02008L0096 — NL — 16.12.2019 — 001.001


Onderstaande tekst dient louter ter informatie en is juridisch niet bindend. De EU-instellingen zijn niet aansprakelijk voor de inhoud. Alleen de besluiten die zijn gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie (te raadplegen in EUR-Lex) zijn authentiek. Deze officiële versies zijn rechtstreeks toegankelijk via de links in dit document

►B

RICHTLIJN 2008/96/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 19 november 2008

betreffende het beheer van de verkeersveiligheid van weginfrastructuur

(PB L 319 van 29.11.2008, blz. 59)

Gewijzigd bij:

 

 

Publicatieblad

  nr.

blz.

datum

►M1

RICHTLIJN (EU) 2019/1936 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 23 oktober 2019

  L 305

1

26.11.2019




▼B

RICHTLIJN 2008/96/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 19 november 2008

betreffende het beheer van de verkeersveiligheid van weginfrastructuur



▼M1

Artikel 1

Onderwerp en toepassingsgebied

1.  Krachtens deze richtlijn worden procedures vastgesteld en uitgevoerd met betrekking tot verkeersveiligheidseffectbeoordelingen, verkeersveiligheidsaudits, verkeersveiligheidsinspecties en veiligheidsbeoordelingen van het wegennet door de lidstaten.

2.  Deze richtlijn is van toepassing op wegen die deel uitmaken van het trans-Europese wegennet, op autosnelwegen en op andere hoofdwegen, en heeft betrekking op zowel wegen in de ontwerp- of aanlegfase als op wegen die reeds in gebruik zijn.

3.  Deze richtlijn is ook van toepassing op niet onder lid 2 vallende wegen en weginfrastructuurprojecten die zich buiten stedelijke gebieden bevinden, geen toegangen naar aanliggende percelen omvatten en met financiering van de Unie worden gerealiseerd, met uitzondering van wegen die niet toegankelijk zijn voor algemeen verkeer met motorvoertuigen, zoals fietspaden, of wegen die niet voor algemeen verkeer zijn ontworpen, zoals toegangswegen naar industriële, landbouw- of bosbouwlocaties.

4.  Op basis van naar behoren gemotiveerde redenen die verband houden met verkeersvolumes en ongevallenstatistieken kunnen de lidstaten hoofdwegen met een laag veiligheidsrisico uitsluiten van het toepassingsgebied van deze richtlijn.

De lidstaten kunnen in het toepassingsgebied van deze richtlijn ook wegen opnemen die niet in de leden 2 en 3 worden bedoeld.

Elke lidstaat geeft de Commissie uiterlijk op 17 december 2021 kennis van de lijst van autosnelwegen en hoofdwegen op zijn grondgebied en, nadien, van de eventuele latere wijzigingen daarvan. Elke lidstaat geeft de Commissie bovendien kennis van de lijst van wegen die overeenkomstig dit lid zijn uitgesloten van of zijn opgenomen in het toepassingsgebied van deze richtlijn en, nadien, van de eventuele latere wijzigingen daarvan.

De Commissie maakt de lijst van wegen bekend waarvan overeenkomstig dit artikel kennis is gegeven.

5.  Deze richtlijn is niet van toepassing op wegen in tunnels die onder Richtlijn 2004/54/EG vallen.

▼B

Artikel 2

Definities

In deze richtlijn wordt verstaan onder:

▼M1

1. „trans-Europees wegennet”: het wegennet dat wordt beschreven in Verordening (EU) nr. 1315/2013 van het Europees Parlement en de Raad ( 1 );

▼M1

1 bis. „autosnelweg”: een weg die speciaal is ontworpen en aangelegd voor verkeer met motorvoertuigen, zonder toegangen naar aanliggende percelen, en die:

a) behalve op bepaalde plaatsen of bepaalde tijden, voorzien is van gescheiden rijbanen voor beide verkeersrichtingen, die van elkaar gescheiden zijn hetzij door een strook die niet voor het verkeer bestemd is, hetzij, bij uitzondering, op andere wijze;

b) geen andere wegen, trein- of tramsporen, fietspaden of voetpaden gelijkvloers kruist, en

c) door specifieke verkeerstekens als autosnelweg is aangeduid;

1 ter. „hoofdweg”: een weg buiten stedelijke gebieden die grote steden of regio’s, of beide, verbindt en die in de op 26 november 2019 geldende nationale wegcategorisering behoort tot de hoogste wegcategorie onder de categorie „autosnelweg”;

▼B

2. „bevoegde instantie”: alle publieke of private organisaties op nationaal, regionaal of lokaal niveau die ingevolge hun bevoegdheden betrokken zijn bij de tenuitvoerlegging van deze richtlijn, met inbegrip van de als bevoegde instanties aangewezen instanties die reeds vóór de inwerkingtreding van deze richtlijn bestonden, mits zij voldoen aan de eisen van deze richtlijn;

