2013R1296 — NL — 12.05.2016 — 001.001


Onderstaande tekst dient louter ter informatie en is juridisch niet bindend. De EU-instellingen zijn niet aansprakelijk voor de inhoud. Alleen de besluiten die zijn gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie (te raadplegen in EUR-Lex) zijn authentiek. Deze officiële versies zijn rechtstreeks toegankelijk via de links in dit document

►B

VERORDENING (EU) Nr. 1296/2013 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 11 december 2013

betreffende een programma van de Europese Unie voor werkgelegenheid en sociale innovatie ("EaSI") en tot wijziging van Besluit nr. 283/2010/EU tot instelling van een Europese Progress-microfinancieringsfaciliteit voor werkgelegenheid en sociale insluiting

(Voor de EER relevante tekst)

(PB L 347 van 20.12.2013, blz. 238)

Gewijzigd bij:

 

 

Publicatieblad

  nr.

blz.

datum

►M1

VERORDENING (EU) 2016/589 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 13 april 2016

  L 107

1

22.4.2016




▼B

VERORDENING (EU) Nr. 1296/2013 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 11 december 2013

betreffende een programma van de Europese Unie voor werkgelegenheid en sociale innovatie ("EaSI") en tot wijziging van Besluit nr. 283/2010/EU tot instelling van een Europese Progress-microfinancieringsfaciliteit voor werkgelegenheid en sociale insluiting

(Voor de EER relevante tekst)



TITEL I

GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALINGEN

Artikel 1

Onderwerp

1.  Bij deze verordening wordt een programma van de Europese Unie voor werkgelegenheid en sociale innovatie ("het programma") vastgesteld, met als doel bij te dragen tot de uitvoering van Europa 2020, met inbegrip van de kerndoelen, de geïntegreerde richtsnoeren en de vlaggenschipinitiatieven ervan, door financiële ondersteuning te verlenen voor de verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie met betrekking tot de bevordering van een hoog niveau van hoogwaardige en duurzame werkgelegenheid, het waarborgen van toereikende en behoorlijke sociale bescherming, de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting en de verbetering van de arbeidsvoorwaarden.

2.  Het programma loopt van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2020.

Artikel 2

Definities

In deze verordening wordt verstaan onder:

1)

"sociale onderneming" :

een onderneming, die ongeacht haar juridische vorm:

a) overeenkomstig haar oprichtingsakte, statuten of enig ander juridisch document waarbij zij wordt opgericht, als hoofddoel heeft het realiseren van meetbare positieve sociale effecten en niet het genereren van winst voor de eigenaren, leden en aandeelhouders, en die:

i) innovatieve goederen of diensten met een maatschappelijke opbrengst levert en/of

ii) een productiemethode voor haar goederen of diensten gebruikt die haar sociale doelstelling belichaamt;

b) haar winst op de eerste plaats gebruikt om haar hoofddoel te realiseren en voor uitkering van winst aan aandeelhouders en eigenaren, vooraf bepaalde procedures en regels heeft ingesteld, die ervoor zorgen dat dergelijke uitkering van winst de primaire doelstelling niet ondermijnt; en

c) op zakelijke, controleerbare en transparante wijze wordt beheerd, in het bijzonder door participatie van de werknemers, afnemers en belanghebbenden bij de bedrijfsactiviteiten;

2)

"microkrediet" : een lening van ten hoogste 25 000  EUR;

3)

"micro-onderneming" : een onderneming, inclusief een zelfstandige, waar minder dan 10 personen werkzaam zijn en waarvan de jaaromzet of het jaarlijkse balanstotaal 2 miljoen EUR niet overschrijdt, overeenkomstig Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie ( 13 );

4)

"microfinanciering" : garanties, microkredieten, aandelenkapitaal en quasi-aandelenkapitaal die aan personen en micro-ondernemingen worden verstrekt die problemen ondervinden om toegang krijgen tot krediet;

5)

"sociale innovatie" : innovatie waarvan zowel de doelstellingen als de middelen sociaal zijn en met name die innovatie die verband houdt met de ontwikkeling en uitvoering van nieuwe ideeën (met betrekking tot producten, diensten en modellen), die in sociale behoeften voorziet en tegelijk nieuwe sociale betrekkingen of samenwerkingsverbanden creëert, waardoor de samenleving gediend wordt en haar handelingscapaciteit vergroot;

6)

"sociaalbeleidsexperimenten" : beleidsinterventies die innovatieve oplossingen aandragen voor sociale behoeften, die worden uitgevoerd op kleine schaal en onder omstandigheden die het mogelijk maken de gevolgen ervan te meten, alvorens, in geval van overtuigende resultaten, op een grotere schaal te worden herhaald.

Artikel 3

Structuur van het programma

1.  Het programma bestaat uit de volgende drie complementaire pijlers:

a) de Progress-pijler, die de ontwikkeling, uitvoering, monitoring en evaluatie van de instrumenten en het beleid van de Unie zoals bedoeld in artikel 1, en het relevante recht van de Unie ondersteunt, en die op feiten gefundeerde beleidsvorming, sociale innovatie en sociale vooruitgang bevordert, in samenwerking met de sociale partners, maatschappelijke organisaties en openbare en particuliere organisaties;

b) de EURES-pijler, die activiteiten van EURES ondersteunt, namelijk. de door de EER-staten en de Zwitserse Bondsstaat aangewezen gespecialiseerde diensten, samen met sociale partners, andere dienstverleners op het gebied van werk, en andere belanghebbende partijen, om informatie-uitwisseling en -verspreiding en andere samenwerkingsvormen, zoals grensoverschrijdende partnerschappen, te ontwikkelen om de vrijwillige geografische mobiliteit van werknemers op eerlijke basis te stimuleren en bij te dragen aan een hoog niveau van hoogwaardige en duurzame werkgelegenheid;

c) de pijler Microfinanciering en sociaal ondernemerschap, die de toegang tot financiering stimuleert en de beschikbaarheid daarvan verbetert voor natuurlijke en rechtspersonen krachtens artikel 26.

