2004R0850 — NL — 30.09.2016 — 009.001


Onderstaande tekst dient louter ter informatie en is juridisch niet bindend. De EU-instellingen zijn niet aansprakelijk voor de inhoud. Alleen de besluiten die zijn gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie (te raadplegen in EUR-Lex) zijn authentiek. Deze officiële versies zijn rechtstreeks toegankelijk via de links in dit document

►B

▼C1

VERORDENING (EG) Nr. 850/2004 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 29 april 2004

betreffende persistente organische verontreinigende stoffen en tot wijziging van Richtlijn 79/117/EEG

▼B

(PB L 158 van 30.4.2004, blz. 7)

Gewijzigd bij:

 

 

Publicatieblad

  nr.

blz.

datum

 M1

VERORDENING (EG) Nr. 1195/2006 VAN DE RAAD van 18 juli 2006

  L 217

1

8.8.2006

►M2

VERORDENING (EG) Nr. 172/2007 VAN DE RAAD van 16 februari 2007

  L 55

1

23.2.2007

►M3

VERORDENING (EG) Nr. 323/2007 VAN DE COMMISSIE van 26 maart 2007

  L 85

3

27.3.2007

►M4

VERORDENING (EG) Nr. 219/2009 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 11 maart 2009

  L 87

109

31.3.2009

►M5

VERORDENING (EG) Nr. 304/2009 VAN DE COMMISSIE van 14 april 2009

  L 96

33

15.4.2009

 M6

VERORDENING (EU) Nr. 756/2010 VAN DE COMMISSIE van 24 augustus 2010

  L 223

20

25.8.2010

►M7

VERORDENING (EU) Nr. 757/2010 VAN DE COMMISSIE van 24 augustus 2010

  L 223

29

25.8.2010

►M8

VERORDENING (EU) Nr. 519/2012 VAN DE COMMISSIE van 19 juni 2012

  L 159

1

20.6.2012

►M9

VERORDENING (EU) Nr. 1342/2014 VAN DE COMMISSIE van 17 december 2014

  L 363

67

18.12.2014

►M10

VERORDENING (EU) 2015/2030 VAN DE COMMISSIE van 13 november 2015

  L 298

1

14.11.2015

►M11

VERORDENING (EU) 2016/293 VAN DE COMMISSIE van 1 maart 2016

  L 55

4

2.3.2016

►M12

VERORDENING (EU) 2016/460 VAN DE COMMISSIE van 30 maart 2016

  L 80

17

31.3.2016


Gerectificeerd bij:

►C1

Rectificatie, PB L 229, 29.6.2004, blz.  5 (850/2004)




▼B

▼C1

VERORDENING (EG) Nr. 850/2004 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 29 april 2004

betreffende persistente organische verontreinigende stoffen en tot wijziging van Richtlijn 79/117/EEG



Artikel 1

Doel en werkingssfeer

1.  In het bijzonder rekening houdend met het voorzorgbeginsel heeft deze verordening tot doel de gezondheid van de mens en het milieu te beschermen tegen persistente organische verontreinigende stoffen door middel van het verbieden, zo spoedig mogelijk geleidelijk afschaffen of beperken van de productie, het op de markt brengen en het gebruik van stoffen die vallen onder het Verdrag van Stockholm inzake persistente organische verontreinigende stoffen, hierna „het verdrag” genoemd, of het Protocol van 1998 inzake persistente organische verontreinigende stoffen bij het Verdrag van 1979 betreffende grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand, hierna „het protocol” genoemd, en door middel van het reduceren met het oog op het waar mogelijk zo spoedig mogelijk beëindigen van vrijkomingen van dergelijke stoffen, en door middel van het vaststellen van bepalingen betreffende afval dat geheel of gedeeltelijk uit deze stoffen bestaat of daarmee verontreinigd is.

2.  De artikelen 3 en 4 zijn niet van toepassing op afval dat uit een in bijlage I of bijlage II opgenomen stof bestaat, deze stof bevat of daarmee verontreinigd is.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

a) „op de markt brengen”: het leveren of ter beschikking stellen aan derden, al dan niet tegen betaling. Ook invoer in het douanegebied van de Gemeenschap wordt beschouwd als op de markt brengen;

b) „artikel”: een voorwerp dat bestaat uit een of meer stoffen en/of een of meer preparaten en waaraan tijdens de productie een specifieke vorm, een specifiek oppervlak of een specifieke uitvoering wordt gegeven waardoor de functie bij het eindgebruik in hogere mate wordt bepaald dan door de chemische samenstelling;

c) „stof”: als gedefinieerd in artikel 2 van Richtlijn 67/548/EEG ( 1 );

d) „preparaat”: als gedefinieerd in artikel 2 van Richtlijn 67/548/EEG;

e) „afvalstof”: als gedefinieerd in artikel 1, a), van Richtlijn 75/442/EEG ( 2 );

f) „verwijdering”: als gedefinieerd in artikel 1, e), van Richtlijn 75/442/EEG;

g) „nuttige toepassing”: als gedefinieerd in artikel 1, f), van Richtlijn 75/442/EEG.

Artikel 3

Regulering van de productie, het op de markt brengen en het gebruik

1.  De productie, het op de markt brengen en het gebruik van in bijlage I opgenomen stoffen als zodanig, in preparaten of als bestanddeel van artikelen worden verboden.

2.  De productie, het op de markt brengen en het gebruik van in bijlage II opgenomen stoffen als zodanig, in preparaten of als bestanddeel van artikelen worden overeenkomstig de in die bijlage vermelde voorwaarden beperkt.