3. „verkeersveiligheidseffectbeoordeling van een weg”: een strategische vergelijkende beoordeling van het effect dat een nieuwe weg of een grondige wijziging van het bestaande weggenet hebben op het verkeersveiligheidsniveau van het wegennet;

4. „verkeersveiligheidsaudit van een weg”: een onafhankelijke, gedetailleerde, systematische en technische verkeersveiligheidscontrole van de ontwerpkenmerken van een infrastructuurproject, in alle fasen van het project, van planning tot eerste gebruik;

▼M1 —————

▼M1

6. „veiligheidsclassificatie”: de indeling van delen van het bestaande wegennet in categorieën op basis van hun objectief gemeten ingebouwde veiligheid;

7. „gerichte verkeersveiligheidsinspectie”: een gericht onderzoek ter opsporing van gevaarlijke omstandigheden, gebreken en problemen die het risico op ongevallen en verwondingen verhogen, aan de hand van een bezoek ter plaatse aan een bestaande weg of een weggedeelte;

▼M1

7 bis. „periodieke verkeersveiligheidsinspectie”: een gewone periodieke beoordeling van de kenmerken en gebreken waarvoor onderhoudswerkzaamheden nodig zijn met het oog op de verkeersveiligheid;

▼B

8. „richtsnoeren”: door de lidstaten vastgestelde maatregelen waarin is bepaald welke stappen moeten worden genomen en welke elementen in overweging moeten worden genomen bij de toepassing van de in deze richtlijn uiteengezette verkeersveiligheidsprocedures;

9. „infrastructuurproject”: een project voor de bouw van nieuwe weginfrastructuur of voor de grondige wijziging van het bestaande wegennet met gevolgen voor de hoeveelheid verkeersstroom;

▼M1

10. „kwetsbare weggebruiker”: niet-gemotoriseerde weggebruikers, waaronder met name fietsers en voetgangers, alsook gebruikers van gemotoriseerde tweewielers.

▼B

Artikel 3

Verkeersveiligheidseffectbeoordeling van een weg voor infrastructuurprojecten

1.  De lidstaten zien erop toe dat voor alle infrastructuurprojecten een verkeersveiligheidseffectbeoordeling van een weg wordt uitgevoerd.

2.  Deze beoordeling wordt uitgevoerd in de planningsfase voordat het infrastructuurproject is goedgekeurd. Daarbij trachten de lidstaten aan de criteria in bijlage I te voldoen.

3.  In de beoordeling van een weg wordt een toelichting gegeven bij de verkeersveiligheidsoverwegingen die geleid hebben tot de keuze voor de voorgestelde oplossing. De beoordeling bevat voorts ook alle relevante informatie die nodig is voor een kosten-batenanalyse van de verschillende beoordeelde opties.

Artikel 4

Verkeersveiligheidsaudits van wegen voor infrastructuurprojecten

1.  De lidstaten zien er op toe dat een verkeersveiligheidsaudit van een weg wordt uitgevoerd voor alle infrastructuurprojecten.

2.  Bij het uitvoeren van verkeersveiligheidsaudits van een weg streven de lidstaten ernaar aan de criteria van bijlage II te voldoen.

De lidstaten zien erop toe dat een auditor wordt aangesteld om een audit van de ontwerpkenmerken van een infrastructuurproject uit te voeren.

De auditor wordt aangesteld overeenkomstig artikel 9, lid 4, en beschikt over de krachtens artikel 9 vereiste bekwaamheid en opleiding. Wanneer audits door teams worden uitgevoerd, bezit ten minste één lid van het team het in artikel 9, lid 3 bedoelde bekwaamheidscertificaat.

3.  Verkeersveiligheidsaudits van wegen zijn een integrerend onderdeel van het ontwerpproces van het infrastructuurproject in de fasen van het voorontwerp, het gedetailleerde ontwerp, voor de ingebruikneming en in het eerste gebruik.

4.  De lidstaten zien er op toe dat de auditor in zijn auditverslag voor elke fase van het infrastructuurproject de verkeersveiligheidskritieke ontwerpelementen vermeldt. Wanneer tijdens de uitvoering van de audit onveilige kenmerken worden vastgesteld maar het ontwerp niet wordt verbeterd vóór het einde van de geschikte fase, zoals vermeld in bijlage II, vermeldt de bevoegde instantie de redenen hiervoor in een bijlage bij het auditverslag.

5.  De lidstaten zien erop toe dat het in lid 4 bedoelde verslag uitmondt in toepasselijke aanbevelingen op het gebied van veiligheid.

▼M1

6.  De Commissie verstrekt richtsnoeren voor het ontwerp van „vergevingsgezinde wegkanten” en van „wegen die een duidelijk wegbeeld hebben en een aangepaste snelheid afdwingen” in het kader van de eerste audit van de ontwerpfase, alsmede richtsnoeren inzake de kwaliteitseisen voor kwetsbare weggebruikers. Dergelijke richtsnoeren worden in nauwe samenwerking met deskundigen van de lidstaten opgesteld.