2.  De in deze titel vastgelegde gemeenschappelijke bepalingen zijn van toepassing op alle in lid 1, onder a), b) en c), bedoelde pijlers, naast specifieke artikelen van titel II.

Artikel 4

Algemene doelstellingen van het programma

1.  Het programma heeft de volgende algemene doelstellingen:

a) het versterken van betrokkenheid van de beleidsmakers op alle niveaus, en het voortbrengen van concrete, gecoördineerde en innovatieve acties op zowel het niveau van de Unie als op nationaal niveau, met inachtneming van de doelstellingen van de Unie, op in artikel 1 bedoelde gebieden, in nauwe samenwerking met de sociale partners, alsmede maatschappelijke organisaties en private en openbare organen;

b) de ontwikkeling van passende, toegankelijke en doelmatige stelsels van sociale bescherming en arbeidsmarkten ondersteunen en beleidshervormingen aanmoedigen op de in artikel 1 bedoelde gebieden, met name door fatsoenlijk werk en fatsoenlijke arbeidsvoorwaarden, een preventiecultuur voor gezondheid en veiligheid op het werk, een gezonder evenwicht tussen werk en privéleven, goed bestuur met sociale doelstellingen, waaronder convergentie, alsmede wederzijdse leerprocessen en sociale innovatie, te stimuleren;

c) ervoor zorgen dat het recht van de Unie ten aanzien van de in artikel 1 bedoelde gebieden doeltreffend wordt toegepast en, waar nodig, bijdragen tot het moderniseren van het recht van de Unie, volgens de beginselen van fatsoenlijk werk en rekening houdend met de beginselen van slimme regelgeving;

d) de vrijwillige geografische mobiliteit op een eerlijke basis verbeteren en de arbeidskansen vergroten door hoogwaardige en inclusieve arbeidsmarkten in de Unie te creëren die open en voor iedereen toegankelijk zijn en waarbij de rechten van werknemers in de hele Unie worden gerespecteerd, waaronder het vrij verkeer;

e) de werkgelegenheid en sociale inclusie stimuleren door de beschikbaarheid en toegankelijkheid van microfinanciering voor kwetsbare mensen die een micro-onderneming willen starten, alsook voor bestaande micro-ondernemingen te verbeteren en de toegang tot financiering voor sociale ondernemingen te vergroten.

2.  Bij de verwezenlijking van deze doelstellingen streeft het programma er in al zijn pijlers en acties naar:

a) bijzondere aandacht te besteden aan kwetsbare groepen, zoals jongeren;

b) de gelijkheid van vrouwen en mannen te bevorderen, onder meer via gendermainstreaming en, in voorkomend geval, genderbewust begroten;

c) discriminatie op grond van geslacht, ras of etnische afstamming, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid te bestrijden;

d) bij de vaststelling en uitvoering van het beleid en de activiteiten van de Unie een hoog niveau van kwalitatief hoogwaardige en duurzame werkgelegenheid te bevorderen, toereikende en behoorlijke sociale bescherming te garanderen, en langdurige werkloosheid, armoede en sociale uitsluiting te bestrijden.

Artikel 5

Begroting

1.  De financiële middelen voor de uitvoering van het programma in de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2020 worden vastgesteld op 919 469 000  EUR in lopende prijzen.

2.  De volgende indicatieve percentages worden als volgt toegewezen aan de in artikel 3, lid 1, bedoelde pijlers:

a) 61 % aan de Progress-pijler;

b) 18 % aan de EURES-pijler;

c) 21 % aan de pijler Microfinanciering en sociaal ondernemerschap.

3.  De Commissie kan ten hoogste 2 % van de in lid 1 bedoelde financiële middelen gebruiken om operationele uitgaven voor de ondersteuning van de programma-uitvoering te financieren.

4.  De Commissie kan gebruikmaken van de in lid 1 bedoelde financiële middelen om technische en/of administratieve bijstand te financieren, met name met betrekking tot audits, uitbesteding van vertalingen, vergaderingen van deskundigen en informatie- en communicatieactiviteiten ten behoeve van de Commissie en de begunstigden.

5.  De jaarlijkse kredieten worden door het Europees Parlement en de Raad toegestaan binnen de limieten die in het meerjarig financieel kader zijn vastgelegd.

Artikel 6

Gezamenlijke actie

Acties die in aanmerking komen voor steun in het kader van het programma, kunnen samen met andere instrumenten van de Unie worden uitgevoerd, mits die acties beantwoorden aan de doelstellingen van zowel het programma als de andere betrokken instrumenten.

Artikel 7

Samenhang en complementariteit

1.  De Commissie zorgt er, in samenwerking met de lidstaten, voor dat de activiteiten in het kader van het programma consistent zijn met en een aanvulling vormen op andere acties van de Unie, zoals de Europese structuur en investeringsfondsen (ESIF), zoals bepaald in het gemeenschappelijk strategisch kader in Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en van de Raad ( 14 ), met name in het kader van het ESF.

2.  Het programma vormt een aanvulling op andere programma's van de Unie, onverminderd de specifieke procedures van die programma's. Subsidiabele kosten worden niet dubbel gefinancierd, en er worden nauwe synergieën ontwikkeld tussen het programma, andere programma's van de Unie en de ESIF, met name het ESF.

3.  De door het programma ondersteunde activiteiten voldoen aan het recht van de Unie en het nationale recht, waaronder staatssteunregels, en aan de fundamentele IAO-verdragen.

4.  De samenhang en de complementariteit worden voorts gewaarborgd door de nauwe betrokkenheid van lokale en regionale overheden.

