2013R0549 — NL — 24.08.2015 — 001.001


Dit document vormt slechts een documentatiehulpmiddel en verschijnt buiten de verantwoordelijkheid van de instellingen

►B

VERORDENING (EU) Nr. 549/2013 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 21 mei 2013

betreffende het Europees systeem van nationale en regionale rekeningen in de Europese Unie

(Voor de EER relevante tekst)

(PB L 174 van 26.6.2013, blz. 1)

Gewijzigd bij:

 

 

Publicatieblad

  nr.

blz.

datum

►M1

GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2015/1342 VAN DE COMMISSIE van 22 april 2015

  L 207

35

4.8.2015




▼B

VERORDENING (EU) Nr. 549/2013 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 21 mei 2013

betreffende het Europees systeem van nationale en regionale rekeningen in de Europese Unie

(Voor de EER relevante tekst)



HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 338, lid 1,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van de Europese Centrale Bank ( 1 ),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure ( 2 ),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De beleidsvorming in de Unie en het toezicht op de economieën van de lidstaten en op de economische en monetaire unie (EMU) vereisen vergelijkbare, actuele en betrouwbare informatie over de structuur van de economie en de ontwikkeling van de economische situatie in iedere lidstaat of regio.

(2)

De Commissie moet een rol vervullen bij het toezicht op de economieën van de lidstaten en op de EMU en moet met name regelmatig aan de Raad verslag uitbrengen over de vooruitgang die lidstaten hebben geboekt bij het nakomen van hun verplichtingen met betrekking tot de EMU.

(3)

De burgers van de Unie hebben economische rekeningen nodig als basisinstrument voor de analyse van de economische situatie van een lidstaat of regio. Ter wille van de vergelijkbaarheid moeten die rekeningen worden opgesteld op basis van dezelfde, niet voor verschillende uitleg vatbare beginselen. De verstrekte informatie moet zo nauwkeurig, volledig en tijdig mogelijk zijn om maximale transparantie in alle sectoren te waarborgen.

(4)

De Commissie dient aggregaten van de nationale en regionale rekeningen te gebruiken voor administratieve doeleinden van de Unie en met name voor budgettaire berekeningen.

(5)

In 1970 werd een administratief document met als titel „Europees stelsel van economische rekeningen (ESER)” gepubliceerd, dat betrekking had op het door deze verordening bestreken gebied. Dit document was enkel en alleen door het Bureau voor de Statistiek van de Europese Gemeenschappen en onder zijn uitsluitende verantwoordelijkheid opgesteld en was het resultaat van het werk dat gedurende verscheidene jaren door dit bureau in samenwerking met de nationale bureaus voor de statistiek van de lidstaten was verricht ter uitwerking van een systeem van nationale rekeningen dat beantwoordde aan de behoeften van het economische en sociale beleid van de Europese Gemeenschappen. Het was de Gemeenschapsversie van het systeem van nationale rekeningen van de Verenigde Naties, dat tot dan toe in de Gemeenschappen was gebruikt. In 1979 werd een tweede editie van dat document gepubliceerd, waarin de oorspronkelijke tekst was bijgewerkt ( 3 ).

(6)

Bij Verordening (EG) nr. 2223/96 van de Raad van 25 juni 1996 inzake het Europees systeem van nationale en regionale rekeningen in de Gemeenschap ( 4 ) is een systeem van nationale rekeningen opgezet teneinde te voldoen aan de eisen van het economische, sociale en regionale beleid van de Gemeenschap. Dat systeem was in grote lijnen consistent met het toen nieuwe stelsel van nationale rekeningen, welke in februari 1993 door de Statistische Commissie van de Verenigde Naties was vastgesteld (het 1993 SNA), zodat de resultaten in alle lidstaten van de Verenigde Naties internationaal vergelijkbaar zouden zijn.

(7)

Het 1993 SNA is bijgewerkt in de vorm van een nieuw systeem van nationale rekeningen (het 2008 SNA), dat in februari 2009 door de Statistische Commissie van de Verenigde Naties is vastgesteld, teneinde de nationale rekeningen beter af te stemmen op de nieuwe economische context, de vooruitgang op het gebied van methodologisch onderzoek en de behoeften van de gebruikers.

(8)

Teneinde rekening te houden met de ontwikkelingen in het SNA, moet het bij Verordening (EG) nr. 2223/96 vastgestelde Europese systeem van rekeningen (het ESR 95) worden herzien, zodat het herziene Europese systeem van rekeningen, zoals bij deze verordening wordt ingesteld, een aan de economische structuur van de lidstaten aangepaste versie van het 2008 SNA vormt en de gegevens van de Unie vergelijkbaar zijn met die van haar belangrijkste internationale partners.

(9)

Voor het opstellen van milieu-economische rekeningen bij wijze van satellietrekeningen bij het herziene Europese systeem van rekeningen, is in Verordening (EU) nr. 691/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 6 juli 2011 inzake Europese milieu-economische rekeningen ( 5 ) een gemeenschappelijk kader voor het verzamelen, samenstellen, toezenden en evalueren van Europese milieu-economische rekeningen vastgelegd.

(10)

Wat de sociale en de milieurekeningen betreft, moet ook ten volle rekening worden gehouden met de Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement van 20 augustus 2009 met als titel „Het bbp en verder — Meting van de vooruitgang in een veranderende wereld”. Er is een noodzaak om op een krachtige wijze door te gaan met methodologische studies en gegevenstests, met name ten aanzien van vraagstukken die verband houden met „Het bbp en verder” en de Europa 2020-strategie, met het doel een meetmethode voor welzijn en vooruitgang te ontwikkelen waarbij meer elementen in aanmerking worden genomen, teneinde de bevordering van slimme, duurzame en inclusieve groei te ondersteunen. In dit verband dienen de vraagstukken inzake externe milieufactoren en sociale ongelijkheid te worden aangepakt. De kwestie van veranderingen in de productiviteit moet eveneens in aanmerking worden genomen. Dit moet het mogelijk maken gegevens die de bbp aggregaten aanvullen, zo spoedig mogelijk beschikbaar te maken. De Commissie moet aan het Europees Parlement en de Raad in 2013 een follow-up mededeling aangaande „Het bbp en verder” voorleggen als ook, in voorkomend geval, in 2014 wetgevingsvoorstellen. De gegevens over de nationale en regionale rekeningen moeten worden gezien als één middel voor het verwezenlijken van deze doelstellingen.

(11)

Het gebruik van nieuwe, geautomatiseerde en realtimeverzamelingsmethoden moet worden onderzocht.

(12)

Het herziene Europese systeem van rekeningen, als ingesteld bij deze verordening, (ESR 2010) bevat een methodologie en een leveringsprogramma waarin de rekeningen en tabellen worden gespecificeerd die alle lidstaten binnen de voorgeschreven termijnen moeten indienen. De Commissie moet die rekeningen en tabellen op vaste tijdstippen ter beschikking van de gebruikers stellen, waar nodig volgens een vooraf bekendgemaakt tijdschema, met name met het oog op het toezicht op de economische convergentie en een goede coördinatie van het economische beleid van de lidstaten.

(13)

Een gebruikersvriendelijke aanpak voor het bekendmaken van gegevens moet worden gehanteerd, om zodoende burgers van de Unie en andere belanghebbenden van toegankelijke en bruikbare informatie te voorzien.

(14)

Het ESR 2010 moet geleidelijk in de plaats van alle andere systemen komen als referentiekader voor gemeenschappelijke normen, definities, classificaties en registratieregels, dat bestemd is voor de opstelling van de rekeningen van de lidstaten ten behoeve van de doelstellingen van de Unie en waarmee resultaten kunnen worden verkregen die van lidstaat tot lidstaat vergelijkbaar zijn.

(15)

Krachtens Verordening (EG) nr. 1059/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 betreffende de opstelling van een gemeenschappelijke nomenclatuur van territoriale eenheden voor de statistiek (NUTS) ( 6 ) moet voor alle statistieken van de lidstaten die zij aan de Commissie toezenden en die naar territoriale eenheden dienen te worden ingedeeld, de NUTS-nomenclatuur worden gebruikt. Met het oog op de opstelling van vergelijkbare regionale statistieken moeten de territoriale eenheden daarom worden gedefinieerd overeenkomstig de NUTS-nomenclatuur.

(16)

Voor de doorgifte van gegevens, inclusief vertrouwelijke gegevens, door de lidstaten zijn de bepalingen van Verordening (EG) nr. 223/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2009 betreffende de Europese statistiek ( 7 ) van toepassing. Dienovereenkomstig dient derhalve ook bij het nemen van maatregelen overeenkomstig de onderhavige verordening de bescherming van vertrouwelijke gegevens te worden gegarandeerd en moet erop worden toegezien dat de productie en verspreiding van Europese statistieken niet leidt tot onwettige openbaarmaking of gebruik voor andere dan statistische doeleinden.

(17)

Er is een taskforce opgericht die de behandeling van indirect gemeten diensten van financiële intermediairs (IGDFI) in de nationale rekeningen verder moet onderzoeken, onder meer een voor risico gecorrigeerde methode die risico uitsluit van de IGDFI-berekeningen om de verwachte toekomstige kosten van gerealiseerde risico's weer te geven. Rekening houdend met de bevindingen van de taskforce kan het nodig zijn de methoden voor de berekening en de toerekening van IGDFI door middel van een gedelegeerde handeling te wijzigen teneinde betere resultaten te verkrijgen.

(18)

De uitgaven voor onderzoeks- en ontwikkelingswerk vormen een investering en moeten derhalve als bruto-investeringen in vaste activa worden geregistreerd. Het is echter nodig het formaat van de gegevens aangaande onderzoek en ontwikkeling, die als bruto-investeringen in vaste activa moeten worden geregistreerd, door middel van een gedelegeerde handeling te specificeren wanneer in een test waarvoor aanvullende tabellen moeten worden ontwikkeld, wordt aangetoond dat de betrouwbaarheid en vergelijkbaarheid van de gegevens groot genoeg is.

(19)

Richtlijn 2011/85/EU van 8 november 2011 tot vaststelling van voorschriften voor de begrotingskaders van de lidstaten ( 8 ) schrijft voor dat relevante informatie wordt bekendgemaakt over voorwaardelijke verplichtingen met potentieel grote gevolgen op de overheidsbegrotingen, met inbegrip van overheidsgaranties, oninbare leningen en uit de exploitatie van overheidsbedrijven voortvloeiende verplichtingen met vermelding van de omvang ervan. Deze vereisten stellen een aanvullende bekendmaking verplicht naast de uit hoofde van deze verordening vereiste bekendmaking.

(20)

In juni 2012 heeft de Commissie (Eurostat) een taskforce over de gevolgen van Richtlijn 2011/85/EU voor de vergaring en verspreiding van begrotingsgegevens ingesteld, die zich heeft toegespitst op de uitvoering van de voorschriften betreffende de voorwaardelijke verplichtingen en andere relevante informatie die kan wijzen op potentieel grote gevolgen voor de overheidsbegrotingen, met inbegrip van overheidsgaranties, uit de exploitatie van overheidsbedrijven voortvloeiende verplichtingen, publiek-private partnerschappen, oninbare leningen, en overheidsparticipatie in kapitaal van bedrijven. Een volledige uitvoering van het werk van deze taskforce zou bijdragen tot een deugdelijke analyse van de economische betrekkingen die ten grondslag liggen aan de contracten van publiek-private partnerschappen, met inbegrip van bouw-, beschikbaarheids- en vraagrisico's, als toepasselijk, en tot het opvangen van impliciete schulden van buiten de balans vallende publiek-private partnerschappen, en tegelijkertijd grotere transparantie en betrouwbare statistieken over schulden bevorderen.

(21)

Het bij Besluit 74/122/EEG van de Raad ( 9 ) ingestelde Comité voor economische politiek (EPC) heeft werk verricht met betrekking tot duurzame pensioenen en pensioenhervormingen. Het is nodig om zowel op nationaal als op Europees niveau het werk van statistici enerzijds en het onder auspiciën van het EPC verrichte werk van experts aangaande vergrijzende bevolkingen anderzijds nauw te coördineren wat betreft de macro-economische aannamen en andere actuariële parameters, met het oog op samenhang en grensoverschrijdende vergelijkbaarheid van de resultaten alsmede efficiënte mededeling van de gegevens en informatie in verband met pensioenen aan de gebruikers en de belanghebbenden. Daarnaast moet worden verduidelijkt dat opgebouwde pensioenrechten in de sociale zekerheid op zich geen maatregel voor duurzame overheidsfinanciën uitmaken.

(22)

Gegevens en informatie over de voorwaardelijke verplichtingen van de lidstaten worden verstrekt in het kader van de werkzaamheden betreffende de procedure voor het multilaterale toezicht in het stabiliteits- en groeipact. Tegen juli 2018 moet de Commissie een verslag indienen waarin wordt beoordeeld of beschikbaarstelling van die gegevens in de context van het ESR 2010 nodig is.

(23)

Het is belangrijk het belang te onderstrepen van regionale rekeningen van de lidstaten voor het regionale beleid, het economische beleid en het beleid inzake sociale cohesie van de Unie, als ook voor de analyse van economische onderlinge afhankelijkheid. Daarnaast wordt erkend dat het noodzakelijk is de transparantie van rekeningen op regionaal niveau, onder meer overheidsrekeningen, te vergroten. De Commissie (Eurostat) dient bijzondere aandacht te besteden aan de regionale begrotingsgegevens van lidstaten met autonome regio's of regeringen.

(24)

Teneinde bijlage A bij deze verordening te wijzigen om te zorgen voor een geharmoniseerde interpretatie en internationale vergelijkbaarheid ervan, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) handelingen vast te stellen. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passend overleg pleegt, onder meer met het Comité voor het Europees statistisch systeem, dat is opgericht bij Verordening (EG) nr. 223/2009. Het is krachtens artikel 127, lid 4, en artikel 282, lid 5, VWEU bovendien van bijzonder belang dat de Commissie tijdens haar voorbereidende werkzaamheden, waar nodig, overleg pleegt met de Europese Centrale Bank op het gebied waarop deze bevoegd is. De Commissie moet bij de voorbereiding en opstelling van de gedelegeerde handelingen ervoor zorgen dat de desbetreffende documenten tijdig en op gepaste wijze gelijktijdig worden toegezonden aan het Europees Parlement en aan de Raad.

(25)

De meeste in het kader van het economisch bestuur van de Unie gebruikte statistische aggregaten, in het bijzonder de buitensporigtekortprocedure en de procedure bij macro-economische onevenwichtigheden, worden bepaald onder verwijzing naar het ESR. Wanneer de Commissie uit hoofde van die procedures gegevens en verslagen verstrekt, dient zij passende informatie te geven over de gevolgen op de desbetreffende aggregaten van de wijzigingen in de methodologie van het ESR 2010 zoals middels gedelegeerde handelingen in overeenstemming met de bepalingen van deze verordening zijn ingevoerd.

(26)

De Commissie zal een beoordeling uitvoeren of de gegevens betreffende onderzoek en ontwikkeling zowel in lopende prijzen als in volume vóór eind mei 2013 een kwaliteitsniveau hebben bereikt dat voor de toepassing in nationale rekeningen volstaat, in nauwe samenwerking met de lidstaten, met als doel de betrouwbaarheid en vergelijkbaarheid te garanderen van de ESR-gegevens aangaande onderzoek en ontwikkeling.

(27)

Daar de tenuitvoerlegging van deze verordening ingrijpende aanpassingen van de nationale statistische systemen zal vergen, zal de Commissie de lidstaten afwijkingen toestaan. Met name in het programma voor de indiening van gegevens van de nationale rekeningen moet rekening worden gehouden met de ingrijpende politieke en statistische veranderingen die zich in enkele lidstaten gedurende de referentieperiode van het programma hebben voorgedaan. Deze door de Commissie toegestane afwijkingen moeten tijdelijk en voor herziening vatbaar zijn. De Commissie moet de betrokken lidstaten steunen in hun inspanningen om de vereiste aanpassingen aan hun statistische systemen te verwezenlijken zodat deze afwijkingen zo snel mogelijk kunnen worden beëindigd.

(28)

Het verkorten van de indieningstermijnen kan een aanzienlijke last en aanzienlijke kosten voor respondenten en nationale bureaus voor de statistiek in de Unie met zich meebrengen, met het risico dat er gegevens van minder goede kwaliteit worden geproduceerd. De voor- en nadelen moeten daarom worden afgewogen wanneer de termijnen voor de toezending van de gegevens worden vastgesteld.

(29)

Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van deze verordening, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren ( 10 ).

(30)

Daar de doelstelling van deze verordening, namelijk de vaststelling van een herzien Europees rekeningenstelsel, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt en beter door de Unie kan worden verwezenlijkt, kan de Unie volgens het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan wat nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken.

(31)

Het Comité voor het Europees statistisch systeem is geraadpleegd.

(32)

Het Comité voor monetaire, financiële en betalingsbalansstatistiek dat is opgericht bij Besluit 2006/856/EG van de Raad van 13 november 2006 tot oprichting van een Comité voor monetaire, financiële en betalingsbalansstatistiek ( 11 ) en het Comité bruto nationaal inkomen (BNI-comité) dat is opgericht bij Verordening (EG, Euratom) nr. 1287/2003 van de Raad van 15 juli 2003 betreffende de harmonisatie van het bruto nationaal inkomen tegen marktprijzen („BNI-verordening”) ( 12 ), zijn geraadpleegd,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:



Artikel 1

Onderwerp

1.  Bij deze verordening wordt het Europees rekeningenstelsel 2010 („het ESR 2010” of „het ESR”) vastgesteld.

2.  Het ESR 2010 voorziet in:

a) methoden (bijlage A) betreffende de gemeenschappelijke normen, definities, classificaties en registratieregels die moeten worden gebruikt voor de opstelling van statistische rekeningen en tabellen op vergelijkbare grondslagen ten behoeve van de Unie, en van de resultaten die worden voorgeschreven uit hoofde van artikel 3;

b) een programma (bijlage B) waarin de termijnen zijn vastgesteld waarbinnen de lidstaten de in overeenstemming met de onder a) bedoelde methoden op te stellen rekeningen en tabellen bij de Commissie (Eurostat) moeten indienen.

3.  Onverminderd de artikelen 5 en 10 is deze verordening van toepassing op alle wetgevingshandelingen van de Unie waarin naar het ESR of naar de definities daarvan wordt verwezen.

4.  Deze verordening verplicht de lidstaten er niet toe om ook voor hun eigen behoeften de rekeningen overeenkomstig het ESR 2010 op te stellen.

Artikel 2

Methodes

1.  De onder artikel 1, lid 2, onder a), bedoelde methoden van het ESR 2010 zijn opgenomen in bijlage A.

2.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 7 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot wijzigingen in de methoden van het ESR 2010 teneinde de inhoud nader te bepalen en te verbeteren met als doel de geharmoniseerde interpretatie of de internationale vergelijkbaarheid ervan zeker te stellen, op voorwaarde dat hierdoor de onderliggende concepten zelf niet worden gewijzigd, er voor producenten binnen het Europees statistisch systeem geen extra middelen voor de uitvoering nodig zijn, en de toepassing ervan niet leidt tot een wijziging in de eigen middelen.

3.  Bij twijfel over de correcte toepassing van de registratieregels van het ESR 2010 verzoekt de betrokken lidstaat de Commissie (Eurostat) om verduidelijking. De Commissie (Eurostat) behandelt het verzoek onverwijld en stelt de betrokken lidstaat en alle andere lidstaten onverwijld in kennis van haar advies over de gevraagde verduidelijking.

4.  De lidstaten voeren de berekening en de toerekening van indirect gemeten diensten van financiële intermediairs (IGDFI) in de nationale rekeningen uit volgens de in bijlage A beschreven methoden. De Commissie is bevoegd vóór 17 september 2013 overeenkomstig artikel 7 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot een herziene methode voor de berekening en de toerekening van IGDFI. Bij het uitoefenen van haar bevoegdheid krachtens dit lid ziet de Commissie erop toe dat dergelijke gedelegeerde handelingen niet leiden tot aanzienlijke administratieve lastenverzwaring voor de lidstaten of de respondenten.

5.  De uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling worden door de lidstaten als bruto-investeringen in vaste activa geregistreerd. De Commissie is bevoegd gedelegeerde handelingen overeenkomstig artikel 7 aan te nemen ter waarborging van de betrouwbaarheid en de vergelijkbaarheid van de ESR 2010-gegevens van de lidstaten over onderzoek en ontwikkeling. Bij het uitoefenen van haar bevoegdheid krachtens dit lid ziet de Commissie erop toe dat dergelijke gedelegeerde handelingen niet leiden tot aanzienlijke administratieve lastenverzwaring voor de lidstaten of de respondenten.

Artikel 3

Indiening van de gegevens bij de Commissie

1.  De lidstaten verstrekken de Commissie (Eurostat) de in bijlage B opgenomen rekeningen en tabellen binnen de daarin voor iedere tabel voorgeschreven termijn.

2.  De lidstaten dienen de bij deze verordening voorgeschreven gegevens en metagegevens bij de Commissie in overeenkomstig een gespecificeerde uitwisselingsstandaard en andere praktische regelingen.

De gegevens worden in elektronische vorm bij het centrale punt voor gegevenstoezending bij de Commissie ingediend of geüpload. De uitwisselingsstandaard en andere praktische regelingen voor de toezending van gegevens worden door de Commissie vastgelegd middels uitvoeringshandelingen. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 8, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 4

Kwaliteitsbeoordeling

1.  Voor de toepassing van deze verordening zijn de kwaliteitscriteria van artikel 12, lid 1, van Verordening (EG) nr. 223/2009 van toepassing op de overeenkomstig artikel 3 van deze verordening in te dienen gegevens.

2.  De lidstaten dienen bij de Commissie (Eurostat) een verslag in over de kwaliteit van de overeenkomstig artikel 3 in te dienen gegevens.

3.  Bij de toepassing van de in lid 1 bedoelde kwaliteitscriteria op de onder deze verordening vallende gegevens worden de modaliteiten, de structuur, de periodiciteit en de evaluatie-indicatoren van de kwaliteitsverslagen door de Commissie vastgesteld middels uitvoeringshandelingen. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 8, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

4.  De Commissie (Eurostat) beoordeelt de kwaliteit van de ingediende gegevens.

Artikel 5

Datum van toepassing en van eerste indiening van de gegevens

1.  Het ESR 2010 wordt voor het eerst toegepast op de overeenkomstig bijlage B opgestelde gegevens die met ingang van 1 september 2014 moeten worden ingediend.

2.  De gegevens worden bij de Commissie (Eurostat) ingediend binnen de in bijlage B vermelde termijnen.

3.  In overeenstemming met lid 1 zenden de lidstaten de Commissie (Eurostat) tot aan de eerste indiening van gegevens volgens het ESR 2010 de rekeningen en tabellen volgens het ESR 95 toe.

4.  Onverminderd artikel 19 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1150/2000 van de Raad van 22 mei 2000 houdende toepassing van Besluit 2007/436/EG, Euratom betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen ( 13 ), controleren de Commissie en de betrokken lidstaat of deze verordening correct wordt toegepast en leggen zij de resultaten van deze controle voor aan het in artikel 8, lid 1, van deze verordening genoemde comité.

Artikel 6

Afwijkingen

1.  In zoverre voor de toepassing van deze verordening grote aanpassingen van een nationaal statistisch systeem nodig zijn, verleent de Commissie de lidstaten tijdelijke afwijkingen van de toepassing ervan middels uitvoeringshandelingen. Deze afwijkingen verstrijken uiterlijk op 1 januari 2020. Deze uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 8, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

2.  De Commissie staat een afwijking krachtens lid 1 slechts toe voor een periode die toereikend is om de betreffende lidstaat in staat te stellen zijn statistische systeem aan te passen. Het aandeel van de betrokken lidstaat in het bbp van de Unie of de eurozone mag op zich geen motief zijn voor het toestaan van een afwijking. Waar passend, helpt de Commissie de lidstaten in kwestie bij hun inspanningen om de vereiste aanpassingen aan hun statistische systeem te verwezenlijken.

3.  Voor de in de leden 1 en 2 uiteengezette doeleinden, dient de betrokken lidstaat uiterlijk 17 oktober 2013 een met redenen omkleed verzoek in bij de Commissie.

Na raadpleging van het Comité voor het Europees statistisch systeem brengt de Commissie uiterlijk op 1 juli 2018 aan het Europees Parlement en de Raad verslag uit over de toepassing van de toegestane afwijkingen, teneinde na te gaan of zij nog steeds gerechtvaardigd zijn.

Artikel 7

Uitoefening van de delegatie

1.  De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel vastgestelde voorwaarden.

2.  De in artikel 2, leden 2 en 5, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van vijf jaar met ingang 16 juli 2013. De in artikel 2, lid 4, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van twee maanden met ingang van 16 juli 2013. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.

3.  Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 2, leden 2, 4 en 5, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken.

Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.  Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

5.  Een overeenkomstig artikel 2, leden 2, 4 en 5, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement of de Raad binnen een termijn van drie maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad daartegen geen bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad de Commissie voor het verstrijken van die termijn hebben medegedeeld daartegen geen bezwaar te zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met drie maanden verlengd.

Artikel 8

Comité

1.  De Commissie wordt bijgestaan door het Comité voor het Europees statistisch systeem ingesteld bij Verordening (EG) nr. 223/2009. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

2.  Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

Artikel 9

Samenwerking met andere comités

1.  Voor alle aangelegenheden die vallen onder de bevoegdheid van het Comité voor monetaire, financiële en betalingsbalansstatistiek, dat is opgericht bij Besluit 2006/856/EG, vraagt de Commissie dat comité om advies overeenkomstig artikel 2 van dat besluit.

2.  De Commissie verstrekt het Comité bruto nationaal inkomen („BNI-comité”), dat is opgericht bij Verordening (EG, Euratom) nr. 1287/2003, alle informatie betreffende de tenuitvoerlegging van deze verordening die het nodig heeft voor de uitvoering van de taken van het BNI-comité.

Artikel 10

Overgangsbepalingen

1.  Ten behoeve van de begroting en de eigen middelen blijft het Europese systeem van rekeningen als bedoeld in artikel 1, lid 1, van Verordening (EG, Euratom) nr. 1287/2003 en de daarmee samenhangende wetgevingshandelingen, met name Verordening (EG, Euratom) nr. 1150/2000 en Verordening (EEG, Euratom) nr. 1553/89 van de Raad van 29 mei 1989 betreffende de definitieve uniforme regeling voor de inning van de eigen middelen uit de belasting over de toegevoegde waarde ( 14 ), het ESR 95 zolang Besluit 2007/436/EG, Euratom van de Raad van 7 juni 2007 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen ( 15 ) van toepassing is.

2.  Voor de vaststelling van de eigen middelen uit de btw mogen de lidstaten, zolang Besluit 2007/436/EG, Euratom van kracht is, in afwijking van lid 1 ook op het ESR 2010 gebaseerde gegevens gebruiken wanneer de benodigde gedetailleerde ESR 95-gegevens niet beschikbaar zijn.

Artikel 11

Rapportage over impliciete verplichtingen

Uiterlijk 2014 legt de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad een rapport voor met de bestaande informatie over publiek-private partnerschappen en andere impliciete (waaronder ook voorwaardelijke) verplichtingen die buiten de overheidssfeer zijn aangegaan.

Uiterlijk 2018 legt de Commissie voorts aan het Europees Parlement en aan de Raad een rapport voor waarin wordt geëvalueerd in hoeverre de publicatie door de Commissie (Eurostat) van de informatie over verplichtingen representatief is voor alle impliciete (inclusief voorwaardelijke) verplichtingen die buiten de overheidssfeer zijn aangegaan.

Artikel 12

Herziening

Uiterlijk op 1 juli 2018 en daarna om de vijf jaar legt de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad een rapport voor over de toepassing van deze verordening.

In het verslag wordt onder meer het volgende beoordeeld:

a) de kwaliteit van gegevens over nationale en regionale rekeningen;

b) de doeltreffendheid van deze verordening en het op ESR 2010 toegepaste toezichtsproces, en

c) de vooruitgang wat betreft gegevens aangaande voorwaardelijke verplichtingen en de beschikbaarheid van ESR 2010-gegevens.

Artikel 13

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.




BIJLAGE A

HOOFDSTUK 1

ALGEMENE KENMERKEN EN GRONDBEGINSELEN

ALGEMENE KENMERKEN

Mondialisering

GEBRUIK VAN HET ESR 2010

Kader voor analyse en beleid

Kenmerken van de ESR 2010-begrippen

Indeling naar sector

Satellietrekeningen

ESR 2010 en 2008 SNA

ESR 2010 en ESR 95

GRONDBEGINSELEN VAN HET ESR 2010 ALS SYSTEEM

Statistische eenheden en hun indeling

Institutionele eenheden en sectoren

Eenheden van economische activiteit op lokaal niveau (lokale EEA's) en bedrijfstakken

Ingezeten en niet-ingezeten eenheden; totale economie en buitenland

Stromen en standen

Stromen

Transacties

Kenmerken van transacties

Interacties en interne transacties

Monetaire en niet-monetaire transacties

Transacties met en zonder tegenprestatie

Herordende transacties

Omleiding

Splitsing

Vaststelling van de principaal van een transactie

Grensgevallen

Overige mutaties in activa

Overige volumemutaties in activa en passiva

Waarderingsverschillen

Standen

Het rekeningenstelsel en de aggregaten

Registratieregels

Terminologie voor beide zijden van de rekeningen

Dubbele registratie/viervoudige registratie

Waardering

Bijzondere waarderingsmethoden voor producten

Waardering in constante prijzen

Moment van registratie

Consolidatie en saldering

Consolidatie

Saldering

Rekeningen, saldi en aggregaten

Het rekeningenstelsel

Goederen-en-dienstenrekening

Buitenlandrekening

Saldi

Aggregaten

Bbp: een aggregaat van cruciaal belang

Het input-outputsysteem

Aanbod- en gebruiktabellen

Symmetrische input-outputtabellen

HOOFDSTUK 2

EENHEDEN EN INDELING VAN EENHEDEN

AFBAKENING VAN DE NATIONALE ECONOMIE

INSTITUTIONELE EENHEDEN

Hoofdkantoren en holdings

Groepen ondernemingen

Entiteiten voor specifieke doeleinden

Financiële instellingen binnen concernverband

Kunstmatige dochterondernemingen

Voor specifieke doeleinden opgerichte eenheden van de overheid

INSTITUTIONELE SECTOREN

Niet-financiële vennootschappen (S.11)

Subsector niet-financiële vennootschappen in handen van de overheid (S.11001)

Subsector nationale niet-financiële vennootschappen in handen van de particuliere sector (S.11002)

Subsector niet-financiële vennootschappen in handen van het buitenland (S.11003)

Financiële instellingen (S.12)

Financiële intermediairs

Financiële hulpbedrijven

Financiële instellingen m.u.v. financiële intermediairs en financiële hulpbedrijven

Institutionele eenheden die tot de sector financiële instellingen behoren

Subsectoren van financiële instellingen

Combinaties van subsectoren van financiële instellingen

Onderverdeling van subsectoren van financiële instellingen in financiële instellingen in handen van de overheid, nationale financiële instellingen in handen van de particuliere sector en financiële instellingen in handen van het buitenland

Centrale bank (S.121)

Deposito-instellingen m.u.v. de centrale bank (S.122)

GMF's (S.123)

Beleggingsfondsen m.u.v. GMF's (S.124)

Overige financiële intermediairs m.u.v. verzekeringsinstellingen en pensioenfondsen (S.125)

Lege financiële instellingen die securitisatietransacties verrichten (LFI's)

Handelaren in effecten en derivaten, financiële instellingen die zich bezighouden met het verstrekken van leningen, en gespecialiseerde financiële instellingen

Financiële hulpbedrijven (S.126)

Financiële instellingen en kredietverstrekkers binnen concernverband (S.127)

Verzekeringsinstellingen (S.128)

Pensioenfondsen (S.129)

Overheid (S.13)

Centrale overheid (m.u.v. socialezekerheidsfondsen) (S.1311)

Deelstaatoverheid (m.u.v. socialezekerheidsfondsen) (S.1312)

Lagere overheid (m.u.v. socialezekerheidsfondsen) (S.1313)

Socialezekerheidsfondsen (S.1314)

Huishoudens (S.14)

Werkgevers en zelfstandigen (S.141 en S.142)

Werknemers (S.143)

Huishoudens met inkomen uit vermogen (S.1441)

Huishoudens met pensioeninkomen (S.1442)

Huishoudens met overige overdrachten (S.1443)

Instellingen zonder winstoogmerk t.b.v. huishoudens (S.15)

Buitenland (S.2)

Sectorindeling van de productie-eenheden naar gangbare rechtsvorm

EENHEDEN VAN ECONOMISCHE ACTIVITEIT OP LOKAAL NIVEAU (LOKALE EEA'S) EN BEDRIJFSTAKKEN

Eenheid van economische activiteit op lokaal niveau

Bedrijfstak

Indeling van bedrijfstakken

HOMOGENE PRODUCTIE-EENHEDEN EN HOMOGENE BRANCHES

Homogene productie-eenheid

Homogene branche

HOOFDSTUK 3

TRANSACTIES IN PRODUCTEN EN NIET-GEPRODUCEERDE ACTIVA

TRANSACTIES IN PRODUCTEN IN HET ALGEMEEN

PRODUCTIE EN OUTPUT

Hoofd-, neven- en hulpactiviteiten

Output (P.1)

Institutionele eenheden: onderscheid tussen „markt”, „voor eigen finaal gebruik” en „niet-markt”

Moment van registratie en waardering van de output

Producten van landbouw, bosbouw en visserij (sectie A)

Industriële producten (sectie C); Bouwwerken — Bouwnijverheid (sectie F)

Groot- en detailhandel; reparatie van motorvoertuigen en motorfietsen (sectie G)

Vervoer en opslag (sectie H)

Verschaffen van accommodatie en maaltijden (sectie I)

Financiële diensten en verzekeringen (sectie K): output van de centrale bank

Financiële diensten en verzekeringen (sectie K): financiële diensten in het algemeen

Tegen directe betaling verleende financiële diensten

Financiële diensten waarvoor rentekosten in rekening worden gebracht

Financiële diensten bestaande uit de aan- of verkoop van financiële activa en passiva op financiële markten

Financiële diensten verleend in het kader van verzekerings- en pensioenregelingen waarbij de activiteit uit verzekeringspremies en het rendement op spaargelden wordt gefinancierd

Exploitatie van en handel in onroerend goed (sectie L)

Vrije beroepen en wetenschappelijke en technische diensten (sectie M); Administratieve en ondersteunende diensten (sectie N)

Openbaar bestuur en defensie, verplichte sociale verzekeringen (sectie O)

Onderwijs (sectie P); Menselijke gezondheidszorg en maatschappelijke diensten (sectie Q)

Kunst, amusement en recreatie (sectie R); Andere diensten (sectie S)

Particuliere huishoudens als werkgever (sectie T)

INTERMEDIAIR VERBRUIK (P.2)

Moment van registratie en waardering van het intermediair verbruik

CONSUMPTIE (P.3, P.4)

Consumptieve bestedingen (P.3)

Werkelijke consumptie (P.4)

Moment van registratie en waardering van de consumptieve bestedingen

Moment van registratie en waardering van de werkelijke consumptie

BRUTO-INVESTERINGEN (P.5)

Bruto-investeringen in vaste activa (P.51g)

Moment van registratie en waardering van bruto-investeringen in vaste activa

Verbruik van vaste activa (P.51C)

Veranderingen in voorraden (P.52)

Moment van registratie en waardering van veranderingen in voorraden

Saldo aan- en verkopen van kostbaarheden (P.53)

IN- EN UITVOER VAN GOEDEREN EN DIENSTEN (P.6 EN P.7)

In- en uitvoer van goederen (P.61 en P.71)

In- en uitvoer van diensten (P.62 en P.72)

TRANSACTIES IN BESTAANDE GOEDEREN

SALDO AAN- EN VERKOPEN VAN NIET-GEPRODUCEERDE ACTIVA (NP)

HOOFDSTUK 4

VERDELINGSTRANSACTIES

BELONING VAN WERKNEMERS (D.1)

Lonen (D.11)

Lonen in geld

Lonen in natura

Sociale premies t.l.v. werkgevers (D.12)

Werkelijke sociale premies t.l.v. werkgevers (D.121)

Toegerekende sociale premies t.l.v. werkgevers (D.122)

BELASTINGEN OP PRODUCTIE EN INVOER (D.2)

Productgebonden belastingen (D.21)

Belasting over de toegevoegde waarde (btw) (D.211)

Belastingen op invoer (exclusief btw) (D.212)

Overige productgebonden belastingen (D.214)

Niet-productgebonden belastingen op productie (D.29)

Belastingen op productie en invoer, betaald aan de instellingen van de Europese Unie

Belastingen op productie en invoer: moment van registratie en te registreren bedragen

SUBSIDIES (D.3)

Productgebonden subsidies (D.31)

Subsidies op invoer (D.311)

Overige productgebonden subsidies (D.319)

Niet-productgebonden subsidies op productie (D.39)

INKOMEN UIT VERMOGEN (D.4)

Rente (D.41)

Rente op deposito's en leningen

Rente op schuldbewijzen

Rente op wissels en vergelijkbare kortlopende financiële verhoudingen

Rente op obligaties

Renteswaps en rentetermijncontracten

Rente op financiële lease

Overige rentebetalingen

Moment van registratie

Winstuitkeringen (D.42)

Dividenden (D.421)

Inkomen onttrokken aan quasivennootschappen (D.422)

Herbelegde winsten op buitenlandse directe investeringen (D.43)

Overig inkomen uit beleggingen (D.44)

Inkomen uit beleggingen toe te rekenen aan polishouders (D.441)

Inkomen uit beleggingen te betalen i.v.m. pensioenrechten (D.442)

Inkomen uit beleggingen toe te rekenen aan aandeelhouders van collectieve-beleggingsfondsen (D.443)

Inkomen uit natuurlijke hulpbronnen (D.45)

Inkomen uit grond

Inkomen uit minerale hulpbronnen

BELASTINGEN OP INKOMEN, VERMOGEN ENZ. (D.5)

Belastingen op inkomen (D.51)

Belastingen op vermogen enz. (D.59)

SOCIALE PREMIES EN UITKERINGEN (D.6)

Sociale premies (netto) (D.61)

Werkelijke sociale premies t.l.v. werkgevers (D.611)

Toegerekende sociale premies t.l.v. werkgevers (D.612)

Werkelijke sociale premies t.l.v. huishoudens (D.613)

Aanvullende sociale premies t.l.v. huishoudens (D.614)

Sociale uitkeringen (exclusief sociale overdrachten in natura) (D.62)

Uitkeringen sociale zekerheid in geld (D.621)

Uitkeringen overige sociale verzekering (D.622)

Uitkeringen sociale voorziening in geld (D.623)

Sociale overdrachten in natura (D.63)

Sociale overdrachten in natura — niet-marktproducten van de overheid en izw's t.b.v. huishoudens (D.631)

Sociale overdrachten in natura — door de overheid en izw's t.b.v. huishoudens aangekochte marktproducten (D.632)

OVERIGE INKOMENSOVERDRACHTEN (D.7)

Premies schadeverzekering (netto) (D.71)

Uitkeringen schadeverzekering (D.72)

Inkomensoverdrachten binnen de overheid (D.73)

Inkomensoverdrachten i.v.m. internationale samenwerking (D.74)

Overige inkomensoverdrachten, n.e.g. (D.75)

Inkomensoverdrachten aan izw's t.b.v. huishoudens (D.751)

Inkomensoverdrachten tussen huishoudens (D.752)

Andere overige inkomensoverdrachten, n.e.g. (D.759)

Boetes

Loterijen en kansspelen

Schadeloosstellingen

Eigen middelen van de EU op basis van btw en bni (D.76)

CORRECTIE VOOR MUTATIES IN PENSIOENRECHTEN (D.8)

KAPITAALOVERDRACHTEN (D.9)

Vermogensheffingen (D.91)

Investeringsbijdragen (D.92)

Overige kapitaaloverdrachten (D.99)

AANDELENOPTIES VOOR WERKNEMERS

HOOFDSTUK 5

FINANCIËLE TRANSACTIES

ALGEMENE KENMERKEN VAN FINANCIËLE TRANSACTIES

Financiële activa, financiële aanspraken en financiële passiva

Voorwaardelijke activa en voorwaardelijke passiva

Categorieën financiële activa en passiva

Balansen, financiële rekening en overige stromen

Waardering

Netto- en brutoregistratie

Consolidatie

Saldering

Registratieregels voor financiële transacties

Een financiële transactie met een inkomens- of kapitaaloverdracht als tegenboeking

Een financiële transactie met inkomen uit vermogen als tegenboeking

Moment van registratie

Een financiële rekening van-wie-aan-wie

CLASSIFICATIE VAN FINANCIËLE TRANSACTIES IN CATEGORIEËN

Monetair goud en bijzondere trekkingsrechten (SDR's) (F.1)

Monetair goud (F.11)

Bijzondere trekkingsrechten — SDR's (F.12)

Chartaal geld en deposito's (F.2)

Chartaal geld (F.21)

Deposito's (F.22 en F.29)

Girale deposito's (F.22)

Overige deposito's (F.29)

Schuldbewijzen (F.3)

Hoofdkenmerken van schuldbewijzen

Indeling naar oorspronkelijke looptijd en valuta

Indeling naar soort rentevoet

Schuldbewijzen met vaste rente

Schuldbewijzen met variabele rente

Schuldbewijzen met gemengde rente

Onderhandse plaatsingen

Securitisatie

Gedekte obligaties

Leningen (F.4)

Hoofdkenmerken van leningen

Classificatie van leningen naar oorspronkelijke looptijd, valuta en doel

Onderscheid tussen transacties in leningen en transacties in deposito's

Onderscheid tussen transacties in leningen en transacties in schuldbewijzen

Onderscheid tussen transacties in leningen, handelskredieten en handelswissels

Effectenleningen en retrocessieovereenkomsten

Financiële leases

Andere soorten leningen

Financiële activa die niet tot de leningen behoren

Deelnemingen en aandelen of rechten van deelneming in beleggingsfondsen (F.5)

Deelnemingen (F.51)

Aandelencertificaten

Beursgenoteerde aandelen (F.511)

Niet-beursgenoteerde aandelen (F.512)

Beursintroductie, notering aanvragen, notering beëindigen, aandelenterugkoop

Financiële activa die niet als aandelenbewijzen worden geclassificeerd

Overige deelnemingen (F.519)

Waardering van transacties in deelnemingen

Aandelen of rechten van deelneming in beleggingsfondsen (F.52)

Aandelen of rechten van deelneming in geldmarktfondsen (GMF's) (F.521)

Aandelen/rechten van deelneming in beleggingsfondsen m.u.v. GMF's (F.522)

Waardering van transacties in aandelen of rechten van deelneming in beleggingsfondsen

Verzekerings-, pensioen- en standaardgarantieregelingen (F.6)

Technische voorzieningen schadeverzekering (F.61)

Levensverzekerings- en lijfrenterechten (F.62)

Pensioenrechten (F.63)

Voorwaardelijke pensioenrechten

Aanspraken van pensioenfondsen op pensioenbeheerders (F.64)

Rechten op niet-pensioenuitkeringen (F.65)

Voorzieningen voor claims in het kader van standaardgaranties (F.66)

Standaardgaranties en eenmalige garanties

Financiële derivaten en aandelenopties voor werknemers (F.7)

Financiële derivaten (F.71)

Opties

Termijncontracten

Opties tegenover termijncontracten

Swaps

Rentetermijncontracten

Kredietderivaten

Kredietverzuimswaps

Niet onder financiële derivaten begrepen financiële instrumenten

Aandelenopties voor werknemers (F.72)

Waardering van transacties in financiële derivaten en aandelenopties voor werknemers

Overige vorderingen/schulden (F.8)

Handelskredieten en voorschotten (F.81)

Overige transitorische posten (F.89)

BIJLAGE 5.1 —

CLASSIFICATIE VAN FINANCIËLE TRANSACTIES

Indeling van financiële transacties in categorieën

Indeling van financiële transacties naar verhandelbaarheid

Gestructureerde effecten

Classificatie van financiële transacties naar soort inkomen

Classificatie van financiële transacties naar soort rentevoet

Classificatie van financiële transacties naar looptijd

Korte en lange looptijd

Oorspronkelijke looptijd en resterende looptijd

Classificatie van financiële transacties naar valuta

Monetaire aggregaten

HOOFDSTUK 6

OVERIGE STROMEN

INLEIDING

OVERIGE MUTATIES IN ACTIVA EN PASSIVA

Overige volumemutaties in activa en passiva (K.1 tot en met K.6)

Economisch ontstaan van activa (K.1)

Economisch verlies van niet-geproduceerde activa (K.2)

Verlies door rampen (K.3)

Niet-gecompenseerde confiscaties (K.4)

Overige volumemutaties, niet elders geclassificeerd (K.5)

Wijzigingen in classificaties (K.6)

Wijzigingen in sectorclassificatie en structuur van de institutionele eenheden (K.61)

Wijzigingen in de classificatie van activa en passiva (K.62)

Nominale waarderingsverschillen (K.7)

Neutrale waarderingsverschillen (K.71)

Reële waarderingsverschillen (K.72)

Waarderingsverschillen per type financieel actief of passief

Monetair goud en bijzondere trekkingsrechten (SDR's) (AF.1)

Chartaal geld en deposito's (AF.2)

Schuldbewijzen (AF.3)

Leningen (AF.4)

Deelnemingen en aandelen of rechten van deelneming in beleggingsfondsen (AF.5)

Verzekerings-, pensioen- en standaardgarantieregelingen (AF.6)

Financiële derivaten en aandelenopties voor werknemers (AF.7)

Overige vorderingen/schulden (AF.8)

Activa in vreemde valuta

HOOFDSTUK 7

BALANSEN

SOORTEN ACTIVA EN PASSIVA

Definitie van actief

UITSLUITINGEN VAN DE ACTIVA EN PASSIVA

CATEGORIEËN ACTIVA EN PASSIVA

Geproduceerde niet-financiële activa (AN.1)

Niet-geproduceerde niet-financiële activa (AN.2)

Financiële activa en passiva (AF)

WAARDERING VAN BALANSPOSTEN

Algemene waarderingsbeginselen

NIET-FINANCIËLE ACTIVA (AN)

Geproduceerde niet-financiële activa (AN.1)

Vaste activa (AN.11)

Intellectuele eigendommen (AN.117)

Kosten eigendomsoverdracht voor niet-geproduceerde activa (AN.116)

Voorraden (AN.12)

Kostbaarheden (AN.13)

Niet-geproduceerde niet-financiële activa (AN.2)

Natuurlijke hulpbronnen (AN.21)

Grond (AN.211)

Minerale en energiereserves (AN.212)

Overige natuurlijke hulpbronnen (AN.213, AN.214 en AN.215)

Contracten, leases en vergunningen (AN.22)

Saldo aan- en verkopen van goodwill en marketingactiva (AN.23)

FINANCIËLE ACTIVA EN PASSIVA (AF)

Monetair goud en bijzondere trekkingsrechten (SDR's) (AF.1)

Chartaal geld en deposito's (AF.2)

Schuldbewijzen (AF.3)

Leningen (AF.4)

Deelnemingen en aandelen of rechten van deelneming in beleggingsfondsen (AF.5)

Verzekerings-, pensioen- en standaardgarantieregelingen (AF.6)

Financiële derivaten en aandelenopties voor werknemers (AF.7)

Overige vorderingen/schulden (AF.8)

FINANCIËLE BALANSEN

PRO-MEMORIEPOSTEN

Duurzame consumptiegoederen (AN.m)

Buitenlandse directe investeringen (AF.m1)

Niet-renderende leningen (AF.m2)

Registratie van niet-renderende leningen

BIJLAGE 7.1

BEKNOPTE OMSCHRIJVING VAN ALLE CATEGORIEËN ACTIVA

BIJLAGE 7.2

EEN OVERZICHT VAN DE BEGINBALANS TOT EN MET DE EINDBALANS

HOOFDSTUK 8

HET REKENINGENSTELSEL

INLEIDING

Het rekeningenstelsel

REKENINGENSTELSEL

Lopende rekeningen

Productierekening (I)

Inkomensverdelings- en inkomensbestedingsrekeningen (II)

Primaire inkomensverdelingsrekeningen (II.1)

Inkomensvormingsrekening (II.1.1)

Rekening voor bestemming van primaire inkomens (II.1.2)

Rekening voor inkomen uit bedrijfsuitoefening (II.1.2.1)

Rekening voor bestemming van overige primaire inkomens (II.1.2.2)

Secundaire inkomensverdelingsrekening (II.2)

Tertiaire inkomensverdelingsrekening (II.3)

Inkomensbestedingsrekening (II.4)

Rekening voor besteding van het beschikbaar inkomen (II.4.1)

Rekening voor besteding van het alternatief beschikbaar inkomen (II.4.2)

Accumulatierekeningen (III)

Kapitaalrekening (III.1)

Rekening voor mutaties in het vermogenssaldo a.g.v. besparingen en kapitaaloverdrachten (III.1.1)

Kapitaalvormingsrekening (III.1.2)

Financiële rekening (III.2)

Rekening voor overige mutaties in activa (III.3)

Rekening voor overige volumemutaties in activa (III.3.1)

Herwaarderingsrekening (III.3.2))

Rekening voor neutrale waarderingsverschillen (III.3.2.1)

Rekening voor reële waarderingsverschillen (III.3.2.2)

Balansen (IV)

Beginbalans (IV.1)

Balansmutaties (IV.2)

Eindbalans (IV.3)

BUITENLANDREKENINGEN (V)

Lopende rekeningen

Rekening voor goederen- en dienstentransacties van het buitenland (V.I)

Rekening voor inkomenstransacties van het buitenland (V.II)

Accumulatierekeningen van het buitenland (V.III)

Kapitaalrekening (V.III.1)

Financiële rekening (V.III.2)

Rekening voor overige mutaties in activa (V.III.3)

Balansen (V.IV)

GOEDEREN-EN-DIENSTENREKENING (0)

INTEGRAAL REKENINGENSTELSEL

AGGREGATEN

Bruto binnenlands product tegen marktprijzen (bbp)

Exploitatieoverschot van de totale economie

Gemengd inkomen van de totale economie

Inkomen uit bedrijfsuitoefening van de totale economie

Nationaal inkomen (tegen marktprijzen)

Nationaal beschikbaar inkomen

Besparingen

Saldo lopende transacties van het buitenland

Vorderingenoverschot (+) c.q. -tekort (–) van de totale economie

Vermogenssaldo van de totale economie

Uitgaven en inkomsten van de overheid

HOOFDSTUK 9

DE AANBOD- EN GEBRUIKTABELLEN EN HET INPUT-OUTPUTSYSTEEM

INLEIDING

BESCHRIJVENDE FUNCTIE

STATISTISCH INSTRUMENT

ANALYSE-INSTRUMENT

MEER BIJZONDERHEDEN OVER DE AANBOD- EN GEBRUIKTABELLEN

Classificaties

Waarderingsprincipes

Handels- en vervoersmarges

Saldo belastingen en subsidies op productie en invoer

Andere basisbegrippen

Aanvullende informatie

GEGEVENSBRONNEN EN HET IN EVENWICHT BRENGEN

ANALYSE-INSTRUMENT EN AANVULLINGEN

HOOFDSTUK 10

HET METEN VAN PRIJS- EN VOLUMEMUTATIES

TOEPASSINGSGEBIED VAN PRIJS- EN VOLUME-INDEXCIJFERS IN NATIONALE REKENINGEN

Het geïntegreerde systeem van prijs- en volume-indexcijfers

Andere prijs- en volume-indexcijfers

ALGEMENE BEGINSELEN VOOR HET METEN VAN PRIJS- EN VOLUME-INDEXCIJFERS

Definitie van prijzen en volumes voor marktproducten

Kwaliteit, prijs en homogene producten

Prijzen en volume

Nieuwe producten

Uitgangspunten voor niet-marktdiensten

Beginselen voor de toegevoegde waarde tegen basisprijzen en het bbp

SPECIFIEKE PROBLEMEN BIJ DE TOEPASSING VAN DE BEGINSELEN

Productgebonden belastingen en subsidies en invoer

Niet-productgebonden belastingen en subsidies op productie

Verbruik van vaste activa

Beloning van werknemers

Kapitaalgoederenvoorraad en voorraden vlottende activa

BEREKENING VAN HET REËLE INKOMEN VOOR DE TOTALE ECONOMIE

INTERNATIONALE PRIJS- EN VOLUME-INDEXCIJFERS

HOOFDSTUK 11

BEVOLKING EN INPUT VAN ARBEID

TOTALE BEVOLKING

ECONOMISCH ACTIEVE BEVOLKING

WERKGELEGENHEID

Werknemers

Zelfstandigen

Werkzame personen en ingezetenschap

WERKLOOSHEID

BANEN

Banen en ingezetenschap

DE VERBORGEN ECONOMIE

TOTAAL AANTAL GEWERKTE UREN

Vaststelling van de werkelijk gewerkte uren

ARBEIDSJAREN

INPUT VAN ARBEID VAN WERKNEMERS BIJ CONSTANTE BELONING

PRODUCTIVITEITSMETINGEN

HOOFDSTUK 12

NATIONALE KWARTAALREKENINGEN

INLEIDING

BIJZONDERE KENMERKEN VAN NATIONALE KWARTAALREKENINGEN

Tijdstip van registratie

Onderhanden werk

Activiteiten die in bepaalde perioden binnen een jaar zijn geconcentreerd

Weinig frequente betalingen

Flash-ramingen

Het in evenwicht brengen van posten en benchmarking voor de nationale kwartaalrekeningen