▼M1

Artikel 5

Verkeersveiligheidsbeoordeling van het wegennet

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat een verkeersveiligheidsbeoordeling van het wegennet wordt uitgevoerd op het gehele in gebruik zijnde wegennet dat onder deze richtlijn valt.

2.  Aan de hand van verkeersveiligheidsbeoordelingen van het wegennet worden het ongevalsrisico en de ernst en gevolgen van ongevallen geëvalueerd op basis van:

a) in de eerste plaats een visueel onderzoek, hetzij ter plaatse hetzij op elektronische wijze, van de ontwerpkenmerken van de weg (ingebouwde veiligheid), en

b) een analyse van de gedeelten van het wegennet die meer dan drie jaar in gebruik zijn en waarop zich in verhouding tot de verkeersstroom een groot aantal zware ongevallen heeft voorgedaan.

3.  De lidstaten zien erop toe dat de eerste verkeersveiligheidsbeoordeling van het wegennet uiterlijk in 2024 wordt uitgevoerd. De volgende verkeersveiligheidsbeoordelingen van het wegennet vinden voldoende frequent plaats om toereikende verkeersveiligheidsniveaus te waarborgen, en hoe dan ook ten minste om de vijf jaar.

4.  Bij de uitvoering van de verkeersveiligheidsbeoordeling van het wegennet kunnen de lidstaten rekening houden met de in bijlage III vastgestelde indicatieve elementen.

5.  De Commissie verstrekt richtsnoeren inzake de methodologie voor systematische verkeersveiligheidsbeoordelingen van het wegennet en veiligheidsclassificaties.

6.  Op basis van de resultaten van de in lid 1 bedoelde beoordeling en met het oog op de prioritering van de behoeften aan verdere maatregelen delen de lidstaten alle gedeelten van het wegennet in naar veiligheidsniveau in minstens drie categorieën.

Artikel 6

Periodieke verkeersveiligheidsinspecties

1.  De lidstaten zien erop toe dat periodieke verkeersveiligheidsinspecties worden uitgevoerd, die voldoende frequent plaatsvinden om een toereikend veiligheidsniveau voor de betrokken weginfrastructuur te waarborgen.

▼M1 —————

▼M1

3.  De lidstaten zien toe op de veiligheid van gedeelten van het wegennet die grenzen aan onder Richtlijn 2004/54/EG vallende wegtunnels via gezamenlijke verkeersveiligheidsinspecties door de voor de tenuitvoerlegging van de onderhavige richtlijn en Richtlijn 2004/54/EG bevoegde instanties. De gezamenlijke verkeersveiligheidsinspecties vinden voldoende frequent plaats om een toereikend veiligheidsniveau te waarborgen, en hoe dan ook ten minste om de zes jaar.

▼B

4.  Onverminderd de overeenkomstig artikel 8 vastgestelde richtsnoeren stellen de lidstaten richtsnoeren vast voor tijdelijke verkeersveiligheidsmaatregelen die van toepassing zijn op wegwerkzaamheden. Ze voeren ook een passend inspectieschema uit om zeker te stellen dat die richtsnoeren worden nageleefd.

▼M1

Artikel 6 bis

Follow-up van procedures voor in gebruik zijnde wegen

1.  De lidstaten zien erop toe dat de bevindingen van op grond van artikel 5 uitgevoerde verkeersveiligheidsbeoordelingen van het wegennet worden gevolgd door gerichte verkeersveiligheidsinspecties of directe remediërende maatregelen.

2.  Bij de uitvoering van gerichte verkeersveiligheidsinspecties kunnen de lidstaten rekening houden met de in bijlage II bis vastgestelde indicatieve elementen.

3.  Gerichte verkeersveiligheidsinspecties worden uitgevoerd door deskundigenteams. Ten minste één lid van het deskundigenteam voldoet aan de in artikel 9, lid 4, onder a), vastgestelde eisen.

4.  De lidstaten zien erop toe dat de bevindingen van gerichte verkeersveiligheidsinspecties worden gevolgd door gemotiveerde besluiten waarin bepaald wordt of remediërende maatregelen nodig zijn. De lidstaten onderzoeken met name op welke weggedeelten het nodig is de veiligheid van de weginfrastructuur te verbeteren, en stellen maatregelen vast die bij voorrang moeten worden uitgevoerd om die weggedeelten veiliger te maken.

5.  De lidstaten zien erop toe dat de remediërende maatregelen in de eerste plaats worden gericht op weggedeelten met een laag veiligheidsniveau en weggedeelten waar maatregelen met een groot potentieel voor de ontwikkeling van de verkeersveiligheid kunnen worden uitgevoerd en veel kosten van ongevallen kunnen worden bespaard.

6.  De lidstaten zorgen voor de opstelling en regelmatige actualisering van een actieplan met op basis van risico’s bepaalde prioriteiten om de tenuitvoerlegging van de vastgestelde remediërende maatregelen te volgen.

Artikel 6 ter

Bescherming van kwetsbare weggebruikers

De lidstaten zien erop toe dat bij de toepassing van de procedures van de artikelen 3 tot en met 6 bis rekening wordt gehouden met de behoeften van kwetsbare weggebruikers.

