijk contract is, zodat billijke contractuele betrekkingen worden gegarandeerd.

▼M5

4.  Alle in de leden 1 en 1 bis bedoelde contracten of voorstellen voor contracten:

▼B

a) worden vóór de levering gesloten;

b) worden schriftelijk opgesteld; en

c) bevatten in het bijzonder de volgende gegevens:

i) de voor de levering verschuldigde prijs, die:

 statisch moet zijn en in het contract moet zijn vermeld, en/of

 wordt berekend op grond van een combinatie van verschillende in het contract opgenomen factoren, zoals bijvoorbeeld marktindicatoren die de ontwikkeling van de marktsituatie weerspiegelen, de geleverde hoeveelheid en de kwaliteit of de samenstelling van de geleverde landbouwproducten;

ii) de hoeveelheid en kwaliteit van de desbetreffende producten die geleverd kunnen of moeten worden en de leveringstermijn daarvan;

iii) de looptijd van het contract, waarbij onder vermelding van verstrijkingsbepalingen hetzij een bepaalde hetzij een onbepaalde looptijd is toegestaan;

iv) details betreffende betalingstermijnen en -procedures;

v) de modaliteiten voor de inzameling of levering van de landbouwproducten; en

vi) de voorschriften bij overmacht.

▼M5

5.  In afwijking van de leden 1 en 1 bis is een contract of een voorstel voor een contract niet vereist wanneer de betrokken producten door een lid van een coöperatie worden geleverd aan de coöperatie waarbij dat lid is aangesloten, op voorwaarde dat in de statuten van die coöperatie of in de bij deze statuten vastgestelde of daaruit voortvloeiende voorschriften en besluiten bepalingen zijn opgenomen van vergelijkbare strekking als het bepaalde in lid 4, onder a), b) en c).

▼B

6.  De partijen onderhandelen in alle vrijheid over alle elementen in door producenten, inzamelaars, verwerkers of distributeurs van landbouwproducten gesloten contracten, met inbegrip van de in lid 4, c), bedoelde elementen.

Niettegenstaande de eerste alinea geldt één of beide van de volgende mogelijkheden:

a) indien een lidstaat besluit dat voor de levering van landbouwproducten overeenkomstig lid 1 een schriftelijk contract moet worden gesloten, kan de lidstaat een minimale looptijd vaststellen die echter uitsluitend van toepassing is op schriftelijke contracten tussen een producent en de eerste koper van de landbouwproducten. De aldus vastgestelde minimale looptijd bedraagt ten minste zes maanden en mag de goede werking van de interne markt niet in het gedrang brengen;

b) indien een lidstaat besluit dat de eerste koper van landbouwproducten de producent voor een contract overeenkomstig lid 1 een schriftelijk voorstel dient te doen, kan de lidstaat bepalen dat het voorstel de ter zake in de nationale wetgeving geldende minimale looptijd voor het contract moet omvatten. De aldus vastgestelde minimale looptijd bedraagt ten minste zes maanden en mag de goede werking van de interne markt niet in het gedrang brengen.

De tweede alinea laat de rechten van de producent om een dergelijke minimale looptijd schriftelijk te weigeren onverlet. In dat geval onderhandelen de partijen in alle vrijheid over alle elementen van het contract, met inbegrip van de in lid 4, c), bedoelde elementen.

7.  De lidstaten die van de bij dit artikel geboden mogelijkheden gebruik maken, zorgen ervoor dat de bepalingen die zij vaststellen, de goede werking van de interne markt niet in het gedrang brengen.

De lidstaten stellen de Commissie in kennis van de wijze waarop zij de uit hoofde van dit artikel ingevoerde maatregelen toepassen.

8.  De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen met de nodige maatregelen voor de uniforme toepassing van lid 4, onder a) en b), en lid 5, alsook voorschriften met betrekking tot de kennisgevingen die krachtens dit artikel door de lidstaten moeten worden gedaan.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 229, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

▼M5 —————

▼B

Artikel 172

Regulering van het aanbod van ham met een beschermde oorsprongsbenaming of beschermde geografische aanduiding

1.  Op verzoek van een krachtens artikel 152, lid 1 van deze verordening, erkende producentenorganisatie, een krachtens artikel 157, lid 1, van deze verordening erkende brancheorganisatie of een groepering van marktdeelnemers als bedoeld in artikel 3, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1151/2012, kunnen lidstaten voor een beperkte periode bindende voorschriften vaststellen tot regulering van het aanbod van ham met een beschermde oorsprongsbenaming of beschermde geografische aanduiding overeenkomstig artikel 5, leden 1 en 2, van Verordening (EU) nr. 1151/2012.

2.  De in lid 1 van dit artikel bedoelde voorschriften worden vooraf goedgekeurd door de partijen in het in artikel 7, lid 1, onder c), van Richtlijn (EU) nr. 1151/2012 bedoelde geografische gebied. Een dergelijke overeenkomst zal na overleg met de varkenshouders in het geografische gebied worden gesloten tussen ten minste twee derde van de verwerkers van die ham die ten minste twee derde van de productie van die ham vertegenwoordigen in het geografisch gebied bedoeld in artikel 7, lid 1, onder c), van Verordening (EU) nr. 1151/2012 en, indien zulks door de lidstaat passend wordt geacht, ten minste twee derde van de varkenshouders in het geografisch gebied bedoeld in artikel 7, lid 1, onder c), van Verordening (EU) nr. 1151/2012.

3.  De in lid 1 bedoelde voorschriften:

a) hebben uitsluitend betrekking op de regulering van het aanbod van het betrokken product en/of de grondstoffen ervan, met het doel het aanbod van de ham af te stemmen op de vraag;

b) hebben uitsluitend betrekking op het betrokken product;

c) mogen niet voor langer dan drie jaar verplicht worden gesteld en mogen na deze periode worden verlengd middels een nieuw verzoek als bedoeld in lid 1;

d) brengen geen schade toe aan de handel in andere producten dan die waarop die voorschriften betrekking hebben;

e) hebben geen betrekking op transacties nadat de ham in kwestie voor de eerste keer op de markt is gebracht;

f) leiden niet tot de afkondiging van vaste prijzen, zelfs niet van richt- of adviesprijzen;

g) leiden niet tot het onverkrijgbaar zijn van grote hoeveelheden van het betrokken product die anders wel verkrijgbaar waren geweest;

h) leiden niet tot discriminatie, vormen geen obstakel voor nieuwe toetreders tot de markt, of hebben geen negatieve gevolgen voor kleine producenten;

i) dragen bij tot de kwaliteitshandhaving of ontwikkeling van het betrokken product.

4.  De in lid 1 bedoelde voorschriften worden bekendgemaakt in een officiële publicatie van de betrokken lidstaat.

5.  De lidstaten verrichten controles om zich ervan te verzekeren dat de in lid 3 vastgestelde voorwaarden zijn vervuld en, indien de bevoegde nationale instanties oordelen dat de voorwaarden niet zijn vervuld, trekken de lidstaten de in lid 1 bedoelde voorschriften in.

6.  De lidstaten stellen de Commissie onverwijld in kennis van de in lid 1 bedoelde voorschriften die zij hebben vastgesteld. De Commissie stelt de overige lidstaten op de hoogte van deze kennisgevingen.

7.  De Commissie kan te allen tijde uitvoeringshandelingen vaststellen waarbij wordt bepaald dat een lidstaat de door hem overeenkomstig lid 1 vastgestelde voorschriften intrekt, indien de Commissie van oordeel is dat deze voorschriften niet voldoen aan de in lid 4 vastgestelde voorwaarden, de mededinging in een wezenlijk deel van de interne markt voorkomen of verstoren, de vrije handel belemmeren of het bereiken van de doelstellingen van artikel 39 VWEU in het gedrang brengen. Die uitvoeringshandelingen worden zonder toepassing van de in artikel 229, lid 2 of lid 3 van deze verordening, bedoelde procedure vastgesteld.

▼M5



Afdeling 5 bis

Clausules betreffende waardeverdeling

Artikel 172 bis

Waardeverdeling

Onverminderd eventuele specifieke clausules betreffende waardeverdeling in de suikersector, kunnen landbouwers, met inbegrip van landbouworganisaties, en hun eerste koper clausules betreffende waardeverdeling, waaronder op de markt gegenereerde winsten en verliezen, overeenkomen waarin wordt bepaald hoe ontwikkelingen van de relevante marktprijzen van de betrokken producten of andere grondstoffenmarkten tussen hen moeten worden toegewezen.

▼B



Afdeling 6

Procedurevoorschriften

Artikel 173

Gedelegeerde bevoegdheden

1.  Teneinde ervoor te zorgen dat de doelstellingen en verantwoordelijkheden van producentenorganisaties, unies van producentenorganisaties, organisaties van marktdeelnemers en brancheorganisaties duidelijk worden omschreven, in het belang van een grotere doeltreffendheid van de maatregelen van die organisaties en unies, zonder onevenredige administratieve lasten als gevolg en zonder afbreuk te doen aan het beginsel van vrijheid van vereniging, in het bijzonder voor niet-leden, is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 227 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de volgende aangelegenheden inzake producentenorganisaties, unies van producentenorganisaties, brancheorganisaties en organisaties van marktdeelnemers voor een of meer sectoren bedoeld in artikel 1, lid 2, of specifieke producten van deze sectoren:

a) de specifieke doelstellingen die deze organisaties en unies kunnen moeten of niet mogen nastreven; en, waar van toepassing, benevens de doelstellingen van de artikelen 152 tot en met 163;

b) de voorschriften van die organisaties en unies, de statuten van andere organisaties dan producentenorganisaties, de specifieke voorwaarden die van toepassing zijn op de statuten van producentenorganisaties in bepaalde sectoren, daaronder begrepen de afwijkingen van de in artikel 160, tweede alinea, bedoelde verplichting de volledige productie via de producentenorganisatie af te zetten, de structuur, de lidmaatschapsduur, de omvang, de verantwoordingsplicht en de activiteiten van die organisaties en verenigingen, de gevolgen van de erkenning, de intrekking van de erkenning, alsmede fusies;

c) de voorwaarden voor erkenning, intrekking en opschorting van erkenning, de gevolgen van erkenning, intrekking en opschorting van erkenning, en de verplichting voor dergelijke organisaties en unies om corrigerende maatregelen te nemen indien niet aan de erkenningscriteria wordt voldaan;

d) transnationale organisaties en unies, onder meer inzake de onder a), b) en c), van dit lid bedoelde voorschriften;

e) de voorschriften inzake vestiging en de voorwaarden voor administratieve bijstand door de bevoegde autoriteiten bij grensoverschrijdende samenwerking;

▼C1

f) de sectoren waarop artikel 155 van toepassing is, de voorwaarden voor de uitbesteding van activiteiten, de aard van de activiteiten die kunnen worden uitbesteed en de terbeschikkingstelling van technische middelen door organisaties of unies;

▼B

g) de grondslag voor de berekening van het minimumvolume of de minimumwaarde van de afzetbare productie van organisaties of unies;

h) het opnemen van leden die geen producent zijn in producentenorganisaties en van leden die geen producentenorganisatie zijn in unies van producentenorganisaties;

i) de in artikel 164 bedoelde verbindendverklaring van bepaalde voorschriften van organisaties of unies voor niet-leden en de in artikel 165 bedoelde verplichte betaling van een lidmaatschapsbijdrage door niet-leden, inclusief het gebruik en de toewijzing van die betaling door deze organisaties en een lijst van in artikel 164, lid 4, eerste alinea, onder b), bedoelde stringentere productievoorschriften die verbindend kunnen worden verklaard, waarbij ervoor wordt gezorgd dat deze organisaties transparant zijn en verantwoording verschuldigd zijn aan niet-leden en dat leden niet gunstiger worden behandeld dan niet-leden, in het bijzonder wat het gebruik van de verplichte betaling van een lidmaatschapsbijdrage betreft;

j) aanvullende eisen met betrekking tot de representativiteit van de in artikel 164 bedoelde organisaties, de betrokken economische regio's, met inbegrip van het door de Commissie te verrichten onderzoek van de omschrijving daarvan, de minimumperioden gedurende welke de voorschriften van toepassing moeten zijn alvorens verbindend te kunnen worden verklaard, de personen of organisaties voor welke de voorschriften of de bijdragen gelden, en de omstandigheden waarin de Commissie kan eisen dat de verbindendverklaring van de voorschriften of de verplichte betaling van bijdragen wordt afgewezen of ingetrokken.

2.  In afwijking van lid 1 en teneinde te garanderen dat de doelstellingen en verantwoordelijkheden van producentenorganisaties, unies van producentenorganisaties en brancheorganisaties in de sector melk en zuivelproducten helder worden gedefinieerd, zodat deze organisaties doeltreffender kunnen werken zonder onnodig te worden belast, is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 227 uitvoeringshandelingen vast te stellen tot bepaling van het volgende:

a) de voorwaarden voor de erkenning van grensoverschrijdende producentenorganisaties en grensoverschrijdende unies van producentenorganisaties;

b) de voorschriften inzake vestiging en de voorwaarden voor administratieve bijstand aan producentenorganisaties,evenals unies van producentenorganisaties, door de bevoegde autoriteiten bij grensoverschrijdende samenwerking;

c) bijkomende voorschriften betreffende de berekening van het volume rauwe melk waarover overeenkomstig artikel 149, lid 2, onder c), en artikel 149, lid 3, wordt onderhandeld.

d) voorschriften inzake de uitbreiding van bepaalde in artikel 164 vastgestelde voorschriften van de organisaties tot niet-leden en de in artikel 165 bedoelde verplichte betaling van een lidmaatschapsbijdrage door niet-leden.

Artikel 174

Uitvoeringsbevoegdheden overeenkomstig de onderzoeksprocedure

1.  De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen waarin de maatregelen worden vastgelegd die nodig zijn voor de toepassing van dit hoofdstuk, in het bijzonder:

a) maatregelen voor de uitvoering van de voorwaarden voor de erkenning van producentenorganisaties en brancheorganisaties, zoals bepaald in artikel 154 en 158;

b) de procedures in het geval van fusie van producentenorganisaties;

c) de door de lidstaten vast te stellen procedures met betrekking tot de minimumomvang en de minimumduur van het lidmaatschap;

d) de procedures voor de uitbreiding van de voorschriften en de financiële bijdragen als bedoeld in de artikelen 164 en 165, met name de toepassing van het begrip "economische regio" als bedoeld in artikel 164, lid 2;

e) de procedures voor de administratieve bijstand;

f) de procedures voor het uitbesteden van activiteiten;

g) de procedures en technische voorwaarden voor de tenuitvoerlegging van de in de artikel 166 bedoelde maatregelen.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 229, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

2.  In afwijking van lid 1 kan de Commissie met betrekking tot de sector melk en zuivelproducten uitvoeringshandelingen vaststellen tot bepaling van de gedetailleerde voorschriften die nodig zijn voor:

a) de uitvoering van de in de artikelen 161 en 163 bepaalde voorwaarden voor de erkenning van producentenorganisaties, unies van producentenorganisaties en brancheorganisaties;

b) de kennisgeving bedoeld in artikel 149, lid 2, onder f);

c) de kennisgevingen van de lidstaten aan de Commissie overeenkomsti149rtikel 161, lid 3, onder d), artikel 163, lid 3, onder e), artikel 149, lid 8, en artikel 150, lid 7;

d) de procedures met betrekking tot administratieve bijstand bij grensoverschrijdende samenwerking.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 229, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 175

Andere uitvoeringsbevoegdheden

De Commissie kan door middel van uitvoeringshandelingen individuele besluiten nemen met betrekking tot:

▼C1

a) de erkenning van organisaties die in meer dan één lidstaat activiteiten verrichten overeenkomstig de krachtens artikel 173, lid 1, onder d), bepaalde voorschriften;

▼B

b) het bezwaar tegen of de intrekking van de erkenning van een brancheorganisatie door een lidstaat;

▼C1

c) de lijst van economische regio's die de lidstaten overeenkomstig de op grond van artikel 173, lid 1, onder i), en lid 2, onder d), vastgestelde voorschriften hebben gemeld;

▼B

d) de eis dat een lidstaat een door die lidstaat genomen besluit tot verbindendverklaring van voorschriften voor, of tot verplichte betaling van financiële bijdragen door niet-leden, weigert of intrekt.

Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld zonder toepassing van de in artikel 229, lid 2 of 3 bedoelde procedure.



DEEL III

HANDEL MET DERDE LANDEN



HOOFDSTUK I

Invoer- en uitvoercertificaten

Artikel 176

Algemene voorschriften

1.  Onverminderd de gevallen waarin op grond van deze verordening invoer- of uitvoercertificaten moeten worden overgelegd, kunnen certificaten verplicht worden gesteld wanneer één of meer producten van de volgende sectoren in de Unie worden ingevoerd om daar in het vrije verkeer te worden gebracht of wanneer één of meer producten van de volgende sectoren uit de Unie worden uitgevoerd:

a) granen;

b) rijst;

c) suiker;

d) zaaizaad;

e) olijfolie en tafelolijven, voor wat betreft de producten van de GN-codes 1509 , 1510 00 , 0709 92 90 , 0711 20 90 , 2306 90 19 , 1522 00 31 en 1522 00 39 ;

f) vlas en hennep, voor wat hennep betreft;

g) groenten en fruit;

h) verwerkte groenten en fruit;

i) bananen;

j) wijn;

k) levende planten;

l) rundvlees;

m) melk en zuivelproducten;

n) varkensvlees;

o) schapen- en geitenvlees;

p) eieren;

q) pluimveevlees;

r) ethylalcohol uit landbouwproducten.

2.  De certificaten worden door de lidstaten afgegeven aan elke aanvrager, ongeacht zijn plaats van vestiging in de Unie, tenzij anders is bepaald in een overeenkomstig artikel 43, lid 2, VWEU vastgestelde rechtshandeling, en onverminderd de toepassing van de artikelen 177, 178 en 179 van deze verordening.

3.  De certificaten zijn in de hele Unie geldig.

Artikel 177

Gedelegeerde bevoegdheden

1.  Teneinde rekening te houden met de internationale verplichtingen van de Unie en de toepasselijke sociale normen, milieunormen en normen voor dierenwelzijn van de Unie, alsmede met de noodzaak om toe te zien op de ontwikkelingen in de handel en op de markt, alsook de invoer en uitvoer van producten te monitoren, de markt goed te beheren en de administratieve lasten te verminderen, is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 227 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot bepaling van:

a) de lijst van de producten van de in artikel 176, lid 1, bedoelde sectoren waarvoor een invoer- of een uitvoercertificaat moet worden overgelegd;

b) de gevallen en situaties waarin geen invoer- of uitvoercertificaat hoeft te worden overgelegd, rekening houdend met de douanestatus van de betrokken producten, de in acht te nemen handelsregelingen, de doelstellingen van de transacties, de rechtsstatus van de aanvrager, en de betrokken hoeveelheden.

2.  Teneinde te voorzien in verdere elementen van de certificaatregeling is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 227 gedelegeerde handelingen vast te stellen voor het regelen van:

a) de rechten en plichten die uit het certificaat voortvloeien, de rechtsgevolgen van het certificaat en de gevallen waarin er een tolerantie geldt met betrekking tot de naleving van de verplichting tot invoer of uitvoer van de in het certificaat vermelde hoeveelheid of de plaats waar in het certificaat de oorsprong moet worden vermeld;

b) het koppelen van de afgifte van een invoercertificaat of de vrijgave voor het vrije verkeer aan de overlegging van een door een derde land of een entiteit afgegeven document waarin onder meer de oorsprong, de authenticiteit en de kwaliteitskenmerken van de producten worden gecertificeerd;

c) de overdracht van het certificaat of de beperkingen waaraan de overdraagbaarheid ervan gebonden is;

d) aanvullende voorwaarden voor invoercertificaten voor hennep overeenkomstig artikel 189 en het beginsel van administratieve samenwerking tussen de lidstaten om gevallen van fraude en onregelmatigheden te voorkomen of in behandeling te nemen;

e) de gevallen en situaties waarin al dan niet een zekerheid moet worden gesteld die garandeert dat de producten binnen de geldigheidsduur van het certificaat worden ingevoerd of uitgevoerd.

Artikel 178

Uitvoeringsbevoegdheden overeenkomstig de onderzoeksprocedure

De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast waarin de maatregelen worden vastgelegd die nodig zijn voor de toepassing van dit hoofdstuk, mede omvattende voorschriften inzake:

a) de vorm en de inhoud van het certificaat;

b) de indiening van aanvragen en de afgifte van certificaten, alsmede het gebruik ervan;

c) de periode van geldigheid van het certificaat;

d) de procedures voor het stellen van een zekerheid en het bedrag daarvan;

e) bewijsstukken die aantonen dat aan de eisen voor het gebruik van de certificaten is voldaan;

f) het tolerantieniveau ten aanzien van de naleving van de verplichting tot invoer of uitvoer van de in het certificaat vermelde hoeveelheid;

g) het afgeven van vervangingscertificaten en duplicaatcertificaten;

h) de verwerking van certificaten door de lidstaten en de voor het beheer van de regeling vereiste informatie-uitwisseling, met inbegrip van de procedures voor de specifieke administratieve samenwerking tussen de lidstaten.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 229, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 179

Andere uitvoeringsbevoegdheden

De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen -waarin:

a) de hoeveelheden waarvoor certificaten kunnen worden afgegeven, worden beperkt;

b) de aangevraagde hoeveelheden worden afgewezen; en

c) de indiening van aanvragen worden opgeschort om de markt te kunnen beheren wanneer grote hoeveelheden worden aangevraagd.

Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld zonder toepassing van de in artikel 229, lid 2 of lid 3 bedoelde procedure.



HOOFDSTUK II

Invoerrechten

Artikel 180

Uitvoering van internationale overeenkomsten en bepaalde andere handelingen

De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast waarin maatregelen worden vastgelegd tot naleving van de eisen betreffende de berekening van de invoerrechten voor landbouwproducten die zijn vervat in overeenkomstig het VWEU gesloten internationale overeenkomsten, of in andere relevante, overeenkomstig artikel 43, lid 2, of artikel 207 VWEU vastgestelde handelingen, of in het gemeenschappelijk douanetarief. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 229, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 181

Invoerprijssysteem voor bepaalde producten van de sectoren groenten en fruit, verwerkte groenten en fruit en wijn

1.  Met het oog op de toepassing van het in het kader van het gemeenschappelijk douanetarief geldende douanerecht voor producten van de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit en voor druivensap en most, is de invoerprijs van een zending gelijk aan de douanewaarde van die zending, berekend overeenkomstig Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad ( 23 ) ("het douanewetboek") en Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie ( 24 ).

2.  Om de doeltreffendheid van het systeem te garanderen, is de Commissie bevoegd overeenkomstig artikel 227 gedelegeerde handelingen vast te stellen om te bepalen dat de gedeclareerde invoerprijs van een zendingmoet worden gecontroleerd aan de hand van een forfaitaire waarde bij invoer, en om de voorwaarden te bepalen waaronder het stellen van een zekerheid is vereist.

3.  De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast waarin voorschriften worden vastgelegd voor de berekening van de in lid 2bedoelde forfaitaire waarde bij invoer. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 229, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 182

Aanvullende invoerrechten

1.  De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen om te bepalen op welke tegen het in het gemeenschappelijk douanetarief bedoelde invoerrecht geïmporteerde producten van de sectoren granen, rijst, suiker, groenten en fruit, verwerkte groenten en fruit, rundvlees, melk en zuivelproducten, varkensvlees, schapen- en geitenvlees, eieren, pluimveevlees en bananen, evenals druivensap en druivenmost, een aanvullend invoerrecht moet worden geheven om mogelijke nadelige gevolgen van die invoer voor de markt van de Unie te voorkomen of te neutraliseren, indien:

a) de invoer plaatsvindt tegen een prijs die lager is dan het niveau dat de Unie aan de WTO heeft gemeld ("de reactieprijs"); of

b) het invoervolume in een bepaald jaar een bepaald niveau overschrijdt ("het reactievolume").

Het reactievolume is gebaseerd op de markttoegang, d.w.z. de invoer, uitgedrukt als percentage van het betrokken interne verbruik in de voorgaande drie jaren.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 229, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

2.  Er worden geen aanvullende invoerrechten geheven wanneer de invoer de EU-markt niet dreigt te verstoren of de gevolgen niet in verhouding zouden staan tot het beoogde doel.

3.  Voor de toepassing van lid 1, eerste alinea, onder a), worden de invoerprijzen vastgesteld op basis van de cif-invoerprijzen van de betrokken zending. De cif-invoerprijzen worden geverifieerd aan de hand van de representatieve prijzen voor het betrokken product op de wereldmarkt of op de invoermarkt van de Unie voor dat product.

4.  De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen waarin de voor de toepassing van dit artikel vereiste maatregelen worden vastgelegd. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 229, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 183

Andere uitvoeringsbevoegdheden

De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen waarin:

a) het niveau van het toepasselijke invoerrecht wordt bepaald volgens de voorschriften die ter zake zijn opgenomen in overeenkomstig het VWEU gesloten internationale overeenkomsten, in het gemeenschappelijk douanewetboek en in de in artikel 180 bedoelde uitvoeringshandelingen;

b) de representatieve prijzen en de reactievolumes worden bepaald met het oog op de toepassing van aanvullende invoerrechten in het kader van de op grond van artikel 182, lid 1, eerste alinea, vastgestelde voorschriften.

Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld zonder toepassing van de in artikel 229, lid 2 of lid 3, bedoelde procedure.



HOOFDSTUK III

Beheer van tariefcontingenten en speciale behandeling bij invoer in derde landen

Artikel 184

Tariefcontingenten

▼M5

1.  De tariefcontingenten voor de invoer van voor het vrije verkeer in de Unie of een deel daarvan bestemde landbouwproducten en de gedeeltelijk of geheel door de Unie te beheren tariefcontingenten voor de invoer van uit de Unie afkomstige landbouwproducten in derde landen, die voortvloeien uit overeenkomstig het VWEU gesloten internationale overeenkomsten of uit enige andere, op grond van artikel 43, lid 2, of artikel 207 VWEU vastgestelde handeling, worden door de Commissie geopend en/of beheerd door middel van gedelegeerde handelingen op grond van artikel 186 van deze verordening en uitvoeringshandelingen op grond van artikel 187 van deze verordening.

▼B

2.  De tariefcontingenten worden beheerd op een wijze die elke vorm van discriminatie tussen de betrokken marktdeelnemers voorkomt, door één van de volgende methoden of een combinatie daarvan of een andere passende methode toe te passen:

a) op basis van de chronologische volgorde waarin de aanvragen zijn ingediend (het beginsel "wie het eerst komt, het eerst maalt");

b) op basis van de evenredige verdeling van de hoeveelheden waarom bij de indiening van de aanvragen is verzocht (de "methode van het gelijktijdige onderzoek");

c) op basis van de traditionele handelsstromen (de "methode van de traditionele/nieuwe marktdeelnemers").

3.  In het kader van de gekozen beheersmethode moet:

a) met betrekking tot de invoertariefcontingenten terdege rekening worden gehouden met de voorzieningsbehoeften van de bestaande en opkomende productie-, verwerkings- en consumptiemarkt van de Unie, wat het concurrentievermogen en de voorzieningszekerheid en -continuïteit betreft, en met de noodzaak die markt in evenwicht te houden, en

b) met betrekking tot de uitvoertariefcontingenten ten volle gebruik kunnen worden gemaakt van alle mogelijkheden van die contingenten.

Artikel 185

Specifieke tariefcontingenten

Om het tariefcontingent voor invoer in Spanje van 2 000 000 ton maïs en 300 000 ton sorgho en het tariefcontingent voor invoer in Portugal van 500 000 ton maïs uit te voeren, is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 227 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot vaststelling van de nodige bepalingen inzake de verrichting van de invoer in het kader van het tariefcontingent alsmede, in voorkomend geval, inzake de openbare opslag van de ingevoerde hoeveelheden door de betaalorganen van de betrokken lidstaten en de afzet van die hoeveelheden op de markt van die lidstaten.

Artikel 186

Gedelegeerde bevoegdheden

1.  Teneinde in het kader van de tariefcontingenten een eerlijke toegang tot de beschikbare hoeveelheden en de gelijke behandeling van de marktdeelnemers te garanderen, is de Commissie bevoegd overeenkomstig artikel 227 gedelegeerde handelingen vast te stellen:

a) tot bepaling van de voorwaarden en eisen waaraan een marktdeelnemer moet voldoen om een aanvraag in het kader van het tariefcontingent te kunnen indienen; in het kader van deze bepalingen kan worden vereist dat de marktdeelnemer beschikt over een zekere minimumervaring op het gebied van handel met derde landen en daaraan gelijkgestelde gebieden of op het gebied van verwerking, die wordt uitgedrukt als een minimumhoeveelheid waarmee en een minimumperiode waarin hij in een bepaalde marktsector actief is geweest; deze bepalingen kunnen specifieke voorschriften omvatten om in te spelen op de behoeften en praktijken van een bepaalde sector en de gebruikswijzen en behoeften in de verwerkingssector;

b) tot bepaling van voorschriften betreffende de overdracht van rechten tussen marktdeelnemers en, waar nodig, beperkingen op die overdracht in het kader van het beheer van de tariefcontingenten,

c) tot koppeling van toegang tot een tariefcontingent aan het stellen van een zekerheid,

d) tot vaststelling, waar nodig, van specifieke kenmerken, eisen of beperkingen die van toepassing zijn op de tariefcontingenten zoals vastgesteld in internationale overeenkomsten of andere rechtshandelingen als bedoeld in artikel 184, lid 1.

2.  Teneinde ervoor te zorgen dat producten die worden uitgevoerd, uit hoofde van overeenkomstig het VWEU door de Unie gesloten internationale overeenkomsten onder bepaalde voorwaarden in aanmerking kunnen komen voor een speciale behandeling bij invoer in een derde land, is de Commissie bevoegd overeenkomstig artikel 227 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot voorschriften die de bevoegde autoriteiten van de lidstaten ertoe verplichten om op verzoek en nadat zij de nodige controles hebben verricht, een document af te geven waarin wordt verklaard dat deze voorwaarden zijn vervuld.

Artikel 187

Uitvoeringsbevoegdheden overeenkomstig de onderzoeksprocedure

De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen waarin het volgende is vastgelegd:

a) de jaarlijkse tariefcontingenten, zo nodig over het jaar gespreid, alsmede de toe te passen beheersmethode;

b) procedures voor de toepassing van de in de overeenkomst of rechtshandeling tot vaststelling van de invoer- of uitvoerregeling opgenomen specifieke bepalingen, met name op het gebied van:

i) garanties betreffende de aard, de herkomst en de oorsprong van het product;

ii) de erkenning van het document aan de hand waarvan de in punt i) bedoelde garanties kunnen worden gecontroleerd;

iii) de overlegging van een door het land van uitvoer afgegeven document;

iv) de bestemming en het gebruik van de producten;

c) de geldigheidsduur van de certificaten of de vergunningen;

d) de procedures voor het stellen van zekerheid en het bedrag daarvan;

e) het gebruik van de certificaten en, waar nodig, specifieke maatregelen inzake met name de voorwaarden voor de indiening van invoeraanvragen en de verlening van toestemming voor de invoer in het kader van de tariefcontingenten;

f) procedures en technische criteria voor de toepassing van artikel 185;

g) de nodige maatregelen betreffende de inhoud, de vorm, de afgifte en het gebruik van het in artikel 186, lid 2, bedoelde document.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 229, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

▼M5

Artikel 188

Toewijzing van tariefcontingenten

1.  De Commissie maakt de resultaten van de toewijzing van de tariefcontingenten, naar aanleiding van de aangemelde aanvragen en rekening houdend met de beschikbare tariefcontingenten en de aangemelde aanvragen, openbaar via een passende webpublicatie.

2.  Bij de in lid 1 bedoelde openbaarmaking wordt, in voorkomend geval, ook vermeld of in behandeling zijnde aanvragen moesten worden afgewezen, de indiening van aanvragen moest worden opgeschort of ongebruikte hoeveelheden moesten worden verdeeld.

3.  De lidstaten verlenen invoer- en uitvoercertificaten voor de in het kader van de tariefcontingenten voor invoer en uitvoer aangevraagde hoeveelheden, afhankelijk van de respectieve toewijzingscoëfficiënten en nadat deze door de Commissie overeenkomstig lid 1 openbaar zijn gemaakt.

▼B



HOOFDSTUK IV

Bijzondere bepalingen voor de invoer van bepaalde producten

Artikel 189

Invoer van hennep

1.  De volgende producten mogen slechts in de Unie worden ingevoerd als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a) ruwe hennep van GN-code 5302 10 00 moet voldoen aan de voorwaarden van artikel 32, lid 6, en in artikel 35, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1307/2013;

b) zaaizaad voor de inzaai van henneprassen van GN-code ex 1207 99 20 moet vergezeld gaan van het bewijs dat het gehalte aan tetrahydrocannabinol van het betrokken ras niet hoger is dan de waarde die is vastgesteld overeenkomstig artikel 32, lid 6, en in artikel 35, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1307/2013;

c) niet voor inzaai bestemd hennepzaad binnen GN-code 1207 99 91 en alleen ingevoerd door importeurs die door de lidstaat zijn erkend, teneinde te garanderen dat het zeker niet voor inzaai wordt gebruikt.

2.  Dit artikel geldt onverminderd restrictievere bepalingen die de lidstaten vaststellen in overeenstemming met het VWEU en met inachtneming van de verplichtingen die voortvloeien uit de WTO-Overeenkomst inzake de landbouw.

Artikel 190

Invoer van hop

1.  De producten van de hopsector mogen slechts uit derde landen worden ingevoerd als de kwaliteitsnormen ten minste gelijkwaardigzijn aan die welke zijn vastgesteld voor soortgelijke producten die in de Unie worden geoogst of uit dergelijke in de Unie geoogste producten worden vervaardigd.

2.  De producten worden geacht aan de in lid 1 bedoelde normen te voldoen als zij vergezeld gaan van een door de autoriteiten van het land van oorsprong afgegeven verklaring die is erkend als gelijkwaardig met het in artikel 77 bedoelde certificaat.

Voor hopmeel, met lupuline verrijkt hopmeel, hopextract en mengproducten van hop kan de verklaring slechts als gelijkwaardig met het certificaat worden erkend als het alfazuurgehalte van die producten niet lager is dan dat van de hop waaruit zij zijn vervaardigd.