Het in evenwicht brengen van posten

Consistentie tussen kwartaal- en jaarrekeningen — benchmarking

Kettingindexcijfers voor prijs- en volumemutaties

Correcties voor seizoens- en werkdaginvloeden

Volgorde van berekening van voor seizoensinvloeden gecorrigeerde kettingindexcijfers voor het volume

HOOFDSTUK 13

REGIONALE REKENINGEN

INLEIDING

REGIONAAL GEBIED

EENHEDEN EN REGIONALE REKENINGEN

Institutionele eenheden

Lokale EEA's en regionale productieactiviteiten per bedrijfstak

METHODEN VOOR REGIONALISATIE

AGGGREGATEN VOOR PRODUCTIEACTIVITEITEN

Bruto toegevoegde waarde en bruto binnenlands product per regio

De toerekening van de IGDFI aan bedrijfstakken die van deze diensten gebruikmaken

Werkzame personen

Beloning van werknemers

Overgang van regionale bruto toegevoegde waarde naar regionaal bbp

Volumegroeipercentages van de regionale bruto toegevoegde waarde

REGIONALE REKENINGEN VAN HET INKOMEN VAN DE HUISHOUDENS

HOOFDSTUK 14

INDIRECT GEMETEN DIENSTEN VAN FINANCIËLE INTERMEDIAIRS (IGDFI)

HET BEGRIP IGDFI EN DE GEVOLGEN VAN DE TOEREKENING VAN IGDFI AAN DE GEBRUIKENDE SECTOREN VOOR DE BELANGRIJKSTE AGGREGATEN

BEREKENING VAN DE IGDFI-OUTPUT VAN DE SECTOREN S.122 EN S.125

Benodigde statistische gegevens

Referentietarieven

Intern referentietarief

Externe referentietarieven

Gedetailleerde uitsplitsing van de IGDFI naar institutionele sector

Uitsplitsing van de aan huishoudens toegerekende IGDFI in intermediair verbruik en consumptie

BEREKENING VAN DE INVOER VAN IGDFI

HET VOLUME VAN DE IGDFI

BEREKENING VAN DE IGDFI PER BEDRIJFSTAK

DE OUTPUT VAN DE CENTRALE BANK

HOOFDSTUK 15

CONTRACTEN, LEASES EN VERGUNNINGEN

INLEIDING

HET ONDERSCHEID TUSSEN OPERATIONELE LEASE, LEASE VAN HULPBRONNEN EN FINANCIËLE LEASE

Operationele leases

Financiële leases

Lease van hulpbronnen

Vergunningen om natuurlijke hulpbronnen te gebruiken

Vergunningen om specifieke activiteiten uit te oefenen

Publiek-private partnerschappen

Concessieovereenkomsten voor diensten

Verhandelbare operationele leases (AN.221)

Exclusief recht op toekomstige goederen en diensten (AN.224)

HOOFDSTUK 16

VERZEKERINGEN

INLEIDING

Directe verzekering

Herverzekering

De betrokken eenheden

OUTPUT VAN DIRECTE VERZEKERING

Verdiende premies

Premieaanvullingen

Gecorrigeerde ontstane schaden en verschuldigde uitkeringen

Gecorrigeerde ontstane schaden bij schadeverzekeringen

Verschuldigde uitkeringen levensverzekering

Verzekeringstechnische voorzieningen

Vaststelling van de verzekeringsoutput

Schadeverzekering

Levensverzekering

Herverzekering

TRANSACTIES DIE SAMENHANGEN MET SCHADEVERZEKERING

Toerekening van de output van verzekering aan de gebruikers

Verzekeringsdiensten aan en uit het buitenland

Boekingsposten

LEVENSVERZEKERINGSTRANSACTIES

TRANSACTIES DIE SAMENHANGEN MET HERVERZEKERING

TRANSACTIES DIE SAMENHANGEN MET VERZEKERINGSHULPBEDRIJVEN

LIJFRENTE

REGISTRATIE VAN ONTSTANE SCHADEN BIJ SCHADEVERZEKERINGEN

Behandeling van gecorrigeerde ontstane schaden

Behandeling van verlies door rampen

HOOFDSTUK 17

SOCIALE VERZEKERING EN PENSIOENEN

INLEIDING

Socialeverzekeringsregelingen, sociale voorzieningen en individuele verzekeringsovereenkomsten

Sociale uitkeringen

Door de overheid verstrekte sociale uitkeringen

Door andere institutionele eenheden verstrekte sociale uitkeringen

Pensioenen en andere uitkeringsvormen

NIET-PENSIOENUITKERINGEN SOCIALE VERZEKERING

Niet-pensioenregelingen sociale zekerheid

Overige werkgerelateerde socialeverzekeringsregelingen

Registratie van standen en stromen per soort niet-pensioenregeling sociale verzekering

Socialezekerheidsregelingen

Overige werkgerelateerde niet-pensioenregelingen sociale verzekering

PENSIOENEN

Soorten pensioenregelingen

Pensioenregelingen sociale zekerheid

Overige werkgerelateerde pensioenregelingen

Toegezegdepremieregelingen

Toegezegde-uitkeringsregelingen

Fictieve toegezegdepremieregelingen en hybride regelingen

Toegezegde-uitkeringsregelingen vergeleken met toegezegdepremieregelingen

Pensioenadministrateur, pensioenbeheerder, pensioenfonds en pensioenregeling voor meer dan één werkgever

Registratie van standen en stromen per soort pensioenregeling sociale verzekering

Transacties voor pensioenregelingen sociale zekerheid

Transacties voor overige werkgerelateerde pensioenregelingen

Transacties voor toegezegdepremieregelingen

Overige stromen in verband met toegezegdepremieregelingen

Transacties voor toegezegdepremieregelingen

AANVULLENDE TABEL VOOR VERWORVEN PENSIOENRECHTEN IN DE SOCIALE VERZEKERING

Opzet van de aanvullende tabel

De kolommen van de tabel

De rijen van de tabel

Begin- en eindbalans

Mutaties in pensioenrechten a.g.v. van transacties

Mutaties in pensioenrechten a.g.v. overige economische stromen

Bijbehorende indicatoren

Actuariële veronderstellingen

Tot heden opgebouwde pensioenrechten

Disconteringsvoet

Loonontwikkelingen

Demografische veronderstellingen

HOOFDSTUK 18

BUITENLANDREKENINGEN

INLEIDING

ECONOMISCH GEBIED

Ingezetenschap

INSTITUTIONELE EENHEDEN

BIJKANTOREN IN DE INTERNATIONALE REKENINGEN VAN DE BETALINGSBALANS

FICTIEVE INGEZETEN EENHEDEN

ONDERNEMINGEN DIE ACTIEF ZIJN IN VERSCHILLENDE GEBIEDEN

GEOGRAFISCHE UITSPLITSING

DE INTERNATIONALE REKENINGEN VAN DE BETALINGSBALANS

SALDI IN DE LOPENDE REKENINGEN VAN DE INTERNATIONALE REKENINGEN

DE REKENINGEN VOOR DE SECTOR BUITENLAND EN HUN RELATIE MET DE INTERNATIONALE REKENINGEN VAN DE BETALINGSBALANS

Rekening voor goederen- en dienstentransacties van het buitenland

Waardering

Veredeling

Transitohandel

Goederen die onder transitohandel vallen

Invoer en uitvoer van IGDFI

Rekening voor primaire en secundaire inkomens van het buitenland

Rekening voor primair inkomen

Inkomen uit directe investeringen

De rekening voor secundaire inkomens (inkomensoverdrachten) van het BPM 6

De kapitaalrekening van het buitenland

Financiële rekening van het buitenland en internationale investeringspositie

BALANSEN VOOR DE SECTOR BUITENLAND

HOOFDSTUK 19

EUROPESE REKENINGEN

INLEIDING

VAN NATIONALE TOT EUROPESE REKENINGEN

Conversie van gegevens in verschillende valuta’s

Europese instellingen

De rekening van het buitenland

Het in evenwicht brengen van transacties

Het meten van prijs- en volumemutaties

Balansen

„Van-wie-aan-wie”-matrices

BIJLAGE 19.1. —

DE REKENINGEN VAN EUROPESE INSTELLINGEN

Middelen

Bestedingen

Consolidatie

HOOFDSTUK 20

OVERHEIDSREKENINGEN

INLEIDING

DEFINITIE VAN DE SECTOR OVERHEID

Eenheden binnen de sector overheid

Overheidsinstellingen

Bij de sector overheid ingedeelde izw's

Overige overheidsinstellingen

Zeggenschap van de overheid

Afbakening tussen markt- en niet-marktproducenten

Het begrip economisch significante prijzen

Criterium „de afnemer van de output van een overheidsproducent”

De output wordt hoofdzakelijk aan vennootschappen en huishoudens verkocht

De output wordt alleen aan de overheid verkocht

De output wordt aan de overheid en aan anderen verkocht

De markt-/niet-markttoets

Financiële intermediairs en afbakening van de overheid

Grensgevallen

Hoofdkantoren van overheidsondernemingen

Pensioenfondsen

Quasivennootschappen

Herstructureringsbureaus

Bureaus voor privatisering

Afsplitsingsstructuren

Entiteiten voor specifieke doeleinden

Joint ventures

Marktregulerende instellingen

Supranationale autoriteiten

Subsectoren van de sector overheid

Centrale overheid

Deelstaatoverheid

Lagere overheid

Socialezekerheidsfondsen

DE PRESENTATIE VAN STATISTIEKEN OVER DE OVERHEIDSFINANCIËN

Kader

Inkomsten

Belastingen en sociale premies

Verkoop

Overige inkomsten

Uitgaven

Beloning van werknemers en intermediair verbruik

Uitgaven in verband met sociale uitkeringen

Rente

Overige lopende uitgaven

Kapitaaluitgaven

Koppeling met de consumptieve bestedingen (P.3) van de overheid

Overheidsuitgaven naar functie (COFOG)

Saldi

Het vorderingenoverschot (+) c.q. -tekort (–) (B.9)

Mutaties in het vermogenssaldo a.g.v. besparingen en kapitaaloverdrachten (B.101)

Financiering

Transacties in activa

Transacties in financiële passiva

Overige economische stromen

Herwaarderingsrekening

Rekening voor overige volumemutaties in activa

Balansen

Consolidatie

REGISTRATIEVRAAGSTUKKEN IN VERBAND MET DE OVERHEID

Belastinginkomsten

Aard van de belastinginkomsten

Belastingkortingen

Te registreren bedragen

Oninbare bedragen

Moment van registratie

Registratie op transactiebasis

Registratie van belastingen op transactiebasis

Rente

Obligaties met disagio en nulcouponobligaties

Indexeffecten

Financiële derivaten

Rechterlijke uitspraken

Defensie-uitgaven

Betrekkingen van de overheid met overheidsondernemingen

Deelnemingen in overheidsondernemingen en winstuitkeringen

Deelnemingen

Kapitaalinjecties

Subsidies en kapitaalinjecties

Regels bij bijzondere omstandigheden

Begrotingstransacties

Winstuitkeringen door overheidsondernemingen

Dividenden en onttrekking van deelnemingen

Belastingen en onttrekking van deelnemingen

Privatisering en nationalisatie

Privatisering

Indirecte privatiseringen

Nationalisatie

Transacties met de centrale bank

Herstructureringen, fusies en herclassificaties

Schuldtransacties

Overname, kwijtschelding en afschrijving van schuld

Overname en kwijtschelding van schuld

Overname van schuld met overdracht van niet-financiële activa

Afschrijving of afwaardering van schulden

Overige schuldsanering

Aankoop van schuld boven de marktwaarde

Defeasance en bailouts

Schuldgaranties

Garanties van het type derivaat

Standaardgaranties

Eenmalige garanties

Securitisatie

Definitie

Criteria voor een verkoop

Registratie van stromen

Overige vraagstukken

Pensioenverplichtingen

Betaling van een bedrag ineens

Publiek-private partnerschappen

Draagwijdte van publiek-private partnerschappen

Economische eigendom en toerekening van activa

Vraagstukken in verband met de registratie

Transacties met internationale en supranationale organisaties

Ontwikkelingshulp

DE PUBLIEKE SECTOR

Zeggenschap in de publieke sector

Centrale banken

Quasivennootschappen in handen van de overheid

Entiteiten voor specifieke doeleinden en niet-ingezetenen

Joint ventures

HOOFDSTUK 21

VERBANDEN TUSSEN BEDRIJFSBOEKHOUDINGEN EN NATIONALE REKENINGEN, EN HET METEN VAN ONDERNEMINGSACTIVITEITEN

ENKELE SPECIFIEKE REGELS EN METHODEN VAN DE BEDRIJFSBOEKHOUDING

Moment van registratie

Dubbele en viervoudige registratie

Waardering

Winst-en-verliesrekening en balans

NATIONALE REKENINGEN EN BEDRIJFSBOEKHOUDINGEN: PRAKTISCHE KWESTIES

DE OMZETTING VAN BEDRIJFSBOEKHOUDINGEN NAAR NATIONALE REKENINGEN: HET VOORBEELD VAN EEN NIET-FINANCIËLE ONDERNEMING

Conceptuele correcties

Correcties ten behoeve van de consistentie met de rekeningen van overige sectoren

Voorbeelden van correcties ten behoeve van de volledigheid

SPECIFIEKE KWESTIES

Waarderingsverschillen

Mondialisering

Fusies en overnames

HOOFDSTUK 22

SATELLIETREKENINGEN

INLEIDING

Functionele classificaties

HOOFDKENMERKEN VAN SATELLIETREKENINGEN

Functionele satellietrekeningen

Speciale sectorrekeningen

Opname van niet-monetaire gegevens

Grotere mate van detail en aanvullende begrippen

Verschillende basisbegrippen

Gebruik van modellen en experimentele resultaten

Opzet en samenstelling van satellietrekeningen

NEGEN SPECIFIEKE SATELLIETREKENINGEN

Landbouwrekeningen

Milieurekeningen

Zorgrekeningen

Rekeningen voor de productie van huishoudens

Arbeidsrekeningen en socialerekeningenmatrices (SAM)

Productiviteits- en groeirekeningen

Kennismodule

Rekeningen van de sociale bescherming

Satellietrekeningen voor toerisme

HOOFDSTUK 23

CLASSIFICATIES

INLEIDING

CLASSIFICATIE VAN INSTITUTIONELE SECTOREN (S)

CLASSIFICATIE VAN TRANSACTIES EN OVERIGE MUTATIES IN ACTIVA

Transacties in producten (P)

Transacties in niet-geproduceerde niet-financiële activa (NP-codes)

Verdelingstransacties (D)

Inkomensoverdrachten in geld en in natura (D.5-D.8)

Transacties in financiële activa en passiva (F)

Overige mutaties in activa (K)

CLASSIFICATIE VAN SALDI EN VERMOGENSSALDI (B)

CLASSIFICATIE VAN BALANSPOSTEN (L)

CLASSIFICATIE VAN ACTIVA (A)

Niet-financiële activa (AN)

Financiële activa (AF)

CLASSIFICATIE VAN AANVULLENDE POSTEN

Niet-renderende leningen

Kapitaaldiensten

Pensioentabel

Duurzame consumptiegoederen

Buitenlandse directe investeringen

Voorwaardelijke posities

Chartaal geld en deposito’s

Classificatie van schuldbewijzen volgens vervaldatum

Beursgenoteerde en niet-beursgenoteerde schuldbewijzen

Langlopende leningen met een resterende looptijd van minder dan één jaar en langlopende leningen met hypotheekgarantie

Beursgenoteerde en niet-beursgenoteerde aandelen in beleggingsfondsen

Achterstallige rente en terugbetalingen

Individuele overdrachten en totaal van de overdrachten

SAMENVOEGING EN CODERING VAN BEDRIJFSTAKKEN (A) EN PRODUCTEN (P)

CLASSIFICATIE VAN OVERHEIDSFUNCTIES (COFOG)

CLASSIFICATIE VAN INDIVIDUELE VERBRUIKSFUNCTIES (COICOP)

CLASSIFICATIE VAN DE FUNCTIES VAN INSTELLINGEN ZONDER WINSTOOGMERK TEN BEHOEVE VAN HUISHOUDENS (COPNI)

CLASSIFICATIE VAN DE UITGAVEN VAN PRODUCENTEN NAAR FUNCTIE (COPP)

HOOFDSTUK 24

DE REKENINGEN

Tabel 24.1

Rekening 0: Goederen-en-dienstenrekening

Tabel 24.2

Complete rekeningenreeks voor de totale economie

Tabel 24.3

Complete rekeningenreeks voor niet-financiële vennootschappen

Tabel 24.4

Complete rekeningenreeks voor financiële instellingen

Tabel 24.5

Complete rekeningenreeks voor de overheid

Tabel 24.6

Complete rekeningenreeks voor huishoudens

Tabel 24.7

Complete rekeningenreeks voor instellingen zonder winstoogmerk t.b.v. huishouden




HOOFDSTUK 1

ALGEMENE KENMERKEN EN GRONDBEGINSELEN

ALGEMENE KENMERKEN

1.01 Het Europese systeem van rekeningen (hierna het „ESR 2010” of het „ESR” genoemd) is een internationaal compatibel boekhoudkundig raamwerk voor een systematische en uitvoerige beschrijving van een totale economie (een regio, land of groep landen), de elementen waaruit deze economie is opgebouwd en haar betrekkingen met andere totale economieën.

1.02 Het vóór het ESR 2010 toegepaste systeem, het Europese systeem van rekeningen 1995 (het ESR 95), werd gepubliceerd in 1996 ( 16 ). De ESR 2010-methoden, zoals vastgelegd in deze bijlage, hebben voor de eerste dertien hoofdstukken dezelfde structuur als de ESR 95-publicatie, maar bevatten daarnaast elf nieuwe hoofdstukken waarin aspecten van het systeem worden uitgewerkt die uitdrukking geven aan ontwikkelingen in het meten van moderne economieën of in het gebruik van het ESR 95 in de Europese Unie (de EU).

1.03 Deze handleiding heeft de volgende structuur. Hoofdstuk 1 gaat over het begrippenapparaat dat ten grondslag ligt aan het systeem, en beschrijft de beginselen van het ESR alsook de fundamentele statistische eenheden en hun indeling. Voorts bevat het een overzicht van het rekeningenstelsel en een korte beschrijving van de belangrijkste aggregaten, de rol van de aanbod- en gebruiktabellen en het input-outputsysteem. Hoofdstuk 2 beschrijft de institutionele eenheden die bij het meten van de economie worden gebruikt, en hoe deze eenheden in sectoren en andere groepen worden ingedeeld om analysen mogelijk te maken. Hoofdstuk 3 beschrijft alle transacties in producten (goederen en diensten) en niet-geproduceerde activa in het systeem. Hoofdstuk 4 beschrijft alle transacties in de economie waarbij inkomen en vermogen worden verdeeld en herverdeeld. Hoofdstuk 5 beschrijft de financiële transacties in de economie. Hoofdstuk 6 beschrijft de mutaties die zich in de waarde van activa kunnen voordoen als gevolg van niet-economische gebeurtenissen of prijsveranderingen. Hoofdstuk 7 beschrijft balansen en het schema voor de classificatie van activa en passiva. In hoofdstuk 8 worden het rekeningenstelsel en de saldi van de afzonderlijke rekeningen beschreven. Hoofdstuk 9 beschrijft de aanbod- en gebruiktabellen en de functie die zij vervullen om de aggregaten voor inkomen, output en uitgaven in de economie met elkaar in overeenstemming te brengen. In dat hoofdstuk worden ook de input-outputtabellen beschreven die uit de aanbod- en gebruiktabellen kunnen worden afgeleid. Hoofdstuk 10 beschrijft de begripsmatige grondslag voor het meten van prijs- en volumemutaties in relatie tot de nominale waarden die in de rekeningen worden gebruikt. Hoofdstuk 11 beschrijft de maatstaven voor bevolking en arbeidsmarkt, die bij economische analysen met de maatstaven van de nationale rekeningen kunnen worden gebruikt. Hoofdstuk 12 bevat een korte beschrijving van de nationale kwartaalrekeningen en van de accentverschillen ten opzichte van de jaarrekeningen.

1.04 Hoofdstuk 13 beschrijft de doelstellingen en begrippen van een systeem van regionale rekeningen en de problemen die verband houden met de opstelling van die rekeningen. Hoofdstuk 14 betreft het meten van financiële diensten die door financiële intermediairs worden verstrekt en uit nettorenteontvangsten worden gefinancierd. Het hoofdstuk is het resultaat van jaren onderzoek en ontwikkeling door de lidstaten om een solide berekeningswijze te vinden die voor alle lidstaten geharmoniseerd is. Hoofdstuk 15 over contracten, leases en vergunningen is nodig om in de nationale rekeningen een onderdeel van toenemend belang te kunnen beschrijven. In de hoofdstukken 16 en 17 over verzekering, sociale verzekering en pensioenen wordt beschreven hoe deze stelsels in de nationale rekeningen worden behandeld, omdat herverdelingskwesties door de vergrijzing steeds belangrijker worden. Hoofdstuk 18 handelt over de buitenlandrekeningen, die in de nationale rekeningen het equivalent zijn van de rekeningen van het meetsysteem voor de betalingsbalans. Hoofdstuk 19 over de Europese rekeningen is ook nieuw en behandelt aspecten van de nationale rekeningen waarvoor als gevolg van Europese institutionele en handelsregelingen problemen ontstaan die een geharmoniseerde aanpak vereisen. Hoofdstuk 20 beschrijft de rekeningen voor de sector overheid — een sector van bijzonder belang aangezien kwesties met betrekking tot een prudent begrotingsbeleid van de lidstaten essentieel blijven voor een economisch beleid in de EU. In hoofdstuk 21 worden de verbanden tussen bedrijfsboekhoudingen en nationale rekeningen beschreven, een gebied van groeiend belang vanwege een steeds groter aandeel van multinationale ondernemingen in het bruto binnenlands product (bbp) in alle landen. Hoofdstuk 22 beschrijft het verband tussen satellietrekeningen en de belangrijkste nationale rekeningen. De hoofdstukken 23 en 24 dienen voor referentiedoeleinden: hoofdstuk 23 bevat de classificaties die in het ESR 2010 zijn gebruikt voor de sectoren, activiteiten en producten, terwijl in hoofdstuk 24 de complete rekeningenreeks voor elke sector is opgenomen.

1.05 De structuur van het ESR 2010 is consistent met de mondiale richtlijnen voor de nationale rekeningen, als bepaald in het Systeem van nationale rekeningen 2008 (System of National Accounts 2008 — 2008 SNA), afgezien van bepaalde verschillen in presentatie en de hogere precisiegraad van sommige ESR 2010-begrippen die voor specifieke EU doeleinden worden gebruikt. Deze richtsnoeren zijn opgesteld onder de gemeenschappelijke verantwoordelijkheid van de Verenigde Naties (VN), het Internationaal Monetair Fonds (IMF), het Bureau voor de statistiek van de Europese Unie (Eurostat), de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) en de Wereldbank. Het ESR 2010 is gericht op de situatie en informatiebehoeften in de EU. Evenals het 2008 SNA is het ESR 2010 in overeenstemming gebracht met de begrippen en classificaties die in veel andere sociale en economische statistieken worden gebruikt (bv. werkgelegenheidsstatistieken, industriestatistieken en statistieken van de buitenlandse handel). Het ESR 2010 fungeert dan ook als het centrale referentiekader voor de sociale en economische statistiek van de EU en haar lidstaten.

1.06 Het ESR raamwerk bestaat uit twee belangrijke reeksen tabellen:

a) de institutionele sectorrekeningen;

b) het input-outputsysteem en de rekeningen per bedrijfstak.

1.07 De sectorrekeningen geven voor elk van de institutionele sectoren een systematische beschrijving van de verschillende fasen van het economische proces: productie, inkomensvorming, inkomensverdeling en -herverdeling, inkomensbesteding en financiële en niet-financiële accumulatie. De sectorrekeningen omvatten ook balansen voor een beschrijving van de standen van activa en passiva, en het vermogenssaldo aan het begin en het eind van de verslagperiode.

1.08 Door middel van de aanbod- en gebruiktabellen worden in het input-outputsysteem het productieproces (kostenstructuur, inkomensvorming en werkzame personen) en de goederen- en dienstenstromen (output, in- en uitvoer, finale consumptie, intermediair verbruik en investeringen per productgroep) uitvoerig beschreven. In dit systeem komen twee belangrijke boekhoudkundige identiteiten tot uiting: de som van de in een bedrijfstak gegenereerde inkomens is gelijk aan de door die bedrijfstak gegenereerde toegevoegde waarde, en voor elk product of elke productgroep is het aanbod gelijk aan de vraag.

1.09 Het ESR 2010 bevat begrippen voor bevolking en werkzame personen. Deze begrippen zijn van belang voor de sectorrekeningen, de rekeningen per bedrijfstak en het aanbod- en gebruikssysteem.

1.10 Het ESR 2010 is niet beperkt tot de nationale jaarrekeningen, maar strekt zich ook uit tot de kwartaalrekeningen en de rekeningen voor kortere of langere perioden. Het geldt ook voor de regionale rekeningen.

1.11 Het ESR 2010 bestaat naast het 2008 SNA wegens het gebruik dat in de EU van de meetwaarden in de nationale rekeningen wordt gemaakt. De lidstaten zijn zelf verantwoordelijk voor het verzamelen en presenteren van hun nationale rekeningen ter beschrijving van de economische situatie van hun land. Zij stellen ook een set van rekeningen samen die in het kader van een bij verordening vastgesteld leveringsprogramma bij de Commissie (Eurostat) worden ingediend ten behoeve van belangrijke toepassingen op het gebied van sociaal, economisch en begrotingsbeleid in de Unie. Tot die toepassingen behoren onder meer het vaststellen van de bijdragen van de lidstaten aan de EU-begroting via de „vierde middelenbron”, de steun aan de regio's van de EU via het structuurfondsenprogramma, en het toezicht op de economische prestaties van de lidstaten in het kader van de procedure bij buitensporige tekorten en van het stabiliteits- en groeipact.

1.12 Om ervoor te zorgen dat heffingen en voordelen worden verdeeld op basis van meetwaarden die op strikt consistente wijze zijn samengesteld en gepresenteerd, moeten de voor deze doeleinden gebruikte economische statistieken volgens dezelfde definities en regels worden samengesteld. Het ESR 2010 is een verordening waarin de regels, afspraken, definities en classificaties zijn vastgesteld die moeten worden toegepast bij het samenstellen van de nationale rekeningen in de lidstaten die onder het in bijlage B bij deze verordening beschreven programma voor de indiening van gegevens vallen.

1.13 Gezien de zeer grote geldsommen die gemoeid zijn met het in de EU functionerende systeem van bijdragen en voordelen, is het van essentieel belang dat het meetsysteem in alle lidstaten op consistente wijze wordt toegepast. In dergelijke omstandigheden is het belangrijk te kiezen voor een voorzichtige aanpak bij ramingen waarvoor geen direct waarneembare gegevens op de markt beschikbaar zijn; daarbij moet het gebruik van op modellen gebaseerde procedures voor de raming van meetwaarden in de nationale rekeningen worden vermeden.

1.14 De ESR 2010-begrippen zijn op diverse punten specifieker en preciezer dan die van het 2008 SNA, teneinde een zo groot mogelijke consistentie te garanderen tussen de uit de nationale rekeningen afgeleide meetwaarden van de lidstaten. Uitgaande van dit essentiële vereiste om over solide consistente ramingen te kunnen beschikken, is een kernsysteem van nationale rekeningen in de EU vastgesteld. Wanneer de metingen van de lidstaten niet consistent genoeg zijn, worden deze ramingen over het algemeen opgenomen in het zogenaamde „niet-kernsysteem”, dat betrekking heeft op aanvullende tabellen en satellietrekeningen.

1.15 Een voorbeeld van een gebied waar men het voor het ontwerp van het ESR 2010 nodig achtte om voorzichtig te werk te gaan, zijn de pensioenverplichtingen. Er zijn sterke argumenten voor het meten van deze verplichtingen ter ondersteuning van economische analysen, maar het cruciale vereiste in de EU om rekeningen te produceren die in tijd en ruimte consistent zijn, noopte tot een voorzichtige aanpak.

Mondialisering

1.16 Door de toenemende mondialisering van economische activiteiten is het internationale handelsverkeer in al zijn vormen toegenomen en wordt het voor landen moeilijker om hun binnenlandse economie in de nationale rekeningen te registreren. Mondialisering is het dynamische en multidimensionale proces waarbij de nationale hulpbronnen internationaal mobieler worden, terwijl de nationale economieën steeds afhankelijker van elkaar worden. Het aspect van de mondialisering dat mogelijk de meeste meetproblemen voor de nationale rekeningen veroorzaakt, is het toenemende aandeel van internationale transacties verricht door multinationale ondernemingen, waarbij grensoverschrijdende transacties plaatsvinden tussen moedermaatschappijen, dochtermaatschappijen en filialen. Er zijn echter nog andere dataproblemen, zoals blijkt uit onderstaande, meer uitputtende lijst:

1) verrekenprijzen tussen gelieerde ondernemingen (waardering van invoer en uitvoer);

2) het toenemende gebruik van verwerking tegen vergoeding („toll processing”), waarbij goederen over internationale grenzen heen worden verhandeld zonder verandering van eigenaar (veredeling), en van transitohandel;

3) de internationale handel via internet, zowel voor ondernemingen als voor huishoudens;

4) de handel in en het gebruik van intellectuele eigendom over de hele wereld;

5) werknemers die in het buitenland werken en aanzienlijke bedragen overmaken aan hun gezin in het land van herkomst (geldzendingen door werknemers, als deel van de individuele overdrachten);

6) multinationale ondernemingen die hun activiteiten over nationale grenzen heen organiseren om zo efficiënt mogelijk te produceren en de totale belastingdruk zo laag mogelijk te houden. Daardoor kunnen kunstmatige ondernemingsstructuren ontstaan die de economische realiteit niet weergeven;

7) het gebruik van offshorefinancieringsentiteiten (entiteiten voor specifieke doeleinden (SPE's) en andere vormen) om de financiering van wereldwijde activiteiten te regelen;

8) de wederuitvoer van goederen, en in de EU het vervoer van goederen tussen lidstaten nadat zij in de Unie zijn binnengebracht (quasidoorvoer);

9) een toenemende vervlechting van buitenlandse directe investeringen, en de noodzaak om stromen van directe investeringen te identificeren en in te delen.

1.17 Al deze steeds vaker voorkomende aspecten van mondialisering maken het voor nationale statistici moeilijker om grensoverschrijdende stromen in kaart te brengen en nauwkeurig te meten. Zelfs met een uitgebreid en solide verzamel- en meetsysteem voor de posten in de sector buitenland (en bijgevolg ook in de internationale rekeningen in de betalingsbalans) zullen als gevolg van de mondialisering nog extra inspanningen nodig zijn om de kwaliteit van de nationale rekeningen voor alle economieën en groepen van economieën te handhaven.

GEBRUIK VAN HET ESR 2010

Kader voor analyse en beleid

1.18 Het ESR-kader kan worden gebruikt voor analyse en beoordeling van:

a) de structuur van een totale economie. Voorbeelden van gebruikte typen van metingen zijn:

1. toegevoegde waarde en werkzame personen per bedrijfstak;

2. toegevoegde waarde en werkzame personen per regio;

3. inkomensverdeling naar sector;

4. invoer en uitvoer per productgroep;

5. consumptieve bestedingen per functionele rubriek en productgroep;

6. investeringen in vaste activa en kapitaalgoederenvoorraad per bedrijfstak;

7. samenstelling van de standen en stromen van financiële activa naar soort actief en sector;

b) specifieke delen of aspecten van een economie. Dit geldt bijvoorbeeld voor:

1. het bank- en financieringswezen in de nationale economie;

2. de rol van de overheid en haar financiële positie;

3. de economie van een bepaalde regio (in vergelijking met die van het land als geheel);

4. de besparingen en schulden van huishoudens;

c) de ontwikkeling van een economie in de loop der tijd. Dit geldt bijvoorbeeld voor:

1. de analyse van de groei van het bbp;

2. de analyse van de inflatie;

3. de analyse van seizoensinvloeden op de uitgaven van huishoudens op basis van kwartaalrekeningen;

4. de analyse van veranderingen in het belang van bepaalde soorten financiële instrumenten in de loop der tijd, bijvoorbeeld het toegenomen belang van financiële derivaten;

5. de vergelijking van de industriële structuren van de nationale economie op lange termijn;

d) een totale economie in vergelijking met andere economieën. Dit geldt bijvoorbeeld voor:

1. de vergelijking van de rollen en de omvang van de overheid in de lidstaten van de EU;

2. de analyse van de onderlinge afhankelijkheid van de economieën van de EU, waarbij rekening wordt gehouden met de lidstaten en hun regio's;

3. de analyse van de samenstelling en de bestemming van de uitvoer van de EU;

4. de vergelijking van de groeicijfers voor het bbp of het beschikbare inkomen per hoofd van de bevolking in de EU en andere ontwikkelde economieën.

1.19 De cijfers uit het ESR-kader spelen een belangrijke rol bij de vorming van en het toezicht op het sociale en economische beleid van de EU en haar lidstaten.

Uit de volgende voorbeelden blijkt waarvoor het ESR-kader onder meer wordt gebruikt:

a) het toezien op en het aansturen van de macro-economische en de monetaire beleidsvorming in de eurozone, en het vaststellen van convergentiecriteria voor de economische en monetaire unie (EMU) op basis van de maatstaven van de nationale rekeningen (bv. groeicijfers voor het bbp);

b) de vaststelling van criteria voor de procedure bij buitensporige tekorten: hoogte van het overheidstekort en de overheidsschuld;

c) de toekenning van financiële steun aan de regio's in de EU: voor de toewijzing van financiële middelen aan de regio's wordt gebruikgemaakt van de statistieken van de regionale rekeningen;

d) de vaststelling van de eigen middelen op de EU-begroting. Deze zijn op drie manieren afhankelijk van de cijfers uit de nationale rekeningen:

1. de totale middelen van de EU worden vastgesteld als percentage van de som van de bruto nationale inkomens (bni) van de lidstaten;

2. het derde eigen middel van de EU is gebaseerd op de btw. De bijdragen van de lidstaten in het kader van dit middel worden grotendeels bepaald door de cijfers uit de nationale rekeningen, want deze cijfers worden gebruikt voor de berekening van het gemiddelde btw-tarief;

3. de hoogte van de bijdragen van de lidstaten in het kader van het vierde eigen middel van de EU is gebaseerd op een raming van hun bruto nationaal inkomen. Deze ramingen vormen de grondslag voor de meeste betalingen van de lidstaten.

Kenmerken van de ESR 2010-begrippen

1.20 Om een evenwicht tot stand te brengen tussen de behoeften aan gegevens en de mogelijkheid deze gegevens te leveren, hebben de begrippen in het ESR 2010 verscheidene belangrijke kenmerken. De kenmerken bestaan hierin dat de rekeningen:

a) internationaal compatibel zijn;

b) geharmoniseerd zijn met andere systemen voor sociale en economische statistieken;

c) onderling samenhangend zijn;

d) operationeel zijn, wat betekent dat zij in de praktijk kunnen worden gemeten;

e) afwijken van de meeste administratieve begrippen;

f) duurzaam en onveranderlijk zijn gedurende een lange periode;

g) gericht zijn op het beschrijven van het economische proces in monetaire en gemakkelijk waarneembare grootheden;

h) in verschillende situaties en voor verschillende doeleinden bruikbaar zijn.

1.21 De begrippen in het ESR 2010 zijn internationaal compatibel omdat:

a) de begrippen in het ESR 2010 consistent zijn met die in de mondiale richtlijnen voor de nationale rekeningen (2008 SNA);

b) het ESR 2010 voor de lidstaten de standaard is voor de indiening van gegevens uit de nationale rekeningen bij alle internationale organisaties.

c) internationale compatibiliteit van de begrippen van wezenlijk belang is wanneer statistieken van verschillende landen met elkaar worden vergeleken.

1.22 De begrippen in het ESR 2010 zijn geharmoniseerd met de begrippen in andere sociale en economische statistieken, omdat het ESR 2010 gebruikmaakt van begrippen en classificaties (bv. de statistische classificatie van economische activiteiten — NACE Rev. 2 ( 17 )) die ook worden gebruikt voor andere sociale en economische statistieken van de lidstaten; zo is bijvoorbeeld in de industriestatistiek, de statistiek van de buitenlandse handel en de werkgelegenheidsstatistiek het aantal begripsmatige verschillen tot een minimum beperkt. Bovendien zijn de begrippen en classificaties in het ESR 2010 geharmoniseerd met die van de Verenigde Naties.

Deze harmonisatie met sociale en economische statistieken is een steun bij de koppeling aan en vergelijking met deze cijfers, waardoor de kwaliteit van de cijfers in de nationale rekeningen kan worden gegarandeerd. Bovendien kan de informatie in deze specifieke statistieken beter worden gerelateerd aan de algemene statistieken over de nationale economie.

1.23 Dankzij de gemeenschappelijke begrippen die in het gehele systeem van nationale rekeningen en in de andere systemen voor sociale en economische statistieken worden gebruikt, kunnen consistente meetwaarden worden afgeleid. Zo kunnen bijvoorbeeld de volgende verhoudingscijfers worden berekend:

a) productiviteitscijfers, zoals de toegevoegde waarde per gewerkt uur (hiertoe moeten de begrippen toegevoegde waarde en gewerkte uren consistent te zijn);

b) nationaal beschikbaar inkomen per hoofd van de bevolking (hiertoe moeten de begrippen nationaal beschikbaar inkomen en maatstaven voor de bevolking consistent zijn);

c) investeringen in vaste activa als percentage van de kapitaalgoederenvoorraad (hiertoe moeten de definities van deze stromen en standen consistent zijn);

d) overheidstekort en overheidsschuld als percentage van het bruto binnenlands product (hiertoe moeten de begrippen overheidstekort, overheidsschuld en bruto binnenlands product consistent zijn).

Dankzij de interne consistentie van de begrippen kunnen ramingen worden gemaakt door bepaalde posten van elkaar af te trekken: zo kunnen de besparingen worden geraamd als het verschil tussen het beschikbare inkomen en de consumptieve bestedingen.

1.24 Bij de toepassing van de begrippen in het ESR 2010 wordt er rekening mee gehouden dat de gegevens moeten kunnen worden verzameld en gemeten. Het operationele karakter blijkt op diverse manieren uit de aanwijzingen voor het opstellen van de rekeningen:

a) activiteiten of posten worden alleen beschreven indien zij significant van omvang zijn. Zo mag de productie van goederen in eigen beheer door huishoudens zoals weven en pottenbakken niet als productie worden geregistreerd, omdat deze vormen van productie voor de landen van de EU niet significant zijn;

b) bij sommige begrippen wordt aangegeven hoe hiervan een raming moet worden gemaakt. Zo wordt bij de definitie van verbruik van vaste activa verwezen naar de lineaire afschrijvingsmethode. Voor de berekening van de kapitaalgoederenvoorraad moet de „perpetual inventory method” worden toegepast wanneer directe informatie over de kapitaalgoederenvoorraad ontbreekt. Een ander voorbeeld is de waardering van de productie in eigen beheer, die in beginsel tegen basisprijzen wordt gewaardeerd, maar zo nodig kan de waardering tegen basisprijzen worden benaderd door de verschillende kosten bij elkaar op te tellen;

c) er zijn enkele afspraken gemaakt. Zo worden door de overheid verstrekte collectieve diensten altijd als consumptieve bestedingen ingedeeld.

1.25 De voor de statistieken van de nationale rekeningen benodigde gegevens kunnen echter niet altijd gemakkelijk rechtstreeks worden verzameld, omdat de onderliggende begrippen gewoonlijk afwijken van de begrippen die aan de basis van administratieve gegevensbronnen liggen. Voorbeelden van administratieve bronnen zijn bedrijfsboekhoudingen, gegevens voor bepaalde soorten belastingen (btw, inkomstenbelasting, invoerheffingen enz.), socialezekerheidsgegevens en gegevens van toezichthoudende organen voor het bank- en verzekeringswezen. Deze administratieve gegevens worden gebruikt voor het opstellen van de nationale rekeningen. Over het algemeen worden zij in overeenstemming gebracht met de begrippen in het ESR.

De begrippen in het ESR verschillen gewoonlijk van hun administratieve equivalenten in de volgende opzichten:

a) administratieve begrippen verschillen van land tot land, zodat er aan de hand van administratieve begrippen geen internationale compatibiliteit mogelijk is;

b) administratieve begrippen veranderen in de loop der tijd, zodat er aan de hand van administratieve begrippen geen vergelijkingen in de tijd kunnen worden gemaakt;

c) ten aanzien van de begrippen die aan de basis van de administratieve bronnen liggen, heerst gewoonlijk geen consistentie tussen de verschillende administratieve systemen, zodat koppeling en vergelijking van gegevens, wat van essentieel belang is voor de opstelling van nationale rekeningen, niet mogelijk is;

d) de administratieve begrippen zijn over het algemeen niet bijzonder geschikt voor economische analysen en de beoordeling van economisch beleid.

1.26 Niettemin beantwoorden administratieve bronnen heel goed aan de behoefte aan gegevens voor de nationale rekeningen en andere statistieken, omdat:

a) begrippen en classificaties die oorspronkelijk voor statistische doeleinden werden vastgesteld, ook voor administratieve doeleinden worden gebruikt, bijvoorbeeld de indeling van de overheidsuitgaven naar soort;

b) bij administratieve bronnen expliciet rekening wordt gehouden met de (hiervan losstaande) behoefte aan gegevens voor statistische doeleinden; dit geldt bijvoorbeeld voor het Intrastat-systeem, dat informatie verstrekt over het goederenverkeer tussen de lidstaten.

1.27 De belangrijkste begrippen in het ESR zijn duurzaam en onveranderlijk gedurende een lange periode, omdat:

a) zij zijn goedgekeurd als de internationale standaard voor vele jaren;

b) heel weinig van de onderliggende begrippen in de achtereenvolgende internationale richtlijnen voor het opstellen van nationale rekeningen verandering ondergaan.

Door deze begripsmatige continuïteit behoeven minder vaak tijdreeksen te worden herberekend. Bovendien zijn de begrippen minder gevoelig voor nationale en internationale politieke druk. Daarom kunnen de cijfers uit de nationale rekeningen dienen als objectieve bron van gegevens voor economisch beleid en economische analysen.

1.28 De begrippen in het ESR 2010 zijn gericht op het beschrijven van het economisch proces in monetaire en gemakkelijk waarneembare grootheden. Standen en stromen die niet gemakkelijk in monetaire eenheden kunnen worden uitgedrukt of die geen duidelijk monetair equivalent hebben, worden niet in het ESR geregistreerd.

Dit beginsel is niet strikt toegepast, omdat ook rekening dient te worden gehouden met de vereiste consistentie en de behoeften van gebruikers. Zo is het ter wille van de consistentie noodzakelijk de waarde van collectieve overheidsdiensten als output te registreren omdat de beloning van werknemers en de aanschaf van allerlei goederen en diensten door de overheid gemakkelijk in monetaire eenheden kunnen worden vastgesteld. Dankzij de beschrijving van de collectieve overheidsdiensten in relatie tot de rest van de nationale economie zijn de nationale rekeningen als geheel tevens van meer nut voor economisch onderzoek en beleid.

1.29 De reikwijdte van de begrippen in het ESR kan worden toegelicht aan de hand van een aantal belangrijke grensgevallen.

De volgende vormen van productie worden binnen de productiegrens van het ESR geregistreerd (zie de punten 3.07, 3.08 en 3.09):

a) de productie van individuele en collectieve overheidsdiensten;

b) de productie in eigen beheer van woondiensten door bewoners van een eigen huis;

c) de productie van goederen voor eigen finale consumptie, bijvoorbeeld landbouwproducten;

d) het in eigen beheer produceren van bouwwerken, ook indien dit door huishoudens wordt gedaan;

e) de productie van diensten door betaald huishoudelijk personeel;

f) het kweken van vis in viskwekerijen;

g) illegale productie, mits alle bij de transactie betrokken eenheden daar vrijwillig aan deelnemen;

h) productie waarvan de opbrengst niet volledig bij de belastingdienst wordt opgegeven, zoals clandestiene textielproductie.

1.30 De volgende vormen van productie vallen buiten de productiegrens en mogen niet in het ESR worden geregistreerd:

a) huishoudelijke en persoonlijke diensten die worden geproduceerd en geconsumeerd binnen hetzelfde huishouden, zoals schoonmaken, het bereiden van maaltijden of de verzorging van zieken of bejaarden;

b) vrijwilligerswerk dat niet resulteert in de productie van goederen, zoals gratis verzorging en schoonmaken;

c) natuurlijke toename van de visstand in de open zee.

1.31 Het ESR registreert alle output die het resultaat is van productie binnen de productiegrens. De output van hulpactiviteiten wordt evenwel niet geregistreerd. Alle input die een hulpactiviteit verbruikt, wordt behandeld als input in de activiteit die zij ondersteunt. Indien een bedrijf dat uitsluitend hulpactiviteiten verricht, statistisch waarneembaar is doordat afzonderlijke rekeningen voor zijn productie gemakkelijk beschikbaar zijn, of indien het geografisch op een andere plaats gevestigd is dan de bedrijven waarvoor het werkt, moet het zowel in de nationale als in de regionale rekeningen als afzonderlijke eenheid worden geregistreerd en opgenomen in de bedrijfsclassificatie die met zijn hoofdactiviteit overeenstemt. Wanneer geen geschikte basisgegevens beschikbaar zijn, kan de output van de hulpactiviteit worden geraamd door de kosten op te tellen.

1.32 Indien een activiteit als productie wordt beschouwd en de output ervan wordt geregistreerd, worden de inkomens, de werkzame personen, de finale consumptie enz. die hierop betrekking hebben, ook geregistreerd. Omdat bijvoorbeeld de productie van woondiensten door bewoners van een eigen huis als productie wordt geregistreerd, worden ook het inkomen en de consumptieve bestedingen die hierdoor voor deze bewoners worden gegenereerd, geregistreerd. Wat werkzame personen betreft, wordt niets geregistreerd, aangezien er bij de productie van woondiensten door bewoners van een eigen huis per definitie geen input van arbeid is. Daardoor blijft het ESR consistent met het systeem van de arbeidsstatistiek, waarin voor woningbezit geen werkzame personen worden geregistreerd. Het omgekeerde doet zich voor wanneer activiteiten niet als productie worden beschouwd: huishoudelijke diensten die binnen hetzelfde huishouden worden geproduceerd en verbruikt, genereren geen inkomen en consumptieve bestedingen, zodat degenen die deze diensten verrichten, niet tot de werkzame personen behoren.

1.33 Het ESR bevat ook afspraken, zoals:

a) waardering van de output van de overheid;

b) waardering van de output van verzekeringsdiensten en van de indirect gemeten diensten van financiële intermediairs;

c) de registratie van alle collectieve overheidsdiensten als consumptieve bestedingen en niet als intermediair verbruik.

Indeling naar sector

1.34 Sectorrekeningen worden gecreëerd door eenheden in sectoren onder te brengen, zodat transacties en saldi van de rekeningen naar sector kunnen worden gepresenteerd. Door de presentatie naar sector worden veel belangrijke meetwaarden voor economisch en begrotingsbeleid aangereikt. De belangrijkste sectoren zijn huishoudens, overheid, vennootschappen (financiële instellingen en niet-financiële vennootschappen), instellingen zonder winstoogmerk (izw's) ten behoeve van huishoudens, en het buitenland.

Het onderscheid tussen markt- en niet-marktactiviteiten is van groot belang. Een entiteit in handen van de overheid die een marktgerichte vennootschap blijkt te zijn, wordt in de sector vennootschappen ingedeeld, buiten de sector overheid. Op die manier maken de tekorten en schulden van de vennootschap geen deel uit van het tekort en de schuld van de overheid.

1.35 Het is belangrijk dat duidelijke, deugdelijke criteria voor de classificatie van entiteiten in sectoren worden vastgesteld.

De publieke sector bestaat uit alle in de economie ingezeten institutionele eenheden waarover de overheid zeggenschap heeft. De particuliere sector bestaat uit de overige ingezeten eenheden.

In tabel 1.1 zijn de criteria aangegeven die worden gebruikt om het onderscheid te maken tussen de publieke en de particuliere sector, en in de publieke sector tussen de sector overheid en de sector vennootschappen in handen van de overheid, en in de particuliere sector tussen de sector izw's t.b.v. huishoudens en de sector particuliere vennootschappen.



Tabel 1.1

Criteria

In handen van de overheid

(publieke sector)

In particuliere handen

(particuliere sector)

Niet-marktoutput

Overheid

Izw's t.b.v. huishoudens

Marktoutput

Vennootschappen in handen van de overheid

Particuliere vennootschappen

1.36 Zeggenschap wordt gedefinieerd als de bevoegdheid om het algemene beleid of programma van een institutionele eenheid te bepalen. Verdere bijzonderheden in verband met de definitie van zeggenschap worden gegeven in punten 2.35 tot en met 2.39.

1.37 Het onderscheid tussen markt en niet-markt en bijgevolg, voor entiteiten van de publieke sector, de indeling ervan in de sector overheid of in de sector vennootschappen, wordt bepaald door de volgende regel:

Een activiteit wordt als marktactiviteit beschouwd wanneer de desbetreffende goederen en diensten onder de volgende voorwaarden worden verhandeld:

1) verkopers streven naar winstmaximalisatie op lange termijn en verkopen daartoe vrijwillig op de markt goederen en diensten aan wie bereid is de gevraagde prijs te betalen;

2) kopers streven, rekening houdend met hun schaarse middelen, naar nutsmaximalisatie door zich bij hun aankopen te laten leiden door de vraag welke producten tegen de aangeboden prijs het best aan hun behoeften voldoen;

3) van een effectieve markt is sprake wanneer verkopers en kopers toegang tot en informatie over de markt hebben. Er kan ook dan sprake zijn van een effectieve markt wanneer niet volledig aan deze voorwaarden wordt voldaan.

1.38 Dankzij de specificaties van het begrippensysteem van het ESR is flexibiliteit mogelijk: enkele begrippen zijn niet expliciet in het systeem opgenomen, maar kunnen niettemin gemakkelijk hieruit worden afgeleid. Zo kunnen er nieuwe sectoren worden gevormd door in het ESR gedefinieerde subsectoren te herschikken.

1.39 Flexibiliteit wordt ook geboden door de mogelijkheid om aanvullende criteria in te voeren die niet in strijd zijn met de logica van het systeem. Aan de hand van deze criteria kunnen bijvoorbeeld subsectorrekeningen worden opgesteld die gebaseerd zijn op het aantal werkzame personen in productie-eenheden of de hoogte van het inkomen van huishoudens. Wat de werkzame personen betreft, kan nog een onderverdeling worden gemaakt naar opleidingsniveau, leeftijd en geslacht.

Satellietrekeningen

1.40 Voor sommige gegevensbehoeften moeten aparte satellietrekeningen worden opgesteld:

Dit geldt bijvoorbeeld voor:

a) socialerekeningenmatrices (Social Accounting Matrix — SAM);

b) de rol van het toerisme in de nationale economie;

c) de analyse van de kosten en de financiering van de gezondheidszorg;

d) onderzoeks- en ontwikkelingswerk dat wordt erkend als investering in intellectuele eigendom;

e) de erkenning van menselijk kapitaal als activa in de nationale economie;

f) de analyse van het inkomen en de uitgaven van huishoudens op basis van micro-economische benaderingen van inkomen en uitgaven;

g) de wisselwerking tussen milieu en economie;

h) de productie binnen huishoudens;

i) de analyse van veranderingen in de welvaart;

j) de analyse van de verschillen tussen de cijfers in de nationale rekeningen en de bedrijfsboekhoudingen, en de invloed ervan op effecten- en valutabeurzen;

k) de raming van belastingopbrengsten.

1.41 Satellietrekeningen komen aan dergelijke gegevensbehoeften tegemoet door:

a) gedetailleerdere informatie te verstrekken waar dat noodzakelijk is en overbodige details achterwege te laten;

b) het bereik van het boekhoudkundig raamwerk te vergroten met niet-monetaire informatie, bijvoorbeeld over vervuiling en milieuthema's;

c) sommige basisbegrippen aan te passen, bijvoorbeeld door het begrip investeringen uit te breiden met de uitgaven voor onderwijs.

1.42 Een socialerekeningenmatrix (SAM) is een matrixpresentatie waarin de verbanden tussen de aanbod- en gebruiktabellen en de sectorrekeningen worden gelegd. Een SAM geeft extra informatie over het niveau en de samenstelling van werkgelegenheid door middel van een onderverdeling van de beloning van werknemers naar type werkzame persoon. Deze onderverdeling geldt zowel voor het gebruik van arbeid per bedrijfstak, zoals weergegeven in de gebruiktabellen, als voor het aanbod van arbeid per sociaaleconomische subgroep, zoals weergegeven in de rekening voor bestemming van primaire inkomens van subsectoren van de sector huishoudens. Op deze wijze worden het aanbod en het gebruik van de verschillende arbeidscategorieën systematisch getoond.

1.43 In satellietrekeningen moeten alle basisbegrippen en -classificaties van het centrale systeem van het ESR 2010 worden gebruikt. Er mogen alleen wijzigingen in de begrippen worden aangebracht wanneer de satellietrekening hiervoor bedoeld is. In zo'n geval bevat de satellietrekening ook een tabel waarin het verband tussen de belangrijkste aggregaten van de satellietrekening en die van het centrale systeem wordt gelegd. Op deze wijze blijft het centrale systeem het referentiekader en wordt tevens tegemoetgekomen aan meer specifieke behoeften.