Artikel 6 quater

Wegmarkeringen en verkeersborden

1.  De lidstaten besteden in hun bestaande en toekomstige procedures voor wegmarkeringen en verkeersborden bijzondere aandacht aan de leesbaarheid en detecteerbaarheid daarvan voor menselijke bestuurders en geautomatiseerde rijhulpsystemen. Wanneer gemeenschappelijke specificaties zijn vastgesteld overeenkomstig lid 3, wordt in dergelijke procedures rekening gehouden met gemeenschappelijke specificaties.

2.  Een door de Commissie opgerichte groep van deskundigen beoordeelt uiterlijk in juni 2021 of het mogelijk is gemeenschappelijke specificaties vast te stellen die verschillende elementen omvatten om het operationele gebruik van de wegmarkeringen en verkeersborden van de lidstaten te waarborgen ter bevordering van de effectieve leesbaarheid en detecteerbaarheid van wegmarkeringen en verkeersborden voor menselijke bestuurders en geautomatiseerde rijhulpsystemen. Die groep bestaat uit door de lidstaten aangewezen deskundigen. De beoordeling omvat een raadpleging van de Economische Commissie van de Verenigde Naties voor Europa.

Bij de beoordeling wordt met name rekening gehouden met de volgende elementen:

a) de wisselwerking tussen verschillende rijhulptechnologieën en infrastructuur;

b) het effect van het weer en gebeurtenissen in de atmosfeer en van het verkeer op wegmarkeringen en verkeersborden op het grondgebied van de Unie;

c) het soort en de frequentie van de onderhoudsinspanningen die de verschillende technologieën vergen, vergezeld van een kostenraming.

3.  Rekening houdend met de in lid 2 bedoelde beoordeling kan de Commissie uitvoeringshandelingen aannemen om gemeenschappelijke specificaties vast te stellen met betrekking tot de in lid 1 bedoelde procedures van de lidstaten die erop gericht zijn het operationele gebruik van hun wegmarkeringen en verkeersborden te waarborgen en met betrekking tot de effectieve leesbaarheid en detecteerbaarheid van wegmarkeringen en verkeersborden voor menselijke bestuurders en geautomatiseerde rijhulpsystemen. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 13, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

De in de eerste alinea bedoelde uitvoeringshandelingen laten de bevoegdheid inzake normen voor wegmarkeringen en verkeersborden van het Europees Comité voor Normalisatie onverlet.

Artikel 6 quinquies

Informatie en transparantie

De Commissie publiceert een Europese kaart van het wegennet dat valt onder het toepassingsgebied van deze richtlijn, die online toegankelijk is en de verschillende in artikel 5, lid 6, bedoelde categorieën zichtbaar maakt.

Artikel 6 sexies

Vrijwillige melding

De lidstaten streven naar de invoering van een nationaal systeem van vrijwillige melding dat voor alle weggebruikers online toegankelijk is, teneinde het gemakkelijker te maken om details te verzamelen van voorvallen die door weggebruikers en voertuigen worden doorgegeven, en van andere veiligheidsgerelateerde informatie die door de melder als een feitelijk of potentieel gevaar voor de veiligheid van de weginfrastructuur wordt beschouwd.

▼B

Artikel 7

Gegevensbeheer

1.  De lidstaten zien er op toe dat door de bevoegde instantie voor elk dodelijk ongeval op een in artikel 1, lid 2, vermelde weg een ongevalsverslag wordt opgesteld. De lidstaten streven er naar in dat verslag alle in bijlage IV vermelde elementen op te nemen.

▼M1

1 bis.  De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen om richtsnoeren te verstrekken aan de hand waarvan verslag moet worden uitgebracht over de ernst van het ongeval, met inbegrip van het aantal dodelijke slachtoffers en gewonden. Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 13, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

▼B

2.  De lidstaten berekenen de gemiddelde maatschappelijke kosten van een dodelijk en van een zwaar ongeval op hun grondgebied. De lidstaten mogen deze kosten verder opsplitsen. Deze ongevalskosten worden ten minste om de vijf jaar geactualiseerd.

Artikel 8

Vaststelling en kennisgeving van richtsnoeren

1.  Voor zover er nog geen richtsnoeren bestaan, zien de lidstaten er op toe dat deze uiterlijk 19 december 2011 worden vastgesteld, teneinde de bevoegde instantie bij te staan bij de uitvoering van deze richtlijn.

2.  De lidstaten stellen de Commissie binnen drie maanden na de vaststelling of wijziging van de richtsnoeren in kennis van deze richtsnoeren.

3.  De Commissie stelt de richtsnoeren ter beschikking op een openbare website.

Artikel 9

Aanstelling en opleiding van auditoren

1.  De lidstaten zien erop toe dat uiterlijk 19 december 2011 opleidingscurricula voor verkeersveiligheidsdeskundigen worden vastgesteld, voor zover zij nog niet bestaan.