3.  Om de administratieve lasten tot een minimum te beperken, is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 227 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot bepaling van de voorwaarden waaronder de verplichtingen inzake de gelijkwaardigheidsverklaring en de etikettering van de verpakking niet van toepassing zijn.

4.  De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast waarin de maatregelen worden vastgelegd die nodig zijn voor de toepassing van dit artikel, waaronder de voorwaarden voor de erkenning van gelijkwaardigheidsverklaringen en de controle van de invoer van hop. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 229, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 191

Afwijkingen voor ingevoerde producten en de bijzondere zekerheid in de wijnsector

Overeenkomstig artikel 43, lid 2, VWEU kunnen voor ingevoerde producten op grond van de internationale verplichtingen van de Unie afwijkingen van bijlage VIII, deel II, punt B.5 of punt C worden vastgesteld.

Wanneer wordt afgeweken van bijlage VIII, deel II, punt B.5, stellen de importeurs op het ogenblik van het in het vrije verkeer brengen bij de aangewezen douaneautoriteiten een zekerheid voor de betrokken producten. De zekerheid wordt vrijgegeven zodra de importeur ten genoegen van de douaneautoriteiten van de lidstaat waar de producten in het vrije verkeer worden gebracht, kan aantonen dat:

a) op de producten geen afwijkingen zijn toegepast, of

b) de producten waarvoor afwijkingen zijn toegepast, niet tot wijn zijn verwerkt, of, wanneer zij wel tot wijn zijn verwerkt, de daaruit verkregen producten adequaat zijn geëtiketteerd.

De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen waarin de voorschriften worden vastgelegd die nodig zijn voor de uniforme toepassing van dit artikel, onder meer inzake de bedragen van de zekerheid en de adequate etikettering. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 229, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 192

Invoer van ruwe suiker voor raffinage

1.  Tot het eind van het verkoopseizoen 2016-2017 krijgen voltijdraffinaderijen een exclusieve invoercapaciteit van 2 500 000 ton per verkoopseizoen, uitgedrukt in witte suiker.

2.  De enige suikerbietenverwerkende fabriek die in 2005 in Portugal in werking was, wordt geacht een voltijdraffinaderij te zijn.

3.  Invoercertificaten voor suiker voor raffinage worden alleen aan voltijdraffinaderijen afgegeven,op voorwaarde dat de betrokken hoeveelheden de in lid 1 vermelde hoeveelheden niet overschrijden. De invoercertificaten mogen alleen tussen voltijdraffinaderijen worden overgedragen en de geldigheidsduur ervan verstrijkt aan het einde van het verkoopseizoen waarvoor zij zijn afgegeven.

Dit lid is van toepassing op de eerste drie maanden van elk verkoopseizoen.

4.  Om ervoor te zorgen dat de voor raffinage bestemde suiker overeenkomstig dit artikel ingevoerd, wordt geraffineerd, is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 227 gedelegeerde handelingen vast te stellen ter bepaling van:

a) het gebruik van begrippen voor de werking van de in lid 1 bedoelde invoerregelingen;

b) de voorwaarden en eisen waaraan een marktdeelnemer moet voldoen om een aanvraag voor een invoercertificaat in te dienen, mede inzake het stellen van een zekerheid;

c) de voorschriften inzake toe te passen administratieve sancties.

5.  De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen tot vaststelling van de nodige voorschriften inzake de bewijsstukken die moeten worden overgelegd met betrekking tot de eisen en verplichtingen waaraan de invoerders, en met name voltijdraffinaderijen, moeten voldoen. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 229, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 193

Schorsing van invoerrechten in de suikersector

Om de grondstofvoorziening te garanderen die nodig is voor de vervaardiging van de in artikel 140, lid 2) bedoelde producten, kan de Commissie tot aan het einde van verkoopseizoen 2016/2017, uitvoeringshandelingen vaststellen waarin de toepassing van de invoerrechten geheel of gedeeltelijk wordt geschorst voor bepaalde hoeveelheden van de volgende producten:

a) suiker van GN-code ex  17 01 ;

b) isoglucose van de GN-codes 1702 30 10 , 1702 40 10 , 1702 60 10 en 1702 90 30 .

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 229, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.



HOOFDSTUK V

Vrijwaring en actieve veredeling

Artikel 194

Vrijwaringsmaatregelen

1.  Vrijwaringsmaatregelen tegen invoer in de Unie worden, met inachtneming van lid 3 van dit artikel, door de Commissie genomen overeenkomstig de Verordeningen (EG) nr. 260/2009 ( 25 ) en (EG) nr. 625/2009 ( 26 ) van de Raad.

2.  Tenzij in andere rechtshandelingen van het Europees Parlement en de Raad, of in andere rechtshandelingen van de Raad anders is bepaald, worden vrijwaringsmaatregelen tegen invoer in de Unie waarin is voorzien in op grond van het VWEU gesloten internationale overeenkomsten, door de Commissie genomen overeenkomstig lid 3 van dit artikel.

3.  De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen waarin de in de leden 1 en 2 bedoelde maatregelen worden vastgelegd op verzoek van een lidstaat of op eigen initiatief. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 229, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Als de Commissie een dergelijk verzoek van een lidstaat ontvangt, neemt zij daarover binnen vijf werkdagen na ontvangst van het verzoek een besluit door middel van uitvoeringshandelingen. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 229, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Om naar behoren gemotiveerde dwingende redenen van urgentie stelt de Commissie volgens de in artikel 229, lid 3, bedoelde procedure onmiddellijk toepasselijke uitvoeringshandelingen vast.

De genomen maatregelen worden onverwijld aan de lidstaten gemeld en zijn met onmiddellijke ingang van toepassing.

4.  De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen waarin de op grond van lid 3 vastgestelde vrijwaringsmaatregelen van de Unie worden ingetrokken of gewijzigd. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 229, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Om naar behoren gemotiveerde dwingende redenen van urgentie stelt de Commissie volgens de in artikel 229, lid 3, bedoelde procedure onmiddellijk toepasselijke uitvoeringshandelingen vast.

Artikel 195

Schorsing van de regelingen voor verwerking en voor actieve veredeling

Wanneer de markt van de Unie wordt verstoord of dreigt te worden verstoord door regelingen voor verwerking of voor actieve veredeling, kan de Commissie uitvoeringshandelingen vaststellen, op verzoek van een lidstaat of op eigen initiatief, waarin het gebruik van regelingen voor verwerking of voor actieve veredeling geheel of gedeeltelijk wordt geschorst voor de producten van de sectoren granen, rijst, suiker, olijfolie en tafelolijven, groenten en fruit, verwerkte groenten en fruit, wijn, rundvlees, melk en zuivelproducten, varkensvlees, schapen- en geitenvlees, eieren, pluimveevlees en ethylalcohol uit landbouwproducten. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 229, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Als de Commissie een dergelijk verzoek van een lidstaat ontvangt, neemt zij daarover binnen vijf werkdagen na ontvangst van het verzoek een besluit door middel van uitvoeringshandelingen. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 229, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Om naar behoren gemotiveerde dwingende redenen van urgentie stelt de Commissie volgens de in artikel 229, lid 3, bedoelde procedure onmiddellijk toepasselijke uitvoeringshandelingen vast.

De genomen maatregelen worden onverwijld aan de lidstaten gemeld en zijn met onmiddellijke ingang van toepassing.



HOOFDSTUK VI

Uitvoerrestituties

Artikel 196

Toepassingsgebied

1.  Voor zover nodig om te kunnen uitvoeren op basis van de noteringen of de prijzen op de wereldmarkt, mits de omstandigheden in de interne markt zijn zoals die die beschreven zijn in van artikel 219, lid 1, of artikel 221, en binnen de grenzen die voortvloeien uit overeenkomstig het VWEU gesloten internationale overeenkomsten, kan het verschil tussen deze noteringen of prijzen en de prijzen in de Unie worden overbrugd door een restitutie bij uitvoer voor:

a) de producten van de volgende sectoren die in ongewijzigde staat worden uitgevoerd:

i) granen;

ii) rijst;

iii) suiker, voor wat betreft de producten die zijn vermeld in bijlage I, deel III,onder b), c), d) en g);

iv) rundvlees;

v) melk en zuivelproducten;

vi) varkensvlees;

vii) eieren;

viii) pluimveevlees;

b) de onder a), i), ii), iii), v) en vii), genoemde producten die bestemd zijn om overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1216/2009 ( 27 ), in de vorm van verwerkte goederen te worden uitgevoerd of om te worden uitgevoerd in de vorm van de in bijlage I, deel X, onder b) van deze verordening genoemde suikerhoudende producten.

2.  De uitvoerrestituties voor de producten die in de vorm van verwerkte goederen worden uitgevoerd, mogen niet hoger zijn dan die voor dezelfde producten die in ongewijzigde staat worden uitgevoerd.

3.  Onverminderd de toepassing van artikel 219, lid 1, en artikel 221 bedraagt de beschikbare restitutie voor de in lid 1 van dit artikel bedoelde producten 0 EUR.

Artikel 197

Toewijzing van de hoeveelheden die met uitvoerrestitutie kunnen worden uitgevoerd

Voor de toewijzing van de hoeveelheden die met een uitvoerrestitutie kunnen worden uitgevoerd, wordt de methode gehanteerd:

a) die het best is aangepast aan de aard van het product en aan de situatie op de betrokken markt, zodat de beschikbare middelen zo doeltreffend mogelijk kunnen worden gebruikt, rekening houdend met de doeltreffendheid en de structuur van de uitvoer van de Unie en met de gevolgen van de uitvoer op het marktevenwicht, zonder dat dit leidt tot discriminatie tussen de betrokken marktdeelnemers, en met name tussen grote en kleine marktdeelnemers;

b) die, gezien de beheerseisen, administratief het minst belastend is voor de marktdeelnemers.

Artikel 198

Vaststelling van de uitvoerrestitutie

1.  De uitvoerrestitutie voor een bepaald product is voor de hele Unie gelijk. Zij kan naargelang van de bestemming worden gedifferentieerd, met name indien dit noodzakelijk is wegens de situatie op de wereldmarkt, de specifieke eisen van bepaalde markten of de verplichtingen die voortvloeien uit overeenkomstig het VWEU gesloten internationale overeenkomsten.

2.  Maatregelen inzake het bepalen van restituties worden overeenkomstig artikel 43, lid 3, VWEU door de Raad vastgesteld.

Artikel 199

Toekenning van uitvoerrestituties

1.  Voor de in artikel 196, lid 1, onder a), vermelde producten die in ongewijzigde staat worden uitgevoerd, worden de uitvoerrestituties uitsluitend toegekend op aanvraag en na overlegging van het uitvoercertificaat.

2.  Het bedrag van de restitutie bij uitvoer van de in artikel 196, lid 1, onder a), vermelde producten is het bedrag dat geldt op de dag van indiening van de certificaataanvraag of het bedrag dat resulteert uit de inschrijvingsprocedure, en in het geval van een gedifferentieerde restitutie, het bedrag dat op diezelfde dag geldt:

a) voor de op het certificaat aangegeven bestemming; of

b) voor de werkelijke bestemming indien deze verschilt van de op het certificaat aangegeven bestemming, in welk geval het toe te passen bedrag niet hoger mag zijn dan het bedrag dat geldt voor de op het certificaat aangegeven bestemming.

3.  De restitutie wordt uitbetaald wanneer het bewijs is geleverd dat:

a) de producten het douanegebied van de Unie hebben verlaten overeenkomstig de in artikel 161 van het douanewetboek bedoelde uitvoerprocedure;

b) de producten in het geval van een gedifferentieerde restitutie, onverminderd lid 2, onder b), zijn ingevoerd op de op het certificaat vermelde bestemming of een andere bestemming waarvoor de restitutie was vastgesteld.

Artikel 200

Uitvoerrestituties voor levende dieren in de sector rundvlees

Met betrekking tot producten van de sector rundvlees wordt de restitutie bij uitvoer van levende dieren slechts toegekend en uitbetaald wanneer is voldaan aan de eisen van het recht van de Unie inzake het welzijn van dieren en meer in het bijzonder aan de eisen inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer.

Artikel 201

Uitvoerbeperkingen

De naleving van de volumeverbintenissen die voortvloeien uit overeenkomstig het VWEU gesloten internationale overeenkomsten, wordt gegarandeerd op basis van de uitvoercertificaten die worden afgegeven voor de voor de betrokken producten geldende referentieperioden.

Wat betreft de inachtneming van de verplichtingen die voortvloeien uit de WTO-overeenkomst inzake de landbouw, doet het aflopen van een referentieperiode geen afbreuk aan de geldigheidsduur van de uitvoercertificaten.

Artikel 202

Gedelegeerde bevoegdheden

1.  Teneinde ervoor te zorgen dat de uitvoerrestitutieregeling goed functioneert, is de Commissie bevoegd overeenkomstig artikel 227 gedelegeerde handelingen vast te stellen waarbij de eis wordt opgelegd een zekerheid te stellen teneinde te garanderen dat de marktdeelnemers hun verplichtingen nakomen.

2.  Om de administratieve lasten voor de marktdeelnemers en de autoriteiten tot een minimum te beperken, is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 227 gedelegeerde handelingen vast te stellen waarin de drempels waaronder geen uitvoercertificaat hoeft te worden afgegeven of overgelegd, worden vastgelegd; waarin de bestemmingen of de transacties waarvoor een vrijstelling van de verplichting een uitvoercertificaat over te leggen, gerechtvaardigd is worden bepaald; en waarin, wanneer dat gerechtvaardigd is, achteraf uitvoercertificaten af te geven toegelaten wordt.

3.  Teneinde rekening te houden met praktische situaties die een volledige of gedeeltelijke toepassing voor uitvoerrestituties rechtvaardigen, en teneinde de marktdeelnemers te helpen de periode tussen de aanvraag van de uitvoerrestitutie en de uiteindelijke uitbetaling ervan te overbruggen, is de Commissie bevoegd overeenkomstig artikel 227 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot voorschriften inzake:

a) een andere datum voor de restitutie,

b) voorschotten op de uitvoerrestitutie, met inbegrip van de voorwaarden voor het stellen en het vrijgeven van de zekerheid;

c) aanvullende bewijsstukken waar twijfels bestaan over de werkelijke bestemming van de producten en de mogelijkheid van wederinvoer op het douanegebied van de Unie;

d) de bestemmingen die met uitvoer uit de Unie worden gelijkgesteld en de opname van op het douanegrondgebied van de Unie gelegen bestemmingen die in aanmerking komen voor uitvoerrestituties.

4.  Teneinde te garanderen dat exporteurs van in bijlage I bij de Verdragen vermelde producten en van daarmee vervaardigde producten gelijke toegang hebben tot uitvoerrestituties, is de Commissie bevoegd overeenkomstig artikel 227 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de toepassing van artikel 199, leden 1 en 2, op de in artikel 196, lid 1, onder b), bedoelde producten.

5.  Teneinde ervoor te zorgen dat de producten waarvoor uitvoerrestituties worden betaald, uit het douanegebied van de Unie worden uitgevoerd, te voorkomen dat zij op dat grondgebied terugkeren, en de administratieve lasten voor de marktdeelnemers bij het opstellen en het indienen van bewijsstukken waaruit blijkt dat de producten waarvoor gedifferentieerde restituties worden betaald, een bestemmingsland hebben bereikt, tot een minimum te beperken, is de Commissie bevoegd overeenkomstig artikel 227 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot voorschriften inzake:

a) de termijn waarbinnen de producten het douanegebied van de Unie moeten hebben verlaten, met inbegrip van de termijn waarin zij er tijdelijk weer mogen zijn ingevoerd,

b) de verwerking die de producten waarvoor uitvoerrestituties worden betaald, tijdens die periode mogen ondergaan,

c) het bewijs dat de producten een bestemming hebben bereikt om in aanmerking te komen voor gedifferentieerde restituties,,

d) de restitutiedrempels en de voorwaarden waaronder de exporteurs van de betrokken bewijslast kunnen worden vrijgesteld

e) de voorwaarden waaronder het door onafhankelijke derde partijen geleverde bewijs waaruit blijkt dat een bestemming is bereikt, mag worden goedgekeurd, wanneer gedifferentieerde restituties van toepassing zijn.

6.  Teneinde de naleving van de dierenwelzijnsvoorschriften door de exporteurs te bevorderen en om de bevoegde autoriteiten in staat te stellen na te gaan of de uitbetaling van aan de naleving van dierenwelzijnseisen gekoppelde uitvoerrestituties correct heeft plaatsgevonden, is de Commissie bevoegd overeenkomstig artikel 227 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de naleving van dierenwelzijnseisen buiten het douanegrondgebied van de Unie, ook wat het inzetten van onafhankelijke derden betreft.

7.  Teneinde rekening te houden met de specifieke kenmerken van de verschillende sectoren is de Commissie bevoegd overeenkomstig artikel 227 gedelegeerde handelingen vast te stellen ter bepaling van specifieke eisen en voorwaarden voor de marktdeelnemers en de producten die voor een uitvoerrestitutie in aanmerking komen, en van de coëfficiënten voor de berekening van de uitvoerrestituties, rekening houdend met het verouderingsproces van bepaalde uit granen gedistilleerde dranken.

Artikel 203

Uitvoeringsbevoegdheden overeenkomstig de onderzoeksprocedure

De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast waarin de voor de toepassing van dit hoofdstuk vereiste maatregelen worden vastgelegd, met name met betrekking tot:

a) de herverdeling van de hoeveelheden die kunnen worden uitgevoerd, maar niet zijn toegewezen of gebruikt;

b) de methode voor de herberekening van de betaling van de uitvoerrestitutie wanneer de in een certificaat vermelde productcode of bestemming niet overeenstemt met het daadwerkelijk product of de daadwerkelijke bestemming;

c) de in artikel 196, lid 1, onder b), vermelde producten;

d) de procedures voor het stellen van zekerheid en het bedrag daarvan;

e) de toepassing van overeenkomstig artikel 202, lid 4, vastgestelde maatregelen.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 229, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 204

Andere uitvoeringsbevoegdheden

De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen waarin:

a) passende maatregelen worden genomenom misbruik van de in artikel 199, lid 2, geboden flexibiliteit te voorkomen, met name wat de procedure voor het indienen van aanvragen betreft;

b) de nodige maatregelen worden genomenvoor de naleving van de in artikel 201 bedoelde volumeverbintenissen, onder meer in de vorm van het stopzetten of beperken van de afgifte van uitvoercertificaten wanneer deze verbintenissen worden of kunnen worden overschreden;

c) coëfficiënten worden vastgelegd voor de uitvoerrestituties overeenkomstig de op grond van artikel 202, lid 7, aangenomen bepalingen.

Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld zonder toepassing van de in artikel 229, lid 2 of lid 3, bedoelde procedure.



HOOFDSTUK VII

Passieve veredeling

Artikel 205

Schorsing van de regeling passieve veredeling

Wanneer de markt van de Unie wordt verstoord of dreigt te worden verstoord door regelingen voor passieve veredeling, kan de Commissie uitvoeringshandelingen vaststellen, op verzoek van een lidstaat of op eigen initiatief, waarbij het gebruik van de regelingen voor passieve veredeling geheel of gedeeltelijk worden geschorst voor de producten van de sectoren granen, rijst, groenten en fruit, verwerkte groenten en fruit, wijn, rundvlees, varkensvlees, schapen- en geitenvlees en pluimveevlees. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 229, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Als de Commissie een dergelijk verzoek van een lidstaat ontvangt, neemt zij daarover binnen vijf werkdagen na ontvangst van het verzoek een besluit door middel van uitvoeringshandelingen. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 229, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Om naar behoren gemotiveerde dwingende redenen van urgentie stelt de Commissie volgens de in artikel 229, lid 3, bedoelde procedure onmiddellijk toepasselijke uitvoeringshandelingen vast.

De genomen maatregelen worden onverwijld aan de lidstaten gemeld en zijn met onmiddellijke ingang van toepassing.



DEEL IV

MEDEDINGINGSREGELS



HOOFDSTUK I

Regels voor ondernemingen

Artikel 206

Richtsnoeren van de Commissie betreffende de toepassing van mededingingsregels op landbouw

Tenzij in deze verordening anders is bepaald, en overeenkomstig artikel 42 VWEU, gelden de artikelen 101 tot en met 106 VWEU, evenals de daarvoor vastgestelde uitvoeringsbepalingen, voor alle in artikel 101, lid 1, en artikel 102 VWEU bedoelde overeenkomsten, besluiten en feitelijke gedragingen die betrekking hebben op de productie van of de handel in landbouwproducten, onder voorbehoud van de artikelen 207 tot en met 210 van deze verordening.

Teneinde de werking van de interne markt en de eenvormige toepassing van de mededingingsregels van de Unie te waarborgen, passen de Commissie en de mededingingsautoriteiten van de lidstaten de mededingingsregels van de Unie in nauw overleg toe.

Voorts publiceert de Commissie, waar nodig, richtsnoeren ten behoeve van de nationale mededingingsautoriteiten en de ondernemingen.

Artikel 207

Relevante markt

Door de relevante markt te definiëren, kunnen de grenzen van de mededinging tussen ondernemingen worden vastgesteld en afgebakend. Het gaat hierbij om twee elkaar aanvullende dimensies:

a)

de relevante productmarkt : onder "productmarkt" wordt voor de doeleinden van dit hoofdstuk verstaan de markt die alle producten bevat die op grond van hun kenmerken, hun prijzen en het gebruik waarvoor zij zijn bestemd, door de consument als onderling verwisselbaar of substitueerbaar worden beschouwd;

b)

de relevante geografische markt : onder "geografische markt" wordt voor de doeleinden van dit hoofdstuk verstaan de markt die het gebied omvat waarbinnen de betrokken ondernemingen de relevante producten aanbieden, waarbinnen de concurrentievoorwaarden voldoende homogeen zijn en dat van aangrenzende gebieden kan worden onderscheiden, met name doordat daar duidelijk afwijkende concurrentievoorwaarden heersen.

Artikel 208

Machtspositie

Onder "machtspositie" wordt voor de doeleinden van dit hoofdstuk verstaan: het feit dat een onderneming een dusdanig economisch sterke positie inneemtdat zij daardoor de instandhouding van een daadwerkelijke mededinging op de relevante markt kan belemmeren. en zich in belangrijke mate onafhankelijk kan gedragen tegenover haar concurrenten, haar afnemers en, uiteindelijk, de consumenten.

Artikel 209

Uitzonderingen met betrekking tot de doelstellingen van het GLB en met betrekking tot landbouwers en verenigingen van landbouwers

1.  Artikel 101, lid 1, VWEU is niet van toepassing op de in artikel 206, lid 1, van deze verordening bedoelde overeenkomsten, besluiten en feitelijke gedragingen die vereist zijn voor de verwezenlijking van de in artikel 39 VWEU omschreven doelstellingen.

▼M5

Artikel 101, lid 1, VWEU is niet van toepassing op de overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen van landbouwers, verenigingen van landbouwers of unies van deze verenigingen, krachtens artikel 152 of artikel 161 van deze verordening erkende producentenorganisaties of krachtens artikel 156 van deze verordening erkende unies van producentenorganisaties, voor zover deze betrekking hebben op de productie of de verkoop van landbouwproducten of het gebruik van gemeenschappelijke installaties voor het opslaan, behandelen of verwerken van landbouwproducten, tenzij de doelstellingen van artikel 39 VWEU in gevaar worden gebracht.

▼B

Dit lid is niet van toepassing op overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen die de verplichting inhouden identieke prijzen toe te passen of waardoor mededinging wordt uitgesloten.

2.  Overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen die voldoen aan de in lid 1 van dit artikel bedoelde voorwaarden zijn niet verboden, zonder dat daartoe een voorafgaand besluit vereist is.

▼M5

Landbouwers, verenigingen van landbouwers of unies van deze verenigingen, krachtens artikel 152 of artikel 161 van deze verordening erkende producentenorganisaties of krachtens artikel 156 van deze verordening erkende unies van producentenorganisaties, kunnen de Commissie evenwel om advies vragen over de verenigbaarheid van die overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen met de doelstellingen van artikel 39 VWEU.

De Commissie behandelt verzoeken om advies onverwijld en zij stuurt de aanvrager binnen vier maanden na ontvangst van een volledig verzoek haar advies toe. De Commissie kan, op eigen initiatief of op verzoek van een lidstaat, de inhoud van een advies wijzigen, met name wanneer de aanvrager onjuiste gegevens heeft verstrekt of misbruik heeft gemaakt van het advies.

▼B

In alle nationale of unieprocedures tot toepassing van artikel 101 VWEU levert de partij of autoriteit die beweert dat een inbreuk op artikel 101, lid 1, VWEU is gepleegd, het bewijs van die inbreuk. De partij die zich op de in lid 1 van dit artikel bedoelde vrijstellingen beroept, bewijst dat aan de voorwaarden van dat lid is voldaan.

Artikel 210

Overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen van erkende brancheorganisaties

1.  Artikel 101, lid 1, VWEU is niet van toepassing op overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen van krachtens artikel 157 van deze verordening erkende brancheorganisaties die dienen voor de uitvoering van de in artikel 157, lid 1, onder c), en wat de sector melk en zuivelproducten betreft, artikel 157, lid 3, onder c), van deze verordening vermelde activiteiten, en wat de sector olijfolie en tafelolijven en de sector tabak betreft, voor de uitvoering van de in artikel 162 van deze verordening bedoelde activiteiten.

2.  Lid 1 is van toepassing mits:

a) de overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen daarin vermeld zijn aan de Commissie gemeld; en

b) de Commissie niet binnen twee maanden na ontvangst van alle vereiste gegevens heeft vastgesteld dat deze overeenkomsten, besluiten of onderling afgestemde feitelijke gedragingen onverenigbaar zijn met de Unievoorschriften.

Indien de Commissie vaststelt dat de overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen vermeld in lid 1 onverenigbaar zijn met de Unievoorschriften, formuleert zij haar bevindingen zonder toepassing van de in artikel 229, lid 2 of lid 3, bedoelde procedure.

3.  De in lid 1 bedoelde overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen mogen pas na het verstrijken van de in lid 2, eerste alinea, onder b), bedoelde termijn van twee maanden ten uitvoer worden gelegd.

4.  Overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen worden in ieder geval als onverenigbaar met de Unievoorschriften aangemerkt indien zij:

a) kunnen leiden tot compartimentering van de markten binnen de Unie, ongeacht in welke vorm;

b) de goede werking van de marktordening in gevaar kunnen brengen;

c) concurrentieverstoringen kunnen teweegbrengen die niet volstrekt noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van de met de activiteit van de brancheorganisatie nagestreefde doelstellingen van het GLB;

d) de vaststelling van prijzen of quota omvatten;

e) discriminatie kunnen veroorzaken of de concurrentie voor een aanzienlijk deel van de betrokken producten kunnen uitschakelen.

5.  Indien de Commissie na het verstrijken van de in lid 2, eerste alinea, onder b), bedoelde termijn van twee maanden constateert dat niet aan de voorwaarden voor de toepassing van lid 1 is voldaan, stelt zij zonder toepassing van de in artikel 229, lid 2 of lid 3, bedoelde procedure, een besluit vast waarin zij verklaart dat artikel 101, lid 1, VWEU van toepassing is op de betrokken overeenkomst, het betrokken besluit of de betrokken onderling afgestemde feitelijke gedraging.

Dit besluit van de Commissie wordt niet eerder van toepassing dan op de dag van kennisgeving ervan aan de betrokken brancheorganisatie, tenzij deze laatste onjuiste gegevens heeft verstrekt of misbruik heeft gemaakt van de in lid 1 bedoelde vrijstelling.

6.  In het geval van meerjarenovereenkomsten geldt de melding voor het eerste jaar ook voor de volgende jaren van de overeenkomst. In dat geval kan de Commissie evenwel, op eigen initiatief of op verzoek van een andere lidstaat, te allen tijde verklaren dat er sprake is van onverenigbaarheid.

7.  De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen met de nodige maatregelen voor de uniforme toepassing van dit artikel. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 229, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.



HOOFDSTUK II

Regels inzake staatssteun

Artikel 211

Toepassing van de artikelen 107, 108 en 109 VWEU

1.  De artikelen 107, 108 en 109 VWEU zijn van toepassing op de productie en de verhandeling van landbouwproducten.

2.  In afwijking van lid 1 zijn de artikelen 107, 108 en 109 VWEU niet van toepassing op betalingen die de lidstaten doen op grond van en in overeenstemming met een van de volgende bepalingen:

a) de in deze verordening bedoelde maatregelen die geheel of gedeeltelijk door de Unie worden gefinancierd;

b) de artikelen 213 tot en met 218 van deze verordening.

Artikel 212

Nationale betalingen in verband met steunprogramma's voor wijn

In afwijking van artikel 44, lid 3, mogen de lidstaten voor de in de artikelen 45, 49 en 50 bedoelde maatregelen nationale betalingen toekennen overeenkomstig de Unievoorschriften inzake staatssteun.

Het maximale steunpercentage dat is vastgesteld in de toepasselijke Unievoorschriften inzake staatssteun, is van toepassing op het totale van overheidswege gefinancierde bedrag, zowel nationale financiële middelen als middelen van de Unie meegerekend.

Artikel 213

Nationale betalingen voor rendieren in Finland en Zweden

Als de Commissie daarvoor machtiging verleent zonder toepassing van de in artikel 229, lid 2 of lid 3, bedoelde procedure, mogen Finland en Zweden nationale betalingen voor de productie en de afzet van rendieren en rendierproducten (GN-codes ex  02 08 en ex  02 10 ) toekennen voor zover die betalingen niet gepaard gaan met een verhoging van de traditionele productieniveaus.

Artikel 214

Nationale betalingen voor de suikersector in Finland

Finland mag per verkoopseizoen nationale betalingen aan suikerbietentelers toekennen ten bedrage van maximaal 350 EUR per hectare.

▼M1

Artikel 214 bis

Nationale betalingen voor bepaalde sectoren in Finland

Onder voorbehoud van toestemming van de Commissie mag Finland de nationale steun die het in 2013 op basis van artikel 141 van de Toetredingsakte van 1994 heeft toegekend, voor de periode 2014-2020 blijven toekennen op voorwaarde dat:

a) het bedrag aan inkomenssteun over de gehele periode geleidelijk wordt verminderd en in 2020 nog maximaal 30 % van het in 2013 toegekende bedrag bedraagt; en

b) alvorens van deze mogelijkheid gebruik wordt gemaakt, voor de betrokken sectoren ten volle gebruik is gemaakt van de regelingen inzake steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid.

De Commissie stelt haar toestemming vast zonder toepassing van de in artikel 229, lid 2 of 3, van deze verordening bedoelde procedure.

▼B

Artikel 215

Nationale betalingen voor de bijenteelt

De lidstaten kunnen nationale betalingen toekennen ter bescherming van bedrijven uit de bijenteeltsector die te kampen hebben met ongunstige structurele of natuurlijke omstandigheden, of nationale betalingen toekennen in het kader van programma's voor economische ontwikkeling, behalve wanneer het gaat om nationale betalingen ten behoeve van de productie of de handel.

Artikel 216

Nationale betalingen voor distillatie van wijn in crisisgevallen

1.  De lidstaten mogen in gerechtvaardigde crisisgevallen nationale betalingen aan wijnproducenten toekennen voor de vrijwillige of verplichte distillatie van wijn.

Deze betalingen moeten evenredig zijn en een oplossing bieden voor de crisis.

Het totaalbedrag dat een lidstaat in een bepaald jaar voor die betalingen uittrekt, mag niet hoger zijn dan 15 % van de totale beschikbare middelen die in bijlage VI per lidstaat voor dat jaar zijn vastgesteld.

2.  Lidstaten die gebruik wensen te maken van de in lid 1 bedoelde nationale betalingen, leggen de Commissie een met redenen omklede melding voor. De Commissie besluit, zonder toepassing van de in artikel 229, lid 2 of lid 3, bedoelde procedure, of de maatregel wordt goedgekeurd en de betalingen mogen worden toegekend.

3.  Teneinde elke concurrentieverstoring te voorkomen, wordt de uit de in lid 1 bedoelde distillatie verkregen alcohol uitsluitend gebruikt voor industriële of energiedoeleinden.

4.  De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen waarin de voor de toepassing van dit artikel vereiste maatregelen worden vastgelegd. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 229, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

▼M2

Artikel 217

Nationale betalingen voor de verstrekking van producten aan kinderen

De lidstaten kunnen nationale betalingen verrichten voor de financiering van de verstrekking, aan kinderen in onderwijsinstellingen, van de groepen subsidiabele producten bedoeld in artikel 23, voor begeleidende educatieve maatregelen in verband met dergelijke producten en voor de daarmee gepaard gaande kosten, zoals bedoeld in artikel 23, lid 1, onder c).

De lidstaten kunnen deze betalingen financieren met de opbrengsten van een door de betrokken sector te betalen heffing of met een andere door de particuliere sector te leveren bijdrage.

▼B

Artikel 218

Nationale betalingen voor noten

1.  De lidstaten kunnen nationale betalingen ten belope van maximaal 120,75 EUR per hectare per jaar toekennen aan landbouwers die de volgende producten produceren:

a) amandelen die onder de GN-codes 0802 11 en 0802 12 vallen;

b) hazelnoten die onder de GN-codes 0802 21 en 0802 22 vallen;

c) walnoten die onder de GN-codes 0802 31 00 en 0802 32 00 vallen;

d) pimpernoten (pistaches) die onder de GN-code 0802 51 00 en 0802 52 00 vallen;

e) Sint-Jansbrood dat onder de GN-code 1212 92 00 valt.

2.  Het maximumareaal waarvoor de in lid 1 bedoelde nationale betalingen kunnen worden toegekend, is vastgesteld in de onderstaande tabel.



Lidstaat

Maximumareaal (ha)

België

100

Bulgarije

11 984

Duitsland

1 500

Griekenland

41 100

Spanje

568 200

Frankrijk

17 300

Italië

130 100

Cyprus

5 100

Luxemburg

100

Hongarije

2 900

Nederland

100

Polen

4 200

Portugal

41 300

Roemenië

1 645

Slovenië

300

Slowakije

3 100

Verenigd Koninkrijk

100

3.  De lidstaten kunnen het toekennen van de in lid 1 bedoelde nationale betalingen koppelen aan de voorwaarde dat de landbouwers lid zijn van een krachtens artikel 152 erkende producentenorganisatie.