Artikel 8

Samenwerking met relevante organisaties

De Commissie brengt de nodige relaties tot stand met het Comité voor de werkgelegenheid, het Comité voor sociale bescherming, het Raadgevend comité voor veiligheid en gezondheid op de werkplek, de groep van directeuren-generaal voor arbeidsverhoudingen en het Raadgevend comité voor het vrij verkeer van werknemers om ervoor te zorgen dat deze regelmatig en op passende wijze op de hoogte worden gehouden over de voortgang van de uitvoering van het programma. De Commissie informeert ook andere comités die zich bezighouden met beleid, instrumenten en acties die relevant zijn voor het programma.

Artikel 9

Verspreiding van resultaten en communicatie

1.  De Commissie informeert belanghebbenden uit de Unie, waaronder sociale partners en maatschappelijke organisaties, over de resultaten van de uitvoering van het programma en nodigt hen uit daarover van gedachten te wisselen.

2.  De resultaten van de in het kader van het programma uitgevoerde acties worden regelmatig en op passende wijze gecommuniceerd en verspreid aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economische en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's, alsook de sociale partners en het grote publiek om te zorgen voor een maximale impact, duurzaamheid en meerwaarde voor de Unie.

3.  De communicatieactiviteiten dragen ook bij aan de zakelijke communicatie van de politieke prioriteiten van de Unie voor zover deze verband houden met de algemene doelstellingen van deze verordening, en verstrekken tevens informatie over die prioriteiten aan het grote publiek.

Artikel 10

Financiële bepalingen

1.  De Commissie beheert het programma in overeenstemming met het Financieel Reglement.

2.  In de subsidieovereenkomst wordt gespecificeerd welk deel van de financiële bijdrage van de Unie wordt gebaseerd op terugbetaling van feitelijk subsidiabele kosten en welk deel op vaste tarieven, eenheidskosten of vaste bedragen.

Artikel 11

Bescherming van de financiële belangen van de Unie

1.  De Commissie neemt passende preventieve maatregelen om ervoor te zorgen dat de financiële belangen van de Unie bij de uitvoering van uit hoofde van dit programma gefinancierde acties met behulp van doeltreffende controles worden beschermd tegen fraude, corruptie en andere onwettige activiteiten, en dat, indien onregelmatigheden worden opgespoord, middelen worden teruggevorderd, hoofdzakelijk via verrekening van ten onrechte betaalde bedragen en zo nodig doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties, overeenkomstig artikel 325 VWEU, Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad ( 15 ) en het Financieel Reglement.

2.  De Commissie, of haar vertegenwoordigers, en de Rekenkamer hebben het recht om, op basis van documenten of controles ter plaatse, auditcontroles uit te voeren ten aanzien van alle begunstigden, contractanten en subcontractanten die uit hoofde van het programma middelen van de Unie hebben ontvangen.

3.  Het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) kan overeenkomstig de bepalingen en procedures van Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad ( 16 ) en Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad ( 17 ) controles en verificaties ter plaatse uitvoeren om vast te stellen of er sprake is geweest van fraude, corruptie of enig andere onwettige activiteit in verband met een subsidieovereenkomst of subsidiebesluit of een contract dat uit hoofde van het programma wordt gefinancierd, waardoor de financiële belangen van de Unie zijn geschaad.

4.  Onverminderd de leden 1, 2, en 3, bevatten contracten, subsidieovereenkomsten en subsidiebesluiten die voortvloeien uit de uitvoering van dit programma, bepalingen die de Commissie, de Rekenkamer en OLAF uitdrukkelijk machtigen om binnen hun respectieve bevoegdheden de in die leden bedoelde audits en onderzoeken te verrichten.

Artikel 12

Monitoring

Met het oog op een regelmatige monitoring van het programma en eventuele aanpassingen van het beleid en de financieringsprioriteiten, stelt de Commissie een eerste kwalitatief en kwantitatief monitoringverslag op die het eerste jaar beslaat, en vervolgens drie verslagen die opeenvolgende tweejaarlijkse periodes beslaan en zendt zij die verslagen aan het Europees Parlement en de Raad. De verslagen worden tevens ter informatie aan het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's toegezonden. Die verslagen beschrijven de resultaten van het programma en de mate waarin de beginselen van gelijkheid van mannen en vrouwen en gendermainstreaming zijn toegepast en op welke wijze overwegingen inzake non-discriminatie, waaronder toegankelijkheidskwesties, in de activiteiten aan de orde zijn gesteld. De verslagen worden het publiek ter beschikking gesteld om de transparantie van het programma te vergroten.

Artikel 13

Evaluatie

1.  Uiterlijk 1 juli 2017 wordt een tussentijdse evaluatie van het programma uitgevoerd om op kwalitatieve en kwantitatieve basis de vooruitgang ten opzichte van de doelstellingen te meten, en de maatschappelijke ontwikkeling binnen de Unie en alle grote wijzigingen die door Unie-wetgeving zijn ingevoerd, vast te stellen, met als doel te bepalen of de middelen doelmatig zijn gebruikt en de meerwaarde van het programma voor de Unie te beoordelen. De resultaten van die tussentijdse evaluatie worden voorgelegd aan het Europees Parlement en de Raad.

2.  Als uit de in lid 1 van dit artikel bedoelde evaluatie of uit een krachtens artikel 19 van Besluit nr. 1672/2006/EG of artikel 9 van Besluit nr. 283/2010/EU uitgevoerde evaluatie, blijkt dat het programma grote tekortkomingen vertoont, dient de Commissie, in voorkomend geval, bij het Europees Parlement en de Raad een voorstel in met passende wijzigingen op het programma om rekening houden met de resultaten van de evaluatie.

3.  Alvorens een voorstel in te dienen voor verlenging van het programma na 2020, legt de Commissie het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's een evaluatie voor van de sterke en zwakke punten in de opzet van het programma voor de jaren 2014-2020.

4.  Uiterlijk 31 december 2022 voert de Commissie een evaluatie achteraf uit waarin de effecten en de meerwaarde voor de Unie van het programma worden gemeten en zendt zij een verslag met die evaluatie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's. Het verslag wordt het publiek ter beschikking gesteld.