▼M1

1 bis.  Voor verkeersveiligheidsauditoren die hun opleiding volgen met ingang van 17 december 2024 zorgen de lidstaten ervoor dat de opleidingscurricula voor verkeersveiligheidsauditoren aspecten omvatten die betrekking hebben op kwetsbare weggebruikers en de infrastructuur voor deze gebruikers.

▼B

2.  Wanneer verkeersveiligheidsauditoren taken uitvoeren die in deze richtlijn zijn vastgesteld, moeten zij een eerste opleiding volgen, waarna zij een bekwaamheidscertificaat ontvangen. Vervolgens moeten zij regelmatig verdere opleidingscursussen volgen.

3.  De lidstaten ziener op toe dat verkeersveiligheidsauditoren houder zijn van een bekwaamheidscertificaat. Certificaten die vóór de inwerkingtreding van deze richtlijn zijn afgegeven, worden erkend.

4.  De lidstaten zien erop toe dat de auditoren worden aangesteld overeenkomstig de volgende vereisten:

a) ze hebben relevante ervaring of opleiding op het gebied van wegenontwerp, wegenverkeersveiligheidstechnieken en ongevalsanalyse;

b) twee jaar nadat de lidstaten overeenkomstig artikel 8 richtsnoeren hebben vastgesteld, mogen verkeersveiligheidsaudits alleen nog worden uitgevoerd door auditoren, of teams waar auditoren deel van uitmaken, die aan de in de leden 2 en 3 bedoelde eisen voldoen;

c) de auditors mogen gedurende de audit niet betrokken zijn bij het ontwerp of de exploitatie van het infrastructuurproject waarop de door hen uitgevoerde audit betrekking heeft.

▼M1

Artikel 10

Uitwisseling van beste praktijken

Om de veiligheid van de wegen in de Unie te verbeteren, zet de Commissie een systeem op voor de uitwisseling van informatie en beste praktijken tussen de lidstaten, waarin onder andere de opleidingscurricula voor verkeersveiligheid en bestaande projecten op het gebied van de verkeersveiligheid van de weginfrastructuur worden opgenomen alsmede verkeersveiligheidstechnologie die haar nut heeft bewezen.

▼B

Artikel 11

Voortdurende verbetering van praktijken van het beheer van de verkeersveiligheid van weginfrastructuur

1.  De Commissie, gebruikmakend van de in de relevante internationale fora opgedane ervaring, faciliteert en structureert de uitwisseling van kennis en beste praktijken tussen de lidstaten, ten einde te komen tot een voortdurende verbetering van de praktijken van het beheer van de verkeersveiligheid van weginfrastructuur in de Europese Unie.

▼M1 —————

▼B

3.  Indien nodig kunnen relevante niet-gouvernementele organisaties die werkzaam zijn op het gebied van de veiligheid en het beheer van wegeninfrastructuur, worden geraadpleegd over zaken die verband houden met technische veiligheidsaspecten.

▼M1

Artikel 11 bis

Verslaglegging

1.  De lidstaten dienen uiterlijk op 31 oktober 2025 een verslag in bij de Commissie over de veiligheidsclassificatie van het volledige overeenkomstig artikel 5 beoordeelde wegennet. Indien mogelijk wordt het verslag gebaseerd op een gemeenschappelijke methodologie. Indien van toepassing, bevat het verslag ook de lijst van bepalingen van geactualiseerde nationale richtsnoeren, waaronder met name de verbeteringen inzake technologische vooruitgang en bescherming van kwetsbare weggebruikers. Met ingang van 31 oktober 2025 worden deze verslagen om de vijf jaar ingediend.

2.  Op basis van een analyse van de in lid 1 bedoelde nationale verslagen stelt de Commissie een eerste maal uiterlijk op 31 oktober 2027 en vervolgens om de vijf jaar een verslag op ten behoeve van het Europees Parlement en de Raad over de tenuitvoerlegging van deze richtlijn, met name wat betreft de in lid 1 bedoelde elementen, en over eventuele vervolgmaatregelen, waaronder een herziening van deze richtlijn en eventuele aanpassingen ervan aan de technische vooruitgang.

▼M1

Artikel 12

Wijziging van de bijlagen

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 12 bis gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van de bijlagen teneinde deze aan de technische vooruitgang aan te passen.

▼M1

Artikel 12 bis

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.  De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.  De in artikel 12 bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van vijf jaar met ingang van 16 december 2019. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.

3.  Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 12 bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.  Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven ( 2 ).

5.  Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

6.  Een overeenkomstig artikel 12 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

▼M1

Artikel 13

Comitéprocedure

1.  De Commissie wordt bijgestaan door een comité. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad ( 3 ).

2.  Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

▼B

Artikel 14

Omzetting

1.  De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk 19 december 2010 aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mee.

2.  De lidstaten delen de Commissie de tekst mee van de voornaamste bepalingen van intern recht die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 15

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 16

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.