DEEL V

ALGEMENE BEPALINGEN



HOOFDSTUK I

Uitzonderlijke maatregelen



Afdeling 1

Marktverstoringen

Artikel 219

Maatregelen ter bestrijding van marktverstoringen

1.  Teneinde efficiënt en doeltreffend te kunnen reageren op dreigende marktverstoringen als gevolg van aanzienlijke prijsstijgingen of -dalingen op interne of externe markten of andere gebeurtenissen en omstandigheden die de markt ernstig verstoren of dreigen te verstoren, voor zover deze situatie of de weerslag daarvan op de markt zou kunnen voortduren of verslechteren, is de Commissie bevoegd overeenkomstig artikel 227 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de maatregelen die nodig zijn om die situatie op de markt te verhelpen, zulks met inachtneming van de verplichtingen die voortvloeien uit overeenkomstig het VWEU gesloten internationale overeenkomsten en mits andere in deze verordening bedoelde maatregelen niet blijken te volstaan.

Indien dwingende redenen van urgentie dat in het geval van de in de eerste alinea van dit lid bedoelde dreigende marktverstoringen vereisen, is de in artikel 228 bedoelde procedure van toepassing op de op grond van de eerste alinea van dit lid vast te stellen gedelegeerde handelingen.

Die dwingende redenen van urgentie kunnen inhouden dat onmiddellijk moet worden opgetreden om marktverstoring te verhelpen of te voorkomen, indien de dreigende marktverstoring zich zo snel of onverwacht voordoet dat onmiddellijk optreden nodig is om de situatie efficiënt en doeltreffend te kunnen verhelpen, of indien optreden zou voorkomen dat de dreigende marktverstoring werkelijkheid wordt, aanhoudt of een ernstig of langdurig karakter krijgt, of indien niet-onmiddellijk optreden de verstoring zou veroorzaken of verergeren, of ertoe zou leiden dat later ingrijpender maatregelen nodig zouden zijn om de dreiging of de verstoring te verhelpen, dan wel schadelijk zou zijn voor de productie of de marktomstandigheden.

Dergelijke maatregelen kunnen, voor zover en zolang dat nodig is om de marktverstoring of de dreiging daarvan te verhelpen, het toepassingsgebied, de looptijd of andere aspecten van in deze verordening bedoelde maatregelen uitbreiden of wijzigen, of voorzien in uitvoerrestituties, of de invoerrechten geheel of gedeeltelijk opschorten, inclusief voor bepaalde hoeveelheden of perioden wanneer dat nodig is.

2.  De in lid 1 bedoelde maatregelen zijn niet van toepassing op de in bijlage I, deel XXIV, afdeling 2, vermelde producten.

De Commissie kan echter door middel van gedelegeerde handelingen die overeenkomstig de in artikel 228 bedoelde spoedprocedure worden vastgesteld, besluiten dat de in lid 1 bedoelde maatregelen van toepassing zijn op een of meer producten als vermeld in bijlage I, deel XXIV, afdeling 2.

3.  De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen waarin de procedurevoorschriften en technische criteria worden vastgelegd die nodig zijn voor de toepassing van de in lid 1 van dit artikel bedoelde maatregelen. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 229, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.



Afdeling 2

Marktondersteunende maatregelen in verband met dierziekten en verlies van vertrouwen bij de consument als gevolg van risico's voor de gezondheid van mensen, dieren of planten

Artikel 220

Maatregelen in verband met dierziekten en verlies van vertrouwen bij de consument als gevolg van risico's voor de gezondheid van mensen, dieren of planten

1.  De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen waarin uitzonderlijke steunmaatregelen worden genomen voor de getroffen markt om rekening te houden met:

a) de beperkingen van het intra-unie handelsverkeer en het handelsverkeer met derde landen die kunnen voortvloeien uit de toepassing van maatregelen om de verspreiding van dierziekten tegen te gaan, en

b) ernstige marktverstoringen die rechtstreeks verband houden met verlies van vertrouwen bij de consument als gevolg van risico's voor de gezondheid van mensen, dieren of planten, en risico's op ziekten.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 229, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

2.  De in lid 1 bedoelde maatregelen gelden voor elk van de volgende sectoren:

a) rundvlees;

b) melk en zuivelproducten;

c) varkensvlees;

d) schapen- en geitenvlees;

e) eieren;

f) pluimveevlees.

De in lid 1, eerste alinea, onder b) bedoelde maatregelen in verband met verlies van vertrouwen bij de consument als gevolg van risico's voor de gezondheid van mensen of planten zijn tevens van toepassing op alle andere dan de in bijlage I, deel XXIV, afdeling 2, opgenomen landbouwproducten.

De Commissie is bevoegd om overeenkomstig de in artikel 228 bedoelde spoedprocedure gedelegeerde handelingen vast te stellen die de lijst met producten in de eerste en de tweede alinea van dit lid, uitbreiden.

3.  De in lid 1 bedoelde maatregelen worden genomen op verzoek van de betrokken lidstaat.

4.  De in lid 1, eerste alinea, onder a), bedoelde maatregelen mogen pas worden genomen wanneer de betrokken lidstaat de nodige sanitaire en veterinaire maatregelen heeft genomen om de dierziekte snel uit te roeien en voor zover de intensiteit en de duur van de maatregelen niet verder gaan dan wat strikt noodzakelijk is voor de ondersteuning van de betrokken markt.

5.  De Unie cofinanciert 50 % van de uitgaven van de lidstaten voor de in lid 1 bedoelde maatregelen.

Voor de sectoren rundvlees, melk en zuivelproducten, varkensvlees en schapen- en geitenvlees neemt de Unie, in het geval van bestrijding van mond- en klauwzeer, 60 % van deze uitgaven voor haar rekening.

6.  De lidstaten zorgen ervoor dat, wanneer producenten bijdragen in de uitgaven van de lidstaten, zulks niet leidt tot een vervalsing van de concurrentie tussen producenten in verschillende lidstaten.



Afdeling 3

Specifieke problemen

Artikel 221

Maatregelen om specifieke problemen op te lossen

1.  De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast waarin de noodmaatregelen worden genomen die nodig en gerechtvaardigd zijn voor de oplossing van specifieke problemen. Die maatregelen mogen van deze verordening afwijken, doch slechts voor zover en zolang dat strikt noodzakelijk is. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 229, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

2.  Teneinde specifieke problemen op te lossen, en om naar behoren gemotiveerde dwingende redenen van urgentie die verband houden met omstandigheden waarin de voorwaarden voor de productie en de afzet snel dreigen te verslechteren en die moeilijk te verhelpen zouden kunnen zijn indien de maatregelen worden uitgesteld, stelt de Commissie volgens de in artikel 229, lid 3, bedoelde procedure, onmiddellijk toepasselijke uitvoeringshandelingen vast.

3.  De Commissie stelt de in lid 1 of lid 2 bedoelde maatregelen slechts vast indien de vereiste noodmaatregelen niet overeenkomstig artikel 219 of artikel 220 kunnen worden vastgesteld.

4.  Overeenkomstig lid 1 of lid 2 vastgestelde maatregelen blijven niet langer dan twaalf maanden van kracht. Indien de specifieke problemen die aanleiding waren voor het vaststellen van die maatregelen zich na deze periode nog steeds voordoen, kan de Commissie met het oog op een permanente oplossing gedelegeerde handelingen overeenkomstig artikel 227 vaststellen met betrekking tot de kwestie of passende wetgevingsvoorstellen doen.

5.  De Commissie stelt het Europees Parlement en de Raad in kennis van overeenkomstig lid 1 of lid 2 aangenomen maatregelen binnen twee werkdagen na de vaststelling ervan.



Afdeling 4

Overeenkomsten en besluiten gedurende periodes van ernstige marktverstoring

Artikel 222

Toepassing van artikel 101, lid 1, VWEU

▼M5

1.  Gedurende perioden van ernstige marktverstoring kan de Commissie uitvoeringshandelingen vaststellen om ervoor te zorgen dat artikel 101, lid 1, VWEU niet van toepassing is op overeenkomsten en besluiten van landbouwers, verenigingen van landbouwers of unies van deze verenigingen, of erkende producentenorganisaties, unies van erkende producentenorganisaties en erkende brancheorganisaties in de in artikel 1, lid 2, van deze verordening bedoelde sectoren, voor zover deze overeenkomsten en besluiten de goede werking van de interne markt niet ondermijnen, uitsluitend tot doel hebben de betrokken sector te stabiliseren en onder een of meer van de volgende categorieën vallen:

▼B

a) het uit de markt nemen of gratis verstrekken van hun producten;

b) bewerking en verwerking;

c) opslag door particuliere marktdeelnemers;

d) gezamenlijke afzetbevorderingsmaatregelen;

e) overeenkomsten inzake kwaliteitseisen;

f) gezamenlijke inkoop van productiemiddelen die nodig zijn om de verspreiding van plagen en ziekten in dieren en planten in de Unie tegen te gaan, of van productiemiddelen die nodig zijn om de gevolgen van natuurrampen in de Unie te bestrijden;

g) tijdelijke planning van de productie, rekening houdend met de specifieke aard van de productiecyclus.

De Commissie specificeert in uitvoeringshandelingen het materiële en geografische toepassingsgebied van deze afwijking en, met inachtneming van lid 3, de periode waarbinnen de afwijking geldt.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 229, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

▼M5 —————

▼B

3.  De in lid 1 bedoelde overeenkomsten en besluiten zijn maximaal zes maanden geldig.

De Commissie kan echter uitvoeringshandelingen vaststellen op grond waarvan dergelijke overeenkomsten en besluiten worden verlengd met een periode van maximaal zes maanden. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 229, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.



HOOFDSTUK II

Melding en verslaglegging

Artikel 223

Meldingsvereisten

1.  Voor de toepassing van deze verordening kan de Commissie overeenkomstig de in lid 2 bedoelde procedure de nodige maatregelen vaststellen met betrekking tot meldingen die de ondernemingen, lidstaten en derde landen moeten doen op het gebied van het monitoren, analyseren en beheren van de markt voor landbouwproducten, het waarborgen van de markttransparantie en van de goede werking van de GLB-maatregelen, het controleren, monitoren, evalueren en auditen van de GLB-maatregelen, en de vervulling van de eisen die zijn vastgesteld bij overeenkomstig het VWEU gesloten internationale overeenkomsten, met inbegrip van de meldingseisen in het kader van die overeenkomsten. Hierbij houdt de Commissie rekening met de gegevensbehoeften en de synergieën tussen potentiële gegevensbronnen.

De verkregen gegevens kunnen worden doorgestuurd naar of ter beschikking gesteld van internationale organisaties en bevoegde autoriteiten in derde landen en openbaar worden gemaakt, op voorwaarde dat de persoonsgegevens worden beschermd en rekening wordt gehouden met het legitieme belang dat ondernemingen hebben bij het bewaren van hun zakengeheimen, onder meer op het gebied van prijzen.

2.  Teneinde zorg te dragen voor de integriteit van informatiesystemen en de echtheid en leesbaarheid van doorgestuurde documenten en daarmee verband houdende gegevens, is de Commissie bevoegd overeenkomstig artikel 227 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot:

a) de aard en de soort van informatie die moet worden verstrekt;

b) de categorieën te verwerken gegevens, de maximumtermijnen voor de bewaring van die gegevens, alsmede de doeleinden van verwerking, in het bijzonder in geval van publicatie en overdracht van die gegevens aan derde landen;

c) de rechten inzake toegang tot de beschikbaar gestelde informatie of informatiesystemen;

d) de voorwaarden voor bekendmaking van de informatie.

3.  De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast waarin de maatregelen worden vastgelegd die nodig zijn voor de toepassing van dit artikel, met inbegrip van:

a) de wijze van melding,

b) voorschriften betreffende de te melden informatie;

c) regelingen voor het beheer van de te melden informatie, alsmede voor de inhoud en het format en voor de termijnen en de frequentie van de kennisgevingen;

d) de regelingen voor het doorsturen of het ter beschikking stellen van informatie en documenten aan lidstaten, internationale organisaties, bevoegde autoriteiten in derde landen of het publiek, op voorwaarde dat de persoonsgegevens worden beschermd en rekening wordt gehouden met het legitieme belang dat ondernemingen hebben bij het bewaren van hun zakengeheimen.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 229, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 224

Verwerking en bescherming van persoonsgegevens

1.  De lidstaten en de Commissie verzamelen persoonsgegevens voor de in artikel 223, lid 1, bedoelde doeleinden en verwerken die gegevens op geen enkele wijze die onverenigbaar is met deze doeleinden.

2.  Wanneer persoonsgegevens worden verwerkt voor de monitorings- en evaluatiedoeleinden bedoeld in artikel 223, lid 1, worden ze anoniem gemaakt en uitsluitend in samengevoegde vorm verwerkt.

3.  Persoonsgegevens worden verwerkt overeenkomstig Richtlijn 95/46/EG en Verordening (EG) nr. 45/2001. Met name mogen die gegevens in een vorm die het mogelijk maakt de betrokkenen te identificeren, niet langer worden bewaard dan noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de doeleinden waarvoor zij worden verzameld of vervolgens worden verwerkt, rekening houdend met de minimumtermijnen voor bewaring die in het toepasselijke nationale recht en het Unierecht zijn vastgesteld.

4.  De lidstaten stellen de betrokkenen ervan in kennis dat hun persoonsgegevens door nationale en instanties van de Unie overeenkomstig lid 1 kunnen worden verwerkt, en dat zij in dit verband de rechten genieten die zijn vastgesteld in respectievelijk Richtlijn 95/46/EG en Verordening (EG) nr. 45/2001.

Artikel 225

Verslagleggingsplicht van de Commissie

De Commissie brengt verslag uit aan het Europees Parlement en aan de Raad:

a) om de drie jaar en voor het eerst uiterlijk over de 21 december 2016 uitvoering van de in de artikelen 55, 56 en 57 bedoelde maatregelen in de bijenteeltsector, inclusief over de meest recente ontwikkelingen op het gebied van identificatiesystemen voor bijenkorven;

b) uiterlijk op 30 juni 2014 en op 31 december 2018 over de ontwikkeling van de marktsituatie in de sector melk en zuivelproducten, en met name betreffende de werking van de artikelen 148 tot en met 151, artikel 152, lid 3 en artikel 157, lid 3, ter beoordeling van met name de gevolgen voor de melkproducenten en melkproducten in achterstandsgebieden, in het licht van de algemene doelstelling om de productie in deze gebieden te handhaven, en betrekking hebbend op eventuele initiatieven om de landbouwers aan te zetten tot het maken van gezamenlijke productieafspraken, vergezeld van passende voorstellen.

c) uiterlijk op 31 december 2014, over de mogelijkheid om het toepassingsgebied van de schoolregelingen uit te breiden tot olijfolie en tafelolijven;

d) uiterlijk op 31 december 2017, over de toepassing van de mededingingsregels op de landbouwsector in alle lidstaten, met name wat betreft de werking van de artikelen 209 en 210 en van de artikelen 169, 170 en 171 in de betrokken sectoren;

▼M2

e) uiterlijk op 31 juli 2023, over de toepassing van de toewijzingscriteria bedoeld in artikel 23 bis, lid 2;

f) uiterlijk op 31 juli 2023, over het effect van de in artikel 23 bis, lid 4, bedoelde overdrachten op de doeltreffendheid van de schoolregeling ten opzichte van de verdeling van schoolgroenten en -fruit en schoolmelk.

▼B



HOOFDSTUK III

Reserve voor crises in de landbouwsector

Artikel 226

Gebruik van de reserve

Financiële middelen die vanuit de reserve voor crises in de landbouwsector worden overgeheveld overeenkomstig de voorwaarden en de procedure als bedoeld in artikel 25 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 en punt 22 van het Interinstitutioneel Akkoord tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende begrotingsdiscipline, samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer, worden ten bate van de maatregelen waarop deze verordening van toepassing is en die ten uitvoer worden gelegd onder omstandigheden die buiten het kader van de normale marktontwikkelingen vallen, beschikbaar gesteld voor het jaar of de jaren waarvoor aanvullende steun vereist is.

De financiële middelen worden met name aldus overgeheveld voor uitgaven in het kader van:

a) de artikelen 8 tot en met 21;

b) de artikelen 196 tot en met 204; en

c) Artikelen 219, 220 en 221 van deze verordening.



DEEL VI

DELEGATIE VAN BEVOEGDHEDEN EN UITVOERINGSBEPALINGEN OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN



HOOFDSTUK I

Delegatie van bevoegdheden en uitvoeringsbepalingen

Artikel 227

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.  De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.  De bevoegdheid om de in deze verordening bedoelde gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van zeven jaar met ingang van 20 december 2013. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van zeven jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.

3.  Het Europees Parlement of de Raad kan de in deze verordening bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.  Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

5.  Een krachtens deze verordening vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

Artikel 228

Spoedprocedure

1.  Een overeenkomstig dit artikel vastgestelde gedelegeerde handeling treedt onverwijld in werking en is van toepassing zolang geen bezwaar wordt gemaakt overeenkomstig lid 2. In de kennisgeving van een krachtens dit artikel vastgestelde gedelegeerde handeling aan het Europees Parlement en de Raad wordt vermeld om welke redenen gebruik wordt gemaakt van de spoedprocedure.

2.  Het Europees Parlement of de Raad kan overeenkomstig de in artikel 227, lid 5, bedoelde procedure bezwaar maken tegen een overeenkomstig dit artikel vastgestelde gedelegeerde handeling. In dat geval trekt de Commissie de handeling onverwijld in na kennisgeving van het besluit waarbij het Europees Parlement of de Raad bezwaar maakt.

Artikel 229

Comitéprocedure

1.  De Commissie wordt bijgestaan door een comité, het zogeheten "Comité voor de gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten". Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

2.  Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

Voor de in artikel 80, lid 5, artikel 91, onder c) en d), artikel 97, lid 4, artikel 99, artikel 106 en artikel 107, lid 3, bedoelde handelingen stelt de Commissie, indien door het comité geen advies wordt uitgebracht, de ontwerpuitvoeringshandeling niet vast en is artikel 5, lid 4, derde alinea, van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

3.  Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 8 juncto artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.



HOOFDSTUK II

Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 230

Intrekkingen

1.  Verordening (EG) nr. 1234/2007 wordt ingetrokken.

De volgende bepalingen van Verordening (EG) nr. 1234/2007 blijven evenwel van toepassing:

a) wat de regeling ter beperking van de melkproductie betreft, de in deel II, titel I, hoofdstuk III, afdeling III, artikel 55, artikel 85 en in de bijlagen IX en X vastgestelde bepalingen, tot en met 31 maart 2015;

b) wat de wijnsector betreft:

i) de artikelen 85 bis tot en met 85 sexies met betrekking tot de in artikel 85 bis, lid 2, bedoelde oppervlakten die nog niet zijn gerooid en met betrekking tot de in artikel 85 ter, lid 1, bedoelde oppervlakten die nog niet zijn geregulariseerd, totdat deze oppervlakten zijn gerooid of geregulariseerd, en artikel 188 bis, leden 1 en 2,

ii) de overgangsregeling inzake aanplantrechten die is vastgesteld in deel II, titel I, hoofdstuk III, afdeling IV a, onderafdeling II, tot en met 31 december 2015;

iii) artikel 118 quaterdecies, lid 5, totdat de op 1 juli 2013 bestaande wijnvoorraden onder de benaming "Mlado vino portugizac" zijn opgebruikt;

iv) artikel 118 vicies, lid 5, tot 1 july 2017;

▼M1

b bis) artikel 111 tot en met 31 maart 2015;

▼C1

c) artikel 113 bis, lid 4, de artikelen 114, 115 en 116, artikel 117, leden 1 tot en met 4, en artikel 121, onder e), iv), alsmede bijlage XIV, deel A, IV), deel B, I), punten 2 en 3, en III), punt 1, en deel C, alsmede bijlage XV, II), punten 1, 3, 5 en 6, en IV), punt 2, voor de toepassing van deze artikelen, tot de datum waarop de bij gedelegeerde handeling in de zin van artikel 75, lid 2, artikel 76, lid 4, artikel 78, leden 3 en 4, artikel 79, lid 1, artikel 80, lid 4, artikel 83, lid 4, artikel 86, artikel 87, lid 2, artikel 88, lid 3, en artikel 89 van deze verordening vast te stellen overeenkomstige afzetvoorschriften van kracht worden;

▼M1

c bis) artikel 125 bis, lid 1, onder e), en artikel 125 bis, lid 2, en, met betrekking tot de groenten- en fruitsector, bijlage XVI bis, tot de datum waarop de uit hoofde van de in artikel 173, lid 1, onder b) en i), bedoelde gedelegeerde handelingen vast te stellen overeenkomstige voorschriften van toepassing worden;

▼B

d) de artikelen 133 bis, lid 1, en 140 bis, tot en met 30 september 2014;

▼M1

d bis) de artikelen 136, 138 en 140, alsmede bijlage XVIII met het oog op de toepassing van die artikelen, tot de datum waarop de uit hoofde van de in artikel 180 en artikel 183, onder a), bedoelde uitvoeringshandelingen vast te stellen voorschriften van toepassing worden of tot en met 30 juni 2014, naargelang welke datum eerder is;

▼B

e) artikel 182, lid 3, eerste en tweede alinea, tot het einde van het verkoopseizoen voor suiker 2013/2014 op 30 september 2014;

f) artikel 182, lid 4, tot en met 31 december 2017;

g) artikel 182, lid 7, tot en met 31 maart 2014;

▼C1

h) bijlage XV, deel III, punt 3), tot en met 31 december 2015;

▼B

i) bijlage XX tot en met datum van inwerkingtreding van de wetgevingshandeling tot vervanging van Verordening (EG) nr. 1216/2009 en Verordening EG) nr. 614/2009 van de Raad ( 28 ).

2.  Verwijzingen naar Verordening (EG) nr. 1234/2007 gelden als verwijzingen naar de onderhavige verordening en naar Verordening (EU) nr. 1306/2013 volgens de concordantietabel in bijlage XIV bij de onderhavige verordening.

3.  De Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1601/96 en (EG) nr. 1037/2001 van de Raad worden ingetrokken.

Artikel 231

Overgangsbepalingen

1.  Om ervoor te zorgen dat de overgang van de in Verordening (EG) nr. 1234/2007 vastgestelde regelingen naar de in de onderhavige vastgestelde regelingen vlot verloopt, is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 227 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de maatregelen die nodig zijn om de verworven rechten en de legitieme verwachtingen van de ondernemingen te vrijwaren.

2.  Alle meerjarenprogramma's die voor 1 januari 2014 zijn aangenomen, blijven na de inwerkingtreding van deze verordening vallen onder de betrokken bepalingen van Verordening (EG) nr. 1234/2007 totdat zij afgelopen zijn.

Artikel 232

Inwerkingtreding en toepassing

1.  Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2014.

Daarbij geldt echter het volgende:

a) artikel 181 is van toepassing met ingang van 1 oktober 2014;

b) punt II(3) van bijlage VII, deel VII, is van toepassing met ingang van 1 januari 2016;

▼M5 —————

▼B

3.  De artikelen 127 tot en met 144 en de artikelen 192 en 193 gelden tot het eind van het verkoopseizoen 2016/2017 voor suiker op 30 september 2017.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.




BIJLAGE I

LIJST VAN IN ARTIKEL 1, LID 2, GENOEMDE PRODUCTEN

DEEL I

Granen

De in de onderstaande tabel opgenomen producten vallen onder de sector granen.



GN-code

Omschrijving

a)

0709 99 60

Suikermaïs, vers of gekoeld

0712 90 19

Suikermaïs, gedroogd, ook indien in stukken of in schijven gesneden, dan wel fijngemaakt of in poedervorm, doch niet op andere wijze bereid, andere dan hybriden bestemd voor zaaidoeleinden

1001 91 20

Zachte tarwe en mengkoren, zaaigoed

ex 1001 99 00

Spelt, zachte tarwe en mengkoren, niet bestemd voor zaaidoeleinden

1002

Rogge

1003

Gerst

1004

Haver

1005 10 90

Maïs, zaaigoed, andere dan hybriden

1005 90 00

Maïs, andere dan zaaigoed

1007 10 90 ,

1007 90 00

Graansorgho, andere dan hybriden bestemd voor zaaidoeleinden

1008

Boekweit, gierst (andere dan sorgho) en kanariezaad; andere granen

b)

1001 11 00 ,

1001 19 00

Harde tarwe

c)

1101 00

Meel van tarwe of van mengkoren

1102 90 70

Roggemeel

1103 11

Gries en griesmeel van tarwe

1107

Mout, ook indien gebrand

d)

0714

Maniokwortel, arrowroot (pijlwortel), salepwortel, aardperen, bataten (zoete aardappelen) en dergelijke wortels en knollen met een hoog gehalte aan zetmeel of aan inuline, vers, gekoeld, bevroren of gedroogd, ook indien in stukken of in pellets; merg van de sagopalm

ex  11 02

Meel van granen, andere dan van tarwe of van mengkoren:

1102 20

– Maïsmeel

1102 90

– Andere:

1102 90 10

– – Meel van gerst

1102 90 30

– – Havermeel

1102 90 90

– – Andere

ex  11 03

Gries, griesmeel en pellets van granen, met uitzondering van gries en griesmeel van tarwe (onderverdeling 1103 11 ), gries en griesmeel van rijst (onderverdeling 1103 19 50 ) en pellets van rijst (onderverdeling 1103 20 50 )

ex  11 04

Op andere wijze bewerkte granen (bijvoorbeeld gepeld, geplet, in vlokken, gepareld, gesneden of gebroken), andere dan rijst bedoeld bij post 1006 en vlokken van rijst van onderverdeling 1104 19 91 ; graankiemen, ook indien geplet, in vlokken of gemalen

1106 20

Meel, gries en poeder, van sago en van wortels of knollen bedoeld bij post 0714

ex  11 08

Zetmeel; inuline:

– Zetmeel:

1108 11 00

– – Tarwezetmeel

1108 12 00

– – Maïszetmeel

1108 13 00

– – Aardappelzetmeel

1108 14 00

– – Maniokzetmeel (cassave)

ex 1108 19

– – Ander zetmeel

1108 19 90

– – – Andere

1109 00 00

Tarwegluten, ook indien gedroogd

1702

Andere suiker, chemisch zuivere lactose, maltose, glucose en fructose (levulose) daaronder begrepen, in vaste vorm; suikerstroop, niet gearomatiseerd en zonder toegevoegde kleurstoffen; kunsthoning, ook indien met natuurhoning vermengd; karamel:

ex 1702 30

– Glucose en glucosestroop, in droge toestand geen of minder dan 20 gewichtspercenten fructose bevattend:

– – Andere:

ex 1702 30 50

– – – In wit kristallijn poeder, ook indien geagglomereerd, bevattende, in droge toestand, minder dan 99 gewichtspercenten glucose

ex 1702 30 90

– – – Andere, bevattende, in droge toestand, minder dan 99 gewichtspercenten glucose

ex 1702 40

– Glucose en glucosestroop, in droge toestand 20 of meer doch minder dan 50 gewichtspercenten fructose bevattend, met uitzondering van invertsuiker:

1702 40 90

– – Andere

ex 1702 90

– Andere, invertsuiker daaronder begrepen en andere suiker en suikerstropen die in droge toestand 50 gewichtspercenten fructose bevatten:

1702 90 50

– – Maltodextrine en maltodextrinestroop

– – Karamel:

– – – Andere:

1702 90 75

– – – – In poeder, ook indien geagglomereerd

1702 90 79

– – – – Andere

2106

Producten voor menselijke consumptie, elders genoemd noch elders onder begrepen:

ex 2106 90

– Andere

– – Suikerstroop, gearomatiseerd of met toegevoegde kleurstoffen:

– – – Andere

2106 90 55

– – – – Van glucose en van maltodextrine

ex  23 02

Zemelen, slijpsel en andere resten van het zeven, van het malen of van andere bewerkingen van granen, ook indien in pellets

ex  23 03

Afvallen van zetmeelfabrieken en dergelijke afvallen, bietenpulp, uitgeperst suikerriet (ampas) en andere afvallen van de suikerindustrie, bostel (brouwerijafval), afvallen van branderijen, ook indien in pellets:

2303 10

– Afvallen van zetmeelfabrieken en dergelijke afvallen

2303 30 00

– Bostel (bouwerijafval) en afvallen van branderijen

ex  23 06

Perskoeken en andere vaste afvallen, verkregen bij de winning van plantaardige vetten of oliën, ook indien fijngemaakt of in pellets, andere dan die bedoeld bij post 2304 of 2305 :

– Andere

2306 90 05

– – Van maïskiemen

ex 2308 00

Plantaardige zelfstandigheden en plantaardig afval, plantaardige residu's en bijproducten, ook indien in pellets, van de soort gebruikt voor het voederen van dieren, elders genoemd noch elders onder begrepen:

2308 00 40

– Eikels en wilde kastanjes; draf (droesem) van vruchten, andere dan druiven

2309

Bereidingen van de soort gebruikt voor het voederen van dieren:

ex 2309 10

– Honden– en kattenvoer, opgemaakt voor de verkoop in het klein:

2309 10 11

2309 10 13

2309 10 31

2309 10 33

2309 10 51

2309 10 53

– – Bevattende zetmeel, glucose (druivensuiker), glucosestroop, maltodextrine of maltodextrinestroop, bedoeld bij de onderverdelingen 1702 30 50 , 1702 30 90 , 1702 40 90 , 1702 90 50 en 2106 90 55 , of zuivelproducten

ex 2309 90

– Andere:

2309 90 20

– – Producten bedoeld bij aanvullende aantekening 5 bij hoofdstuk 23 van de gecombineerde nomenclatuur

– – Andere, zogenaamde „premelanges” daaronder begrepen:

2309 90 31

2309 90 33

2309 90 41

2309 90 43

2309 90 51

2309 90 53

– – – Bevattende zetmeel, glucose (druivensuiker), glucosestroop, maltodextrine of maltodextrinestroop, bedoeld bij de onderverdelingen 1702 30 50 , 1702 30 90 , 1702 40 90 , 1702 90 50 en 2106 90 55 , of zuivelproducten

(1)  Voor de toepassing van deze onderverdeling wordt onder zuivelproducten de producten verstaan die vallen onder de posten 0401 tot en met 0406 en onder de onderverdelingen 1702 11 00 , 1702 19 00 en 2106 90 51 .

DEEL II

Rijst

De in de onderstaande tabel opgenomen producten vallen onder de sector rijst.



GN-code

Omschrijving

a)

1006 10 21 tot

1006 10 98

Rijst (padie), andere dan voor zaaidoeleinden

1006 20

Gedopte rijst

1006 30

Halfwitte of volwitte rijst, ook indien gepolijst of geglansd

b)

1006 40 00

Breukrijst

c)

1102 90 50

Rijstmeel

1103 19 50

Gries en griesmeel, van rijst

1103 20 50

Pellets van rijst

1104 19 91

Vlokken van rijst

ex 1104 19 99

Geplette rijstkorrels

1108 19 10

Rijstzetmeel

DEEL III

Suiker

De in de onderstaande tabel opgenomen producten vallen onder de sector suiker.



GN-code

Omschrijving

a)

1212 91

Suikerbieten

1212 93 00

Suikerriet

b)

1701

Rietsuiker en beetwortelsuiker, alsmede chemisch zuivere sacharose, in vaste vorm

c)

1702 20

Ahornsuiker en ahornsuikerstroop

1702 60 95 en

1702 90 95

Andere suiker in vaste vorm en suikerstroop, niet gearomatiseerd en zonder toegevoegde kleurstoffen, met uitzondering van lactose, glucose, maltodextrine en isoglucose

1702 90 71

Karamel bevattende, in droge toestand, 50 of meer gewichtspercenten sacharose

2106 90 59

Suikerstroop, gearomatiseerd of met toegevoegde kleurstoffen, andere dan stroop van isoglucose, van lactose, van glucose en van maltodextrine

d)

1702 30 10

1702 40 10

1702 60 10

1702 90 30

isoglucose

e)

1702 60 80

1702 90 80

Inulinestroop

f)

1703

Melasse verkregen bij de extractie of de raffinage van suiker

g)

2106 90 30

Isoglucosestroop, gearomatiseerd of met toegevoegde kleurstoffen

h)

2303 20

Bietenpulp, uitgeperst suikerriet (ampas) en andere afvallen van de suikerindustrie

DEEL IV

Gedroogde voerdergewassen

De in de onderstaande tabel opgenomen producten vallen onder de sector gedroogde voedergewassen.



GN-code

Omschrijving

a)

ex 1214 10 00

– Meel en pellets van luzerne, kunstmatig gedroogd door middel van een warmtebehandeling

– Meel en pellets van luzerne, anders gedroogd en vermalen

ex 1214 90 90

– Luzerne, hanenkammetjes (esparcette), klaver, lupine, wikke en dergelijke voedergewassen, kunstmatig gedroogd door middel van een warmtebehandeling, met uitzondering van hooi en voederkool, alsmede van producten welke hooi bevatten

– Luzerne, hanenkammetjes (esparcette), klaver, lupine, wikke, honingklaver, zaailathyrus en rolklaver, anders gedroogd en vermalen

b)

ex 2309 90 96

– Proteïneconcentraten verkregen uit luzerne- en grassap;

– Kunstmatig gedroogde producten, uitsluitend verkregen uit vast afval en sap die afkomstig zijn van de bereiding van de bovengenoemde concentraten

DEEL V

Zaaizaad

De in de onderstaande tabel opgenomen producten vallen onder de sector zaaizaad.