TITEL II

SPECIFIEKE BEPALINGEN VOOR DE PIJLERS VAN HET PROGRAMMA



HOOFDSTUK I

Progress-pijler

Artikel 14

Thematische onderdelen en financiering

1.  De Progress-pijler steunt activiteiten binnen een of meer van de onder a), b) en c) vermelde thematische onderdelen. Voor de gehele looptijd van het programma worden bij de indicatieve verdeling van de in artikel 5, lid 2, onder a), vermelde toewijzing over de verschillende onderdelen de volgende minimumpercentages in acht genomen:

a) werkgelegenheid, in het bijzonder in het kader van de bestrijding van de jeugdwerkloosheid: 20 %;

b) sociale bescherming, sociale inclusie en de bestrijding en preventie van armoede: 50 %;

c) arbeidsvoorwaarden: 10 %.

Resterende bedragen worden toegewezen aan een of meer van de onder a), b), of c) bedoelde thematische onderdelen, dan wel een combinatie daarvan.

2.  Van de totale toewijzing voor Progress en binnen de diverse thematische onderdelen ervan wordt 15 tot 20 % toegewezen voor de bevordering van sociale experimenten als methode voor het toetsen en evalueren van innovatieve oplossingen om deze op grotere schaal toe te passen.

Artikel 15

Specifieke doelstellingen

Naast de in artikel 4 beschreven algemene doelstellingen heeft de Progress-pijler de volgende specifieke doelstellingen:

a) hoogwaardige vergelijkbare analytische kennis ontwikkelen en verspreiden om ervoor te zorgen dat het beleid van de Unie op de in artikel 1 bedoelde gebieden, zijn gebaseerd op gedegen feiten en zijn afgestemd op de behoeften, uitdagingen en omstandigheden in de afzonderlijke lidstaten en andere aan het programma deelnemende landen;

b) doeltreffende en inclusieve informatie-uitwisseling, wederzijds leren en dialoog bevorderen over het beleid van de Unie op de in artikel 1 bedoelde gebieden, op Europees, nationaal en internationaal niveau om de lidstaten en andere aan het programma deelnemende landen te helpen bij de ontwikkeling van beleid en om de lidstaten te helpen bij de tenuitvoerlegging van het recht van de Unie;

c) verlenen van financiële ondersteuning om innovatie van het sociaal en arbeidsmarktbeleid te toetsen, en in voorkomend geval, de capaciteit van de belangrijkste actoren voor de ontwikkeling en uitvoering van sociaalbeleidsexperimenten te vergroten, en de relevante kennis en deskundigheid toegankelijk te maken;

d) Europese en nationale organisaties voorzien van financiële ondersteuning om deze beter in staat te stellen om de uitvoering van de instrumenten en het beleid van de Unie als bedoeld in artikel 1, en het relevante recht van de Unie te ontwikkelen, stimuleren en ondersteunen.

Artikel 16

Soorten acties

Uit hoofde van de Progress-pijler kunnen de volgende soorten acties worden gefinancierd:

1. Analytische activiteiten:

a) het verzamelen van gegevens en statistieken, rekening houdend met zowel kwalitatieve als kwantitatieve criteria, en het ontwikkelen van gemeenschappelijke methoden, indelingen, microsimulaties, indicatoren en benchmarks, in voorkomend geval uitgesplitst naar geslacht en leeftijdsgroep;

b) enquêtes, studies, analysen en verslagen, onder andere via de financiering van netwerken en de ontwikkeling van deskundigheid inzake thematische onderdelen;

c) kwalitatieve en kwantitatieve evaluaties en effectbeoordelingen door openbare en particuliere organisaties;

d) monitoring en beoordeling van de omzetting en de toepassing van het recht van de Unie;

e) voorbereiding en uitvoering van sociaalbeleidsexperimenten als methode voor het toetsen en evalueren van innovatieve oplossingen om deze op grotere schaal toe te passen;

f) verspreiding van de resultaten van die analytische activiteiten.

2. Activiteiten in verband met wederzijdse leerprocessen, bewustmaking en verspreiding:

a) uitwisseling en verspreiding van goede praktijken, innovatieve benaderingen en ervaringen, intercollegiale toetsingen, benchmarking en wederzijds leren op Europees niveau;

b) organisatie van evenementen, conferenties en seminars van het voorzitterschap van de Raad;

c) opleiding van juristen en beleidsmedewerkers;

d) opstelling en publicatie van handleidingen, verslagen en educatief materiaal, en maatregelen inzake voorlichting, communicatie en het onder de aandacht brengen in de media van de door het programma ondersteunde initiatieven;

e) voorlichtings- en communicatieactiviteiten;

f) ontwikkeling en onderhoud van informatiesystemen voor de uitwisseling en verspreiding van informatie over het beleid en de wetgeving van de Unie alsmede informatie over de arbeidsmarkt.

3. Steun met betrekking tot:

a) de exploitatiekosten van belangrijke netwerken op het niveau van de Unie waarvan de activiteiten verband houden met en bijdragen tot de doelstellingen van de Progress-pijler;

b) capaciteitsopbouw van nationale overheden en door de lidstaten en microkredietverstrekkers aangewezen gespecialiseerde diensten die verantwoordelijk zijn voor het bevorderen van de geografische mobiliteit;

c) organisatie van werkgroepen van nationale ambtenaren om de tenuitvoerlegging van het recht van de Unie te controleren;

d) totstandbrenging van netwerken en samenwerking tussen gespecialiseerde organisaties en andere relevante belanghebbenden, nationale, regionale en lokale autoriteiten, alsmede diensten voor arbeidsvoorziening op Europees niveau;

e) financiering van waarnemingsposten op Europees niveau, inclusief inzake centrale thematische onderdelen;

f) uitwisseling van personeel tussen nationale overheden.