▼M1

BIJLAGE I

INDICATIEVE ELEMENTEN VAN VERKEERSVEILIGHEIDSEFFECTBEOORDELINGEN

▼B

1. Onderdelen van een verkeersveiligheidseffectbeoordeling van een weg:

a) definitie van het probleem;

b) huidige situatie en „niets-doen”-scenario;

c) verkeersveiligheidsdoelstellingen;

d) beoordeling van de gevolgen voor de verkeersveiligheid van de voorgestelde alternatieven;

e) vergelijking van de alternatieven, inclusief kosten-batenanalyse;

f) presentatie van de reeks van mogelijke oplossingen.

2. Elementen waarmee rekening moet worden gehouden:

a) (dodelijke) ongevallen; verminderingsdoelstellingen tegenover „niets-doen”-scenario;

b) routekeuze en verkeerspatronen;

c) mogelijke gevolgen voor het bestaande wegennet (bv. afritten, kruispunten, overwegen);

d) weggebruikers, met inbegrip van kwetsbare weggebruikers (bv. voetgangers, fietsers, motorrijders);

▼M1

e) verkeer (bijv. verkeersvolume, onderverdeling per vervoerstype), met inbegrip van geraamde voetgangers- en fietsersstromen, op basis van het gebruik van aangrenzende terreinen;

▼B

f) seizoen- en weersomstandigheden;

g) aanwezigheid van een voldoend aantal veilige parkeerterreinen;

h) seismische activiteit.




▼M1

BIJLAGE II

INDICATIEVE ELEMENTEN VAN VERKEERSVEILIGHEIDSAUDITS

▼B

1. Criteria in de voorontwerpfase:

a) geografische ligging (bv. gevoeligheid voor landverschuivingen, overstromingen, lawines), seizoen- en weersomstandigheden en seismische activiteit;

b) typen van kruispunten en afstanden tussen kruispunten;

c) aantal en type rijstroken;

d) soorten verkeer die op de nieuwe weg toegelaten zullen worden;

e) functionaliteit van de weg binnen het wegennet;

f) meteorologische omstandigheden;

g) rijsnelheid;

h) doorsneden (bijv. breedte van de rijbanen, fietspaden, voetpaden);

i) horizontaal en verticaal tracé;

j) zichtbaarheid;

k) ontwerp van de kruispunten;

l) middelen van openbaar vervoer en infrastructuur;

m) spoorwegovergangen;

▼M1

n) voorzieningen voor kwetsbare weggebruikers:

i) voorzieningen voor voetgangers,

ii) voorzieningen voor fietsers, waaronder de aanwezigheid van alternatieve routes of afscheidingen van snel gemotoriseerd verkeer,

iii) voorzieningen voor gemotoriseerde tweewielers,

iv) dichtheid en locatie van oversteekplaatsen voor voetgangers en fietsers,

v) voorzieningen voor voetgangers en fietsers op de betrokken wegen in het gebied,

vi) afscheiding van voetgangers en fietsers van snel gemotoriseerd verkeer of de aanwezigheid van rechtstreekse alternatieve routes via onderliggend wegennet.

▼B

2. Criteria in de fase van het gedetailleerde ontwerp:

a) tracé;

b) samenhangende verkeerstekens en markeringen;

c) verlichting van verlichte wegen en kruispunten;

d) apparatuur langs de weg;

e) omgeving van de weg, met inbegrip van vegetatie;

f) vaste obstakels langs de weg;

g) aanleg van veilige parkeerterreinen;

▼M1

h) voorzieningen voor kwetsbare weggebruikers:

i) voorzieningen voor voetgangers,

ii) voorzieningen voor fietsers,

iii) voorzieningen voor gemotoriseerde tweewielers;

▼B

i) gebruikersvriendelijke aanpassing van de afschermende constructies langs de weg (middenbermen en vangrails om risico’s voor kwetsbare weggebruikers te vermijden).

3. Criteria in de fase voor de ingebruikneming:

a) veiligheid en zichtbaarheid van de weggebruiker in verschillende omstandigheden, zoals duisternis en onder normale weersomstandigheden;

b) leesbaarheid van verkeerstekens en markeringen;

c) toestand van het wegdek.

4. Criteria in de fase van eerste gebruik: beoordeling van de verkeersveiligheid in het licht van het daadwerkelijke gedrag van de gebruikers.

In elke fase kunnen de audits aanleiding geven tot een heroverweging van de criteria van de vorige fasen.

▼M1




BIJLAGE II bis

INDICATIEVE ELEMENTEN VAN GERICHTE VERKEERSVEILIGHEIDSINSPECTIES

1. Tracé en dwarsprofiel:

a) zichtbaarheid en zichtafstanden;

b) snelheidsbeperking en indeling in snelheidszones;

c) duidelijk wegbeeld (d.w.z. de „leesbaarheid” van het wegbeeld voor de weggebruikers);

d) toegang tot aangrenzende eigendommen en ontwikkelingsgebieden;

e) toegankelijkheid voor nood- en dienstvoertuigen;

f) passende veiligheidsvoorzieningen aan bruggen en duikers;

g) wegkantontwerp (bermen, lager gelegen stoepen, „cut and fill”-hellingen).