GN-code

Omschrijving

0712 90 11

Hybriden van suikermaïs,

– Als zaaigoed

0713 10 10

Erwten (Pisum sativum):

– Als zaaigoed

ex 0713 20 00

Kekers (garbanzos)

– Als zaaigoed

ex 0713 31 00

Bonen van de soort Vigna mungo (L.) Hepper of Vigna radiata (L.) Wilczek:

– Als zaaigoed

ex 0713 32 00

bonen van de soort Phaseolus angularis of Vigna angularis (adzukibonen):

– Als zaaigoed

0713 33 10

Bonen van de soort Phaseolus vulgaris:

– Als zaaigoed

ex 0713 34 00

Bambarabonen (Vigna subterranea of Voandzeia subterranea):

ex 0713 35 00

– Als zaaigoed

ex 0713 39 00

Koeienerwten (Vigna unguiculata)

– Als zaaigoed

Andere:

– Als zaaigoed

ex 0713 40 00

Linzen:

– Als zaaigoed

ex 0713 50 00

Tuinbonen (Vicia faba var. major), paardenbonen (Vicia faba var. equina) en duivenbonen (Vicia faba var. minor):

ex 0713 60 00

– Als zaaigoed

Struikerwten (Cajanus cajan):

– Als zaaigoed

ex 0713 90 00

Andere gedroogde zaden van peulgroenten:

– Als zaaigoed

1001 91 10

Spelt,

– zaaigoed

1001 91 90

Andere:

– zaaigoed

ex 1005 10

Hybriden van maïs, zaaigoed

1006 10 10

Rijst (padie):

– Als zaaigoed

1007 10 10

Hybriden van graansorgho:

– zaaigoed

1201 10 00

Sojabonen, ook indien gebroken:

– zaaigoed

1202 30 00

Grondnoten, niet gebrand of op andere wijze door verhitting bereid, ook indien gedopt of gebroken:

– zaaigoed

1204 00 10

Lijnzaad, ook indien gebroken:

– Als zaaigoed

1205 10 10 en

Kool- en raapzaad, ook indien gebroken:

ex 1205 90 00

– Als zaaigoed

1206 00 10

Zonnebloempitten, ook indien gebroken:

– Als zaaigoed

ex  12 07

Andere oliehoudende zaden en vruchten, ook indien gebroken,

– Als zaaigoed

1209

Zaaigoed, sporen daaronder begrepen als zaaigoed

DEEL VI

Hop

De in de onderstaande tabel opgenomen producten vallen onder de sector hop.



GN-code

Omschrijving

1210

Hopbellen, vers of gedroogd, ook indien fijngemaakt, gemalen of in pellets; lupuline

1302 13 00

Plantensappen en plantenextracten van hop

DEEL VII

Olijfolie en tafelolijven

De in de onderstaande tabel opgenomen producten vallen onder de sector olijfolie en tafelolijven.



GN-code

Omschrijving

a)

1509

Olijfolie en fracties daarvan, ook indien geraffineerd, doch niet chemisch gewijzigd

1510 00

Andere olie en fracties daarvan, uitsluitend verkregen uit olijven, ook indien geraffineerd, doch niet chemisch gewijzigd, mengsels daarvan met olijfolie of fracties daarvan, bedoeld bij post 1509 , daaronder begrepen

b)

0709 92 10

Olijven, vers of gekoeld, bestemd voor andere doeleinden dan het vervaardigen van olie

0709 92 90

Andere olijven, vers of gekoeld

0710 80 10

Olijven, ook indien gestoomd of in water gekookt, bevroren

0711 20

Olijven, voorlopig verduurzaamd (bijvoorbeeld door middel van zwaveldioxide of in water waaraan, voor het voorlopig verduurzamen, zout, zwavel of andere stoffen zijn toegevoegd), doch als zodanig niet geschikt voor dadelijke consumptie

ex 0712 90 90

Olijven, gedroogd, ook indien in stukken of in schijven gesneden, dan wel fijngemaakt of in poedervorm, doch niet op andere wijze bereid

2001 90 65

Olijven, bereid of verduurzaamd in azijn of azijnzuur

ex 2004 90 30

Olijven, op andere wijze bereid of verduurzaamd dan in azijn of azijnzuur, bevroren

2005 70 00

Olijven, op andere wijze bereid of verduurzaamd dan in azijn of azijnzuur, niet bevroren

c)

1522 00 31

1522 00 39

Afvallen, afkomstig van de bewerking van vetstoffen of van dierlijke of plantaardige was, welke olie bevatten die de kenmerken van olijfolie heeft

2306 90 11

2306 90 19

Perskoeken van olijven en andere bij de winning van olijfolie verkregen vaste afvallen

DEEL VIII

Vlas en hennep

De in de onderstaande tabel opgenomen producten vallen onder de sector vlas en hennep.



GN-code

Omschrijving

5301

Vlas, ruw of bewerkt, doch niet gesponnen; werk en afval (afval van garen en rafelingen daaronder begrepen), van vlas

5302

Hennep (Cannabis sativa L.), ruw of bewerkt, doch niet gesponnen; werk en afval (afval van garen en rafelingen daaronder begrepen), van hennep

DEEL IX

Groenten en fruit

De in de onderstaande tabel opgenomen producten vallen onder de sector groenten en fruit.



GN-code

Omschrijving

0702 00 00

Tomaten, vers of gekoeld

0703

Uien, sjalotten, knoflook, prei en andere eetbare looksoorten, vers of gekoeld

0704

Rode kool, witte kool, bloemkool, spruitjes, koolrabi, boerenkool en dergelijke eetbare kool van het geslacht „Brassica”, vers of gekoeld

0705

Sla (Lactuca sativa), andijvie, witloof en andere cichoreigroenten (Cichorium spp.), vers of gekoeld

0706

Wortelen, rapen, kroten, schorseneren, knolselderij, radijs en dergelijke eetbare wortelen en knollen, vers of gekoeld

0707 00

Komkommers en augurken, vers of gekoeld

0708

Peulgroenten, ook indien gedopt, vers of gekoeld

ex  07 09

Andere groenten, vers of gekoeld, met uitzondering van groenten van de onderverdelingen 0709 60 91 , 0709 60 95 , 0709 60 99 , 0709 92 10 , 0709 92 90 en 0709 99 […] 60

ex  08 02

Andere noten, vers of gedroogd, ook zonder dop of schaal, al dan niet gepeld, met uitzondering van arecanoten (of betelnoten) en colanoten van onderverdeling 0802 70 00 , 0802 80 00

0803 10 10

Plantains, vers

0803 10 90

Plantains, gedroogd

0804 20 10

Verse vijgen

0804 30 00

Ananassen

0804 40 00

Advocaten (avocado's)

0804 50 00

Guaves, manga's en manggistans,

0805

Citrusvruchten, vers of gedroogd

0806 10 10

Druiven voor tafelgebruik

0807

Meloenen (watermeloenen daaronder begrepen) en papaja's, vers

0808

Appelen, peren, kweeperen, vers

0809

Abrikozen, kersen, perziken (nectarines daaronder begrepen), pruimen en sleepruimen, vers

0810

Ander fruit, vers

0813 50 31

0813 50 39

Mengsels uitsluitend bestaande uit noten bedoeld bij de posten 0801 en 0802

0910 20

Saffraan

ex 0910 99

Tijm, vers of gekoeld

ex 1211 90 86

Basilicum, melissa, munt, oregano/wilde marjolein (origanum vulgare), rozemarijn en salie, vers of gekoeld

1212 92 00

Sint-Jansbrood

DEEL X

Verwerkte groenten en verwerkt fruit

De in de onderstaande tabel opgenomen producten vallen onder de sector verwerkte groenten en verwerkt fruit.



GN-code

Omschrijving

a)

ex  07 10

Groenten, ook indien gestoomd of in water gekookt, bevroren, met uitzondering van suikermaïs van onderverdeling 0710 40 00 , olijven van onderverdeling 0710 80 10 en vruchten van de geslachten Capsicum of Pimenta van onderverdeling 0710 80 59

ex  07 11

Groenten, voorlopig verduurzaamd (bijvoorbeeld door middel van zwaveldioxide of in water waaraan, voor het voorlopig verduurzamen, zout, zwavel of andere stoffen zijn toegevoegd), doch als zodanig niet geschikt voor dadelijke consumptie, met uitzondering van olijven van onderverdeling 0711 20 , vruchten van de geslachten Capsicum en Pimenta van onderverdeling 0710 80 59 en suikermaïs van onderverdeling 0711 90 30

ex  07 12

Gedroogde groenten, ook indien in stukken of in schijven gesneden, dan wel fijngemaakt of in poedervorm, doch niet op andere wijze bereid, met uitzondering van kunstmatig door middel van een warmtebehandeling gedroogde aardappelen, niet geschikt voor menselijke consumptie, van onderverdeling ex 0712 90 05 , suikermaïs van de onderverdelingen 0712 90 11 en 0712 90 19 en olijven van onderverdeling ex 0712 90 90

0804 20 90

Gedroogde vijgen

0806 20

Rozijnen en krenten

ex  08 11

Vruchten, ook indien gestoomd of in water gekookt, bevroren, zonder toegevoegde suiker of andere zoetstoffen, met uitzondering van bevroren bananen van onderverdeling ex 0811 90 95

ex  08 12

Vruchten, voorlopig verduurzaamd (bijvoorbeeld door middel van zwaveldioxyde of in water waaraan, voor het voorlopig verduurzamen, zout, zwavel of andere stoffen zijn toegevoegd), doch als zodanig niet geschikt voor dadelijke consumptie, met uitzondering van voorlopig verduurzaamde bananen van onderverdeling ex 0812 90 98

ex  08 13

Vruchten, andere dan bedoeld bij de posten 0801 tot en met 0806 , gedroogd; mengsels van noten en gedroogde vruchten, bedoeld bij dit hoofdstuk, met uitzondering van mengsels uitsluitend bestaande uit noten bedoeld bij de posten 0801 en 0802 van de onderverdelingen 0813 50 31 en 0813 50 39

0814 00 00

Schillen van citrusvruchten en van meloenen (watermeloenen daaronder begrepen), vers, bevroren, gedroogd, dan wel in water waaraan, voor het voorlopig verduurzamen, zout, zwavel of andere stoffen zijn toegevoegd

0904 21 10

Niet-scherpsmakende pepers, gedroogd, niet fijngemaakt en niet gemalen

b)

ex  08 11

Vruchten, ook indien gestoomd of in water gekookt, bevroren, met toegevoegde suiker of andere zoetstoffen

ex 1302 20

Pectinestoffen en pectinaten

ex  20 01

Groenten, vruchten en andere eetbare plantendelen, bereid of verduurzaamd in azijn of in azijnzuur, met uitzondering van:

— scherpsmakende vruchten van het geslacht Capsicum van onderverdeling 2001 90 20

— suikermaïs (Zea mays var. saccharata) van onderverdeling 2001 90 30

— broodwortelen, bataten (zoete aardappelen) en dergelijke eetbare plantendelen met een zetmeelgehalte van 5 of meer gewichtspercenten van onderverdeling 2001 90 40

— palmharten van onderverdeling ex 2001 90 92

— olijven van onderverdeling 2001 90 65

— wijnstokbladeren, hopscheuten en dergelijke eetbare plantendelen van onderverdeling ex 2001 90 97

2002

Tomaten, op andere wijze bereid of verduurzaamd dan in azijn of azijnzuur

2003

Paddenstoelen en truffels, op andere wijze bereid of verduurzaamd dan in azijn of azijnzuur

ex  20 04

Andere groenten, op andere wijze bereid of verduurzaamd dan in azijn of azijnzuur, bevroren, andere dan de producten bedoeld bij post 2006 , met uitzondering van suikermaïs (Zea mays var. saccharata) van onderverdeling 2004 90 10 , olijven van onderverdeling ex 2004 90 30 en aardappelen, bereid of verduurzaamd in de vorm van meel, gries, griesmeel of vlokken van onderverdeling 2004 10 91

ex  20 05

Andere groenten, op andere wijze bereid of verduurzaamd dan in azijn of azijnzuur, niet bevroren, andere dan de producten bedoeld bij post 2006 , met uitzondering van olijven van onderverdeling 2005 70 00 , suikermaïs (Zea mays var. saccharata) van onderverdeling 2005 80 00 , scherpsmakende vruchten van het geslacht Capsicum van onderverdeling 2005 99 10 en aardappelen, bereid of verduurzaamd in de vorm van meel, gries, griesmeel of vlokken van onderverdeling 2005 20 10

ex 2006 00

Groenten, vruchten, vruchtenschillen en andere plantendelen, gekonfijt met suiker (uitgedropen, geglaceerd of uitgekristalliseerd), met uitzondering van met suiker gekonfijte bananen van de onderverdelingen ex 2006 00 38 en ex 2006 00 99

ex  20 07

Jam, vruchtengelei, marmelade, vruchtenmoes en vruchtenpasta, door koken of stoven verkregen, met of zonder toegevoegde suiker of andere zoetstoffen, met uitzondering van:

— gehomogeniseerde bereidingen van bananen van onderverdeling ex 2007 10

— jam, gelei, marmelade, vruchtenmoes en vruchtenpasta van bananen van de onderverdelingen ex 2007 99 39 , ex 2007 99 50 en ex 2007 99 97

ex  20 08

Vruchten en andere eetbare plantendelen, op andere wijze bereid of verduurzaamd, ook indien met toegevoegde suiker, andere zoetstoffen of alcohol, elders genoemd noch elders onder begrepen, met uitzondering van:

— pindakaas van onderverdeling 2008 11 10

— palmharten van onderverdeling 2008 91 00

— maïs van onderverdeling 2008 99 85

— broodwortelen, bataten (zoete aardappelen) en dergelijke eetbare plantendelen met een zetmeelgehalte van 5 of meer gewichtspercenten van onderverdeling 2008 99 91

— wijnstokbladeren, hopscheuten en dergelijke eetbare plantendelen van onderverdeling ex 2008 99 99

— mixtures of banana otherwise prepared or preserved of subheadings ex 2008 97 59 , ex 2008 97 78 , ex 2008 97 93 and ex 2008 97 98

— op andere wijze bereide of verduurzaamde bananen van de onderverdelingen ex 2008 99 49 , ex 2008 99 67 en ex 2008 99 99

ex  20 09

Ongegiste vruchtensappen (uitgezonderd druivensap en druivenmost van de onderverdelingen 2009 61 en 2009 69 en bananensap van onderverdeling ex 2009 89 35 , 2009 89 38 , 2009 89 79 , 2009 89 86 , 2009 89 89 en 2009 89 99 )) en ongegiste groentesappen, zonder toegevoegde alcohol, ook indien met toegevoegde suiker of andere zoetstoffen

DEEL XI

Bananen

De in de onderstaande tabel opgenomen producten vallen onder de sector bananen:



GN-code

Omschrijving

0803 90 10

Bananen, met uitzondering van „plantains”, vers

0803 90 90

Bananen, met uitzondering van „plantains”, gedroogd

ex 0812 90 98

Voorlopig verduurzaamde bananen

ex 0813 50 99

Mengsels met gedroogde bananen

1106 30 10

Meel, gries en poeder van bananen

ex 2006 00 99

Met suiker gekonfijte bananen

ex 2007 10 99

Gehomogeniseerde bereidingen van bananen

ex 2007 99 39

ex 2007 99 50

ex 2007 99 97

Jam, gelei, marmelade, vruchtenmoes en vruchtenpasta van bananen

ex 2008 97 59

ex 2008 97 78

ex 2008 97 93

ex 2008 97 96

ex 2008 97 98

Mengsels met op andere wijze bereide of verduurzaamde bananen, zonder toegevoegde alcohol

ex 2008 99 49

ex 2008 99 67

ex 2008 99 99

Op andere wijze bereide of verduurzaamde bananen, zonder toegevoegde alcohol

ex 2009 89 35

ex 2009 89 38

ex 2009 89 79

ex 2009 89 86

ex 2009 89 89

ex 2009 89 99

Bananensap

DEEL XII

Wijn

De in de onderstaande tabel opgenomen producten vallen onder de sector wijn.



GN-code

Omschrijving

a)

2009 61

2009 69

Druivensap (druivenmost daaronder begrepen)

2204 30 92

2204 30 94

2204 30 96

2204 30 98

Andere druivenmost, andere dan gedeeltelijk gegiste druivenmost, ook indien de gisting op andere wijze dan door toevoegen van alcohol is gestuit

b)

ex  22 04

Wijn van verse druiven, wijn waaraan alcohol is toegevoegd daaronder begrepen; druivenmost, andere dan bedoeld bij post 2009 , met uitzondering van andere druivenmost van de onderverdelingen 2204 30 92 , 2204 30 94 , 2204 30 96 en 2204 30 98

c)

0806 10 90

Druiven, andere dan voor tafelgebruik

2209 00 11

2209 00 19

Wijnazijn

d)

2206 00 10

Piquette

2307 00 11

2307 00 19

Wijnmoer

2308 00 11

2308 00 19

Draf (droesem) van druiven

DEEL XIII

Levende planten en producten van de bloementeelt

De in hoofdstuk 6 van de gecombineerde nomenclatuur opgenomen producten vallen onder de sector levende planten.

DEEL XIV

Tabak

Ruwe en niet tot verbruik bereide tabak en afvallen van tabak van GN-code 2401 vallen onder de sector tabak.

DEEL XV

Rundvlees

De in de onderstaande tabel opgenomen producten vallen onder de sector rundvlees.



GN-code

Omschrijving

a)

0102 29 05 t/m

0102 29 99 , 0102 39 10 en 0102 90 91

Levende runderen (huisdieren), andere dan fokdieren van zuiver ras

0201

Vlees van runderen, vers of gekoeld

0202

Vlees van runderen bevroren

0206 10 95

Longhaasjes en omlopen, vers of gekoeld

0206 29 91

Longhaasjes en omlopen, bevroren

0210 20

Vlees van runderen, gezouten, gepekeld, gedroogd of gerookt

0210 99 51

Longhaasjes en omlopen, gezouten gepekeld, gedroogd of gerookt

0210 99 90

Eetbaar meel en eetbaar poeder van vlees of van slachtafvallen

1602 50 10

Andere bereidingen en conserven van vlees of van slachtafvallen van runderen, niet gekookt en niet gebakken; mengsels van vlees of slachtafvallen gekookt of gebakken met niet gekookt en niet gebakken;

1602 90 61

Andere bereidingen en conserven, bevattende vlees of slachtafvallen van runderen, niet gekookt en niet gebakken; mengsels van vlees of slachtafvallen gekookt of gebakken met, niet gekookt en niet gebakken;

b)

0102 21 , 0102 31 00 en 0102 90 20

Levende runderen, fokdieren van zuiver ras

0206 10 98

Eetbare slachtafvallen van runderen, zonder longhaasjes en omlopen vers of gekoeld, andere dan bestemd voor de vervaardiging van farmaceutische producten

0206 21 00

0206 22 00

0206 29 99

Eetbare slachtafvallen van runderen, zonder longhaasjes en omlopen, bevroren, andere dan bestemd voor de vervaardiging van farmaceutische producten

0210 99 59

Eetbare slachtafvallen van runderen, gezouten, gepekeld, gedroogd of gerookt, andere dan longhaasjes en omlopen

ex 1502 10 90

Rundervet, ander dan dat bedoeld bij post 1503

1602 50 31 en

1602 50 95

Andere bereidingen en conserven, van vlees of van slachtafvallen van runderen, andere dan niet-gekookt en niet-gebakken, en dan mengsels van vlees of slachtafvallen, gekookt of gebakken met niet-gekookt en niet-gebakken

1602 90 69

Andere bereidingen en conserven, bevattende vlees of slachtafvallen van runderen, andere dan niet-gekookt en niet-gebakken, en dan mengsels van vlees of of slachtafvallen, gekookt of gebakken met niet-gekookt en niet-gebakken

DEEL XVI

Melk en zuivelproducten

De in de onderstaande tabel opgenomen producten vallen onder de sector melk en zuivelproducten.



GN-code

Omschrijving

a)

0401

Melk en room, niet ingedikt, zonder toegevoegde suiker of andere zoetstoffen

b)

0402

Melk en room, ingedikt of met toegevoegde suiker of andere zoetstoffen

c)

0403 10 11 to

0403 10 39

0403 9011 to

0403 90 69

Karnemelk, gestremde melk en room, yoghurt, kefir en andere gegiste of aangezuurde melk en room, ook indien ingedikt of met toegevoegde suiker of andere zoetstoffen, niet gearomatiseerd noch met toegevoegde vruchten of cacao

d)

0404

Wei, ook indien ingedikt of met toegevoegde suiker of andere zoetstoffen; producten bestaande uit natuurlijke bestanddelen van melk, ook indien met toegevoegde suiker of andere zoetstoffen, elders genoemd noch elders onder begrepen

e)

ex  04 05

Boter en andere van melk afkomstige vetstoffen; zuivelpasta's, met een vetgehalte van meer dan 75 gewichtspercenten doch minder dan 80 gewichtspercenten

f)

0406

Kaas en wrongel

g)

1702 19 00

Lactose (melksuiker) en melksuikerstroop, niet gearomatiseerd en zonder toegevoegde kleurstoffen, bevattende minder dan 99 gewichtspercenten lactose (melksuiker), uitgedrukt in kristalwatervrije lactose, berekend op de droge stof

h)

2106 90 51

Suikerstroop van lactose, gearomatiseerd of met toegevoegde kleurstoffen

i)

ex  23 09

Bereidingen van de soort gebruikt voor het voederen van dieren:

ex 2309 10

– Honden– en kattenvoer, opgemaakt voor de verkoop in het klein:

2309 10 15

2309 10 19

2309 10 39

2309 10 59

2309 10 70

– – Bevattende zetmeel, glucose (druivensuiker), glucosestroop, maltodextrine of maltodextrinestroop, bedoeld bij de onderverdelingen 1702 30 50 , 1702 30 90 , 1702 40 90 , 1702 90 50 en 2106 90 55 , of zuivelproducten

ex 2309 90

– Andere:

2309 90 35

– – Andere, zogenaamde „premelanges” daaronder begrepen:

2309 90 39

2309 90 49

2309 90 59

2309 90 70

– – – Bevattende zetmeel, glucose (druivensuiker), glucosestroop, maltodextrine of maltodextrinestroop, bedoeld bij de onderverdelingen 1702 30 50 , 1702 30 90 , 1702 40 90 , 1702 90 50 en 2106 90 55 , of zuivelproducten

DEEL XVII

Varkensvlees

De in de onderstaande tabel opgenomen producten vallen onder de sector varkensvlees.



GN-code

Omschrijving

a)

ex  01 03

Levende varkens (huisdieren), andere dan fokdieren van zuiver ras

b)

ex  02 03

Vlees van varkens (huisdieren), vers, gekoeld of bevroren

ex  02 06

Eetbare slachtafvallen van varkens (huisdieren), andere dan voor de vervaardiging van farmaceutische producten, vers, gekoeld of bevroren

0209 10

Spek (ander dan doorregen spek), alsmede niet-gesmolten of anderszins geëxtraheerd varkensvet, vers, gekoeld, bevroren, gezouten, gepekeld, gedroogd of gerookt

ex  02 10

Vlees en eetbare slachtafvallen van varkens (huisdieren), gezouten, gepekeld, gedroogd of gerookt

1501 10

1501 20

Varkensvet (reuzel daaronder begrepen)

c)

1601 00

Worst van alle soorten, van vlees, van slachtafvallen of van bloed; bereidingen van deze producten, voor menselijke consumptie

1602 10 00

Gehomogeniseerde bereidingen van vlees, van slachtafvallen of van bloed

1602 20 90

Bereidingen en conserven van levers van dieren van alle soorten, andere dan levers van ganzen of van eenden

1602 41 10

1602 42 10

1602 49 11 to

1602 49 50

Andere bereidingen en conserven, vlees of slachtafvallen van varkens (huisdieren) bevattend

1602 90 10

Bereidingen van bloed van dieren van alle soorten

1602 90 51

Andere bereidingen en conserven, vlees of slachtafvallen van varkens (huisdieren) bevattend

1902 20 30

Gevulde deegwaren, ook indien gekookt of op andere wijze bereid, bevattende meer dan 20 gewichtspercenten worst, vlees of slachtafvallen van alle soorten, met inbegrip van vet van alle soorten of oorsprong

DEEL XVIII

Schapen- en geitenvlees

De in de onderstaande tabel opgenomen producten vallen onder de sector schapen- en geitenvlees.



GN-code

Omschrijving

a)

0104 10 30

Lammeren (tot de leeftijd van één jaar)

0104 10 80

Levende schapen, andere dan fokdieren van zuiver ras en dan lammeren

0104 20 90

Levende geiten, andere dan fokdieren van zuiver ras

0204

Vlees van schapen of van geiten, vers, gekoeld of bevroren

0210 99 21

Vlees van schapen en van geiten, met been, gezouten, gepekeld, gedroogd of gerookt

0210 99 29

Vlees van schapen en van geiten, zonder been, gezouten, gepekeld, gedroogd of gerookt

b)

0104 10 10

Levende schapen, fokdieren van zuiver ras

0104 20 10

Levende geiten, fokdieren van zuiver ras

0206 80 99

Eetbare slachtafvallen van schapen en van geiten, vers of gekoeld, andere dan bestemd voor de vervaardiging van farmaceutische producten

0206 90 99

Eetbare slachtafvallen van schapen en van geiten, bevroren, andere dan bestemd voor de vervaardiging van farmaceutische producten

0210 99 85

Eetbare slachtafvallen van schapen en van geiten, gezouten, gepekeld, gedroogd of gerookt

ex 1502 90 90

Schapen- of geitenvet, ander dan dat bedoeld bij post 1503

c)

1602 90 91

Andere bereidingen en conserven, van vlees of van vleesafvallen, van schapen of van geiten;

1602 90 95

 

DEEL XIX

Eieren

De in de onderstaande tabel opgenomen producten vallen onder de sector eieren.



GN-code

Omschrijving

a)

0407 11 00

0407 19 11

0407 19 19

0407 21 00

0407 29 10

0407 90 10

Eieren van pluimvee in de schaal, vers, verduurzaamd of gekookt

b)

0408 11 80

0408 19 81

0408 19 89

0408 91 80

0408 99 80

Andere eieren uit de schaal en ander eigeel, vers, gedroogd, gestoomd of in water gekookt, in een bepaalde vorm gebracht, bevroren of op andere wijze verduurzaamd, ook indien met toegevoegde suiker of andere zoetstoffen, geschikt voor menselijke consumptie

DEEL XX

Pluimveevlees

De in de onderstaande tabel opgenomen producten vallen onder de sector pluimveevlees.



GN-code

Omschrijving

a)

0105

Levend pluimvee (hanen, kippen, eenden, ganzen, kalkoenen en parelhoenders)

b)

ex  02 07

Vlees en eetbare slachtafvallen van pluimvee bedoeld bij post 0105 , vers, gekoeld of bevroren, met uitzondering van levers bedoeld in punt c)

c)

0207 13 91

0207 14 91

0207 26 91

0207 27 91

0207 43 00

0207 44 91

0207 45 93

0207 45 95

Levers van pluimvee, vers, gekoeld, bevroren

0210 99 71

0210 99 79

Levers van pluimvee, gezouten, gepekeld, gedroogd of gerookt

d)

0209 90 00

Vet van gevogelte (niet gesmolten of anderszins geëxtraheerd), vers, gekoeld, bevroren, gezouten, gepekeld, gedroogd of gerookt

e)

1501 90 00

Vet van gevogelte

f)

1602 20 10

Andere bereidingen en conserven van levers van ganzen of van eenden

1602 31

1602 32

1602 39

Andere bereidingen en conserven van vlees of van slachtafvallen van pluimvee bedoeld bij post 0105 .

DEEL XXI

Ethylalcohol uit landbouwproducten

1. De in de onderstaande tabel opgenomen producten vallen onder de sector ethylalcohol.



GN-code

Omschrijving

ex 2207 10 00

Ethylalcohol, niet gedenatureerd, met een alcoholvolumegehalte van 80 % vol of meer, verkregen uit in bijlage I bij de Verdragen vermelde landbouwproducten

ex 2207 20 00

Ethylalcohol en gedistilleerde dranken, gedenatureerd, ongeacht het gehalte, verkregen uit in bijlage I bij de Verdragen vermelde landbouwproducten

ex 2208 90 91

and

ex 2208 90 99

Ethylalcohol, niet gedenatureerd, met een alcoholvolumegehalte van minder dan 80 % vol, verkregen uit in bijlage I bij de Verdragen vermelde landbouwproducten

2. De sector ethylalcohol omvat tevens producten op basis van ethylalcohol uit landbouwproducten van GN-code 2208 die worden aangeboden in recipiënten met een inhoud van meer dan twee liter en die alle kenmerken vertonen van de ethylalcohol zoals omschreven in punt 1.

DEEL XXII

Producten van de bijenteelt

De in de onderstaande tabel opgenomen producten vallen onder de sector bijenteelt.



GN-code

Omschrijving

0409 00 00

Natuurhoning

ex 0410 00 00

Eetbare koninginnengelei en propolis

ex 0511 99 85

Niet-eetbare koninginnengelei en propolis

ex 1212 99 95

Pollen

ex 1521 90

Bijenwas

DEEL XXIII

Zijderupsen

Zijderupsen van GN-code ex 0106 90 00 en eieren van zijderupsen van GN-code ex 0511 99 85 vallen onder de sector zijderupsen.

DEEL XXIV

Andere producten

Onder "andere producten" wordt verstaan alle landbouwproducten behalve de producten die worden vermeld in de delen I tot en met XXIII, met inbegrip van de in onderstaande afdelingen 1 en 2 van dit deel vermelde producten.



Afdeling 1

GN-code

Omschrijving

ex  01 01

Levende paarden, ezels, muildieren en muilezels:

– Paarden

0101 21 00

– – Fokdieren van zuiver ras ():

0101 29

– – Andere:

0101 29 90

– – – Andere dan slachtpaarden

0101 30 00

– – Ezels

0101 90 00

Andere

ex  01 02

Levende runderen:

– – Andere dan fokdieren van zuiver ras:

– – – Andere dan huisdieren

0102 39 90 ,

0102 90 99 en

 

ex  01 03

Levende varkens:

0103 10 00

– Fokdieren van zuiver ras ()

– Andere:

ex 0103 91

– – Met een gewicht van minder dan 50 kg:

0103 91 90

– – – Andere dan huisdieren

ex 0103 92

– – Met een gewicht van 50 kg of meer

0103 92 90

– – Andere dan huisdieren

0106

Andere levende dieren

ex  02 03

Vlees van varkens, vers, gekoeld of bevroren:

– Vers of gekoeld:

ex 0203 11

– – Hele en halve karkassen:

0203 11 90

– – – Andere dan van varkens (huisdieren)

ex 0203 12

– – Hammen, schouders en delen daarvan, met been:

0203 12 90

– – – Andere dan van varkens (huisdieren)

ex 0203 19

– – Andere:

0203 19 90

– – – Andere dan van varkens (huisdieren)

– Bevroren:

ex 0203 21

– – Hele en halve karkassen:

0203 21 90

– – – Andere dan van varkens (huisdieren)

ex 0203 22

– – Hammen, schouders en delen daarvan, met been:

0203 22 90

– – – Andere dan van varkens (huisdieren)

ex 0203 29

– – Andere:

0203 29 90

– – – Andere dan van varkens (huisdieren)

ex 0205 00

Vlees van ezels, van muildieren of van muilezels, vers, gekoeld of bevroren

ex  02 06

Eetbare slachtafvallen van runderen, van varkens, van schapen, van geiten, van paarden, van ezels, van muildieren of van muilezels, vers, gekoeld of bevroren:

ex 0206 10

– Van runderen, vers of gekoeld:

0206 10 10

– – Bestemd voor de vervaardiging van farmaceutische producten ()

– Van runderen, bevroren:

ex 0206 22 00

– – Levers:

– – – Bestemd voor de vervaardiging van farmaceutische producten ()

ex 0206 29

– – Andere:

0206 29 10

– – – Bestemd voor de vervaardiging van farmaceutische producten ()

ex 0206 30 00

– Van varkens, vers of gekoeld:

– – Bestemd voor de vervaardiging van farmaceutische producten ()

– – Andere:

– – – Andere dan van varkens (huisdieren)

– Van varkens, bevroren:

ex 0206 41 00

– – Levers:

– – – Bestemd voor de vervaardiging van farmaceutische producten ()

– – – Andere:

– – – – Andere dan van varkens (huisdieren)

ex 0206 49 00

– – Andere:

– – – Van varkens (huisdieren):

– – – – Bestemd voor de vervaardiging van farmaceutische producten ()

– – – Andere

ex 0206 80

– Andere, vers of gekoeld:

0206 80 10

– – Bestemd voor de vervaardiging van farmaceutische producten ()

– – Andere:

0206 80 91

– – – Van paarden, van ezels, van muildieren en van muilezels

ex 0206 90

– Andere, bevroren:

0206 90 10

– – Bestemd voor de vervaardiging van farmaceutische producten ()

– – Andere:

0206 90 91

– – – Van paarden, van ezels, van muildieren en van muilezels

0208

Ander vlees en andere eetbare slachtafvallen, vers, gekoeld of bevroren

ex  02 10

Vlees en eetbare slachtafvallen, gezouten, gepekeld, gedroogd of gerookt; meel en poeder van vlees of van slachtafvallen, geschikt voor menselijke consumptie:

– Vlees van varkens:

ex 0210 11

– – Hammen, schouders en delen daarvan, met been:

0210 11 90

– – – Andere dan van varkens (huisdieren)

ex 0210 12

– – Buiken (buikspek) en delen daarvan:

0210 12 90

– – – Andere dan van varkens (huisdieren)

ex 0210 19

– – Andere:

0210 19 90

– – – Andere dan van varkens (huisdieren)

– Andere, meel en poeder van vlees of van slachtafvallen, geschikt voor menselijke consumptie, daaronder begrepen:

0210 91 00

– – Van primaten

0210 92

– – Van walvissen, van dolfijnen of van bruinvissen (zoogdieren van de orde Cetacea); van lamantijnen of van doejongs (zoogdieren van de orde Sirenia); zeehonden, zeeleeuwen en walrussen (zoogdieren van de suborde Pinnipedia)

0210 93 00

– – Van reptielen (slangen en zeeschildpadden daaronder begrepen)

ex 0210 99

– – Andere:

– – – Vlees:

0210 99 31

– – – – Van rendieren

0210 99 39

– – – – Andere

– – – Slachtafvallen:

– – – – Andere dan van varkens (huisdieren), runderen, schapen en geiten

0210 99 85

– – – – – andere dan levers van pluimvee

ex  04 07

Vogeleieren in de schaal, vers, verduurzaamd of gekookt:

0407 19 90 ,

0407 29 90 en

0407 90 90

– Andere dan van pluimvee

ex  04 08

Vogeleieren uit de schaal en eigeel, vers, gedroogd, gestoomd of in water gekookt, in een bepaalde vorm gebracht, bevroren of op andere wijze verduurzaamd, ook indien met toegevoegde suiker of andere zoetstoffen:

– Eigeel:

ex 0408 11

– – Gedroogd:

0408 11 20

– – – Ongeschikt voor menselijke consumptie ()

ex 0408 19

– – Andere:

0408 19 20

– – – Ongeschikt voor menselijke consumptie ()

– Andere:

ex 0408 91

– – Gedroogd:

0408 91 20

– – – Ongeschikt voor menselijke consumptie ()

ex 0408 99

– – Andere:

0408 99 20

– – – Ongeschikt voor menselijke consumptie ()

0410 00 00

Eetbare producten van dierlijke oorsprong, elders genoemd noch elders onder begrepen

0504 00 00

Darmen, blazen en magen van dieren (andere dan die van vissen), in hun geheel of in stukken, vers, gekoeld, bevroren, gezouten, gepekeld, gedroogd of gerookt

ex  05 11

Producten van dierlijke oorsprong, elders genoemd noch elders onder begrepen; dode dieren van de soorten bedoeld bij hoofdstuk 1 of 3, niet geschikt voor menselijke consumptie:

0511 10 00

– Rundersperma

– Andere:

ex 0511 99

– – Andere:

0511 99 85

– – – Andere

ex  07 09

Andere groenten, vers of gekoeld:

ex 0709 60

– Vruchten van de geslachten Capsicum en Pimenta:

– – Andere:

0709 60 91

– – – – Capsicumsoorten bestemd voor de vervaardiging van capsaïcine of van tincturen ()

0709 60 95

– – – Bestemd voor de industriële vervaardiging van etherische oliën of van harsaroma's ()

0709 60 99

– – – Andere

ex  07 10

Groenten, ook indien gestoomd of in water gekookt, bevroren:

ex 0710 80

– Andere groenten:

– – Vruchten van de geslachten Capsicum en Pimenta:

0710 80 59

– – – Andere dan niet-scherpsmakende pepers

ex  07 11

Groenten, voorlopig verduurzaamd (bijvoorbeeld door middel van zwaveldioxide of in water waaraan, voor het voorlopig verduurzamen, zout, zwavel of andere stoffen zijn toegevoegd), doch als zodanig niet geschikt voor dadelijke consumptie:

ex 0711 90

– Andere groenten; mengsels van groenten:

– – Groenten:

0711 90 10

– – – – Vruchten van de geslachten Capsicum en Pimenta, andere dan niet-scherpsmakende pepers

ex  07 13

Gedroogde zaden van peulgroenten, ook indien gepeld (bijvoorbeeld spliterwten):

ex 0713 10

– Erwten (Pisum sativum):

0713 10 90

– – Andere dan voor zaaidoeleinden

ex 0713 20 00

– Kekers (garbanzos)

– – Andere dan voor zaaidoeleinden

– Bonen (Vigna spp., Phaseolus spp.):

ex 0713 31 00

– – Bonen van de soort Vigna mungo (L) Hepper of Vigna radiata (L) Wilczek:

– – – Andere dan voor zaaidoeleinden

ex 0713 32 00

– – bonen van de soort Phaseolus angularis of Vigna angularis (adzukibonen):

– – – Andere dan voor zaaidoeleinden

ex 0713 33

– – Bonen van de soort Phaseolus vulgaris:

0713 33 90

– – – Andere dan voor zaaidoeleinden

ex 0713 34 00

– – Bambarabonen (Vigna subterranea of Voandzeia subterranea)

ex 0713 35 00

– – – Andere dan voor zaaidoeleinden

ex 0713 39 00

– – Koeienerwten (Vigna unguiculata)

– – – Andere dan voor zaaidoeleinden

– – Andere:

– – – Andere dan voor zaaidoeleinden

ex 0713 40 00

– Linzen:

– – Andere dan voor zaaidoeleinden

ex 0713 50 00

– Tuinbonen (Vicia faba var. major), paardenbonen (Vicia faba var. equina) en duivenbonen (Vicia faba var. minor):

– – Andere dan voor zaaidoeleinden

ex 0713 60 00

– Struikerwten (Cajanus cajan):

 

– – Andere dan voor zaaidoeleinden

ex 0713 90 00

– Andere:

– – Andere dan voor zaaidoeleinden

0801

Kokosnoten, paranoten en cashewnoten, vers of gedroogd, ook zonder dop of schaal

ex  08 02

Andere noten, vers of gedroogd, ook zonder dop of schaal, al dan niet gepeld:

0802 70 00

– Kolanoten (Cola spp.)