Artikel 17

Medefinanciering van de Unie

Activiteiten die in het kader van de Progress-pijler gefinancierd worden na een oproep tot het indienen van voorstellen, kunnen medefinanciering van de Unie ontvangen die in de regel niet meer bedraagt dan 80 % van de totale subsidiabele uitgaven. Iedere financiële steun boven dit plafond wordt alleen verleend in naar behoren gemotiveerde uitzonderlijke omstandigheden.

Artikel 18

Deelname

1.  De Progress-pijler staat open voor deelname van de volgende landen:

a) lidstaten;

b) de EER-landen, overeenkomstig de EER-Overeenkomst, en de lidstaten van de EVA;

c) de kandidaat-lidstaten en potentiële kandidaat-lidstaten, in overeenstemming met de algemene beginselen en de algemene voorwaarden die in de met deze landen gesloten kaderovereenkomsten voor hun deelname aan programma's van de Unie zijn vastgesteld.

2.  Deelname aan de Progress-pijler staat open voor alle openbare en/of particuliere organisaties, actoren en instellingen, en met name:

a) nationale, regionale en lokale autoriteiten;

b) diensten voor arbeidsvoorziening;

c) in het recht van de Unie bedoelde gespecialiseerde organisaties,

d) de sociale partners;

e) niet-gouvernementele organisaties;

f) instellingen voor hoger onderwijs en onderzoeksinstellingen;

g) deskundigen op het gebied van evaluatie en effectbeoordeling;

h) de nationale bureaus voor de statistiek;

i) de media.

3.  De Commissie kan samenwerken met internationale organisaties, met name de Raad van Europa, de OESO, de IAO en andere organen van de Verenigde Naties, alsmede de Wereldbank.

4.  De Commissie kan samenwerken met derde landen die niet deelnemen aan het programma. Vertegenwoordigers van die derde landen kunnen evenementen van wederzijds belang bijwonen (zoals conferenties, workshops en seminars) in de landen die aan het programma deelnemen, en de kosten van hun aanwezigheid kunnen door het programma gedekt worden.



HOOFDSTUK II

EURES-pijler

Artikel 19

Thematische onderdelen en financiering

De EURES-pijler steunt activiteiten binnen een of meer van de onder a), b) en c) vermelde thematische onderdelen. Voor de gehele looptijd van het programma worden bij de indicatieve verdeling van de in artikel 5, lid 2, onder b), vermelde toewijzing over de verschillende onderdelen de volgende minimumpercentages in acht genomen:

a) transparantie van aanvragen om en aanbiedingen van werk en alle gerelateerde informatie voor werkzoekenden en werkgevers: 32 %;

b) ontwikkeling van diensten voor de werving en plaatsing van werknemers door het tot elkaar brengen en de compensatie van aanbiedingen van en aanvragen om werk op Europees niveau, in het bijzonder gerichte mobiliteitsregelingen: 30 %;

c) grensoverschrijdende partnerschappen: 18 %.

Resterende bedragen worden toegewezen aan een of meer van de onder a), b), of c) bedoelde thematische onderdelen, dan wel een combinatie daarvan.

Artikel 20

Specifieke doelstellingen

Naast de in artikel 4 beschreven algemene doelstellingen heeft de EURES-pijler de volgende specifieke doelstellingen:

a) ervoor zorgen dat aanbiedingen van en aanvragen om werk en bijbehorende informatie en advies, alsmede alle gerelateerde informatie zoals met betrekking tot levens- en arbeidsomstandigheden, transparant worden gemaakt voor respectievelijk werkzoekenden en werkgevers. Dit wordt bereikt door uitwisselingen en verspreiding op transnationaal, interregionaal en grensoverschrijdend niveau door middel van standaard interoperabiliteitsformulieren voor aanvragen om en aanbiedingen van werk, en via andere middelen zoals individuele advisering en begeleiding, in het bijzonder voor lageropgeleiden;

b) steun bieden aan het verlenen van EURES-diensten voor de werving en plaatsing van werknemers in hoogwaardige en duurzame banen door het tot elkaar brengen en de compensatie van aanbiedingen van en aanvragen om werk; de steun voor EURES-diensten heeft betrekking op verschillende fasen van de bemiddeling, van de voorbereiding voor de werving tot steun na plaatsing, met als doel werkzoekenden te helpen zich succesvol te integreren op de arbeidsmarkt; deze ondersteunende diensten kunnen gerichte mobiliteitsregelingen omvatten om vacatures te vervullen in een bepaalde sector, een bepaald beroep, een bepaald land of een bepaalde groep landen of voor bepaalde groepen werknemers, zoals jongeren die mobiel neigen te zijn, en wanneer er een duidelijke economische behoefte is vastgesteld.

Artikel 21

Soorten acties

De EURES-pijler kan gebruikt worden voor de financiering van acties om de vrijwillige individuele mobiliteit van personen in de Unie op een eerlijke basis, en gericht op het weghalen van obstakels voor mobiliteit, te vergroten, in het bijzonder:

a) de ontwikkeling en de activiteiten van grensoverschrijdende EURES-partnerschappen, wanneer hierom wordt gevraagd door diensten die territoriaal gezien verantwoordelijk zijn voor grensregio's;

b) informatie en adviesverlening, plaatsings- en aanwervingsdiensten voor grensarbeiders;

c) de ontwikkeling van een meertalig digitaal platform voor het tot elkaar brengen en de compensatie van aanbiedingen van en aanvragen om werk;

d) de ontwikkeling van gerichte mobiliteitsregelingen, na oproepen tot het indienen van voorstellen, om vacatures te vervullen waar de arbeidsmarkt tekortkomingen vertoont, en/of werknemers te helpen die gemakkelijk mobiel zijn, en wanneer er een duidelijke economische behoefte is vastgesteld;

e) wederzijdse leerprocessen tussen EURES-actoren en opleiding van EURES-adviseurs, waaronder adviseurs in het kader van de grensoverschrijdende EURES-partnerschappen;

f) informatie- en communicatieactiviteiten om het besef te vergroten van de voordelen van geografische en beroepsmobiliteit in het algemeen en van de activiteiten en dienstverlening van EURES.