1.44 In het centrale systeem worden in de regel geen standen en stromen gemeten die niet gemakkelijk in monetaire eenheden kunnen worden uitgedrukt (of die geen duidelijke monetaire tegenwaarde hebben). Vanwege de aard van dergelijke standen en stromen kunnen voor de analyse ervan vaak ook niet-monetaire statistieken worden opgesteld, bijvoorbeeld:

a) de productie binnen huishoudens kan worden beschreven aan de hand van de daaraan bestede uren;

b) onderwijs kan worden beschreven aan de hand van soorten onderwijs, aantal leerlingen, gemiddeld aantal schooljaren voor het behalen van een diploma enz.;

c) de gevolgen van vervuiling kunnen worden beschreven aan de hand van wijzigingen in het aantal levende soorten, de gezondheid van bossen, het afvalvolume, het koolmonoxidegehalte, het stralingsniveau enz.

1.45 Satellietrekeningen maken het mogelijk dergelijke statistieken in niet-monetaire eenheden te relateren aan het centrale systeem van nationale rekeningen. Het verband kan worden gelegd door in dergelijke niet-monetaire statistieken de in het centrale systeem gehanteerde classificaties te gebruiken, bijvoorbeeld de indeling naar type huishouden of naar bedrijfstak. Zo wordt een consistent, uitgebreid systeem opgebouwd, dat basisgegevens kan verschaffen voor de analyse en beoordeling van interacties tussen de variabelen in het centrale systeem en die in de uitbreiding ervan.

1.46 Het centrale systeem en zijn belangrijkste aggregaten beschrijven geen veranderingen in de welvaart. De rekeningen kunnen worden uitgebreid met informatie waaraan een waarde in monetaire eenheden is toegerekend, zoals:

a) huishoudelijke en persoonlijke diensten die worden geproduceerd en geconsumeerd in hetzelfde huishouden;

b) veranderingen in vrijetijdsbesteding;

c) voor- en nadelen van het leven in de stad;

d) ongelijkheden in de inkomensverdeling.

1.47 In de uitgebreide rekeningen kunnen finale bestedingen van onaangename maar noodzakelijke producten, zoals defensie, ook worden heringedeeld onder intermediair verbruik, dus niet bijdragend tot een verhoging van de welvaart. Zo kan ook de schade door overstromingen en andere natuurrampen worden ingedeeld als intermediair verbruik, namelijk als een verlaging van het (absolute) welvaartsniveau. Op deze wijze kan worden getracht een zeer ruwe en zeer onvolledige indicator voor veranderingen in de welvaart samen te stellen. Welvaart heeft echter vele dimensies, waarvan de meeste beter niet in monetaire eenheden kunnen worden uitgedrukt. Het verdient dan ook de voorkeur om bij het meten van de welvaart voor ieder aspect een afzonderlijke indicator en meeteenheid te gebruiken. Indicatoren zijn bijvoorbeeld kindersterfte, levensverwachting, alfabetisme onder volwassenen en nationaal inkomen per hoofd van de bevolking. Dergelijke indicatoren kunnen in een satellietrekening worden opgenomen.

1.48 Om een consistent en internationaal compatibel raamwerk te verkrijgen, worden in het ESR geen administratieve begrippen gebruikt. Toch kunnen cijfers die op dergelijke begrippen zijn gebaseerd, voor allerlei nationale doeleinden zeer nuttig zijn. Voor een raming van de belastinginkomsten zijn bijvoorbeeld statistieken over het belastbaar inkomen noodzakelijk. Dergelijke statistieken kunnen worden verkregen door enkele wijzigingen aan te brengen in de statistieken van de nationale rekeningen.

1.49 Een soortgelijke benadering is mogelijk voor bij het nationale economische beleid gehanteerde begrippen als:

a) inflatie, gebruikt voor de verhoging van pensioenen, werkloosheidsuitkeringen of ambtenarensalarissen;

b) belastingen, sociale premies, overheidssector en collectieve sector, gebruikt in de discussie over de optimale omvang van de collectieve sector;

c) „strategische” sectoren/bedrijfstakken, ten behoeve van het nationale economische beleid of het economische beleid van de EU;

d) „bedrijfsinvesteringen”, ten behoeve van het nationale economische beleid;

e) een tabel met een volledige registratie van pensioenen.

Satellietrekeningen of aanvullende tabellen kunnen aan dergelijke gegevensbehoeften voldoen.

ESR 2010 en 2008 SNA

1.50 Het ESR 2010 is gebaseerd op de begrippen van het 2008 SNA, dat richtlijnen geeft voor het opstellen van nationale rekeningen voor alle landen ter wereld. Niettemin zijn er diverse verschillen tussen het ESR 2010 en het 2008 SNA:

a) verschillen in presentatie:

1. in het ESR 2010 zijn er afzonderlijke hoofdstukken voor de transacties in producten, de verdelingstransacties en de financiële transacties. In het 2008 SNA worden deze transacties toegelicht in hoofdstukken die zijn gerangschikt naar rekening, bijvoorbeeld productierekening, primaire inkomensverdelingsrekening, kapitaalrekening en buitenlandrekening;

2. het ESR 2010 beschrijft een begrip met behulp van een definitie en een opsomming van wat wel en wat niet onder het begrip valt. Het 2008 SNA beschrijft begrippen gewoonlijk in algemenere termen en verklaart de grondgedachte achter de gemaakte afspraken;

b) de ESR 2010-begrippen zijn soms specifieker en nauwkeuriger dan die van het 2008 SNA:

1. het 2008 SNA bevat geen specifieke criteria om bij de indeling van output het onderscheid te maken tussen marktoutput, output voor eigen finaal gebruik en niet-marktoutput. Daarom zijn in het ESR gedetailleerdere richtsnoeren opgenomen om een uniforme werkwijze te garanderen;

2. het ESR 2010 gaat ervan uit dat diverse soorten productie door huishoudens, zoals de vervaardiging van weefsels en meubelen, in de lidstaten niet significant zijn en derhalve niet behoeven te worden geregistreerd;

3. het ESR 2010 verwijst naar institutionele regelingen in de EU, zoals het Intrastat-systeem voor de registratie van goederenstromen binnen de EU en de bijdragen van de lidstaten aan de EU;

4. het ESR 2010 bevat specifieke EU-classificaties, bijvoorbeeld de statistische classificatie van producten gekoppeld aan activiteiten (CPA) ( 18 ) voor producten en de NACE Rev. 2 voor bedrijfstakken (beide zijn geharmoniseerd met de overeenkomstige classificaties van de VN);

5. het ESR 2010 bevat een extra classificatie voor alle transacties met het buitenland: zij worden ingedeeld in transacties tussen ingezetenen van de EU en transacties met ingezetenen van derde landen;

6. het ESR 2010 bevat een herschikking van de subsectoren van het 2008 SNA voor de sector financiële instellingen om tegemoet te komen aan de behoeften van de Europese Monetaire Unie. Het ESR 2010 kan soms specifieker zijn dan het 2008 SNA, omdat het ESR in de eerste plaats van toepassing is op de lidstaten. Ook voor de gegevensbehoeften van de Unie dient het ESR specifieker te zijn.

ESR 2010 EN ESR 95

1.51 Het ESR 2010 verschilt zowel in reikwijdte als qua begrippen van het ESR 95. De meeste verschillen komen overeen met die tussen het 1993 SNA en het 2008 SNA. De grootste verschillen zijn:

a) de erkenning van onderzoeks- en ontwikkelingswerk als investering die leidt tot activa in de vorm van intellectuele eigendom. Deze verandering wordt in een satellietrekening geregistreerd en pas in de standaardrekeningen opgenomen wanneer kan worden vastgesteld dat de meetwaarden voldoende solide zijn en in voldoende mate zijn geharmoniseerd tussen de lidstaten;

b) de uitgaven voor wapensystemen die voldoen aan de algemene definitie van activa, zijn ingedeeld als investeringen in vaste activa en niet meer als intermediaire uitgaven;

c) het analytische begrip kapitaaldiensten is ingevoerd voor marktproductie, zodat een aanvullende tabel kan worden geproduceerd waarin zij als bestanddeel van de toegevoegde waarde worden weergegeven;

d) het begrip financiële activa is verruimd en omvat nu een breder scala aan contracten betreffende financiële derivaten;

e) nieuwe regels voor de registratie van pensioenrechten. Er is een aanvullende tabel in de rekeningen ingevoerd, zodat ramingen voor alle socialeverzekeringsrechten, al dan niet met fondsvorming, kunnen worden geregistreerd. Alle voor een omvattende analyse nodige informatie wordt verstrekt in deze tabel, waarin de rechten en daaraan gerelateerde stromen voor alle particuliere en overheidspensioenregelingen, al dan niet met fondsvorming, en inclusief de pensioenregelingen van de sociale zekerheid, zijn weergegeven;

f) de regels over verandering van eigendom van goederen zijn nu universeel van toepassing, hetgeen resulteert in veranderingen van de registratie van de transitohandel en van goederen die worden verzonden voor veredeling, zowel naar het buitenland als in de binnenlandse economie. Dit heeft tot gevolg dat goederen die voor veredeling naar het buitenland worden verzonden, netto worden geregistreerd, en niet langer bruto zoals in het 1993 SNA en het ESR 95. Deze verandering heeft aanzienlijke gevolgen voor de registratie van dergelijke activiteiten in het aanbod- en gebruikssysteem;

g) er worden meer richtsnoeren verstrekt betreffende financiële instellingen in het algemeen en entiteiten voor specifieke doeleinden (SPE's) in het bijzonder. De behandeling van in het buitenland gevestigde SPE's in handen van de overheid is gewijzigd om ervoor te zorgen dat de door de SPE's aangegane verplichtingen worden weergegeven in de overheidsrekeningen;

h) de behandeling van superdividenden betaald door vennootschappen in handen van de overheid is verduidelijkt, dat wil zeggen dat zij als uitzonderlijke betalingen en onttrekkingen aan het eigen vermogen moeten worden behandeld;

i) de beginselen voor de behandeling van publiek-private partnerschappen zijn opgenomen en de behandeling van herstructureringsbureaus is uitgebreid;

j) de transacties tussen overheid en vennootschappen in handen van de overheid, en met securitisatievehikels, zijn verduidelijkt met het oog op een betere registratie van posten die de overheidsschuld in aanzienlijke mate kunnen beïnvloeden;

k) de behandeling van leninggaranties is verduidelijkt, en er is een nieuwe behandeling geïntroduceerd voor gestandaardiseerde leninggaranties, zoals exportkredietgaranties en studentenleninggaranties. De nieuwe behandeling houdt in dat in de rekeningen een financieel actief en passief ten belope van de waarschijnlijke claim op de garanties moet worden opgenomen.

1.52 De wijzigingen in het ESR 2010 in vergelijking tot het ESR 95 blijven niet beperkt tot begripsmatige wijzigingen. Er zijn grote verschillen in reikwijdte, met nieuwe hoofdstukken over satellietrekeningen, overheidsrekeningen en buitenlandrekeningen. Voorts zijn ook de hoofdstukken over kwartaalrekeningen en regionale rekeningen aanzienlijk uitgebreid.

GRONDBEGINSELEN VAN HET ESR 2010 ALS SYSTEEM

1.53 De hoofdkenmerken van het systeem zijn:

a) statistische eenheden en hun indeling;

b) stromen en standen;

c) het rekeningenstelsel en de aggregaten;

d) het input-outputsysteem.

Statistische eenheden en hun indeling

1.54 Het ESR 2010-systeem gebruikt twee soorten eenheden en twee overeenkomstige indelingen van de economie, die geheel van elkaar verschillen en elk voor bepaalde analytische doeleinden bestemd zijn.

1.55 Aan het eerste doel, namelijk de beschrijving van inkomens-, bestedings- en financiële stromen en balansen, wordt voldaan door institutionele eenheden op basis van hun hoofdfuncties, gedrag en doelstellingen tot sectoren samen te voegen.

1.56 Aan het tweede doel, namelijk de beschrijving van productieprocessen en het maken van input-outputanalysen wordt voldaan door eenheden van economische activiteit op lokaal niveau (lokale EEA's) op basis van de aard van hun activiteit tot bedrijfstakken samen te voegen. Een activiteit wordt gekenmerkt door een input van producten, een productieproces en een output van producten.

Institutionele eenheden en sectoren

1.57 Institutionele eenheden zijn economische entiteiten die zelfstandig goederen en activa kunnen bezitten, verplichtingen kunnen aangaan en economische activiteiten en transacties met andere eenheden kunnen verrichten. Voor het ESR-systeem zijn de institutionele eenheden ingedeeld in vijf elkaar uitsluitende binnenlandse institutionele sectoren:

a) niet-financiële vennootschappen;

b) financiële instellingen;

c) overheid;

d) huishoudens;

e) instellingen zonder winstoogmerk ten behoeve van huishoudens.

De vijf sectoren vormen tezamen de totale binnenlandse economie. Iedere sector is onderverdeeld in subsectoren. Dankzij het ESR 2010-systeem kan een volledig rekeningenstelsel (inclusief balansen) worden samengesteld voor iedere sector en subsector, alsmede voor de totale economie. Niet-ingezeten eenheden kunnen betrekkingen aangaan met deze vijf binnenlandse sectoren; de interacties worden in dat geval weergegeven tussen de binnenlandse sectoren en een zesde institutionele sector, de sector buitenland.

Eenheden van economische activiteit op lokaal niveau (lokale EEA's) en bedrijfstakken

1.58 Wanneer institutionele eenheden meer dan één activiteit verrichten, worden zij opgesplitst op basis van de aard van de economische activiteit. Lokale EEA's maken deze presentatie mogelijk.

Een lokale EEA omvat alle delen van een institutionele eenheid in haar hoedanigheid van producent die op één enkele locatie of op een paar dicht bijeen gelegen locaties zijn gevestigd en die bijdragen aan de uitvoering van een activiteit op viercijferniveau (klassen) van de NACE Rev. 2.

1.59 Voor elke nevenactiviteit wordt een lokale EEA gecreëerd; indien voor een afzonderlijke beschrijving van een dergelijke activiteit de benodigde boekhouding ontbreekt, zal een lokale EEA meerdere nevenactiviteiten combineren. Alle lokale EEA's die dezelfde of soortgelijke activiteiten verrichten, vormen tezamen een bedrijfstak.

Een institutionele eenheid omvat één of meer lokale EEA's; een lokale EEA behoort steeds tot slechts één institutionele eenheid.

1.60 Voor de analyse van het productieproces wordt gebruikgemaakt van een analytische productie-eenheid. Deze eenheid is alleen waarneembaar wanneer een lokale EEA één soort product voortbrengt, zonder dat zij nevenactiviteiten verricht. Deze eenheid wordt homogene productie-eenheid genoemd. Door deze eenheden samen te voegen, worden homogene branches verkregen.

Ingezeten en niet-ingezeten eenheden; totale economie en buitenland

1.61 De gehele economie bestaat uit de ingezeten eenheden. Een in een land ingezeten eenheid heeft een economisch hoofdbelangencentrum in het economische gebied van dat land — d.w.z. zij verricht gedurende een periode van minimaal één jaar economische activiteiten in dat gebied. De in punt 1.57 genoemde institutionele sectoren zijn groepen ingezeten institutionele eenheden.

1.62 Ingezeten eenheden kunnen transacties aangaan met niet-ingezeten eenheden (d.w.z. eenheden die ingezetene zijn van een andere economie). Gesproken wordt dan van transacties met het buitenland, die in de buitenlandrekening worden opgenomen. Het buitenland speelt dus een rol die overeenkomt met die van een institutionele sector; niet-ingezeten eenheden worden echter alleen geregistreerd voor zover zij betrokken zijn bij transacties met ingezeten institutionele eenheden.

1.63 Fictieve ingezeten eenheden, die in het ESR 2010-systeem als institutionele eenheden worden beschouwd, zijn:

a) die delen van niet-ingezeten eenheden die een economisch hoofdbelangencentrum hebben in het economische gebied van het land (dat wil gewoonlijk zeggen dat zij daar voor minimaal één jaar economische transacties uitvoeren);

b) niet-ingezeten eenheden in hun hoedanigheid van eigenaar van grond of gebouwen in het economische gebied van het land, maar alleen voor zover het transacties met betrekking tot deze grond en gebouwen betreft.

Stromen en standen

1.64 Er worden twee basissoorten informatie geregistreerd: stromen en standen.

Stromen hebben betrekking op acties en gevolgen van gebeurtenissen die tijdens een bepaalde periode plaatsvinden, terwijl standen betrekking hebben op momentopnamen.

Stromen

1.65 Stromen weerspiegelen het ontstaan, transformeren, ruilen, overdragen of teloorgaan van economische waarden. Zij hebben betrekking op veranderingen in de waarde van de activa of passiva van een institutionele eenheid. Er zijn twee soorten economische stromen: transacties en overige mutaties in activa.

Transacties komen voor in alle rekeningen en tabellen waar ook stromen voorkomen, behalve in de rekening voor overige volumemutaties in activa en de herwaarderingsrekening. Alleen in deze twee rekeningen worden overige mutaties in activa geregistreerd.

Elementaire transacties en andere stromen worden naargelang van hun aard ingedeeld in een betrekkelijk klein aantal soorten.

1.66 Een transactie is een economische stroom, d.w.z. een interactie met wederzijdse instemming tussen institutionele eenheden of een actie binnen een institutionele eenheid, waarvan het zinvol is deze als transactie te beschouwen, omdat de eenheid in twee verschillende hoedanigheden functioneert. Transacties worden in vier hoofdgroepen ingedeeld:

a) transacties in producten: beschrijven de oorsprong (binnenlandse output of invoer) en het gebruik van producten (intermediair verbruik, finale consumptie, investering — waaronder het verbruik van vaste activa valt — of uitvoer);

b) verdelingstransacties: beschrijven hoe de bij de productie gegenereerde toegevoegde waarde over arbeid, kapitaal en overheid wordt verdeeld, en hoe inkomen en vermogen worden herverdeeld (inkomsten- en vermogensbelasting, en andere overdrachten);

c) financiële transacties: beschrijven de mutaties van de financiële activa en passiva voor elk type financieel instrument. Dergelijke transacties komen niet alleen voor als tegenhanger van niet-financiële transacties, maar ook als transacties met uitsluitend financiële instrumenten;

d) overige transacties: saldo van aan- en verkopen van niet-geproduceerde niet-financiële activa.

1.67 De meeste transacties zijn interacties tussen twee of meer institutionele eenheden. In het ESR 2010-systeem worden bepaalde acties binnen een institutionele eenheid echter ook als transactie geregistreerd. Met de registratie van deze interne transacties wordt beoogd een analytisch bruikbaarder beeld van output, finaal gebruik en kosten te geven.

1.68 Het verbruik van vaste activa, in het ESR 2010-systeem geregistreerd als kosten, is een interne transactie. De meeste andere interne transacties zijn transacties in producten, die worden geregistreerd wanneer een institutionele eenheid die zowel producent als finale consument is, een deel van haar output zelf verbruikt. Dit is vaak het geval bij huishoudens en de overheid.

1.69 Alle output van een institutionele eenheid voor eigen finaal gebruik wordt geregistreerd. Output die voor eigen intermediair verbruik bestemd is, mag daarentegen alleen worden geregistreerd wanneer de productie en het intermediair verbruik in verschillende lokale EEA's van de institutionele eenheid plaatsvinden. Output van een lokale EEA voor eigen intermediair verbruik mag niet worden geregistreerd.

1.70 Transacties zijn monetaire transacties wanneer de betrokken eenheden geld betalen of ontvangen, dan wel in geld uitgedrukte verplichtingen aangaan of activa verwerven.

Transacties die geen overdracht van contant geld, noch in geld luidende activa of verplichtingen behelzen, zijn niet-monetaire transacties. Interne transacties zijn niet-monetair. Niet-monetaire transacties tussen twee of meer institutionele eenheden komen voor bij de transacties in producten (ruil), verdelingstransacties (beloning in natura, overdrachten in natura enz.) en overige transacties (ruil van niet-geproduceerde, niet-financiële activa). Het ESR 2010-systeem registreert alle transacties in monetaire termen. De waarde van niet-monetaire transacties moet derhalve indirect worden gemeten of anderszins worden geraamd.

1.71 Er zijn twee soorten transacties waarbij meer dan één eenheid betrokken is. Het kan gaan om „iets voor iets”-transacties, d.w.z. bilaterale transacties, of om „iets voor niets”-transacties, d.w.z. unilaterale transacties. Bij bilaterale transacties worden goederen, diensten of activa tussen institutionele eenheden uitgewisseld in ruil voor een tegenprestatie, bijvoorbeeld geld. Unilaterale transacties zijn betalingen in contant geld of in natura van een institutionele eenheid aan een andere zonder tegenprestatie. Bilaterale transacties komen voor in alle vier groepen transacties, terwijl unilaterale transacties voornamelijk verdelingstransacties zijn, bijvoorbeeld belastingen, sociale bijstandsuitkeringen of giften. Dergelijke unilaterale transacties worden overdrachten genoemd.

1.72 Transacties worden op dezelfde wijze geregistreerd als zij zich aan de betrokken institutionele eenheden voordoen. Sommige transacties worden echter herordend om de onderliggende economische relaties beter te doen uitkomen. Dit kan op drie manieren: omleiding, splitsing en vaststelling van de principaal van een transactie.

1.73 Een transactie die voor de betrokken eenheden rechtstreeks plaatsvindt tussen de eenheden A en C, kan in de rekeningen worden geregistreerd alsof deze indirect, via een derde eenheid B, plaatsvindt. De enkelvoudige transactie tussen A en C wordt dan geregistreerd in twee transacties: één tussen A en B, en één tussen B en C. In dit geval wordt de transactie omgeleid.

1.74 Een voorbeeld van omleiding is de wijze waarop sociale premies ten laste van werkgevers, die door dezen rechtstreeks aan socialeverzekeringsfondsen worden afgedragen, in de rekeningen worden geregistreerd. Dergelijke betalingen worden als twee transacties geregistreerd: werkgevers betalen de sociale premies t.l.v. werkgevers aan hun werknemers, en de werknemers betalen dezelfde premies aan de socialeverzekeringsfondsen. Zoals dit voor alle vormen van omleiding geldt, is deze registratiewijze bedoeld om de economische realiteit achter de transactie aan het licht te brengen; in dit geval wordt getoond dat de door werkgevers afgedragen sociale premies worden betaald ten bate van hun werknemers.

1.75 Een andere vorm van omleiding betreft de registratie van transacties tussen twee of meer institutionele eenheden, hoewel er volgens de betrokken partijen in het geheel geen transactie heeft plaatsgevonden. Een voorbeeld is de behandeling van inkomen uit vermogen dat wordt verdiend op bepaalde verzekeringsfondsen, en dat door de verzekeringsmaatschappijen wordt ingehouden. Het systeem registreert dit inkomen uit vermogen alsof het door verzekeringsmaatschappijen is betaald aan de polishouders, die vervolgens hetzelfde bedrag als aanvullende premie terugbetalen aan de verzekeringsmaatschappijen.

1.76 Wanneer een in de ogen van de betrokken partijen enkelvoudige transactie wordt geregistreerd als twee of meer verschillend ingedeelde transacties, is er sprake van splitsing. Splitsing van transacties impliceert niet dat andere eenheden bij de transacties betrokken zijn.

1.77 De betaling van schadeverzekeringspremies is een typisch voorbeeld van een gesplitste transactie. Polishouders en verzekeraars zullen dergelijke betalingen als één enkele transactie beschouwen, maar in het ESR 2010-systeem worden deze in twee geheel verschillende transacties gesplitst: betalingen voor verleende schadeverzekeringsdiensten, en nettoschadeverzekeringspremies. Een ander voorbeeld van splitsing is de registratie van de verkoop van een product als de verkoop van het product en de verkoop van een handelsmarge.

1.78 Wanneer een eenheid een transactie verricht ten behoeve van een andere eenheid (de principaal) en door die eenheid wordt gefinancierd, wordt de transactie uitsluitend in de rekeningen van de principaal geregistreerd. Men moet bij de toepassing van dit beginsel niet te ver gaan door bijvoorbeeld te proberen op grond van bepaalde veronderstellingen belastingen of subsidies toe te rekenen aan de uiteindelijke betalers of begunstigden.

Een voorbeeld hiervan is de inning van belastingen door een overheidseenheid namens een andere overheidseenheid. Een belasting wordt toegerekend aan de overheidseenheid die bevoegd is de belasting op te leggen (hetzij als principaal, hetzij via de gedelegeerde bevoegdheid van de principaal) en in laatste instantie beslist over de vaststelling van het belastingtarief en van uiteenlopende tarieven.

1.79 De definitie van een transactie gaat ervan uit dat een interactie tussen institutionele eenheden met wederzijdse instemming plaatsvindt. Dit impliceert dat de institutionele eenheden er kennis van hadden en er toestemming voor gaven. De betaling van belastingen, schadevergoedingen en boetes geschiedt met wederzijdse instemming in die zin dat de betaler een aan de wet van het land onderworpen burger is. Niet-gecompenseerde confiscaties van activa worden echter niet als transactie beschouwd, ook al zijn zij wettelijk voorgeschreven.

Illegale economische activiteiten moeten als transactie worden beschouwd wanneer alle betrokken eenheden met wederzijdse instemming aan de activiteiten deelnemen. Koop, verkoop of ruil van verboden verdovende middelen of van gestolen goederen zijn derhalve transacties, maar diefstal is dat niet.

1.80 Onder overige mutaties in activa vallen mutaties die niet het gevolg zijn van transacties. Het betreft:

a) overige volumemutaties in activa en passiva, of

b) waarderingsverschillen.

1.81 Overige volumemutaties in activa en passiva worden verdeeld in drie hoofdcategorieën:

a) normaal ontstaan en verlies van activa, anders dan via transacties;

b) mutaties in activa en passiva door uitzonderlijke, onverwachte gebeurtenissen die niet van economische aard zijn;

c) wijzigingen in classificatie en structuur.

1.82 Voorbeelden van mutaties die vallen onder de categorie als bedoeld in punt 1.81, onder a), zijn de ontdekking of uitputting van minerale reserves en de natuurlijke aanwas van niet in cultuur gebrachte biologische hulpbronnen. Voorbeelden van wijzigingen in de categorie als bedoeld in punt 1.81, onder b), zijn verliezen van activa door natuurrampen, oorlog of ernstige misdrijven. Eenzijdige kwijtschelding van schulden en niet-gecompenseerde confiscaties van activa behoren eveneens tot categorie b). Een voorbeeld van een wijziging in de categorie als bedoeld in punt 1.81, onder c), is de herclassificatie van een institutionele eenheid in een andere sector.

1.83 Waarderingsverschillen doen zich voor bij veranderingen van de prijzen van activa. Zij komen voor bij alle soorten financiële en niet-financiële activa, en bij passiva. Voor de bezitters van activa en passiva ontstaan waarderingsverschillen uitsluitend als gevolg van het enige tijd in bezit hebben van activa of passiva, zonder dat zij deze transformeren.

1.84 Waarderingsverschillen die worden gemeten aan de hand van de geldende marktprijzen, worden nominale waarderingsverschillen genoemd. Deze kunnen worden onderverdeeld in neutrale waarderingsverschillen, die veranderingen in het algemene prijsniveau weerspiegelen, en reële waarderingsverschillen, die veranderingen in de prijzen van de activa bovenop de algemene prijsverandering weergeven.

Standen

1.85 Standen zijn de activa en passiva die op een bepaald moment in het bezit van een eenheid zijn. Standen worden geregistreerd aan het begin en aan het einde van elke verslagperiode. Rekeningen die standen registreren, worden balansen genoemd.

1.86 Er worden ook standen geregistreerd voor de bevolking en de werkzame personen. Dergelijke standen worden echter geregistreerd als gemiddelde voor de verslagperiode. Standen worden geregistreerd voor alle activa die binnen het kader van het systeem vallen, d.w.z. voor financiële activa en passiva en voor niet-financiële activa, zowel geproduceerde als niet-geproduceerde. Wel worden alleen activa in aanmerking genomen die voor een economische activiteit worden gebruikt en waarover eigendomsrechten kunnen worden uitgeoefend.

1.87 Er worden dus geen standen geregistreerd van activa zoals menselijk kapitaal en van natuurlijke hulpbronnen die geen eigenaar hebben.

Het ESR 2010-systeem omvat, binnen zijn grenzen, alle stromen en standen. Alle balansmutaties kunnen daarom volledig worden verklaard aan de hand van de geregistreerde stromen.

Het rekeningenstelsel en de aggregaten

Registratieregels

1.88 Een rekening registreert veranderingen in waarde die voor een eenheid of sector ontstaan naargelang van de aard van de economische stromen die in de rekening worden weergegeven. Een rekening is een tabel met twee kolommen. De lopende rekeningen zijn de rekeningen waarin de productie, de inkomensvorming en -bestemming, de inkomensverdeling en -herverdeling en de inkomensbesteding worden weergegeven. De accumulatierekeningen zijn de kapitaalrekening, de financiële rekeningen en de rekening voor overige volumemutaties.

1.89 In het ESR 2010-systeem staan de „middelen” aan de rechterzijde van de lopende rekeningen, waar transacties worden opgenomen die de economische waarde van een eenheid of sector verhogen. Aan de linkerzijde van de rekeningen staan de „bestedingen” — transacties die de economische waarde verminderen. Aan de rechterzijde van de accumulatierekeningen staan de „mutaties in passiva en vermogenssaldo”, en aan de linkerzijde de „mutaties in activa”. Balansen worden gepresenteerd met de „passiva en vermogenssaldo” (het vermogenssaldo is het verschil tussen activa en passiva) aan de rechterzijde en de „activa” aan de linkerzijde. Vergelijking van twee opeenvolgende balansen resulteert in de mutaties in passiva en vermogenssaldo, en de mutaties in activa.

1.90 In het ESR wordt een onderscheid gemaakt tussen juridische eigendom en economische eigendom. Het criterium voor de registratie van de overdracht van goederen van een eenheid aan een andere is dat de economische eigendom overgaat van de ene op de andere. De juridische eigenaar is de eenheid die volgens de wet recht heeft op de voordelen van het bezit. Een juridische eigenaar kan echter met een andere eenheid overeenkomen dat laatstgenoemde de risico's en de voordelen van het gebruik van de goederen bij de productie aanvaardt in ruil voor een overeengekomen vergoeding. Bij deze overeenkomst gaat het om financiële lease, waarbij de betalingen alleen betrekking hebben op de beschikbaarstelling van het actief door de verstrekker aan de lener. Wanneer bijvoorbeeld een bank de juridische eigenaar van een vliegtuig is, maar met een luchtvaartmaatschappij een financiëleleaseovereenkomst voor de exploitatie van het vliegtuig sluit, wordt de luchtvaartmaatschappij als eigenaar van het vliegtuig beschouwd voor zover het transacties in de rekeningen betreft. Op het moment dat de luchtvaartmaatschappij als koper van het vliegtuig wordt opgevoerd, wordt een lening van de bank aan de luchtvaartmaatschappij toegerekend voor de bedragen die in de toekomst voor het gebruik van het vliegtuig verschuldigd zijn.

1.91 Voor een bepaalde eenheid of sector zijn de nationale rekeningen gebaseerd op het beginsel van dubbele registratie. Iedere transactie moet tweemaal worden opgenomen, eenmaal bij de middelen (of de mutaties in passiva) en eenmaal bij de bestedingen (of de mutaties in activa). Het totaal van de transacties die als middelen of als mutatie in passiva worden geregistreerd, moet gelijk zijn aan het totaal van de transacties die als bestedingen of als mutaties in activa worden geregistreerd, zodat de consistentie binnen het rekeningenstelsel kan worden gecontroleerd.

1.92 De nationale rekeningen moeten — voor alle eenheden en sectoren — gebaseerd zijn op het beginsel van viervoudige registratie, omdat bij de meeste transacties twee institutionele eenheden betrokken zijn. Elke transactie wordt tweemaal geregistreerd bij beide betrokken eenheden. Zo wordt een sociale uitkering in geld, betaald door een overheidseenheid aan een huishouden, in de rekeningen van de overheid als een besteding onder overdrachten en als een onttrekking van activa onder chartaal geld en deposito's geregistreerd; in de rekeningen van de sector huishoudens wordt zij geregistreerd als middel onder overdrachten en als verwerving van activa onder chartaal geld en deposito's.

1.93 Transacties binnen eenzelfde eenheid (zoals de consumptie van eigen output) vereisen slechts twee boekingen, waarvan de waarde moet worden geraamd.

Waardering

1.94 Met uitzondering van enkele variabelen betreffende bevolking en arbeid geeft het ESR 2010-systeem alle stromen en standen in monetaire termen weer. Stromen en standen worden gemeten naar hun ruilwaarde, d.w.z. de waarde waartegen stromen en standen feitelijk zijn of kunnen worden ingewisseld voor geld. Waardebepaling vindt in het ESR derhalve plaats op basis van marktprijzen.

1.95 Bij monetaire transacties en activa en passiva in geld zijn de gezochte waarden direct beschikbaar. In de meeste andere gevallen is de beste waarderingsmethode de methode die gebaseerd is op marktprijzen voor vergelijkbare goederen, diensten of activa. Deze methode wordt bijvoorbeeld gebruikt bij ruilhandel en bij de productie van woondiensten door bewoners van een eigen huis. Indien er geen marktprijzen voor vergelijkbare producten beschikbaar zijn, bijvoorbeeld in geval van door de overheid geproduceerde niet-marktdiensten, vindt de waardering plaats door de productiekosten op te tellen. Indien er geen marktprijs is waarop de waardering kan worden gebaseerd en de kosten niet beschikbaar zijn, kunnen stromen en standen worden gewaardeerd tegen de contante waarde van verwachte opbrengsten in de toekomst. Laatstgenoemde methode mag alleen als laatste hulpmiddel worden toegepast.

1.96 Standen worden gewaardeerd tegen de geldende prijzen op het moment waarop de balans betrekking heeft, niet die op het moment van productie of aankoop van de goederen of activa waarop de stand betrekking heeft. Het is noodzakelijk standen te waarderen tegen hun geraamde gedeprecieerde aankoopwaarde of productiekosten in lopende prijzen.

1.97 Als gevolg van de vervoerskosten, de handelsmarges en het saldo van productgebonden belastingen en subsidies geven de producent en de gebruiker gewoonlijk een verschillende waarde aan een bepaald product. Teneinde zo dicht mogelijk aan te sluiten bij de perceptie van de betrokken partijen, registreert het ESR 2010-systeem alle bestedingen tegen aankoopprijzen, d.w.z. inclusief vervoerskosten, handelsmarges en het saldo van productgebonden belastingen en subsidies, terwijl de output wordt geregistreerd tegen basisprijzen, waarbij deze elementen buiten beschouwing blijven.

1.98 In- en uitvoer van producten moeten worden geregistreerd tegen de waarde aan de grens. Alle invoer en uitvoer wordt gewaardeerd aan de grens van het land van uitvoer of „free on board” (fob). Door buitenlandse ondernemingen verleende vervoers- en verzekeringsdiensten voor het traject tussen de grens van het land van uitvoer en het land van invoer zijn niet begrepen in de waarde van de goederen, maar worden als diensten geregistreerd. Aangezien het soms niet mogelijk is fob-waarden te verkrijgen voor gedetailleerde productindelingen, geven de tabellen met uitvoerige gegevens over de buitenlandse handel de invoer tegen de prijs vanaf de grens van het land van invoer (cif-waarde). Alle vervoers- en verzekeringsdiensten tot aan de grens van het land van invoer zijn dan begrepen in de waarde van de ingevoerde goederen. Wanneer het hierbij gaat om door binnenlandse ondernemingen verleende diensten, wordt in de presentatie een globale cif/fob-correctie aangebracht.

1.99 Een waardering in constante prijzen betekent dat de stromen en standen in een bepaalde verslagperiode worden gewaardeerd tegen de prijzen van een voorgaande periode, om zo veranderingen in de waarde van stromen en standen in de loop der tijd te ontleden in prijsveranderingen en volumeveranderingen. Bij de beschrijving van stromen en standen in constante prijzen wordt de term volume gebruikt.

1.100 Veel stromen en standen, zoals inkomen, hebben zelf geen prijs- en volumecomponent. De koopkracht van dergelijke variabelen kan echter worden verkregen door de lopende waarde te defleren aan de hand van een geschikt prijsindexcijfer, bijvoorbeeld dat van de nationale finale bestedingen exclusief veranderingen in voorraden. Bij de beschrijving van gedefleerde stromen en standen wordt de term reëel gebruikt. Een voorbeeld is het reëel beschikbaar inkomen.

Moment van registratie

1.101 Stromen worden op transactiebasis geregistreerd, d.w.z. op het moment dat de economische waarde tot stand komt, wordt gewijzigd of verloren gaat, dan wel op het moment dat aanspraken en verplichtingen tot stand komen, worden getransformeerd of worden geannuleerd.

1.102 De output van goederen en diensten wordt geregistreerd op het moment van productie en niet wanneer een koper ervoor betaalt. De verkoop van een actief wordt geregistreerd op het moment dat het bezit overgaat en niet wanneer betaling plaatsvindt. Rente wordt geregistreerd in de verslagperiode waarin deze wordt gevormd, ongeacht of de rente in die periode wordt uitbetaald. Registratie op transactiebasis wordt toepast op alle stromen, zowel monetaire als niet-monetaire stromen en zowel stromen binnen een eenheid als stromen tussen eenheden.

1.103 Het kan nodig zijn deze aanpak te versoepelen voor belastingen en andere stromen betreffende de overheid, die in de overheidsrekeningen vaak op kasbasis worden geregistreerd. Het kan moeilijk zijn dergelijke stromen op kasbasis exact om te zetten in stromen op transactiebasis, en daarom mag een benaderende methode worden toegepast.

1.104 Bij wijze van uitzondering op de algemene regels voor de registratie van aan de overheid verschuldigde belastingen en sociale premies kunnen deze worden geregistreerd zonder het gedeelte dat waarschijnlijk niet zal worden geïnd; indien dit gedeelte wel is inbegrepen, wordt dit in dezelfde verslagperiode geneutraliseerd door een kapitaaloverdracht van de overheid naar de desbetreffende sectoren.

1.105 Stromen worden voor alle betrokken institutionele eenheden en in alle rekeningen op hetzelfde moment geregistreerd. Institutionele eenheden passen niet altijd dezelfde registratieregels toe. Ook wanneer zij dit wel doen, kunnen er in de praktijk nog verschillen optreden in de feitelijke registratie, bijvoorbeeld door vertragingen in de communicatie. Daarom kunnen transacties door de betrokken partijen op verschillende tijdstippen worden geregistreerd. Dergelijke discrepanties worden verwijderd door correcties.

Consolidatie en saldering

1.106 Consolidatie is de eliminatie, zowel bij de middelen als bij de bestedingen, van transacties tussen eenheden wanneer die eenheden worden samengevoegd, alsmede de eliminatie van onderlinge vorderingen en verplichtingen. Dit komt vaak voor wanneer de rekeningen van subsectoren van de overheid worden gecombineerd.

1.107 Als beginsel dienen stromen en standen tussen samenstellende eenheden binnen subsectoren of sectoren niet te worden geconsolideerd.

1.108 Er kunnen wel geconsolideerde rekeningen worden opgesteld voor aanvullende tabellen en analysen. Informatie over de transacties van dergelijke (sub)sectoren met andere sectoren en de daarmee overeenstemmende „externe” financiële positie kan relevanter zijn dan brutocijfers.

1.109 Bovendien geven de rekeningen en tabellen betreffende de crediteur/debiteurrelatie een gedetailleerd beeld van de financiering van de economie en bieden zij een zeer goed inzicht in de kanalen waarlangs de financieringsoverschotten zich bewegen van uiteindelijke geldverschaffers naar uiteindelijke geldnemers.

1.110 Individuele eenheden of sectoren kunnen dezelfde soort transactie zowel aan de bestedingen- als aan de middelenzijde hebben (bv. zij betalen en ontvangen rente); ook kunnen zij hetzelfde soort financieel instrument als actief en als passief hebben. In het ESR is gekozen voor brutoregistratie, afgezien van het niveau van saldering dat inherent is aan de classificaties zelf.

1.111 Saldering is per definitie begrepen in diverse transactiecategorieën, met als bekendste voorbeeld de „veranderingen in voorraden”, waarbij het analytisch relevante aspect van de totale investeringen beter uitkomt dan bij het dagelijks noteren van toevoegingen en onttrekkingen. In de financiële rekening en in de rekening voor overige mutaties in activa wordt de toename van activa en passiva, op een paar uitzonderingen na, netto geregistreerd, zodat een beeld wordt verkregen van het eindresultaat van deze stromen aan het einde van de verslagperiode.

Rekeningen, saldi en aggregaten

1.112 Voor eenheden of groepen eenheden worden in diverse rekeningen transacties geregistreerd die verband houden met een aspect van de economie (bv. productie). Voor de productierekening zullen de transacties geen evenwicht tussen bestedingen en middelen te zien geven wanneer geen saldopost is ingevoerd. Zo moet ook een saldopost (vermogenssaldo) worden ingevoerd tussen het totaal aan activa en het totaal aan passiva van een institutionele eenheid of sector. Saldi zijn op zichzelf belangrijk bij het meten van economische prestaties. Indien zij voor de gehele economie worden gesommeerd, zijn zij relevante aggregaten.

Het rekeningenstelsel

1.113 Het ESR 2010-systeem is opgebouwd uit een reeks onderling verbonden rekeningen. Een volledig rekeningenstelsel voor de institutionele eenheden en sectoren bestaat uit lopende rekeningen, accumulatierekeningen en balansen.

1.114 De lopende rekeningen behandelen de productie, de inkomensvorming, de inkomensverdeling en -herverdeling, en de besteding van dergelijk inkomen in de vorm van finale consumptie. Accumulatierekeningen hebben betrekking op de mutaties in activa en passiva en in het vermogenssaldo (het verschil tussen de activa en passiva van een institutionele eenheid of groep eenheden). Balansen geven de stand van activa en passiva en het vermogenssaldo weer.

1.115 Het rekeningenstelsel voor lokale EEA's en bedrijfstakken is beperkt tot de eerste lopende rekeningen: productierekening en inkomensvormingsrekening, waarvan het exploitatieoverschot het saldo is.

Goederen-en-dienstenrekening

1.116 De goederen-en-dienstenrekening geeft, voor de gehele economie of voor productgroepen, een beeld van de totale middelen (output en invoer) en bestedingen van goederen en diensten (intermediair verbruik, finale consumptie, veranderingen in voorraden, bruto-investeringen in vaste activa, saldo van aan- en verkopen van kostbaarheden, en uitvoer). Deze rekening is geen rekening in dezelfde zin als de andere rekeningen in het stelsel en levert geen saldo op dat wordt overgebracht naar de volgende rekening in het stelsel. Het is veeleer de presentatie in tabelvorm van een boekhoudkundige identiteit, volgens welke voor alle producten en productgroepen in de economie het aanbod gelijk is aan de vraag.

Buitenlandrekening

1.117 De buitenlandrekening betreft de transacties tussen ingezeten en niet-ingezeten institutionele eenheden, en de hiermee verband houdende standen aan activa en passiva.

Aangezien het buitenland in de rekeningenstructuur een soortgelijke rol speelt als een institutionele sector, wordt de buitenlandrekening opgesteld vanuit het oogpunt van het buitenland. Middelen voor het buitenland zijn bestedingen voor de totale economie en omgekeerd. Indien een saldo positief is, betekent dit een overschot voor het buitenland en een tekort voor het betrokken land, en vice versa.

De buitenlandrekening verschilt van de andere sectorrekeningen doordat zij niet alle boekhoudkundige transacties in het buitenland weergeeft, maar alleen die waarbij een van de betrokken partijen deel uitmaakt van de binnenlandse economie die wordt gemeten.

Saldi

1.118 Een saldo wordt verkregen door van de totale waarde van de posten aan de ene zijde van een rekening de totale waarde van de posten aan de andere zijde af te trekken.

Saldi bevatten veel informatie en behoren tot de belangrijkste posten in de rekeningen, zoals de volgende voorbeelden van saldi aantonen: toegevoegde waarde, exploitatieoverschot, beschikbaar inkomen, besparingen en vorderingenoverschot (+) c.q. –tekort (–).

Hieronder is het rekeningenstelsel in de vorm van een stroomschema weergegeven — elk saldo is vet aangegeven.

image

1.119 De eerste rekening in het stelsel is de productierekening, waarin de output en de input van het productieproces worden geregistreerd, met de toegevoegde waarde als saldo.

1.120 De toegevoegde waarde wordt overgebracht naar de volgende rekening, de inkomensvormingsrekening. In deze rekening worden de beloning van werknemers in het productieproces en de uit hoofde van de productie aan de overheid verschuldigde belastingen geregistreerd, zodat voor elke sector het exploitatieoverschot (of het gemengde inkomen van de zelfstandigen in de sector huishoudens) als saldo kan worden afgeleid. Deze stap is noodzakelijk om de toegevoegde waarde, die in de producerende sector als exploitatieoverschot of gemengd inkomen wordt overgehouden, te kunnen meten.

1.121 Daarna wordt de toegevoegde waarde, verdeeld over beloning van werknemers, belastingen en exploitatieoverschot/gemengd inkomen, overgebracht naar de rekening voor bestemming van primaire inkomens. Door deze uitsplitsing kan elk factorinkomen worden toegerekend aan de ontvangende sector, in tegenstelling tot de producerende sector. Zo wordt de beloning van werknemers verdeeld over de sector huishoudens en de sector buitenland, terwijl het exploitatieoverschot blijft in de sector vennootschappen waar het werd gegenereerd. In deze rekening worden ook de inkomensstromen uit vermogen naar en uit de sector geregistreerd, zodat het saldo wordt gevormd door het saldo primaire inkomens die naar de sector stromen.

1.122 In de volgende rekening wordt de herverdeling van deze inkomens door overdrachten geregistreerd — de secundaire inkomensverdelingsrekening. De belangrijkste herverdelingsinstrumenten zijn de overheidsbelastingen en de sociale uitkeringen die door de sector huishoudens worden betaald respectievelijk ontvangen. Het saldo is het beschikbaar inkomen.

1.123 De volgende stap in de hoofdas van het rekeningenstelsel is de rekening voor besteding van het beschikbaar inkomen; dit is een voor de sector huishoudens relevante rekening omdat hierin de finale bestedingen van huishoudens worden geregistreerd, met als saldo de besparingen van huishoudens.

1.124 Tegelijkertijd wordt een parallelle rekening gecreëerd, de tertiaire inkomensverdelingsrekening. Deze rekening is specifiek bedoeld om de sociale overdrachten in natura als toegerekende overdracht van de overheid aan de sector huishoudens weer te geven, zodat het inkomen van huishoudens kan stijgen met de waarde van de door de overheid verstrekte individuele diensten. In de volgende rekening (de rekening voor besteding van het alternatief beschikbaar inkomen) wordt de besteding van het beschikbaar inkomen door huishoudens met hetzelfde bedrag verhoogd, alsof de sector huishoudens de door de overheid verstrekte individuele diensten had gekocht. Deze twee toerekeningen compenseren elkaar, zodat het saldo wordt gevormd door de besparingen, die identiek zijn aan de besparingen in de hoofdas van het rekeningenstelsel.

1.125 De besparingen worden overgebracht naar de kapitaalrekening, waar zij worden gebruikt om investeringen te financieren, waardoor kapitaaloverdrachten naar en uit de sectoren mogelijk worden. Onderbesteding of overbesteding bij de verwerving van reële activa resulteert in het saldo vorderingenoverschot (+) c.q. –tekort (–). Het vorderingenoverschot is een overschot dat is uitgeleend, en het vorderingentekort is de financiering van een tekort.

1.126 Ten slotte zijn er de financiële rekeningen, waarin de verstrekte en de opgenomen gelden voor elke sector in detail worden weergegeven zodat als saldo het vorderingenoverschot (+) c.q. –tekort (–) wordt verkregen. Dit moet precies overeenstemmen met het saldo vorderingenoverschot (+) c.q. -tekort (–) van de kapitaalrekening; eventuele verschillen moeten verschillen in meting zijn tussen de reële en de financiële registratie van economische activiteit.

1.127 In de onderste rij van het schema is de rekening links de beginbalans, waarin de stand van alle activa en passiva, zowel reële als financiële, aan het begin van een bepaalde periode wordt weergegeven. Het vermogen van een economie wordt gemeten aan de hand van het vermogenssaldo (activa minus passiva) dat onderaan in de balans staat.

1.128 Rechts van de beginbalansen worden de verschillende mutaties in activa en passiva geregistreerd die zich in de verslagperiode voordoen. De kapitaalrekening en de financiële rekening geven de mutaties als gevolg van respectievelijk transacties in reële activa en financiële activa en passiva weer. Zonder andere effecten zou onmiddellijk de eindpositie kunnen worden berekend door optelling van de mutaties bij de beginpositie.

1.129 Er kunnen zich echter veranderingen voordoen buiten de economische kringloop van productie en consumptie, en dergelijke veranderingen zullen van invloed zijn op de waarden van activa en passiva aan het einde van de periode. Onder die veranderingen vallen onder meer volumemutaties in activa — reële mutaties in vaste activa die worden teweeggebracht door gebeurtenissen die geen deel uitmaken van de economie. Een voorbeeld daarvan is een verlies als gevolg van een natuurramp — een zware aardbeving waarbij een aanzienlijk deel van de activa wordt vernietigd zonder dat dit het gevolg is van een economische transactie in de vorm van ruil of overdracht. Dit verlies moet in de rekening voor overige volumemutaties worden geregistreerd als verklaring voor de lagere dan louter op basis van economische activiteiten te verwachten stand van de activa. Een tweede manier waarop activa (en passiva) in waarde kunnen veranderen zonder dat dit het gevolg is van een economische transactie, is door een verandering in prijs die leidt tot waarderingsverschillen in de stand van de activa. Deze verandering wordt in de herwaarderingsrekening geregistreerd. Door rekening te houden met deze twee extra effecten op de waarden van de stand van activa en passiva kunnen de waarden van de eindbalans worden geraamd als de beginpositie gecorrigeerd voor de mutaties in de stroomrekeningen in de onderste rij van het schema.

Aggregaten

1.130 Aggregaten zijn samengestelde waarden die de resultaten van de activiteit van de totale economie meten: output, toegevoegde waarde, beschikbaar inkomen, finale consumptie, besparingen, investeringen enz. Hoewel de berekening van de aggregaten niet het enige doel van het ESR is, zijn zij belangrijk als beknopte indicatoren voor macro-economisch onderzoek en vergelijkingen in tijd en ruimte.

1.131 Er worden twee soorten aggregaten onderscheiden:

a) aggregaten die rechtstreeks betrekking hebben op transacties in het ESR 2010-systeem, zoals de output van goederen en diensten, de finale consumptie, de bruto-investeringen in vaste activa, de beloning van werknemers enz.;

b) aggregaten die saldi van een rekening zijn, zoals het bbp tegen marktprijzen, het exploitatieoverschot van de gehele economie, het bni, het nationaal beschikbaar inkomen, de besparingen, het saldo lopende transacties van het buitenland en het vermogenssaldo van de gehele economie (nationaal vermogen).

1.132 Er zijn belangrijke toepassingen voor de uit de nationale rekeningen afgeleide waarden per hoofd van de bevolking. Voor grote aggregaten als het bbp, het nationaal inkomen of de finale consumptie van huishoudens, is de meest gebruikelijke noemer de totale (ingezeten) bevolking. Bij de opsplitsing van de rekeningen of van een deel van de rekeningen van de sector huishoudens in rekeningen voor subsectoren worden gegevens over het aantal huishoudens en het aantal personen in iedere subsector gebruikt.

1.133 Het bbp is een van de belangrijkste aggregaten van het ESR. Het is een maatstaf voor de totale economische activiteit in een economisch gebied die leidt tot een output waarmee aan de finale behoeften van de economie wordt voldaan. Er zijn drie methoden om het bbp tegen marktprijzen te meten:

1) op basis van de productie, als de som van de waarden die worden toegevoegd door alle activiteiten waarbij goederen en diensten worden geproduceerd, plus productgebonden belastingen minus productgebonden subsidies;

2) op basis van de bestedingen, als het totaal van alle finale bestedingen — hetzij voor het verbruik van de finale output van de economie, hetzij om het vermogen te vermeerderen —, plus de uitvoer minus de invoer van goederen en diensten;

3) op basis van het inkomen, als het totaal van alle inkomens die zijn verdiend bij het produceren van goederen en diensten, plus belastingen op productie en invoer minus subsidies.

1.134 Deze drie methoden voor het meten van het bbp laten ook zien dat de componenten van het bbp vanuit verschillende oogpunten kunnen worden bekeken. De toegevoegde waarde kan worden uitgesplitst naar institutionele sector en naar soort activiteit of bedrijfstak die aan het totaal bijdraagt, bijvoorbeeld landbouw, industrie, bouwnijverheid, diensten enz.

De finale bestedingen kunnen worden uitgesplitst naar soort: bestedingen door huishoudens, finale bestedingen door izw's t.b.v. huishoudens, finale bestedingen door de overheid, veranderingen in voorraden, investeringen in vaste activa en uitvoer minus invoer.

Het totaal van de verdiende inkomens kan worden uitgesplitst naar soort inkomen — beloning van werknemers en exploitatieoverschot.

1.135 Om de beste raming van het bbp te verkrijgen, is het een goede praktijk de elementen van deze drie methoden in een aanbod- en gebruikssysteem op te nemen. Op die manier kunnen de ramingen van de toegevoegde waarde en het inkomen naar bedrijfstak met elkaar in overeenstemming worden gebracht en kunnen de vraag naar en het aanbod van producten met elkaar in evenwicht worden gebracht. Met deze geïntegreerde aanpak wordt gezorgd voor consistentie tussen de componenten van het bbp en voor een betere raming van het bbp dan met slechts een van de drie methoden. Door het bbp te verminderen met het verbruik van vaste activa, wordt het netto binnenlands product (nbp) tegen marktprijzen verkregen.