2. Kruispunten en knooppunten:

a) geschiktheid van het type kruispunt/knooppunt;

b) geometrisch ontwerp van het kruispunt/knooppunt;

c) zichtbaarheid en leesbaarheid (waarneming) van kruispunten;

d) zichtbaarheid op het kruispunt;

e) ontwerp van zijwegen aan kruispunten;

f) verkeerbeheer aan kruispunten (bv. stoptekens, verkeerslichten enz.);

g) aanwezigheid van oversteekplaatsen voor voetgangers en fietsers.

3. Voorzieningen voor kwetsbare weggebruikers:

a) voorzieningen voor voetgangers;

b) voorzieningen voor fietsers;

c) voorzieningen voor gemotoriseerde tweewielers;

d) openbaar vervoer, en infrastructuur;

e) spoorwegovergangen (met vermelding van het type overgang en of deze bemand of onbemand is, en manueel bediend wordt of geautomatiseerd is).

4. Verlichting, borden en markeringen:

a) coherente verkeersborden die het zicht niet belemmeren;

b) leesbaarheid van verkeersborden (plaats, grootte, kleur);

c) wegwijzers;

d) coherente wegmarkeringen en afbakening;

e) leesbaarheid van wegmarkeringen (plaats, grootte en retroreflectiviteit in droge en natte omstandigheden);

f) passend contrast van wegmarkeringen;

g) verlichting van wegen en kruispunten;

h) passende wegkantapparatuur.

5. Verkeerslichten:

a) werking;

b) zichtbaarheid.

6. Obstakels, obstakelvrije ruimten en afschermende constructies langs de weg:

a) omgeving van de wegkant, met inbegrip van vegetatie;

b) gevaren in de wegkant en afstand tot de rand van de rijweg of het fietspad;

c) gebruikersvriendelijke aanpassing van de afschermende constructies langs de weg (middenbermen en geleiderails om risico’s voor kwetsbare weggebruikers te voorkomen);

d) veiligheidsvoorzieningen aan de uiteinden van vangrails;

e) passende afschermende constructies aan bruggen en duikers;

f) omheiningen (aan wegen met toegangsbeperkingen).

7. Wegdek:

a) defecten aan het wegdek;

b) slipweerstand;

c) los materiaal/grind/stenen;

d) plasvorming, waterafvoer.

8. Bruggen en tunnels:

a) aanwezigheid van en aantal bruggen;

b) aanwezigheid van en aantal tunnels;

c) visuele elementen die risico’s voor de veiligheid van de infrastructuur vormen.

9. Andere aandachtspunten:

a) veilige parkeerterreinen en rustplaatsen;

b) voorzieningen voor zware voertuigen;

c) verblinding door koplampen;

d) wegenwerken;

e) onveilige activiteiten langs de kant van de weg;

f) passende informatie in ITS-apparatuur (bv. variabele informatieborden);

g) dieren;

h) waarschuwingen aan scholen (indien van toepassing).

▼M1




BIJLAGE III

INDICATIEVE ELEMENTEN VAN VEILIGHEIDSBEOORDELINGEN VAN HET WEGENNET

1. Algemeen:

a) wegtype in verhouding tot het type en de grootte van de regio’s/steden die de weg verbindt;

b) lengte van het weggedeelte;

c) gebiedstype (landelijk, stedelijk);

d) landgebruik (onderwijs, handel, industrie en productie, residentieel, veeteelt en landbouw, onontwikkelde gebieden);

e) dichtheid van toegangspunten tot eigendommen;

f) aanwezigheid van dienstwegen (bv. voor winkels);

g) aanwezigheid van wegwerkzaamheden;

h) aanwezigheid van parkeervoorzieningen.

2. Verkeersvolumes:

a) verkeersintensiteit;

b) waargenomen intensiteit motorfietsen;

c) waargenomen intensiteit voetgangers aan beide zijden, met vermelding van „in de verkeersrichting” of „kruisend”;

d) waargenomen intensiteit fietsen aan beide zijden, met vermelding van „in de verkeersrichting” of „kruisend”;

e) waargenomen intensiteit zware voertuigen;

f) geraamde voetgangersstromen, op basis van het gebruik van aangrenzende terreinen;

g) geraamde fietsersstromen, op basis van het gebruik van aangrenzende terreinen.

3. Gegevens over ongevallen:

a) aantal, plaats en oorzaak van dodelijke verkeersongevallen per groep van weggebruikers;

b) aantal en plaats van verkeersongevallen met zwaargewonden per groep van weggebruikers.

4. Gebruikskenmerken:

a) snelheidslimiet (algemeen, voor motorfietsen; voor vrachtwagens);

b) reële snelheid (85 procent);

c) snelheidsbeheer en/of verkeersremming;

d) aanwezigheid van ITS-voorzieningen: filewaarschuwingen, variabele informatieborden;

e) waarschuwingen in de omgevingen van scholen;

f) aanwezigheid toezichthouder bij oversteekplaatsen bij scholen op vooraf bepaalde tijdstippen.