Artikel 22

Medefinanciering van de Unie

Activiteiten die in het kader van de EURES-pijler gefinancierd worden na een oproep tot het indienen van voorstellen, kunnen medefinanciering van de Unie ontvangen die in de regel niet meer bedraagt dan 95 % van de totale subsidiabele uitgaven. Iedere financiële steun boven dit plafond wordt alleen verleend in naar behoren gemotiveerde uitzonderlijke omstandigheden.

▼M1 —————

▼B

Artikel 24

Deelname

1.  De EURES-pijler staat open voor deelname van:

a) lidstaten;

b) de EER-landen overeenkomstig de EER-Overeenkomst, en de Zwitserse Bondsstaat in overeenstemming met de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen ( 18 ).

▼M1

2.  Deelname aan de EURES-pijler staat open voor alle door een lidstaat of de Commissie aangewezen organisaties, actoren en instellingen die voldoen aan de voorwaarden voor deelname aan EURES, zoals vastgelegd in Verordening (EU) 2016/589 van het Europees Parlement en de Raad ( 19 ). Het betreft hierbij onder andere de volgende organisaties, actoren en instellingen:

a) nationale, regionale en lokale autoriteiten;

b) diensten voor arbeidsvoorziening;

c) organisaties van sociale partners en andere belanghebbende partijen.

▼B



HOOFDSTUK III

Pijler Microfinanciering en sociaal ondernemerschap

Artikel 25

Thematische onderdelen en financiering

De pijler Microfinanciering en sociaal ondernemerschap steunt activiteiten binnen een of meer van de onder a) en b) vermelde thematische onderdelen. Voor de gehele looptijd van het programma worden bij de indicatieve verdeling van de in artikel 5, lid 2, onder c), vermelde toewijzing over de verschillende onderdelen de volgende minimumpercentages in acht genomen:

a) microfinanciering voor kwetsbare groepen en micro-ondernemingen: 45 %;

b) sociaal ondernemerschap: 45 %.

Resterende bedragen worden toegewezen aan de onder a) of b) bedoelde thematische onderdelen.

Artikel 26

Specifieke doelstellingen

Naast de in artikel 4 beschreven algemene doelstellingen heeft de pijler Microfinanciering en sociaal ondernemerschap de volgende specifieke doelstellingen:

a) de toegang tot en beschikbaarheid van microfinanciering verbeteren voor:

i) kwetsbare personen die hun baan verloren hebben of dreigen te verliezen of die moeilijk toegang krijgen tot of kunnen terugkeren op de arbeidsmarkt, of personen die met sociale uitsluiting worden bedreigd of sociaal uitgesloten zijn en die qua toegang tot de traditionele kredietmarkt in een nadelige positie verkeren en die hun eigen micro-onderneming wensen op te richten of uit te breiden;

ii) micro-ondernemingen, in zowel de aanloop-, als ontwikkelingsfase, met name micro-ondernemingen waar de in punt i) bedoelde personen in dienst zijn;

b) de institutionele capaciteit van microkredietverstrekkers opbouwen;

c) de ontwikkeling van de markt voor sociale investeringen ondersteunen en de toegang voor sociale ondernemingen tot financiering verbeteren door aandelenkapitaal, quasi-aandelenkapitaal, leningsinstrumenten en subsidies tot 500 000  EUR beschikbaar te stellen voor sociale ondernemingen met een jaaromzet van maximaal 30 miljoen EUR dan wel een jaarbalans van maximaal 30 miljoen EUR en die geen instelling voor collectieve belegging zijn.

Om complementariteit te verzekeren, zorgen de Commissie en de lidstaten op hun respectieve bevoegdheidsterrein voor een nauwe coördinatie van deze acties met de acties die in het kader van het cohesiebeleid en nationaal beleid worden ondernomen.

Artikel 27

Soorten acties

Steun voor microfinanciering en sociale ondernemingen; inclusief institutionele capaciteitsopbouw, in het bijzonder door middel van de financiële instrumenten die zijn vastgelegd in Titel VIII van Deel I van het Financieel Reglement, en subsidies kunnen uit hoofde van de pijler Microfinanciering en sociaal ondernemerschap verleend worden.

Artikel 28

Deelname

1.  Deelname aan de pijler Microfinanciering en sociaal ondernemerschap staat open voor alle openbare en particuliere organisaties die op nationaal, regionaal of lokaal niveau gevestigd zijn in de in artikel 18, lid 1, bedoelde landen en in die landen:

a) microfinanciering voor personen en micro-ondernemingen verstrekken; en/of

b) financiering voor sociale ondernemingen verstrekken.

2.  De Commissie zorgt ervoor dat de pijler zonder enige discriminatie toegankelijk is voor alle openbare en particuliere organisaties in de lidstaten.

3.  Om te zorgen dat de uiteindelijke begunstigden worden bereikt en dat er concurrerende en levensvatbare micro-ondernemingen worden opgezet, werken openbare en particuliere organisaties die de in lid 1, onder a), bedoelde activiteiten uitvoeren, nauw samen met organisaties, waaronder maatschappelijke organisaties, die de belangen behartigen van de uiteindelijke begunstigden van het microkrediet en met organisaties, met name die door het ESF worden ondersteund, en zij verzorgen begeleidings- en trainingsprogramma's voor die uiteindelijke begunstigden. In dit verband worden de uiteindelijke begunstigden zowel voor als na de oprichting van de micro-onderneming op afdoende wijze gevolgd.

4.  De openbare en particuliere organisaties die de in lid 1, onder a), bedoelde activiteiten uitvoeren, houden zich aan hoge normen met betrekking tot bestuur, beheer en consumentenbescherming volgens de principes van de Europese gedragscode voor microkredietverstrekkers en streven ernaar te voorkomen dat personen en ondernemingen zich, bijvoorbeeld als gevolg van de toekenning van kredieten aan hen tegen een hoge rente en onder voorwaarden die insolvabiliteit in de hand werken, te diep in de schulden steken.