Het input-outputsysteem

1.136 Het input-outputsysteem combineert componenten van de bruto toegevoegde waarde, de input en output van de bedrijfstakken, de vraag naar en het aanbod van producten, en de samenstelling van bestedingen en middelen voor de verschillende institutionele sectoren van de economie. In dit systeem wordt de economie uitgesplitst en worden voor alle goederen en diensten de transacties tussen bedrijfstakken en finale consumenten gedurende een bepaalde periode (bv. een kwartaal of een jaar) weergegeven. De informatie kan op twee manieren worden gepresenteerd:

a) aanbod- en gebruiktabellen,

b) symmetrische input-outputtabellen.

Aanbod- en gebruiktabellen

1.137 De aanbod- en gebruiktabellen geven een beeld van de hele economie per bedrijfstak (bv. de auto-industrie) en per product (bv. sportartikelen). De tabellen leggen verbanden tussen componenten van de bruto toegevoegde waarde, de input en output van de bedrijfstakken en de vraag naar en het aanbod van producten. Aanbod- en gebruiktabellen koppelen verschillende institutionele sectoren van de economie (bv. vennootschappen in handen van de overheid) aan elkaar en verstrekken gegevens over de in- en uitvoer van goederen en diensten, de overheidsuitgaven, de bestedingen door huishoudens en izw's t.b.v. huishoudens, en de investeringen.

1.138 Door aanbod- en gebruiktabellen samen te stellen kan binnen een enkel gedetailleerd raamwerk worden nagegaan of de componenten van de nationale rekeningen consistent en coherent zijn, en door de componenten van de drie methoden voor het meten van het bbp (d.w.z. productie, inkomen en bestedingen) in dat raamwerk op te nemen kan een enkele raming van het bbp worden vastgesteld.

1.139 Wanneer de aanbod- en gebruiktabellen op geïntegreerde wijze worden samengesteld, garanderen zij ook coherentie en consistentie bij het aan elkaar koppelen van de componenten van de volgende drie rekeningen:

1. de goederen-en-dienstenrekening;

2. de productierekening (naar bedrijfstak en naar institutionele sector), en

3. de inkomensvormingsrekening (naar bedrijfstak en naar institutionele sector).

Symmetrische input-outputtabellen

1.140 Symmetrische input-outputtabellen worden afgeleid van de gegevens in de aanbod- en gebruiktabellen en andere aanvullende bronnen; zij vormen de theoretische basis voor latere analysen.

1.141 Deze tabellen bevatten symmetrische (product per product of bedrijfstak per bedrijfstak) tabellen, de Leontief-inverse en andere diagnostische analysen zoals outputmultipliers. In deze tabellen wordt het verbruik van in het binnenland geproduceerde en ingevoerde goederen en diensten afzonderlijk weergegeven, waardoor een theoretisch raamwerk wordt geboden voor een verdergaande structurele analyse van de economie, met inbegrip van de samenstelling alsook het effect van veranderingen in de finale vraag op de economie.




HOOFDSTUK 2

EENHEDEN EN INDELING VAN EENHEDEN

2.01 De economie van een land is een systeem van interactie tussen instellingen en mensen die goederen, diensten en betaalmiddelen (bv. geld) met elkaar uitwisselen en aan elkaar overdragen om goederen en diensten te produceren en te consumeren.

In de economie zijn de met elkaar in wisselwerking staande eenheden economische entiteiten die in staat zijn activa te bezitten, verplichtingen in de vorm van financiële passiva aan te gaan, economische activiteiten uit te oefenen en transacties met andere entiteiten te verrichten. Zij worden institutionele eenheden genoemd.

Het definiëren van de in de nationale rekeningen gebruikte eenheden dient meer dan één doel. Ten eerste zijn zij de essentiële bouwstenen voor de geografische afbakening van economieën, bijvoorbeeld landen, regio's, en groepen landen zoals monetaire of politieke unies. Ten tweede zijn zij de essentiële bouwstenen voor de indeling van eenheden in institutionele sectoren. Ten derde zijn zij van essentieel belang om te bepalen welke stromen en standen worden geregistreerd. Transacties tussen verschillende delen van dezelfde institutionele eenheid worden in principe niet in de nationale rekeningen geregistreerd.

2.02 Eenheden en groepen van eenheden die in het kader van de nationale rekeningen worden gebruikt, worden gedefinieerd op grond van de economische analyse waarvoor ze bestemd zijn, en niet op grond van de soort eenheden die gewoonlijk bij de statistische waarneming worden gebruikt. Het is mogelijk dat de tweede soort eenheden (bv. bedrijven, holdings, eenheden met economische activiteit, lokale eenheden, overheidsinstellingen, instellingen zonder winstoogmerk, huishoudens enz.) niet geschikt zijn voor de nationale rekeningen, omdat zij gebaseerd zijn op criteria van juridische, administratieve en boekhoudkundige aard.

Statistici moeten rekening houden met de in het ESR 2010 gebruikte definities van de analytische eenheden, zodat in de enquêtes waarmee gegevens worden verzameld, geleidelijk alle informatie-elementen worden opgenomen die nodig zijn voor het samenstellen van gegevens op basis van de analytische eenheden van het ESR 2010.

2.03 Het ESR 2010 wordt gekenmerkt door het gebruik van soorten eenheden die behoren bij drie onderverdelingen van de economie:

1) voor de analyse van stromen en standen is het van belang eenheden te kiezen die het mogelijk maken de gedragsrelaties tussen economische subjecten te bestuderen;

2) voor de analyse van het productieproces is het van belang eenheden te kiezen die de technisch-economische relaties tot uitdrukking brengen of die lokale activiteiten weergeven;

3) voor regionale analysen zijn eenheden nodig die economische activiteiten op lokaal niveau weergeven.

Institutionele eenheden worden gedefinieerd om aan het eerstgenoemde doel te voldoen. Voor de in punt 1) beschreven gedragsrelaties zijn eenheden nodig die hun volledige institutionele economische activiteit weergeven.

Voor de in de punten 2) en 3) bedoelde productieprocessen, technisch-economische relaties en regionale analysen zijn eenheden nodig zoals lokale EEA's. Deze eenheden worden verderop in dit hoofdstuk beschreven.

Voordat de in het ESR 2010 gebruikte eenheden worden gedefinieerd, moeten echter de grenzen van de nationale economie worden afgebakend.

AFBAKENING VAN DE NATIONALE ECONOMIE

2.04 De eenheden die de economie van een land vormen en waarvan de stromen en standen in het ESR 2010 worden geregistreerd, zijn de eenheden die in het land ingezeten zijn. Een institutionele eenheid is ingezetene in een land indien deze haar belangrijkste economische belangencentrum in het economische gebied van dat land heeft. Dergelijke eenheden worden aangeduid als ingezeten eenheden, ongeacht hun nationaliteit, rechtsvorm of aanwezigheid in het economische gebied op het ogenblik dat zij een transactie verrichten.

2.05 Het economische gebied bestaat uit:

a) het geografische gebied onder het daadwerkelijke bestuur en de economische controle van één overheid;

b) vrijhandelsgebieden, inclusief entrepots en bedrijven onder douanecontrole;

c) het nationale luchtruim, de territoriale wateren en het continentaal plat in de internationale wateren waarover het land exclusieve rechten kan doen gelden;

d) territoriale enclaves, d.w.z. geografische gebieden in het buitenland die, krachtens internationale verdragen of overeenkomsten tussen staten, door overheidsinstellingen van het land worden gebruikt (zoals ambassades, consulaten, militaire en wetenschappelijke bases enz.);

e) vindplaatsen van aardolie, aardgas enz., gelegen in de internationale wateren buiten het continentaal plat van het land, die worden geëxploiteerd door ingezeten eenheden van het onder a) tot en met d) gedefinieerde gebied.

Vissersschepen, andere schepen, drijvende platforms en luchtvaartuigen worden in het ESR behandeld als mobiele werktuigen in eigendom van en/of geëxploiteerd door ingezeten eenheden, dan wel in eigendom van niet-ingezetenen en geëxploiteerd door ingezeten eenheden. Transacties met betrekking tot de eigendom (bruto-investeringen in vaste activa) en exploitatie (verhuur, verzekering enz.) van mobiele werktuigen worden gerekend tot de economie van het land waarvan de eigenaar en/of de exploitant ingezetene(n) is (zijn). Bij financiële lease wordt de eigendom geacht in andere handen over te gaan.

Het economische gebied kan groter of kleiner zijn dan het hierboven gedefinieerde gebied. Een voorbeeld van een groter gebied is een muntunie zoals de Europese Monetaire Unie; een voorbeeld van een kleiner gebied is een deel van een land, zoals een regio.

2.06 Economisch gebied omvat geen extraterritoriale enclaves.

Ook uitgesloten zijn de delen van het geografische gebied van een land die door de volgende organisaties worden gebruikt:

a) overheidsinstellingen van andere landen;

b) instellingen en organen van de Europese Unie, en

c) uit hoofde van internationale verdragen tussen staten: internationale organisaties.

De gebieden die door de instellingen en organen van de Europese Unie en door internationale organisaties worden gebruikt, zijn afzonderlijke economische gebieden. Een kenmerk van deze gebieden is dat de enige ingezetenen de instellingen zijn.

2.07 Belangrijkst economisch belangencentrum geeft aan dat er in het economische gebied van een land een locatie bestaat waar een eenheid voor onbepaalde tijd of gedurende een vastgestelde lange periode (één jaar of langer) economische activiteiten en transacties van voldoende omvang verricht. Van eigenaars van grond en gebouwen in een economisch gebied wordt aangenomen dat zij daar een belangrijkst economisch belangencentrum hebben.

Ondernemingen zijn bijna altijd met slechts één economie verbonden. In verband met fiscale en andere wettelijke voorschriften wordt doorgaans voor elk rechtsgebied gebruikgemaakt van een afzonderlijke juridische entiteit voor de in dat rechtsgebied te verrichten transacties. Bovendien wordt voor statistische doeleinden een afzonderlijke institutionele eenheid vastgesteld wanneer een enkele juridische entiteit aanmerkelijke transacties in twee of meer gebieden verricht (bv. in het geval van filialen, grondeigendom, en in meerdere gebieden gevestigde ondernemingen). Door de splitsing van dergelijke juridische entiteiten is de vestigingsplaats van elk van de aldus vastgestelde ondernemingen duidelijk. Belangrijkst economisch belangencentrum betekent niet dat entiteiten met aanmerkelijke transacties in twee of meer gebieden niet hoeven te worden gesplitst.

Indien een onderneming geen fysieke dimensie heeft, wordt de vestigingsplaats ervan bepaald volgens het economische gebied waarvan de wetgeving van toepassing is op de oprichting of registratie van de onderneming.

2.08 Eenheden die als ingezetenen van een land worden beschouwd, kunnen als volgt worden ingedeeld:

a) eenheden die zich bezighouden met productie, financiering, verzekering of herverdeling, voor al hun transacties, met uitzondering van die welke betrekking hebben op de eigendom van grond en gebouwen;

b) eenheden met consumptie als hoofdfunctie, voor al hun transacties, met uitzondering van die welke betrekking hebben op de eigendom van grond en gebouwen;

c) alle eenheden in hun hoedanigheid van eigenaar van grond en gebouwen, met uitzondering van eigenaars van extraterritoriale enclaves die deel uitmaken van het economische gebied van andere landen of die onafhankelijke staten zijn.

2.09 Bij andere eenheden dan huishoudens kan voor alle transacties, met uitzondering van die welke betrekking hebben op de eigendom van grond en gebouwen, het volgende onderscheid worden gemaakt:

a) de activiteit wordt uitsluitend in het economische gebied van het land uitgeoefend: de eenheden zijn in dat geval ingezeten eenheden van het land;

b) de activiteit wordt gedurende één jaar of langer in het economische gebied van diverse landen uitgeoefend: alleen het gedeelte van de eenheid dat een belangrijkst economisch belangencentrum heeft in het economische gebied van het land, wordt als ingezeten eenheid van dat land beschouwd.

Een ingezeten institutionele eenheid kan een fictieve ingezeten eenheid zijn met betrekking tot de activiteit die gedurende één jaar of langer door een niet-ingezeten eenheid in het land werd uitgeoefend. Wanneer de activiteit gedurende minder dan één jaar wordt verricht, blijft zij deel uitmaken van de activiteiten van de producerende institutionele eenheid en wordt geen afzonderlijke institutionele eenheid erkend. Wanneer de activiteit van gering belang is, ook al duurt zij langer dan één jaar, en voor installatiewerkzaamheden in het buitenland wordt geen afzonderlijke eenheid erkend en worden de activiteiten geregistreerd als activiteiten van de producerende institutionele eenheid.

2.10 Huishoudens, met uitzondering van hun hoedanigheid als eigenaar van grond en gebouwen, zijn ingezeten eenheden van het economische gebied waar zij een belangrijkst economisch belangencentrum hebben. Zij zijn ingezeten, ongeacht de in het buiten doorgebrachte perioden van minder dan één jaar. Tot dergelijke huishoudens moeten in het bijzonder worden gerekend:

a) grensarbeiders, die worden gedefinieerd als personen die de landsgrens dagelijks overschrijden om in een buurland arbeid te verrichten;

b) seizoenarbeiders, die worden gedefinieerd als personen die het land verlaten om, naargelang van het seizoen, voor een periode van enkele maanden, maar korter dan een jaar, in een ander land arbeid te verrichten;

c) in het buitenland verblijvende toeristen, patiënten, studenten, ambtenaren op dienstreis, zakenlieden, handelsreizigers, kunstenaars en bemanningsleden van schepen of luchtvaartuigen;

d) ter plaatse in dienst genomen personeel dat in de extraterritoriale enclaves van buitenlandse overheden werkzaam is;

e) personeel van de instellingen van de Europese Unie en van civiele of militaire internationale organisaties die hun zetel in een extraterritoriale enclave hebben;

f) ambtelijke, civiele of militaire regeringsvertegenwoordigers van een land die (met hun gezin) in een territoriale enclave wonen.

Studenten worden altijd als ingezetenen beschouwd, ongeacht de duur van hun studie in het buitenland.

2.11 Alle eenheden in hun hoedanigheid van eigenaar van grond en/of gebouwen die deel uitmaken van het economische gebied, zijn ingezeten eenheden of fictieve ingezeten eenheden van het land waar deze grond en/of gebouwen gelegen zijn.

INSTITUTIONELE EENHEDEN

2.12  Definitie: een institutionele eenheid is een economische entiteit die wordt gekenmerkt door zelfstandige beslissingsbevoegdheid bij de uitoefening van haar hoofdfunctie. Een ingezeten eenheid wordt beschouwd als een institutionele eenheid in het economische gebied waar zij haar belangrijkste economische belangencentrum heeft wanneer zij zelfstandige beslissingsbevoegdheid bezit en een volledige boekhouding voert dan wel in staat is een volledige boekhouding op te stellen.

Een eenheid heeft zelfstandige beslissingsbevoegdheid bij de uitoefening van haar hoofdfunctie indien zij:

a) het recht heeft zelf goederen en andere activa te bezitten; zij kan door middel van transacties met andere institutionele eenheden goederen en andere activa van eigenaar laten veranderen;

b) economische beslissingen kan nemen en economische activiteiten kan uitoefenen waarvoor zij verantwoordelijk en wettelijk aansprakelijk is;

c) op eigen naam verplichtingen in de vorm van financiële passiva, andere verplichtingen of verdere verbintenissen kan aangaan en contracten kan afsluiten;

d) een volledige boekhouding bestaande uit boekhoudkundige documenten betreffende al haar transacties tijdens de verslagperiode, alsook een balans van activa en passiva kan opstellen.

2.13 De volgende beginselen zijn van toepassing op een entiteit die niet de kenmerken van een institutionele eenheid bezit:

a) huishoudens worden geacht zelfstandige beslissingsbevoegdheid bij de uitoefening van hun hoofdfunctie te bezitten en zijn derhalve toch institutionele eenheden, ook al voeren zij geen volledige boekhouding;

b) entiteiten zonder volledige boekhouding die niet in staat zijn om op verzoek een volledige boekhouding op te stellen, zijn geen institutionele eenheid;

c) entiteiten met een volledige boekhouding die geen zelfstandige beslissingsbevoegdheid bezitten, maken deel uit van de eenheden die er zeggenschap over hebben;

d) entiteiten hoeven hun boekhouding niet openbaar te maken om een institutionele eenheid te zijn;

e) entiteiten met een volledige boekhouding die deel uitmaken van een groep van productie-eenheden, worden als institutionele eenheid beschouwd, ook al hebben zij een gedeelte van hun zelfstandige beslissingsbevoegdheid overgedragen aan de centrale organisatie (het hoofdkantoor) die de algemene leiding van de groep heeft; het hoofdkantoor zelf wordt ten opzichte van de eenheden waarover het zeggenschap heeft, als een afzonderlijke institutionele eenheid beschouwd;

f) quasivennootschappen zijn entiteiten met een volledige boekhouding die geen rechtspersoonlijkheid hebben. Hun economisch en financieel gedrag verschilt van dat van hun eigenaars en lijkt op dat van vennootschappen. Zij worden geacht zelfstandige beslissingsbevoegdheid te bezitten en worden als afzonderlijke institutionele eenheden beschouwd.

Hoofdkantoren en holdings

2.14 Hoofdkantoren en holdings zijn institutionele eenheden die als volgt worden omschreven:

a) Een hoofdkantoor is een eenheid die zeggenschap over het beheer van haar dochterondernemingen heeft. Hoofdkantoren worden ingedeeld in de sector niet-financiële vennootschappen die bij hun dochterondernemingen domineert; wanneer al hun dochterondernemingen of de meeste ervan financiële instellingen zijn, worden zij behandeld als financiële hulpbedrijven (S.126) in de sector financiële instellingen.

Indien er sprake is van een combinatie van niet-financiële en financiële dochterondernemingen, wordt het hoofdkantoor ingedeeld bij de sector met de grootste toegevoegde waarde.

Hoofdkantoren worden in de herziening van de Internationale industriële standaardclassificatie van alle takken van economische bedrijvigheid (International Standard Industrial Classification of All Economic Activities Revision — ISIC Rev. 4), sectie M, klasse 7010 (NACE Rev. 2, M 70.10) als volgt omschreven:

Deze klasse omvat het toezicht op en het beheer van andere eenheden van de onderneming; de strategische of organisatorische planning en de besluitvorming van de onderneming; de operationele controle en het beheer van de dagelijkse werkzaamheden van hun verbonden eenheden.

b) Een holding die de activa van dochterondernemingen in bezit heeft, maar geen beheersactiviteiten verricht, is een financiële instelling binnen concernverband (S.127) en wordt als financiële instelling ingedeeld.

Holdings worden in de ISIC Rev. 4, sectie K, klasse 6420 (NACE Rev. 2, K 64.20) als volgt omschreven:

Deze klasse omvat de activiteiten van holdings, d.w.z. eenheden die de activa bezitten van (een zeggenschapsbelang bezitten in) een groep dochterondernemingen en waarvan de hoofdactiviteit bestaat in het bezitten van de groep. De holdings in deze klasse verlenen geen andere diensten aan de ondernemingen waarin zij een belang hebben, d.w.z. zij besturen of beheren geen andere eenheden.

Groepen ondernemingen

2.15 Er ontstaan grote groepen ondernemingen wanneer een moederonderneming zeggenschap heeft over meerdere dochterondernemingen, die op hun beurt zeggenschap kunnen hebben over hun eigen dochterondernemingen, enzovoort. Elk lid van de groep dat aan de definitie van een institutionele eenheid beantwoordt, wordt als afzonderlijke institutionele eenheid behandeld.

2.16 De reden waarom groepen ondernemingen niet als één institutionele eenheid worden behandeld, is dat groepen niet altijd in de tijd stabiel zijn en in de praktijk niet gemakkelijk te identificeren zijn. Het kan moeilijk zijn om gegevens te verkrijgen over groepen waarvan de activiteiten niet sterk geïntegreerd zijn. Veel groepen zijn te groot en heterogeen om als eenheid te worden behandeld, en hun omvang en samenstelling kunnen na verloop van tijd veranderen als gevolg van fusies en overnames.

Entiteiten voor specifieke doeleinden

2.17 Een entiteit voor specifieke doeleinden (Special Purpose Entity — SPE, of special purpose vehicle — SPV) is in de regel een vennootschap met beperkte aansprakelijkheid of een commanditaire vennootschap die met scherpomlijnde, specifieke of tijdelijke doelstellingen wordt opgericht om een financieel risico, een bepaalde belasting of een wet- en regelgevingsrisico af te zonderen.

2.18 Er bestaat geen algemeen gangbare definitie van een SPE, maar de volgende kenmerken zijn typerend:

a) SPE's hebben geen werknemers en geen niet-financiële activa;

b) er zijn weinig fysieke tekenen die wijzen op het bestaan van een SPE, behalve een naamplaat of een uithangbord ter bevestiging van de plaats van registratie ervan (brievenbusentiteit);

c) zij zijn altijd verbonden met een andere onderneming, vaak als een dochteronderneming;

d) zij zijn ingezeten in een ander gebied dan het gebied waar de verbonden ondernemingen gevestigd zijn. Indien een onderneming geen fysieke aanwezigheid heeft, wordt de vestigingsplaats ervan bepaald volgens het economische gebied waarvan de wetgeving van toepassing is op de oprichting of registratie van de onderneming;

e) zij worden beheerd door werknemers van een andere onderneming, die er al dan niet mee verbonden kan zijn. De SPE betaalt een vergoeding voor de aan haar verstrekte diensten en rekent op haar beurt de moederonderneming of een andere verbonden onderneming een vergoeding aan om deze kosten te dekken. Dit is de enige productie waarbij de SPE betrokken is, hoewel zij namens haar eigenaar vaak verplichtingen zal aangaan en gewoonlijk inkomsten uit investeringen en waarderingsverschillen op de activa in haar bezit zal ontvangen.

2.19 Ongeacht of een eenheid al deze kenmerken of geen enkel ervan bezit, en of zij als SPE of met een soortgelijke term wordt aangeduid, wordt zij op dezelfde wijze behandeld als elke andere institutionele eenheid en volgens haar hoofdactiviteit in een sector en bedrijfstak ingedeeld, tenzij zij niet bevoegd is om zelfstandig op te treden.

2.20 Derhalve worden financiële instellingen binnen concernverband, kunstmatige dochterondernemingen en instellingen van de overheid voor specifieke doeleinden die niet bevoegd zijn om zelfstandig op te treden, ingedeeld in de sector waartoe de instelling behoort die er zeggenschap over heeft. Dit is niet het geval wanneer zij niet ingezeten zijn; in dat geval worden zij gescheiden van de instelling die er zeggenschap over heeft, behandeld. In het geval van de overheid echter worden de activiteiten van dochterondernemingen in de overheidsrekeningen opgenomen.

Financiële instellingen binnen concernverband

2.21 Een holding die alleen de activa van dochterondernemingen bezit, is een voorbeeld van een financiële instelling binnen concernverband. Voorbeelden van andere eenheden die ook als financiële instelling binnen concernverband worden behandeld, zijn eenheden met de kenmerken van SPE's zoals hierboven beschreven, met inbegrip van beleggings- en pensioenfondsen en eenheden die worden gebruikt voor het in bezit hebben en beheren van het vermogen van particulieren of families, het uitgeven van schuldbewijzen namens verbonden ondernemingen (een dergelijke onderneming kan een doorstroomlichaam worden genoemd) en het uitvoeren van andere financiële taken.

2.22 De mate van onafhankelijkheid van de instelling ten opzichte van de moederonderneming wordt bepaald door de zeggenschap die de instelling heeft over haar activa en passiva; deze zeggenschap kan zover gaan dat zij zelf de risico's draagt en de baten int die aan de activa en passiva verbonden zijn. Dergelijke eenheden worden in de sector financiële instellingen ingedeeld.

2.23 Wanneer een dergelijke entiteit niet onafhankelijk van de moederonderneming kan optreden en enkel een passieve bezitter van activa en passiva is, wordt zij niet als afzonderlijke institutionele eenheid behandeld, tenzij zij ingezeten is in een andere economie dan die van de moederonderneming. Is zij ingezeten in dezelfde economie als de moedermaatschappij, dan wordt zij behandeld als „kunstmatige dochteronderneming”, zoals hierna beschreven.

Kunstmatige dochterondernemingen

2.24 Een dochteronderneming die volledig in het bezit is van een moederonderneming, kan worden opgericht voor de verlening van diensten aan de moederonderneming of aan andere ondernemingen in dezelfde groep, om op die manier belastingen te vermijden, de verplichtingen bij een faillissement tot een minimum te beperken, en andere technische voordelen te verkrijgen overeenkomstig het belasting- of vennootschapsrecht dat in een bepaald land van kracht is.

2.25 Over het algemeen beantwoorden dergelijke typen van entiteiten niet aan de definitie van een institutionele eenheid, omdat zij niet beschikken over de bevoegdheid om onafhankelijk van de moederonderneming op te treden en omdat zij onderworpen kunnen zijn aan beperkingen van hun bevoegdheid om het bezitsrecht uit te oefenen over de in hun balans opgenomen activa of om deze activa te verhandelen. De omvang van hun output en de prijs die zij ervoor ontvangen, worden bepaald door de moederonderneming die (eventueel samen met andere ondernemingen in dezelfde groep) hun enige afnemer is. Zij worden derhalve niet als afzonderlijke institutionele eenheid behandeld, maar als integrerend deel van de moederonderneming, en hun rekeningen worden geconsolideerd met die van de moederonderneming, tenzij zij ingezeten zijn in een economisch gebied dat verschilt van dat waar de moederonderneming ingezeten is.

2.26 Er moet een onderscheid worden gemaakt tussen de hierboven beschreven kunstmatige dochterondernemingen en eenheden die alleen hulpactiviteiten uitoefenen. Hulpactiviteiten blijven beperkt tot het soort dienstverleningsfuncties waaraan praktisch alle ondernemingen in zekere mate behoefte hebben, zoals het schoonmaken van gebouwen, het beheer van de loonlijst of het voorzien in de IT-infrastructuur voor de onderneming (zie hoofdstuk 1, punt 1.31).

Voor specifieke doeleinden opgerichte eenheden van de overheid

2.27 De overheid kan ook eenheden voor specifieke doeleinden oprichten met soortgelijke kenmerken en functies als die van financiële instellingen binnen concernverband en kunstmatige dochterondernemingen. Dergelijke eenheden hebben niet de bevoegdheid om zelfstandig op te treden en zijn beperkt wat betreft de soorten transacties die zij kunnen verrichten. Zij dragen niet de risico's en innen niet de baten die verbonden zijn aan de activa en passiva die zij in bezit hebben. Indien deze eenheden ingezeten zijn, worden zij als integrerend deel van de overheid en niet als afzonderlijke eenheden behandeld. Indien zij niet ingezeten zijn, worden zij als afzonderlijke eenheden behandeld. De door hen in het buitenland verrichte transacties zijn terug te vinden in overeenkomstige transacties met de overheid. Een eenheid die in het buitenland een lening aangaat, wordt dan geacht hetzelfde bedrag aan de overheid te lenen op dezelfde voorwaarden als die van de oorspronkelijke lening.

2.28 Kortom, de rekeningen van SPE's die niet bevoegd zijn om zelfstandig op te treden, worden geconsolideerd met die van de moederonderneming, tenzij zij ingezeten zijn in een andere economie dan die van de moederonderneming. Er is één uitzondering op deze algemene regel, namelijk wanneer een niet-ingezeten SPE door de overheid wordt opgericht.

2.29 Onder fictieve ingezeten eenheden van een land worden verstaan:

a) onderdelen van niet-ingezeten eenheden die een belangrijkst economisch belangencentrum hebben in het economische gebied van het land (in de meeste gevallen eenheden die er gedurende één jaar of langer een economische activiteit op productiegebied uitoefenen);

b) niet-ingezeten eenheden in hun hoedanigheid van eigenaar van grond en/of gebouwen in het economische gebied van het land, maar alleen voor zover het transacties met betrekking tot deze grond of gebouwen betreft.

Fictieve ingezeten eenheden worden, ook al voeren zij slechts een gedeeltelijke boekhouding en hebben zij geen zelfstandige beslissingsbevoegdheid, als institutionele eenheid behandeld.

2.30 De volgende eenheden worden als institutionele eenheid beschouwd:

a) eenheden met zelfstandige beslissingsbevoegdheid en een volledige boekhouding zoals:

1. particuliere en overheidsondernemingen;

2. coöperatieve verenigingen en personenvennootschappen met eigen rechtspersoonlijkheid;

3. overheidsproducenten met een bijzonder statuut dat hun rechtspersoonlijkheid verleent;

4. instellingen zonder winstoogmerk met eigen rechtspersoonlijkheid, en

5. instellingen van de overheid;

b) eenheden met een volledige boekhouding die geacht worden zelfstandig te kunnen beslissen, hoewel zij ten opzichte van de moederonderneming niet als aparte onderneming zijn opgericht: quasivennootschappen;

c) eenheden die niet noodzakelijkerwijs beschikken over een volledige boekhouding, maar die geacht worden zelfstandig te kunnen beslissen, namelijk:

1. huishoudens;

2. fictieve ingezeten eenheden.

INSTITUTIONELE SECTOREN

2.31 Bij macro-economische analysen worden niet de activiteiten van elke institutionele eenheid afzonderlijk beschouwd, maar de geaggregeerde activiteiten van soortgelijke instellingen. Daarom worden eenheden gegroepeerd in zogenaamde institutionele sectoren, die soms worden onderverdeeld in subsectoren.



Tabel 2.1 —  Sectoren en subsectoren

Sectoren en subsectoren:

 

In handen van de overheid

Nationaal, in handen van de particuliere sector

In handen van het buitenland

Niet-financiële vennootschappen

S.11

S.11001

S.11002

S.11003

Financiële instellingen

S.12

 

 

 

Monetaire financiële instellingen (MFI's)

Centrale bank

S.121

 

 

 

Overige monetaire financiële instellingen (OMFI's)

Deposito-instellingen m.u.v. de centrale bank

S.122

S.12201

S.12202

S.12203

Geldmarktfondsen (GMF's)

S.123

S.12301

S.12302

S.12303

Financiële instellingen m.u.v. MFI's en verzekeringsinstellingen en pensioenfondsen (VIPF's)

Beleggingsfondsen m.u.v. GMF's

S.124

S.12401

S.12402

S.12403

Overige financiële intermediairs m.u.v. verzekeringsinstellingen en pensioenfondsen

S.125

S.12501

S.12502

S.12503

Financiële hulpbedrijven

S.126

S.12601

S.12602

S.12603

Financiële instellingen en kredietverstrekkers binnen concernverband

S.127

S.12701

S.12702

S.12703

VIPF's

Verzekeringsinstellingen

S.128

S.12801

S.12802

S.12803

Pensioenfondsen

S.129

S.12901

S.12902

S.12903

Overheid

S.13

 

 

 

Centrale overheid (m.u.v. socialezekerheidsfondsen)

S.1311

 

 

 

Deelstaatoverheid (m.u.v. socialezekerheidsfondsen)

S.1312

 

 

 

Lagere overheid (m.u.v. socialezekerheidsfondsen)

S.1313

 

 

 

Socialezekerheidsfondsen

S.1314

 

 

 

Huishoudens

S.14

 

 

 

Werkgevers en zelfstandigen

S.141 + S.142

 

 

 

Werknemers

S.143

 

 

 

Huishoudens met inkomen uit vermogen en overdrachten

S.144

 

 

 

Huishoudens met inkomen uit vermogen

S.1441

 

 

 

Huishoudens met pensioeninkomen

S.1442

 

 

 

Huishoudens met overige overdrachten

S.1443

 

 

 

Instellingen zonder winstoogmerk t.b.v. huishoudens

S.15

 

 

 

Buitenland

S.2

 

 

 

Lidstaten en instellingen en organen van de Europese Unie

S.21

 

 

 

Lidstaten van de Europese Unie

S.211

 

 

 

Instellingen en organen van de Europese Unie

S.212

 

 

 

Niet-lidstaten en internationale organisaties die niet in de EU gevestigd zijn

S.22

 

 

 

2.32 Elke sector en subsector brengt de institutionele eenheden samen die worden gekenmerkt door een gelijksoortig economisch gedrag.

Schema 2.1 —    Indeling van eenheden in sectoren image

2.33 De institutionele eenheden worden in sectoren ingedeeld op basis van het type producent dat zij zijn, en op basis van hun hoofdactiviteit of -functie; de genoemde kenmerken worden als indicatief voor hun economisch gedrag beschouwd.

2.34 Schema 2.1 geeft weer hoe eenheden in de hoofdsectoren worden ingedeeld. Om de sector te bepalen van een ingezeten eenheid die geen huishouden is, moet volgens het schema worden bepaald of zij al dan niet onder zeggenschap van de overheid staat en of zij marktproducent of niet-marktproducent is.

2.35 Zeggenschap over een financiële instelling of een niet-financiële vennootschap wordt gedefinieerd als de bevoegdheid om het algemene ondernemingsbeleid te bepalen, bijvoorbeeld door zo nodig geschikte directieleden te benoemen.

2.36 Een institutionele eenheid — een andere onderneming, een huishouden, een instelling zonder winstoogmerk of een overheidsinstelling — heeft zeggenschap over een onderneming of quasivennootschap wanneer zij in het bezit is van meer dan de helft van de stemgerechtigde aandelen of op een andere wijze meer dan de helft van de stemrechten van aandeelhouders kan uitoefenen.

2.37 Om meer dan de helft van de stemrechten van aandeelhouders te kunnen uitoefenen, hoeft een institutionele eenheid niet zelf aandelen met stemrecht te bezitten. Een gegeven onderneming, onderneming C, kan een dochteronderneming zijn van onderneming B waarvan de meerderheid van de aandelen met stemrecht in handen is van een derde onderneming A. Onderneming C wordt als dochteronderneming van onderneming B beschouwd wanneer onderneming B meer dan de helft van de aandelen met stemrecht in onderneming C in handen heeft of wanneer onderneming B aandeelhouder van C is met het recht een meerderheid van de directieleden van C te benoemen of af te zetten.

2.38 De overheid heeft zeggenschap over een onderneming op grond van een speciale wet, besluit of verordening waarbij de overheid wordt gemachtigd het ondernemingsbeleid te bepalen. De volgende indicatoren zijn de voornaamste factoren waarmee rekening moet worden gehouden om te bepalen of de overheid zeggenschap over een onderneming heeft:

a) meer dan de helft van de stemgerechtigde aandelen is in het bezit van de overheid;

b) de overheid heeft zeggenschap in de raad van bestuur of een ander bestuursorgaan;

c) de overheid heeft zeggenschap bij de benoeming en het ontslag van belangrijke personeelsleden;

d) de overheid heeft zeggenschap in belangrijke comités van de entiteit;

e) de overheid heeft een gouden aandeel;

f) er is speciale regelgeving;

g) de overheid is hoofdafnemer;

h) de overheid heeft leningen verstrekt.

Een enkele indicator kan voldoende zijn om te besluiten dat er sprake is van zeggenschap, maar in andere gevallen kunnen meerdere indicatoren tezamen wijzen op zeggenschap.

2.39 Voor instellingen zonder winstoogmerk met eigen rechtspersoonlijkheid moeten de volgende vijf indicatoren voor zeggenschap in aanmerking worden genomen:

a) de benoeming van functionarissen;

b) de bepalingen van bevoegdheid verlenende instrumenten;

c) contractuele overeenkomsten;

d) de mate van financiering;

e) de risicogrootte voor de overheid.

Zoals bij ondernemingen kan één enkele indicator in sommige gevallen voldoende zijn om te besluiten dat er sprake is van zeggenschap; in andere gevallen kunnen meerdere indicatoren tezamen wijzen op zeggenschap.

2.40 Om het onderscheid te maken tussen markt en niet-markt en dus om overheidsentiteiten in te delen in de sector overheid of de sector ondernemingen, geschiedt op basis van de criteria van punt 1.37.

2.41 Een sector wordt in subsectoren onderverdeeld volgens criteria die voor die sector relevant zijn; de overheid kan bijvoorbeeld worden uitgesplitst in centrale overheid, deelstaatoverheid, lagere overheid en socialezekerheidsfondsen. Hierdoor is een nauwkeuriger omschrijving van het economisch gedrag van de eenheden mogelijk.

De rekeningen van sectoren en subsectoren geven alle activiteiten — hoofdactiviteit en nevenactiviteiten — weer van de institutionele eenheden die onder de desbetreffende sector vallen.

Iedere institutionele eenheid valt onder slechts één sector of subsector.

2.42 Om een institutionele eenheid die tot hoofdfunctie heeft goederen en diensten voort te brengen, in een sector te kunnen indelen, moet eerst worden bepaald tot welk type producent zij behoort.

2.43 Tabel 2.2 geeft een overzicht van het type producent en de hoofdactiviteiten of -functies waardoor iedere sector wordt gekenmerkt.



Tabel 2.2 —  Type producent en hoofdactiviteiten of -functies per sector

Type producent

Hoofdactiviteit of -functie

Sector

Marktproducent

Productie van goederen en niet-financiële diensten voor de markt

Niet-financiële vennootschappen (S.11)

Marktproducent

Financiële intermediatie, incl. verzekering

Financiële hulpdiensten

Financiële instellingen (S.12)

Niet-marktproducent in handen van de overheid

Productie en levering van niet-marktoutput voor collectieve en individuele consumptie, en uitvoering van transacties, bedoeld om het nationaal inkomen en vermogen te herverdelen

Overheid (S.13)

Marktproducent of particuliere producent voor eigen finaal gebruik

Consumptie

Productie van marktoutput en output voor eigen finaal gebruik

Huishoudens (S.14)

in hun hoedanigheid van consument

in hun hoedanigheid van ondernemer

Particuliere niet-marktproducent

Productie en levering van niet-marktoutput voor individuele consumptie

Instellingen zonder winstoogmerk t.b.v. huishoudens (S.15)

2.44 De sector buitenland (S.2) betreft stromen en standen tussen ingezeten en niet-ingezeten eenheden — de niet-ingezeten eenheden worden niet gekenmerkt door vergelijkbare doelen en gedragingen, maar worden slechts in de rekeningen opgenomen vanwege hun stromen en standen ten opzichte van ingezeten eenheden.

Niet-financiële vennootschappen (s.11)

2.45  Definitie: de sector niet-financiële vennootschappen (S.11) bestaat uit institutionele eenheden met eigen rechtspersoonlijkheid die marktproducent zijn en van wie de hoofdactiviteit bestaat in de productie van goederen en niet-financiële diensten. De sector niet-financiële vennootschappen omvat tevens niet-financiële quasivennootschappen (zie punt 2.13, onder f)).

2.46 Het betreft de volgende institutionele eenheden:

a) particuliere en overheidsondernemingen die marktproducent zijn met als hoofdfunctie de productie van goederen en niet-financiële diensten;

b) coöperatieve verenigingen en personenvennootschappen met rechtspersoonlijkheid die marktproducent zijn met als hoofdfunctie de productie van goederen en niet-financiële diensten;

c) overheidsproducenten met rechtspersoonlijkheid die marktproducent zijn, met als hoofdfunctie de productie van goederen en niet-financiële diensten;

d) instellingen of verenigingen zonder winstoogmerk ten behoeve van niet-financiële vennootschappen, die rechtspersoonlijkheid bezitten en die marktproducent zijn met als hoofdfunctie de productie van goederen en niet-financiële diensten;

e) hoofdkantoren met zeggenschap over een groep ondernemingen die marktproducent zijn, waarbij de voornaamste activiteit van de groep als geheel — gemeten op basis van de toegevoegde waarde — bestaat in de productie van goederen en niet-financiële diensten;

f) SPE's waarvan de hoofdactiviteit bestaat in de levering van goederen of het verstrekken van niet-financiële diensten;

g) particuliere quasivennootschappen en quasivennootschappen in handen van de overheid die marktproducent zijn met als hoofdfunctie de productie van goederen en niet-financiële diensten.

2.47 Niet-financiële quasivennootschappen zijn alle entiteiten die marktproducent zijn met als hoofdfunctie de productie van goederen en niet-financiële diensten en die aan de voorwaarden voor quasivennootschappen voldoen (zie punt 2.13, onder f)).

Niet-financiële quasivennootschappen moeten voldoende informatie bewaren om een volledige boekhouding te kunnen opstellen; zij worden bestuurd als vennootschappen. De feitelijke relatie met de eigenaar is als die van een vennootschap met haar aandeelhouders.

Niet-financiële quasivennootschappen die eigendom zijn van huishoudens, overheidsinstellingen of instellingen zonder winstoogmerk, behoren samen met de niet-financiële vennootschappen tot de sector niet-financiële vennootschappen, en niet tot de sector waartoe de eigenaar behoort.

2.48 Het feit dat een marktproducent over een volledige boekhouding, inclusief een balans, beschikt, volstaat niet om hem als een institutionele eenheid zoals een quasivennootschap te behandelen. Personenvennootschappen en overheidsproducenten, m.u.v. die welke worden genoemd in punt 2.46, onder a), b), c) en f), alsmede eenmanszaken zijn — ook al voeren zij een volledige boekhouding — in het algemeen geen afzonderlijke institutionele eenheden, omdat zij geen zelfstandige beslissingsbevoegdheid bezitten; het beheer van deze eenheden valt namelijk onder de zeggenschap van de huishoudens, instellingen zonder winstoogmerk of overheden waarvan zij eigendom zijn.

2.49 Tot de niet-financiële vennootschappen worden fictieve ingezeten eenheden gerekend die als quasivennootschappen worden behandeld.

2.50 De sector niet-financiële vennootschappen valt in drie subsectoren uiteen:

a) niet-financiële vennootschappen in handen van de overheid (S.11001);

b) nationale niet-financiële vennootschappen in handen van de particuliere sector (S.11002);

c) niet-financiële vennootschappen in handen van het buitenland (S.11003).

Subsector niet-financiële vennootschappen in handen van de overheid (S.11001)

2.51  Definitie: de subsector niet-financiële vennootschappen in handen van de overheid (S.11001) bestaat uit alle niet-financiële vennootschappen, quasivennootschappen en instellingen zonder winstoogmerk met eigen rechtspersoonlijkheid die marktproducent zijn en waarover overheidsinstellingen zeggenschap hebben.

2.52 Quasivennootschappen in handen van de overheid zijn quasivennootschappen die rechtstreeks eigendom zijn van overheidsinstellingen.

Subsector nationale niet-financiële vennootschappen in handen van de particuliere sector (S.11002)

2.53  Definitie: de subsector nationale niet-financiële vennootschappen in handen van de particuliere sector (S.11002) bestaat uit alle niet-financiële vennootschappen, quasivennootschappen en instellingen zonder winstoogmerk met eigen rechtspersoonlijkheid die marktproducent zijn en waarover de overheid of niet-ingezeten institutionele eenheden geen zeggenschap hebben.

Deze subsector omvat verder vennootschappen en quasivennootschappen met buitenlandse directe investeringen, die niet zijn ingedeeld in de subsector niet-financiële vennootschappen in handen van het buitenland (S.11003).

Subsector niet-financiële vennootschappen in handen van het buitenland (S.11003)

2.54  Definitie: de subsector niet-financiële vennootschappen in handen van het buitenland (S.11003) bestaat uit alle niet-financiële vennootschappen en quasivennootschappen waarover niet-ingezeten institutionele eenheden zeggenschap hebben.

Deze subsector omvat:

a) alle dochterondernemingen van niet-ingezeten vennootschappen;

b) alle vennootschappen waarover een niet-ingezeten institutionele eenheid die zelf geen vennootschap is, bijvoorbeeld een buitenlandse overheid, zeggenschap heeft; ook vennootschappen waarover een gezamenlijk optredende groep niet-ingezeten eenheden zeggenschap heeft, vallen eronder;

c) alle bijkantoren of andere agentschappen zonder rechtspersoonlijkheid van niet-ingezeten vennootschappen of producenten zonder rechtspersoonlijkheid die fictieve ingezeten eenheden zijn.

Financiële instellingen (s.12)

2.55  Definitie: de sector financiële instellingen (S.12) bestaat uit institutionele eenheden met eigen rechtspersoonlijkheid die marktproducent zijn en van wie de hoofdactiviteit bestaat in de productie van financiële diensten. Tot dergelijke institutionele eenheden behoren alle vennootschappen en quasivennootschappen die zich hoofdzakelijk bezighouden met:

a) financiële intermediatie (financiële intermediairs), en/of

b) financiële hulpdiensten (financiële hulpbedrijven).

Ook behoren daartoe institutionele eenheden die financiële diensten verstrekken en die het merendeel van hetzij hun activa hetzij hun passiva niet op open markten verhandelen.

2.56 Onder financiële intermediatie wordt verstaan de activiteit waarbij een institutionele eenheid door het verrichten van transacties op de financiële markt voor eigen rekening financiële activa verwerft en verplichtingen aangaat. De activa en passiva van financiële intermediairs worden in het proces van financiële intermediatie getransformeerd of herverpakt wat betreft bijvoorbeeld looptijd, omvang, risico et cetera.

Financiële hulpdiensten zijn diensten die verband houden met financiële intermediatie, maar die zelf geen financiële intermediatie betreffen.

Financiële intermediairs

2.57 Bij financiële intermediatie worden financiële middelen overgeheveld van derden met een overschot aan middelen naar die met een tekort aan middelen. Een financiële intermediair treedt niet alleen als tussenpersoon voor andere institutionele eenheden op, maar neemt zelf risico's door voor eigen rekening financiële activa te verwerven en verplichtingen aan te gaan.

2.58 Bij financiële intermediatie kunnen alle categorieën financiële passiva een rol spelen; een uitzondering geldt voor passiva in de categorie handelskredieten en transitorische posten (AF.8). De financiële activa waarop de financiële intermediatie betrekking heeft, kunnen activa uit alle categorieën zijn met uitzondering van verzekerings-, pensioen- en standaardgarantieregelingen (AF.6), maar met inbegrip van de categorie handelskredieten en transitorische posten. Financiële intermediairs kunnen investeren in niet-financiële activa, waaronder onroerend goed. Om als financieel intermediair te worden beschouwd, moet een instelling verplichtingen op de financiële markt aangaan en financiële middelen transformeren. Vastgoedmakelaars zijn geen financiële intermediairs.

2.59 De functie van verzekeringsinstellingen en pensioenfondsen is het poolen van risico's. De passiva van dergelijke instellingen zijn verzekerings-, pensioen- en standaardgarantieregelingen (AF.6). Tegenover de passiva staan beleggingen van verzekeringsinstellingen en pensioenfondsen, die daarmee als financiële intermediairs optreden.

2.60 Beleggingsfondsen, hierna geldmarktfondsen (GMF's) en beleggingsfondsen m.u.v. GMF's genoemd, gaan voornamelijk verplichtingen in de vorm van financiële passiva aan door de uitgifte van aandelen of rechten van deelneming in beleggingsfondsen (AF.52). Zij zetten dergelijke fondsen om in financiële activa en/of onroerend goed. Beleggingsfondsen worden ingedeeld als financiële intermediairs. Elke wijziging in de waarde van hun activa en passiva, afgezien van hun eigen aandelen, heeft invloed op de omvang van hun eigen vermogen (zie punt 7.07). Aangezien de omvang van het eigen vermogen van een beleggingsfonds gelijk is aan de totale waarde van de uitstaande aandelen of rechten van deelneming, wordt elke wijziging in de waarde van de activa en passiva van het fonds zichtbaar in de marktwaarde van dergelijke aandelen of rechten van deelneming. Beleggingsfondsen die in onroerend goed beleggen, zijn financiële intermediairs.

2.61 Financiële intermediatie beperkt zich tot het verwerven van activa en het aangaan van verplichtingen in de vorm van financiële passiva ten opzichte van het grote publiek of een specifiek en relatief groot deel ervan. Indien de activiteit beperkt blijft tot kleine groepen van personen of families, is er geen sprake van financiële intermediatie.

2.62 Er kunnen uitzonderingen zijn op de algemene regel dat financiële intermediatie beperkt is tot financiële transacties op de markt. Voorbeelden hiervan zijn gemeentelijke kredietbanken en spaarbanken die steunen op de betrokken gemeente, of financiëleleasemaatschappijen die voor de verwerving of uitzetting van middelen afhankelijk zijn van een moederonderneming. Om tot de financiële intermediairs te worden gerekend, moeten zij onafhankelijk van de gemeente resp. moederonderneming middelen kunnen aantrekken en uitzetten.

Financiële hulpbedrijven

2.63 Het verlenen van financiële hulpdiensten omvat ondersteunende activiteiten met betrekking tot het verrichten van transacties in financiële activa en passiva of het transformeren of herverpakken van financiële middelen. Financiële hulpbedrijven nemen zelf geen risico's door financiële activa te verwerven of verplichtingen in de vorm van financiële passiva aan te gaan, maar ondersteunen een goed verloop van de financiële intermediatie. Hoofdkantoren waarvan de meeste of alle dochterondernemingen financiële instellingen zijn, zijn financiële hulpbedrijven.

Financiële instellingen m.u.v. financiële intermediairs en financiële hulpbedrijven

2.64 Financiële instellingen m.u.v. financiële intermediairs en financiële hulpbedrijven zijn institutionele eenheden die financiële diensten verlenen waarbij hetzij hun activa hetzij hun passiva voor het merendeel niet op open markten worden verhandeld.

Institutionele eenheden die tot de sector financiële instellingen behoren

2.65 De sector financiële instellingen (S.12) omvat de volgende institutionele eenheden:

a) particuliere instellingen of instellingen in handen van de overheid met als hoofdfunctie financiële intermediatie en/of het verlenen van financiële hulpdiensten;

b) coöperatieve verenigingen en personenvennootschappen met rechtspersoonlijkheid met als hoofdfunctie financiële intermediatie en/of het verlenen van financiële hulpdiensten;

c) overheidsproducenten met rechtspersoonlijkheid met als hoofdfunctie financiële intermediatie en/of het verlenen van financiële hulpdiensten;

d) instellingen zonder winstoogmerk met rechtspersoonlijkheid met als hoofdfunctie financiële intermediatie en/of het verlenen van financiële hulpdiensten, alsmede instellingen zonder winstoogmerk ten behoeve van financiële instellingen;

e) hoofdkantoren waarvan de meeste of alle dochterondernemingen zich als financiële instelling hoofdzakelijk bezighouden met financiële intermediatie en/of het verlenen van financiële hulpdiensten. Deze hoofdkantoren worden als financiële hulpbedrijven (S.126) ingedeeld;

f) holdings met als hoofdfunctie het in bezit hebben van de activa van een groep dochterondernemingen. De opzet van de groep kan financieel of niet-financieel zijn — dit heeft geen invloed op de indeling van holdings als financiële instellingen binnen concernverband (S.127);

g) SPE's waarvan de hoofdactiviteit bestaat in het verlenen van financiële diensten;

h) beleggingsfondsen zonder rechtspersoonlijkheid, inclusief beleggingsportefeuilles die eigendom zijn van de groep van deelnemers en die in de regel beheerd worden door andere financiële instellingen. Dergelijke fondsen zijn afzonderlijke institutionele eenheden, afgescheiden van de financiële instellingen die het beheer uitoefenen;

i) eenheden zonder rechtspersoonlijkheid met als hoofdfunctie financiële intermediatie die aan reglementering en toezicht onderworpen zijn (meestal ingedeeld als deposito-instellingen m.u.v. de centrale bank, verzekeringsinstellingen of pensioenfondsen), worden geacht zelfstandige beslissingsbevoegdheid te bezitten, alsmede een bestuursvorm die gescheiden is van die van hun eigenaars; hun economisch en financieel gedrag is vergelijkbaar met dat van financiële instellingen. In dat geval worden zij als afzonderlijke institutionele eenheden behandeld. Voorbeelden hiervan zijn bij kantoren van niet-ingezeten financiële instellingen.

Subsectoren van financiële instellingen

2.66 De sector financiële instellingen wordt onderverdeeld in de volgende subsectoren:

a) centrale bank (S.121);

b) deposito-instellingen m.u.v. de centrale bank (S.122);

c) geldmarktfondsen (GMF's) (S.123);

d) beleggingsfondsen m.u.v. GMF's (S.124);

e) overige financiële intermediairs m.u.v. verzekeringsinstellingen en pensioenfondsen (S.125);

f) financiële hulpbedrijven (S.126);

g) financiële instellingen en kredietverstrekkers binnen concernverband (S.127);

h) verzekeringsinstellingen (S.128), en

i) pensioenfondsen (S.129).

Combinaties van subsectoren van financiële instellingen

2.67 Onder monetaire financiële instellingen (MFI's), zoals gedefinieerd door de ECB, vallen alle institutionele eenheden in de subsectoren centrale bank (S.121), deposito-instellingen m.u.v. de centrale bank (S.122) en GMF's (S.123).

2.68 Onder overige monetaire financiële instellingen vallen de financiële intermediairs via welke de effecten van het monetaire beleid van de centrale bank (S.121) worden doorgegeven naar de overige entiteiten van de economie. Het betreft de deposito-instellingen m.u.v. de centrale bank (S.122) en de GMF's (S.123).

2.69 Financiële intermediairs die zich bezighouden met het poolen van risico's, zijn verzekeringsinstellingen en pensioenfondsen (VIPF's). Zij bestaan uit de subsectoren verzekeringsinstellingen (S.128) en pensioenfondsen (S.129).

2.70 Onder financiële instellingen m.u.v. MFI's en VIPF's vallen de subsectoren beleggingsfondsen m.u.v. GMF's (S.124), overige financiële intermediairs m.u.v. verzekeringsinstellingen en pensioenfondsen (S.125), financiële hulpbedrijven (S.126) en financiële instellingen en kredietverstrekkers binnen concernverband (S.127).

Onderverdeling van subsectoren van financiële instellingen in financiële instellingen in handen van de overheid, nationale financiële instellingen in handen van de particuliere sector en financiële instellingen in handen van het buitenland

2.71 Met uitzondering van subsector S.121 wordt iedere subsector onderverdeeld in:

a) financiële instellingen in handen van de overheid;

b) nationale financiële instellingen in handen van de particuliere sector, en

c) financiële instellingen in handen van het buitenland.