0802 80 00

– Arecanoten (of betelnoten)

ex  08 04

Dadels, vijgen, ananassen, advocaten (avocado's), guaves, manga's en manggistans, vers of gedroogd:

0804 10 00

– Dadels

0902

Thee, ook indien gearomatiseerd

ex  09 04

Peper van het geslacht Piper; vruchten van de geslachten Capsicum en Pimenta, gedroogd, fijngemaakt of gemalen, met uitzondering van niet-scherpsmakende pepers van onderverdeling 0904 21 10

0905

Vanille

0906

Kaneel en kaneelknoppen

0907

Kruidnagels, moernagels en kruidnagelstelen

0908

Muskaatnoten, foelie, amomen en kardemon

0909

Anijszaad, steranijszaad, venkelzaad, korianderzaad, komijnzaad en karwijzaad; jeneverbessen

ex  09 10

Gember, kurkuma, laurierblad, kerrie en andere specerijen, met uitzondering van tijm en saffraan

ex  11 06

Meel, gries en poeder van gedroogde zaden van peulgroenten bedoeld bij post 0713 , van sago en van wortels of knollen bedoeld bij post 0714 of van vruchten bedoeld bij hoofdstuk 8:

1106 10 00

– van gedroogde zaden van peulgroenten bedoeld bij post 0713

ex 1106 30

– Van vruchten bedoeld bij hoofdstuk 8:

1106 30 90

– – Andere dan van bananen

ex  11 08

Zetmeel; inuline:

1108 20 00

– Inuline

1201 90 00

Sojabonen, ook indien gebroken, andere dan zaaigoed

1202 41 00

Grondnoten, niet gebrand of op andere wijze door verhitting bereid, in de dop, andere dan zaaigoed

1202 42 00

Grondnoten, niet gebrand of op andere wijze door verhitting bereid, ook indien gedopt of gebroken, andere dan zaaigoed

1203 00 00

Kopra

1204 00 90

Lijnzaad, ook indien gebroken, ander dan voor zaaidoeleinden

1205 10 90 and ex 1205 90 00

Kool- en raapzaad, ook indien gebroken, ander dan voor zaaidoeleinden

1206 00 91

Zonnebloempitten, ook indien gebroken, andere dan voor zaaidoeleinden

1206 00 99

 

1207 29 00

Katoenzaad, ook indien gebroken, ander dan voor zaaidoeleinden

1207 40 90

Sesamzaad, ook indien gebroken, ander dan voor zaaidoeleinden

1207 50 90

Mosterdzaad, ook indien gebroken, ander dan voor zaaidoeleinden

1207 91 90

Papaverzaad, ook indien gebroken, ander dan voor zaaidoeleinden

1207 99 91

Hennepzaad, ook indien gebroken, ander dan voor zaaidoeleinden

ex 1207 99 96

Andere oliehoudende zaden en vruchten, ook indien gebroken, andere dan voor zaaidoeleinden

1208

Meel van oliehoudende zaden en vruchten, ander dan mosterdmeel

ex  12 11

Planten, plantendelen, zaden en vruchten, van de soort hoofdzakelijk gebruikt in de reukwerkindustrie, in de geneeskunde of voor insecten- of parasietenbestrijding of dergelijke doeleinden, vers of gedroogd, ook indien gesneden, gebroken of in poedervorm, behalve de producten van GN-code ex 1211 90 86 in deel IX;

ex  12 12

Sint-Jansbrood, zeewier en andere algen, suikerbieten en suikerriet, vers, gekoeld, bevroren of gedroogd, ook indien in poedervorm; vruchtenpitten, ook indien in de steen en andere plantaardige producten (ongebrande cichoreiwortels van Cichorium intybus var sativum daaronder begrepen) hoofdzakelijk gebruikt voor menselijke consumptie, elders genoemd noch elders onder begrepen:

ex 1212 99

– – Andere dan suikerriet:

1212 99 41 en 1212 99 49

– – – Sint-Jansbroodpitten

ex 1212 99 95

– – – Andere, met uitzondering van cichoreiwortels

1213 00 00

Stro en kaf van graangewassen, onbewerkt, ook indien gehakt, gemalen, geperst of in pellets

ex  12 14

Koolrapen, voederbieten, voederwortels, hooi, luzerne, klaver, hanenkammetjes (esparcette), mergkool, lupine, wikke en dergelijke voedergewassen, ook indien in pellets:

ex 1214 10 00

– Luzernemeel en luzerne in pellets met uitzondering van luzerne, kunstmatig gedroogd door middel van een warmtebehandeling of luzerne, anders gedroogd en vermalen

ex 1214 90

– Andere:

1214 90 10

– – Mangelwortels (voederbieten), voederrapen en andere voederwortels

ex 1214 90 90

– – Andere, met uitzondering van:

– Luzerne, hanenkammetjes, klaver, lupine, wikke en dergelijke voedergewassen, kunstmatig door warmte gedroogd, andere dan hooi en voederkool en producten bevattende hooi

– Luzerne, hanenkammetjes (esparcette), klaver, lupine, wikke, honingklaver, zaailathyrus en rolklaver, anders gedroogd en vermalen

ex  15 02

Rund-, schapen- of geitenvet, ander dan dat bedoeld bij post 1503 :

ex 1502 10 10

ex 1502 90 10

– Bestemd voor ander industrieel gebruik dan voor de vervaardiging van producten voor menselijke consumptie, met uitzondering van beendervet en kadavervet ()

1503 00

Varkensstearine, spekolie, oleostearine, oleomargarine en talkolie, niet geëmulgeerd, niet vermengd, noch op andere wijze bereid

ex  15 04

Vetten en oliën, van vis of van zeezoogdieren, alsmede fracties daarvan, ook indien geraffineerd, doch niet chemisch gewijzigd, met uitzondering van oliën uit vislevers en fracties daarvan van de postonderverdelingen 1504 10 en 1504 20 en vetten en oliën en fracties daarvan, van vis, andere dan oliën uit vislevers van post 1504 20

1507

Sojaolie en fracties daarvan, ook indien geraffineerd, doch niet chemisch gewijzigd

1508

Grondnotenolie en fracties daarvan, ook indien geraffineerd, doch niet chemisch gewijzigd

1511

Palmolie en fracties daarvan, ook indien geraffineerd, doch niet chemisch gewijzigd

1512

Zonnebloemzaad-, saffloer- en katoenzaadolie, alsmede fracties daarvan, ook indien geraffineerd, doch niet chemisch gewijzigd

1513

Kokosolie (kopraolie), palmpitten- en babassunotenolie, alsmede fracties daarvan, ook indien geraffineerd, doch niet chemisch gewijzigd

1514

Koolzaad-, raapzaad- en mosterdzaadolie, alsmede fracties daarvan, ook indien geraffineerd, doch niet chemisch gewijzigd

ex  15 15

Andere plantaardige vetten en vette oliën (uitgezonderd jojobaolie van onderverdeling ex 1515 90 11 ), alsmede fracties daarvan, ook indien geraffineerd, doch niet chemisch gewijzigd

ex  15 16

Dierlijke en plantaardige vetten en oliën, alsmede fracties daarvan, geheel of gedeeltelijk gehydrogeneerd, veresterd, opnieuw veresterd of geëlaïdiniseerd, ook indien geraffineerd, doch niet verder bereid (uitgezonderd gehydrogeneerde ricinusolie, zogenaamde „opal wax” van onderverdeling 1516 20 10 )

ex  15 17

Margarine; mengsels en bereidingen, voor menselijke consumptie, van dierlijke of plantaardige vetten of oliën of van fracties van verschillende vetten en oliën bedoeld bij dit hoofdstuk, andere dan de vetten en oliën of fracties daarvan, bedoeld bij post 1516 , uitgezonderd de onderverdelingen 1517 10 10 , 1517 90 10 en 1517 90 93

1518 00 31 en

1518 00 39

Mengsels van plantaardige oliën, vloeibaar, voor ander technisch of industrieel gebruik dan voor de vervaardiging van producten voor menselijke consumptie ()

1522 00 91

Droesem of bezinksel van olie; soapstocks, afkomstig van de bewerking van vetstoffen of van dierlijke of plantaardige was, uitgezonderd die welke olie bevatten die de kenmerken van olijfolie heeft

1522 00 99

Andere afvallen afkomstig van de bewerking van vetstoffen of van dierlijke of plantaardige was, uitgezonderd die welke olie bevatten die de kenmerken van olijfolie heeft

ex  16 02

Andere bereidingen en conserven, van vlees, van slachtafvallen of van bloed:

– Van varkens:

ex 1602 41

– – Hammen en delen daarvan:

1602 41 90

– – – Andere dan van varkens (huisdieren)

ex 1602 42

– – Schouders en delen daarvan

1602 42 90

– – – Andere dan van varkens (huisdieren)

ex 1602 49

– – Andere, mengsels daaronder begrepen:

1602 49 90

– – – Andere dan van varkens (huisdieren)

ex 1602 90

– Andere, bereidingen van bloed van dieren van alle soorten daaronder begrepen:

– – Andere dan bereidingen van bloed van dieren van alle soorten:

1602 90 31

– – – Van wild of van konijn

– – – Andere:

– – – – Andere dan vlees of slachtafvallen van varkens (huisdieren) bevattend:

– – – – – Andere dan vlees of slachtafvallen van runderen bevattend:

1602 90 99

– – – – – – Andere dan van schapen of van geiten

ex 1603 00

Extracten en sappen van vlees

1801 00 00

Cacaobonen, ook indien gebroken, al dan niet gebrand

1802 00 00

Cacaodoppen, cacaoschillen, cacaovliezen en andere afvallen van cacao

ex  20 01

Groenten, vruchten en andere eetbare plantendelen, bereid of verduurzaamd in azijn of azijnzuur:

ex 2001 90

– Andere:

2001 90 20

– – Scherpsmakende vruchten van het geslacht Capsicum

ex  20 05

Andere groenten, op andere wijze bereid of verduurzaamd dan in azijn of azijnzuur, niet bevroren, andere dan de producten bedoeld bij post 2006 :

ex 2005 99

– Andere groenten en mengsels van groenten:

2005 99 10

– – Scherpsmakende vruchten van het geslacht Capsicum

ex  22 06

Andere gegiste dranken (bijvoorbeeld appelwijn, perenwijn, honingdrank); mengsels van gegiste dranken en mengsels van gegiste dranken met alcoholvrije dranken, elders genoemd noch elders onder begrepen:

2206 31 91 tot

2206 00 89

– Andere dan piquette

ex  23 01

Meel, poeder en pellets van vlees, van slachtafvallen, van vis, van schaaldieren, van weekdieren of van andere ongewervelde waterdieren, ongeschikt voor menselijke consumptie; kanen:

2301 10 00

– Meel, poeder en pellets van vlees of van slachtafvallen; kanen

ex  23 02

Zemelen, slijpsel en andere resten van het zeven, van het malen of van andere bewerkingen van granen of van peulvruchten, ook indien in pellets:

2302 50 00

– Van peulvruchten

2304 00 00

Perskoeken en andere vaste afvallen, verkregen bij de winning van sojaolie, ook indien fijngemaakt of in pellets

2305 00 00

Perskoeken en andere vaste afvallen, verkregen bij de winning van grondnotenolie, ook indien fijngemaakt of in pellets

ex  23 06

Perskoeken en andere vaste afvallen, ook indien fijngemaakt of in pellets, verkregen bij de winning van plantaardige vetten of oliën, andere dan bedoeld bij post 2304 of 2305 , met uitzondering van subpost 2306 90 05 (Perskoeken en andere vaste afvallen, verkregen bij de winning van maïskiemen) en 2306 90 11 en 2306 90 19 (perskoeken en andere vaste afvallen verkregen bij de winning van olijfolie)

ex 2307 00

Wijnmoer; ruwe wijnsteen:

2307 00 90

– Ruwe wijnsteen

ex 2308 00

Plantaardige zelfstandigheden en plantaardig afval, plantaardige residu's en bijproducten, ook indien in pellets, van de soort gebruikt voor het voederen van dieren, elders genoemd noch elders onder begrepen:

2308 00 90

– Andere dan draf (droesem) van druiven en eikels en wilde kastanjes en draf (droesem) van andere vruchten

ex  23 09

Bereidingen van de soort gebruikt voor het voederen van dieren:

ex 2309 10

– Honden– en kattenvoer, opgemaakt voor de verkoop in het klein:

2309 10 90

– – Andere dan die bevattende zetmeel, glucose (druivensuiker), glucosestroop, maltodextrine of maltodextrinestroop, bedoeld bij de onderverdelingen 1702 30 50 , 1702 30 90 , 1702 40 90 , 1702 90 50 en 2106 90 55 , of zuivelproducten

ex 2309 90

– Andere:

ex 2309 90 10

– – Andere, zogenaamde „premelanges” daaronder begrepen:

– – Perswater van zeezoogdieren

ex 2309 90 91 tot

2309 90 96

– – – Andere dan die bevattende zetmeel, glucose (druivensuiker), glucosestroop, maltodextrine of maltodextrinestroop, bedoeld bij de onderverdelingen 1702 30 50 , 1702 30 90 , 1702 40 90 , 1702 90 50 en 2106 90 55 , of zuivelproducten, met uitzondering van

– Proteïneconcentraten verkregen uit luzerne- en grassap;

– Gedehydrateerde producten uitsluitend verkregen uit vaste afvallen en sappen voortvloeiend uit de bereiding van concentraten zoals bedoeld bij het eerste streepje

(1)   Indeling onder deze onderverdeling is onderworpen aan de voorwaarden en bepalingen, vastgesteld bij de op dit gebied geldende Unie-bepalingen (zie Richtlijn 94/28/EG van de Raad (2) en Verordening (EG) nr. 504/2008 van de Commissie (3).)

(2)   Richtlijn 94/28/EG van de Raad van 23 juni 1994 tot vaststelling van de beginselen inzake de zoötechnische en genealogische voorschriften voor de invoer uit derde landen van dieren, alsmede van sperma, eicellen en embryo's en tot wijziging van Richtlijn 77/504/EEG betreffende raszuivere fokrunderen (PB L 178 van 12.7.1994, blz. 66).

(3)   Verordening (EG) nr. 504/2008 van de Commissie van 6 juni 2008 ter uitvoering van de Richtlijnen 90/426/EEG en 90/427/EEG van de Raad wat betreft methoden voor de identificatie van paardachtigen (PB L 149 van 7.6.2008, blz. 3).

(4)   Indeling onder deze onderverdeling is onderworpen aan de voorwaarden en bepalingen, vastgesteld bij de op dit gebied geldende Unie- bepalingen (zie Richtlijn 88/661/EEG van de Raad (5), Richtlijn 94/28/EG en Beschikking 96/510/EG (6) van de Commissie).

(5)   Richtlijn 88/661/EEG van de Raad van 19 december 1988 betreffende de zoötechnische normen die gelden voor fokvarkens (PB L 381 van 31.12.1988, blz. 36).

(6)   Beschikking 96/510/EG van de Commissie van 18 juli 1996 tot vaststelling van de stamboek- en fokkerijcertificaten voor de invoer van fokdieren en van sperma, eicellen en embryo's daarvan (PB L 210 van 20.8.1996, blz. 53).

(7)   Voor indeling onder deze code gelden de voorwaarden die zijn vastgelegd in de betreffende Unie-bepalingen (zie de artikelen 291 tot en met 300 van Verordening (EEG) nr. 2454/93.

(8)   Indeling onder deze onderverdeling is onderworpen aan de voorwaarden die zijn vastgesteld in afdeling II, punt F, van de inleidende bepalingen van de gecombineerde nomenclatuur.



Afdeling 2

GN-code

Omschrijving

0101 29 10

Slachtpaarden ()

ex 0205 00

Vlees van paarden, vers, gekoeld of bevroren

0210 99 10

Vlees van paarden, gezouten, gepekeld of gedroogd

0511 99 10

Pezen en zenen; snippers en dergelijk afval van ongelooide huiden of vellen

0701

Aardappelen, vers of gekoeld

0901

Koffie, cafeïnevrije koffie daaronder begrepen, ook indien gebrand; bolsters en schillen van koffie; koffiesurrogaten die koffie bevatten, ongeacht de mengverhouding

1105

Meel, gries, poeder, vlokken, korrels en pellets, van aardappelen

▼C1

1212 94 00

Cichoreiwortels

▼B

2209 00 91 en 2209 00 99

Tafelazijn, natuurlijke of verkregen uit azijnzuur, andere dan wijnazijn

4501

Natuurkurk, ruw of eenvoudig bewerkt; kurkafval; gebroken, gegranuleerd of gemalen

(1)   Voor indeling onder deze code gelden de voorwaarden die zijn vastgelegd in de betreffende bepalingen van de Unie (zie de artikelen 291 tot en met 300 van Verordening (EEG) nr. 2454/93).




BIJLAGE II

IN ARTIKEL 3, LID 1, BEDOELDE DEFINITIES

DEEL I

Definities met betrekking tot de rijstsector

I. Onder padie, gedopte rijst, halfwitte rijst, volwitte rijst, rondkorrelige rijst, halflangkorrelige rijst, langkorrelige rijst A of B en breukrijst wordt het volgende verstaan:

1.

 

a)

"Padie" : rijst waarvan na het dorsen het kroonkafje niet is verwijderd.

b)

"Gedopte rijst" : padie waarvan alleen het kroonkafje is verwijderd. Hieronder valt met name de rijst die in de handel wordt aangeduid als „bruine rijst”, „cargorijst”, „loonzainrijst” en „riso sbramato”.

c)

"Halfwitte rijst" : padie waarvan het kroonkafje, een gedeelte van de kiem en alle of een deel van de buitenlagen van het zilvervlies zijn verwijderd, maar niet de binnenlagen.

d)

"Volwitte rijst" : padie waarvan het kroonkafje, alle buiten- en binnenlagen van het zilvervlies, de volledige kiem in het geval van langkorrelige rijst en halflangkorrelige rijst, en ten minste een deel van de kiem in het geval van rondkorrelige rijst, zijn verwijderd, ook als overlangse witte strepen overblijven op ten hoogste 10 % van de korrels.

2.

 

a)

"Rondkorrelige rijst" : rijst waarvan de korrels een lengte hebben van 5,2 mm of minder en waarvan de verhouding lengte/breedte kleiner is dan 2.

b)

"Halflangkorrelige rijst" : rijst waarvan de korrels een lengte hebben van meer dan 5,2 mm doch niet meer dan 6,0 mm en waarvan de verhouding lengte/breedte niet groter is dan 3.

c)

"Langkorrelige rijst" :

i) langkorrelige rijst A: rijst waarvan de korrels een lengte hebben van meer dan 6,0 mm en waarvan de verhouding lengte/breedte groter is dan 2 en kleiner dan 3;

ii) langkorrelige rijst B: rijst waarvan de korrels een lengte hebben van meer dan 6,0 mm en waarvan de verhouding lengte/breedte gelijk is aan of groter dan 3.

d)

"Meting van de korrels" :

de korrels worden gemeten bij volwitte rijst volgens de onderstaande methode:

i) uit de partij wordt een representatief monster getrokken;

ii) het monster wordt gesorteerd zodat uitsluitend met volledige korrels, waaronder onrijpe korrels, wordt gewerkt;

iii) er worden twee metingen met telkens 100 korrels verricht en daarvan wordt het gemiddelde berekend;

iv) de resultaten worden uitgedrukt in millimeter en afgerond tot op één decimaal.

3. "Breukrijst": brokstukken van korrels waarvan de lengte gelijk is aan of kleiner is dan driekwart van de gemiddelde lengte van de volledige korrel.

II. Voor rijstkorrels en breukrijst die niet van onberispelijke kwaliteit zijn, gelden de volgende definities.

1.

"Hele korrels" : korrels waarvan, ongeacht de aan ieder bewerkingsstadium eigen kenmerken, ten hoogste een gedeelte van de punt ontbreekt.

2.

"Ontpunte korrels" : korrels waarvan de punt geheel ontbreekt.

3.

"Gebroken korrels" of "deeltjes" :

korrels waarvan meer dan de punt ontbreekt; deze categorie omvat:

i) grote gebroken korrels (korreldeeltjes waarvan de lengte gelijk is aan of meer is dan de helft van die van de hele korrel, maar die geen hele korrel vormen),

ii) middelgrote gebroken korrels (korreldeeltjes waarvan de lengte gelijk is aan of meer is dan een vierde van die van de hele korrel, maar die niet de minimumafmeting van grote gebroken korrels hebben),

iii) fijne gebroken korrels (korreldeeltjes waarvan de lengte minder dan een vierde van die van de hele korrel bedraagt, maar die niet door een zeef met mazen van 1,4 mm gaan),

iv) deeltjes (fijne deeltjes of korreldeeltjes die door een zeef met mazen van 1,4 mm kunnen); gespleten korrels (ontstaan door het overlangs splijten van de korrel) worden beschouwd als deeltjes.

4.

"Groene korrels" : niet geheel rijpe korrels.

5.

"Korrels die natuurlijke misvormingen vertonen" : als natuurlijke misvormingen worden beschouwd de al dan niet erfelijke misvormingen ten opzichte van de normale morfologische kenmerken van de variëteit.

6.

"Krijtachtige korrels" : korrels die over ten minste drie vierde van het oppervlak een ondoorschijnend en meelachtig uiterlijk vertonen.

7.

"Roodgestreepte korrels" : korrels die in de lengte rode strepen van diverse intensiteit en schakering vertonen, welke door resten van het zilvervlies worden veroorzaakt.

8.

"Gespikkelde korrels" : korrels die kleine, duidelijk afgetekende donkere min of meer regelmatige ronde vlekjes vertonen; als gespikkelde korrels worden eveneens beschouwd, korrels die lichte, oppervlakkige zwarte strepen vertonen; de strepen en vlekken mogen geen geel of donker aureool hebben.

9.

"Gevlekte korrels" : korrels die over een klein gedeelte van hun oppervlak duidelijk hun normale kleur hebben verloren; de vlekken kunnen van diverse kleur zijn (zwartachtig, roodachtig, bruin, enz.); diepe zwarte strepen worden eveneens als vlekken beschouwd. Wanneer de vlekken een zodanige kleurintensiteit (zwart, roze, bruin-roodachtig) hebben dat zij onmiddellijk opvallen en wanneer zij de helft of meer dan de helft van de korrel bedekken, moeten de betrokken korrels als gele korrels worden beschouwd.

10.

"Gele korrels" : korrels waarvan het oppervlak door een andere oorzaak dan het drogen geheel of gedeeltelijk zijn normale kleur heeft verloren en een van citroengeel tot oranjegeel variërende kleur heeft gekregen.

11.

"Barnsteenkleurige korrels" : korrels waarvan de kleur door een andere oorzaak dan het drogen een uniforme, lichte en algemene verandering heeft ondergaan; door die verandering is de kleur van de korrels helder ambergeel geworden.

DEEL II

Technische definities met betrekking tot de suikersector

Afdeling A

Algemene definities

1.

"witte suiker" : suiker die niet is gearomatiseerd en waaraan geen kleurstoffen noch andere stoffen zijn toegevoegd en die in droge toestand 99,5 of meer gewichtspercenten sacharose bevat, bepaald met behulp van de polarimeter;

2.

"ruwe suiker" : suiker die niet is gearomatiseerd en waaraan geen kleurstoffen noch andere stoffen zijn toegevoegd en die in droge toestand minder dan 99,5 gewichtspercenten sacharose bevat, bepaald met behulp van de polarimeter;

3.

"isoglucose" : het uit glucose of glucosepolymeren verkregen product, dat ten minste 10 gewichtspercenten fructose bevat, berekend op de droge stof;

4.

"inulinestroop" : het onmiddellijk na hydrolyse van inuline of oligofructose verkregen product dat in droge toestand ten minste 10 % vrije fructose of fructose in de vorm van sacharose bevat, uitgedrukt in suiker/isoglucose- equivalent. Ter voorkoming van beperkingen op de markt van producten met lage zoetkracht die zonder inulinestroopquota worden geproduceerd door verwerkers van inulinevezels, kan deze definitie middels gedelegeerde handelingen overeenkomstig artikel 125, lid 4, onder a) door de Commissie worden gewijzigd;

5.

"leveringscontract" : een contract dat tussen een verkoper en een onderneming wordt gesloten voor de levering van bieten voor de productie van suiker;

6.

"sectorale overeenkomst" :

a) een overeenkomst die vóór het sluiten van de leveringscontracten tot stand is gekomen tussen ondernemingen of een door de betrokken lidstaat erkende organisatie van ondernemingen of een groepering van zulke organisaties van ondernemingen, enerzijds, en een door de betrokken lidstaat erkende vereniging van verkopers of een groepering van zulke verenigingen van verkopers, anderzijds;

b) bij ontstentenis van een overeenkomst als bedoeld in punt a), de vennootschapsrechtelijke of coöperatiefrechtelijke bepalingen voor zover deze de levering van suikerbieten door de aandeelhouders of leden van een suikerproducerende vennootschap of coöperatie regelen;

Afdeling B

Definities die van toepassing zijn gedurende de in artikel 124 bedoelde periode

1.

"quotumsuiker", "quotumisoglucose" en "quotuminulinestroop" : elke hoeveelheid suiker, isoglucose of inulinestroop die voor rekening van een bepaald verkoopseizoen binnen het quotum van de betrokken onderneming wordt geproduceerd;

2.

"industriële suiker" : elke hoeveelheid suiker die voor rekening van een bepaald verkoopseizoen boven de in punt 5 bedoelde hoeveelheid suiker wordt geproduceerd en bestemd is voor de productie door de industrie van een van de in artikel 140, lid 2, bedoelde producten;

3.

"industriële isoglucose" en "industriële inulinestroop" : elke hoeveelheid isoglucose of inulinestroop die voor rekening van een bepaald verkoopseizoen bestemd is voor de productie door de industrie van een van de in artikel 140, lid 2, bedoelde producten;

4.

"overtollige suiker", "overtollige isoglucose" en "overtollige inulinestroop" : elke hoeveelheid suiker, isoglucose of inulinestroop die voor rekening van een bepaald verkoopseizoen boven de in de punten 1,2 en 3 bedoelde respectieve hoeveelheden wordt geproduceerd;

5.

"quotumbieten" : alle suikerbieten die tot quotumsuiker worden verwerkt;

6.

"voltijdraffinaderij" :

 een productie-eenheid waarvan de enige activiteit bestaat in de raffinage van ingevoerde ruwe rietsuiker; of

 die in het verkoopseizoen 2004/2005 of, in het geval van Kroatië, 2007/2008, ten minste 15 000 ton ingevoerde ruwe rietsuiker heeft geraffineerd.

DEEL III

Definities met betrekking tot de hopsector

1.

"hop" : de gedroogde katjes, ook hopbellen genaamd, van de (vrouwelijke) hopplant (humulus lupulus); deze katjes, groen-geel en eivormig, hebben een steel en worden over het algemeen ten hoogste 2 à 5 cm groot.

2.

"Hopmeel" : het door het malen van hop verkregen product dat alle natuurlijke bestanddelen daarvan bevat.

3.

"Met lupuline verrijkt hopmeel" : het door het malen van hop na mechanische verwijdering van een deel van de bladeren, stengels, schutbladeren en hopspillen verkregen product.

4.

"Hopextract" : de door de inwerking van oplosmiddelen uit hop of hopmeel verkregen concentraten.

5.

"Mengproducten van hop" : het mengsel van twee of meer van de in punt 1 tot en met 4 bedoelde producten.

DEEL IV

Definities met betrekking tot de wijnsector

Wijnstokgerelateerd

1.

"Rooien" : volledige verwijdering van de wijnstokken die zich op een met wijnstokken beplante oppervlakte bevinden.

2.

"Aanplant" : de definitieve aanplant van wijnstokken of delen daarvan, al dan niet geënt, met het oog op de productie van druiven of het kweken van entstokken.

3.

"Overenting" : het enten van een wijnstok die voordien reeds werd geënt.

Productgerelateerd

4.

"Verse druiven" : vruchten van de wijnstok, gebruikt bij de wijnbereiding, rijp of zelfs licht ingedroogd, die met bij de wijnbereiding gebruikelijke middelen kunnen worden gekneusd of geperst en spontane alcoholische gisting kunnen doen ontstaan.

5.

"Druivenmost waarvan de gisting door de toevoeging van alcohol is gestuit" :

a) een product dat een effectief alcoholvolumegehalte heeft van ten minste 12 % vol en ten hoogste 15 % vol;

b) wordt verkregen door de toevoeging, aan niet-gegiste druivenmost die een natuurlijk alcoholgehalte van ten minste 8,5 % vol heeft en die uitsluitend afkomstig is van wijndruivenrassen die overeenkomstig artikel 81, lid 2, in een indeling kunnen worden opgenomen, van

i) hetzij neutrale alcohol uit wijnbouwproducten, met inbegrip van alcohol verkregen door de distillatie van rozijnen en krenten, met een effectief alcoholvolumegehalte van ten minste 96 % vol;

ii) hetzij een niet-gerectificeerd product verkregen door de distillatie van wijn en met een effectief alcoholvolumegehalte van ten minste 52 % vol en ten hoogste 80 % vol.

6.

"Druivensap" :

het niet-gegiste doch voor gisting vatbare vloeibare product dat

a) door middel van passende behandelingen wordt verkregen om als zodanig te worden geconsumeerd;

b) wordt verkregen uit verse druiven of uit druivenmost of door reconstitutie. In het laatste geval wordt het product gereconstitueerd uit geconcentreerde druivenmost of geconcentreerd druivensap.

Druivensap mag een effectief alcoholvolumegehalte hebben van ten hoogste 1 % vol. "Geconcentreerd druivensap":

7.

"Niet-gekarameliseerd druivensap" :

dat wordt verkregen door gedeeltelijke dehydratatie van druivensap door middel van elk ander toegestaan procedé dan de rechtstreekse werking van vuur, en op zodanige wijze dat bij een temperatuur van 20 °C met een refractometer volgens een nader te bepalen methode een waarde van niet minder dan 50,9 % wordt gemeten.

Geconcentreerd druivensap mag een effectief alcoholvolumegehalte hebben van ten hoogste 1 % vol.

8.

"Wijnmoer" :

a) het bezinksel dat zich in recipiënten met wijn vormt na de gisting, bij de opslag of na toegestane behandeling;

b) het residu dat wordt verkregen bij het filtreren of centrifugeren van het onder a) bedoelde product;

c) het bezinksel dat zich in recipiënten met druivenmost vormt bij de opslag of na toegestane behandeling; of

d) het residu dat wordt verkregen bij het filtreren of centrifugeren van het onder c) bedoelde product.

9.

"Druivendraf" : de na het persen van verse druiven overblijvende substantie, al dan niet gegist.

10.

"Piquette" :

een product dat wordt verkregen door:

a) vergisting van onbehandelde druivendraf, gemacereerd in water; of

b) uitloging, met water, van gegiste druivendraf.