5. Geometrische kenmerken:

a) kenmerken van de dwarsprofielen (aantal, type en breedte van rijstroken, ontwerp en materiaal van de middenberm, fietspaden, voetpaden enz.), met inbegrip van de aanpasbaarheid daarvan;

b) horizontale bogen;

c) hellingshoek en verticaal alignement;

d) zichtbaarheid en zichtafstanden.

6. Obstakels, obstakelvrije zones en afschermende constructies langs de weg:

a) omgeving van de wegkant en obstakelvrije zones;

b) vaste obstakels langs de weg (bv. lichtmasten, bomen enz.);

c) afstand tussen obstakels en de kant van de weg;

d) dichtheid van obstakels;

e) ribbelstroken;

f) afschermende constructies langs de weg.

7. Bruggen en tunnels:

a) aanwezigheid van en aantal bruggen, alsmede relevante informatie die daarop betrekking heeft;

b) aanwezigheid van en aantal tunnels, alsmede relevante informatie die daarop betrekking heeft;

c) visuele elementen die risico’s voor de veiligheid van de infrastructuur vormen.

8. Kruispunten:

a) type kruispunt en aantal takken (met vermelding van met name het type verkeerssturing en de aanwezigheid van afslagpijlen);

b) aanwezigheid van verkeersgeleiders;

c) kwaliteit van het kruispunt;

d) verkeersintensiteiten op het kruispunt;

e) aanwezigheid van spoorwegovergangen (met vermelding van met name het type overgang en of deze bemand of onbemand is, en manueel bediend wordt of geautomatiseerd is).

9. Onderhoud:

a) defecten aan het wegdek;

b) slipweerstand van het wegdek;

c) conditie van de berm (met inbegrip van vegetatie);

d) conditie van de verkeersborden, markeringen en afbakening;

e) conditie van de afschermende constructies langs de weg.

10. Voorzieningen voor kwetsbare weggebruikers:

a) oversteekplaatsen voor voetgangers en fietsers (gelijkvloerse en ongelijkvloerse kruisingen);

b) oversteekplaatsen voor fietsers (gelijkvloerse en ongelijkvloerse kruisingen);

c) afscherming voor voetgangers;

d) aanwezigheid van stoepen of gescheiden voorzieningen;

e) voorzieningen voor fietsers en de soort voorzieningen (fietspaden, fietsstroken of andere);

f) kwaliteit van de oversteekplaatsen voor voetgangers, wat de zichtbaarheid en signalering van elke voorziening betreft;

g) oversteekplaatsen voor voetgangers en fietsers op toegangswegen van aansluitende ondergeschikte wegen;

h) aanwezigheid van alternatieve routes voor voetgangers en fietsers indien er geen gescheiden voorzieningen zijn.

11. „Pre-crash”- en „post-crash”-systemen ter vermindering van verkeersletsels en elementen ter beperking van de ernst van ongevallen:

a) operationele netwerkcentra en andere surveillancevoorzieningen;

b) mechanismen om weggebruikers in te lichten over rijomstandigheden ter voorkoming van ongevallen of incidenten;

c) automatische systemen voor incidentdetectie: sensoren en camera’s;

d) systemen voor incidentbeheer;

e) systemen voor communicatie met hulpdiensten.

▼B




BIJLAGE IV

ONGEVALSINFORMATIE IN ONGEVALSVERSLAGEN

De volgende elementen moeten worden opgenomen in ongevalsverslagen:

▼M1

1. plaats van het ongeval (zo nauwkeurig mogelijk), met inbegrip van GNSS-coördinaten;

▼B

2. foto’s en/of schema’s van de plaats van het ongeval;

3. datum en tijdstip van het ongeval;

4. informatie over de weg, zoals het type gebied, type weg, type kruispunt, inclusief signalering, aantal baanvakken, markeringen, wegdek, licht- en weersomstandigheden, snelheidsbeperkingen, obstakels langs de weg;

▼M1

5. ernst van het ongeval;

▼B

6. gegevens over de betrokken personen, zoals leeftijd, geslacht, nationaliteit, alcoholpercentage, al dan niet gebruik van veiligheidsuitrusting;

7. gegevens over de betrokken voertuigen (type, ouderdom, land, eventuele veiligheidsvoorzieningen, datum van de laatste periodieke technische controle overeenkomstig de toepasselijke wetgeving);

8. gegevens over het ongeval zoals type ongeval, type aanrijding, voertuigbeweging en manoeuvre van de bestuurder;

9. indien mogelijk, gegevens over de tijd die is verstreken tussen het tijdstip van het ongeval en de registratie van het ongeval of de aankomst van de hulpdiensten.



( 1 ) Verordening (EU) nr. 1315/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 betreffende richtsnoeren van de Unie voor de ontwikkeling van het trans-Europees vervoersnetwerk en tot intrekking van Besluit nr. 661/2010/EU (PB L 348 van 20.12.2013, blz. 1).

( 2 ) PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.

( 3 ) Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).