Voor deze onderverdeling gelden dezelfde criteria als voor de onderverdeling van niet-financiële vennootschappen (zie de punten 2.51 tot en met 2.54).



Tabel 2.3 —  Sector financiële instellingen en subsectoren

Sectoren en subsectoren

In handen van de overheid

Nationaal, in handen van de particuliere sector

In handen van het buitenland

Financiële instellingen

S.12

 

 

 

Monetaire financiële instellingen (MFI's)

Centrale bank

S.121

 

 

 

Overige monetaire financiële instellingen (OMFI's)

Deposito-instellingen m.u.v. de centrale bank

S.122

S.12201

S.12202

S.12203

GMF's

S.123

S.12301

S.12302

S.12303

Financiële instellingen m.u.v. MFI's en verzekeringsinstellingen en pensioenfondsen (VIPF's)

Beleggingsfondsen m.u.v. GMF's

S.124

S.12401

S.12402

S.12403

Overige financiële intermediairs m.u.v. verzekeringsinstellingen en pensioenfondsen:

S.125

S.12501

S.12502

S.12503

Financiële hulpbedrijven

S.126

S.12601

S.12602

S.12603

Financiële instellingen en kredietverstrekkers binnen concernverband

S.127

S.12701

S.12702

S.12703

Verzekeringsinstellingen en pensioenfondsen (VIPF's)

Verzekeringsinstellingen

S.128

S.12801

S.12802

S.12803

Pensioenfondsen

S.129

S.12901

S.12902

S.12903

Centrale bank (S.121)

2.72  Definitie: de subsector centrale bank (S.121) omvat alle financiële instellingen en quasivennootschappen met als hoofdfunctie de uitgifte van betaalmiddelen, handhaving van de interne en externe waarde van de valuta en het aanhouden van alle of een gedeelte van de internationale reserves van het land.

2.73 In subsector S.121 worden de volgende financiële intermediairs ingedeeld:

a) de nationale centrale bank, ook als deze deel uitmaakt van een Europees systeem van centrale banken;

b) de in hoofdzaak door de overheid opgerichte centrale monetaire instellingen die beschikken over een volledige boekhouding en zelfstandige beslissingsbevoegdheid ten opzichte van de centrale overheid (bv. instellingen voor deviezenverrekening of voor de uitgifte van betaalmiddelen). Indien de activiteiten van dergelijke instellingen hetzij door de centrale overheid hetzij door de centrale bank zelf worden uitgeoefend, is er geen sprake van afzonderlijke institutionele eenheden.

2.74 Subsector S.121 omvat geen instellingen, andere dan de centrale bank, die belast zijn met de reglementering van of het toezicht op financiële instellingen of financiële markten. Zij worden ingedeeld in subsector S.126.

Deposito-instellingen m.u.v. de centrale bank (S.122)

2.75  Definitie: de subsector deposito-instellingen m.u.v. de centrale bank (S.122) bestaat uit alle financiële instellingen en quasivennootschappen, m.u.v. die welke in de subsectoren centrale bank en GMF's worden ingedeeld, die zich hoofdzakelijk bezighouden met financiële intermediatie en waarvan de activiteiten erin bestaan deposito's en/of daarmee vergelijkbare financiële titels van andere institutionele eenheden, en derhalve niet alleen van MFI's, in ontvangst te nemen en voor eigen rekening leningen toe te kennen en/of beleggingen in effecten te verrichten.

2.76 Deposito-instellingen m.u.v. de centrale bank kunnen niet gewoon „banken” worden genoemd omdat er ook financiële instellingen toe kunnen behoren die zich geen bank noemen of financiële instellingen die zich in bepaalde landen geen bank mogen noemen, terwijl er anderzijds ook financiële instellingen zijn die zich wel bank noemen, maar die in feite geen deposito-instelling zijn. In subsector S.122 worden de volgende financiële intermediairs ingedeeld:

a) handelsbanken en algemene banken;

b) spaarbanken (inclusief spaar- en kredietverenigingen);

c) postcheque- en girodiensten, postbanken, girobanken;

d) landbouwkredietinstellingen;

e) coöperatieve kredietinstellingen, kredietverenigingen;

f) gespecialiseerde banken (bv. merchant banken, emissiebanken, particuliere banken), en

g) instellingen voor elektronisch geld die zich hoofdzakelijk bezighouden met financiële intermediatie.

2.77 De volgende financiële intermediairs worden in subsector S.122 ingedeeld indien zij hun middelen verkrijgen via opeisbare schuldtitels, ongeacht of dat geschiedt in de vorm van deposito's of in andere vormen, zoals via de doorlopende uitgifte van langlopende schuldbewijzen:

a) hypotheekverlenende instellingen (met inbegrip van bouwkassen, hypotheekbanken en hypothecair-kredietinstellingen);

b) gemeentelijke kredietinstellingen.

Anders worden zij in subsector S.124 ingedeeld.

2.78 Subsector S.122 omvat niet:

a) hoofdkantoren die toezicht uitoefenen op en het beheer hebben over andere eenheden van een groep die hoofdzakelijk bestaat uit deposito-instellingen m.u.v. de centrale bank, maar die zelf geen deposito-instelling zijn. Dergelijke hoofdkantoren worden ingedeeld in subsector S.126;

b) instellingen zonder winstoogmerk met eigen rechtspersoonlijkheid die diensten verlenen aan deposito-instellingen, maar zich niet bezighouden met financiële intermediatie. Zij worden ingedeeld in subsector S.126, en

c) instellingen voor elektronisch geld die zich niet hoofdzakelijk bezighouden met financiële intermediatie.

GMF's (S.123)

2.79  Definitie: de subsector GMF's (S.123) bestaat uit alle financiële instellingen en quasivennootschappen, m.u.v. die welke in de subsectoren centrale bank en kredietinstellingen worden ingedeeld, die zich hoofdzakelijk bezighouden met financiële intermediatie. Hun activiteiten bestaan erin aandelen of rechten van deelneming in beleggingsfondsen uit te geven die met deposito's van institutionele eenheden vergelijkbare financiële titels zijn, en voor eigen rekening beleggingen te verrichten, hoofdzakelijk in aandelen of rechten van deelneming in geldmarktfondsen, kortlopende schuldbewijzen, en/of deposito's.

2.80 In subsector S.123 worden de volgende financiële intermediairs ingedeeld: beleggingsfondsen, met inbegrip van beleggingsmaatschappijen, „unit trusts” en andere collectieve-beleggingsprogramma's waarvan de aandelen of rechten van deelneming met deposito's vergelijkbare financiële titels zijn.

2.81 Subsector S.123 omvat niet:

a) hoofdkantoren die toezicht uitoefenen op en het beheer hebben over een groep die hoofdzakelijk bestaat uit GMF's, maar die zelf geen GMF zijn. Zij worden ingedeeld in subsector S.126;

b) instellingen zonder winstoogmerk met eigen rechtspersoonlijkheid die diensten verlenen aan GMF's, maar zich niet bezighouden met financiële intermediatie. Zij worden ingedeeld in subsector S.126.

Beleggingsfondsen m.u.v. GMF's (S.124)

2.82  Definitie: de subsector beleggingsfondsen m.u.v. GMF's (S.124) bestaat uit alle collectieve-beleggingsprogramma's, m.u.v. die welke in de subsector GMF's worden ingedeeld, die zich hoofdzakelijk bezighouden met financiële intermediatie. Hun activiteiten bestaan erin aandelen of rechten van deelneming in beleggingsfondsen uit te geven die geen met deposito's van institutionele eenheden vergelijkbare financiële titels zijn, en voor eigen rekening beleggingen te verrichten, hoofdzakelijk in andere financiële activa dan kortlopende financiële activa en in niet-financiële activa (gewoonlijk onroerend goed).

2.83 Beleggingsfondsen m.u.v. GMF's omvatten beleggingsmaatschappijen, „unit trusts” en andere collectieve beleggingsprogramma's waarvan de aandelen of rechten van deelneming in beleggingsfondsen niet worden beschouwd als met deposito's vergelijkbare financiële titels.

2.84 In subsector S.124 worden de volgende financiële intermediairs ingedeeld:

a) open-end beleggingsfondsen, waarvan de aandelen of rechten van deelneming op verzoek van de houders direct of indirect uit de activa van de onderneming worden ingekocht of afgelost;

b) closed-end beleggingsfondsen met vast aandelenkapitaal, waarbij beleggers die tot het fonds toetreden of eruit treden, bestaande aandelen moeten kopen of verkopen;

c) vastgoedfondsen;

d) beleggingsfondsen die in andere fondsen beleggen („dakfondsen”);

e) hedgefondsen, die een groep collectieve-beleggingsprogramma's omvatten, met hoge minimaal te beleggen bedragen werken, aan weinig regelgeving onderworpen zijn en een scala aan beleggingsstrategieën hanteren.

2.85 Subsector S.124 omvat niet:

a) pensioenfondsen die tot de subsector pensioenfondsen behoren;

b) overheidsfondsen voor specifieke doeleinden, staatsinvesteringsfondsen genoemd. Een overheidsfonds voor specifieke doeleinden wordt ingedeeld als financiële instelling binnen concernverband indien het een financiële instelling is. Of een „overheidsfonds voor specifieke doeleinden” hetzij in de sector overheid hetzij in de sector financiële instellingen wordt ingedeeld, wordt bepaald aan de hand van de criteria met betrekking tot voor specifieke doeleinden opgerichte eenheden van de overheid, zoals vastgesteld in punt 2.27;

c) hoofdkantoren die toezicht uitoefenen op en het beheer hebben over een groep die hoofdzakelijk bestaat uit beleggingsfondsen m.u.v. GMF's, maar die zelf geen beleggingsfonds zijn. Zij worden ingedeeld in subsector S.126;

d) instellingen zonder winstoogmerk met eigen rechtspersoonlijkheid die diensten verlenen aan beleggingsfondsen m.u.v. GMF's, maar zich niet bezighouden met financiële intermediatie. Zij worden ingedeeld in subsector S.126.

Overige financiële intermediairs m.u.v. verzekeringsinstellingen en pensioenfondsen (S.125)

2.86  Definitie: de subsector overige financiële intermediairs m.u.v. verzekeringsinstellingen en pensioenfondsen (S.125) bestaat uit alle financiële instellingen en quasivennootschappen met als hoofdfunctie financiële intermediatie door het aangaan van verplichtingen, andere dan in chartaal geld, deposito's, aandelen in beleggingsfondsen of in verband met verzekerings-, pensioen- en standaardgarantieregelingen, bij institutionele eenheden.

2.87 Subsector S.125 omvat financiële intermediairs die zich voornamelijk bezighouden met langlopende financieringen. Deze overwegend lange looptijd van de financieringen vormt in de meeste gevallen het onderscheid met de OMFI's-subsectoren (S.122 en S.123). Op basis van het ontbreken van verplichtingen in de vorm van aandelen in beleggingsfondsen die niet als met financiële titels vergelijkbare deposito's worden beschouwd, of van verzekerings-, pensioen- en standaardgarantieregelingen kan de scheidslijn met de subsectoren beleggingsfondsen m.u.v. GMF's (S.124), verzekeringsinstellingen (S.128) en pensioenfondsen (S.129) worden getrokken.

2.88 De subsector overige financiële intermediairs m.u.v. verzekeringsinstellingen en pensioenfondsen (S.125) is op zijn beurt onderverdeeld in subsectoren die bestaan uit lege financiële instellingen die securitisatietransacties verrichten, handelaren in effecten en derivaten, financiële instellingen die zich bezighouden met het verstrekken van leningen en gespecialiseerde financiële instellingen. Dit wordt in tabel 2.4 weergegeven.

Tabel 2.4 —    Subsector overige financiële intermediairs m.u.v. verzekeringsinstellingen en pensioenfondsen (S.125) en de onderverdeling ervan

lege financiële instellingen die securitisatietransacties verrichten (LFI's);

handelaren in effecten en derivaten;

financiële instellingen die zich bezighouden met het verstrekken van leningen, en

gespecialiseerde financiële instellingen.

2.89 Subsector S.125 omvat geen instellingen zonder winstoogmerk met eigen rechtspersoonlijkheid die diensten verlenen aan overige financiële intermediairs, maar die zich zelf niet bezighouden met financiële intermediatie. Zij worden ingedeeld in subsector S.126.

2.90  Definitie: lege financiële instellingen die securitisatietransacties verrichten (LFI's) zijn ondernemingen die securitisatietransacties tot stand brengen. LFI's die voldoen aan de criteria om als institutionele eenheid te worden beschouwd, worden in S.125 ingedeeld; zo niet, dan worden zij als integrerend deel van de moederonderneming behandeld.

2.91 Handelaren in effecten en derivaten (voor eigen rekening) zijn financiële intermediairs voor eigen rekening.

2.92 Financiële instellingen die zich bezighouden met het verstrekken van leningen, omvatten bijvoorbeeld financiële intermediairs die zich bezighouden met:

a) financiële leasing;

b) huurkoop en de verlening van consumenten- of handelskrediet, of

c) factoring.

2.93 Gespecialiseerde financiële instellingen zijn financiële intermediairs, zoals:

a) risicokapitaal- en ontwikkelingskapitaalmaatschappijen;

b) export-/importfinancieringsmaatschappijen, of

c) financiële intermediairs die uitsluitend bij monetaire financiële instellingen deposito's en/of met deposito's vergelijkbare financiële titels verwerven of leningen aangaan; deze financiële intermediairs omvatten ook als centrale tegenpartij optredende clearinginstellingen die transacties met retrocessieovereenkomsten tussen MFI's verrichten.

2.94 Hoofdkantoren die toezicht uitoefenen op en het beheer hebben over een groep dochterondernemingen met als hoofdfunctie financiële intermediatie en/of het verlenen van financiële hulpdiensten, worden ingedeeld in subsector S.126.

Financiële hulpbedrijven (S.126)

2.95  Definitie: de subsector financiële hulpbedrijven (S.126) bestaat uit alle financiële instellingen en quasivennootschappen die zich hoofdzakelijk bezighouden met activiteiten die nauw verband houden met financiële intermediatie, maar zelf geen financiële intermediairs zijn.

2.96 De volgende financiële instellingen en quasivennootschappen worden in subsector S.126 ingedeeld:

a) assurantietussenpersonen, bergings- en schadeafwikkelingsbedrijven, verzekerings- en pensioenadviseurs enz.;

b) leningmakelaars, effectenmakelaars, beleggingsadviseurs enz.;

c) instellingen die de uitgifte van effecten verzorgen;

d) instellingen met als hoofdfunctie het garanderen van wissels e.d. door middel van endossement;

e) instellingen die zich bezighouden met de organisatie van transacties in derivaten en afdekkingsinstrumenten zoals swaps, opties en futures (maar deze niet zelf uitgeven);

f) instellingen die de infrastructuur voor financiële markten verzorgen;

g) centrale toezichthoudende organen voor financiële intermediairs en financiële markten, voor zover deze als afzonderlijke institutionele eenheden kunnen worden aangemerkt;

h) beheerders van pensioenfondsen, beleggingsinstellingen enz.;

i) effectenbeurs- en verzekeringsbeursinstellingen;

j) instellingen zonder winstoogmerk met eigen rechtspersoonlijkheid die diensten aan financiële instellingen verlenen, maar die zich niet bezighouden met financiële intermediatie (zie punt 2.46, onder d));

k) betalingsinstellingen (die betalingen tussen koper en verkoper vergemakkelijken).

2.97 Subsector S.126 omvat ook hoofdkantoren waarvan de dochterondernemingen allemaal of voor het merendeel financiële instellingen zijn.

Financiële instellingen en kredietverstrekkers binnen concernverband (S.127)

2.98  Definitie: de subsector financiële instellingen en kredietverstrekkers binnen concernverband (S.127) bestaat uit alle financiële instellingen en quasivennootschappen die zich noch met financiële intermediatie, noch met het verlenen van financiële hulpdiensten bezighouden en waarvan het merendeel van hetzij de activa hetzij de passiva niet op open markten wordt verhandeld.

2.99 Met name de volgende financiële instellingen en quasivennootschappen worden in subsector S.127 ingedeeld:

a) eenheden met rechtspersoonlijkheid zoals trusts, nalatenschappen, derdenrekeningen, of brievenbusmaatschappijen;

b) holdings die een zeggenschapsbelang bezitten in een groep dochterondernemingen en waarvan de hoofdactiviteit bestaat in het bezitten van de groep zonder dat andere diensten worden verleend aan de ondernemingen waarin zij dat belang bezitten, m.a.w. zij besturen of beheren geen andere eenheden;

c) SPE's die als institutionele eenheden worden aangemerkt en op open markten financiële middelen aantrekken ten behoeve van hun moederonderneming;

d) eenheden die uitsluitend met eigen financiële middelen of met door een sponsor verstrekte middelen financiële diensten verlenen aan een reeks cliënten en die het financiële risico van het in gebreke blijven van de schuldenaar op zich nemen. Dit zijn bijvoorbeeld kredietverstrekkers, instellingen die leningen aan studenten of voor buitenlandse handel verstrekken en daarvoor gebruikmaken van financiële middelen die zij van een sponsor zoals een overheidsinstelling of een instelling zonder winstoogmerk hebben ontvangen, en pandhuizen die zich hoofdzakelijk bezighouden met het verstrekken van leningen;

e) overheidsfondsen voor specifieke doeleinden, gewoonlijk staatsinvesteringsfondsen genoemd, indien zij als financiële instelling worden ingedeeld.

Verzekeringsinstellingen (S.128)

2.100  Definitie: de subsector verzekeringsinstellingen (S.128) bestaat uit alle financiële instellingen en quasivennootschappen met als hoofdfunctie financiële intermediatie door middel van het poolen van risico's, hoofdzakelijk in de vorm van directe verzekering of herverzekering (zie punt 2.59).

2.101 Verzekeringsinstellingen verlenen diensten bestaande in:

a) levens- en schadeverzekering aan individuele eenheden of groepen eenheden;

b) herverzekering aan andere verzekeringsinstellingen.

2.102 Schadeverzekeringsdiensten kunnen de volgende vorm aannemen:

a) brandverzekering (bv. voor commercieel en particulier eigendom);

b) aansprakelijkheidsverzekering (ongevallenverzekering);

c) motorrijtuigverzekering (casco en wettelijke aansprakelijkheid);

d) zee-, luchtvaart- en transportverzekering (met inbegrip van energierisico's);

e) ongevallen- en ziektekostenverzekering, of

f) financiële verzekering (verstrekking van garanties of borgstellingen).

Financiëleverzekerings- of kredietverzekeringsinstellingen, ook garantiebanken genoemd, verstrekken garanties of borgstellingen om securitisatie- en andere kredietproducten te dekken.

2.103 Verzekeringsinstellingen zijn doorgaans naamloze vennootschappen of onderlinge maatschappijen. Als naamloze vennootschap zijn zij in handen van aandeelhouders; vaak betreft het beursgenoteerde bedrijven. Onderlinge maatschappijen zijn in handen van hun polishouders en keren hun winst door middel van dividenden of bonussen uit aan de „winstgerechtigde” of „participerende” polishouders. Verzekeraars „binnen concernverband” zijn normaliter in handen van een niet-financiële vennootschap en verzekeren meestal de risico's van hun aandeelhouders.



Kader 2.1 —  Soorten verzekeringen

Soort verzekering

Sector/subsector

Directe verzekering

Levensverzekering

De polishouder verricht regelmatig of eenmalig betalingen aan een verzekeraar, in ruil waarvoor de verzekeraar garandeert de polishouder op een vastgestelde datum of eerder een overeengekomen bedrag of een lijfrente uit te keren

Verzekeringsinstellingen

Schadeverzekering

Verzekering ter dekking van risico's zoals ongevallen, ziekte, brand, krediet enz

Verzekeringsinstellingen

Herverzekering

Verzekering genomen door een verzekeraar om zichzelf te beschermen tegen een onverwacht groot aantal claims of buitengewoon hoge claims

Verzekeringsinstellingen

Sociale verzekering

Sociale zekerheid

Deelnemers worden door de overheid verplicht zich te verzekeren tegen bepaalde sociale risico's

Socialezekerheidspensioenen

Socialezekerheidsfondsen

Overige sociale zekerheid

Andere werkgerelateerde sociale verzekering dan sociale zekerheid

Werkgevers kunnen als voorwaarde in de arbeidsovereenkomst opnemen dat werknemers zich verzekeren tegen bepaalde sociale risico's

Werkgerelateerde pensioenen

Sector werkgever, verzekeringsinstellingen en pensioenfondsen of instelling zonder winstoogmerk ten behoeve van huishoudens

Overige werkgerelateerde sociale verzekering

2.104 Subsector S.128 omvat niet:

a) institutionele eenheden die aan elk van beide in punt 2.117 vermelde criteria voldoen. Zij worden ingedeeld in subsector S.1314;

b) hoofdkantoren die toezicht uitoefenen op en het beheer hebben over een groep die hoofdzakelijk bestaat uit verzekeringsinstellingen, maar die zelf geen verzekeringsinstelling zijn. Zij worden ingedeeld in subsector S.126;

c) instellingen zonder winstoogmerk met eigen rechtspersoonlijkheid die diensten verlenen aan verzekeringsinstellingen, maar zich niet bezighouden met financiële intermediatie. Zij worden ingedeeld in subsector S.126.

Pensioenfondsen (S.129)

2.105  Definitie: de subsector pensioenfondsen (S.129) bestaat uit alle financiële instellingen en quasivennootschappen met als hoofdfunctie financiële intermediatie door middel van het poolen van sociale risico's en behoeften van de verzekerden (sociale verzekering). Pensioenfondsen als socialeverzekeringsregelingen verschaffen een inkomen aan gepensioneerden en vaak uitkeringen bij overlijden en invaliditeit.

2.106 Subsector S.129 bestaat uitsluitend uit de socialeverzekeringspensioenfondsen die als institutionele eenheden losstaan van de eenheden waardoor ze zijn opgericht. Deze fondsen hebben zelfstandige beslissingsbevoegdheid en beschikken over een volledige boekhouding. Niet-zelfstandige pensioenfondsen zijn geen institutionele eenheden en blijven onderdeel van de institutionele eenheid waardoor ze zijn opgericht.

2.107 Voorbeelden van deelnemers aan pensioenfondsregelingen zijn de werknemers van een enkele onderneming of een groep ondernemingen, de werknemers uit een branche of bedrijfstak, dan wel personen met hetzelfde beroep. De uitkeringen die ingevolge het verzekeringscontract worden verstrekt, kunnen zijn:

a) uitkeringen bij overlijden van de verzekerde aan de weduwe/weduwnaar en kinderen;

b) pensioenuitkeringen, of

c) invaliditeitsuitkeringen aan de verzekerde.

2.108 In sommige landen kunnen al deze soorten risico's zowel bij levensverzekeringsinstellingen als bij pensioenfondsen worden verzekerd. In andere landen moeten sommige van deze risico's bij levensverzekeringsinstellingen worden verzekerd. In tegenstelling tot levensverzekeringsinstellingen zijn pensioenfondsen wettelijk beperkt tot specifieke groepen werknemers en zelfstandigen.

2.109 Pensioenfondsregelingen kunnen door werkgevers of door de overheid worden georganiseerd; zij kunnen ook door verzekeringsinstellingen namens werknemers worden georganiseerd; bovendien kunnen er afzonderlijke institutionele eenheden worden opgericht voor het in bezit hebben en beheren van de activa die worden gebruikt om de pensioenrechten te honoreren en de pensioenen uit te keren.

2.110 Subsector S.129 omvat niet:

a) institutionele eenheden die aan elk van beide in punt 2.117 vermelde criteria voldoen. Zij worden ingedeeld in subsector S.1314;

b) hoofdkantoren die toezicht uitoefenen op en het beheer hebben over een groep die hoofdzakelijk bestaat uit pensioenfondsen, maar die zelf geen pensioenfonds zijn. Zij worden ingedeeld in subsector S.126;

c) instellingen zonder winstoogmerk met eigen rechtspersoonlijkheid die diensten verlenen aan verzekeringsinstellingen, maar zich niet bezighouden met financiële intermediatie. Zij worden ingedeeld in subsector S.126.

Overheid (S.13)

2.111  Definitie: de sector overheid (S.13) bestaat uit institutionele eenheden die niet-marktproducenten zijn waarvan de output voor individueel of collectief verbruik is bestemd, en die worden gefinancierd uit verplichte betalingen door eenheden die tot andere sectoren behoren, en institutionele eenheden die zich in hoofdzaak bezighouden met de herverdeling van het nationale inkomen en vermogen.

2.112 Tot sector S.13 behoren bijvoorbeeld de volgende institutionele eenheden:

a) instellingen van de overheid die bij wet zijn ingesteld om juridisch gezag uit te oefenen over andere eenheden in het economische gebied, en die een geheel van activiteiten, hoofdzakelijk bestaande in de levering van niet-marktgoederen en -diensten, ten behoeve van de samenleving beheren en financieren;

b) ondernemingen of quasivennootschappen waarvan de output hoofdzakelijk niet-marktoutput is en waarover een overheidsinstelling zeggenschap heeft;

c) instellingen zonder winstoogmerk met eigen rechtspersoonlijkheid die niet-marktproducent zijn en waarover de overheid zeggenschap heeft;

d) zelfstandige pensioenfondsen, mits er een wettelijke verplichting is om bij te dragen en de overheid het fonds beheert wat de vaststelling en goedkeuring van de premies en uitkeringen betreft.

2.113  De sector overheid is onderverdeeld in vier subsectoren:

a) centrale overheid (m.u.v. socialezekerheidsfondsen) (S.1311);

b) deelstaatoverheid (m.u.v. socialezekerheidsfondsen) (S.1312);

c) lagere overheid (m.u.v. socialezekerheidsfondsen) (S.1313);

d) socialezekerheidsfondsen (S.1314).

Centrale overheid (m.u.v. socialezekerheidsfondsen) (S.1311)

2.114  Definitie: de subsector centrale overheid (m.u.v. socialezekerheidsfondsen) (S.1311) omvat alle bestuursinstellingen van de staat en andere centrale organen waarvan de bevoegdheid zich gewoonlijk over het gehele economische gebied uitstrekt, met uitzondering van socialezekerheidsfondsen.

Subsector S.1311 omvat ook de instellingen zonder winstoogmerk waarover de centrale overheid zeggenschap heeft en waarvan de bevoegdheid zich over het gehele economische gebied uitstrekt.

Marktregulerende instellingen die uitsluitend of hoofdzakelijk subsidies verdelen, worden in subsector S.1311 ingedeeld. Marktregulerende instellingen die uitsluitend of hoofdzakelijk landbouwproducten of levensmiddelen aankopen, opslaan en verkopen, worden in subsector S.11 ingedeeld.

Deelstaatoverheid (m.u.v. socialezekerheidsfondsen) (S.1312)

2.115  Definitie: de subsector deelstaatoverheid (m.u.v. socialezekerheidsfondsen) (S.1312) bestaat uit die typen van bestuursinstellingen die afzonderlijke institutionele eenheden zijn en die bepaalde overheidsfuncties, met uitzondering van het beheer van sociale zekerheidsfondsen, uitoefenen op een lager niveau dan de centrale overheid en op een hoger niveau dan de institutionele eenheden van de lagere overheid.

Subsector S.1312 omvat ook de instellingen zonder winstoogmerk waarover de deelstaatoverheid zeggenschap heeft en waarvan de bevoegdheid beperkt is tot het economische gebied van de deelstaat.

Lagere overheid (m.u.v. socialezekerheidsfondsen) (S.1313)

2.116  Definitie: de subsector lagere overheid (m.u.v. socialezekerheidsfondsen) (S.1313) omvat de instellingen van openbaar bestuur waarvan de bevoegdheid zich slechts tot een lokaal gedeelte van het economische gebied uitstrekt, met uitzondering van de plaatselijke instellingen van socialezekerheidsfondsen.

Subsector S.1313 omvat ook de instellingen zonder winstoogmerk waarover de lagere overheid zeggenschap heeft en waarvan de bevoegdheid beperkt is tot het economische gebied van de lagere overheid.

Socialezekerheidsfondsen (S.1314)

2.117  Definitie: de subsector socialezekerheidsfondsen (S.1314) omvat de institutionele eenheden op centraal, deelstaat- en lokaal niveau waarvan de hoofdactiviteit bestaat in het verstrekken van sociale uitkeringen en die aan elk van de volgende twee criteria voldoen:

a) bepaalde bevolkingsgroepen zijn bij wet- of regelgeving verplicht aan de regeling deel te nemen dan wel premies te betalen, en

b) de overheid is verantwoordelijk voor het beheer van de instelling wat de vaststelling of goedkeuring van de premies en uitkeringen betreft, ongeacht haar rol als toezichthoudend orgaan of werkgever.

Gewoonlijk is er geen rechtstreeks verband tussen de hoogte van een door een individu betaalde premie en het risico waaraan hij is blootgesteld.

Huishoudens (S.14)

2.118  Definitie: de sector huishoudens (S.14) bestaat uit personen of groepen van personen in hun hoedanigheid van consument en personen of groepen van personen die als ondernemer goederen en al dan niet financiële diensten voor de markt produceren (marktproducenten), voor zover de goederen en diensten niet worden geproduceerd door afzonderlijke entiteiten die als quasivennootschap worden aangemerkt. Deze sector omvat ook personen of groepen van personen die als producent uitsluitend voor eigen finaal gebruik goederen en niet-financiële diensten voortbrengen.

Huishoudens in hun hoedanigheid van consument kunnen worden gedefinieerd als kleine groepen van personen die dezelfde woning delen, die hun inkomen en vermogen samenvoegen en die bepaalde soorten goederen en diensten, voornamelijk huisvesting en voedsel, gezamenlijk verbruiken.

De voornaamste middelen van huishoudens zijn:

a) beloning van werknemers;

b) inkomen uit vermogen;

c) inkomensoverdrachten van andere sectoren;

d) opbrengsten uit de verkoop van marktproducten, en

e) toegerekende opbrengsten uit de productie voor eigen consumptie.

2.119 De sector huishoudens omvat:

a) personen of groepen van personen met consumptie als hoofdfunctie;

b) personen die permanent in instellingen wonen en die weinig of geen bevoegdheid hebben zelfstandig op te treden of beslissingen te nemen in economische aangelegenheden (bv. leden van religieuze orden die in kloosters wonen, chronisch zieken in ziekenhuizen, langgestraften in gevangenissen, permanente bewoners van verzorgingstehuizen). Deze personen worden als één institutionele eenheid, d.w.z. als één huishouden, beschouwd;

c) personen of groepen van personen met consumptie als hoofdfunctie, die uitsluitend voor eigen finaal gebruik goederen en niet-financiële diensten voortbrengen; in het systeem zijn slechts twee categorieën diensten voor eigen consumptie inbegrepen: diensten door bewoners van een eigen huis en huishoudelijke diensten door betaald huishoudelijk personeel;

d) eenmanszaken en personenvennootschappen zonder rechtspersoonlijkheid, voor zover zij niet als quasivennootschappen worden behandeld, die marktproducent zijn, en

e) instellingen zonder winstoogmerk ten behoeve van huishoudens, die geen rechtspersoonlijkheid bezitten, of die wel rechtspersoonlijkheid bezitten, maar die van geringe betekenis zijn.

2.120 In het ESR 2010 is de sector huishoudens onderverdeeld in de volgende subsectoren:

a) werkgevers (S.141) en zelfstandigen (S.142);

b) werknemers (S.143);

c) huishoudens met inkomen uit vermogen (S.1441);

d) huishoudens met pensioeninkomen (S.1442);

e) huishoudens met overige overdrachten (S.1443).

2.121 Bij de indeling van de huishoudens in subsectoren wordt uitgegaan van de voornaamste inkomensbron (inkomen uit zelfstandige bedrijfsuitoefening, beloning van werknemers enz.) van het huishouden in zijn geheel. Indien door een huishouden meer dan één inkomen van dezelfde categorie wordt ontvangen, wordt bij de indeling rekening gehouden met het totale inkomen van het huishouden in elk van de categorieën.

Werkgevers en zelfstandigen (S.141 en S.142)

2.122  Definitie: de subsector werkgevers en zelfstandigen (S.141 en S.142) bestaat uit de huishoudens waarvoor het (gemengde) inkomen (B.3) dat de eigenaars van tot het huishouden behorende ondernemingen zonder rechtspersoonlijkheid uit hun activiteit als producent van marktgoederen en -diensten (al dan niet met betaalde werknemers) ontvangen, de voornaamste bron van inkomsten voor het huishouden in zijn geheel is, zelfs al is dat niet meer dan de helft van het totale inkomen van het huishouden.

Werknemers (S.143)

2.123  Definitie: de subsector werknemers (S.143) bestaat uit de huishoudens waarvoor het inkomen uit de beloning van werknemers (D.1) de voornaamste bron van inkomsten voor het huishouden in zijn geheel is.

Huishoudens met inkomen uit vermogen (S.1441)

2.124  Definitie: de subsector huishoudens met inkomen uit vermogen (S.1441) bestaat uit de huishoudens waarvoor het inkomen uit vermogen (D.4) de voornaamste bron van inkomsten voor het huishouden in zijn geheel is.

Huishoudens met pensioeninkomen (S.1442)

2.125  Definitie: de subsector huishoudens met pensioeninkomen (S.1442) bestaat uit de huishoudens waarvoor het inkomen uit pensioenen de voornaamste bron van inkomsten voor het huishouden in zijn geheel is.

Huishoudens met pensioeninkomen zijn huishoudens waarvan het grootste bron van het inkomen bestaat uit ouderdoms- of andere pensioenen, inclusief pensioenen van vorige werkgevers.

Huishoudens met overige overdrachten (S.1443)

2.126  Definitie: de subsector huishoudens met overige overdrachten (S.1443) bestaat uit de huishoudens waarvoor het inkomen uit overige overdrachten de voornaamste bron van inkomsten voor het huishouden in zijn geheel is.

Onder overige overdrachten worden verstaan alle lopende inkomsten behalve inkomen uit vermogen, pensioenen en inkomen van personen die blijvend in instellingen wonen.

2.127 Indien geen informatie over de relatieve bijdragen van de bronnen van inkomsten van een huishouden in zijn geheel beschikbaar is voor de indeling in subsectoren, wordt het inkomen van de referentiepersoon gebruikt voor de indeling. De referentiepersoon van een huishouden is degene met het hoogste inkomen. Indien dit niet bekend is, wordt de indeling gebaseerd op het inkomen van de persoon die verklaart de referentiepersoon te zijn.

2.128 Er kunnen andere criteria worden gebruikt voor de indeling van huishoudens in subsectoren, bijvoorbeeld naar de activiteit van huishoudens in hun hoedanigheid van ondernemer: agrarische huishoudens en niet-agrarische huishoudens.

Instellingen zonder winstoogmerk t.b.v. huishoudens (S.15)

2.129  Definitie: de sector instellingen zonder winstoogmerk izw's) ten behoeve van huishoudens (S.15) bestaat uit izw's met rechtspersoonlijkheid die werken ten behoeve van huishoudens en die particuliere niet-marktproducent zijn. De voornaamste middelen van deze instellingen zijn vrijwillige bijdragen, in geld of in natura, van huishoudens in hun hoedanigheid van consument, betalingen door de overheid en inkomen uit vermogen.

2.130 Indien dergelijke instellingen van geringe betekenis zijn, worden zij niet tot de sector izw's t.b.v. huishoudens, maar tot de sector huishoudens (S.14) gerekend, omdat hun transacties niet te onderscheiden zijn van de transacties van eenheden in die sector. Niet-markt-izw's t.b.v. huishoudens waarover de overheid zeggenschap heeft, worden ingedeeld in de sector overheid (S.13).

De sector izw's t.b.v. huishoudens omvat met name de volgende instellingen die niet-marktgoederen en -diensten aan huishoudens leveren:

a) vakbonden, beroepsorganisaties, wetenschappelijke verenigingen, consumentenverenigingen, politieke partijen, kerkgenootschappen en religieuze organisaties (inclusief die welke door de overheid worden gefinancierd, maar waarover de overheid geen zeggenschap heeft), sociale, culturele, recreatieve en sportverenigingen, en

b) liefdadigheidsinstellingen en hulporganisaties die worden gefinancierd door vrijwillige bijdragen in geld of in natura van andere institutionele eenheden.

Sector S.15 omvat liefdadigheidsinstellingen en hulporganisaties ten behoeve van niet-ingezeten eenheden, maar geen entiteiten waarvan de leden een recht hebben op een van te voren vastgesteld pakket goederen en diensten.

Buitenland (S.2)

2.131  Definitie: onder de sector buitenland (S.2) wordt een groep eenheden verstaan die niet worden gekenmerkt door hun functie of inkomensbron. Het omvat niet-ingezeten eenheden, voor zover deze transacties plegen met ingezeten institutionele eenheden of andere economische banden hebben met ingezeten eenheden. De buitenlandrekeningen geven een overzicht van de economische betrekkingen tussen de nationale economie en het buitenland. De instellingen van de EU en internationale organisaties behoren ook hiertoe.

2.132 Het buitenland is geen sector waarvoor een volledig rekeningenstelsel moet worden samengesteld, maar wordt gemakshalve als sector behandeld. Sectoren worden verkregen door opsplitsing van de totale economie in homogene groepen van ingezeten institutionele eenheden die wat hun economisch gedrag, doelstellingen en functies betreft, bepaalde overeenkomsten vertonen. Dit geldt niet voor de sector buitenland: onder deze sector vallen de transacties en overige stromen van niet-financiële vennootschappen, financiële instellingen, instellingen zonder winstoogmerk, huishoudens en overheid enerzijds met niet-ingezeten institutionele eenheden anderzijds, alsmede andere economische betrekkingen tussen ingezetenen en niet-ingezetenen, bijvoorbeeld vorderingen van ingezetenen op niet-ingezetenen.

2.133 De buitenlandrekeningen omvatten uitsluitend transacties tussen ingezeten institutionele eenheden en niet-ingezeten eenheden, met de volgende uitzonderingen:

a) door ingezeten eenheden verleende vervoerdiensten (tot de grens van het land van uitvoer) in verband met de invoer van goederen worden in de buitenlandrekeningen geregistreerd als fob-invoer, ook al worden zij door ingezeten eenheden geproduceerd;

b) transacties in buitenlandse activa tussen ingezetenen die in de binnenlandse economie tot verschillende sectoren behoren, worden opgenomen in de gedetailleerde financiële buitenlandrekeningen. Deze transacties hebben geen invloed op de financiële positie van het land ten opzichte van het buitenland; zij leiden tot wijzigingen in de financiële verhoudingen van de afzonderlijke sectoren met het buitenland;

c) transacties met betrekking tot de financiële passiva van het land tussen niet-ingezetenen die tot verschillende geografische gebieden behoren, worden opgenomen bij de geografische opsplitsing van de buitenlandrekeningen; hoewel deze transacties de totale financiële passiva van het land jegens het buitenland niet beïnvloeden, leiden zij toch tot een wijziging in de financiële passiva jegens de verschillende delen van de wereld.

2.134 De sector buitenland (S.2) wordt onderverdeeld in:

a) lidstaten en instellingen en organen van de Europese Unie (S.21):

1. lidstaten van de Europese Unie (S.211);

2. instellingen en organen van de Europese Unie (S.212);

b) niet-lidstaten en internationale organisaties die niet in de EU gevestigd zijn (S.22).

Sectorindeling van de productie-eenheden naar gangbare rechtsvorm

2.135 Het volgende overzicht en de punten 2.31 tot en met 2.44 vatten de beginselen van de sectorindeling van de productie-eenheden samen, waarbij wordt uitgegaan van de gangbare benamingen van de voornaamste soorten instellingen.

2.136 Particuliere en overheidsondernemingen die marktproducent zijn, worden als volgt ingedeeld:

a) indien de hoofdfunctie bestaat in de productie van goederen en niet-financiële diensten: in sector S.11 (niet-financiële vennootschappen);

b) indien de hoofdfunctie bestaat in financiële intermediatie en het verlenen van financiële hulpdiensten: in sector S.12 (financiële instellingen).

2.137 Coöperaties en personenvennootschappen met eigen rechtspersoonlijkheid die marktproducent zijn, worden als volgt ingedeeld:

a) indien de hoofdfunctie bestaat in de productie van goederen en niet-financiële diensten: in sector S.11 (niet-financiële vennootschappen);

b) indien de hoofdfunctie bestaat in financiële intermediatie en het verlenen van financiële hulpdiensten: in sector S.12 (financiële instellingen).

2.138 Overheidsproducenten die op grond van een bijzonder statuut rechtspersoonlijkheid bezitten en marktproducent zijn, worden als volgt ingedeeld:

a) indien de hoofdfunctie bestaat in de productie van goederen en niet-financiële diensten: in sector S.11 (niet-financiële vennootschappen);

b) indien de hoofdfunctie bestaat in financiële intermediatie en het verlenen van financiële hulpdiensten: in sector S.12 (financiële instellingen).

2.139 Overheidsproducenten zonder rechtspersoonlijkheid die marktproducent zijn, worden als volgt ingedeeld:

a) indien zij quasivennotschappen zijn:

1. indien de hoofdfunctie bestaat in de productie van goederen en niet-financiële diensten: in sector S.11 (niet-financiële vennootschappen);

2. indien de hoofdfunctie bestaat in financiële intermediatie en het verlenen van financiële hulpdiensten: in sector S.12 (financiële instellingen);

b) indien zij geen quasivennootschap zijn: in sector S.13 (overheid) omdat zij integrerend deel blijven uitmaken van de eenheden die er zeggenschap over hebben.

2.140 Instellingen zonder winstoogmerk (verenigingen en stichtingen) met eigen rechtspersoonlijkheid worden als volgt ingedeeld:

a) indien zij marktproducent zijn en de hoofdfunctie bestaat in de productie van goederen en niet-financiële diensten: in sector S.11 (niet-financiële vennootschappen);

b) indien de hoofdfunctie bestaat in financiële intermediatie en het verlenen van financiële hulpdiensten: in sector S.12 (financiële instellingen);

c) indien zij geen marktproducent zijn:

1. in sector S.13 (overheid) indien zij overheidsproducent zijn waarover de overheid zeggenschap heeft;

2. sector S.15 (instellingen zonder winstoogmerk t.b.v. huishoudens) indien zij particulier producent zijn.

2.141 Eenmanszaken en personenvennootschappen zonder eigen rechtspersoonlijkheid die marktproducent zijn, worden als volgt ingedeeld:

a) indien zij quasivennootschap zijn:

1. indien de hoofdfunctie bestaat in de productie van goederen en niet-financiële diensten: in sector S.11 (niet-financiële vennootschappen);

2. indien de hoofdfunctie bestaat in financiële intermediatie en het verlenen van financiële hulpdiensten: in sector S.12 (financiële instellingen);

b) indien zij geen quasivennootschap zijn: in sector S.14 (huishoudens).

2.142 Hoofdkantoren worden als volgt ingedeeld:

a) indien de hoofdfunctie van de groep ondernemingen die marktproducent zijn, in haar geheel bestaat in de productie van goederen en niet-financiële diensten: in sector S.11 (niet-financiële vennootschappen) (zie punt 2.46, onder e));

b) indien de hoofdfunctie van de groep ondernemingen in haar geheel bestaat in financiële intermediatie: in sector S.12 (financiële instellingen) (zie punt 2.65, onder e)).

Holdings die activa van een groep dochterondernemingen bezitten, worden altijd als financiële instelling behandeld. Holdings bezitten de activa van een groep ondernemingen, maar verrichten geen beheersactiviteiten ten aanzien van de groep.

2.143 Tabel 2.5 geeft een schematisch overzicht van de verschillende gevallen die hierboven zijn opgesomd.



Tabel 2.5 —  Sectorindeling van de productie-eenheden naar gangbare rechtsvorm

Type producent

Gangbare benaming

Marktproducenten (goederen en niet-financiële diensten)

Marktproducenten (financiële intermediatie)

Niet-marktproducenten

Overheidsproducenten

Particuliere producenten

Particuliere en overheidsondernemingen

S.11 Niet-financiële vennootschappen

S.12 Financiële instellingen

 

 

Coöperaties en personenvennootschappen met eigen rechtspersoonlijkheid

S.11 Niet-financiële vennootschappen

S.12 Financiële instellingen

 

 

Overheidsproducenten met een bijzonder statuut dat hun rechtspersoonlijkheid verleent

S.11 Niet-financiële vennootschappen

S.12 Financiële instellingen

 

 

Overheidsproducenten zonder eigen rechtspersoonlijkheid

met de kenmerken van quasivennootschappen

S.11 Niet-financiële vennootschappen

S.12 Financiële instellingen

 

 

Overige

 

 

S.13 Overheid

 

Instellingen zonder winstoogmerk met eigen rechtspersoonlijkheid

S.11 Niet-financiële vennootschappen

S.12 Financiële instellingen

S.13 Overheid

S.15 Instellingen zonder winstoogmerk t.b.v. huishoudens

Personenvennootschappen zonder eigen rechtspersoonlijkheid

Eenmanszaken

Met de kenmerken van quasivennootschappen

S.11 Niet-financiële vennootschappen

S.12 Financiële instellingen

 

 

Overige

S.14 huishoudens

S.14 huishoudens

 

 

Hoofdkantoren die zeggenschap hebben over een groep ondernemingen wier activiteit in overwegende mate de productie behelst van:

goederen en niet-financiële diensten

S.11 Niet-financiële vennootschappen

 

 

 

financiële diensten

 

S.12 Financiële instellingen

 

 

EENHEDEN VAN ECONOMISCHE ACTIVITEIT OP LOKAAL NIVEAU (LOKALE EEA'S) EN BEDRIJFSTAKKEN

2.144 De meeste institutionele eenheden die goederen en diensten produceren, oefenen meerdere activiteiten tegelijkertijd uit. Zij kunnen naast een hoofdactiviteit ook enkele nevenactiviteiten en hulpactiviteiten uitoefenen.

2.145 Een activiteit is het gecombineerde gebruik van middelen (kapitaalgoederen, arbeid, procedés, informatienetwerken, producten) om bepaalde goederen of diensten voort te brengen. Een activiteit wordt gekenmerkt door een input van producten, een productieproces en een output van producten.

De activiteiten kunnen worden bepaald aan de hand van een specifiek niveau van de NACE Rev. 2.

2.146 Indien binnen een eenheid verschillende activiteiten worden uitgeoefend, worden deze — voor zover het niet om hulpactiviteiten (zie hoofdstuk 3, punt 3.12) gaat — gerangschikt naar de omvang van de bruto toegevoegde waarde die zij genereren. Op basis van de omvang van de bruto toegevoegde waarde die zij genereren, wordt dan een onderscheid gemaakt tussen hoofdactiviteit en nevenactiviteiten.

2.147 Voor een analyse van de stromen die zich voordoen bij het productieproces en bij het gebruik van goederen en diensten, moeten eenheden worden gekozen die de technisch-economische relaties belichten. Dit betekent dat institutionele eenheden moeten worden gesplitst in kleinere eenheden, die qua aard van de productie homogener zijn. Eenheden van economische activiteit op lokaal niveau zijn bedoeld om, als operationele benadering, hieraan tegemoet te komen.

Eenheid van economische activiteit op lokaal niveau

2.148  Definitie: de eenheid van economische activiteit op lokaal niveau (lokale EEA) is het deel van een eenheid van economische activiteit (EEA) dat overeenkomt met een lokale eenheid. Een lokale EEA wordt in het 2008 SNA en de ISIC Rev. 4 „establishment” genoemd. Tot een EEA behoren alle delen van een institutionele eenheid in haar hoedanigheid van producent die bijdragen tot de uitoefening van een activiteit op viercijferniveau (klassen) van de NACE Rev. 2. De EEA valt samen met één of meer operationele onderdelen van de institutionele eenheid. Van de lokale EEA's moeten door het informatiesysteem van de institutionele eenheid ten minste de volgende gegevens kunnen worden verstrekt of geraamd: productiewaarde, intermediair verbruik, beloning van werknemers, exploitatieoverschot, werkzame personen en bruto-investeringen in vaste activa.

De lokale eenheid is een goederen of diensten producerende institutionele eenheid of een deel daarvan, gelegen op een geografisch bepaalde plaats.

Een lokale EEA kan overeenkomen met een institutionele eenheid in haar hoedanigheid van producent; zij kan daarentegen nooit tot twee verschillende institutionele eenheden behoren.

2.149 Indien een goederen of diensten producerende institutionele eenheid een hoofdactiviteit en één of meer nevenactiviteiten uitoefent, wordt zij in even zo vele EEA's onderverdeeld, en wel zodanig dat de nevenactiviteiten onderscheiden worden van de hoofdactiviteit. Hulpactiviteiten worden niet van de hoofdactiviteit of de nevenactiviteiten afgesplitst. EEA's die bij een bepaalde activiteit zijn ingedeeld, kunnen evenwel ook producten voortbrengen die niet tot de betrokken homogene productgroep behoren, maar voortvloeien uit nevenactiviteiten waarover uit de beschikbare boekhoudkundige bescheiden geen afzonderlijke gegevens kunnen worden afgeleid. Een EEA kan dus één of meer nevenactiviteiten uitvoeren.

Bedrijfstak

2.150  Definitie: een bedrijfstak bestaat uit een groep lokale EEA's die dezelfde of overeenkomstige activiteiten uitoefenen. Op het meest gedetailleerde niveau bestaat een bedrijfstak uit alle lokale EEA's die tot hetzelfde viercijferniveau (klassen) van de NACE Rev. 2 behoren en die derhalve dezelfde activiteit, zoals omschreven in de NACE Rev. 2, uitoefenen.

Bedrijfstakken omvatten zowel lokale EEA's die marktgoederen en -diensten voortbrengen als lokale EEA's die niet-marktgoederen en -diensten voortbrengen. Een bedrijfstak bestaat per definitie uit een groep lokale EEA's die dezelfde productieactiviteit uitoefenen, ongeacht of de institutionele eenheden waartoe zij behoren markt- of niet-marktoutput voortbrengen.

2.151 Bedrijfstakken worden in drie categorieën onderverdeeld:

a) bedrijfstakken die marktgoederen en -diensten (marktbedrijfstakken) en goederen en diensten voor eigen finaal gebruik produceren. Diensten voor eigen finaal gebruik zijn woondiensten door bewoners van een eigen huis en huishoudelijke diensten door het in dienst hebben van betaald huishoudelijk personeel;

b) bedrijfstakken die niet-marktgoederen en -diensten van de overheid produceren: niet-marktbedrijfstakken van de overheid;

c) bedrijfstakken die niet-marktgoederen en -diensten van instellingen zonder winstoogmerk t.b.v. huishoudens produceren: niet-marktbedrijfstakken van izw's t.b.v. huishoudens.

Indeling van bedrijfstakken

2.152 De indeling van lokale EEA's in bedrijfstakken geschiedt op basis van de NACE Rev. 2.

HOMOGENE PRODUCTIE-EENHEDEN EN HOMOGENE BRANCHES

2.153 Voor de analyse van het productieproces is de homogene productie-eenheid de meest geschikte eenheid. Deze eenheid oefent één enkele activiteit uit, die wordt bepaald door de input, het productieproces en de output.

Homogene productie-eenheid

2.154  Definitie: een homogene productie-eenheid oefent één enkele activiteit uit, die wordt gekenmerkt door de input, het productieproces en de output. De verbruikte en voortgebrachte producten worden ingedeeld op grond van hun fysieke eigenschappen, de mate van bewerking en de toegepaste productietechniek. Hiervoor wordt gebruikgemaakt van een classificatie van producten Classification of Products by Activity — CPA). De CPA is een classificatie van producten, waarvan de onderdelen zijn onderverdeeld op basis van de industriële oorsprong, zoals gedefinieerd in de NACE Rev. 2.

Homogene branche

2.155  Definitie: de homogene branche bestaat uit een groep homogene productie-eenheden. Het geheel van activiteiten uitgeoefend door een homogene branche, wordt beschreven aan de hand van een classificatie van producten. De homogene branche produceert uitsluitend de in de classificatie omschreven goederen en diensten.

2.156 Homogene branches zijn eenheden bestemd voor economische analyse. Omdat de homogene productie-eenheden in het algemeen niet direct kunnen worden waargenomen, moeten gegevens die tijdens statistische enquêtes door de eenheden worden verstrekt, worden herschikt om homogene branches samen te stellen.




HOOFDSTUK 3

TRANSACTIES IN PRODUCTEN EN NIET-GEPRODUCEERDE ACTIVA

TRANSACTIES IN PRODUCTEN IN HET ALGEMEEN

3.01  Definitie: producten zijn alle goederen en diensten die worden voortgebracht binnen de productiegrens. Productie wordt gedefinieerd in punt 3.07.

3.02 Het ESR onderscheidt de volgende hoofdcategorieën van transacties in producten:



Categorieën transacties

Code

Output

P.1

Intermediair verbruik

P.2

Consumptieve bestedingen

P.3

Werkelijke consumptie

P.4

Bruto-investeringen

P.5

Uitvoer van goederen en diensten

P.6

Invoer van goederen en diensten

P.7

3.03 Transacties in producten worden als volgt geregistreerd:

a) in de goederen-en-dienstenrekening worden de output en de invoer onder de middelen en de overige transacties in producten onder de bestedingen geregistreerd;

b) in de productierekening wordt de output onder de middelen en het intermediair verbruik onder de bestedingen geregistreerd; de bruto toegevoegde waarde is het saldo van deze twee transacties in producten;

c) in de rekening voor besteding van het beschikbaar inkomen worden de consumptieve bestedingen onder de bestedingen geregistreerd;

d) in de rekening voor besteding van het alternatief beschikbaar inkomen wordt de werkelijke consumptie onder de bestedingen geregistreerd;

e) in de kapitaalrekening worden de bruto-investeringen onder de bestedingen (als mutatie in de niet-financiële activa) geregistreerd;

f) in de rekening voor goederen- en dienstentransacties van het buitenland wordt de invoer van goederen en diensten onder de middelen en de uitvoer van goederen en diensten onder de bestedingen geregistreerd.