11.

"Distillatiewijn" :

een product dat

a) een product dat een effectief alcoholvolumegehalte heeft van ten minste 18 % vol en ten hoogste 24 % vol;

b) uitsluitend wordt verkregen door aan wijn die geen suikerresidu bevat, een niet-gerectificeerd product toe te voegen dat wordt verkregen door distillatie van wijn en dat een effectief alcoholgehalte heeft van maximaal 86 % vol; of

c) een gehalte aan vluchtige zuren heeft van ten hoogste 1,5 g per liter, uitgedrukt in azijnzuur.

12.

"Cuvée" :

a) de druivenmost;

b) de wijn; of

c) het resultaat van de vermenging van druivenmost en/of van wijnen met verschillende kenmerken,

die bestemd zijn om een bepaalde soort mousserende wijnen te verkrijgen.

Alcoholgehalte

13.

"Effectief alcoholvolumegehalte" : het aantal volume-eenheden zuivere alcohol bij een temperatuur van 20 °C, in 100 volume-eenheden van het betrokken product bij die temperatuur.

14.

"Potentieel alcoholvolumegehalte" : het aantal volume-eenheden zuivere alcohol bij een temperatuur van 20 °C dat kan ontstaan door totale vergisting van de suikers in 100 volume-eenheden van het betrokken product bij die temperatuur.

15.

"Totaal alcoholvolumegehalte" : de som van het effectieve en het potentiële alcoholvolumegehalte.

16.

"Natuurlijk alcoholvolumegehalte" : het totale alcoholvolumegehalte van het betrokken product, vóór verrijking.

17.

"Effectief alcoholmassagehalte" : het aantal kilogram zuivere alcohol in 100 kg van het product.

18.

"Potentieel alcoholmassagehalte" : het aantal kilogram zuivere alcohol dat kan ontstaan door totale vergisting van de suikers in 100 kg van het product.

19.

"Totaal alcoholmassagehalte" : de som van het effectieve en het potentiële alcoholmassagehalte.

DEEL V

Definities met betrekking tot de rundvleessector:

"Runderen": levende runderen (huisdieren) van de GN-codes 0102 21 , ex 0102 31 00 , 0102 90 20 , ex 0102 29 10 tot en met ex 0102 29 99 , 0102 39 10 , 0102 90 91 .

DEEL VI

Definities betreffende de sector melk en zuivelproducten

Voor de toepassing van het tariefcontingent voor boter uit Nieuw-Zeeland wordt onder "rechtstreeks bereid uit melk of room" tevens verstaan boter die zonder gebruikmaking van opgeslagen materialen uit melk of room is bereid volgens één enkel volledig apart en ononderbroken procedé waarbij de room een fase van geconcentreerd melkvet en/of fractionering van dat melkvet kan doorlopen.

DEEL VII

Definities met betrekking tot de eiersector

1.

"Eieren in de schaal" : eieren van pluimvee, in de schaal, vers, verduurzaamd of gekookt, andere dan de in punt 2 bedoelde broedeieren.

2.

"Broedeieren" : broedeieren van pluimvee.

3.

"Heel ei" : eieren uit de schaal, van gevogelte, ook indien met toegevoegde suiker of andere zoetstoffen, geschikt voor menselijke consumptie.

4.

"Eigeel" : eigeel van gevogelte, ook indien met toegevoegde suiker of andere zoetstoffen, geschikt voor menselijke consumptie.

DEEL VIII

Definities met betrekking tot de sector vlees van pluimvee

1.

"Levend pluimvee" : hanen, kippen, eenden, ganzen, kalkoenen en parelhoenders met een gewicht per stuk van meer dan 185 gram.

2.

"Kuikens" : levend pluimvee (hanen, kippen, eenden, ganzen, kalkoenen en parelhoenders) met een gewicht per stuk van niet meer dan 185 gram.

3.

"Geslacht pluimvee" : dood pluimvee (hanen, kippen, eenden, ganzen, kalkoenen en parelhoenders), hele dieren, ook zonder slachtafvallen.

4.

"Afgeleide producten" :

a) in bijlage I, deel XX, onder a), genoemde producten;

b) in bijlage I, deel XX, onder b), genoemde producten, "delen van pluimvee" genoemd, met uitzondering van geslacht pluimvee en van eetbare slachtafvallen;

c) in bijlage I, deel XX, onder b), genoemde eetbare slachtafvallen;

d) in bijlage I, deel XX, onder c), genoemde producten;

e) in bijlage I, deel XX, onder d) en e), genoemde producten;

f) in bijlage I, deel XX, onder f), genoemde producten, andere dan die van de GN-code 1602 20 10 .

DEEL IX

Definities met betrekking tot de bijenteeltsector

1. Honing wordt beschouwd als honing in de zin van Richtlijn 2001/110/EG van de Raad ( 29 ),, met inbegrip van wat de voornaamste soorten honing betreft.

2. Onder "producten van de bijenteelt" wordt verstaan honing, bijenwas, koninginnengelei, propolis of pollen.




BIJLAGE III

IN DE ARTIKELEN 7 EN 135 BEDOELDE STANDAARDKWALITEIT VAN RIJST EN VAN SUIKER

A.    Standaardkwaliteit van padie

Padie van standaardkwaliteit:

a) is rijst van gezonde, deugdelijke en gebruikelijke handelskwaliteit, geurloos;

b) heeft een vochtgehalte van ten hoogste 13 %;

c) heeft bij verwerking tot volwitte rijst een rendement van 63 gewichtspercenten hele korrels (met maximaal 3 % ontpunte korrels), waarvan het maximumgewichtspercentage aan niet onberispelijke korrels volwitte rijst als volgt is:



krijtachtige korrels van padie van de GN-codes 1006 10 27 en 1006 10 98

1,5 %

krijtachtige korrels van padie van andere GN-codes dan de GN-codes 1006 10 27 en 1006 10 98

2,0 %

roodgestreepte korrels

1,0 %

gespikkelde korrels

0,50 %

gevlekte korrels

0,25 %

gele korrels

0,02 %

barnsteenkleurige korrels

0,05 %

B.    Standaardkwaliteit van suiker

I.    Standaardkwaliteit van suikerbieten

Suikerbieten van de standaardkwaliteit hebben de volgende kenmerken

a) gezond, deugdelijk en van gebruikelijke handelskwaliteit zijn;

b) een suikergehalte van 16 % bij de inontvangstneming hebben.

II.    Standaardkwaliteit van witte suiker

1. Witte suiker van de standaardkwaliteit heeft de volgende kenmerken:

a) gezond, deugdelijk en van gebruikelijke handelskwaliteit; droog, in kristallen van uniforme grootte, vrij lopend;

b) minimale polarisatie: 99,7;

c) maximaal vochtgehalte: 0,06 %;

d) maximaal gehalte aan invertsuiker: 0,04 %;

e) het overeenkomstig punt 2 vastgestelde aantal punten bedraagt in totaal niet meer dan 22 en bedraagt niet meer dan:

 15 voor het asgehalte,

 9 voor kleurtype, bepaald volgens de methode van het Institut für landwirtschaftliche Technologie und Zuckerindustrie Braunschweig ("methode Braunschweig"),

 6 voor kleuring van de oplossing, bepaald volgens de methode van de International Commission for Uniform Methods of Sugar Analysis, ("methode ICUMSA").

2. Een punt wordt toegekend:

a) per 0,0018 % asgehalte, bepaald volgens de methode ICUMSA bij 28°Brix;

b) per 0,5 kleurtype-eenheid, bepaald volgens de methode Braunschweig;

c) per 7,5 eenheden voor de kleuring van de oplossing, bepaald volgens de methode ICUMSA.

3. De methoden voor de bepaling van de in punt 1 bedoelde elementen zijn dezelfde als de methoden die daarvoor worden gebruikt in het kader van de interventiemaatregelen.

III    Standaardkwaliteit van ruwe suiker

1. Ruwe suiker van de standaardkwaliteit is suiker met een rendement aan witte suiker van 92 %.

2. Het rendement van ruwe bietsuiker wordt berekend door op het getal van de polarisatiegraad van deze suiker in mindering te brengen:

a) het viervoud van het procentuele asgehalte;

b) het dubbele van het procentuele gehalte aan invertsuiker;

c) het getal 1.

3. Het rendement van ruwe rietsuiker wordt berekend door op het dubbele van zijn polarisatiegraad het getal 100 in mindering te brengen.




BIJLAGE IV

SCHEMA'S VAN DE UNIE VOOR DE INDELING VAN GESLACHTE DIEREN, ALS BEDOELD IN ARTIKEL 10

A.    Schema van de Unie voor de indeling van karkassen van runderen die ten minste acht maanden oud zijn

I.    Definities

De volgende definities zijn van toepassing:

1. "heel karkas": het hele geslachte dier na het uitbloeden, het verwijderen van de ingewanden en het villen;

2. "half karkas": het product dat verkregen wordt door het scheiden van het hele geslachte dier in twee symmetrische delen door het midden van alle hals-, rug-, lende- en staartwervels en door het midden van het borstbeen en het bekken.

II.    Categorieën

De runderkarkassen worden verdeeld in de volgende categorieën:

Z : karkassen van runderen die ten minste 8 maanden oud zijn, maar jonger zijn dan 12 maanden;

A. : karkassen van niet-gecastreerde mannelijke dieren die ten minste 12 maanden oud zijn, maar jonger zijn dan 24 maanden;

B. : karkassen van niet-gecastreerde mannelijke dieren die ten minste 24 maanden oud zijn;

C : karkassen van gecastreerde mannelijke dieren die ten minste 12 maanden oud zijn;

D : karkassen van vrouwelijke dieren die gekalfd hebben;

E : karkassen van andere vrouwelijke dieren die ten minste 12 maanden oud zijn.

III.    Indeling

De karkassen worden ingedeeld na beoordeling van achtereenvolgens:

1. Bevleesdheid, als volgt gedefinieerd:

Vorm van profielen van het geslachte dier, in het bijzonder de hoogwaardige delen (stomp, rug en schouder)



Vleesklasse

Omschrijving

S

Superieur

Alle profielen uiterst rond; uitzonderlijke spierontwikkeling met dubbele spieren (type dikbil)

E

Uitstekend

Alle profielen rond tot zeer rond; uitzonderlijke spierontwikkeling

U

Zeer goed

Profielen over het geheel rond; sterke spierontwikkeling

R

Goed

Over het geheel rechte profielen; goede spierontwikkeling

O

Matig

Profielen recht tot hol; middelmatige spierontwikkeling

P

Gering

Alle profielen hol tot zeer hol; beperkte spierontwikkeling

2. Vetheid, als volgt gedefinieerd:

 Hoeveelheid vet aan de buitenkant van het karkas en aan de binnenzijde van de borstholte

 



Vetklasse

Omschrijving

1

Gering

Geen of zeer weinig vetbedekking

2

Licht

Lichte vetbedekking; vlees nog bijna overal zichtbaar

3

Middelmatig

Behalve op stomp en schouder is het vlees bijna overal bedekt met vet; lichte vetafzettingen in de borstholte

4

Sterk vervet

Vlees bedekt met vet, echter op stomp en schouder nog gedeeltelijk zichtbaar; enige duidelijke vetafzettingen in de borstholte

5

Zeer sterk vervet

Karkas totaal met vet afgedekt; sterke afzettingen in de borstholte

De lidstaten mogen de klassen van de punten 1 en 2 onderverdelen in ten hoogste drie subklassen.

IV.    Aanbiedingsvorm

Hele en halve karkassen worden aangeboden:

a) zonder kop en zonder poten; de kop moet van de romp zijn gescheiden ter hoogte van de bovenste halswervel (atlaswervel), de poten moeten zijn afgescheiden ter hoogte van de voorkniegewrichten, respectievelijk spronggewrichten;

b) zonder de organen in de borst- en buikholte, met of zonder nieren, het niervet en het slotvet;

c) zonder de geslachtsorganen met de bijbehorende spieren, zonder de uier en het uiervet.

V.    Indeling en identificatie

Slachthuizen die zijn erkend uit hoofde van artikel 4 van Verordening (EG) nr. 853/2004 van het Europees Parlement en de Raad ( 30 ), nemen maatregelen om ervoor te zorgen dat alle hele en halve karkassen van ten minste acht maanden oude runderen die in die slachthuizen zijn geslacht en voorzien zijn van een keurmerk volgens artikel 5, lid 2, in samenhang met bijlage I, afdeling I, hoofdstuk III, van Verordening (EG) nr. 854/2004 van het Europees Parlement en de Raad ( 31 ), worden ingedeeld en geïdentificeerd volgens het indelingsschema van de Unie.

Voorafgaand aan identificatie middels merken, mogen de lidstaten toestemming geven voor het verwijderen van vet aan de buitenkant van de hele en halve geslachte karkassen, indien de vetbedekking dit rechtvaardigt.

B.    Schema van de Unie voor de indeling van varkenskarkassen

I.    Definitie

"varkenskarkas": het geslachte dier, na verbloeding en verwijdering van de ingewanden, geheel of in twee helften verdeeld.

II.    Indeling

Varkenskarkassen worden ingedeeld volgens hun geschatte aandeel mager vlees en worden dienovereenkomstig in categorieën ingedeeld:



Klassen

Mager vlees als percentage van het gewicht van het karkas

S

60 of meer

E

55 of meer, maar minder dan 60

U

50 of meer, maar minder dan 55

R

45 of meer, maar minder dan 50

O

40 of meer, maar minder dan 45

P

minder dan 40

III.    Aanbiedingsvorm

Karkassen worden aangeboden zonder tong, borstels, hoeven, geslachtsorganen, niervet, nieren en middenrif.

IV.    Magervleesaandeel

1. Het aandeel mager vlees wordt geschat volgens door de Commissie toegestane indelingsmethoden. Uitsluitend statistisch bewezen schattingsmethoden op basis van de fysieke opmeting van een of meer onderdelen van de anatomie van het varkenskarkas mogen worden toegestaan. Indelingsmethoden worden slechts toegelaten als een maximumtolerantie voor de statistische fout bij de schatting in acht wordt genomen.

2. De handelswaarde van de karkassen wordt echter niet uitsluitend door hun geschatte aandeel mager vlees bepaald.

V.    Identificatie van karkassen

Tenzij door de Commissie anders is bepaald, worden ingedeelde karkassen overeenkomstig het indelingsschema van de Unie geïdentificeerd aan de hand van een merkteken.

C.    Indelingsschema van de Unie voor schapenkarkassen

I.    Definitie

Voor "hele karkassen" en "halve karkassen" gelden de definities van punt A.I.

II.    Categorieën

De karkassen worden verdeeld in de volgende categorieën:

A. : karkassen van schapen van minder dan twaalf maanden,

B. : overige schapenkarkassen

III.    Indeling

De karkassen worden ingedeeld door overeenkomstige toepassing van het bepaalde in punt A.III. De term "stomp" in punt A.III.1 en in de rijen 3 en 4 van de tabel in punt A.III.2 wordt evenwel vervangen door de term "achtervoet".

IV.    Aanbiedingsvorm

Hele en halve karkassen worden aangeboden zonder kop (deze moet van de romp zijn gescheiden ter hoogte van de bovenste halswervel (atlaswervel)), poten (deze moeten zijn afgescheiden ter hoogte van de voorkniegewrichten of spronggewrichten), staart (deze moet zijn afgescheiden tussen de zesde en de zevende staartwervel), uier, geslachtsorganen, lever en hartslag. De nieren en het niervet zijn in het karkas begrepen.

De lidstaten worden evenwel gemachtigd om andere aanbiedingsvormen toe te staan, wanneer deze referentieaanbiedingsvorm niet wordt gebruikt.

V.    Identificatie van karkassen

Ingedeelde hele en halve karkassen worden overeenkomstig het indelingsschema van de Unie geïdentificeerd aan de hand van een merkteken.

▼M2




BIJLAGE V

PRODUCTEN ALS BEDOELD IN ARTIKEL 23, LID 5

Categorie I

 Gefermenteerde zuivelproducten zonder vruchtensap, natuurlijk gearomatiseerd

 Gefermenteerde zuivelproducten met vruchtensap, natuurlijk gearomatiseerd of niet-gearomatiseerd

 Dranken op basis van melk met cacao, vruchtensap of natuurlijk gearomatiseerd

Categorie II

Gefermenteerde of niet-gefermenteerde zuivelproducten met fruit, natuurlijk gearomatiseerd of niet-gearomatiseerd.

▼B




BIJLAGE VI



BEGROTINGSLIMIETEN VOOR STEUNPROGRAMMA'S

BEDOELD IN ARTIKEL 44, LID 1 in 1000 EUR per begrotingsjaar

 

2014

2015

2016

2017 onwards

Bulgarije

26 762

26 762

26 762

26 762

Tsjechische Republiek

5 155

5 155

5 155

5 155

Duitsland

38 895

38 895

38 895

38 895

Griekenland

23 963

23 963

23 963

23 963

Spanje

353 081

210 332

210 332

210 332

Frankrijk

280 545

280 545

280 545

280 545

Kroatië

11 885

11 885

11 885

10 832

Italië

336 997

336 997

336 997

336 997

Cyprus

4 646

4 646

4 646

4 646

Litouwen

45

45

45

45

Luxemburg

588

Hongarije

29 103

29 103

29 103

29 103

Malta

402

Oostenrijk

13 688

13 688

13 688

13 688

Portugal

65 208

65 208

65 208

65 208

Roemenië

47 700

47 700

47 700

47 700

Slovenië

5 045

5 045

5 045

5 045

Slowakije

5 085

5 085

5 085

5 085

Verenigd Koninkrijk

120




BIJLAGE VII

DEFINITIES, AANDUIDINGEN EN VERKOOPBENAMINGEN VAN PRODUCTEN, BEDOELD IN ARTIKEL 78

Met het oog op de toepassing van deze bijlage wordt onder "verkoopbenaming" verstaan: de naam waaronder een levensmiddel wordt verkocht, in de zin van artikel 5, lid 1, van Richtlijn 2000/13/EG of de naam van het levensmiddel, in de zin van artikel 17 van Verordening (EU) nr. 1169/2011.

DEEL I

Vlees van runderen die jonger zijn dan 12 maanden

I.   Definitie

Met het oog op de toepassing van dit deel wordt onder "vlees" verstaan: geslachte dieren, vlees met of zonder been en slachtafvallen, al dan niet versneden, bestemd voor menselijke consumptie, van runderen die jonger zijn dan 12 maanden, aangeboden in verse, gekoelde of bevroren toestand, al dan niet voorzien van een onmiddellijke verpakking of een verpakking.

II.   Indeling in het slachthuis van vlees van runderen die jonger zijn dan 12 maanden

Op het moment van het slachten delen de marktdeelnemers, onder toezicht van de bevoegde autoriteit, alle runderen die jonger zijn dan 12 maanden, in één van de volgende twee categorieën in:

A) Categorie V: runderen die jonger zijn dan 8 maanden

Identificatieletter: V;

B) Categorie Z: runderen die ten minste 8 maanden oud zijn, maar jonger zijn dan 12 maanden

Identificatieletter: Z.

Deze indeling vindt plaats op basis van het paspoort waarvan de runderen vergezeld gaan, of, bij gebrek daaraan, op basis van de gegevens uit het gecomputeriseerde gegevensbestand als bedoeld in artikel 5 van Verordening (EG) nr. 1760/2000 van het Europees Parlement en de Raad ( 32 ).

III.   Verkoopbenamingen

1. Vlees van runderen die jonger zijn dan twaalf maanden, mag in de verschillende lidstaten slechts worden afgezet onder de volgende, voor iedere lidstaat vastgestelde verkoopbenaming(en):

A) voor vlees van runderen die jonger zijn dan acht maanden (identificatieletter: V):



Land van afzet

Verplichte verkoopbenaming

België

veau, viande de veau/kalfsvlees/Kalbfleisch

Bulgarije

месо от малки телета

Tsjechische Republiek

Telecí

Denemarken

Lyst kalvekød

Duitsland

Kalbfleisch

Estland

Vasikaliha

Ierland

Veal

Griekenland

μοσχάρι γάλακτος

Spanje

Ternera blanca, carne de ternera blanca

Frankrijk

veau, viande de veau

Kroatië

teletina

Italië

vitello, carne di vitello

Cyprus

μοσχάρι γάλακτος

Letland

Teļa gaļa

Litouwen

Veršiena

Luxemburg

veau, viande de veau/Kalbfleisch

Hongarije

Borjúhús

Malta

Vitella

Nederland

Kalfsvlees

Oostenrijk

Kalbfleisch

Polen

Cielęcina

Portugal

Vitela

Roemenië

carne de vițel

Slovenië

Teletina

Slowakije

Teľacie mäso

Finland

vaalea vasikanliha/ljust kalvkött

Zweden

ljust kalvkött

Verenigd Koninkrijk

Veal

B) voor vlees van runderen die ten minste 8 maanden oud zijn, maar jonger zijn dan 12 maanden (identificatieletter: Z):



Land van afzet

Verplichte verkoopbenaming

België

jeune bovin, viande de jeune bovin/jongrundvlees/Jungrindfleisch

Bulgarije

Телешко месо

Tsjechische Republiek

hovězí maso z mladého skotu

Denemarken

Kalvekød

Duitsland

Jungrindfleisch

Estland

noorloomaliha

Ierland

rosé veal

Griekenland

νεαρό μοσχάρι

Spanje

Ternera, carne de ternera

Frankrijk

jeune bovin, viande de jeune bovin

Kroatië

mlada junetina

Italië

vitellone, carne di vitellone

Cyprus

νεαρό μοσχάρι

Letland

jaunlopa gaļa

Litouwen

Jautiena

Luxemburg

jeune bovin, viande de jeune bovin/Jungrindfleisch

Hongarije

Növendék marha húsa

Malta

Vitellun

Nederland

rosé kalfsvlees

Oostenrijk

Jungrindfleisch

Polen

młoda wołowina

Portugal

Vitelão

Roemenië

carne de tineret bovin

Slovenië

meso težjih telet

Slowakije

mäso z mladého dobytka

Finland

vasikanliha/kalvkött

Zweden

Kalvkött

Verenigd Koninkrijk

Beef

2. De in lid 1 bedoelde verkoopbenamingen mogen worden aangevuld met de vermelding van de benaming of de aanduiding van de betrokken stukken vlees of van het betrokken slachtafval.

3. De verkoopbenamingen voor categorie V die in deel A) van de tabel in lid 1 zijn opgenomen, en eventuele nieuwe benamingen die van die verkoopbenamingen zijn afgeleid, mogen uitsluitend worden gebruikt indien aan alle eisen van deze bijlage wordt voldaan.

Meer bepaald mag in een verkoopbenaming of op een etiket van vlees van runderen die ouder zijn dan 12 maanden, geen gebruik worden gemaakt van de termen "veau", "teleci", "Kalb", "μοσχάρι", "ternera", "kalv", "veal", "vitello", "vitella", "kalf", "vitela" en "teletina".

4. De in lid 1 bedoelde voorwaarden zijn niet van toepassing op vlees van runderen waarvoor vóór 29 juni 2007 een beschermde oorsprongsbenaming of geografische aanduiding is geregistreerd overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1121/2012 van de Raad.

IV.   Verplichte vermelding op het etiket

1. Onverminderd Richtlijn 2000/13/EG, Verordening (EU) nr. 1169/2011 en de artikelen 13, 14 en 15 van Verordening (EG) nr. 1760/2000, brengen de marktdeelnemers in ieder stadium van de productie en de afzet de volgende gegevens aan op het etiket van vlees van runderen die niet ouder zijn dan twaalf maanden:

a) de verkoopbenaming overeenkomstig punt III vandit deel;

b) de slachtleeftijd van de dieren, door middel van de vermelding

 "slachtleeftijd: tot 8 maanden";

 "slachtleeftijd: van 8 tot 12 maanden".

In afwijking van punt b) van de eerste alinea, kunnen de marktdeelnemers de vermelding van de slachtleeftijd vervangen door de vermelding van de categorie, respectievelijk: "categorie V" of "categorie Z", in de stadia voorafgaand aan de aanbieding aan de eindverbruiker.

2. De voorschriften voor het aanbrengen van de in lid 1 bedoelde vermeldingen op het etiket van vlees van runderen die niet ouder zijn dan twaalf maanden en dat in niet-voorverpakte vorm in de detailhandel wordt aangeboden aan de eindverbruiker, worden door de lidstaten vastgesteld.

V.   Registratie

In elk stadium van de productie en de afzet registreren de marktdeelnemers de volgende gegevens:

a) het identificatienummer en de geboortedatum van de dieren, alleen in het slachthuis;

b) een referentienummer voor de vaststelling van het verband tussen, enerzijds, de identificatie van het dier waarvan het vlees afkomstig is en, anderzijds, de op het etiket van het vlees vermelde verkoopbenaming, slachtleeftijd en identificatieletter van de betrokken categorie;

c) de datum waarop de dieren en het vlees de inrichting respectievelijk binnengekomen zijn en verlaten hebben.

VI.   Officiële controles

1. De lidstaten wijzen de bevoegde autoriteiten aan die verantwoordelijk zijn voor de officiële controles waarmee wordt nagegaan of dit deel wordt toegepast, en delen de betrokken gegevens mee aan de Commissie.

2. De in lid 1 bedoelde bevoegde autoriteiten voeren officiële controles uit overeenkomstig de algemene beginselen van Verordening (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad ( 33 ).

3. De deskundigen van de Commissie voeren, zo nodig, samen met de betrokken bevoegde autoriteiten en, in voorkomend geval, met deskundigen van de lidstaten, controles ter plaatse uit om zich ervan te vergewissen dat de bepalingen van deze bijlage worden toegepast.

4. De lidstaten op het grondgebied waarvan een controle wordt uitgevoerd, verlenen de Commissie alle medewerking die zij bij het verrichten van haar taak nodig heeft.

5. Met betrekking tot uit derde landen ingevoerd vlees zorgt de bevoegde autoriteit die door dat derde land is aangewezen, of, in voorkomend geval, een onafhankelijke dienst ervoor dat aan de eisen van dit deel wordt voldaan. Deze dienst biedt de nodige garanties waaruit blijkt dat hij zich houdt aan de Europese norm EN 45011 of ISO/IEC Guide 65.]

DEEL II

Wijncategorieën

(1)   Wijn

Onder "wijn" wordt verstaan: het product dat uitsluitend wordt verkregen door gehele of gedeeltelijke alcoholische vergisting van al dan niet gekneusde verse druiven of van druivenmost.

Wijn heeft:

a na de eventuele behandelingen als bedoeld in bijlage VIII, deel I, punt B, een feitelijk alcoholvolumegehalte van ten minste 8,5 % vol, mits deze wijn uitsluitend afkomstig is van druiven die zijn geoogst in de wijnbouwzones A en B zoals bedoeld in het aanhangsel I bij deze bijlage, en van ten minste 9 % vol voor de overige wijnbouwzones;

b) wanneer hij een beschermde oorsprongsbenaming of een beschermde geografische aanduiding heeft, in afwijking van het doorgaans geldende minimale effectieve alcoholvolumegehalte en na de eventuele behandelingen zoals bedoeld in bijlage VIII, deel I, punt B, een feitelijk alcoholvolumegehalte van ten minste 4,5 % vol;

c) een totaal alcoholvolumegehalte van ten hoogste 15 % vol. In afwijking daarvan:

 kan voor wijn die zonder verrijking is verkregen op bepaalde wijnbouwoppervlakten van de Unie die de Commissie overeenkomstig artikel 75, lid 2, door middel van gedelegeerde handelingen vaststelt, de bovengrens van het totale alcoholvolumegehalte tot 20 % vol worden verhoogd,

▼M5

 kan de bovengrens van het totale alcoholvolumegehalte tot meer dan 15 % vol worden verhoogd voor wijn met een beschermde oorsprongsbenaming die is verkregen zonder verrijking, of uitsluitend verrijkt door de in bijlage VIII, deel I, afdeling B, punt 1, genoemde procedés van gedeeltelijke concentratie, mits het productdossier in het technisch dossier van de betrokken beschermde oorsprongsbenaming die mogelijkheid bevat;

▼B

d) behoudens eventuele afwijkingen die de Commissie overeenkomstig artikel 75, lid 2, door middel van gedelegeerde handelingen kan vaststellen, een totaal gehalte aan zuren, uitgedrukt in wijnsteenzuur, van ten minste 3,5 gram per liter of 46,6 milli-equivalent per liter.

"Retsina": wijn die uitsluitend wordt voortgebracht op het geografische grondgebied van Griekenland uit druivenmost die met hars van de Aleppopijnboom is behandeld. Het gebruik van hars van de Aleppopijnboom is alleen toegestaan om "retsina"-wijn overeenkomstig de toepasselijke Griekse voorschriften te verkrijgen.

In afwijking van het bepaalde in punt b) van de tweede alinea worden "Tokaji eszencia" en "Tokajská esencia" als wijn beschouwd.

De lidstaten mogen evenwel toestaan dat het woord "wijn" wordt gebruikt indien:

a) het vergezeld gaat van de naam van een vrucht in samengestelde benamingen om producten, verkregen door vergisting van andere vruchten dan druiven, af te zetten; of

b) het onderdeel is van een samengestelde benaming.

Iedere verwarring met producten die onder de wijncategorieën van deze bijlage vallen, moet worden voorkomen.

(2)   Jonge, nog gistende wijn

Onder "jonge, nog gistende wijn" wordt verstaan, wijn waarvan de alcoholische gisting nog niet is geëindigd en die nog niet is ontdaan van de wijnmoer.

(3)   Likeurwijn

Onder "likeurwijn" wordt verstaan, het product:

a) dat een effectief alcoholvolumegehalte heeft van ten minste 15 % vol en ten hoogste 22 % vol;

b) dat een totaal alcoholvolumegehalte heeft van ten minste 17,5 % vol, met uitzondering van bepaalde likeurwijnen met een oorsprongsbenaming of een geografische aanduiding, die voorkomen op een lijst die de Commissie overeenkomstig artikel 75, lid 2, door middel van gedelegeerde handelingen opstelt;

c) dat verkregen is uit:

 gedeeltelijk gegiste druivenmost,

 wijn,

 een mengsel van bovengenoemde producten, of

 druivenmost of een mengsel van druivenmost en wijn als het gaat om bepaalde, door de Commissie overeenkomstig artikel 75, lid 2, door middel van gedelegeerde handelingen vast te stellen likeurwijnen met een beschermde oorsprongsbenaming of een beschermde geografische aanduiding;

d) dat een oorspronkelijk natuurlijk alcoholvolumegehalte heeft van ten minste 12 % vol, met uitzondering van bepaalde likeurwijnen met een beschermde oorsprongsbenaming of een beschermde geografische aanduiding, die voorkomen op een lijst die de Commissie overeenkomstig artikel 75, lid 2, door middel van gedelegeerde handelingen opstelt;

e) waaraan zijn toegevoegd:

i) een van de volgende producten of een mengsel daarvan:

 neutrale alcohol uit wijnbouwproducten, met inbegrip van alcohol verkregen door de distillatie van rozijnen en krenten, met een feitelijk alcoholvolumegehalte van ten minste 96 % vol,

 distillaat van wijn of van rozijnen en krenten met een feitelijk alcoholvolumegehalte van ten minste 52 % vol en ten hoogste 86 % vol;

ii) alsmede, in voorkomend geval, een of meer van de volgende producten:

 geconcentreerde druivenmost,

 een mengsel van een van de onder e), i), genoemde producten met druivenmost zoals bedoeld onder c), eerste en vierde streepje;

f) waaraan, in afwijking van het bepaalde in punt e), voor zover het gaat om likeurwijnen met een beschermde oorsprongsbenaming of een beschermde geografische aanduiding die voorkomen op een lijst die de Commissie overeenkomstig artikel 75, lid 2, door middel van gedelegeerde handelingen opstelt, zijn toegevoegd:

i) een van de onder e), i), genoemde producten of een mengsel daarvan; of

ii) een of meer van de volgende producten:

 alcohol van wijn of van rozijnen en krenten, met een feitelijk alcoholvolumegehalte van ten minste 95 % vol en ten hoogste 96 % vol,

 eau-de-vie van wijn of van druivendraf, met een feitelijk alcoholvolumegehalte van ten minste 52 % vol en ten hoogste 86 % vol,

 eau-de-vie van rozijnen en krenten, met een feitelijk alcoholvolumegehalte van ten minste 52 % vol doch minder dan 94,5 % vol; en

iii) in voorkomend geval, een of meer van de volgende producten:

 gedeeltelijk gegiste druivenmost van ingedroogde druiven,

 geconcentreerde druivenmost verkregen door rechtstreekse werking van vuur, die, afgezien van deze bewerking, voldoet aan de definitie van geconcentreerde druivenmost,

 geconcentreerde druivenmost,

 een mengsel van een van de onder f), ii), genoemde producten met druivenmost als bedoeld onder c), eerste en vierde streepje.

(4)   Mousserende wijn

Onder "mousserende wijn" wordt verstaan, het product dat:

a) is verkregen door eerste of tweede alcoholische vergisting:

 van verse druiven,

 van druivenmost, of

 van wijn;

b) wordt gekenmerkt door het feit dat bij het openen van de recipiënten koolzuurgas vrijkomt dat uitsluitend door vergisting is ontstaan;

c) bij bewaring in gesloten recipiënten bij 20 °C, een door koolzuurgas in oplossing teweeggebrachte overdruk heeft van ten minste 3 bar; en

d) wordt bereid uit cuvées met een totaal alcoholvolumegehalte van ten minste 8,5 % vol.

(5)   Mousserende kwaliteitswijn

Onder "mousserende kwaliteitswijn" wordt verstaan, het product dat:

a) is verkregen door eerste of tweede alcoholische vergisting:

 van verse druiven,

 van druivenmost, of

 van wijn;

b) wordt gekenmerkt door het feit dat bij het openen van de recipiënten koolzuurgas vrijkomt dat uitsluitend door vergisting is ontstaan;

c) bij bewaring in gesloten recipiënten bij 20 °C, een door koolzuurgas in oplossing teweeggebrachte overdruk heeft van ten minste 3,5 bar; en

d) wordt bereid uit cuvées met een totaal alcoholvolumegehalte van ten minste 9 % vol.

(6)   Aromatische mousserende kwaliteitswijn

Onder "aromatische mousserende kwaliteitswijn" wordt verstaan, het product dat:

a) is verkregen door voor de cuvée uitsluitend gebruik te maken van druivenmost of gedeeltelijk gegiste druivenmost van specifieke wijndruivenrassen die zijn opgenomen op een lijst die de Commissie overeenkomstig artikel 75, lid 2, door middel van gedelegeerde handelingen opstelt.