Artikel 29

Financiële bijdrage

Behalve in het geval van gemeenschappelijke acties dekken de aan de pijler Microfinanciering en sociaal ondernemerschap toegewezen financiële middelen de volledige kosten van de acties die met behulp van financiële instrumenten zijn uitgevoerd, met inbegrip van de betalingsverplichtingen jegens financiële intermediairs, zoals verliezen op garanties, de beheerskosten van de entiteiten die de middelen van de Unie beheren, alsook alle andere in aanmerking komende kosten.

Artikel 30

Beheer

1.  Voor de uitvoering van de in artikel 27, bedoelde instrumenten en subsidies kan de Commissie overeenkomsten sluiten met de entiteiten die worden genoemd in artikel 139, lid 4, van het Financieel Reglement en met name met de Europese Investeringsbank en het Europees Investeringsfonds. Deze overeenkomsten bevatten gedetailleerde bepalingen voor de uitvoering van de aan die entiteiten toevertrouwde taken, met inbegrip van bepalingen die de noodzaak specificeren om te zorgen voor additionaliteit en coördinatie met bestaande financiële instrumenten van de Unie en de lidstaten en de middelen op evenwichtige wijze te verdelen tussen de lidstaten en de andere deelnemende landen. Financiële instrumenten die zijn vastgelegd in Titel VIII van Deel I van het Financieel Reglement, kunnen worden verschaft middels een speciaal investeringsvehikel, dat kan worden gefinancierd door middelen van het programma, door andere investeerders of door beide.

2.  Het in lid 1 bedoelde speciale investeringsvehikel kan onder andere leningen, aandelenkapitaal en risicodelingsinstrumenten verstrekken voor intermediairs of rechtstreekse financiering voor sociale ondernemingen, of beide. Aandelenkapitaal kan onder andere worden verstrekt in de vorm van open aandelenparticipaties, slapende holdings, aandeelhouderleningen alsmede combinaties van verschillende soorten aandelenparticipaties die aan de beleggers worden uitgegeven.

3.  De voorwaarden, zoals rentepercentages, voor microkredieten die in het kader van deze pijler direct of indirect worden gesteund, staan in verhouding tot de steunvoordelen en zijn verantwoord ten opzichte van de onderliggende risico's en de werkelijke kosten van een krediet.

4.  Overeenkomstig artikel 140, lid 6, van het Financieel Reglement worden de jaarlijkse terugbetalingen die worden gegenereerd door één financieel instrument, aan dat instrument toegewezen voor een periode van tien jaar vanaf de begindatum van het programma, en worden opbrengsten, na aftrek van beheerskosten en -vergoedingen, opgenomen in de begroting. Voor financiële instrumenten die al in het meerjarig financieel kader voor de periode 2007-2013 zijn opgezet, worden de jaarlijkse terugbetalingen en de inkomsten die worden gegenereerd door activiteiten die in de vorige periode zijn gestart, toegewezen aan het financiële instrument in de lopende periode.

5.  Bij het verstrijken van de overeenkomsten met de in lid 1 bedoelde entiteiten, of na afloop van de investeringsperiode van het gespecialiseerde investeringsvehikel, komt het aan de Unie verschuldigde saldo ten goede aan de algemene begroting van de Unie.

6.  De in lid 1 van dit artikel bedoelde entiteiten en, indien van toepassing, de fondsbeheerders sluiten schriftelijke overeenkomsten met de in artikel 28 bedoelde openbare en particuliere organisaties. In deze overeenkomsten worden de verplichtingen van de openbare en particuliere verstrekkers vastgelegd om de middelen te gebruiken die uit hoofde van de pijler Microfinanciering en sociaal ondernemerschap overeenkomstig de in artikel 26 beschreven doelstellingen beschikbaar worden gesteld en om informatie te verstrekken die nodig is voor het opstellen van de in artikel 31 bedoelde jaarlijkse uitvoeringsverslagen.

Artikel 31

Uitvoeringsverslagen

1.  De in artikel 30, lid 1, bedoelde entiteiten en, indien van toepassing, de fondsbeheerders bezorgen de Commissie jaarlijkse uitvoeringsverslagen met een beschrijving van de ondersteunde activiteiten die zijn uitgevoerd uit het oogpunt van financiële uitvoering, de verdeling van de middelen over en toegankelijkheid ervan voor sectoren, geografische gebieden en begunstigden. Die verslagen bevatten tevens de goedgekeurde of afgewezen aanvragen met betrekking tot elke specifieke doelstelling en de door de betrokken openbare en particuliere organisaties gesloten overeenkomsten, de gefinancierde maatregelen en de resultaten, waaronder de sociale effecten, werkgelegenheidscreatie en -duurzaamheid van de verleende steun is verleend. De Commissie zendt deze verslagen ter informatie toe aan het Europees Parlement.

2.  De informatie die in die jaarlijkse uitvoeringsverslagen wordt verstrekt, wordt opgenomen in de in artikel 12 bedoelde tweejaarlijkse monitoringverslagen. In deze monitoringverslagen worden de in artikel 8, lid 2, van Besluit nr. 283/2010/EU bedoelde jaarverslagen, gedetailleerde informatie over communicatieactiviteiten en informatie over de complementariteit met andere instrumenten van de Unie, met name het ESF, opgenomen.



TITEL III

WERKPROGAMMA'S EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 32

Werkprogramma's

De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast waarin werkprogramma's met betrekking tot de drie pijlers worden vastgelegd. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 36, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

De werkprogramma's gelden, indien van toepassing, voor een periode van drie jaren bevatten een omschrijving van de te financieren acties, de selectieprocedures van de door de Unie te steunen acties, het geografische bereik, de doelgroep en een indicatie van het tijdsbestek voor de uitvoering. De werkprogramma's bevatten tevens het indicatieve bedrag dat voor iedere specifieke doelstelling is toegewezen en weerspiegelen de herverdeling van financiële middelen overeenkomstig artikel 33. De werkprogramma's versterken de samenhang van het programma door het verband tussen drie pijlers te vermelden.