Veel belangrijke saldi in de rekeningen, zoals toegevoegde waarde, bruto binnenlands product, nationaal inkomen en beschikbaar inkomen, worden gedefinieerd in termen van transacties in producten. De definitie van transacties in producten definieert deze saldi.

3.04 In de aanbodtabel (zie punt 1.136) worden de output en de invoer als aanbod geregistreerd. In de gebruiktabel worden het intermediair verbruik, de bruto-investeringen, de consumptieve bestedingen en de uitvoer als gebruik geregistreerd. In de symmetrische input-outputtabel worden de output en de invoer als aanbod geregistreerd en de andere transacties in producten als gebruik.

3.05 Het aanbod van producten wordt tegen basisprijzen (gedefinieerd in punt 3.44) gewaardeerd en het gebruik tegen aankoopprijzen (gedefinieerd in punt 3.06). Voor sommige soorten aanbod en gebruik, bijvoorbeeld voor de in- en uitvoer van goederen, worden speciale waarderingsregels gehanteerd.

3.06  Definitie:

De aankoopprijs is de prijs die de koper voor de producten betaalt. De aankoopprijs omvat:

a) het saldo van productgebonden belastingen en subsidies (maar exclusief aftrekbare productgebonden belastingen zoals de btw);

b) door de koper apart betaalde vervoerskosten voor levering op een bepaalde plaats en tijd;

c) de aftrek van eventuele kortingen op de normale prijzen of kosten bij aankopen in het groot of buiten een piekperiode.

De aankoopprijs omvat niet:

a) rente of vergoedingen voor verleende diensten in verband met een kredietregeling;

b) extra kosten in verband met te late betaling, waarbij te late betaling betekent dat niet binnen de bij de aankoop vastgestelde periode is betaald.

Indien het moment van gebruik niet samenvalt met het moment van aankoop, worden correcties aangebracht om rekening te houden met tussentijdse prijsveranderingen (op soortgelijke wijze als bij veranderingen in de prijzen van voorraden). Dergelijke correcties zijn belangrijk indien de prijzen van de betrokken producten binnen een jaar aanmerkelijk fluctueren.

PRODUCTIE EN OUTPUT

3.07  Definitie: productie is een activiteit die wordt uitgeoefend onder toezicht, verantwoordelijkheid en beheer van een institutionele eenheid die arbeid, kapitaal en goederen en diensten als input gebruikt om een output van goederen en diensten voort te brengen.

Natuurlijke processen waarbij de mens niet is betrokken en waaraan hij geen richting geeft, zoals de ongecontroleerde toename van de visstand in internationale wateren, vallen niet onder productie, maar het kweken van vis wel.

3.08 Productie omvat:

a) de voortbrenging van alle individuele of collectieve goederen en diensten die aan andere eenheden dan de producent zelf worden geleverd;

b) de voortbrenging in eigen beheer van alle goederen voor eigen consumptie of voor bruto-investeringen in vaste activa van de producent zelf.

Bij de voortbrenging in eigen beheer van goederen voor bruto-investeringen in vaste activa kan het onder meer gaan om de productie van vaste activa zoals gebouwen, de ontwikkeling van computerprogrammatuur en de exploratie van minerale reserves voor bruto-investeringen in vaste activa. Het begrip bruto-investeringen in vaste activa wordt beschreven in de punten 3.124-3.138.

Het in eigen beheer voortbrengen van goederen door huishoudens betreft in het algemeen:

1. het in eigen beheer bouwen van woningen;

2. het produceren en opslaan van landbouwproducten;

3. het verwerken van landbouwproducten zoals het produceren van meel door graan te malen, het conserveren van fruit door dit te drogen of in te maken, het produceren van zuivelproducten als boter en kaas en het produceren van bier, wijn en gedistilleerde dranken;

4. het produceren van andere basisproducten zoals het winnen van zout of water en het steken van turf;

5. andere activiteiten zoals weven, pottenbakken en het vervaardigen van meubelen;

c) het produceren van woondiensten door bewoners van een eigen huis;

d) huishoudelijke en persoonlijke diensten die worden geproduceerd door het in dienst hebben van betaald huishoudelijk personeel;

e) vrijwilligerswerk waarbij goederen worden voortgebracht. Voorbeelden hiervan zijn het bouwen van een woning, een kerk of een ander gebouw. Vrijwilligerswerk waarbij geen goederen worden voortgebracht, bijvoorbeeld verzorging en schoonmaken zonder betaling, blijft buiten beschouwing.

De hierboven onder a) tot en met e) genoemde activiteiten worden ook als productie in aanmerking genomen indien ze illegaal plaatsvinden of wanneer ze niet geregistreerd zijn bij de belastingdienst, de sociale zekerheid, de statistische dienst of bij andere overheidsinstellingen.

Het in eigen beheer voortbrengen van goederen door huishoudens wordt alleen geregistreerd indien de productie significant is, d.w.z. indien de geproduceerde hoeveelheid een groot aandeel uitmaakt van het totale aanbod van dat goed in een land.

Alleen het bouwen van woningen en het produceren, opslaan en verwerken van landbouwproducten worden in aanmerking genomen als het in eigen beheer voortbrengen van goederen door huishoudens.

3.09 Het voortbrengen van huishoudelijke en persoonlijke diensten die binnen hetzelfde huishouden worden geproduceerd en verbruikt, wordt niet als productie beschouwd. Voorbeelden van door huishoudens zelf geproduceerde huishoudelijke diensten die buiten beschouwing blijven, zijn:

a) reiniging, decoratie en onderhoud van de woning, voor zover deze activiteiten gewoonlijk ook door huurders worden verricht;

b) reiniging, onderhoud en reparatie van duurzame consumptiegoederen;

c) bereiden en opdienen van maaltijden;

d) verzorgen en opvoeden van kinderen;

e) verzorgen van zieken, gebrekkigen en bejaarden, en

f) vervoer van leden van het huishouden of van hun goederen.

Huishoudelijke en persoonlijke diensten die worden geproduceerd door het in dienst hebben van betaald huishoudelijk personeel en de woondiensten van bewoners van een eigen huis worden wel in de productie opgenomen.

Hoofd-, neven- en hulpactiviteiten

3.10  Definitie: de hoofdactiviteit van een lokale EEA is de activiteit waarvan de toegevoegde waarde groter is dan die van enige andere binnen dezelfde eenheid uitgeoefende activiteit. De hoofdactiviteit wordt geclassificeerd aan de hand van de NACE Rev. 2, eerst op het hoogste classificatieniveau en vervolgens op gedetailleerdere niveaus.

3.11  Definitie: een nevenactiviteit is een activiteit die binnen eenzelfde lokale EEA naast de hoofdactiviteit wordt uitgeoefend. De output van een nevenactiviteit is een nevenproduct.

3.12  Definitie: een hulpactiviteit is een activiteit waarvan de output voor gebruik binnen een onderneming bestemd is.

Een hulpactiviteit is een ondersteunende activiteit die binnen een onderneming wordt uitgeoefend om het mogelijk te maken de hoofd- of nevenactiviteiten van lokale EEA's uit te oefenen. Alle input die een hulpactiviteit verbruikt — materialen, arbeid, verbruik van vaste activa enz. —, wordt behandeld als input van de hoofd- of nevenactiviteit die zij ondersteunt.

Voorbeelden van hulpactiviteiten zijn:

a) inkoop;

b) verkoop;

c) marketing;

d) boekhouding;

e) gegevensverwerking;

f) vervoer;

g) opslag;

h) onderhoud;

i) reiniging, en

j) beveiliging.

Ondernemingen hebben de keus tussen het zelf uitvoeren van een hulpactiviteit of het kopen van dergelijke diensten van gespecialiseerde producenten.

De productie van goederen ten behoeve van eigen investeringen is geen hulpactiviteit.

3.13 Hulpactiviteiten mogen niet worden afgezonderd om separate entiteiten te vormen of worden gescheiden van de hoofdactiviteiten of secundaire activiteiten die zij ondersteunen. Zij moeten daarom worden geïntegreerd in de lokale EEA die zij ondersteunen.

Hulpactiviteiten kunnen worden uitgeoefend op een andere plaats, zelfs in een andere regio dan de lokale EEA die zij ondersteunen. Strikte toepassing van de in de voorgaande alinea genoemde regel voor de geografische toerekening van hulpactiviteiten zou leiden tot een onderschatting van de aggregaten in de regio's waar zij zijn geconcentreerd. In overeenstemming met het vestigingsbeginsel moeten hulpactiviteiten daarom worden toegerekend aan de regio waar zij plaatsvinden; zij blijven echter tot dezelfde bedrijfstak behoren als de lokale EEA die zij ondersteunen.

Output (P.1)

3.14  Definitie: output is het totaal aan producten dat tijdens de verslagperiode is voortgebracht.

Voorbeelden van output zijn:

a) goederen en diensten die door de ene lokale EEA worden geleverd aan een andere lokale EEA die tot dezelfde institutionele eenheid behoort;

b) de door een lokale EEA geproduceerde goederen die aan het eind van de periode waarin zij zijn geproduceerd, in voorraad blijven, ongeacht het latere gebruik. Goederen en diensten die binnen eenzelfde verslagperiode binnen eenzelfde lokale EEA worden geproduceerd en verbruikt, worden niet afzonderlijk geïdentificeerd. Ze worden dan ook niet geregistreerd als deel van de output of het intermediair verbruik van die lokale EEA.

3.15 Wanneer een institutionele eenheid uit meer dan één lokale EEA bestaat, is de output van de institutionele eenheid de totale output van de lokale EEA's waaruit zij bestaat, met inbegrip van hun onderlinge leveringen.

3.16 Het ESR 2010 kent drie soorten output:

a) marktoutput (P.11);

b) output voor eigen finaal gebruik (P.12);

c) niet-marktoutput (P.13).

Dit onderscheid wordt ook gemaakt bij lokale EEA's en institutionele eenheden:

a) marktproducenten;

b) producenten voor eigen finaal gebruik;

c) niet-marktproducenten.

Het onderscheid tussen markt, voor eigen finaal gebruik en niet-markt is van fundamenteel belang, omdat:

a) het gevolgen heeft voor de waardering van output en aanverwante begrippen, zoals toegevoegde waarde, bruto binnenlands product en consumptieve bestedingen van de overheid en izw's t.b.v. huishoudens;

b) het gevolgen heeft voor de indeling van institutionele eenheden naar sector, bijvoorbeeld welke eenheden wel deel uitmaken van de sector overheid en welke niet.

Het onderscheid is bepalend voor de waarderingsregels die op de output van toepassing zijn. Marktoutput en output voor eigen finaal gebruik worden gewaardeerd tegen basisprijzen. De totale output van niet-marktproducenten wordt gewaardeerd door de productiekosten op te tellen. De output van een institutionele eenheid wordt gewaardeerd als de som van de output van haar lokale EEA's en hangt dus ook af van het onderscheid tussen „markt”, „voor eigen finaal gebruik” en „niet-markt”.

Dit onderscheid wordt ook gebruikt om de institutionele eenheden naar sector in te delen. Niet-marktproducenten worden in de sectoren overheid en instellingen zonder winstoogmerk t.b.v. huishoudens ingedeeld.

Het onderscheid wordt „top-down” gemaakt, d.w.z. eerst op het niveau van de institutionele eenheden, vervolgens op dat van de lokale EEA's en ten slotte op dat van hun output.

Op productniveau wordt output ingedeeld als marktoutput, output voor eigen finaal gebruik en niet-marktoutput overeenkomstig de kenmerken van de institutionele eenheid en de lokale EEA die de output voortbrengen.

3.17  Definitie: marktoutput bestaat uit de output die op de markt wordt afgezet of waarvoor dit de bedoeling is.

3.18 De marktoutput omvat:

a) producten die tegen een economisch significante prijs worden verkocht;

b) producten die worden geruild;

c) producten die worden gebruikt voor betalingen in natura (inclusief beloning van werknemers in natura en gemengd inkomen in natura);

d) producten die door de ene lokale EEA worden geleverd aan een andere lokale EEA binnen dezelfde institutionele eenheid om door deze te worden gebruikt als intermediaire input of voor finaal gebruik;

e) aan de voorraad gereed product en onderhanden werk toegevoegde producten die zijn bestemd voor een van bovengenoemde vormen van gebruik (inclusief de natuurlijke groei van dieren en gewassen en onvoltooide bouwwerken waarvan de koper nog onbekend is).

3.19  Definitie: economisch significante prijzen zijn prijzen die een aanzienlijke invloed hebben op de hoeveelheden producten die producenten willen leveren of die kopers willen kopen. Dergelijke prijzen komen tot stand wanneer aan beide van de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a) de producent wordt gestimuleerd om het aanbod aan te passen hetzij met het doel om op lange termijn winst te maken, hetzij ten minste kapitaal- en andere kosten te dekken, en

b) consumenten hebben de vrijheid wel of niet te kopen, en kiezen op basis van de gevraagde prijzen.

Economisch niet-significante prijzen zullen worden gevraagd om nog enige inkomsten te genereren of om de vraag, die wellicht te groot zou zijn wanneer de diensten volledig gratis worden verstrekt, enigszins in te dammen.

De economisch significante prijs van een product wordt gedefinieerd in relatie tot de institutionele eenheid en de lokale EEA die de output hebben voortgebracht. Zo wordt bijvoorbeeld de gehele output van ondernemingen zonder rechtspersoonlijkheid in eigendom van huishoudens, die aan andere institutionele eenheden wordt verkocht, geacht tegen een economisch significante prijs te worden verkocht, en daarom als marktoutput beschouwd. Voor de output van andere institutionele eenheden wordt met name met behulp van een kwantitatief criterium (het 50 %-criterium), waarbij gebruik wordt gemaakt van de verhouding tussen verkopen en productiekosten, nagegaan of zij in staat zijn tegen economisch significante prijzen een marktactiviteit uit te oefenen. Om een marktproducent te zijn, moet de eenheid over een ononderbroken periode van meerdere jaren ten minste 50 % van haar kosten door verkopen dekken.

3.20  Definitie: output voor eigen finaal gebruik bestaat uit goederen en diensten voor eigen consumptie of voor investeringen door dezelfde institutionele eenheid als die welke die goederen en diensten heeft geproduceerd.

3.21 Producten voor eigen consumptie kunnen alleen door de sector huishoudens worden geproduceerd. Voorbeelden van producten voor eigen consumptie zijn:

a) landbouwproducten die de landbouwers zelf houden;

b) woondiensten die door bewoners van een eigen huis worden geproduceerd;

c) huishoudelijke diensten die worden geproduceerd door het in dienst hebben van betaald huishoudelijk personeel.

3.22 Producten die worden gebruikt voor eigen investeringen, kunnen door alle sectoren worden geproduceerd. Voorbeelden van dergelijke producten zijn:

a) gereedschapswerktuigen die door technische ondernemingen worden geproduceerd;

b) woningen, of uitbreidingen van woningen, die door huishoudens worden geproduceerd;

c) in eigen beheer geproduceerde bouwwerken, ook indien deze door groepen huishoudens gezamenlijk worden geproduceerd;

d) in eigen beheer geproduceerde computerprogrammatuur;

e) in eigen beheer uitgevoerd onderzoeks- en ontwikkelingswerk. Uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling worden alleen als investeringen in vaste activa behandeld wanneer bij de ramingen in alle lidstaten een voldoende hoog niveau van betrouwbaarheid en vergelijkbaarheid wordt bereikt.

3.23  Definitie: niet-marktoutput betreft output die gratis of tegen economisch niet-significante prijzen aan andere eenheden wordt geleverd.

Niet-marktoutput (P.13) wordt ingedeeld in betalingen voor niet-marktoutput (P.131), bestaande uit diverse vergoedingen en bijdragen, en niet-marktoutput, overige (P.132), bestaande uit output die gratis wordt geleverd.

Er zijn twee redenen om niet-marktoutput te produceren:

a) het kan technisch onmogelijk zijn om personen voor collectieve diensten te laten betalen omdat hun verbruik van dergelijke diensten niet kan worden gevolgd en gecontroleerd. De productie van collectieve diensten wordt door overheidsinstellingen georganiseerd en uit andere fondsen gefinancierd dan uit de verkoop, namelijk uit belastingen of andere overheidsinkomsten;

b) overheidsinstellingen en izw's t.b.v. huishoudens kunnen ook goederen of diensten produceren die zij tegen betaling aan individuele huishoudens hadden kunnen verstrekken, maar die zij in het kader van sociaal of economisch beleid gratis verstrekken. Voorbeeld hiervan is het gratis of tegen economisch niet-significante prijzen verstrekken van onderwijs- of gezondheidsdiensten.

3.24  Definitie: marktproducenten zijn lokale EEA's of institutionele eenheden waarvan het grootste deel van de output marktoutput is.

Wanneer een lokale EEA of een institutionele eenheid marktproducent is, is de output van zijn hoofdactiviteit per definitie marktoutput, aangezien het begrip marktoutput gedefinieerd is nadat het onderscheid tussen „markt”, „voor eigen finaal gebruik” en „niet-markt” is toegepast op de lokale EEA en de institutionele eenheid die de output hebben voortgebracht.

3.25  Definitie: producenten voor eigen finaal gebruik zijn lokale EEA's of institutionele eenheden die het grootste deel van de output voor eigen finaal gebruik binnen dezelfde institutionele eenheid aanwenden.

3.26  Definitie: niet-marktproducenten zijn lokale EEA's of institutionele eenheden die het grootste deel van de output gratis of tegen economisch niet-significante prijzen leveren.

Institutionele eenheden: onderscheid tussen „markt”, „voor eigen finaal gebruik” en „niet-markt”

3.27 Voor institutionele eenheden in hun hoedanigheid van producent geeft tabel 3.1 een overzicht van het onderscheid tussen „markt”, „voor eigen finaal gebruik” en „niet-markt”. Ook de indeling per sector wordt vermeld.



Tabel 3.1 —  Onderscheid tussen marktproducenten, producenten voor eigen finaal gebruik en niet-marktproducenten voor institutionele eenheden

Aard van de institutionele eenheid

Classificatie

Particulier of in handen van de overheid?

 

Izw of niet?

Marktproducent?

Type producent

Sector(en)

1.  Particuliere producenten

1.1  Ondernemingen zonder rechtspersoonlijkheid in eigendom van huishoudens (exclusief quasivennootschappen in eigendom van huishoudens)

 

 

1.1 = Markt of voor eigen finaal gebruik

Huishoudens

 

1.2  Overige particuliere producenten (inclusief quasivennootschappen in eigendom van huishoudens)

1.2.1  Particuliere izw’s

1.2.1.1  Ja

1.2.1.1 = Markt

Vennootschappen

 

 

 

1.2.1.2  Neen

1.2.1.2 = Niet-markt

Izw's t.b.v. huishoudens

 

 

1.2.2  Overige particuliere producenten die geen izw zijn

 

1.2.2 = Markt

Vennootschappen

2.  Overheidsproducenten

 

 

2.1  Ja

2.1 = Markt

Vennootschappen

 

 

 

2.2  Neen

2.2 = Niet-markt

Overheid

3.28 Uit tabel 3.1 blijkt dat er om te bepalen of een institutionele eenheid als marktproducent, als producent voor eigen finaal gebruik of als niet-marktproducent moet worden ingedeeld, diverse criteria na elkaar worden toegepast. Het eerste onderscheid is het onderscheid tussen particuliere en overheidsproducenten. Overheidsproducenten staan onder zeggenschap van de overheid, conform de in punt 2.38 bedoelde definitie van zeggenschap.

3.29 Tabel 3.1 laat zien dat in alle sectoren behalve bij de overheid particuliere producenten voorkomen. Overheidsproducenten, daarentegen, komen alleen voor in de sector niet-financiële vennootschappen, de sector financiële instellingen en de sector overheid.

3.30 Een speciale categorie particuliere producenten wordt gevormd door de ondernemingen zonder rechtspersoonlijkheid die eigendom zijn van huishoudens. Dit zijn marktproducenten of producenten voor eigen finaal gebruik. In het laatste geval gaat het om de productie van woondiensten door bewoners van een eigen huis en om de productie van goederen in eigen beheer. Alle ondernemingen zonder rechtspersoonlijkheid die eigendom zijn van huishoudens, worden bij de sector huishoudens ingedeeld, met uitzondering van quasivennootschappen die eigendom zijn van huishoudens. Hierbij gaat het om marktproducenten die worden ingedeeld in de sector niet-financiële vennootschappen of de sector financiële instellingen.

3.31 Voor andere particuliere producenten wordt een onderscheid gemaakt tussen de particuliere instellingen zonder winstoogmerk en de overige particuliere producenten.

Definitie: een particuliere instelling zonder winstoogmerk (izw) wordt gedefinieerd als een juridische of sociale eenheid die ten doel heeft goederen en diensten te produceren, maar die een zodanige status heeft dat het haar niet is toegestaan als bron van inkomen, winst of andere financiële verdiensten te fungeren voor de eenheden die haar hebben opgericht, of die zeggenschap over haar uitoefenen of haar financieren. Wanneer de productieve activiteiten overschotten genereren, kunnen andere institutionele eenheden zich deze niet toe-eigenen.

Een particuliere izw die marktproducent is, wordt ingedeeld in de sector niet-financiële vennootschappen of de sector financiële instellingen.

Een particuliere izw die niet-marktproducent is, wordt ingedeeld in de sector izw's t.b.v. huishoudens, tenzij zij onder zeggenschap van de overheid staat. Een particuliere izw onder zeggenschap van de overheid staat, wordt ingedeeld in de sector overheid.

Alle andere particuliere producenten die geen izw zijn, zijn marktproducent. Zij worden ingedeeld in de sector niet-financiële vennootschappen of de sector financiële instellingen.

3.32 Om een onderscheid te maken tussen markt- en niet-marktoutput en tussen markt- en niet-marktproducenten, worden verschillende criteria gebruikt. De desbetreffende markt-/niet-marktcriteria (zie punt 3.19 voor de definitie van economisch significante prijzen) zijn bedoeld om te beoordelen of er sprake is van marktomstandigheden en of de producent voldoende marktgedrag vertoont. Volgens het kwantitatieve markt-/niet-marktcriterium moet ten minste het merendeel van de productiekosten worden gedekt door de verkoop van producten die tegen een economisch significante prijs worden verkocht.

3.33 Bij de toepassing van dit kwantitatieve markt-/niet-marktcriterium worden verkopen en productiekosten als volgt gedefinieerd:

a) verkopen betekent de verkopen met uitzondering van de productgebonden belastingen, maar inclusief alle betalingen van de overheid of van de instellingen van de Unie, die deze toekennen aan alle producenten die dezelfde activiteit uitoefenen. Alle betalingen die verband houden met het volume of de waarde van de output, zijn dus inbegrepen, terwijl betalingen ter dekking van een algemeen tekort of om schulden te betalen buiten beschouwing blijven.

Deze definitie van verkopen is in overeenstemming met die van de output tegen basisprijzen, maar met de volgende uitzonderingen:

1. output tegen basisprijzen wordt pas vastgesteld nadat is besloten of het bij de output om markt- of niet-marktoutput gaat: de verkopen worden alleen gebruikt voor de waardering van de marktoutput; de niet-marktoutput wordt tegen de kostprijs gewaardeerd;

2. de betalingen van de overheid ter dekking van een algemeen tekort van vennootschappen en quasivennootschappen in handen van de overheid maken deel uit van de overige productgebonden subsidies, zoals gedefinieerd in punt 4.35, onder c). Bijgevolg omvat de marktoutput tegen basisprijzen de betalingen van de overheid ter dekking van een algemeen tekort;

b) verkopen sluiten andere bronnen van inkomsten uit, zoals waarderingsverschillen (hoewel deze een normaal en verwacht onderdeel van de bedrijfsinkomsten kunnen zijn), investeringsbijdragen, overige kapitaaloverdrachten (bv. schuldaflossing) en de aankoop van deelnemingen;

c) voor de toepassing van dit criterium zijn de productiekosten gelijk aan de som van het intermediair verbruik, de beloning van werknemers, het verbruik van vaste activa en de niet-productgebonden belastingen op productie plus de kapitaalkosten. Andere subsidies op productie worden niet afgetrokken. Om de consistentie van de begrippen „verkoop” en „productiekosten” bij de toepassing van het kwantitatieve markt-/niet-marktcriterium te waarborgen, mogen de kosten in verband met de in eigen beheer geproduceerde investeringen niet in de productiekosten worden opgenomen. Gemakshalve mogen de kapitaalkosten in het algemeen worden benaderd aan de hand van de werkelijke nettorentebetalingen. Voor producenten van financiële diensten worden de rentekosten in aanmerking genomen, d.w.z. er wordt gecorrigeerd voor indirect gemeten diensten van financiële intermediairs (Financial intermediation services indirectly measured — IGDFI).

Bij de toepassing van het kwantitatieve markt-/niet-marktcriterium wordt naar de situatie over een aantal jaren gekeken. Geringe fluctuaties in de omvang van de verkopen van het ene jaar op het andere maken een herclassificatie van de institutionele eenheden (en hun lokale EEA's en output) niet noodzakelijk.

3.34 Verkopen kunnen diverse vormen aannemen. In het geval van de gezondheidszorg door een ziekenhuis kunnen zij bijvoorbeeld overeenkomen met:

a) aankopen door werkgevers, die moeten worden geregistreerd als aan hun werknemers betaald inkomen in natura en consumptieve bestedingen van deze werknemers;

b) aankopen door particuliere verzekeringsmaatschappijen;

c) aankopen door socialezekerheidsfondsen en de overheid, die moeten worden geregistreerd onder de sociale uitkeringen in natura;

d) aankopen door huishoudens die niet worden vergoed (consumptieve bestedingen).

Alleen overige subsidies op productie en giften (bv. van een charitatieve instelling) worden niet als verkopen behandeld.

Ook de verkoop van vervoerdiensten door een onderneming is een goed voorbeeld; deze kan bestaan uit intermediair verbruik door producenten, inkomen in natura dat wordt verstrekt door werkgevers, sociale uitkeringen in natura die worden verstrekt door de overheid en aankopen door huishoudens die niet worden vergoed.

3.35 Particuliere instellingen zonder winstoogmerk ten behoeve van bedrijven vormen een geval apart. Gewoonlijk worden zij gefinancierd uit de contributies of andere bijdragen van de groep betrokken ondernemingen. De bijdragen worden niet als overdracht beschouwd, maar als betaling voor verleende diensten, d.w.z. als verkopen. Deze izw's worden daarom als marktproducent ingedeeld in de sector niet-financiële vennootschappen of de sector financiële instellingen.

3.36 Wanneer het criterium inzake het vergelijken van de verkopen en de productiekosten van particuliere izw's en izw's in handen van de overheid wordt toegepast, kan in bepaalde gevallen het opnemen in de verkopen van alle betalingen die gekoppeld zijn aan het volume van de output, misleidend zijn. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn met betrekking tot de financiering van particuliere en openbare scholen. Betalingen van de overheid kunnen gekoppeld zijn aan het aantal leerlingen, terwijl er toch met de overheid over onderhandeld kan worden. In een dergelijk geval worden deze betalingen niet als verkopen geregistreerd, hoewel zij expliciet gekoppeld kunnen zijn aan een meetwaarde betreffende het volume van de output (het aantal leerlingen). Dit betekent dat een school die hoofdzakelijk door middel van dergelijke betalingen wordt gefinancierd, een niet-marktproducent is.

3.37 Overheidsproducenten kunnen marktproducent of niet-marktproducent zijn. Marktproducenten worden ingedeeld bij de sector niet-financiële vennootschappen of de sector financiële instellingen. Indien de institutionele eenheid een niet-marktproducent is, wordt zij ingedeeld in de sector overheid.

3.38 Lokale EEA's die tot de marktproducenten of de producenten voor eigen finaal gebruik behoren, kunnen geen niet-marktoutput leveren. Hun output kan dus alleen als marktoutput of als output voor eigen finaal gebruik worden geregistreerd en moet dienovereenkomstig worden gewaardeerd (zie de punten 3.42 tot en met 3.53).

3.39 Lokale EEA's die tot de niet-marktproducenten behoren, kunnen als nevenactiviteit ook marktoutput en output voor eigen finaal gebruik produceren. De output voor eigen finaal gebruik bestaat uit in eigen beheer geproduceerde investeringen. Of er sprake is van marktoutput moet in beginsel worden bepaald door de kwalitatieve en kwantitatieve markt-/niet-marktcriteria op de afzonderlijke producten toe te passen. Marktoutput van nevenactiviteiten door niet-marktproducenten kan zich bijvoorbeeld voordoen wanneer door de overheid gefinancierde ziekenhuizen voor sommige van hun diensten economisch significante prijzen in rekening brengen.

3.40 Andere voorbeelden zijn de verkoop van reproducties door staatsmusea en de verkoop van weersverwachtingen door meteorologische instituten.

3.41 Ook kunnen niet-marktproducenten inkomsten hebben uit de verkoop van hun niet-marktoutput tegen economisch niet-significante prijzen, bijvoorbeeld de inkomsten van een museum uit de verkoop van toegangskaarten. Deze inkomsten vallen onder de niet-marktoutput. Indien beide soorten inkomsten (die uit de kaartverkoop en die uit de verkoop van posters en kaarten) echter moeilijk te scheiden zijn, kunnen ze in hun totaliteit worden behandeld als hetzij inkomsten uit marktoutput, hetzij inkomsten uit niet-marktoutput. De keuze tussen beide registratiemogelijkheden moet worden gebaseerd op het vermoedelijke relatieve belang van beide soorten inkomsten (uit de kaartverkoop of uit de verkoop van posters en kaarten).

Moment van registratie en waardering van de output

3.42 De output moet worden geregistreerd en gewaardeerd op het moment dat deze in het productieproces ontstaat.

3.43 Alle output moet worden gewaardeerd tegen basisprijzen, maar er zijn specifieke afspraken voor:

a) de waardering van de niet-marktoutput;

b) de waardering van de totale output van een niet-marktproducent (lokale EEA);

c) de waardering van de totale output van een institutionele eenheid waarvan een lokale EEA een niet-marktproducent is.

3.44  Definitie: de basisprijs is de prijs die de producent van de koper voor een eenheid van de geproduceerde goederen of diensten ontvangt, minus de voor het produceren of verkopen van die eenheid verschuldigde belasting (d.w.z. productgebonden belastingen), plus de daarvoor ontvangen subsidie (d.w.z. productgebonden subsidies). Door de producent afzonderlijk in rekening gebrachte vervoerskosten zijn niet inbegrepen. Ook waarderingsverschillen op financiële en niet-financiële activa zijn niet inbegrepen.

3.45 De output voor eigen finaal gebruik (P.12) wordt gewaardeerd tegen de basisprijs van soortgelijke, op de markt verkochte producten. Hierdoor ontstaat een netto-exploitatieoverschot of een gemengd inkomen voor die output. Woondiensten door bewoners van een eigen huis leiden bijvoorbeeld tot een netto-exploitatieoverschot. Indien er geen basisprijzen van soortgelijke producten beschikbaar zijn, moet de output voor eigen finaal gebruik worden gewaardeerd tegen de productiekosten plus een toeslag (behalve voor niet-marktproducenten) voor een netto-exploitatieoverschot of gemengd inkomen.

3.46 Toevoegingen aan onderhanden werk worden gewaardeerd tegen de geldende basisprijs van het gereed product.

3.47 Om vooraf de waarde van als onderhanden werk behandelde output te ramen, wordt de waarde gebaseerd op grond van de gemaakte werkelijke kosten plus een toeslag (behalve voor niet-marktproducenten) voor het geraamde exploitatieoverschot of gemengd inkomen. De voorlopige ramingen worden naderhand vervangen door ramingen die het resultaat zijn van de verdeling van de werkelijke waarde van het gereed product (zodra bekend) over de periode waarin het werk onderhanden was.

De waarde van de output van het gereed product is de som van de waarde van:

a) het verkochte of geruilde gereed product;

b) het aan de voorraden toegevoegde gereed product, minus het hieraan onttrokken gereed product;

c) het door de producent gebruikte gereed product.

3.48 Voor in onvoltooide staat verworven gebouwen en bouwwerken wordt een waarde geraamd op basis van de reeds gemaakte kosten, plus een toeslag voor het exploitatieoverschot of het gemengd inkomen. Deze toeslag wordt verkregen wanneer de waarde kan worden geraamd op basis van de prijzen van soortgelijke gebouwen en bouwwerken. De bedragen van eventuele termijnbetalingen kunnen worden gebruikt voor een benadering van de waarde van de door de koper tijdens elke termijn gerealiseerde bruto-investeringen in vaste activa, ervan uitgaande dat er geen sprake is van achterstallige of vooruitbetalingen.

Wanneer de bouw van een in eigen beheer geproduceerd bouwwerk niet binnen één enkele verslagperiode wordt voltooid, wordt de waarde van de output op de volgende manier geraamd. De verhouding tussen de in de lopende periode gemaakte kosten en de totale kosten over de gehele bouwperiode wordt berekend. Dit verhoudingscijfer wordt toegepast op de raming van de totale output tegen de lopende basisprijs. Indien het niet mogelijk is de waarde van het voltooide bouwwerk tegen de lopende basisprijs te ramen, wordt dit gewaardeerd tegen de totale productiekosten plus een toeslag (behalve voor niet-marktproducenten) voor een netto-exploitatieoverschot of gemengd inkomen. Indien de arbeid geheel of gedeeltelijk gratis is verricht, wat het geval kan zijn bij door huishoudens gemeenschappelijk uitgevoerde bouwwerkzaamheden, wordt als onderdeel van de geraamde totale productiekosten aan de hand van het loontarief voor dergelijke arbeid een raming gemaakt van wat betaalde arbeid zou hebben gekost.

3.49 De totale output van een niet-marktproducent (een lokale EEA) wordt gewaardeerd tegen de totale productiekosten, d.w.z. de som van:

a) intermediair verbruik (P.2);

b) beloning van werknemers (D.1);

c) verbruik van vaste activa (P.51c);

d) niet-productgebonden belastingen op productie (D.29) minus de niet-productgebonden subsidies op productie (D.39).

Rentebetalingen (uitgezonderd IGDFI) worden niet als kosten van niet-marktproductie beschouwd. De kosten van de niet-marktproductie omvatten ook geen toerekening van een nettorendement op kapitaal, noch een toerekening van de huurwaarde van bedrijfsgebouwen in eigendom, die voor niet-marktproductie worden gebruikt.

3.50 De totale output van een institutionele eenheid is de som van de totale output van de EEA's die er deel van uitmaken. Dit geldt ook voor institutionele eenheden die tot de niet-marktproducenten behoren.

3.51 Indien niet-marktproducenten als nevenactiviteit geen marktoutput voortbrengen, moet de niet-marktoutput tegen de productiekosten worden gewaardeerd. Indien zij als nevenactiviteit wel marktoutput voortbrengen, wordt de niet-marktoutput gewaardeerd als restpost, d.w.z. als de totale productiekosten minus hun inkomsten uit de marktoutput.

3.52 De marktoutput van niet-marktproducenten wordt tegen basisprijzen gewaardeerd. De totale output van een lokale EEA die niet-marktproducent is, en die marktoutput, niet-marktoutput en output voor eigen finaal gebruik voortbrengt, wordt gewaardeerd tegen de som van de productiekosten. De waarde van haar marktoutput komt overeen met de opbrengst van de verkoop van marktproducten, terwijl de waarde van haar niet-marktoutput als restpost wordt verkregen door van de waarde van de totale output die van de marktoutput en van de output voor eigen finaal gebruik af te trekken. De waarde van haar inkomsten uit de verkoop van niet-marktgoederen en -diensten tegen prijzen die economisch niet-significant zijn, komen in deze berekeningen niet voor — zij maken deel uit van de waarde van haar niet-marktoutput.

3.53 Hieronder wordt een lijst van uitzonderingen en toelichtingen voor het moment van registratie en de waardering van de output gegeven per CPA-secties.

Producten van landbouw, bosbouw en visserij (sectie A)

3.54 De output van landbouwproducten wordt geregistreerd alsof deze gestaag over de gehele productieperiode tot stand komt (en niet alleen wanneer de gewassen geoogst of de dieren geslacht worden).

Gewassen te velde, staand hout en teelt van vis en andere dieren voor de voedselproductie worden gedurende het groeiproces behandeld als voorraden onderhanden werk; deze worden omgezet in voorraden gereed product wanneer het groeiproces is voltooid.

Veranderingen in niet in cultuur gebrachte biologische hulpbronnen, bijvoorbeeld de groei van dieren, vogels, in het wild levende vis of niet in cultuur gebrachte bossen, worden niet in de output opgenomen.

Industriële producten (sectie C); Bouwwerken — Bouwnijverheid (sectie F)

3.55 Wanneer de bouw van een bouwwerk een aantal verslagperioden beslaat, wordt de output van elke periode behandeld alsof deze aan het eind van de periode aan de koper verkocht is, d.w.z. als behorend tot de investeringen in vaste activa van de koper en niet tot het onderhanden werk van de bedrijfstak bouwnijverheid. De output wordt behandeld alsof deze in fasen aan de koper is verkocht. Wanneer in het contract sprake is van een betaling in termijnen, kan de waarde van de output bij benadering worden berekend aan de hand van de waarde van de termijnbetalingen voor elke verslagperiode. Wanneer er geen zekerheid over de uiteindelijke koper bestaat, wordt de gedurende elke verslagperiode geproduceerde onvoltooide output als onderhanden werk geregistreerd.

Groot- en detailhandel; reparatie van motorvoertuigen en motorfietsen (sectie G)

3.56 De output van groot- en detailhandelsdiensten wordt gemeten aan de hand van de handelsmarges op de voor wederverkoop ingekochte goederen.

Definitie: de handelsmarge is het verschil tussen de werkelijke of toegerekende verkoopprijs die is gerealiseerd op een voor wederverkoop ingekocht goed en de prijs die door de handelaar zou moeten worden betaald om het goed te vervangen op het moment dat het wordt verkocht of anderszins wordt afgestoten.

De handelsmarge die op sommige goederen wordt gerealiseerd, kan negatief zijn, indien de goederen worden afgeprijsd. De handelmarge op goederen die niet worden verkocht, maar verloren gaan of worden gestolen, is ook negatief. De handelsmarge op goederen die als beloning in natura aan werknemers worden gegeven, of die door de eigenaar voor eigen verbruik aan de voorraad worden onttrokken, is gelijk aan nul.

Waarderingsverschillen zijn niet in de handelsmarge begrepen.

De output van een groot- of detailhandelaar wordt als volgt uitgedrukt:

de waarde van de output =

de waarde van de verkopen

plus de waarde van de goederen die voor wederverkoop zijn ingekocht en voor intermediair verbruik of als beloning van werknemers in natura of gemengd inkomen in natura worden gebruikt

minus de waarde van de voor wederverkoop ingekochte goederen

plus de waarde van toevoegingen aan voorraden van handelsgoederen

minus de waarde van goederen die aan voorraden handelsgoederen zijn onttrokken

minus de waarde van periodieke verliezen als gevolg van verlies, diefstal of schade in gebruikelijke mate.

Vervoer en opslag (sectie H)

3.57 De output van vervoerdiensten wordt gemeten aan de hand van de waarde van de voor het vervoer van goederen of personen ontvangen bedragen. Eigen vervoer binnen een lokale EEA wordt als hulpactiviteit aangemerkt en niet afzonderlijk geïdentificeerd en geregistreerd.

3.58 De output van opslagdiensten wordt gemeten als een toevoeging aan onderhanden werk. Prijsstijgingen van goederen in voorraad moeten niet als onderhanden werk of productie worden beschouwd, maar als waarderingsverschillen worden behandeld. Indien de waardestijging het gevolg is van een prijsstijging zonder dat de kwaliteit verandert, is er tijdens de verslagperiode naast de opslagkosten of de expliciete aankoop van een opslagdienst geen sprake van verdere productie. In drie gevallen wordt de waardestijging echter wel als productie beschouwd:

a) de kwaliteit van een goed kan in de loop der tijd verbeteren, bijvoorbeeld bij wijn; alleen wanneer rijping deel uitmaakt van het gebruikelijke productieproces, wordt de kwaliteitsverbetering van een goed als productie beschouwd;

b) seizoensgebonden factoren die vraag en aanbod van een bepaald goed beïnvloeden en door het jaar heen tot regelmatige, voorspelbare prijsvariaties leiden, ook al zijn de fysieke kwaliteiten van het goed niet veranderd;

c) het productieproces is lang genoeg om disconteringsfactoren toe te passen op werk dat significant lang voor levering is uitgevoerd.

3.59 De meeste veranderingen in de prijs van goederen in voorraad zijn geen toevoegingen aan onderhanden werk. Om de stijging van de waarde van opgeslagen goederen, na aftrek van de opslagkosten, te ramen, kan gebruik worden gemaakt van de verwachte waardestijging na verrekening van de algemene prijsontwikkeling over een vooraf vastgestelde periode. Stijgingen buiten de vooraf vastgestelde periode worden nog steeds als een waarderingsverschil geregistreerd.

Opslagdiensten omvatten geen prijsveranderingen als gevolg van het in bezit hebben van financiële activa, kostbaarheden of andere niet-financiële activa zoals grond en gebouwen.

3.60 De output van reisbureaudiensten wordt gemeten aan de hand van de waarde van de door hen ontvangen vergoedingen (provisies of commissies) en niet op basis van het volledige door de reizigers aan het reisbureau betaalde bedrag, dat ook de kosten van vervoer door derden omvat.

3.61 De output van diensten van reisorganisatoren wordt gemeten op basis van het volledige door de reizigers aan de reisorganisator betaalde bedrag.

3.62 Het onderscheid tussen diensten van reisbureaus en diensten van reisorganisatoren is dat een reisbureau enkel een tussenpersoon ten behoeve van de reiziger is, terwijl een reisorganisator een nieuw product, reis genoemd, voortbrengt dat uit verschillende onderdelen betreffende het reizen zelf, het onderdak en de recreatie bestaat.

Verschaffen van accommodatie en maaltijden (sectie I)

3.63 De waarde van de output van diensten van hotels, restaurants en cafés is inclusief de waarde van de geconsumeerde voedingsmiddelen, dranken enz.

Financiële diensten en verzekeringen (sectie K): output van de centrale bank

De centrale bank verleent de volgende diensten:

a) monetair beleid;

b) financiële intermediatie;

c) toezicht op financiële instellingen.

De output van de centrale bank wordt gemeten als de som van de door haar gemaakte kosten.

Financiële diensten en verzekeringen (sectie K): financiële diensten in het algemeen

Tot de financiële diensten behoren:

a) financiële intermediatie (inclusief verzekerings- en pensioendiensten);

b) diensten van financiële hulpbedrijven, en

c) overige financiële diensten.

3.64 Financiële intermediatie is financieel risicobeheer en de transformatie van financiële middelen. Instellingen die zich met deze activiteiten bezighouden, verkrijgen middelen bijvoorbeeld door deposito's aan te trekken en wissels, obligaties en andere effecten uit te geven. Zij gebruiken deze middelen alsmede hun eigen middelen om financiële activa te verwerven door leningen aan anderen te verstrekken en door wissels, obligaties en effecten te kopen. Financiële intermediatie omvat ook verzekerings- en pensioendiensten.

3.65 Financiële hulpactiviteiten ondersteunen financieel risicobeheer en de transformatie van financiële middelen. Financiële hulpbedrijven handelen namens andere eenheden en nemen zelf geen risico's door als onderdeel van de intermediatie vorderingen (financiële passiva) aan te gaan of financiële activa te verwerven.

3.66 Tot de overige financiële diensten behoren toezichtdiensten zoals het toezicht op de aandelen- en obligatiemarkt, beveiligingsdiensten zoals het in bewaring nemen van kostbare sieraden en belangrijke documenten, en handelsdiensten zoals de handel in vreemde valuta en effecten.

3.67 Wegens het strenge toezicht op financiële diensten worden deze vrijwel uitsluitend door financiële instellingen verleend. Indien een detailhandelaar zijn klanten bijvoorbeeld kredietfaciliteiten wil bieden, worden deze gewoonlijk aangeboden door een financiële instelling die een dochteronderneming van de detailhandelaar is, of door een andere gespecialiseerde financiële instelling.

3.68 Financiële diensten kunnen direct of indirect worden betaald. Sommige transacties in financiële activa kunnen zowel directe als indirecte kosten meebrengen. Financiële diensten worden hoofdzakelijk op vier manieren verleend en in rekening gebracht:

a) tegen directe betaling verleende financiële diensten;

b) financiële diensten waarvoor rentekosten in rekening worden gebracht;

c) financiële diensten in verband met de aan- of verkoop van financiële activa en passiva op de financiële markten;

d) financiële diensten op het gebied van verzekerings- en pensioenregelingen waarbij de activiteit uit verzekeringspremies en het rendement op spaargelden wordt gefinancierd.

3.69 Allerlei typen financiële instellingen verlenen een heel scala aan financiële diensten, waarvoor expliciet kosten in rekening worden gebracht. De volgende voorbeelden illustreren de aard van de diensten die direct in rekening worden gebracht:

a) banken brengen huishoudens kosten in rekening voor het afsluiten van een hypotheek, het beheer van een beleggingsportefeuille en het beheer van onroerend goed;

b) gespecialiseerde instellingen brengen niet-financiële vennootschappen kosten in rekening voor het regelen van een overname of het beheer van een herstructurering van een groep vennootschappen;

c) creditcardorganisaties brengen eenheden die creditcards accepteren, gewoonlijk een percentage van elke verkoop in rekening;

d) aan een creditcardhouder wordt gewoonlijk elk jaar voor de creditcard een expliciete vergoeding in rekening gebracht.

3.70 Een voorbeeld van de in hoofde genoemde financiële dienst is financiële intermediatie: een financiële instelling, zoals een bank, aanvaardt deposito's van eenheden die rente willen ontvangen op middelen die zij niet onmiddellijk nodig hebben, en leent geld aan eenheden die onvoldoende middelen hebben om in hun behoeften te voorzien. De bank voorziet aldus in een mechanisme waardoor de ene eenheid aan de andere eenheid geld kan lenen. Beide partijen betalen de bank een vergoeding voor de verleende dienst: de eenheid die de middelen verstrekt, accepteert een rentepercentage dat lager is dan het referentierentetarief, terwijl de eenheid die middelen leent, betaalt door een rentepercentage te accepteren dat hoger is dan het referentierentetarief. Het verschil tussen het rentetarief dat door geldnemers aan banken wordt betaald, en het rentetarief dat daadwerkelijk aan deposanten wordt betaald, is de vergoeding voor IGDFI.

3.71 Het komt zelden voor dat het bedrag aan door een financiële instelling verstrekte leningen exact overeenkomt met het bedrag aan door haar ontvangen deposito's. Zo kan geld zijn ingelegd maar nog niet zijn uitgeleend. Ook kunnen leningen uit de eigen middelen van de bank worden gefinancierd en niet uit deposito's. Ongeacht de financieringsbron wordt voor leningen en deposito's een dienst verleend. De IGDFI worden aan alle leningen en deposito's toegerekend. Deze indirecte kosten zijn alleen van toepassing op leningen en deposito's die door financiële instellingen zijn verstrekt of bij hen zijn ingelegd.

3.72 Het referentietarief ligt tussen de rentetarieven van de bank voor deposito's en voor leningen. Het komt niet overeen met een rekenkundig gemiddelde van beide tarieven. Het tarief dat voor interbancaire leningen wordt gehanteerd, is een geschikte keuze. Er zijn echter verschillende referentietarieven nodig voor elke valuta waarin leningen en deposito's luiden, met name wanneer hierbij een niet-ingezeten financiële instelling betrokken is.

IGDFI worden nader toegelicht in hoofdstuk 14.

3.73 Wanneer een financiële instelling effecten (bv. een wissel of een obligatie) te koop aanbiedt, wordt een vergoeding voor de dienstverlening geheven. De aankoopprijs (laatkoers) is gelijk aan de geraamde marktwaarde van het effect plus een marge. Bij de verkoop van een effect wordt een andere vergoeding geheven; hierbij is de prijs die aan de verkoper wordt geboden (biedkoers) gelijk aan de marktwaarde minus een marge. Marges tussen aan- en verkoopprijs zijn ook van toepassing op deelnemingen, aandelen in beleggingsfondsen en vreemde valuta. Deze marges hebben betrekking op de verlening van financiële diensten.

3.74 Onder de in hoofde genoemde financiële diensten vallen de volgende activiteiten, die alle tot een herverdeling van middelen leiden.

a) Schadeverzekeringen. Uit hoofde van een schadeverzekeringspolis accepteert de verzekeringsmaatschappij van een klant een premie die zij in bezit houdt tot aanspraak op de verzekering wordt gemaakt of de verzekeringsperiode afloopt. De verzekeringsmaatschappij investeert de premie, en het hieruit voortvloeiende inkomen uit vermogen is een extra middelenbron. Het inkomen uit vermogen staat voor door de klant gederfd inkomen en wordt als een impliciete aanvulling op de werkelijke premie behandeld. De verzekeringsmaatschappij stelt het niveau van de werkelijke premies zodanig vast dat de som van de premies plus het hiermee verdiende inkomen uit vermogen minus de verwachte schaden een marge biedt die de verzekeringsmaatschappij als haar output inhoudt.

De output van de schadeverzekering wordt als volgt berekend:

het totaal van de verdiende premies

plus impliciete premieaanvullingen (gelijk aan het inkomen uit vermogen dat op de technische voorzieningen is verdiend)

minus correctie ontstane schaden.

De verzekeringsinstelling beschikt over voorzieningen die bestaan uit niet-verdiende premies (werkelijke premies voor de volgende verslagperiode) en openstaande aanspraken. Openstaande aanspraken zijn aanspraken die nog niet zijn aangemeld, die zijn aangemeld maar nog niet zijn afgewikkeld of die zijn aangemeld en afgewikkeld maar nog niet zijn uitbetaald. Deze voorzieningen worden technische voorzieningen genoemd en worden gebruikt om inkomen uit beleggingen te genereren. Waarderingsverschillen zijn geen inkomen uit beleggingen van de verzekeringstechnische voorzieningen. Verzekeringstechnische voorzieningen kunnen in nevenactiviteiten van de verzekeringsmaatschappij worden belegd, zoals de verhuur van woningen of kantoren. Het netto-exploitatieoverschot uit deze nevenactiviteiten is inkomen uit de belegging van verzekeringstechnische voorzieningen.

Het passende niveau van aanspraken dat voor de berekening van de output wordt gebruikt, wordt „gecorrigeerde schaden” genoemd; deze kunnen op twee manieren worden vastgesteld. Bij de op de verwachting gebaseerde methode wordt het niveau van de gecorrigeerde schaden geraamd aan de hand van een model dat op het bestaande patroon van door de verzekeringsinstelling betaalde schaden is gebaseerd. Bij de tweede methode wordt boekhoudkundige informatie gebruikt: de gecorrigeerde schaden worden ex post afgeleid als werkelijke ontstane schaden plus de mutatie in egalisatievoorzieningen, d.w.z. de middelen die zijn gereserveerd voor onverwacht hoge schaden. Wanneer de egalisatievoorzieningen onvoldoende zijn om de gecorrigeerde schaden tot een normaal niveau terug te brengen, worden bijdragen uit de eigen middelen aan de gecorrigeerde schaden toegevoegd. Een belangrijk kenmerk van beide methoden is dat onverwacht hoge aanspraken niet tot onzekere en negatieve outputramingen leiden.

Mutaties in de technische voorzieningen en de egalisatievoorzieningen in verband met veranderingen in de financiële regelgeving worden geregistreerd als overige volumemutaties in activa en zijn irrelevant voor de berekening van de output. Indien wegens het ontbreken van informatie geen van beide methoden voor de raming van gecorrigeerde schaden kan worden gebruikt, kan het nodig zijn de output in plaats daarvan te ramen aan de hand van de som van de kosten met inbegrip van een normale winstmarge.

In geval van een verzekering met winstdeling wordt de mutatie in de voorzieningen voor die winstdeling afgetrokken om de output te verkrijgen.

b) Een levensverzekeringspolis is een soort spaarregeling. Gedurende een aantal jaren betaalt de polishouder de verzekeringsinstelling een premie voor de toezegging in de toekomst uitkeringen te krijgen. Deze uitkeringen kunnen worden uitgedrukt in een aan de betaalde premie gerelateerde formule of kunnen afhangen van de mate van succes waarmee de verzekeringsinstelling haar middelen heeft geïnvesteerd. De methode om de output voor levensverzekeringen te berekenen is op dezelfde algemene beginselen gebaseerd als voor schadeverzekeringen. Gezien de tijdspanne tussen het moment waarop de premie wordt ontvangen en dat waarop de uitkering wordt betaald, moeten speciale regelingen worden getroffen voor mutaties in de technische voorzieningen. De output van levensverzekeringen wordt als volgt berekend:

verdiende premies

plus premieaanvullingen, minus gerealiseerde uitkeringen

minus stijgingen (plus dalingen) van de technische voorzieningen voor levensverzekeringen.

De premies voor levensverzekeringen worden op exact dezelfde wijze gedefinieerd als die voor schadeverzekeringen. Premieaanvullingen zijn voor levensverzekeringen relevanter dan voor schadeverzekeringen. Uitkeringen worden geregistreerd wanneer zij worden toegekend of uitbetaald. Het is bij levensverzekeringen niet nodig een gecorrigeerde raming van de uitkeringen te berekenen, aangezien er bij de betalingen uit hoofde van een levensverzekering geen sprake is van dezelfde niet te voorspellen onzekerheid. De technische voorzieningen voor levensverzekeringen stijgen jaarlijks als gevolg van nieuwe betaalde premies en nieuw aan de polishouders toegerekend (maar niet door hen opgenomen) inkomen uit beleggingen, en dalen als gevolg van betaalde uitkeringen. Het outputniveau van levensverzekeringen kan daarom worden uitgedrukt als het verschil tussen het totaal verdiende inkomen uit investering van de technische voorzieningen minus het deel van dit inkomen uit investering dat werkelijk aan de polishouders is toegerekend en aan de technische voorzieningen is toegevoegd.