De aromatische mousserende kwaliteitswijnen die traditioneel worden bereid met gebruikmaking van wijnen voor de cuvée, worden door de Commissie overeenkomstig artikel 75, lid 2, door middel van gedelegeerde handelingen vastgesteld;

b) bij bewaring in gesloten recipiënten bij 20 °C, een door koolzuurgas in oplossing teweeggebrachte overdruk heeft van ten minste 3 bar;

c) een feitelijk alcoholvolumegehalte heeft van ten minste 6 % vol; en

d) een totaal alcoholvolumegehalte heeft van ten minste 10 % vol.

(7)   Mousserende wijn waaraan koolzuurgas is toegevoegd

Onder "mousserende wijn waaraan koolzuurgas is toegevoegd", wordt verstaan, het product dat:

a) is verkregen uit wijn zonder een beschermde oorsprongsbenaming of een beschermde geografische aanduiding;

b) bij het openen van de recipiënten, koolzuurgas laat ontsnappen dat geheel of gedeeltelijk is toegevoegd; en

c) bij bewaring in gesloten recipiënten bij 20 °C, een door koolzuurgas in oplossing teweeggebrachte overdruk heeft van ten minste 3 bar.

(8)   Parelwijn

Onder "parelwijn" wordt verstaan, het product dat:

a) is verkregen uit wijn, uit jonge nog gistende wijn, uit druivenmost of uit gedeeltelijk gegiste druivenmost, voor zover het totale alcoholvolumegehalte van die producten ten minste 9 % vol bedraagt;

b) een feitelijk alcoholvolumegehalte heeft van ten minste 7 % vol;

c) bij bewaring in gesloten recipiënten bij 20 °C, een door endogeen koolzuurgas in oplossing teweeggebrachte overdruk heeft van ten minste 1 en ten hoogste 2,5 bar; en

d) wordt opgeslagen in recipiënten van 60 l of minder.

(9)   Parelwijn waaraan koolzuurgas is toegevoegd

Onder "parelwijn waaraan koolzuurgas is toegevoegd" wordt verstaan, het product dat:

a) is verkregen uit wijn, uit jonge nog gistende wijn, uit druivenmost of uit gedeeltelijk gegiste druivenmost;

b) een feitelijk alcoholvolumegehalte heeft van ten minste 7 % vol en een totaal alcoholvolumegehalte van ten minste 9 % vol;

c) bij bewaring in gesloten recipiënten bij 20 °C, een door geheel of gedeeltelijk toegevoegd koolzuurgas in oplossing teweeggebrachte overdruk heeft van ten minste 1 en ten hoogste 2,5 bar; en

d) wordt opgeslagen in recipiënten van 60 l of minder.

(10)   Druivenmost

Onder "druivenmost" wordt verstaan: de vloeistof die op natuurlijke wijze of via natuurkundige procedés uit verse druiven wordt verkregen. Druivenmost mag een feitelijk alcoholvolumegehalte hebben van ten hoogste 1 % vol.

(11)   Gedeeltelijk gegiste druivenmost

Onder "gedeeltelijk gegiste druivenmost" wordt verstaan: het product dat wordt verkregen door vergisting van druivenmost en dat een feitelijk alcoholvolumegehalte heeft van meer dan 1 % vol doch minder dan drie vijfde van het totale alcoholvolumegehalte.

(12)   Gedeeltelijk gegiste druivenmost van ingedroogde druiven

Onder "gedeeltelijk gegiste druivenmost van ingedroogde druiven" wordt verstaan: het product dat wordt verkregen door de gedeeltelijke vergisting van druivenmost van ingedroogde druiven, waarvan het totale gehalte aan suiker vóór de gisting ten minste 272 g per liter bedraagt en waarvan het natuurlijke en effectieve alcoholvolumegehalte niet minder mag bedragen dan 8 % vol. Bepaalde door de Commissie overeenkomstig artikel 75, lid 2, door middel van gedelegeerde handelingen vast te stellen wijnen die aan deze eisen voldoen, worden echter niet als gedeeltelijk gegiste druivenmost van ingedroogde druiven beschouwd.

(13)   Geconcentreerde druivenmost

Onder "geconcentreerde druivenmost" wordt verstaan: de niet-gekarameliseerde druivenmost die wordt verkregen door gedeeltelijke dehydratatie van druivenmost door middel van elk ander toegestaan procedé dan de rechtstreekse werking van vuur, en op zodanige wijze dat bij een temperatuur van 20 °C met een refractometer volgens een overeenkomstig artikel 80, lid 5, eerste alinea, en artikel 91, eerste alinea, onder d), voor te schrijven methode een waarde van niet minder dan 50,9 % wordt gemeten.

Geconcentreerde druivenmost mag een feitelijk alcoholvolumegehalte hebben van ten hoogste 1 % vol.

(14)   Gerectificeerde geconcentreerde druivenmost

Onder "gerectificeerde geconcentreerde druivenmost" wordt verstaan:

a) de niet-gekarameliseerde vloeistof die:

i) wordt verkregen door gedeeltelijke dehydratatie van druivenmost door middel van elk ander toegestaan procedé dan de rechtstreekse werking van vuur, en op zodanige wijze dat bij een temperatuur van 20 °C met een refractometer volgens een overeenkomstig artikel 80, lid 5, eerste alinea, en artikel 91, eerste alinea, onder d), voor te schrijven methode een waarde van niet minder dan 61,7 % wordt gemeten;

ii) een toegestane behandeling voor ontzuring en eliminatie van andere bestanddelen dan suiker heeft ondergaan;

iii) de volgende kenmerken vertoont:

 pH niet hoger dan 5 bij 25°Brix,

 optische dichtheid bij 425 nm en een dikte van 1 cm, niet hoger dan 0,100, voor geconcentreerde druivenmost bij 25°Brix,

 sucrosegehalte niet vast te stellen met een nader te bepalen analysemethode;

 Folin-Ciocalteau-index niet hoger dan 6,00 bij 25°Brix,

 getitreerde zuurgraad niet hoger dan 15 milli-equivalent per kilogram suiker totaal;

 gehalte aan zwaveldioxide niet hoger dan 25 mg per kilogram suiker totaal,

 gehalte aan kationen totaal niet hoger dan 8 milli-equivalent per kilogram suiker totaal,

 conductiviteit bij 25 Brix en 20 °C niet hoger dan 120 micro-Siemens/cm,

 gehalte aan hydroxymethylfurfural niet hoger dan 25 mg per kilogram suiker totaal;

 aanwezigheid van meso-inositol.

b) de niet-gekarameliseerde vaste stof die:

i) zonder gebruik van oplosmiddelen wordt verkregen door kristallisatie van vloeibare gerectificeerde geconcentreerde druivenmost;

ii) een toegestane behandeling voor ontzuring en eliminatie van andere bestanddelen dan suiker heeft ondergaan;

iii) na verdunning bij 25 °Brix de volgende kenmerken vertoont:

 pH niet hoger dan 7,5;

 optische dichtheid bij 425 nm en een dikte van 1 cm, niet hoger dan 0,100;

 sucrosegehalte niet vast te stellen met een nader te bepalen analysemethode;

 Folin-Ciocalteu-index niet hoger dan 6,00;

 getitreerde zuurgraad niet hoger dan 15 milli-equivalent per kilogram suiker totaal;

 gehalte aan zwaveldioxide niet hoger dan 10 mg per kilogram suiker totaal;

 gehalte aan kationen totaal niet hoger dan 8 milli-equivalent per kilogram suiker totaal;

 conductiviteit bij 20 °C niet hoger dan 120 micro-Siemens/cm;

 gehalte aan hydroxymethylfurfural niet hoger dan 25 mg per kilogram suiker totaal;

 aanwezigheid van meso-inositol.

Geconcentreerde druivenmost mag een feitelijk alcoholvolumegehalte hebben van ten hoogste 1 % vol.

(15)   Wijn van ingedroogde druiven

Onder "wijn van ingedroogde druiven" wordt verstaan: het product dat:

a) zonder verrijking is verkregen van druiven die in de zon of de schaduw hebben gelegen met het oog op gedeeltelijke dehydratatie;

b) een totaal alcoholvolumegehalte heeft van ten minste 16 % vol en een feitelijk alcoholvolumegehalte van ten minste 9 % vol; en

c) een natuurlijk alcoholvolumegehalte heeft van ten minste 16 % vol (of 272 g suiker/liter).

(16)   Wijn van overrijpe druiven

Onder "wijn van overrijpe druiven" wordt verstaan: het product dat:

a) wordt bereid zonder verrijking;

b) een natuurlijk alcoholvolumegehalte heeft van meer dan 15 % vol; en

c) een totaal alcoholvolumegehalte heeft van ten minste 15 % vol en een feitelijk alcoholvolumegehalte van ten minste 12 % vol.

De lidstaten kunnen voor dit product een rijpingsperiode voorschrijven.

(17)   Wijnazijn

Onder "wijnazijn" wordt verstaan: azijn die:

a) uitsluitend wordt verkregen door azijnzure vergisting van wijn; en

b) een totaal zuurgehalte heeft van ten minste 60 g per liter, uitgedrukt in azijnzuur.

DEEL III.

Melk en zuivelproducten

1. Onder „melk” wordt uitsluitend vestaan: het product dat normaal door de melkklieren wordt afgescheiden en bij één of meer melkbeurten is verkregen, zonder dat daaraan stoffen worden toegevoegd of onttrokken.

De benaming "melk" mag evenwel tevens worden gebruikt:

a) voor melk die een behandeling heeft ondergaan waardoor de samenstelling niet wordt gewijzigd of voor melk waarvan het vetgehalte overeenkomstig deel IV is gestandaardiseerd;

b) samen met één of meer woorden, om het type, de kwaliteitsklasse, de oorsprong en/of het voorgenomen gebruik van de melk aan te geven, of om de fysieke behandeling te omschrijven waaraan de melk is onderworpen of de wijzigingen in de samenstelling die de melk heeft ondergaan, mits deze wijzigingen beperkt blijven tot het toevoegen en/of het onttrekken van natuurlijke melkbestanddelen aan de melk.

2. Met het oog op de toepassing van dit deel wordt onder "zuivelproducten" verstaan: producten die uitsluitend zijn verkregen uit melk, met dien verstande dat stoffen die voor de bereiding ervan noodzakelijk zijn, mogen worden toegevoegd, mits deze stoffen niet worden gebruikt voor de volledige of gedeeltelijke vervanging van één van de bestanddelen van de melk.

Voor zuivelproducten mogen uitsluitend de onderstaande benamingen worden gebruikt:

a) de volgende benamingen, die in alle handelsstadia worden gebruikt

i) wei,

ii) room,

iii) boter,

iv) karnemelk of botermelk,

v) boterolie,

vi) caseïne,

vii) watervrij melkvet,

viii) kaas,

ix) yoghurt,

x) kefir,

xi) koemis,

xii) viili/fil,

xiii) smetana,

xiv) fil,

xv) rjaženka,

xvi) rūgušpiens;

b) benamingen in de zin van artikel 5 van Richtlijn 2000/13/EG of artikel 17 van Verordening (EU) nr. 1169/2011 die daadwerkelijk voor zuivelproducten worden gebruikt.

3. De benaming "melk" en de voor de omschrijving van zuivelproducten gebruikte benamingen mogen eveneens worden gebruikt samen met één of meer woorden voor het omschrijven van samengestelde producten waarvan geen enkel element de plaats van een bestanddeel van melk inneemt of met dit doel wordt toegevoegd, en waarvan de melk of een zuivelproduct een essentieel bestanddeel is, hetzij door zijn hoeveelheid, hetzij omdat zijn effect kenmerkend is voor het product.

4. Wat melk betreft, moet worden vermeld van welke diersoort de melk afkomstig is, indien zij niet afkomstig is van runderen.

5. De in de punten 1, 2 en 3 bedoelde benamingen mogen niet voor andere dan de in die punten bedoelde producten worden gebruikt.

Deze bepaling is evenwel niet van toepassing op de benaming van producten waarvan de precieze aard op grond van traditioneel gebruik duidelijk is, en/of wanneer duidelijk is dat de benamingen bedoeld zijn om een kenmerkende eigenschap van het product te omschrijven.

6. Voor andere dan de in de punten 1, 2 en 3 van dit deel bedoelde producten mogen geen etiketten, handelsdocumenten, reclamemateriaal of enige vorm van reclame als omschreven in artikel 2 van Richtlijn 2006/114/EG ( 34 ) van de Raad of enige vorm van presentatie worden gebruikt waarmee wordt aangegeven, geïmpliceerd of gesuggereerd dat het betrokken product een zuivelproduct is.

Voor producten die melk- of zuivelproducten bevatten, mogen de benaming "melk" en de in punt 2, tweede alinea, van dit deel bedoelde benamingen echter uitsluitend worden gebruikt om een beschrijving van de grondstoffen en een opsomming van de ingrediënten te geven overeenkomstig Richtlijn 2000/13/EG of Verordening (EU) nr. 1169/2011.

DEEL IV

Melk voor menselijke consumptie van GN-code 0401

I.   Definities

Met het oog op de toepassing van dit deel wordt verstaan onder:

a)

"melk" : het door het melken van één of meer koeien verkregen product;

b)

"consumptiemelk" : de in punt III vermelde producten, bestemd om als zodanig aan de consument te worden geleverd;

c)

"vetgehalte" : de massaverhouding van de delen melkvetstof tot 100 delen van de betrokken melk;

d)

"eiwitgehalte" : de massaverhouding van de delen melkeiwit tot 100 delen van de betrokken melk berekend door het totale stikstofgehalte van de melk, uitgedrukt als massapercentage, te vermenigvuldigen met 6,38.

II.   Levering of verkoop aan de eindverbruiker

1. Alleen melk die voldoet aan de eisen voor consumptiemelk mag zonder verwerking aan de eindconsument worden geleverd of verkocht, hetzij rechtstreeks, hetzij via restaurants, ziekenhuizen, kantines of andere soortgelijke instellingen.

2. De verkoopbenamingen voor deze producten zijn die welke zijn vastgesteld in punt III. Deze verkoopbenamingen mogen uitsluitend voor de in dat punt gedefinieerde producten worden gebruikt, onverminderd de mogelijkheid om ze te gebruiken in samengestelde benamingen.

3. De lidstaten stellen maatregelen vast om de consument over de aard of de samenstelling van de producten te informeren in alle gevallen waarin het ontbreken van deze informatie bij de consument tot verwarring kan leiden.

III   Consumptiemelk

1. De volgende producten worden als consumptiemelk beschouwd:

a) rauwe melk: melk die niet is verwarmd tot boven 40 °C en die evenmin een behandeling met een gelijkwaardig effect heeft ondergaan;

b) volle melk: warmtebehandelde melk die, wat het vetgehalte betreft, aan één van de volgende eisen voldoet:

i) gestandaardiseerde volle melk: melk met een vetgehalte van ten minste 3,50 % (m/m). De lidstaten mogen evenwel een extra categorie volle melk met een vetgehalte van 4,00 % (m/m) of meer vaststellen;

ii) niet-gestandaardiseerde volle melk: melk waarvan het vetgehalte sedert het melken niet is gewijzigd, noch door toevoeging of verwijdering van melkvet, noch door vermenging met melk waarvan het natuurlijke vetgehalte is gewijzigd. Het vetgehalte mag evenwel niet lager zijn dan 3,50 % (m/m);

c) halfvolle melk: warmtebehandelde melk waarvan het vetgehalte op ten minste 1,50 % (m/m) en ten hoogste 1,80 % (m/m) is gebracht;

d) magere melk: warmtebehandelde melk waarvan het vetgehalte op ten hoogste 0,50 % (m/m) is gebracht.

Warmtebehandelde melk die niet voldoet aan de in de eerste alinea, punten b), c) en d), vastgestelde eisen ten aanzien van het vetgehalte, wordt als consumptiemelk beschouwd op voorwaarde dat het vetgehalte tot op de eerste decimaal duidelijk en gemakkelijk leesbaar op de verpakking is aangebracht, en wel als volgt: "… % vet". Die melk mag niet worden omschreven als volle melk, halfvolle melk of magere melk.

2. Onverminderd het bepaalde in punt 1, onderdeel b), onder ii), zijn slechts de volgende wijzigingen toegestaan:

a) om de voor consumptiemelk voorgeschreven vetgehalten in acht te nemen, wijziging van het natuurlijke vetgehalte van de melk door verwijdering of toevoeging van room of door toevoeging van volle, halfvolle of magere melk;

b) verrijking van de melk met uit melk afkomstige eiwitten, minerale zouten of vitaminen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1925/2006 van het Europees Parlement en de Raad ( 35 );

c) vermindering van het lactosegehalte, door omzetting van lactose in glucose en galactose.

De onder b) en c) bedoelde wijzigingen in de samenstelling van de melk zijn alleen toegestaan indien zij duidelijk zichtbaar, goed leesbaar en onuitwisbaar op de verpakking van het product worden vermeld. Deze vermelding doet echter niets af aan de verplichting tot voedingswaarde-etikettering zoals bedoeld in Verordening (EU) nr. 1169/2011. In geval van verrijking met eiwitten dient het eiwitgehalte van de verrijkte melk 3,8 % (m/m) of meer te bedragen.

De lidstaten kunnen de onder b) en c) bedoelde wijzigingen in de samenstelling van de melk echter beperken of verbieden.

3. Consumptiemelk moet aan de volgende eisen voldoen:

a) een vriespunt hebben dat het gemiddelde vriespunt van rauwe melk in de regio waar de consumptiemelk wordt ingezameld, dicht benadert;

b) een massagewicht van ten minste 1 028 gram per liter hebben voor melk met een vetgehalte van 3,5 % (m/m) bij een temperatuur van 20 °C, of het equivalent daarvan per liter voor melk met een ander vetgehalte;

c) ten minste 2,9 % (m/m) eiwit bevatten voor melk met een vetgehalte van 3,5 % (m/m), of het equivalent daarvan voor melk met een ander vetgehalte.

DEEL V

Producten van de sector pluimveevlees

I.

Dit deel is van toepassing op het, in het kader van de uitoefening van een beroep of bedrijf, in de Unie afzetten van bepaalde soorten en aanbiedingsvormen van pluimveevlees, alsmede van bereidingen en producten op basis van pluimveevlees of slachtafval van pluimvee, van de volgende soorten:

 hanen en kippen (Gallus domesticus),

 eenden,

 ganzen,

 kalkoenen,

 parelhoenders.

Deze bepalingen zijn ook van toepassing op gepekeld pluimveevlees van GN-code 0210 99 39 .

II.

Definities

(1)

"Pluimveevlees" : het voor menselijke consumptie geschikt vlees van pluimvee dat geen enkele andere behandeling dan een koudebehandeling heeft ondergaan;

(2)

"Vers pluimveevlees" : pluimveevlees dat op geen enkel moment door koude is verstijfd voorafgaand aan de bewaring bij een temperatuur die niet lager mag zijn dan – 2 °C en niet hoger dan + 4 °C. De lidstaten kunnen evenwel enigszins afwijkende temperatuureisen vaststellen voor de minimumduur die vereist is voor het uitsnijden en behandelen van vers vlees van pluimvee in detailhandelszaken of in aan verkooppunten grenzende lokalen, waar het vlees uitsluitend wordt versneden en behandeld om ter plaatse rechtstreeks aan de consument te kunnen worden geleverd;

(3)

"Bevroren pluimveevlees" : pluimveevlees dat, zodra dit in het kader van de normale slachtprocedures mogelijk is, moet worden bevroren en moet te allen tijde worden bewaard bij een temperatuur van ten hoogste – 12 °C;

(4)

"Diepgevroren pluimveevlees" : pluimveevlees dat moet worden bewaard bij een temperatuur van ten hoogste – 18 °C, met inachtneming van de in Richtlijn 89/108/EEG van de Raad ( 36 ) vastgestelde toleranties;

(5)

"Bereiding op basis van pluimveevlees" : pluimveevlees, met inbegrip van pluimveevlees dat in kleine stukken is gehakt, waaraan levensmiddelen, kruiden of additieven zijn toegevoegd of dat een verwerking heeft ondergaan die niet volstaat om de inwendige spierweefselstructuur van het vlees te veranderen;

(6)

"Bereiding op basis van vers pluimveevlees" :

een bereiding op basis van pluimveevlees waarvoor vers vlees van pluimvee is gebruikt.

De lidstaten kunnen evenwel enigszins afwijkende temperatuureisen vaststellen voor de minimumduur die nodig is, en slechts voor zover nodig, voor het behandelen en uitsnijden in de fabriek tijdens de productie van bereidingen op basis van vers vlees van pluimvee;

(7)

"Pluimveevleesproduct" : een vleesproduct als omschreven in bijlage I, punt 7.1, van Verordening (EG) nr. 853/2004, waarvoor pluimveevlees is gebruikt.

III

Vlees van pluimvee en bereidingen op basis van vlees van pluimvee worden in een van de volgende staten in de handel gebracht:

 vers,

 bevroren,

 diepgevroren.

DEEL VI

Eieren van kippen van de soort Gallus gallus

I.   Toepassingsgebied

1. Onverminderd artikel 75 betreffende de normen voor de productie van en de handel in broedeieren en kuikens van pluimvee is dit deel van toepassing op de handel binnen de Unie van in de Unie geproduceerde, uit derde landen ingevoerde of voor uitvoer uit de Unie bestemde eieren.

2. De lidstaten kunnen vrijstelling verlenen van de toepassing van de in dit deel opgenomen eisen, uitgezonderd afdeling III, punt 3, voor eieren die door de producent rechtstreeks aan de eindverbruiker worden verkocht:

a) in de productie-inrichting, of

b) op een lokale openbare markt of bij huis-aan-huisverkoop in het productiegebied van de betrokken lidstaat.

Indien een dergelijke vrijstelling wordt verleend, moet elke producent kunnen kiezen of hij de vrijstelling al dan niet toepast. Indien de vrijstelling wordt toegepast, mogen de eieren niet worden ingedeeld naar kwaliteit en gewicht.

De lidstaat kan overeenkomstig de nationale wetgeving de definitie van de termen lokale openbare markt, huis-aan-huisverkoop en productiegebied bepalen.

II.   Indeling naar kwaliteit en gewicht

1. De eieren worden ingedeeld in de volgende kwaliteitsklassen:

a) klasse A of "verse eieren",

b) klasse B.

2. Eieren van klasse A worden ook ingedeeld naar gewicht. Indeling naar gewicht wordt echter niet geëist voor eieren die worden geleverd aan de levensmiddelen- en de niet-levensmiddelenindustrie.

3. Eieren van klasse B worden uitsluitend geleverd aan de levensmiddelen- en de niet-levensmiddelenindustrie.

III.   Het merken van eieren

1. Eieren van klasse A worden gemerkt met de producentencode.

Eieren van klasse B worden gemerkt met de producentencode en/of met een andere vermelding.

De lidstaten kunnen eieren van klasse B die uitsluitend op hun grondgebied in de handel worden gebracht evenwel vrijstellen van deze eis.

2. Het merken van de eieren overeenkomstig het bepaalde in lid 1 vindt plaats in de productie-inrichting of in het eerste pakstation waaraan de eieren worden geleverd.

3. Eieren die door de producent aan de eindverbruiker worden verkocht op een lokale openbare markt in het productiegebied van de betrokken lidstaat, worden gemerkt overeenkomstig punt 1.

De lidstaten kunnen evenwel producenten met minder dan 50 legkippen vrijstellen van deze eis, op voorwaarde dat de naam en het adres van de producent worden vermeld op het verkooppunt.

DEEL VII

Smeerbare vetproducten

I.   Verkoopbenamingen

De in artikel 78, lid 1, punt f), bedoelde producten mogen slechts zonder verwerking rechtstreeks of via restaurants, ziekenhuizen, kantines en andere soortgelijke instellingen aan de eindverbruiker worden geleverd of afgestaan, indien zij aan de in het aanhangsel II vastgestelde eisen voldoen.

De verkoopbenamingen voor deze producten worden onverminderd afdeling II, punten 2, 3 en 4, in aanhangsel II gespecificeerd.

De in aanhangsel II vermelde verkoopbenamingen zijn uitsluitend bestemd voor de in dit deel omschreven producten van de onderstaande GN-codes die een vetgehalte van minstens 10, maar minder dan 90 gewichtspercenten hebben:

a) melkvetten van de GN-codes 0405 en ex  21 06 ;

b) vetten van GN-code ex  15 17 ;

c) uit plantaardige en/of dierlijke producten samengestelde vetten van de GN-codes ex  15 17 en ex  21 06 .

Het vetgehalte exclusief zout bedraagt ten minste twee derde van de droge stof.

Die verkoopbenamingen gelden evenwel alleen voor producten die bij een temperatuur van 20 °C hun vaste vorm behouden en als smeersel kunnen worden gebruikt.

Deze definities zijn niet van toepassing op:

a) de benaming van producten waarvan de precieze aard op grond van traditioneel gebruik duidelijk is en/of wanneer duidelijk is dat de benaming bedoeld is om een kenmerkende eigenschap van het product te omschrijven;

b) geconcentreerde producten (boter, margarine, melanges) met een vetgehalte van ten minste 90 %.

II.   Terminologie

1. De term "traditioneel" mag in combinatie met de in deel A, punt 1, van het aanhangsel II vastgestelde vermelding "boter" worden gebruikt, wanneer het product rechtstreeks wordt verkregen uit melk of room.

In dit punt wordt verstaan onder "room":

het product dat wordt verkregen uit melk, in de vorm van een emulsie van het type olie in water, met een melkvetgehalte van ten minste 10 %.

2. Voor in het aanhangsel II bedoelde producten zijn vermeldingen verboden waarbij een ander dan het daar vermelde vetgehalte wordt genoemd, geïmpliceerd of gesuggereerd.

3. In afwijking van punt 2 mag de vermelding "met verminderd vetgehalte" of "light" worden toegevoegd voor in het aanhangsel II genoemde producten met een vetgehalte van ten hoogste 62 %.

De vermelding "met verminderd vetgehalte" en de vermelding "light" mogen echter in de plaats komen van de in het aanhangsel gebruikte vermeldingen "3/4" en "halfvolle".

4. De verkoopbenamingen "minarine" en "halvarine" mogen worden gebruikt voor in deel B, punt 3, van het aanhangsel II bedoelde producten.

5. De aanduiding "plantaardig" mag samen met de in deel B van het aanhangsel II vermelde verkoopbenamingen worden gebruikt indien het product alleen vet van plantaardige oorsprong bevat, met een tolerantie voor dierlijk vet van 2 % van het vetgehalte. Deze tolerantie is ook van toepassing wanneer wordt verwezen naar een plantensoort.

DEEL VIII

Benamingen en definities van olijfoliën en oliën uit perskoeken van olijven

Het gebruik van de in dit deel vermelde benamingen en definities van olijfoliën en oliën uit perskoeken van olijven is verplicht bij de afzet van de betrokken producten in de Unie en, voor zover verenigbaar met de bindende internationale regels, in het handelsverkeer met derde landen.

In het stadium van de detailhandel mogen alleen de oliën als bedoeld in punt 1, onder a) en b), en in de punten 3 en 6 worden afgezet.

(1)   OLIJFOLIE VAN DE EERSTE PERSING

"Olijfolie van de eerste persing": oliën die uit de vrucht van de olijfboom uitsluitend zijn verkregen langs zuiver mechanische weg of via andere natuurkundige procédés onder omstandigheden waardoor de olie niet wordt aangetast, en die geen andere behandeling hebben ondergaan dan wassen, decanteren, centrifugeren en filtreren, met uitsluiting van oliën die zijn verkregen door middel van oplosmiddelen of andere adjuvantia met een chemische of biochemische werking, of door herverestering, en van alle mengsels met oliën van een andere soort.

Deze oliën worden uitsluitend als volgt ingedeeld en omschreven:

a) Extra olijfolie van de eerste persing

"Extra olijfolie van de eerste persing": olijfolie van de eerste persing, met een gehalte aan vrije vetzuren, uitgedrukt in oliezuur, van ten hoogste 0,8 gram per 100 gram en waarvan de andere kenmerken overeenkomen met die welke door de Commissie overeenkomstig artikel 75, lid 2, voor deze categorie zijn vastgesteld.

b) Olijfolie van de eerste persing

"Olijfolie van de eerste persing": olijfolie van de eerste persing, met een gehalte aan vrije vetzuren, uitgedrukt in oliezuur, van ten hoogste 2 gram per 100 gram en waarvan de andere kenmerken overeenkomen met die welke door de Commissie overeenkomstig artikel 75, lid 2, voor deze categorie zijn vastgesteld.

c) Olijfolie van de eerste persing, voor verlichting

"Olijfolie van de eerste persing, voor verlichting": olijfolie van eerste persing met een gehalte aan vrije vetzuren, uitgedrukt in oliezuur, van meer dan 2 gram per 100 gram en/of waarvan de andere kenmerken overeenkomen met die welke door de Commissie overeenkomstig artikel 75, lid 2, voor deze categorie zijn vastgesteld.

(2)   GERAFFINEERDE OLIJFOLIE

"Geraffineerde olijfolie": olijfolie verkregen door raffinering van olijfolie van de eerste persing, met een gehalte aan vrije vetzuren, uitgedrukt in oliezuur, van niet meer dan 0,3 gram per 100 gram en waarvan de andere kenmerken overeenkomen met de door de Commissie overeenkomstig artikel 75, lid 2, voor deze categorie vastgestelde kenmerken.

(3)   OLIJFOLIE — BESTAANDE UIT GERAFFINEERDE OLIJFOLIE EN OLIJFOLIE VAN DE EERSTE PERSING

"Olijfolie - bestande uit geraffineerde olijfolie en olijfolie van de eerste persing": olijfolie verkregen door het mengen van geraffineerde olijfolie met olijfolie van de eerste persing, andere dan die voor verlichting, met een gehalte aan vrije vetzuren, uitgedrukt in oliezuur, van ten hoogste 1 gram per 100 gram en waarvan de andere kenmerken overeenkomen met de door de Commissie overeenkomstig artikel 75, lid 2, voor deze categorie vastgestelde kenmerken.

(4)   RUWE OLIE VAN PERSKOEKEN VAN OLIJVEN

"Ruwe olie van perskoeken van olijven": olie verkregen uit perskoeken van olijven door behandeling met oplosmiddelen of via fysische methodes, of die, op bepaalde kenmerken na, overeenstemt met olijfolie voor verlichting, met uitsluiting van olie die is verkregen door herverestering, en van alle mengsels met olie van een andere soort, en waarvan de andere kenmerken overeenkomen met die welke door de Commissie overeenkomstig artikel 75, lid 2, voor deze categorie zijn vastgesteld.

(5)   GERAFFINEERDE OLIE UIT PERSKOEKEN VAN OLIJVEN

"Geraffineerde olie uit perskoeken van olijven": olie verkregen door de raffinering van ruwe olie uit perskoeken van olijven, met een gehalte aan vrije vetzuren, uitgedrukt in oliezuur, van ten hoogste 0,3 gram per 100 gram en waarvan de andere kenmerken overeenkomen met de door de Commissie overeenkomstig artikel 75, lid 2, voor deze categorie vastgestelde kenmerken.

(6)   OLIE UIT PERSKOEKEN VAN OLIJVEN

"Olie uit perskoeken van olijven": olie verkregen door het mengen van geraffineerde olie uit perskoeken van olijven met olijfolie van de eerste persing, andere dan die voor verlichting, met een gehalte aan vrije vetzuren, uitgedrukt in oliezuur, van ten hoogste 1 gram per 100 gram en waarvan de andere kenmerken overeenkomen met de door de Commissie overeenkomstig artikel 75, lid 2, voor deze categorie vastgestelde kenmerken.




Aanhangsel I

Wijnbouwzones

De wijnbouwzones zijn de volgende:

(1) Wijnbouwzone A omvat:

a) in Duitsland: de andere met wijnstokken beplante oppervlakten dan die van punt 2, onder a);

b) in Luxemburg: het Luxemburgse wijnbouwgebied;

c) in België, Denemarken, Ierland, Nederland, Polen, Zweden en het Verenigd Koninkrijk: het wijnbouwareaal van deze lidstaten;

d) in Tsjechië: het wijnbouwgebied Čechy.

(2) Wijnbouwzone B omvat:

a) in Duitsland: de met wijnstokken beplante oppervlakten in de regio Baden;

b) in Frankrijk: de met wijnstokken beplante oppervlakten in de niet in deze bijlage genoemde departementen, alsmede in de volgende departementen:

 Alsace: Bas-Rhin, Haut-Rhin,

 Lorraine: Meurthe-et-Moselle, Meuse, Moselle, Vosges,

 Champagne: Aisne, Aube, Marne, Haute-Marne, Seine-et-Marne,

 Jura: Ain, Doubs, Jura, Haute-Saône,

 Savoie: Savoie, Haute-Savoie, Isère (de gemeente Chapareillan),

 Val de Loire: Cher, Deux-Sèvres, Indre, Indre-et-Loire, Loir-et-Cher, Loire-Atlantique, Loiret, Maine-et-Loire, Sarthe, Vendée, Vienne, alsmede, in het departement Nièvre, de met wijnstokken beplante oppervlakten in het arrondissement Cosne-sur-Loire;

c) in Oostenrijk: het Oostenrijkse wijnbouwareaal;

d) in Tsjechië: het wijnbouwgebied Morava en de met wijnstokken beplante oppervlakten die niet in punt 1, onder d), zijn vermeld;

e) in Slowakije: de met wijnstokken beplante oppervlakten in de volgende regio's: Malokarpatská vinohradnícka oblast', Južnoslovenská vinohradnícka oblast', Nitrianska vinohradnícka oblast', Stredoslovenská vinohradnícka oblast', Východoslovenská vinohradnícka oblast' en de niet in punt 3, onder f), vermelde wijnbouwgebieden;

f) in Slovenië: de met wijnstokken beplante oppervlakten in de volgende regio's:

 de regio Podravje: Štajerska Slovenija, Prekmurje,

 de regio Posavje: Bizeljsko Sremič, Dolenjska en Bela krajina, en de niet in punt 4, onder d), vermelde met wijnstokken beplante oppervlakten;

g) in Roemenië: het gebied Podișul Transilvaniei.

h) in Kroatië: de met wijnstokken beplante oppervlakten in de volgende subregio's: Moslavina, Prigorje-Bilogora, Plešivica, Pokuplje en Zagorje-Međimurje.