Artikel 33

Herverdeling van financiële middelen tussen de pijlers en aan de afzonderlijke thematische onderdelen binnen de pijlers

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 34 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de herverdeling van financiële middelen tussen pijlers en afzonderlijke thematische onderdelen binnen elke pijler die het indicatieve bedrag dat voor elk geval is vastgesteld met meer dan 5 % en ten hoogste 10 % overtreft, indien ontwikkelingen in de sociaaleconomische omstandigheden of de bevindingen van de in artikel 13, lid 1, bedoelde tussentijdse evaluatie, dit vereisen. De herverdeling van financiële middelen aan thematische onderdelen binnen iedere pijler wordt vermeld in de werkprogramma's als bedoeld in artikel 32.

Artikel 34

Uitoefening van de delegatie

1.  De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.  De in artikel 33 bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van zeven jaar, met ingang van 1 januari 2014.

3.  Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 33 bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.  Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

5.  Een overeenkomstig artikel 33 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben meegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

Artikel 35

Aanvullende uitvoeringsmaatregelen

Voor de uitvoering van het programma vereiste maatregelen, zoals criteria voor de evaluatie van het programma, waaronder de kosteneffectiviteit en de regelingen voor de verspreiding en overdracht van resultaten, worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 36, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure.

Artikel 36

Comitéprocedure

1.  De Commissie wordt bijgestaan door een comité. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

2.  Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 4 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

3.  Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

Artikel 37

Overgangsmaatregelen

Voor de in artikel 4, 5 en 6 van Besluit nr. 1672/2006/EG bedoelde acties die vóór 1 januari 2014 zijn aangevangen blijft dat besluit van toepassing. Met betrekking tot die acties wordt de Commissie bijgestaan door het in artikel 36 van deze verordening bedoelde comité.

Artikel 38

Evaluatie

1.  De in artikel 13, lid 4, van deze verordening bedoelde eindevaluatie omvat de eindevaluatie als bedoeld in artikel 9 van Besluit nr. 283/2010/EU.

2.  De Commissie voert uiterlijk één jaar na het verstrijken van de overeenkomsten met de entiteiten een specifieke eindevaluatie uit van de pijler Microfinanciering en sociaal ondernemerschap.

Artikel 39

Wijzigingen van Besluit nr. 283/2010/EU

Besluit nr. 283/2010/EU wordt als volgt gewijzigd:

1) In artikel 5 wordt lid 4 vervangen door:

"4.  Bij de afloop van de faciliteit wordt het aan de Unie verschuldigde saldo beschikbaar gemaakt voor microfinanciering en steun voor sociale ondernemingen overeenkomstig Verordening nr. 1296/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 betreffende een programma van de Europese Unie voor werkgelegenheid en sociale innovatie ("EaSI") ( 20 ).

2) In artikel 8 worden de leden 3 en 4 geschrapt.

Artikel 40

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.



( 1 ) PB C 143 van 22.5.2012, blz. 88.

( 2 ) PB C 225 van 27.7.2012, blz. 167.

( 3 ) Standpunt van het Europees Parlement van 21 november 2013 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad)

( 4 ) Besluit nr. 1672/2006/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 2006 tot vaststelling van een communautair programma voor werkgelegenheid en maatschappelijke solidariteit - PROGRESS (PB L 315 van 15.11.2006, blz. 1).

( 5 ) Verordening (EU) nr. 492/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2011 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Unie (PB L 141 van 27.5.2011, blz. 1).

( 6 ) Uitvoeringsbesluit 2012/733/EU van de Commissie van 26 november 2012 tot uitvoering van Verordening (EU) nr. 492/2011 van het Europees Parlement en de Raad voor wat betreft het tot elkaar brengen en de compensatie van aanbiedingen van en aanvragen om werk, en een nieuwe opzet van EURES (PB L 328 van 28.11.2012, blz. 21).

( 7 ) Besluit nr. 283/2010/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 maart 2010 tot instelling van een Europese Progress-microfinancieringsfaciliteit voor werkgelegenheid en sociale insluiting (PB L 87 van 7.4.2010, blz. 1).

( 8 ) Besluit 2010/707/EU van de Raad van 21 oktober 2010 betreffende de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten (PB L 308 van 24.11.2010, blz. 46).

( 9 ) Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 (PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1).

( 10 ) Aanbeveling van de Raad van 22 april 2013 tot invoering van een jongerengarantie (PB C 120 van 26.4.2013, blz. 1).

( 11 ) PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1

( 12 ) Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).

( 13 ) Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (PB L 124 van 20.5.2003, blz. 36).

( 14 ) Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, die onder het gemeenschappelijk strategisch kader vallen, en houdende algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds (Zie bladzijde 320 van dit Publicatieblad).

( 15 ) Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen (PB L 312 van 23.12.1995, blz. 1.)

( 16 ) Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 september 2013 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (Euratom) nr. 1074/1999 van de Raad (PB L 248 van 18.9.2013, blz. 1).

( 17 ) Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad van 11 november 1996 betreffende de controles en verificaties ter plaatse die door de Commissie worden uitgevoerd ter bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen tegen fraudes en andere onregelmatigheden (PB L 292 van 15.11.1996, blz. 2).

( 18 ) PB L 114 van 30.4.2002, blz. 6.

( 19 ) Verordening (EU) 2016/589 van het Europees Parlement en de Raad van 13 april 2016 inzake een Europees netwerk van diensten voor arbeidsvoorziening (EURES), de toegang van werknemers tot mobiliteitsdiensten en de verdere integratie van de arbeidsmarkten en tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 492/2011 en (EU) nr. 1296/2013 (PB L 107 van 22.4.2016, blz. 1).

( 20 ) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 238".