Indien deze methode bij gebrek aan gegevens niet toepasbaar is of geen zinvolle resultaten oplevert, wordt de output van levensverzekeringen ook berekend als de som van de productiekosten plus een normale winstmarge.

c) De output van herverzekering moet op exact dezelfde wijze worden vastgesteld als voor schadeverzekeringen, ongeacht of het levens- of schadeverzekeringspolissen zijn die worden herverzekerd.

d) De output van het beheer van een socialeverzekeringsregeling is afhankelijk van de manier waarop de regeling is georganiseerd. De onderstaande voorbeelden illustreren hoe deze regelingen georganiseerd zijn:

1. socialezekerheidsregelingen zijn socialeverzekeringsregelingen die de gehele samenleving dekken; zij worden door de overheid opgelegd en staan onder toezicht van de overheid. Doel hiervan burgers uitkeringen te verstrekken waarmee wordt voldaan aan de behoeften die ontstaan als gevolg van ouderdom, invaliditeit of overlijden, ziekte, arbeidsletsel, werkloosheid, gezin en gezondheidszorg enz. Indien aparte eenheden worden onderscheiden, wordt hun output op dezelfde manier vastgesteld als alle niet-marktoutput, namelijk als de som van de kosten. Indien geen aparte eenheden worden onderscheiden, wordt de output van de sociale zekerheid opgenomen in de output van het overheidsniveau waarop de sociale zekerheid functioneert;

2. wanneer een werkgever een eigen socialeverzekeringsregeling uitvoert, wordt de waarde van de output vastgesteld als de som van de kosten met inbegrip van een raming van het rendement van eventuele vaste activa die voor de uitvoering van de regeling worden gebruikt. De waarde van de output wordt op dezelfde manier gemeten wanneer de werkgever voor het beheer van de regeling een apart pensioenfonds opzet;

3. wanneer een werkgever een verzekeringsinstelling gebruikt om namens hem de regeling te beheren, is de waarde van de output de vergoeding die de verzekeringsinstelling in rekening brengt;

4. voor een regeling voor meer dan een werkgever wordt de waarde van de output op dezelfde manier gemeten als voor levensverzekeringspolissen: het inkomen uit beleggingen dat in het kader van de regelingen wordt ontvangen, minus het bedrag dat aan de voorzieningen is toegevoegd.

e) Het meten van de output van standaardgarantieregelingen voor leningen hangt af van het type producent dat hierbij betrokken is. Indien een standaardgarantieregeling voor leningen als marktproducent functioneert, wordt de waarde van de output op dezelfde manier berekend als voor schadeverzekeringen. Indien de regeling als een niet-marktproducent functioneert, wordt de waarde van de output berekend als de som van de kosten.

Exploitatie van en handel in onroerend goed (sectie L)

3.75 De output van woondiensten door bewoners van een eigen huis wordt gewaardeerd tegen de geraamde waarde van de huur die een huurder voor dezelfde accommodatie zou moeten betalen; hierbij moet rekening worden gehouden met factoren als ligging, faciliteiten in de buurt enz., alsook met de grootte en kwaliteit van de woning zelf. Voor een door de eigenaar voor consumptieve doeleinden gebruikte garage die op een andere plaats dan zijn woning gelegen is, moet eenzelfde toerekening worden gemaakt. De huurwaarde van een door de eigenaar bewoonde woning in het buitenland (bv. een vakantiewoning) moet niet als deel van de binnenlandse output worden geregistreerd, maar als invoer van diensten en het desbetreffende netto-exploitatieoverschot als uit het buitenland ontvangen primair inkomen. Door niet-ingezetenen bewoonde eigen huizen worden op soortgelijke wijze geregistreerd. In geval van timesharing van appartementen wordt een evenredig deel van de vergoeding voor de dienstverlening geregistreerd.

3.76 Om de waarde van woondiensten door bewoners van een eigen huis te ramen, wordt de stratificatiemethode gebruikt. De totale woningvoorraad wordt gestratificeerd naar ligging, woningtype en andere factoren die op de huur van invloed zijn. Om de huurwaarde van de totale woningvoorraad te ramen, wordt informatie over de werkelijke huren van huurwoningen gebruikt. De gemiddelde werkelijke huur per stratum wordt voor alle woningen in dat stratum gebruikt. Wanneer de informatie over huur uit steekproefenquêtes wordt afgeleid, heeft de extrapolatie naar de huur van de totale voorraad betrekking op zowel een deel van de huurwoningen als alle eigen woningen. De huur per stratum wordt voor een bepaald basisjaar nauwkeurig berekend, waarna het resultaat naar de latere perioden wordt geëxtrapoleerd.

3.77 De huur die bij de stratificatiemethode voor door de eigenaar bewoonde woningen moet worden toegepast, wordt gedefinieerd als de huur die op de particuliere markt verschuldigd is voor het gebruiksrecht op een ongemeubileerde woning. Voor de bepaling van de toegerekende huren worden de huren voor ongemeubileerde woningen in alle contracten van de particuliere woningmarkt gebruikt. Ook huren op de particuliere markt die dankzij overheidsmaatregelen laag worden gehouden, worden in aanmerking genomen. Als de informatie van de huurder afkomstig is, wordt de waargenomen huur verhoogd met specifieke huursubsidies die rechtstreeks aan de verhuurder worden betaald. Wanneer de steekproefomvang voor de waargenomen huren, zoals hierboven gedefinieerd, niet groot genoeg is, kunnen waargenomen huren voor gemeubileerde woningen voor de toerekening worden gebruikt, mits die worden gecorrigeerd voor de meubilering. In uitzonderlijke gevallen kunnen ook verhoogde huren voor woningen van de overheid worden gebruikt. Lage huren voor woningen die aan familieleden of werknemers worden verhuurd, moeten buiten beschouwing blijven.

3.78 De stratificatiemethode wordt gebruikt voor ophoging naar het volledige huurwoningenbestand. De kans bestaat dat voor toerekening gebruikte gemiddelde huur voor sommige segmenten van de huurmarkt niet geschikt is. Zo zijn verlaagde huren voor gemeubileerde woningen of verhoogde huren voor woningen van de overheid niet geschikt voor de respectieve werkelijk gehuurde woningen. In dat geval zijn afzonderlijke strata voor werkelijk gehuurde gemeubileerde of sociale woningen in combinatie met passende gemiddelde huren noodzakelijk.

3.79 Indien een voldoende grote huurmarkt met accommodatie die kenmerkend is voor de categorie van door de eigenaar bewoonde woningen, ontbreekt, wordt voor deze categorie van woningen de gebruikerskostenmethode toegepast.

Bij de gebruikerskostenmethode komt de output van de woondiensten overeen met de som van het intermediair verbruik, het verbruik van vaste activa, het saldo van niet-productgebonden belastingen op productie en niet-productgebonden subsidies op productie, en het netto-exploitaiteoverschot.

Het netto-exploitatieoverschot wordt berekend door toepassing van een constant reëel rendement per jaar op de nettowaarde van alle door de eigenaar bewoonde woningen tegen lopende prijzen (vervangingskosten).

3.80 De output van de exploitatie en de verhuur van bedrijfsgebouwen wordt gemeten op basis van de waarde van de betaalde huur.

Vrije beroepen en wetenschappelijke en technische diensten (sectie M); Administratieve en ondersteunende diensten (sectie N)

3.81 De output van operationeleleasediensten (bv. verhuur van machines of apparatuur) wordt gemeten aan de hand van de betaalde leasesom. Operationele lease verschilt van financiële lease: bij financiële lease wordt de aankoop van vaste activa gefinancierd doordat de leasegever de leasenemer een lening verstrekt. Betalingen in het kader van financiële lease bestaan uit terugbetalingen van de hoofdsom en rentebetalingen met geringe kosten voor directe dienstverlening (zie hoofdstuk 15: Contracten, leases en vergunningen).

3.82 Onderzoek en ontwikkeling (O&O) is creatief werk dat systematisch wordt ondernomen ter vergroting van de hoeveelheid kennis en om deze kennis te gebruiken voor de ontdekking of ontwikkeling van nieuwe producten, met inbegrip van betere versies of een betere kwaliteit van bestaande producten, of voor de ontdekking of ontwikkeling van nieuwe of efficiëntere productieprocessen. O&O van significante omvang in verhouding tot de hoofdactiviteit wordt als nevenactiviteit van een lokale EEA geregistreerd. Waar mogelijk wordt een aparte lokale EEA onderscheiden voor O&O.

3.83 De output van O&O-diensten wordt als volgt gemeten:

a) O&O door gespecialiseerde commerciële onderzoekslaboratoria of -instituten wordt op de gebruikelijke wijze gewaardeerd tegen de inkomsten uit verkopen, contracten, commissies, honoraria enz.;

b) de output van O&O voor gebruik in dezelfde onderneming wordt gewaardeerd op basis van de geraamde basisprijs die zou worden betaald indien het onderzoek was uitbesteed. Bij het ontbreken van een markt voor de uitbesteding van O&O van soortgelijke aard wordt deze output gewaardeerd als de som van de productiekosten vermeerderd met een toeslag (behalve voor niet-marktproducenten) voor een netto-exploitatieoverschot of gemengd inkomen;

c) O&O door overheidsinstellingen, universiteiten en onderzoeksinstellingen zonder winstoogmerk wordt gewaardeerd als de som van de productiekosten. Inkomsten uit de verkoop van O&O door niet-marktproducenten van O&O moeten worden geregistreerd als inkomen uit marktproductie als nevenactiviteit.

O&O-uitgaven worden onderscheiden van uitgaven voor onderwijs en opleiding. O&O-uitgaven omvatten niet de kosten van het ontwikkelen van computerprogrammatuur als hoofd- of als nevenactiviteit.

Openbaar bestuur en defensie, verplichte sociale verzekeringen (sectie O)

3.84 De diensten van openbaar bestuur, defensie en verplichte sociale verzekering worden verleend als niet-marktdiensten en worden dienovereenkomstig gewaardeerd.

Onderwijs (sectie P); Menselijke gezondheidszorg en maatschappelijke diensten (sectie Q)

3.85 Bij onderwijs en gezondheidszorg wordt een precies onderscheid gemaakt tussen marktproducenten en niet-marktproducenten en tussen marktoutput en niet-marktoutput. Zo worden voor bepaalde soorten onderwijs en bepaalde medische behandelingen door overheidsinstellingen (of met speciale subsidies ook door andere instellingen) soms symbolische bijdragen verlangd, terwijl voor andere vormen van onderwijs en speciale medische behandelingen commerciële tarieven in rekening worden gebracht. Een ander voorbeeld is dat dezelfde soort dienst (bv. hoger onderwijs) enerzijds door de overheid wordt verstrekt en anderzijds door commerciële instellingen.

O&O-activiteiten blijven bij onderwijs en gezondheidszorg buiten beschouwing. Onderwijs op het gebied van gezondheidszorg, bijvoorbeeld in academische ziekenhuizen, valt niet onder gezondheidszorg.

Kunst, amusement en recreatie (sectie R); Andere diensten (sectie S)

3.86 Het produceren van boeken, muziekopnamen, films, computerprogrammatuur, banden, platen enz. geschiedt in twee fasen en wordt dienovereenkomstig gemeten:

1) de output van de productie van originelen — een intellectuele-eigendomsproduct — wordt bij verkoop gemeten op basis van de betaalde prijs. Indien de output niet wordt verkocht, wordt deze gemeten aan de hand van de basisprijs die betaald wordt voor soortgelijke originelen, de productiekosten (inclusief een toeslag voor een netto-exploitatieoverschot) of de contante waarde van de toekomstige opbrengsten die worden verwacht wanneer de originelen in productie worden gebruikt;

2) de eigenaar van deze activa kan ze direct gebruiken of er in latere perioden kopieën van produceren. Indien de eigenaar andere producenten een licentie heeft verleend om bij een productie gebruik te maken van het origineel, vormen de honoraria, commissies, royalty's enz., die voor deze licenties worden ontvangen, de output van diensten. De verkoop van het origineel is daarentegen een negatieve investering in vaste activa.

Particuliere huishoudens als werkgever (sectie T)

3.87 De output van huishoudelijke diensten die worden geproduceerd door het in dienst hebben van betaald personeel, wordt gewaardeerd op basis van de beloning van dit personeel; dit is inclusief beloningen in natura als kost en inwoning.

INTERMEDIAIR VERBRUIK (P.2)

3.88  Definitie: het intermediair verbruik bestaat uit goederen en diensten die als input in een productieproces worden gebruikt, met uitzondering van de vaste activa, waarvan het verbruik als verbruik van vaste activa wordt geregistreerd. De goederen en diensten worden tijdens het productieproces verwerkt in andere producten of worden volledig verbruikt.

3.89 Het intermediair verbruik omvat de volgende gevallen:

a) goederen en diensten die als input voor hulpactiviteiten worden gebruikt. Dit betreft bijvoorbeeld inkoop, verkoop, marketing, boekhouding, gegevensverwerking, vervoer, opslag, onderhoud, beveiliging enz. Deze goederen en diensten worden niet onderscheiden van die welke worden verbruikt ten behoeve van de hoofd- (of neven-)activiteiten van een lokale EEA;

b) goederen en diensten die worden ontvangen van een andere lokale EEA behorend tot dezelfde institutionele eenheid;

c) de huur van vaste activa, bijvoorbeeld de operationele lease van machines, auto's, programmatuur of originelen op het gebied van amusement;

d) vergoedingen voor kortlopende contracten, leases en vergunningen die als niet-geproduceerde activa worden geregistreerd; dit omvat niet de rechtstreekse aankoop van dergelijke niet-geproduceerde activa;

e) de aan bedrijfsorganisaties zonder winstoogmerk betaalde contributies, bijdragen enz. (zie punt 3.35);

f) posten die niet als bruto-investeringen worden behandeld, zoals:

1. goedkoop gereedschap dat voor gangbare werkzaamheden wordt gebruikt, zoals zagen, spaden, messen, bijlen, hamers, schroevendraaiers, steeksleutels, bahco's en ander handgereedschap, alsmede zakrekenmachines en dergelijke kleine apparaten. Alle uitgaven voor dergelijke duurzame goederen worden als intermediair verbruik geregistreerd;

2. het regelmatige onderhoud en de reparatie van bij de productie gebruikte vaste activa;

3. personeelsopleiding, marktonderzoek en dergelijke activiteiten, aangekocht van een derde of verricht door een afzonderlijke lokale EEA van dezelfde institutionele eenheid;

4. uitgaven voor O&O worden alleen als investeringen in vaste activa behandeld wanneer in de ramingen door de lidstaten een voldoende hoog niveau van betrouwbaarheid en vergelijkbaarheid wordt bereikt;

g) door de werkgever vergoede uitgaven van werknemers voor artikelen die nodig zijn voor het productieproces van de werkgever, zoals bij een contractuele verplichting tot het aanschaffen van gereedschap of veiligheidskleding voor eigen rekening;

h) uitgaven van werkgevers die zowel aan hen zelf als aan hun werknemers ten goede komen, omdat ze nodig zijn voor het productieproces. Dit geldt bijvoorbeeld voor:

1. vergoeding van reis-, verblijf-, verhuis- en representatiekosten van werknemers in het kader van de uitoefening van hun werkzaamheden;

2. het treffen van voorzieningen op de werkplek.

In de punten over de beloning van werknemers (D.1) is een lijst van relevante uitgaven opgenomen (zie punt 4.07);

i) door lokale EEA's betaalde vergoeding voor schadeverzekeringsdiensten (zie hoofdstuk 16: Verzekeringen). Om alleen de vergoeding voor de geleverde dienst als intermediair verbruik te registreren, worden de betaalde premies verminderd met bijvoorbeeld de uitkeringen en de nettomutatie van de actuariële reserves. De nettomutatie van de actuariële reserves wordt proportioneel met de betaalde premies aan de lokale EEA's toegerekend;

j) IGDFI die door ingezeten producenten zijn gekocht;

k) het niet-marktgedeelte van de output van de centrale bank moet volledig aan het intermediair verbruik van de andere financiële intermediairs worden toegerekend.

3.90 In het intermediair verbruik zijn niet begrepen:

a) posten die als bruto-investeringen worden beschouwd, bijvoorbeeld:

1. kostbaarheden;

2. exploratie van natuurlijke hulpbronnen;

3. belangrijke verbeteringen, die verder gaan dan wat nodig is om de vaste activa bedrijfsklaar te houden, bijvoorbeeld renovaties, verbouwingen of uitbreidingen;

4. gekochte of in eigen beheer geproduceerde computerprogrammatuur;

5. militaire wapens en de hiervoor benodigde dragersystemen;

b) uitgaven die worden behandeld als aankoop van niet-geproduceerde activa. Voorbeelden hiervan zijn langlopende contracten, leases en vergunningen (zie hoofdstuk 15);

c) uitgaven van werkgevers die worden behandeld als lonen in natura;

d) gebruik van door de overheid verleende collectieve diensten door eenheden die marktproducten voortbrengen of die producten in eigen beheer voortbrengen (behandeld als uitgaven voor collectief verbruik van de overheid);

e) goederen en diensten die binnen eenzelfde verslagperiode binnen dezelfde lokale EEA worden geproduceerd en verbruikt (deze worden ook niet als output geregistreerd);

f) betalingen aan de overheid voor vergunningen enz., die als niet-productgebonden belastingen op productie worden behandeld;

g) betalingen voor vergunningen voor het gebruik van natuurlijke hulpbronnen (bv. grond) die worden behandeld als inkomen uit grond en minerale reserves, d.w.z. als een betaling van inkomen uit vermogen.

Moment van registratie en waardering van het intermediair verbruik

3.91 Producten die intermediair worden verbruikt, worden geregistreerd en gewaardeerd op het moment waarop zij in het productieproces worden gebruikt. Zij worden gewaardeerd tegen de aankoopprijzen die op het moment van gebruik voor soortgelijke goederen of diensten gelden.

3.92 Producerende eenheden registreren het gebruik van goederen in het productieproces niet rechtstreeks. Zij registreren de aankoop van goederen die als input zullen worden gebruikt, minus de toename van de voorraden van deze goederen.

CONSUMPTIE (P.3, P.4)

3.93 Er worden twee begrippen „consumptie” gehanteerd:

a) consumptieve bestedingen (P.3);

b) werkelijke consumptie (P.4).

Consumptieve bestedingen zijn uitgaven voor consumptiegoederen en -diensten die door huishoudens, izw's t.b.v. huishoudens en de overheid worden gebruikt om individuele en collectieve behoeften te bevredigen. De werkelijke consumptie daarentegen betreft de verwerving van consumptiegoederen en -diensten. Het verschil tussen deze begrippen is gelegen in de behandeling van bepaalde goederen en diensten die door de overheid of een izw t.b.v. huishoudens worden gefinancierd, maar aan de huishoudens worden geleverd als sociale overdrachten in natura.

Consumptieve bestedingen (P.3)

3.94  Definitie: consumptieve bestedingen zijn uitgaven van ingezeten institutionele eenheden voor goederen en diensten die worden gebruikt voor de rechtstreekse bevrediging van individuele behoeften of wensen of van de collectieve behoeften van leden van de samenleving.

3.95 De consumptieve bestedingen van huishoudens omvatten bijvoorbeeld:

a) woondiensten door bewoners van een eigen huis;

b) inkomen in natura, zoals:

1. goederen en diensten die werknemers ontvangen als inkomen in natura;

2. goederen of diensten die zijn geproduceerd door ondernemingen zonder rechtspersoonlijkheid in eigendom van huishoudens en voor consumptie door leden van het huishouden zijn bestemd. Voorbeelden zijn voedsel en andere landbouwproducten, woondiensten door bewoners van een eigen huis en huishoudelijke diensten die worden geproduceerd door het in dienst hebben van betaald huishoudelijk personeel (bedienden, koks, tuinlieden, chauffeurs enz.);

c) posten die niet als intermediair verbruik worden behandeld, zoals:

1. materiaal voor kleine reparaties aan en de inrichting van woningen, voor zover deze zowel door huurders als door eigenaren worden verricht;

2. materiaal voor reparaties en onderhoud van duurzame consumptiegoederen, inclusief voertuigen;

d) posten die niet als investeringen worden behandeld, met name duurzame consumptiegoederen, die gedurende diverse verslagperioden in gebruik blijven; hiertoe behoort ook de eigendomsoverdracht van bepaalde duurzame goederen door een onderneming aan een huishouden;

e) rechtstreeks in rekening gebrachte financiële diensten en het gedeelte van de IGDFI dat door huishoudens wordt verbruikt;

f) verzekeringsdiensten ter waarde van de impliciet in rekening gebrachte vergoeding voor de dienst;

g) diensten van pensioenfondsen ter waarde van de impliciet in rekening gebrachte vergoeding voor de dienst;

h) betalingen door huishoudens voor vergunningen enz., die als aankoop van diensten worden beschouwd (zie de punten 4.79 en 4.80);

i) de aankoop van output tegen een economisch niet-significante prijs, bijvoorbeeld toegangskaarten voor een museum.

3.96 Tot de consumptieve bestedingen van de huishoudens behoren niet:

a) sociale overdrachten in natura, zoals uitgaven die in eerste instantie door huishoudens worden gedaan, maar die naderhand door de sociale verzekering worden vergoed, bijvoorbeeld bepaalde uitgaven voor gezondheidszorg;

b) posten die worden behandeld als intermediair verbruik of als bruto-investeringen, zoals:

1. uitgaven van huishoudens die een onderneming zonder rechtspersoonlijkheid in eigendom hebben, wanneer deze uitgaven voor zakelijke doeleinden zijn gedaan, bijvoorbeeld voor duurzame goederen als voertuigen, meubelen of elektrische apparatuur (bruto-investeringen in vaste activa) of voor niet-duurzame goederen als brandstof (behandeld als intermediair verbruik);

2. uitgaven van een bewoner van een eigen huis voor decoratie, onderhoud en reparatie van de woning, die gewoonlijk niet door een huurder worden gedaan (behandeld als intermediair verbruik bij het produceren van woondiensten);

3. de aankoop van woningen (behandeld als bruto-investeringen in vaste activa);

4. uitgaven voor kostbaarheden (behandeld als bruto-investeringen);

c) posten die worden behandeld als aankopen van niet-geproduceerde activa, met name de aankoop van grond;

d) alle betalingen door huishoudens die worden beschouwd als belastingen (zie de punten 4.79 en 4.80);

e) door huishoudens aan izw's t.b.v. huishoudens, zoals vakbonden, beroepsorganisaties, consumentenorganisaties, kerken en sociale, culturele, ontspannings- en sportverenigingen, betaalde contributies, bijdragen enz.;

f) vrijwillige overdrachten in geld of in natura van huishoudens aan liefdadigheidsinstellingen en hulporganisaties.

3.97 De consumptieve bestedingen van izw's t.b.v. huishoudens omvatten twee categorieën:

a) de waarde van door de izw's t.b.v. huishoudens zelf geproduceerde goederen en verstrekte diensten, voor zover het niet gaat om in eigen beheer geproduceerde investeringen of om uitgaven van huishoudens en andere eenheden;

b) uitgaven door izw's t.b.v. huishoudens voor door marktproducenten voortgebrachte goederen en diensten die — zonder verdere bewerking — als sociale overdrachten in natura voor verbruik aan huishoudens worden verstrekt.

3.98 De consumptieve bestedingen (P.3) van de overheid omvatten twee categorieën, te vergelijken met die van de izw's t.b.v. huishoudens:

a) de waarde van door de overheid zelf geproduceerde goederen en diensten (P.1), voor zover het niet gaat om in eigen beheer geproduceerde investeringen (die overeenkomen met P.12), om marktoutput (P.11) of om betalingen voor niet-marktoutput (P.131);

b) aankopen door de overheid van door marktproducenten voortgebrachte goederen en diensten die — zonder verdere bewerking — als sociale overdrachten in natura (D.632) aan huishoudens worden verstrekt. De overheid betaalt voor deze goederen en diensten die de verkopers aan huishoudens leveren.

3.99 Ondernemingen met rechtspersoonlijkheid doen geen consumptieve bestedingen. Hun aankopen van goederen en diensten die ook huishoudens voor consumptie gebruiken, worden door hen hetzij voor intermediair verbruik aangewend hetzij aan hun werknemers verstrekt als beloning in natura, d.w.z. aan de huishoudens toegerekende consumptieve bestedingen.

Werkelijke consumptie (P.4)

3.100  Definitie: de werkelijke consumptie bestaat uit de goederen of diensten die door ingezeten institutionele eenheden worden verworven voor de rechtstreekse bevrediging van individuele of collectieve menselijke behoeften.

3.101  Definitie: goederen en diensten voor individuele consumptie (individuele goederen en diensten) zijn goederen en diensten die door een huishouden worden verworven en voor de bevrediging van de behoeften en wensen van leden van dat huishouden worden gebruikt. Individuele goederen en diensten hebben de volgende kenmerken:

a) het is mogelijk de verwerving van de goederen en diensten door een individueel huishouden of een lid daarvan alsmede het moment van verwerving waar te nemen en te registreren;

b) het huishouden heeft ingestemd met de verstrekking van de goederen en diensten en neemt de nodige stappen om deze goederen en diensten te verbruiken, bijvoorbeeld door een school te bezoeken of naar een ziekenhuis te gaan;

c) de goederen en diensten zijn van dien aard dat de verwerving ervan door één huishouden of persoon, of door een groep personen, verwerving ervan door andere huishoudens of personen uitsluit.

3.102  Definitie: Collectieve diensten zijn diensten voor collectief gebruik die gelijktijdig aan alle leden van de samenleving of aan alle leden van een bepaald deel van de samenleving, zoals alle huishoudens in een bepaalde regio, worden verleend. Collectieve diensten hebben de volgende kenmerken:

a) ze kunnen gelijktijdig worden verstrekt aan ieder lid van de samenleving of aan een bepaald deel van de samenleving, zoals degenen die in een bepaalde regio of plaats wonen;

b) het gebruik van de diensten is doorgaans passief en vergt geen instemming of actieve medewerking van alle betrokkenen;

c) het verlenen van een collectieve dienst aan één individu vermindert het voor anderen in dezelfde samenleving of hetzelfde deel van de samenleving beschikbare bedrag niet.

3.103 Bij alle consumptieve bestedingen van huishoudens gaat het om individuele bestedingen. Ook alle door izw's t.b.v. huishoudens verstrekte goederen en diensten worden tot de individuele bestedingen gerekend.

3.104 Voor de door de overheid verstrekte goederen en diensten wordt de grens tussen goederen en diensten voor individuele of collectieve consumptie getrokken op basis van de classificatie van overheidsfuncties (Classification of the Functions of Government — COFOG).

Alle onder een van de volgende rubrieken vallende consumptieve bestedingen van de overheid worden behandeld als individuele consumptieve bestedingen:

a)

 

7.1 Medische producten, apparaten en toestellen

7.2 Extramurale gezondheidszorg

7.3 Diensten van ziekenhuizen

7.4 Diensten in de openbare gezondheidszorg

b)

 

8.1 Diensten op het gebied van recreatie en sport

8.2 Diensten op het gebied van cultuur

c)

 

9.1 Kleuter- en primair onderwijs

9.2 Secundair onderwijs

9.3 Postsecundair niet-tertiair onderwijs

9.4 Tertiair onderwijs

9.5 Onderwijs dat niet naar niveau kan worden ingedeeld

9.6 Onderwijsondersteunende diensten

d)

 

10.1 Ziekte en arbeidsongeschiktheid

10.2 Ouderdom

10.3 Nabestaanden

10.4 Gezin en kinderen

10.5 Werkloosheid

10.6 Huisvesting

10.7 Sociale uitsluiting, niet elders geclassificeerd (n.e.g.)

3.105 Uitgaande van de classificatie van individuele verbruiksfuncties (Classification of Individual Consumption by Purpose — COICOP) komen de individuele consumptieve bestedingen van de overheid overeen met afdeling 14 van die classificatie, die de volgende groepen omvat:

14.1 Huisvesting (komt overeen met COFOG-groep 10.6)

14.2 Gezondheid (komt overeen met de COFOG-groepen 7.1 tot en met 7.4)

14.3 Recreatie en cultuur (komt overeen met de COFOG-groepen 8.1 en 8.2)

14.4 Onderwijs (komt overeen met de COFOG-groepen 9.1 tot en met 9.6)

14.5 Sociale bescherming (komt overeen met de COFOG-groepen 10.1 tot en met 10.5 en groep 10.7)

3.106 De rest van de consumptieve bestedingen van de overheid bestaat uit collectieve consumptieve bestedingen.

Dit betreft de volgende COFOG-groepen:

a) Algemeen overheidsbestuur (afdeling 1)

b) Defensie (afdeling 2)

c) Openbare orde en veiligheid (afdeling 3)

d) Economische zaken (afdeling 4)

e) Milieubescherming (afdeling 5)

f) Huisvesting en gemeenschappelijke voorzieningen (afdeling 6)

g) Algemeen bestuur, regelgeving, verspreiding van algemene informatie en statistiek (alle afdelingen)

h) Onderzoek en ontwikkeling (alle afdelingen)

3.107 De relaties tussen de verschillende begrippen op het gebied van consumptie worden in tabel 3.2 weergegeven.



Tabel 3.2 —  Sector die uitgaven doet

 

Overheid

Izw's t.b.v. huishoudens

Huishoudens

Totaal verwervingen

Individuele consumptie

X (= sociale overdrachten in natura)

X (= sociale overdrachten in natura)

X

Werkelijke individuele consumptie van de huishoudens

Collectieve consumptie

X

0

0

Werkelijke collectieve consumptie van de overheid

Totaal

Consumptieve bestedingen van de overheid

Consumptieve bestedingen van izw’s t.b.v. de huishoudens

Consumptieve bestedingen van de huishoudens

Werkelijke consumptie = totale consumptieve bestedingen

X: van toepassing

0: niet van toepassing

3.108 Alle consumptieve bestedingen van izw's t.b.v. huishoudens zijn individuele bestedingen. De totale werkelijke consumptie is gelijk aan de som van de werkelijke consumptie van de huishoudens en de werkelijke consumptie van de overheid.

3.109 Er zijn geen sociale overdrachten in natura naar en van het buitenland (wel in geld). De totale werkelijke consumptie is gelijk aan de totale consumptieve bestedingen.

Moment van registratie en waardering van de consumptieve bestedingen

3.110 De uitgaven voor een goed worden geregistreerd op het moment dat het goed van eigenaar verandert; de uitgaven voor een dienst worden geregistreerd op het moment dat de dienstverlening voltooid is.

3.111 Uitgaven voor goederen die door middel van huurkoop of een vergelijkbare kredietovereenkomst, of door middel van financiële lease zijn aangeschaft, worden geregistreerd op het moment dat de goederen worden geleverd, ook al is er op dat moment nog geen sprake van verandering van eigendom.

3.112 Consumptie van in eigen beheer geproduceerde producten wordt geregistreerd op het moment dat de voor eigen consumptie bestemde output wordt geproduceerd.

3.113 Consumptieve bestedingen van huishoudens worden geregistreerd tegen de aankoopprijs. Dit is de prijs die de koper op het moment van de aankoop feitelijk voor de producten betaalt. Zie punt 3.06 voor een nauwkeuriger definitie.

3.114 Goederen en diensten die als beloning in natura aan werknemers worden verstrekt, worden gewaardeerd tegen de basisprijs wanneer ze door de werkgever worden geproduceerd, en tegen de aankoopprijs voor de werkgever wanneer ze door hem zijn gekocht.

3.115 Voor eigen consumptie bestemde goederen en diensten worden tegen de basisprijs gewaardeerd.

3.116 De consumptieve bestedingen van de overheid of van izw's t.b.v. huishoudens aan door hen zelf voortgebrachte producten worden geregistreerd op het moment dat deze producten worden geproduceerd; dit is tevens het moment waarop de producten door de overheid of de izw's t.b.v. huishoudens worden geleverd. De consumptieve bestedingen voor goederen en diensten die via marktproducenten worden verstrekt, worden geregistreerd op het moment van levering.

3.117 De consumptieve bestedingen (P.3) van de overheid of van izw's t.b.v. huishoudens zijn gelijk aan hun totale output (P.1), plus de uitgaven voor producten die via marktproducenten aan de huishoudens worden geleverd — deel van de sociale overdrachten in natura (D.632) —, minus de betalingen door andere eenheden — marktoutput (P.11) en de betalingen voor niet-marktoutput (P.131) —, minus de in eigen beheer geproduceerde investeringen (P.12).

Moment van registratie en waardering van de werkelijke consumptie

3.118 Goederen en diensten worden door institutionele eenheden verworven wanneer zij de nieuwe eigenaar van de goederen worden en wanneer de verstrekking van de diensten aan hen voltooid is.

3.119 Aankopen (werkelijke consumptie) worden voor de eenheden die de uitgaven doen, gewaardeerd tegen de aankoopprijs.

3.120 Overdrachten in natura, met uitzondering van de sociale overdrachten in natura van de overheid en de izw's t.b.v. huishoudens, worden behandeld als overdrachten in geld. De waarde van de goederen of diensten wordt dan ook geregistreerd als uitgaven van de institutionele eenheden of sectoren die de goederen of diensten verwerven.

3.121 De waarde van de totale consumptieve bestedingen is gelijk aan die van de totale werkelijke consumptie. De door ingezeten huishoudens door sociale overdrachten in natura verworven goederen en diensten worden gewaardeerd tegen dezelfde prijs als die waartegen zij in de aggregaten van de bestedingen worden gewaardeerd.

BRUTO-INVESTERINGEN (P.5)

3.122 De bruto-investeringen omvatten:

a) bruto-investeringen in vaste activa (P.51g);

1. verbruik van vaste activa (P.51c);

2. netto-investeringen in vaste activa (P.51n);

b) veranderingen in voorraden (P.52);

c) saldo aan- en verkopen van kostbaarheden (P.53).

3.123 Bruto-investeringen worden gemeten zonder aftrek voor verbruik van vaste activa. Netto-investeringen worden berekend door het verbruik van vaste activa van de bruto-investeringen af te trekken.

Bruto-investeringen in vaste activa (P.51g)

3.124  Definitie: de bruto-investeringen in vaste activa (P.51) bestaan uit het saldo van de gedurende een bepaalde periode door ingezeten producenten verrichte aan- en verkopen van vaste activa, plus bepaalde toevoegingen aan de waarde van niet-geproduceerde activa die zijn gerealiseerd door de productieve activiteit van producerende of institutionele eenheden. Vaste activa zijn voortgebrachte activa die langer dan één jaar in de productie worden gebruikt.

3.125 De bruto-investeringen in vaste activa omvatten zowel positieve als negatieve elementen:

a) positieve elementen:

1. aankopen van nieuwe of bestaande vaste activa;

2. voor eigen gebruik geproduceerde vaste activa (ook indien die nog niet voltooid of volgroeid zijn);

3. nieuwe of bestaande vaste activa die door ruil zijn verworven;

4. nieuwe of bestaande vaste activa die als kapitaaloverdrachten in natura zijn ontvangen;

5. nieuwe of bestaande vaste activa die door middel van financiële lease zijn verworven;

6. belangrijke verbeteringen aan vaste activa en historische monumenten;

7. aanwas van natuurlijke activa met regelmatige opbrengst;

b) negatieve elementen (d.w.z. het afstoten van vaste activa, geregistreerd als negatieve aankoop):

1. verkopen van bestaande vaste activa;

2. bestaande vaste activa die door ruil zijn afgestaan;

3. bestaande vaste activa die zijn geleverd in het kader van een kapitaaloverdracht.

3.126 Het afstoten van vaste activa omvat niet:

a) verbruik van vaste activa (waaronder normale te verwachten schade valt);

b) uitzonderlijke verliezen, bijvoorbeeld door droogte of andere natuurrampen, die als overige volumemutatie in activa worden geregistreerd.

3.127 De volgende soorten bruto-investeringen in vaste activa worden onderscheiden:

1) woningen;

2) overige bouwwerken; dit omvat ook belangrijke grondverbeteringen;

3) machines en apparatuur, zoals schepen, auto's en computers;

4) wapensystemen;

5) in cultuur gebrachte biologische hulpbronnen (bv. bomen en vee);

6) kosten van eigendomsoverdracht voor niet-geproduceerde activa, zoals grond, contracten, leases en vergunningen;

7) O&O, inclusief de productie van vrij beschikbaar O&O. Uitgaven voor O&O worden alleen als investeringen in vaste activa behandeld wanneer bij de ramingen door de lidstaten een voldoende hoog niveau van betrouwbaarheid en vergelijkbaarheid wordt bereikt;

8) exploratie en evaluatie van minerale reserves;

9) computerprogrammatuur en databanken;

10) originelen op het gebied van woord, beeld en geluid;

11) overige intellectuele-eigendomsrechten.

3.128 Belangrijke verbeteringen van grond zijn:

a) landwinning door de aanleg van dijken, zeeweringen of dammen;

b) kappen van bossen, verwijderen van rotsen enz., zodat grond voor de eerste keer in productie kan worden genomen;

c) droogleggen van moerassen en irrigeren van woestijnen door de aanleg van dijken, sloten en irrigatiekanalen; voorkomen van overstromingen of erosie door de zee of door rivieren door de bouw van pieren, zeeweringen of stormvloedkeringen.

Deze activiteiten kunnen leiden tot het ontstaan van omvangrijke nieuwe bouwwerken als zeeweringen, stormvloedkeringen en dammen; deze bouwwerken worden niet gebruikt voor het produceren van andere goederen en diensten, maar om meer of betere grond te krijgen en het is deze grond, behorend tot de niet-geproduceerde activa, die voor het productieproces wordt gebruikt. Zo heeft een voor de elektriciteitsproductie gebouwde dam een ander doel dan een dam die als zeewering is gebouwd. Alleen de bouw van dit laatste type dam wordt als verbetering van grond geclassificeerd.

3.129 De bruto-investeringen in vaste activa omvatten de volgende grensgevallen:

a) aanschaf van woonboten, aken, woonwagens en caravans die door huishoudens als woning worden gebruikt, alsmede allerlei hiermee verbonden bouwwerken zoals garages;

b) bouwwerken en voorzieningen die door de strijdkrachten worden gebruikt;

c) door niet-militaire eenheden gebruikte lichte wapens en pantservoertuigen;

d) veranderingen in de veestapel die jaar na jaar voor productieve doeleinden wordt gebruikt, zoals fokvee, melkvee, voor de wol gehouden schapen en trekdieren;

e) veranderingen in gecultiveerde bomen met een regelmatige opbrengst, zoals fruitbomen, wijnstokken, rubberbomen, palmbomen enz.;

f) verbeteringen aan bestaande vaste activa, die verder gaan dan gewoon onderhoud en gewone reparaties;

g) aanschaf van vaste activa door middel van financiële lease;

h) kosten in verband met de beëindiging van activiteiten, d.w.z. omvangrijke verwijderingskosten, bijvoorbeeld kosten voor de ontmanteling van een kerncentrale of kosten voor de sanering van een afvalstortplaats.

3.130 Niet onder de bruto-investeringen in vaste activa vallen:

a) transacties die tot het intermediair verbruik behoren, zoals:

1. aankoop van klein gereedschap voor productiedoeleinden;

2. gewoon onderhoud en gewone reparaties;

3. aanschaf van vaste activa, bestemd voor gebruik in het kader van operationele lease (zie ook hoofdstuk 15: Contracten, leases en vergunningen). Voor de onderneming die de vaste activa gebruikt, wordt de huur behandeld als intermediair verbruik. Voor de eigenaar ervan worden de kosten van de aanschaf geregistreerd als bruto-investeringen in vaste activa;

b) transacties die als veranderingen in voorraden worden geregistreerd:

1. slachtvee, inclusief pluimvee;

2. voor de houtproductie bestemde bomen (onderhanden werk);

c) machines en apparatuur die door huishoudens voor consumptie zijn aangeschaft;

d) waarderingsverschillen op vaste activa;

e) verliezen op vaste activa door rampen, bijvoorbeeld vernietiging van in cultuur gebrachte activa en vee door het uitbreken van een ziekte die gewoonlijk niet door een verzekering wordt gedekt, of schade door abnormaal hoge waterstanden, storm of bosbranden;

f) middelen die worden gereserveerd zonder dat er een verplichting bestaat voor de werkelijke aankoop of bouw van een specifiek kapitaalgoed, bijvoorbeeld een overheidsfonds voor infrastructuur.

3.131 Bruto-investeringen in vaste activa in de vorm van verbeteringen aan bestaande vaste activa worden als aankopen van nieuwe vaste activa van dezelfde soort geregistreerd.

3.132 Intellectuele-eigendomsproducten zijn het resultaat van onderzoek en ontwikkeling, opsporing of innovatie die tot kennis leiden, waarvan het gebruik door de wet of een andere vorm van bescherming wordt beperkt.

Voorbeelden van intellectuele-eigendomsactiva zijn:

a) resultaten van O&O;

b) resultaten van de exploratie van minerale reserves, gemeten als de kosten van feitelijke proefboringen, luchtkartering en topografisch onderzoek, vervoer enz.;

c) computerprogrammatuur en grote databanken die gedurende meer dan één jaar in het productieproces worden gebruikt;

d) originelen op het gebied van woord, beeld en geluid (manuscripten, modellen, films, geluidsopnamen enz.);

3.133 Zowel voor vaste activa als voor niet-geproduceerde niet-financiële activa bestaan de ten laste van de nieuwe eigenaar komende kosten van de eigendomsoverdracht uit:

a) kosten voor de oplevering van (nieuwe of bestaande) activa op de vereiste plaats en tijd, zoals vervoer-, installatie- en oprichtingskosten enz.;

b) gemaakte kosten of betaalde vergoedingen voor deskundige bijstand, zoals honoraria voor landmeters, ingenieurs, advocaten, taxateurs enz., en commissies betaald aan makelaars, veilingmeesters enz.;

c) door de nieuwe eigenaar verschuldigde belastingen op de eigendomsoverdracht van de activa. Deze belastingen zijn belastingen op de diensten van de intermediairs en belastingen op eigendomsoverdracht, maar geen belastingen op de gekochte activa.

Al deze kosten moeten worden geregistreerd als bruto-investeringen in vaste activa door de nieuwe eigenaar.

Moment van registratie en waardering van bruto-investeringen in vaste activa

3.134 Bruto-investeringen in vaste activa worden geregistreerd wanneer de eigendom van de vaste activa wordt overgedragen aan de institutionele eenheid die ze voor productieve doeleinden wil gebruiken.

Van deze regel wordt afgeweken voor:

a) financiële lease, wanneer een fictieve eigendomsoverdracht van de leasegever aan de leasenemer wordt verondersteld;

b) in eigen beheer geproduceerde bruto-investeringen in vaste activa, die bij de productie ervan worden geregistreerd.

3.135 Bruto-investeringen in vaste activa worden gewaardeerd tegen aankoopprijzen, met inbegrip van installatiekosten en andere kosten in verband met de eigendomsoverdracht. In eigen beheer geproduceerde investeringen worden gewaardeerd tegen de basisprijzen van soortgelijke vaste activa of, indien deze prijzen niet beschikbaar zijn, tegen de productiekosten vermeerderd met een toeslag (behalve voor niet-marktproducenten) voor het netto-exploitatieoverschot of het gemengd inkomen.

3.136 De aanschaf van intellectuele-eigendomsproducten wordt op uiteenlopende wijze gewaardeerd:

a) exploratie van minerale reserves: tegen de kosten van de feitelijke proefboringen en de kosten die zijn gemaakt om proeven mogelijk te maken (zoals voor luchtkartering en topografisch onderzoek);

b) computerprogrammatuur: tegen aankoopprijzen wanneer de programmatuur op de markt is gekocht, of tegen de geraamde basisprijs, of indien de basisprijs niet beschikbaar is tegen de productiekosten vermeerderd met een toeslag voor het netto-exploitatieoverschot (behalve voor niet-marktproducenten) wanneer de programmatuur zelf ontwikkeld is;

c) originelen op het gebied van woord, beeld en geluid: tegen de door de koper betaalde prijs wanneer het origineel wordt verkocht; indien het origineel niet wordt verkocht, mogen de volgende ramingsmethoden worden toegepast:

i) tegen de basisprijs die voor soortgelijke originelen is betaald;

ii) tegen de som van de productiekosten vermeerderd met een toeslag (behalve voor niet-marktproducenten) voor het netto-exploitatieoverschot, of

iii) de contante waarde van de verwachte opbrengsten.

3.137 De verkoop van bestaande vaste activa wordt gewaardeerd tegen de basisprijs na aftrek van eventuele kosten van eigendomsoverdracht voor de verkoper.

3.138 Zowel bij de eigendomsoverdracht van geproduceerde activa, inclusief vaste activa, als bij die van niet-geproduceerde activa, zoals grond, kunnen kosten worden gemaakt.

Bij geproduceerde activa maken deze kosten deel uit van de aankoopprijs. In het geval van grond en andere niet-geproduceerde activa worden zij gescheiden van de koop en verkoop zelf en bij de classificatie van de bruto-investeringen in vaste activa in een afzonderlijke rubriek geregistreerd.

Verbruik van vaste activa (P.51c)

3.139  Definitie: het verbruik van vaste activa (P.51c) is de waardevermindering van vaste activa in eigendom als gevolg van normale slijtage en economische veroudering. De raming van de waardevermindering omvat een voorziening voor verlies van vaste activa ten gevolge van niet-voorzienbare verzekerbare schade. Het verbruik van vaste activa omvat ook verwachte kosten in verband met de beëindiging van activiteiten, zoals kosten voor de ontmanteling van kerncentrales of boorplatforms of kosten voor de sanering van afvalstortplaatsen. Dergelijke kosten in verband met de beëindiging van activiteiten worden geregistreerd als het verbruik van vaste activa aan het einde van de levensduur, wanneer dergelijke kosten als bruto-investeringen in vaste activa worden geregistreerd.

3.140 Het verbruik van vaste activa wordt geregistreerd voor alle vaste activa (behalve dieren), met inbegrip van intellectuele-eigendomsrechten, belangrijke grondverbeteringen en overdrachtskosten op transacties in niet-geproduceerde activa.

3.141 Verbruik van vaste activa is niet hetzelfde als fiscale of commerciële afschrijvingen. Het wordt geraamd op basis van de kapitaalgoederenvoorraad en de verwachte gemiddelde economische levensduur van de verschillende soorten goederen. Voor de berekening van de kapitaalgoederenvoorraad wordt de „perpetual inventory method” (PIM) toegepast voor het geval rechtstreekse informatie hierover ontbreekt. De kapitaalgoederenvoorraad wordt gewaardeerd tegen de aankoopprijzen in de lopende verslagperiode.

3.142 Bij de berekening van de gemiddelde levensduur van vaste activa wordt rekening gehouden met verlies ervan ten gevolge van niet-voorzienbare verzekerbare schade. Voor de economie als geheel wordt ervan uitgegaan dat de niet-voorzienbare schade binnen een bepaalde verslagperiode gelijk is aan het gemiddelde of dit benadert. Voor afzonderlijke eenheden en groepen eenheden kan de werkelijk geleden niet-voorzienbare schade afwijken van het gemiddelde. In zo'n geval wordt, voor de betreffende sectoren, het verschil geregistreerd onder overige volumemutaties in vaste activa.

3.143 Het verbruik van vaste activa wordt berekend volgens de lineaire methode, waarbij de waarde van de vaste activa gelijkmatig over de hele levensduur van de goederen wordt afgeschreven.

3.144 In sommige gevallen moet gezien het tempo waarin een vast actief minder doelmatig wordt, de „meetkundige afschrijvingsmethode” worden gebruikt.

3.145 In het rekeningenstelsel komt het verbruik van vaste activa tot uitdrukking door alle saldi zowel bruto als netto weer te geven. „Bruto” betekent vóór aftrek van verbruik van vaste activa, „netto” wil zeggen na aftrek van verbruik van vaste activa.

Veranderingen in voorraden (P.52)

3.146  Definitie: veranderingen in voorraden worden gemeten door op de waarde van de toevoegingen aan de voorraden de waarde van de onttrekkingen en de waarde van eventuele periodieke verliezen aan in voorraad gehouden goederen in mindering te brengen.

3.147 Periodieke verliezen als gevolg van fysiek bederf, niet-voorzienbare schade of diefstal zijn mogelijk bij alle soorten in voorraad gehouden goederen, zoals:

a) verliezen aan grondstoffen en halffabricaten;

b) verliezen aan onderhanden werk;

c) verliezen aan gereed product;

d) verliezen aan handelsgoederen (bv. als gevolg van winkeldiefstal).

3.148 De voorraden bestaan uit onderstaande categorieën:

a) grondstoffen en halffabricaten:

grondstoffen en halffabricaten zijn alle producten die in voorraad worden gehouden met de bedoeling ze in het productieproces als intermediaire input te gebruiken; dit geldt ook voor producten die door de overheid in voorraad worden gehouden. Artikelen als goud, diamanten enz. zijn inbegrepen wanneer ze voor industrieel gebruik zijn bestemd of anderszins in het productieproces zullen worden gebruikt;

b) onderhanden werk:

onderhanden werk bestaat uit de nog niet voltooide output. Het wordt geregistreerd bij de voorraden van de producent. Het kan diverse vormen aannemen, zoals:

1. gewassen te velde;

2. nog niet tot wasdom gekomen bomen en vee;

3. onvoltooide bouwwerken (met uitzondering van die welke in het kader van een vooraf gesloten verkoopcontract of in eigen beheer worden geproduceerd; beide worden als investeringen in vaste activa behandeld);

4. andere onvoltooide vaste activa, bijvoorbeeld schepen en boorplatforms;

5. onvoltooid onderzoek in het kader van juridische of adviesdossiers;

6. gedeeltelijk voltooide filmproducties;

7. gedeeltelijk voltooide computerprogramma's.

Ieder productieproces dat aan het eind van de verslagperiode niet is voltooid, wordt als onderhanden werk geregistreerd. Dit is van belang voor kwartaalrekeningen, met als voorbeeld landbouwgewassen die niet binnen een kwartaal volgroeid zijn.

Het onderhanden werk neemt af wanneer het productieproces wordt voltooid. Op dat moment wordt al het onderhanden werk omgezet in gereed product;

c) gereed product:

gereed product als deel van de voorraden bestaat uit de output die de producent niet voornemens is voor de aflevering aan andere institutionele eenheden verder te bewerken;

d) handelsgoederen:

handelsgoederen zijn goederen die zijn verworven om ze in de staat waarin zij zich bevinden, onveranderd verder te verkopen.

Moment van registratie en waardering van veranderingen in voorraden

3.149 Het moment van registratie en waardering van veranderingen in voorraden is in overeenstemming met dat van andere transacties in producten. Dit geldt met name voor het intermediair verbruik (bv. voor grondstoffen en halffabricaten), de output (bv. onderhanden werk en output uit de opslag van landbouwproducten) en de bruto-investeringen in vaste activa (bv. onderhanden werk). Goederen die in het buitenland worden verwerkt en daarbij van eigenaar veranderen, moeten in de uitvoer (en naderhand in de invoer) worden opgenomen. De uitvoer gaat samen met een vermindering van de voorraden en de latere overeenkomstige invoer wordt als een toename van de voorraden geregistreerd, mits de goederen niet onmiddellijk worden gebruikt of verkocht.

3.150 Bij het meten van veranderingen in voorraden worden de goederen gewaardeerd op het moment dat zij aan de voorraden worden toegevoegd of hieraan worden onttrokken.

3.151 Bij de waardering van veranderingen in voorraden worden de volgende prijzen voor de goederen gehanteerd:

a) de output van gereed product dat aan de voorraden van de producent wordt toegevoegd, wordt gewaardeerd als werden zij op dat tijdstip verkocht, namelijk tegen lopende basisprijzen;

b) toevoegingen aan onderhanden werk worden gewaardeerd naar rato van het aandeel in de geraamde geldende basisprijs van het gereed product;

c) verminderingen van onderhanden werk als gevolg van onttrekkingen aan de voorraden wanneer het productieproces is voltooid, worden gewaardeerd tegen geldende basisprijzen van het onafgewerkt product;

d) voor de verkoop aan de voorraden onttrokken goederen worden gewaardeerd tegen basisprijzen;

e) handelsgoederen die aan de voorraden van groot- en detailhandelaren enz. worden toegevoegd, worden gewaardeerd tegen de werkelijke of de geraamde aankoopprijs die door de handelaar is betaald;

f) aan de voorraden onttrokken handelsgoederen worden gewaardeerd tegen de aankoopprijs waartegen zij op het moment van onttrekking kunnen worden vervangen, en niet tegen de prijs op het moment van aankoop.

3.152 Verliezen ten gevolge van fysiek bederf, niet-voorzienbare verzekerbare schade of diefstal worden als volgt geregistreerd en gewaardeerd:

a) grondstoffen en halffabricaten: alsof ze aan de voorraden waren onttrokken om in het productieproces te worden gebruikt (intermediair verbruik);

b) onderhanden werk: wordt afgetrokken van toevoegingen aan de in dezelfde periode gerealiseerde productie;

c) gereed product en handelsgoederen: alsof ze aan de voorraden waren onttrokken tegen de lopende prijs van de overgebleven goederen.