(3) Wijnbouwzone C I omvat:

a) in Frankrijk: de met wijnstokken beplante oppervlakten:

 in de volgende departementen: Allier, Alpes-de-Haute-Provence, Hautes-Alpes, Alpes-Maritimes, Ariège, Aveyron, Cantal, Charente, Charente-Maritime, Corrèze, Côte-d'Or, Dordogne, Haute-Garonne, Gers, Gironde, Isère (met uitzondering van de gemeente Chapareillan), Landes, Loire, Haute-Loire, Lot, Lot-et-Garonne, Lozère, Nièvre (met uitzondering van het arrondissement Cosne-sur-Loire), Puy-de-Dôme, Pyrénées Atlantiques, Hautes-Pyrénées, Rhône, Saône-et-Loire, Tarn, Tarn-et-Garonne, Haute-Vienne, Yonne,

 in de arrondissementen Valence en Die van het departement Drôme (met uitzondering van de kantons Dieulefit, Loriol, Marsanne en Montélimar),

 in het arrondissement Tournon, in de kantons Antraigues, Burzet, Coucouron, Montpezat-sous-Bauzon, Privas, Sainte-Étienne-de-Lugdarès, Saint-Pierreville, Valgorge en La Voulte-sur-Rhône van het departement Ardèche;

b) in Italië: de met wijnstokken beplante oppervlakten in de regio Valle d'Aosta en de provincies Sondrio, Bolzano, Trento en Belluno;

c) in Spanje: de met wijnstokken beplante oppervlakten in de provincies A Coruña, Asturias, Cantabria, Guipúzcoa en Vizcaya;

d) in Portugal: de met wijnstokken beplante oppervlakten in dat deel van de regio Norte dat overeenstemt met het bepaalde wijnproductiegebied van "Vinho Verde", alsmede de "concelhos" Bombarral, Lourinhã, Mafra en Torres Vedras (met uitzondering van de "freguesias" Carvoeira en Dois Portos), die behoren tot de "Região viticola da Extremadura";

e) in Hongarije: alle met wijnstokken beplante oppervlakten;

f) in Slowakije: de met wijnstokken beplante oppervlakten in de regio Tokajská vinohradnícka oblasť,

g) in Roemenië: de met wijnstokken beplante oppervlakten die niet in punt 2, onder g) of punt 4, onder f), zijn vermeld.

h) in Kroatië: de met wijnstokken beplante oppervlakten in de volgende subregio’s: Hrvatsko Podunavlje en Slavonija.

(4) Wijnbouwzone C II omvat:

a) in Frankrijk: de met wijnstokken beplante oppervlakten:

 in de volgende departementen: Aude, Bouches-du-Rhône, Gard, Hérault, Pyrénées-Orientales (met uitzondering van de kantons Olette en Arles-sur-Tech), Vaucluse,

 in het gedeelte van het departement Var dat ten zuiden wordt begrensd door de noordelijke grens van de gemeenten Evenos, Le Beausset, Solliès-Toucas, Cuers, Puget-Ville, Collobrières, La Garde-Freinet, Plan-de-la-Tour en Sainte-Maxime,

 in het arrondissement Nyons en het kanton Loriol-sur-Drôme in het departement Drôme,

 in de niet in punt 3, onder a), vermelde administratieve eenheden van het departement Ardèche;

b) de met wijnstokken beplante oppervlakten in de volgende regio's: Abruzzi, Campania, Emilia-Romagna, Friuli-Venezia Giulia, Lazio, Liguria, Lombardia (met uitzondering van de provincie Sondrio), Marche, Molise, Piemonte, Toscana, Umbria, Veneto (met uitzondering van de provincie Belluno), met inbegrip van de eilanden die tot deze regio's behoren, zoals het eiland Elba en de overige eilanden van de Arcipelago Toscano, de eilanden van de Arcipelago Ponziano en de eilanden Capri en Ischia;

c) in Spanje: de met wijnstokken beplante oppervlakten in de volgende provincies:

 Lugo, Orense, Pontevedra,

 Ávila (met uitzondering van de gemeenten die overeenstemmen met de "comarca" Cebreros), Burgos, León, Palencia, Salamanca, Segovia, Soria, Valladolid, Zamora,

 La Rioja,

 Álava,

 Navarra,

 Huesca,

 Barcelona, Girona, Lleida,

 het gedeelte van de provincie Zaragoza ten noorden van de rivier de Ebro,

 de gemeenten van de provincie Tarragona begrepen in de oorsprongsbenaming Penedés,

 het gedeelte van de provincie Tarragona dat overeenstemt met de "comarca" Conca de Barberá;

d) in Slovenië: de met wijnstokken beplante oppervlakten in de volgende regio's: Brda of Goriška Brda, Vipavska dolina of Vipava, Kras en Slovenska Istra;

e) in Bulgarije: de met wijnstokken beplante oppervlakten in de volgende regio's: Dunavska Ravnina (Дунавска равнина), Chernomorski Rayon (Черноморски район), Rozova Dolina (Розова долина);

f) in Roemenië: de met wijnstokken beplante oppervlakten in de volgende regio's:

Dealurile Buzăului, Dealu Mare, Severinului en Plaiurile Drâncei, Colinele Dobrogei, Terasele Dunării, het zuidelijke wijngebied met zandgronden en andere gunstige regio's.

g) in Kroatië: de met wijnstokken beplante oppervlakten in de volgende subregio’s: Hrvatska Istra, Hrvatsko primorje, Dalmatinska zagora, Sjeverna Dalmacija en Srednja i Južna Dalmacija.

(5) Wijnbouwzone C III a) omvat:

a) in Griekenland: de met wijnstokken beplante oppervlakten in de volgende nomoi: Florina, Imathia, Kilkis, Grevena, Larissa, Ioannina, Lefkada, Achaia, Messenia, Arkadia, Korinthe, Heraklion, Chania, Rethymno, Samos, Lassithi, alsmede op het eiland Thira (Santorini);

b) in Cyprus: de met wijnstokken beplante oppervlakten die hoger zijn gelegen dan 600 m;

c) in Bulgarije: de met wijnstokken beplante oppervlakten die niet in punt 4, onder e), zijn vermeld.

(6) Wijnbouwzone C III b) omvat:

a) in Frankrijk: de met wijnstokken beplante oppervlakten:

 in de departementen van Corsica,

 in het gedeelte van het departement Var dat gelegen is tussen de zee en de lijn die wordt gevormd door de (erin begrepen) gemeenten Evenos, Le Beausset, Solliès-Toucas, Cuers, Puget-Ville, Collobrières, La Garde-Freinet, Plan-de-la-Tour en Sainte-Maxime,

 de kantons Olette en Arles-sur-Tech in het departement Pyrénées-Orientales;

b) de met wijnstokken beplante oppervlakten in de volgende regio's: de met wijnstokken beplante oppervlakten in de volgende regio’s: Calabrië, Basilicata, Apulië, Sardinië, Sicilië, met inbegrip van de eilanden die tot deze regio’s behoren, zoals het eiland Pantelleria, de Eolische, Egadische en Pelagische eilanden;

c) in Griekenland: de met wijnstokken beplante oppervlakten die niet in punt 5, onder a), zijn vermeld;

d) in Spanje: de met wijnstokken beplante oppervlakten die niet in punt 3, onder c), of punt 4, onder c), zijn vermeld;

e) in Portugal: de met wijnstokken beplante oppervlakten die niet in punt 3, onder d), zijn vermeld;

f) in Cyprus: de met wijnstokken beplante oppervlakten die niet hoger zijn gelegen dan 600 m;

g) in Malta: de met wijnstokken beplante oppervlakten.

(7) De grenzen van de in dit aanhangsel vermelde administratieve eenheden zijn die welke zijn vastgesteld in de op 15 december 1981 geldende nationale bepalingen en, wat Spanje en Portugal betreft, de respectievelijk op 1 maart 1986 en op 1 maart 1998 geldende nationale bepalingen.




Aanhangsel II



Smeerbare vetten

Vetgroep

Verkoopbenamingen

Productcategorieën

Definities

Aanvullende beschrijving van de categorie met een aanduiding van het vetgehalte in gewichtspercenten

A.  Melkvetten

Producten in de vorm van een vaste of kneedbare emulsie, voornamelijk van het type water in olie, die uitsluitend van melk en/of van bepaalde zuivelproducten zijn afgeleid en waarvan het vet het essentiële valoriserende bestanddeel is. Andere bij de bereiding benodigde stoffen mogen evenwel worden toegevoegd, mits deze stoffen niet gebruikt worden voor volledige of gedeeltelijke vervanging van een van de melkbestanddelen.

1.  Boter

Het product met een melkvetgehalte van ten minste 80 % en minder dan 90 % en een gehalte aan water van ten hoogste 16 % en aan droge en vetvrije, van melk afkomstige stof van ten hoogste 2 %.

2.  3/4 boter (1)

Het product met een melkvetgehalte van ten minste 60 % en ten hoogste 62 %.

3.  Halfvolle boter (2)

Het product met een melkvetgehalte van ten minste 39 % en ten hoogste 41 %.

4.  Melkvetproduct X %

Het product met de volgende melkvetgehalten:

— minder dan 39 gewichtspercenten;

— meer dan 41 % en minder dan 60 %,

— meer dan 62 % en minder dan 80 %.

B.  Vetten

Producten in de vorm van een vaste of kneedbare emulsie, voornamelijk van het type water in olie, die van vaste en/of vloeibare plantaardige en/of dierlijke vetten zijn afgeleid, voor menselijke consumptie geschikt zijn en een melkvetgehalte hebben van ten hoogste 3 % van het vetgehalte.

1.  Margarine

Het product dat wordt verkregen uit plantaardige en/of dierlijke vetten, met een vetgehalte van ten minste 80 % en ten hoogste 90 %.

2.  3/4 margarine (3)

Het product dat wordt verkregen uit plantaardige en/of dierlijke vetten, met een vetgehalte van ten minste 60 % en ten hoogste 62 %.

3.  Halfvolle margarine (4)

Het product dat wordt verkregen uit plantaardige en/of dierlijke vetten, met een vetgehalte van ten minste 39 % en ten hoogste 41 %.

4.  Product met vet X %

Het product dat wordt verkregen uit plantaardige en/of dierlijke vetten, met de volgende vetgehalten:

— minder dan 39 gewichtspercenten;

— meer dan 41 % en minder dan 60 %,

— meer dan 62 % en minder dan 80 %.

C.  Uit plantaardige en/of dierlijke producten samengestelde vetten

De producten in de vorm van een vaste of kneedbare emulsie, voornamelijk van het type water in olie, die van vaste en/of vloeibare plantaardige en/of dierlijke vetten zijn afgeleid, voor menselijke consumptie geschikt zijn en een melkvetgehalte hebben van ten minste 10 % en ten hoogste 80 % van het totale vetgehalte.

1.  Melange

Het product dat wordt verkregen uit een melange van plantaardige en/of dierlijke vetten, met een vetgehalte van ten minste 80 % en minder dan 90 %.

2.  3/4 melange (5)

Het product dat wordt verkregen uit een melange van plantaardige en/of dierlijke vetten, met een vetgehalte van ten minste 60 % en ten hoogste 62 %.

3.  Halfvolle melange (6)

Het product dat wordt verkregen uit een melange van plantaardige en/of dierlijke vetten, met een vetgehalte van ten minste 39 % en ten hoogste 41 %.

4.  Melangeproduct X %

Het product dat wordt verkregen uit een melange van plantaardige en/of dierlijke vetten, met de volgende vetgehalten:

— minder dan 39 gewichtspercenten;

— meer dan 41 % en minder dan 60 %,

— meer dan 62 % en minder dan 80 %.

(*1)   stemt in het Deens overeen met "smør 60".

(*2)   stemt in het Deens overeen met "smør 40".

(*3)   stemt in het Deens overeen met "margarine 60".

(*4)   stemt in het Deens overeen met "margarine 40".

(*5)   stemt in het Deens overeen met "blandingsprodukt 60".

(*6)   stemt in het Deens overeen met "blandingsprodukt 40".

▼C1

Het melkvetbestanddeel van de in de bijlage genoemde producten mag alleen via fysische processen worden gewijzigd.

▼B




BIJLAGE VIII

OENOLOGISCHE PROCEDÉS ZOALS BEDOELD IN ARTIKEL 80

DEEL I

Verrijking, aanzuring en ontzuring in bepaalde wijnbouwzones

A.    Maxima voor verrijking

1. Wanneer de weersomstandigheden zulks in bepaalde wijnbouwzones van de Unie noodzakelijk hebben gemaakt, kunnen de betrokken lidstaten een verhoging toestaan van het natuurlijke alcoholvolumegehalte van verse druiven, druivenmost, gedeeltelijk gegiste druivenmost, jonge, nog gistende wijn en wijn die is verkregen uit wijndruivenrassen die overeenkomstig artikel 81 in een indeling mogen worden opgenomen.

2. Het natuurlijke alcoholvolumegehalte wordt volgens de in punt B genoemde oenologische procedés verhoogd en de verhoging mag de volgende maxima niet overschrijden:

a) 3 % vol in wijnbouwzone A;

b) 2 % vol in wijnbouwzone B;

c) 1,5 % vol in de wijnbouwzone C.

▼M5

3. In de jaren waarin de weersomstandigheden uitzonderlijk ongunstig zijn geweest, kunnen de lidstaten de in punt 2 genoemde maxima bij wijze van uitzondering voor de betrokken regio's met 0,5 % verhogen. De lidstaten stellen de Commissie in kennis van dergelijke verhogingen.

▼B

B.    Verrijkingsprocedés

1. Het natuurlijke alcoholvolumegehalte mag slechts als volgt overeenkomstig punt A worden verhoogd:

a) voor druiven, gedeeltelijk gegiste druivenmost of jonge, nog gistende wijn: door toevoeging van sucrose, geconcentreerde druivenmost of gerectificeerde geconcentreerde druivenmost;

b) voor druivenmost: door toevoeging van sucrose, geconcentreerde druivenmost of gerectificeerde geconcentreerde druivenmost of door gedeeltelijke concentratie, met inbegrip van omgekeerde osmose;

c) voor wijn, door gedeeltelijke concentratie door afkoeling.

2. Gebruikmaking van een van de in punt 1 bedoelde behandelingen sluit gebruikmaking van de overige behandelingen uit wanneer wijn of druivenmost wordt verrijkt met geconcentreerde druivenmost of gerectificeerde geconcentreerde druivenmost, en steun wordt verleend uit hoofde van artikel 103 sexies van Verordening (EG) nr. 1234/2007.

3. Toevoeging van sacharose als bedoeld in punt 1, onder a) en b), mag alleen in de vorm van droge suiker, en alleen in de volgende gebieden:

a) wijnbouwzone A;

b) wijnbouwzone B;

c) wijnbouwzone C,

met uitzondering van de wijngaarden in Griekenland, Spanje, Italië, Cyprus, Portugal en in de Franse departementen die vallen onder de Cours d'appel (Hoven van beroep) te:

 Aix-en-Provence,

 Nîmes,

 Montpellier,

 Toulouse,

 Agen,

 Pau,

 Bordeaux,

 Bastia.

Voor verrijking door droge suiker mag evenwel bij wijze van uitzondering door de nationale autoriteiten vergunning worden verleend in de in punt c) genoemde Franse departementen. Frankrijk stelt de Commissie en de andere lidstaten onverwijld in kennis van dergelijke vergunningen.

4. Toevoeging van geconcentreerde druivenmost of gerectificeerde geconcentreerde druivenmost mag niet leiden tot een toename van het oorspronkelijke volume gekneusde verse druiven, druivenmost, gedeeltelijk gegiste druivenmost of jonge, nog gistende wijn met meer dan 11 % in wijnbouwzone A, 8 % in wijnbouwzone B en 6,5 % in de wijnbouwzone C.

5. Concentratie van druivenmost of wijn die één van de in punt 1 bedoelde behandelingen heeft ondergaan:

a) mag niet tot gevolg hebben dat het oorspronkelijke volume van deze producten met meer dan 20 % afneemt;

b) mag, niettegenstaande afdeling A, punt 2, onder c, het natuurlijke alcoholvolumegehalte van deze producten niet met meer dan 2 % vol verhogen.

6. De in de punten 1 en 5 bedoelde behandelingen mogen niet tot gevolg hebben dat het totale alcoholvolumegehalte van verse druiven, druivenmost, gedeeltelijk gegiste druivenmost, jonge, nog gistende wijn of wijn wordt verhoogd:

a) tot meer dan 11,5 % vol in wijnbouwzone A;

b) tot meer dan 12 % vol in wijnbouwzone B;

c) tot meer dan 12,5 % vol in wijnbouwzone C I;

d) tot meer dan 13 % vol in wijnbouwzone C II; en

e) tot meer dan 13,5 % vol in wijnbouwzone C III.

7. In afwijking van het bepaalde in punt 6 kunnen de lidstaten:

a) voor rode wijn de bovengrens van het totale alcoholvolumegehalte van de in punt 6 genoemde producten verhogen tot 12 % vol in wijnbouwzone A en 12,5 % vol in wijnbouwzone B;

b) voor de productie van wijn met een oorsprongsbenaming het totale alcoholvolumegehalte van de in punt 6 genoemde producten verhogen tot een door de lidstaten vast te stellen waarde.

C.    Aanzuring en ontzuring

1. Verse druiven, druivenmost, gedeeltelijk gegiste druivenmost, jonge, nog gistende wijn en wijn mogen:

a) in de wijnbouwzones A, B en C I worden ontzuurd;

b) in de wijnbouwzones C I, C II and C III a), onverminderd het bepaalde in punt 7, worden aangezuurd en ontzuurd; of

c) in wijnbouwzone C III b) worden aangezuurd.

2. De in punt 1 genoemde producten, behalve wijn, mogen slechts worden aangezuurd tot een maximum van 1,50 gram per liter, uitgedrukt in wijnsteenzuur, d.i. 20 milli-equivalent per liter.

3. Wijn mag slechts worden aangezuurd tot een maximum van 2,50 gram per liter, uitgedrukt in wijnsteenzuur, ofwel 33,3 milli-equivalent per liter.

4. Wijn mag slechts worden ontzuurd tot een maximum van 1 gram per liter, uitgedrukt in wijnsteenzuur, ofwel 13,3 milli-equivalent per liter.

5. Voor concentratie bestemde druivenmost mag gedeeltelijk worden ontzuurd.

6. Onverminderd punt 1 mogen de lidstaten in jaren waarin zich uitzonderlijke weersomstandigheden hebben voorgedaan, toestemming verlenen voor het aanzuren van de in punt 1 genoemde producten in de wijnbouwzones A en B onder de in de punten 2 en 3 genoemde voorwaarden.

7. Aanzuring en verrijking, behoudens afwijkingen die de Commissie overeenkomstig artikel 75, lid 2, bij gedelegeerde handeling vaststelt, en aanzuring en ontzuring van eenzelfde product sluiten elkaar uit.

D.    Behandelingen

1. Elk van de in de punten B en C genoemde behandelingen, met uitzondering van aanzuring en ontzuring van wijn, wordt slechts toegestaan indien zij, onder de voorwaarden die de Commissie overeenkomstig artikel 75, lid 2, bij gedelegeerde handeling vaststelt, in de wijnbouwzone waar de gebruikte verse druiven zijn geoogst wordt uitgevoerd bij de verwerking van verse druiven, druivenmost, gedeeltelijk gegiste druivenmost of jonge, nog gistende wijn, tot wijn of tot een andere voor rechtstreekse menselijke consumptie bestemde drank uit de sector wijn, met uitzondering van mousserende wijn of mousserende wijn waaraan koolzuurgas is toegevoegd.

2. Concentratie van wijn moet plaatsvinden in de wijnbouwzone waar de gebruikte verse druiven zijn geoogst.

3. Aanzuring en ontzuring van wijn mogen alleen plaatsvinden in wijnbereidende ondernemingen in de wijnbouwzone waar de voor de bereiding van de desbetreffende wijn gebruikte druiven zijn geoogst.

4. Elk van de in de punten 1, 2 en 3 bedoelde behandelingen moet bij de bevoegde autoriteiten worden gemeld. Hetzelfde geldt voor de hoeveelheden geconcentreerde druivenmost, gerectificeerde geconcentreerde druivenmost of sucrose, die natuurlijke of rechtspersonen, of groepen personen, met name producenten, bottelaars, verwerkers en handelaars - door de Commissie overeenkomstig artikel 75, lid 2, bij gedelegeerde handeling vastgesteld - voor de uitoefening van hun beroep, terzelfder tijd en op dezelfde plaats in voorraad hebben als verse druiven, druivenmost, gedeeltelijk gegiste druivenmost of onverpakte wijn. De melding van deze hoeveelheden mag evenwel worden vervangen door opneming ervan in een voorraadregister.

5. Elk van de in de punten B en C genoemde behandelingen moet worden geregistreerd in het in artikel 147 bedoelde begeleidende document waarmee de aldus behandelde producten in het verkeer worden gebracht.

6. De behandelingen bedoeld in de afdelingen B en C mogen, behoudens afwijkingen op grond van uitzonderlijke weersomstandigheden, niet plaatsvinden:

a) na 1 januari in de wijnbouwzones C;

b) na 16 maart in de wijnbouwzones A en B, en mogen slechts worden toegepast op producten die afkomstig zijn van de laatste aan deze data voorafgaande druivenoogst.

7. In afwijking van het bepaalde in punt 6 zijn concentratie door afkoeling, alsmede aanzuring en ontzuring van wijn, het hele jaar door toegestaan.

DEEL II

Beperkingen

A.    Algemeen

1. Bij alle toegestane oenologische procedés is de toevoeging van water uitgesloten, behalve in gevallen waarin dat om specifieke technische redenen noodzakelijk is.

2. Bij alle toegestane oenologische procedés is de toevoeging van alcohol uitgesloten, behalve bij procedés voor het verkrijgen van verse druivenmost waarvan de gisting door de toevoeging van alcohol is gestuit, likeurwijn, mousserende wijn, distillatiewijn en parelwijn.

3. Distillatiewijn mag alleen voor distillatie worden gebruikt.

B.    Verse druiven, druivenmost en druivensap

1. Verse druivenmost waarvan de gisting door toevoeging van alcohol is gestuit, mag slechts worden gebruikt voor de bereiding van niet onder de GN-codes 2204 10 , 2204 21 en 2204 29 vallende producten. Dit geldt onverminderd stringentere bepalingen die de lidstaten kunnen toepassen voor de bereiding van niet onder de GN-codes 2204 10 , 2204 21 en 2204 29 vallende producten op hun grondgebied.

2. Druivensap en geconcentreerd druivensap mogen niet worden verwerkt tot noch worden toegevoegd aan wijn. Het is verboden deze producten op het grondgebied van de Unie tot alcoholische vergisting te brengen.

3. De punten 1 en 2 zijn niet van toepassing op producten die zijn bestemd voor de productie, in Ierland, Polen, en het Verenigd Koninkrijk, van onder GN code 2206 00 vallende producten waarvoor de lidstaten het gebruik van een samengestelde benaming waarin de verkoopbenaming "wijn" voorkomt, mogen toestaan.

4. Gedeeltelijk gegiste druivenmost van ingedroogde druiven mag slechts op de markt worden gebracht voor de vervaardiging van likeurwijnen in de wijnbouwgebieden waar dit gebruik op 1 januari 1985 traditioneel bestond, en voor de vervaardiging van wijn van overrijpe druiven.

5. Verse druiven, druivenmost, gedeeltelijk gegiste druivenmost, geconcentreerde druivenmost, gerectificeerde geconcentreerde druivenmost, druivenmost waarvan de gisting door de toevoeging van alcohol is gestuit, druivensap en geconcentreerd druivensap of mengsels van deze producten, van oorsprong uit derde landen, mogen op het grondgebied van de Unie niet worden verwerkt tot noch worden toegevoegd aan in bijlage VII, deel II, vermelde producten.

C.    Vermenging van wijn

Het versnijden van wijn van oorsprong uit een derde land met wijn uit de Unie en het versnijden van wijnen van oorsprong uit derde landen in de Unie is verboden.

D.    Bijproducten

1. Intense persing van druiven is verboden. De lidstaten stellen, rekening houdend met plaatselijke en technische omstandigheden, de minimumhoeveelheid alcohol in de draf en de wijnmoer na persing van de druiven vast.

De hoeveelheid alcohol in die bijproducten wordt door de lidstaten vastgesteld op ten minste 5 % van het alcoholvolume in de geproduceerde wijn.

2. Met uitzondering van alcohol, eau-de-vie en piquette mogen wijnen of andere voor rechtstreekse menselijke consumptie bestemde dranken niet uit wijnmoer of druivendraf worden bereid. Het begieten van druivenmoer, druivendraf of geperste aszú-pulp met wijn is toegestaan onder voorwaarden die door de Commissie overeenkomstig artikel 75, lid 2, bij gedelegeerde handeling worden vastgesteld, wanneer die praktijk traditioneel wordt aangewend voor de bereiding van "Tokaji fordítás" en "Tokaji máslás" in Hongarije en "Tokajský forditáš" en "Tokajský mášláš" in Slowakije.

3. Het persen van wijnmoer en het opnieuw vergisten van druivendraf voor andere doeleinden dan distillatie of de vervaardiging van piquette zijn verboden. Filtrering en centrifugering van wijnmoer worden niet als persing beschouwd wanneer de verkregen producten van gezonde, deugdelijke en gebruikelijke handelskwaliteit zijn.

4. Piquette, voor zover de vervaardiging ervan door de betrokken lidstaat wordt toegestaan, mag uitsluitend voor distillatie of voor consumptie door wijnproducenten en hun gezin worden gebruikt.

5. Onverminderd de mogelijkheid dat de lidstaten de verwerking van bijproducten door middel van distillatie verplicht stellen, zijn alle natuurlijke of rechtspersonen of groepen personen verplicht de bijproducten die zij in voorraad hebben, te verwerken volgens de voorwaarden die de Commissie overeenkomstig artikel 75, lid 2, bij gedelegeerde handeling vaststelt.

▼M4




BIJLAGE IX

FACULTATIEVE GERESERVEERDE VERMELDINGEN



Productcategorie

(verwijzing naar indeling in de gecombineerde nomenclatuur)

Facultatieve gereserveerde vermelding

vlees van pluimvee

(GN-codes 0207 en 0210 )

gevoerd met … % …

haver vetgemeste gans

scharrel … binnengehouden

scharrel … met uitloop

boerenscharrel … met uitloop/hoeve … met uitloop

boerenscharrel … met vrije uitloop/hoeve … met vrije uitloop.

leeftijd bij het slachten

duur van de mestperiode

eieren

(GN-code 0407 )

vers

extra of extra vers

vermelding van de voedingswijze van de leghennen

olijfolie

(GN-code 1509 )

eerste koude persing

koude extractie

zuurgraad

pikant

fruitigheid: rijp of groen

bitter

krachtig

gemiddeld

delicaat

evenwichtig

zachte olie

▼B




BIJLAGE X

AANKOOPVOORWAARDEN VOOR SUIKERBIET GEDURENDE DEIN ARTIKEL 125, LID 3 BEDOELDE PERIODE

AFDELING I

1. Het leveringscontract wordt schriftelijk en voor een bepaalde hoeveelheid suikerbieten gesloten.

2. Het leveringscontract kan over meerdere jaren lopen.

3. In het leveringscontract kan worden bepaald of en onder welke voorwaarden een extra hoeveelheid suikerbieten kan worden geleverd.

AFDELING II

1. In het leveringscontract worden de aankoopprijzen voor de hoeveelheden suikerbieten als bedoeld in afdeling I vermeld.

2. De in punt 1 bedoelde prijs geldt voor suikerbieten van de in bijlage III, punt B, omschreven standaardkwaliteit.

De prijs wordt door middel van voorafgaandelijk door de partijen overeengekomen verhogingen of verlagingen aangepast om rekening te houden met kwaliteitsverschillen ten opzichte van de standaardkwaliteit.

3. In het leveringscontract wordt bepaald hoe de ontwikkeling van de marktprijzen tussen de partijen moet worden toegewezen.

4. In het leveringscontract wordt voor de suikerbieten een suikergehalte vastgesteld. Het leveringscontract bevat een omrekeningstabel met de verschillende suikergehalten en de coëfficiënten waarmee de geleverde hoeveelheden suikerbieten worden omgerekend in hoeveelheden die met het in het leveringscontract vermelde suikergehalte overeenkomen.

De tabel wordt vastgesteld op basis van het met de verschillende suikergehalten overeenkomende rendement.

AFDELING III

Het leveringscontract bevat bepalingen betreffende de normale duur van de leveringen van suikerbieten en de spreiding van deze leveringen in de tijd.

AFDELING IV

1. In het leveringscontract worden verzamelplaatsen voor suikerbieten vermeld en worden de voorwaarden inzake levering en transport vastgesteld.

2. Het leveringscontract stipuleert duidelijk wie verantwoordelijk is voor de laad- en transportkosten vanaf de verzamelplaatsen duidelijk worden bepaald. Indien het leveringscontract bepaalt dat de suikerproducerende onderneming moet bijdragen in de laad- en transportkosten, moet dit percentage of het bedrag duidelijk vooraf worden vastgelegd.

3. Het leveringscontract voorziet erin dat de kosten die elk van de partijen moet dragen, duidelijk worden gespecificeerd.

AFDELING V

1. In het leveringscontract worden de plaatsen van ontvangst van de suikerbieten vastgesteld.

2. Voor een bietenverkoper met wie de suikerproducerende onderneming reeds een leveringscontract voor het voorgaande verkoopseizoen had gesloten, gelden de plaatsen van ontvangst die tussen hem en de onderneming voor levering in dat verkoopseizoen waren overeengekomen. In een sectorale overeenkomst kan van deze bepaling worden afgeweken.

AFDELING VI

1. Het leveringscontract schrijft voor dat het suikergehalte wordt bepaald volgens de polarimetrische methode of, teneinde rekening te houden met technologische ontwikkelingen, volgens een andere tussen beide partijen overeengekomen methode. De monsterneming vindt plaats bij de ontvangst.

2. In een sectorale overeenkomst kan een ander stadium voor de monsterneming worden vastgesteld. In dat geval wordt in het leveringscontract een correctiefactor vastgesteld ter compensatie van een eventuele vermindering van het suikergehalte tussen de ontvangst en de monsterneming.

AFDELING VII

In het leveringscontract wordt geregeld dat brutogewicht, tarra en suikergehalte worden bepaald volgens procedures die zijn overeengekomen:

a) door de suikerproducerende onderneming en de beroepsorganisatie van de suikerbiettelers gezamenlijk, indien zulks in een sectorale overeenkomst is bepaald;

b) door de suikerproducerende onderneming onder toezicht van de beroepsorganisatie van de suikerbiettelers;

c) door de suikerproducerende onderneming onder toezicht van een door de betrokken lidstaat erkende deskundige, mits de bietenverkoper de kosten van dat toezicht voor zijn rekening neemt.

AFDELING VIII

1. Het leveringscontract voorziet voor de suikerproducerende onderneming in één of meer van de onderstaande verplichtingen met betrekking tot de totale geleverde hoeveelheid suikerbieten:

a) teruggave aan de bietenverkoper, zonder kosten en af fabriek, van de verse pulp die afkomstig is van de geleverde hoeveelheid suikerbieten;

b) teruggave aan de bietenverkoper, zonder kosten en af fabriek, van een gedeelte van deze pulp, geperst dan wel gedroogd of gedroogd en met melasse vermengd;

c) teruggave aan de bietenverkoper, af fabriek, van de pulp, geperst of gedroogd; in dit geval kan de suikerproducerende onderneming van de bietenverkoper verlangen dat hij de kosten van het persen of drogen vergoedt;

d) betaling aan de bietenverkoper van een vergoeding bij de vaststelling waarvan rekening wordt gehouden met de mogelijkheden om de betrokken pulp te verkopen.

2. Wanneer gedeelten van de totale geleverde hoeveelheid suikerbieten verschillend moeten worden behandeld, voorziet het leveringscontract in meer dan een van de in lid 1genoemde verplichtingen.

3. In een sectorale overeenkomst kan een ander leveringsstadium voor de pulp worden vastgesteld dan het in lid 1, onder a), b) en c), genoemde stadium.

AFDELING IX

In het leveringscontract worden de termijnen vastgesteld voor de betaling van de eventuele voorschotten en voor de betaling van de aankoopprijs van de suikerbieten.

AFDELING X

Indien het leveringscontract in deze bijlage behandelde aangelegenheden nader regelt of andere aangelegenheden regelt, mogen de bepalingen en de gevolgen van dat leveringscontract niet in strijd zijn met deze bijlage.

AFDELING XI

1. Een sectorale overeenkomst als bedoeld in bijlage II, deel II, afdeling A, punt 6 bevat een arbitrageclausule.

2. In de sectorale overeenkomst kan een standaardmodel voor leveringscontracten worden vastgelegd dat verenigbaar is met deze verordening en de voorschriften van de Unie.

3. Indien een sectorale overeenkomst op unie-, regionaal of plaatselijk niveau in deze verordening behandelde aangelegenheden nader regelt of andere aangelegenheden regelt, mogen de bepalingen en de gevolgen van die sectorale overeenkomst niet in strijd zijn met deze bijlage.

4. In de in lid 3 bedoelde sectorale overeenkomst wordt met name het volgende geregeld:

a) de in afdeling II, punt 4, bedoelde omrekeningstabel;

b) de keuze van de te telen rassen van suikerbieten en de levering van zaaizaad daarvan;

c) een minimumsuikergehalte voor de te leveren suikerbieten;

d) de vereiste van raadpleging van de bietenverkopers door de suikerproducenten voordat de begindatum van de bietenlevering wordt vastgelegd;

e) de betaling van premies aan de bietenverkopers voor vroege of late leveringen;

f) bijzonderheden betreffende de voorwaarden en de kosten in verband met pulp als bedoeld in afdeling VIII;

g) de verwijdering van de pulp door de bietenverkoper;

h) voorschriften inzake prijsaanpassingen ingeval meerjarencontracten worden overeengekomen;

i) voorschriften inzake de monsterneming en de methoden ter bepaling van het brutogewicht, de tarra en het suikergehalte.

▼M3

5. Een suikerproducerende onderneming en de betrokken bietenverkopers mogen clausules over het delen van waarden, waaronder op de markt gegenereerde winsten en verliezen, overeenkomen waarin wordt bepaald hoe ontwikkel