3.153 Indien informatie ontbreekt, worden voor de raming van veranderingen in voorraden de volgende benaderingsmethoden gebruikt:

a) wanneer er regelmatig veranderingen in de omvang van de voorraden plaatsvinden, is een aanvaardbare benaderingsmethode het vermenigvuldigen van de verandering met de gemiddelde prijs voor de periode. Voor voorraden bij gebruikers of bij groot- en detailhandel worden aankoopprijzen gebruikt; voor voorraden bij producenten worden basisprijzen gebruikt;

b) wanneer de prijs van de betrokken goederen constant blijft, blijft bij schommelingen in de omvang van de voorraden de methode waarbij voor de raming van de verandering de omvang van de verandering met de gemiddelde prijs wordt vermenigvuldigd, bruikbaar;

c) indien zowel de omvang als de prijs van de voorraden gedurende de verslagperiode sterk veranderen, zijn verfijndere methoden voor een benadering noodzakelijk, bijvoorbeeld een driemaandelijkse waardering van de veranderingen in voorraden of het gebruik van informatie over de verdeling van de schommelingen binnen de verslagperiode (zo kunnen deze het grootst zijn aan het eind van het kalenderjaar, tijdens de oogst enz.);

d) indien alleen informatie over de waarde aan het begin en het eind van de periode beschikbaar is (bv. bij de groot- en de detailhandel waar de voorraden vaak uit een groot aantal verschillende producten bestaan), maar afzonderlijke informatie over prijs en volume ontbreekt, worden de volumeveranderingen tussen het begin en het eind van de periode geraamd. Een van de methoden om de volumeverandering te ramen is het ramen van de constante omzet per type product.

Seizoenschommelingen in de prijzen kunnen het gevolg zijn van kwaliteitsverschillen, bijvoorbeeld opruimingsprijzen of prijzen voor groenten en fruit buiten het seizoen. Deze kwaliteitsverschillen worden als volumemutaties behandeld.

Saldo aan- en verkopen van kostbaarheden (P.53)

3.154  Definitie: kostbaarheden zijn niet-financiële goederen die niet hoofdzakelijk voor productieve of consumptieve doeleinden worden gebruikt, die onder normale omstandigheden niet aan slijtage onderhevig zijn en die vooral als beleggingsobject worden verworven en bewaard.

3.155 Kostbaarheden omvatten de volgende soorten goederen:

a) edelstenen en edele metalen, zoals diamanten, niet-monetair goud, platina, zilver enz.;

b) antiquiteiten en kunstobjecten, zoals schilderijen, beeldhouwwerken enz.;

c) andere kostbaarheden, zoals sieraden van edelstenen en edele metalen en verzamelobjecten.

3.156 Dergelijke goederen worden in de volgende voorbeelden als aankoop of verkoop van kostbaarheden geregistreerd:

a) aankoop of verkoop van niet-monetair goud, zilver enz. door centrale banken en andere financiële intermediairs;

b) aankoop of verkoop van deze goederen door ondernemingen waarvan de hoofd- of nevenactiviteit niet het produceren van of de handel in dergelijke goederen is. Dergelijke aan- of verkopen zijn niet begrepen in het intermediair verbruik of in de investeringen in vaste activa van deze ondernemingen;

c) aankoop of verkoop van dergelijke goederen door huishoudens. Dergelijke aankopen zijn niet in de consumptieve bestedingen van de huishoudens begrepen.

Volgens afspraak worden in het ESR ook de volgende gevallen als aan- of verkopen van kostbaarheden geregistreerd:

a) aankoop of verkoop van deze goederen door juweliers en kunsthandelaren (volgens de algemene definitie van kostbaarheden zou de aankoop van deze goederen door juweliers en kunsthandelaren als veranderingen in voorraden moeten worden geregistreerd);

b) aankoop of verkoop van deze goederen door musea (volgens de algemene definitie van kostbaarheden zou de aankoop van deze goederen door musea als investeringen in vaste activa moeten worden geregistreerd).

Dankzij deze afspraak kan het veelvuldige herclassificeren tussen de drie belangrijkste soorten investeringen — saldo aan- en verkopen van kostbaarheden, investeringen in vaste activa en veranderingen in voorraden — worden vermeden (bv. bij transacties in dergelijke goederen tussen huishoudens en kunsthandelaren).

3.157 Het produceren van kostbaarheden wordt gewaardeerd tegen basisprijzen. Alle andere vormen van verwerving van kostbaarheden worden gewaardeerd tegen de ervoor betaalde aankoopprijs, inclusief eventuele honoraria en commissies voor tussenpersonen en de handelsmarge, indien de kostbaarheden bij een handelaar zijn gekocht. De verkoop van kostbaarheden wordt gewaardeerd tegen de door de verkoper ontvangen prijs, na aftrek van eventueel aan tussenpersonen betaalde honoraria en commissies. De totale aankopen en de totale verkopen tussen ingezeten sectoren compenseren elkaar, waarbij alleen de marges voor de tussenpersonen en de handelaren resten.

IN- EN UITVOER VAN GOEDEREN EN DIENSTEN (P.6 EN P.7)

3.158  Definitie: de uitvoer van goederen en diensten bestaat uit de goederen- en dienstenstromen (verkoop, ruil en giften) van ingezetenen naar niet-ingezetenen.

3.159  Definitie: de invoer van goederen en diensten bestaat uit de goederen- en dienstenstromen (verkoop, ruil en giften) van niet-ingezetenen naar ingezetenen.

3.160 De in- en uitvoer van goederen en diensten omvat niet:

a) „establishment trade”, d.w.z.:

1. leveringen aan niet-ingezetenen door niet-ingezeten filialen van ingezeten ondernemingen, bijvoorbeeld verkopen in het buitenland door buitenlandse filialen van een multinationale onderneming die eigendom is of onder zeggenschap staat van ingezetenen;

2. leveringen aan ingezetenen door ingezeten vestigingen van niet-ingezeten ondernemingen, bijvoorbeeld verkopen door binnenlandse filialen van buitenlandse multinationale ondernemingen;

b) primair-inkomensstromen naar en uit het buitenland, zoals beloning van werknemers, rente en inkomen uit directe investeringen. De opbrengsten uit directe investeringen kunnen ook niet af te splitsen vergoedingen omvatten voor het verlenen van allerlei diensten, bijvoorbeeld opleiding van werknemers, managementdiensten en het gebruik van octrooien en handelsmerken;

c) de grensoverschrijdende koop of verkoop van financiële activa of niet-geproduceerde activa, zoals grond.

3.161 De in- en uitvoer van goederen en diensten wordt onderscheiden in:

a) transacties tussen lidstaten van de EU;

b) invoer in en uitvoer uit de EU.

Beide worden hier in- en uitvoer genoemd.

In- en uitvoer van goederen (P.61 en P.71)

3.162 In- en uitvoer van goederen vindt plaats wanneer de economische eigendom van goederen door een ingezetene wordt overgedragen aan een niet-ingezetene of andersom, ongeacht of er sprake is van een fysieke grensoverschrijdende goederenbeweging.

3.163 Voor leveringen tussen geaffilieerde bedrijven (bijkantoor of dochteronderneming, of buitenlands filiaal) wordt aangenomen dat een eigendomsoverdracht heeft plaatsgevonden wanneer goederen door een onderneming aan een geaffilieerde onderneming worden geleverd. Dit is alleen van toepassing wanneer de onderneming die de goederen ontvangt, verantwoordelijk is voor beslissingen over de omvang van de leveringen en de hoogte van de prijzen waartegen de output ervan aan de markt wordt geleverd.

3.164 In de volgende gevallen vindt uitvoer van goederen plaats zonder dat er sprake is van grensoverschrijding:

a) goederen die door in internationale wateren opererende ingezeten eenheden worden geproduceerd, en die direct aan niet-ingezetenen in het buitenland worden verkocht. Voorbeelden zijn aardolie, aardgas, visserijproducten, berging van schepen op zee enz.;

b) vervoermiddelen en ander bewegend materieel dat niet aan een vaste plaats gebonden is;

c) goederen die na de eigendomsoverdracht verloren raken of tenietgaan voordat ze de grens van het land van uitvoer hebben overschreden;

d) transitohandel, d.w.z. de aankoop van een goed door een ingezetene van een niet-ingezetene waarna het goed wordt doorverkocht aan een andere niet-ingezetene zonder dat het goed de economie van de handelaar binnenkomt.

Voor de invoer van goederen doen zich soortgelijke gevallen voor.

3.165 De in- en uitvoer van goederen omvat transacties tussen ingezetenen en niet-ingezetenen in:

a) niet-monetair goud;

b) ongemunt zilver, diamanten en andere edele metalen en edelstenen;

c) geld (papiergeld en munten) dat niet in omloop is en niet-uitgegeven effecten (gewaardeerd als goederen en niet tegen de nominale waarde);

d) elektriciteit, gas en water;

e) vee dat over de grens wordt gedreven;

f) pakketpost;

g) uitvoer door de overheid, inclusief de uitvoer van goederen die met een overdracht of een lening van de overheid zijn gefinancierd;

h) goederen waarvan de eigendom overgaat naar of van een organisatie die een buffervoorraad aanhoudt;

i) goederen die een ingezeten onderneming aan haar niet-ingezeten filialen levert, uitgezonderd goederen voor verwerking;

j) goederen die een ingezeten onderneming ontvangt van haar niet-ingezeten filialen, uitgezonderd goederen voor verwerking;

k) smokkelwaar of producten die niet voor belastingen zoals invoerrechten en btw zijn geregistreerd;

l) overige niet-geregistreerde zendingen, zoals giften en zendingen beneden een bepaalde minimumwaarde.

3.166 De in- en uitvoer van goederen omvat niet de volgende goederen, ook al overschrijden zij de nationale grens:

a) goederen die via een land worden doorgevoerd;

b) goederen die worden verzonden naar of vanuit een ambassade, militaire basis of andere enclave van een land op het grondgebied van een ander land;

c) vervoermiddelen en ander bewegend materieel die een land tijdelijk verlaten zonder dat een eigendomsoverdracht plaatsvindt, bijvoorbeeld bouwwerktuigen voor installatie- of bouwwerkzaamheden in het buitenland;

d) apparatuur en andere goederen die voor bewerking, onderhoud of reparatie naar het buitenland worden gezonden. Dit geldt ook voor goederen die in het buitenland worden veredeld en daarbij een aanzienlijke fysieke verandering ondergaan;

e) andere goederen die een land tijdelijk verlaten, maar in de regel binnen een jaar in de oorspronkelijke staat en zonder overdracht van economische eigendom terugkeren.

Voorbeelden zijn goederen die voor een tentoonstelling of recreatieve doeleinden naar het buitenland worden gezonden, goederen die in het kader van operationele lease naar het buitenland gaan (ook al betreft het een lease voor verscheidene jaren) en goederen die worden teruggezonden zonder dat ze aan een niet-ingezetene zijn verkocht;

f) in consignatie verzonden goederen die verloren raken of tenietgaan nadat ze een grens overschreden hebben, maar voordat er sprake is van eigendomsoverdracht.

3.167 De in- en uitvoer van goederen wordt geregistreerd wanneer de eigendom van de goederen wordt overgedragen. De eigendomsoverdracht wordt geacht plaats te vinden op het moment dat de bij de transactie betrokken partijen deze in hun boeken of rekeningen opnemen. Dit behoeft niet samen te vallen met de verschillende fasen van de overeenkomst, zoals:

a) het moment waarop de verbintenis wordt gesloten (contractdatum);

b) het moment waarop de goederen en diensten worden geleverd en er een aanspraak op betaling ontstaat (datum van overdracht);

c) het moment waarop die aanspraak wordt gehonoreerd (betaaldatum).

3.168 De in- en uitvoer van goederen moet worden gewaardeerd tegen de fob-waarde („free on board”) aan de grens van het land van uitvoer. Deze waarde is:

a) de waarde van de goederen tegen basisprijzen;

b) plus de kosten van vervoer en distributie van die goederen tot aan de grens, inclusief de kosten voor het laden op een vervoermiddel voor verder transport;

c) plus het saldo van belastingen en subsidies op de uitgevoerde goederen; voor leveringen binnen de EU betreft dit onder meer de btw en de overige productgebonden belastingen die in het land van uitvoer zijn betaald.

In de aanbod- en gebruiktabellen en de symmetrische input-outputtabel wordt de invoer van goederen voor afzonderlijke productgroepen echter gewaardeerd tegen de cif-waarde („cost-insurance-freight”) aan de grens van het land van invoer.

3.169  Definitie: de cif-prijs is de prijs van een goed aan de grens van het land van invoer, of de prijs van een dienst die verleend is aan een ingezetene, exclusief invoerrechten, overige belastingen op invoer en handels- en vervoersmarges in het land van invoer.

3.170 Onder bepaalde omstandigheden kan een benadering of een vervangende maatstaf voor de fob-waarde nodig zijn:

a) geruilde goederen worden gewaardeerd tegen de basisprijs die bij verkoop tegen contante betaling zou zijn ontvangen;

b) voor transacties tussen geaffilieerde ondernemingen geldt als regel dat de werkelijke overdrachtswaarde wordt gehanteerd. Indien deze echter afwijkt van de marktprijs, wordt het geraamde marktprijsequivalent geregistreerd;

c) goederen die in het kader van een financiële lease worden overgedragen, worden gewaardeerd op basis van de door de leasegever betaalde aankoopprijs en niet op basis van de cumulatieve waarde van de leasesommen;

d) invoer van goederen die wordt geraamd op basis van douanegegevens (voor extra-EU-handel) of Intrastat-informatie (voor intra-EU-handel). Geen van beide bronnen hanteert een fob-waardering; de eerste hanteert de cif-waarde aan de EU-grens en de tweede die aan de nationale grens. Aangezien fob-waarden alleen op het meest geaggregeerde niveau bekend zijn en cif-waarden op productgroepniveau worden gehanteerd, worden deze wijzigingen op het meest geaggregeerde niveau toegepast, waarbij de wijziging als cif/fob-correctie bekendstaat;

e) in- en uitvoer van goederen die wordt geraamd op basis van bij enquêtes of ad hoc verzamelde informatie. In dergelijke gevallen wordt de totale waarde van de verkopen, uitgesplitst naar producten, verkregen. De raming is op de aankoopprijzen en niet op de fob-waarden gebaseerd.

In- en uitvoer van diensten (P.62 en P.72)

3.171  Definitie: de uitvoer van diensten omvat alle diensten die door ingezetenen aan niet-ingezetenen worden verleend.

3.172  Definitie: de invoer van diensten omvat alle diensten die door niet-ingezetenen aan ingezetenen worden verleend.

3.173 De uitvoer van diensten omvat de volgende gevallen:

a) vervoer van uitgevoerde goederen na grensoverschrijding van het land van uitvoer, wanneer deze dienst wordt verstrekt door ingezeten vervoerbedrijven (zie tabel 3.3, voorbeelden 2 en 3);

b) vervoer van ingevoerde goederen door een ingezeten vervoerbedrijf:

1. tot aan de grens van het land van uitvoer bij een fob-waardering van de goederen, ter compensatie van de in de fob-waarde begrepen waarde van het vervoer (zie tabel 3.4, voorbeeld 3);

2. tot aan de grens van het land van invoer bij een cif-waardering van de goederen, ter compensatie van de in de cif-waarde begrepen waarde van het vervoer (zie tabel 3.4, voorbeelden 3 en 2 cif);

c) goederenvervoer door ingezetenen in opdracht van niet-ingezetenen zonder dat er sprake is van invoer of uitvoer van de goederen (bv. het vervoer van goederen die het land niet als uitvoer verlaten of het vervoer van goederen buiten het grondgebied van het betrokken land);

d) personenvervoer van niet-ingezetenen door ingezeten vervoerbedrijven;

e) bewerkingen en reparaties in opdracht van niet-ingezetenen. Deze activiteiten moeten netto worden geregistreerd, d.w.z. als uitvoer van diensten exclusief de waarde van de bewerkte of gerepareerde goederen;

f) installatie van machines en apparatuur in het buitenland, voor zover het gaat om een project dat door zijn aard van beperkte duur is;

g) financiële diensten door ingezetenen aan niet-ingezetenen inclusief de expliciet en impliciet in rekening gebrachte vergoeding voor de dienst, zoals IGDFI;

h) door ingezetenen aan niet-ingezetenen verleende verzekeringsdiensten ter waarde van de impliciete vergoeding voor de diensten;

i) uitgaven van niet-ingezeten toeristen en personen op zakenreis. De uitgaven worden ingedeeld als diensten; voor de aanbod- en gebruiktabel en de symmetrische input-outputtabel is een indeling naar componenten noodzakelijk;

j) uitgaven van niet-ingezetenen voor medische en onderwijsdiensten verleend door ingezetenen, ongeacht of deze diensten op het grondgebied van het betrokken land of in het buitenland worden verleend;

k) woondiensten door niet-ingezeten bewoners van een eigen vakantiewoning (zie punt 3.77);

l) door niet-ingezetenen aan ingezetenen betaalde royalty's en licenties waarvan de ontvangst gekoppeld is aan toestemming voor het gebruik van intellectuele-eigendomsrechten, zoals octrooien, auteursrechten, handelsmerken, industriële procedés, franchises enz., en aan het gebruik, via licentieovereenkomsten, van geproduceerde originelen of prototypen, zoals manuscripten, schilderijen enz.

3.174 Er is een soortgelijke lijst voor de invoer van diensten die het spiegelbeeld is van die voor de uitvoer van diensten in punt 3.173 en alleen de volgende typen invoer van diensten behoeven een nadere omschrijving.

3.175 De invoer van vervoerdiensten omvat de volgende gevallen:

a) vervoer van uitgevoerde goederen tot aan de grens van het land van uitvoer door een niet-ingezeten vervoerbedrijf ter compensatie van de in de fob-waarde van de uitgevoerde goederen begrepen waarde van het vervoer (zie tabel 3.3, voorbeeld 4);

b) vervoer van ingevoerde goederen door een niet-ingezeten vervoerbedrijf:

1. vanaf de grens van het land van uitvoer als afzonderlijke vervoerdienst bij een fob-waardering van de ingevoerde goederen (zie tabel 3.4, voorbeelden 4 en 5 fob);

2. vanaf de grens van het land van invoer als afzonderlijke vervoerdienst bij een cif-waardering van de ingevoerde goederen (in dit geval is de waarde van de vervoerdienst tussen de grens van het land van uitvoer en die van het land van invoer al in de cif-waarde van de goederen begrepen, zie tabel 3.4, voorbeeld 4);

c) goederenvervoer door niet-ingezetenen in opdracht van ingezetenen zonder dat er sprake is van invoer of uitvoer van goederen (bv. vervoer van goederen in doorvoer of vervoer buiten het grondgebied van het betrokken land);

d) binnenlands of grensoverschrijdend personenvervoer van ingezetenen door niet-ingezeten vervoerbedrijven.

Invoer van vervoerdiensten omvat niet het vervoer van uitgevoerde goederen na overschrijding van de grens van het land van uitvoer, wanneer deze dienst wordt verstrekt door een niet-ingezeten vervoerbedrijf (zie tabel 3.3, voorbeelden 5 en 6). Voor de uitvoer van goederen wordt een fob-waardering toegepast en dergelijke vervoerdiensten worden daarom beschouwd als transacties tussen niet-ingezetenen, namelijk tussen een niet-ingezeten vervoerbedrijf en een niet-ingezeten importeur. Dit geldt indien deze vervoerdiensten in het kader van een cif-uitvoercontract door de exporteur worden betaald.

3.176 De invoer in verband met rechtstreekse aankopen door ingezetenen in het buitenland omvat alle goederen en diensten die ingezetenen tijdens zakelijke of privéreizen in het buitenland hebben gekocht. Er moeten twee categorieën worden onderscheiden, die om een verschillende behandeling vragen:

a) alle zakelijke uitgaven van zakenreizigers worden geregistreerd als intermediair verbruik;

b) alle andere uitgaven, ongeacht of ze van zakenreizigers of andere reizigers zijn, worden geregistreerd als consumptieve bestedingen van huishoudens.

3.177 De in- en uitvoer van diensten wordt geregistreerd op het moment dat de diensten worden verleend. Dit valt samen met het moment waarop zij worden geproduceerd. De invoer van diensten wordt gewaardeerd tegen aankoopprijzen en de uitvoer van diensten tegen basisprijzen.



Tabel 3.3 —  Behandeling van het vervoer van uitgevoerde goederen

Grondgebied van het betrokken land

Grondgebied van tussenliggende landen

Grondgebied van het land van invoer

1.  ingezeten vervoerbedrijfimage

2.  ingezeten vervoerbedrijfimage

3.  ingezeten vervoerbedrijfimage

4.  niet ingezeten vervoerbedrijfimage

5.  niet ingezeten vervoerbedrijfimage

6.  niet ingezeten vervoerbedrijfimage



 

Uitvoer van goederen (fob)

Uitvoer van diensten

Invoer van goederen (cif/fob)

Invoer van diensten

1.

x

2.

x

3.

x

4.

x

x

5.

6.

3.178 Toelichting op de tabel: het eerste deel van de tabel laat zien dat er zes mogelijkheden van vervoer van uitgevoerde goederen zijn. Enerzijds kan er onderscheid worden gemaakt naar het al dan niet ingezetene zijn van de vervoerder. Anderzijds is het afhankelijk van de plaats waar het vervoer plaatsvindt: van een plaats op het grondgebied van het land van uitvoer naar de grens van het land van uitvoer, van de grens van het land van uitvoer naar de grens van het land van invoer of van de grens van het land van invoer naar een plaats in het land van invoer. In het tweede deel van de tabel wordt voor elk van de zes mogelijkheden aangegeven of de vervoerskosten geregistreerd moeten worden als uitvoer van goederen, uitvoer van diensten, invoer van goederen of invoer van diensten.



Tabel 3.4 —  Behandeling van het vervoer van ingevoerde goederen

Grondgebied van het betrokken land

Grondgebied van tussenliggende landen

Grondgebied van het land van uitvoer

1.  ingezeten vervoerbedrijfimage

2.  ingezeten vervoerbedrijfimage

3.  ingezeten vervoerbedrijfimage

4.  niet ingezeten vervoerbedrijfimage

5.  niet ingezeten vervoerbedrijfimage

6.  niet ingezeten vervoerbedrijfimage



 

Waardering van ingevoerde goederen

Invoer van goederen

Invoer van diensten

Uitvoer van goederen (FOB)

Uitvoer van diensten

1.

Cif/fob

2.

Fob

cif

x

x

3.

Cif/fob

x

x

4.

Cif/fob

x

5.

Fob

cif

x

x

6.

Cif/fob

x

3.179 Toelichting op de tabel: het eerste deel van de tabel laat zien dat er zes mogelijkheden van vervoer van ingevoerde goederen zijn. Enerzijds kan er onderscheid worden gemaakt naar het al dan niet ingezetene zijn van de vervoerder. Anderzijds is het afhankelijk van de plaats waar het vervoer plaatsvindt: van een plaats in het land van uitvoer naar de grens van het land van uitvoer, van de grens van het land van uitvoer naar de grens van het land van invoer en van de grens van het land van invoer naar een plaats op het grondgebied van het land van invoer. In het tweede deel van de tabel wordt voor elk van de zes mogelijkheden aangegeven of de vervoerkosten geregistreerd moeten worden als invoer van goederen, invoer van diensten, uitvoer van goederen of uitvoer van diensten. In sommige gevallen (voorbeelden 2 en 5) is de registratie afhankelijk van de waarderingsregel die is toegepast op de ingevoerde goederen. De overgang van een cif- naar een fob-waardering van ingevoerde goederen bestaat uit:

a) een cif/fob-correctie, d.w.z. van 2 cif naar 2 fob (waardoor de totale in- en uitvoer vermindert);

b) een cif/fob-herclassificatie, d.w.z. van 5 cif naar 5 fob (waardoor de totale in- en uitvoer ongewijzigd blijft).

TRANSACTIES IN BESTAANDE GOEDEREN

3.180  Definitie: bestaande goederen zijn goederen die al een gebruiker hebben gehad (met uitzondering van voorraden).

3.181 Tot de bestaande goederen behoren:

a) gebouwen en andere vaste activa die door een producerende eenheid aan andere eenheden zijn verkocht:

1. om als zodanig opnieuw te worden gebruikt;

2. om te worden gesloopt; de producten die hierbij ontstaan, worden vervolgens grondstoffen (bv. schroot) voor de productie van nieuwe goederen (bv. staal);

b) kostbaarheden die door de ene eenheid aan een andere worden verkocht;

c) duurzame consumptiegoederen die door huishoudens aan andere eenheden zijn verkocht:

1. om als zodanig opnieuw te worden gebruikt;

2. om te worden gesloopt en in sloopmateriaal te worden omgezet;

d) niet-duurzame goederen (bv. papierafval, lompen, oude kleding, lege flessen) die door ongeacht welke eenheid worden verkocht om hetzij opnieuw te worden gebruikt, hetzij als grondstof te worden gebruikt voor de vervaardiging van nieuwe goederen.

De overdracht van bestaande goederen wordt geregistreerd als een negatieve uitgave (aankoop) voor de verkoper en een positieve uitgave (aankoop) voor de koper.

3.182 Deze definitie van bestaande goederen heeft de volgende gevolgen:

a) wanneer de verkoop van bestaande vaste activa of kostbaarheden plaatsvindt tussen twee ingezeten producenten, compenseren de voor de bruto-investeringen in vaste activa geregistreerde positieve en negatieve waarden elkaar op het niveau van de gehele economie, met uitzondering evenwel van de kosten van de eigendomsoverdracht;

b) wanneer bestaande onroerende vaste activa (bv. een gebouw) aan een niet-ingezetene worden verkocht, wordt de niet-ingezetene behandeld als koper van financiële activa — namelijk de deelneming in een fictieve ingezeten eenheid. Deze fictieve ingezeten eenheid wordt dan geacht de vaste activa te kopen. De koop en verkoop van de vaste activa vindt tussen ingezeten eenheden plaats;

c) wanneer bestaande roerende vaste activa (bv. een schip of een vliegtuig) worden uitgevoerd, wordt in de economie geen positieve bruto-investering in vaste activa geregistreerd om de negatieve bruto-investering in vaste activa van de verkoper te compenseren;

d) duurzame goederen, zoals voertuigen, kunnen als vaste activa of als duurzame consumptiegoederen worden geclassificeerd naargelang van de eigenaar en het doel waarvoor ze worden gebruikt. Indien de eigendom van een dergelijk goed door een onderneming voor consumptie aan een huishouden wordt overgedragen, wordt voor de onderneming een negatieve bruto-investering in vaste activa geregistreerd en voor het huishouden een positieve consumptieve besteding. Wanneer de eigendom van een dergelijk goed door een huishouden wordt overgedragen aan een onderneming, wordt voor het huishouden een negatieve consumptieve besteding geregistreerd en voor de onderneming een positieve bruto-investering in vaste activa;

e) transacties in bestaande kostbaarheden moeten worden geregistreerd als de aankoop van een kostbaarheid (positieve bruto-investeringen) door de koper en de verkoop van een kostbaarheid (negatieve bruto-investeringen) door de verkoper. Bij een transactie met het buitenland moet de invoer of uitvoer van een goed worden geregistreerd. De verkoop van een kostbaarheid door een huishouden moet niet als negatieve consumptieve besteding worden geregistreerd;

f) wanneer gebruikte duurzame militaire goederen door de overheid aan het buitenland worden verkocht, wordt deze verkoop geregistreerd als een uitvoer van goederen en als negatieve investering in vaste activa door de overheid.

3.183 Transacties in gebruikte goederen worden geregistreerd op het moment van de eigendomsoverdracht. De waarderingsregels voor het soort transacties in de betrokken producten worden toegepast.

SALDO AAN- EN VERKOPEN VAN NIET-GEPRODUCEERDE ACTIVA (NP)

3.184  Definitie: niet-geproduceerde activa bestaan uit activa die niet die binnen de productiegrens zijn geproduceerd en die bij de productie van goederen en diensten kunnen worden gebruikt.

3.185 Er worden binnen het saldo aan- en verkopen van niet-geproduceerde activa drie categorieën onderscheiden:

a) saldo aan- en verkopen van natuurlijke hulpbronnen (NP.1);

b) saldo aan- en verkopen van contracten, leases en vergunningen (NP.2);

c) saldo aan- en verkopen van goodwill en marketingactiva (NP.3).

3.186 Natuurlijke hulpbronnen omvatten de volgende categorieën:

a) grond;

b) minerale en energiereserves;

c) niet in cultuur gebrachte biologische hulpbronnen;

d) waterreserves;

e) radiospectra;

f) overige natuurlijke hulpbronnen.

Natuurlijke hulpbronnen omvatten niet het geproduceerde actief „in cultuur gebrachte biologische hulpbronnen”. De aan- of verkoop van in cultuur gebrachte biologische hulpbronnen wordt niet als saldo aan- en verkopen van natuurlijke hulpbronnen geregistreerd, maar als investeringen in vaste activa. Ook betalingen voor het tijdelijke gebruik van natuurlijke hulpbronnen worden niet als aankoop van natuurlijke hulpbronnen geregistreerd, maar als inkomen uit grond en minerale reserves, d.w.z. als inkomen uit vermogen (zie hoofdstuk 15: Contracten, leases en vergunningen).

3.187 Grond wordt gedefinieerd als de bodem zelf, met inbegrip van bodembedekking en bijbehorend oppervlaktewater. Het oppervlaktewater omvat alle binnenwateren — reservoirs, meren, rivieren enz. — waarover eigendomsrechten kunnen worden uitgeoefend.

3.188 Grond omvat niet:

a) bouwwerken die zich op of in de grond bevinden (bv. wegen en tunnels);

b) wijngaarden, boomgaarden of andere aanplant van bomen of gewassen enz.;

c) minerale reserves;

d) niet in cultuur gebrachte biologische hulpbronnen;

e) grondwater.

De posten a) en b) zijn geproduceerde vaste activa en de posten c), d) en e) behoren tot de niet-geproduceerde activa.

3.189 Aan- en verkopen van grond en andere natuurlijke hulpbronnen worden gewaardeerd tegen de geldende marktprijzen op het moment dat de aan-/verkopen plaatsvinden. Transacties in natuurlijke hulpbronnen worden in de rekeningen van koper en verkoper tegen dezelfde waarde geregistreerd. Deze waarde is exclusief de kosten van de overdracht van de eigendom van de natuurlijke hulpbron. Deze kosten worden als bruto-investeringen in vaste activa behandeld.

3.190 Als niet-geproduceerde activa bevatten contracten, leases en vergunningen de volgende klassen:

a) verhandelbare operationele leases;

b) vergunningen om natuurlijke hulpbronnen te gebruiken, bijvoorbeeld vangstquota;

c) vergunningen om specifieke activiteiten te ondernemen, bijvoorbeeld emissierechten en vergunningen om in een bepaald gebied een beperkt aantal casino's of taxi's te exploiteren;

d) exclusieve rechten op toekomstige goederen en diensten, bijvoorbeeld contracten van voetballers of het exclusieve recht van een uitgever om nieuwe werken van een bepaalde schrijver uit te geven.

3.191 Als categorie niet-geproduceerde activa omvatten contracten, leases en vergunningen niet de operationele lease van dergelijke activa; betalingen voor de operationele lease worden als intermediair verbruik geregistreerd.

Tot de waarde van de aangekochte of verkochte contracten, leases en vergunningen behoren niet de kosten van de eigendomsoverdracht. Deze maken deel uit van de bruto-investeringen in vaste activa.

3.192  Definitie: de waarde van goodwill en marketingactiva is het verschil tussen de prijs die is betaald voor een gevestigde onderneming en het saldo van haar activa en passiva. Om de totale waarde van het saldo van activa en passiva te berekenen, wordt elk actief en passief afzonderlijk vastgesteld en gewaardeerd.

3.193 Goodwill wordt alleen geregistreerd wanneer de waarde uit een markttransactie blijkt, bijvoorbeeld door de verkoop van de hele vennootschap. Wanneer vastgestelde marketingactiva afzonderlijk worden verkocht en niet samen met de hele vennootschap, wordt een dergelijke verkoop onder deze post geregistreerd.

3.194 Het saldo van aan- en verkopen van niet-geproduceerde activa wordt geregistreerd in de kapitaalrekening van elke sector, van de totale economie en van het buitenland.




HOOFDSTUK 4

VERDELINGSTRANSACTIES

4.01  Definitie: verdelingstransacties zijn transacties waarbij de door het productieproces gegenereerde toegevoegde waarde wordt verdeeld over arbeid, kapitaal en overheid, en transacties waarbij herverdeling van inkomen en vermogen plaatsvindt.

Er wordt onderscheid gemaakt tussen inkomens- en kapitaaloverdrachten; bij laatstgenoemde overdrachten worden de besparingen of het vermogen herverdeeld en niet het inkomen.

BELONING VAN WERKNEMERS (D.1)

4.02  Definitie: de beloning van werknemers (D.1) omvat de totale vergoeding, in geld of in natura, die door een werkgever aan een werknemer verschuldigd is voor de arbeid die deze tijdens een verslagperiode heeft verricht.

De beloning van werknemers bestaat uit de volgende componenten:

a) lonen (D.11):

 lonen in geld;

 lonen in natura.

b) sociale premies t.l.v. werkgevers (D.12):

 werkelijke sociale premies t.l.v. werkgevers (D.121)

 

 werkelijke pensioenpremies t.l.v. werkgevers (D.1211);

 werkelijke niet-pensioenpremies t.l.v. werkgevers (D.1212);

 toegerekende sociale premies t.l.v. werkgevers (D.122):

 

 toegerekende pensioenpremies t.l.v. werkgevers (D.1221);

 toegerekende niet-pensioenpremies t.l.v. werkgevers (D.1222).

Lonen (D.11)

Lonen in geld

4.03 De lonen in geld omvatten de ten laste van de werknemer komende sociale premies, belastingen op inkomen en overige betalingen, ook indien deze door de werkgever worden ingehouden en ten behoeve van de werknemer rechtstreeks aan socialeverzekeringsregelingen, de belastingdienst enz. worden betaald.

De lonen in geld bestaan uit:

a) periodiek verschuldigde basislonen;

b) toeslagen, bijvoorbeeld voor overwerk, nachtdienst, werk in het weekend, werk onder onaangename of gevaarlijke omstandigheden;

c) toeslagen voor kosten van levensonderhoud en ontheemdingstoeslagen;

d) premies of andere uitzonderlijke uitkeringen die samenhangen met het algemene resultaat van de onderneming in het kader van stimuleringsprogramma's; productiviteitspremies, winstuitkeringen, kerst- en nieuwjaarsgratificaties met uitzondering van sociale uitkeringen aan werknemers (zie punt 4.07, onder c)); „dertiende en veertiende maand” (ook „jaarlijkse extra uitkering” genoemd);

e) vergoedingen voor het woon-werkverkeer, met uitzondering van toeslagen voor of vergoedingen van reis-, verblijf-, verhuis- en representatiekosten die werknemers in het kader van de uitoefening van hun werkzaamheden maken (zie punt 4.07, onder a));

f) beloning voor niet-gewerkte officiële feestdagen en betaalde vakantie;

g) aan werknemers betaalde commissies, fooien, presentiegelden en tantièmes;

h) uitkeringen van werkgevers aan hun werknemers in het kader van spaarregelingen;

i) bijzondere uitkeringen aan werknemers die de onderneming verlaten, die niet zijn vastgelegd in een collectieve arbeidsovereenkomst;

j) huisvestingstoelagen die door werkgevers aan hun werknemers worden uitbetaald.

Lonen in natura

4.04  Definitie: de lonen in natura omvatten goederen en diensten of andere voordelen in natura die gratis of tegen gereduceerde prijzen door werkgevers worden verstrekt en waarvan de werknemers in hun eigen tijd en naar eigen goeddunken gebruik kunnen maken ter bevrediging van hun behoeften of die van de andere leden van hun huishouden.

4.05 Voorbeelden van lonen in natura:

a) maaltijden en dranken, inclusief die tijdens zakenreizen, met uitzondering van speciale maaltijden of dranken in verband met uitzonderlijke werkomstandigheden. Prijsreducties in gratis of gesubsidieerde kantines worden opgenomen bij lonen in natura;

b) woon- of accommodatiediensten, in eigen beheer verzorgd of van derden gekocht, ten behoeve van alle leden van het huishouden waartoe de werknemer behoort;

c) uniformen of andere speciale kleding die werknemers niet alleen op het werk, maar ook regelmatig buiten de werkplek dragen;

d) diensten met betrekking tot vervoermiddelen of andere duurzame consumptiegoederen die voor privégebruik beschikbaar worden gesteld aan de werknemers;

e) goederen en diensten die in het eigen productieproces van de werkgever worden geproduceerd, zoals vrij reizen voor werknemers bij spoorweg- of luchtvaartmaatschappijen, gratis steenkool voor mijnwerkers of gratis voedsel voor werknemers in de landbouw;

f) sport-, vrijetijds- of vakantiefaciliteiten voor werknemers en hun gezinnen;

g) vervoer naar en van het werk, behalve wanneer dit tijdens werktijd plaatsvindt; het ter beschikking stellen van parkeerplaatsen terwijl hiervoor anders zou moeten worden betaald;

h) kinderopvang voor de kinderen van werknemers;

i) betalingen ten behoeve van werknemers, door werkgevers aan ondernemingsraden of soortgelijke organen;

j) gratis aan werknemers verstrekte aandelen;

k) leningen aan werknemers tegen een gereduceerd rentetarief. De waarde van dit voordeel wordt geraamd op het bedrag dat de werknemer zou moeten betalen indien een rente tegen marktvoorwaarden in rekening was gebracht, verminderd met het bedrag van de werkelijk betaalde rente. Het voordeel wordt in de inkomensvormingsrekening geregistreerd onder lonen; de dienovereenkomstige toegerekende rentebetaling door de werknemer aan de werkgever wordt in de primaire inkomensverdelingsrekening geregistreerd;

l) aandelenopties, waarbij een werkgever een werknemer de optie biedt om op een latere datum aandelen tegen een bepaalde prijs te kopen (zie punten 4.168 tot en met 4.178);

m) inkomsten uit niet-waargenomen economische activiteiten in het bedrijfsleven die worden doorgegeven aan de werknemers die aan dergelijke activiteiten deelnemen voor privégebruik.

4.06 Goederen en diensten die aan werknemers als loon in natura worden verstrekt, worden gewaardeerd tegen de basisprijs indien zij worden geproduceerd door de werkgever, en tegen de aankoopprijs indien de werkgever ze heeft aangeschaft. Bij gratis verstrekking wordt de totale waarde van de lonen in natura berekend aan de hand van de basisprijzen (of aankoopprijzen indien de werkgever ze heeft aangeschaft) van de desbetreffende goederen en diensten. Op deze waarde wordt, wanneer de goederen en diensten niet gratis maar tegen lagere prijzen zijn verstrekt, het door de werknemer betaalde bedrag in mindering gebracht.

4.07 De lonen omvatten niet:

a) uitgaven van werkgevers die noodzakelijk zijn voor hun productieproces. Het betreft bijvoorbeeld:

1. toelagen voor of vergoeding van reis-, verblijf-, verhuis- en representatiekosten die werknemers in het kader van de uitoefening van hun werkzaamheden maken;

2. uitgaven ter veraangenaming van de werkomgeving, voor medisch onderzoek dat nodig is wegens de aard van het werk en voor verstrekking van werkkleding die in verband met het werk wordt gedragen;

3. uitgaven voor accommodatie op de werkplek die niet kan worden benut door de huishoudens waartoe de werknemers behoren, bijvoorbeeld barakken, slaapzalen, arbeiderspensions en kleine provisorische woningen;

4. speciale maaltijden of dranken die wegens uitzonderlijke werkomstandigheden nodig zijn;

5. toelagen aan werknemers voor de aankoop van gereedschap, materialen of speciale kleding die noodzakelijk zijn voor het werk, of het gedeelte van hun loon dat werknemers krachtens hun arbeidsovereenkomst verplicht zijn aan dergelijke aankopen te besteden. Voor zover werknemers die krachtens hun arbeidsovereenkomst verplicht zijn tot de aankoop van gereedschap, materialen of speciale kleding enz., de desbetreffende kosten niet volledig vergoed krijgen, worden de door hen gedragen kosten afgetrokken van het bedrag dat zij als loon ontvangen en wordt het intermediair verbruik van de werkgever dienovereenkomstig verhoogd.

Uitgaven voor goederen en diensten, die werkgevers aan hun werknemers moeten verstrekken om hen in staat te stellen hun werk uit te voeren, worden beschouwd als intermediair verbruik van de werkgever;

b) lonen die werkgevers tijdelijk aan hun werknemers betalen bij ziekte, zwangerschap, arbeidsongeval, invaliditeit enz. Dergelijke betalingen worden behandeld als niet-pensioenuitkeringen overige sociale verzekering (D.6222), terwijl hetzelfde bedrag ook wordt geregistreerd onder de toegerekende niet-pensioenpremies t.l.v. werkgevers (D.1222);

c) overige werkgerelateerde uitkeringen sociale verzekering, in de vorm van kinder-, partner- en gezinstoelagen, vergoedingen voor onderwijs of andere vergoedingen met betrekking tot van de werknemer afhankelijke personen en in de vorm van gratis medische diensten (met uitzondering van medisch onderzoek dat nodig is wegens de aard van het werk) aan werknemers en hun gezinnen;

d) belastingen ten laste van de werkgever over de salarissen, bijvoorbeeld een belasting over de loonsom. Dergelijke belastingen worden geheven in de vorm van hetzij een deel van het betaalde loon hetzij een vast bedrag per werknemer. Zij worden beschouwd als niet-productgebonden belastingen op productie;

e) stukloon betaald aan thuiswerkers. Wanneer het door de thuiswerker ontvangen inkomen ongeacht de hoeveelheid verricht werk afhankelijk is van de waarde van de output van enig productieproces waarvoor hij verantwoordelijk is, impliceert een dergelijke beloning dat de werker zelfstandige is.

Sociale premies t.l.v. werkgevers (D.12)

4.08  Definitie: sociale premies t.l.v. werkgevers zijn sociale premies die werkgevers aan socialezekerheidsregelingen of andere werkgerelateerde socialeverzekeringsregelingen moeten betalen om sociale uitkeringen ten behoeve van hun werknemers te waarborgen.

Een bedrag gelijk aan de waarde van de sociale premies die ten laste van de werkgevers komen om het recht van hun werknemers op sociale uitkeringen te waarborgen, wordt geregistreerd als beloning van werknemers. Bij de sociale premies t.l.v. werkgevers kan het om werkelijke of toegerekende premies gaan.

Werkelijke sociale premies t.l.v. werkgevers (D.121)

4.09  Definitie: de werkelijke sociale premies t.l.v. werkgevers (D.121) bestaan uit de bedragen die werkgevers ten behoeve van hun werknemers betalen aan de verzekeraars (socialezekerheidsregelingen, alsmede andere werkgerelateerde socialeverzekeringsregelingen). Dergelijke betalingen betreffen de wettelijke, de op collectieve arbeidsovereenkomsten berustende, de contractuele en de vrijwillige premies voor verzekering tegen sociale risico's en behoeften.

Hoewel dergelijke werkgeverspremies rechtstreeks door de werkgevers aan de verzekeraars worden betaald, worden zij beschouwd als bestanddeel van de beloning van de werknemers. Vervolgens worden de premies geregistreerd als zijnde door de werknemers aan de verzekeraars betaald.

Er zijn twee categorieën van werkelijke sociale premies t.l.v. werkgevers: de pensioenpremies en de premies voor andere uitkeringen, die afzonderlijk worden geregistreerd in de volgende rubrieken:

a) werkelijke pensioenpremies t.l.v. werkgevers (D.1211);

b) werkelijke niet-pensioenpremies t.l.v. werkgevers (D.1212).

De werkelijke niet-pensioenpremies ten laste van werkgevers komen overeen met premies in verband met andere sociale risico's en behoeften dan pensioenen, zoals ziekte, zwangerschap, arbeidsongeval, invaliditeit, ontslag enz. van hun werknemers.

Toegerekende sociale premies t.l.v. werkgevers (D.122)

4.10  Definitie: de toegerekende sociale premies t.l.v. werkgevers (D.622) staan voor de tegenwaarde van de uitkeringen overige sociale verzekering (minus eventuele sociale premies t.l.v. werknemers) die rechtstreeks door werkgevers aan hun werknemers of voormalige werknemers en andere rechthebbenden worden verstrekt, zonder tussenkomst van enige verzekeringsmaatschappij of zelfstandig pensioenfonds, en zonder de oprichting van een speciaal fonds of een afzonderlijke voorziening voor dit doel.

De toegerekende sociale premies t.l.v. werkgevers zijn onderverdeeld in twee categorieën:

a) toegerekende pensioenpremies t.l.v. werkgevers (D.1221)

Socialeverzekeringsregelingen op het gebied van pensioenen worden ingedeeld als toegezegdepremieregelingen of als toegezegde-uitkeringsregelingen.

Bij een toegezegdepremieregeling wordt de hoogte van de uitkeringen bepaald door de premiebetalingen aan de regeling en het rendement van de belegging van de fondsen. Op het moment van pensionering gaat het risico voor de te betalen uitkeringen op de werknemer over. Dergelijke regelingen kennen geen toegerekende premies, tenzij de werkgever de regeling zelf uitvoert. In dat geval worden de kosten voor het uitvoeren van de regeling beschouwd als toegerekende premie die aan de werknemer als deel van diens beloning moet worden betaald. Dit bedrag wordt tevens geregistreerd als consumptieve besteding van huishoudens voor financiële diensten.

Bij een toegezegde-uitkeringsregeling wordt de hoogte van de aan de deelnemers te betalen uitkeringen bepaald door de voorschriften van de regeling zelf, d.w.z. door het gebruik van een formule om vast te stellen welk bedrag of welk minimumbedrag moet worden betaald. Normaal gesproken betalen bij een dergelijke regeling zowel de werkgever als de werknemer premies, waarbij de werknemersbijdrage verplicht is en uitgedrukt is in een percentage van het huidige loon. De kosten om in de genoemde uitkeringen te voorzien, komen voor rekening van de werkgever. Deze draagt het risico voor het verstrekken van de uitkeringen.

Bij een toegezegde-uitkeringsregeling is er een toegerekende premie ten laste van de werkgever die als volgt wordt berekend:

de toegerekende premie t.l.v. de werkgever is gelijk aan:

de toename van de uitkering vanwege de lopende periode van dienstverband

minus

de som van de werkelijke premies t.l.v. de werkgever

minus

de som van premies t.l.v. de werknemer

plus

de kosten voor de uitvoering van de regeling.

Van sommige regelingen kan worden gezegd dat zij niet op premiebetaling berusten omdat noch de werkgever noch de werknemer een werkelijke premie betalen. Niettemin wordt er een toegerekende premie t.l.v. de werkgever berekend en toegerekend als zojuist omschreven.

Wanneer in regelingen voor werknemers van de overheid voorziene pensioenrechten niet in de standaardrekeningen worden geregistreerd, moeten de toegerekende pensioenpremies t.l.v. de overheid als werkgever worden geraamd op basis van actuariële berekeningen. Daar waar deze berekeningen geen voldoende betrouwbare resultaten opleveren, en enkel in dergelijke gevallen, kunnen de toegerekende pensioenpremies t.l.v. de overheid als werkgever worden geraamd aan de hand van een van de twee volgende benaderingen:

1. op basis van een aannemelijk percentage van de lonen van de werknemers in actieve dienst, of

2. als het verschil tussen de huidige betaalde uitkeringen en de werkelijk betaalde bijdragen (door zowel de werknemers als de overheid in haar hoedanigheid van werkgever);

b) toegerekende niet-pensioenpremies t.l.v. werkgevers (D.1222)

Hoewel sommige sociale uitkeringen rechtstreeks door de werkgevers worden verstrekt en niet via een socialezekerheidsfonds of een andere verzekeraar, worden zij toch als sociale uitkeringen geregistreerd. Omdat de kosten van dergelijke uitkeringen voor de werkgever een deel van de loonkosten vormen, worden zij bij de beloning van werknemers opgenomen. Voor de betrokken werknemers wordt er derhalve een toegerekende beloning berekend die overeenkomt met het bedrag aan sociale premies dat nodig is om de rechten op de sociale uitkeringen die zij opbouwen, veilig te stellen. Bij dergelijke bedragen wordt rekening gehouden met de werkelijke door de werkgever of werknemer betaalde premies, en de hoogte ervan is niet alleen afhankelijk van de omvang van de huidige betaalde uitkeringen, maar ook van de wijze waarop de verplichtingen van de werkgevers ingevolge dergelijke regelingen zich in de toekomst waarschijnlijk zullen ontwikkelen als gevolg van factoren als wijzigingen van het aantal werknemers en de leeftijdsopbouw en levensverwachting van de huidige en voormalige werknemers. De waarde van de toegerekende premies is gebaseerd op dezelfde soort actuariële berekeningen als die waardoor de hoogte van door verzekeringsmaatschappijen in rekening gebrachte premies wordt bepaald.

In de praktijk kan een precieze berekening van de hoogte van de toegerekende premies echter moeilijk zijn. Mocht de werkgever voor de berekening van zijn toekomstige betalingsverplichtingen zelf ramingen maken, eventueel aan de hand van de premies die voor soortgelijke regelingen met fondsvorming zijn betaald, dan mogen deze worden gebruikt. Een andere aanvaardbare methode is het gebruik van een aannemelijk percentage van de lonen van de werknemers in actieve dienst. Anders is het enige praktische alternatief dat de niet-pensioenuitkeringen zonder fondsvorming die de werkgever tijdens dezelfde verslagperiode betaalt, worden gebruikt als raming van de toegerekende beloning die voor de dekking van de toegerekende premies noodzakelijk is. De werkelijk betaalde uitkeringen in de lopende periode leveren een aanvaardbare raming van deze premies en de hiermee samenhangende toegerekende beloning op.

4.11 In de sectorrekeningen komen de uitgaven voor rechtstreekse sociale uitkeringen eerst voor onder de bestedingen in de inkomensvormingsrekening, namelijk als bestanddeel van de beloning van werknemers, en ten tweede als sociale uitkeringen onder de bestedingen in de secundaire inkomensverdelingsrekening. Om laatstgenoemde rekening in evenwicht te brengen, wordt aangenomen dat de huishoudens van de werknemers aan de sectoren waartoe hun werkgevers behoren, toegerekende sociale premies t.l.v. werkgevers betalen die (samen met de eventuele sociale premies t.l.v. werknemers) de financiering vormen van de rechtstreekse sociale uitkeringen die de werkgevers hun verstrekken. Deze fictieve kringloop is analoog aan die bij de werkelijke sociale premies t.l.v. werkgevers, die eveneens via de rekeningen van de huishoudens lopen en geacht worden door deze huishoudens aan de verzekeraars te worden betaald.

4.12 Moment van registratie van de beloning van werknemers:

a) de lonen (D.11) worden geregistreerd in het tijdvak waarin de arbeid is verricht. Incidentele premies of andere uitzonderlijke uitkeringen als „13e maand”-uitkeringen worden echter geregistreerd op het moment dat ze verschuldigd zijn. De registratie van aandelenopties wordt gespreid over de periode tussen de toekenningsdatum en de datum vanaf wanneer de opties kunnen worden uitgeoefend. Indien de gegevens ontoereikend zijn, wordt de waarde van de optie geregistreerd per laatstgenoemde datum;

b) de werkelijke sociale premies t.l.v. werkgevers (D.121) worden geregistreerd in het tijdvak waarin de arbeid is verricht;

c) de toegerekende sociale premies t.l.v. werkgevers (D.122) worden geregistreerd in de volgende categorieën:

1. de toegerekende sociale premies t.l.v. werkgevers die de tegenwaarde vormen van verplichte rechtstreekse sociale uitkeringen, worden geregistreerd in het tijdvak waarin de arbeid is verricht;

2. de toegerekende sociale premies t.l.v. werkgevers die de tegenwaarde vormen van vrijwillige rechtstreekse sociale uitkeringen, worden geregistreerd op het moment waarop deze uitkeringen worden verstrekt.

4.13 De beloning van werknemers omvat de volgende componenten:

a) de beloning van ingezeten werknemers door ingezeten werkgevers;

b) de beloning van ingezeten werknemers door niet-ingezeten werkgevers;

c) de beloning van niet-ingezeten werknemers door ingezeten werkgevers.

De onder a), b) en c) genoemde componenten worden als volgt geregistreerd:

1. de beloning van ingezeten en niet-ingezeten werknemers door ingezeten werkgevers omvat de onder a) en c) genoemde elementen en wordt geregistreerd onder de bestedingen in de inkomensvormingsrekening van de sectoren en bedrijfstakken waartoe de werkgevers behoren;

2. de beloning van ingezeten werknemers door ingezeten en niet-ingezeten werkgevers omvat de onder a) en b) genoemde elementen en wordt geregistreerd onder de middelen in de rekening voor bestemming van primaire inkomens van de huishoudens;

3. voor wat betreft het onder b) bedoelde element, de beloning van ingezeten werknemers door niet-ingezeten werkgevers, wordt geregistreerd onder de bestedingen in de rekening voor inkomenstransacties van het buitenland;

4. voor wat betreft het onder c) bedoelde element, de beloning van niet-ingezeten werknemers door ingezeten werkgevers, wordt geregistreerd onder de middelen in de rekening voor inkomenstransacties van het buitenland.

BELASTINGEN OP PRODUCTIE EN INVOER (D.2)

4.14  Definitie: belastingen op productie en invoer (D.2) omvatten verplichte betalingen om niet, in geld of in natura, die door de overheid of door de instellingen van de Europese Unie worden opgelegd in verband met de productie of de invoer van goederen en diensten, het in dienst hebben van arbeidskrachten en de eigendom of het gebruik van grond, gebouwen of andere activa die in het productieproces worden aangewend. Dergelijke belastingen zijn verschuldigd ongeacht gemaakte winst.

4.15 De belastingen op productie en invoer omvatten de volgende componenten:

a) productgebonden belastingen (D.21):

1. belasting over de toegevoegde waarde (btw) (D.211);

2. belastingen op invoer (exclusief btw) (D.212);