3.  De lidstaten en de Commissie houden, binnen de beoordelings- en vergunningsregelingen voor bestaande en nieuwe chemische stoffen en bestrijdingsmiddelen krachtens de van toepassing zijnde communautaire wetgeving, rekening met de criteria in punt 1 van bijlage D van het verdrag en nemen passende maatregelen om controle uit te oefenen op bestaande chemische stoffen en bestrijdingsmiddelen en om de productie, het op de markt brengen en het gebruik van nieuwe chemische stoffen en bestrijdingsmiddelen die kenmerken vertonen van persistente organische verontreinigende stoffen, te voorkomen.

Artikel 4

Vrijstelling van regulerende maatregelen

1.  Artikel 3 is niet van toepassing op:

a) een stof die voor laboratoriumonderzoek of als referentiestandaard wordt gebruikt;

b) een stof die als onopzettelijke sporenverontreiniging in stoffen, preparaten of artikelen voorkomt.

2.  Artikel 3 is niet eerder dan zes maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening van toepassing op stoffen die voorkomen als bestanddeel van artikelen die vóór of op de datum van inwerkingtreding van deze verordening zijn geproduceerd.

Artikel 3 is niet van toepassing op een stof die voorkomt als bestanddeel van artikelen die al in gebruik waren vóór of op de datum van inwerkingtreding van deze verordening.

Zodra een lidstaat echter op de hoogte is van in de eerste en de tweede alinea bedoelde artikelen, stelt hij de Commissie daarvan onmiddellijk in kennis.

Wanneer de Commissie op deze of een andere wijze in kennis wordt gesteld van dergelijke artikelen, stelt zij indien van toepassing het secretariaat van het verdrag daarvan onmiddellijk in kennis.

3.  Wanneer een stof in deel A van bijlage I of in deel A van bijlage II is opgenomen, stelt een lidstaat die de productie en het gebruik van die stof als tussenproduct in een tot de locatie beperkt gesloten systeem tot de in de desbetreffende bijlage gespecificeerde termijn wil toestaan, het secretariaat van het verdrag daarvan in kennis.

Een dergelijke kennisgeving kan echter alleen worden gedaan indien aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a) in de desbetreffende bijlage is een aantekening opgenomen waarin uitdrukkelijk wordt gesteld dat de productie en het gebruik van die stof kunnen worden toegestaan;

b) tijdens het fabricageproces zal de stof worden omgezet in een of meer andere stoffen die niet de kenmerken van een persistente organische verontreinigende stof vertonen;

c) het is niet te verwachten dat mensen of het milieu gedurende de productie en het gebruik van die stof aan significante hoeveelheden van de stof zullen worden blootgesteld, zoals aangetoond door middel van een beoordeling van het gesloten systeem in overeenstemming met Richtlijn 2001/59/EG ( 3 ).

De kennisgeving wordt tevens aan de andere lidstaten en de Commissie meegedeeld en bevat gegevens over de feitelijke of geraamde in totaal geproduceerde en gebruikte hoeveelheid van de betrokken stof en de aard van het proces in het tot de locatie beperkte gesloten systeem, waarbij wordt vermeld welke hoeveelheid niet wordt omgezet en als onopzettelijke sporenverontreiniging met persistente organische verontreinigende stoffen in het eindproduct achterblijft.

De in de eerste alinea bedoelde termijn kan worden gewijzigd wanneer na een herhaalde kennisgeving door de betrokken lidstaat aan het secretariaat van het verdrag krachtens het verdrag uitdrukkelijk of stilzwijgend toestemming wordt verleend voor de voortzetting van de productie en het gebruik van de stof gedurende een volgende periode.

Artikel 5

Voorraden

1.  De houder van een voorraad die geheel of gedeeltelijk uit een in bijlage I of bijlage II vermelde stof bestaat en waarvoor geen gebruik is toegestaan, beheert deze voorraad overeenkomstig artikel 7 als afvalstof.

2.  De houder van een voorraad die groter is dan 50 kg en geheel of gedeeltelijk uit een in bijlage I of II vermelde stof bestaat en waarvoor het gebruik is toegestaan, verstrekt de bevoegde instantie van de lidstaat waarin de voorraad zich bevindt, inlichtingen over de aard en de omvang van de voorraad. Deze inlichtingen worden binnen twaalf maanden na de inwerkingtreding van deze verordening en van de wijzigingen van de bijlagen I en II verstrekt, en vervolgens jaarlijks tot de in bijlage I of II voor beperkt gebruik vermelde termijn.

De houder beheert de voorraad op een veilige, doeltreffende en milieuverantwoorde wijze.

3.  De lidstaten houden toezicht op het gebruik en het beheer van de aangemelde voorraden.

Artikel 6

Beperking van de vrijkoming, minimalisering en eliminatie

1.  Binnen twee jaar na de datum van inwerkingtreding van deze verordening zorgen de lidstaten voor het opstellen en bijhouden van overzichten van de vrijkoming van in bijlage III vermelde stoffen in lucht, water en bodem, in overeenstemming met hun verplichtingen krachtens het verdrag en het protocol.

2.  Een lidstaat legt het actieplan met maatregelen voor het identificeren, karakteriseren en het, met het oog op een waar mogelijk zo spoedig mogelijke eliminatie, minimaliseren van de totale vrijkoming dat hij heeft opgesteld in overeenstemming met zijn verplichtingen krachtens het verdrag, voor aan de Commissie en de andere lidstaten als onderdeel van het nationale uitvoeringsplan krachtens artikel 8.

Het actieplan omvat maatregelen om het gebruik van vervangende of gewijzigde materialen, producten en processen te bevorderen en, wanneer zulks dienstig wordt geacht, verplicht te stellen, teneinde de vorming en de vrijkoming van de in bijlage III vermelde chemische stoffen te voorkomen.

3.  Bij het bestuderen van voorstellen voor de bouw van nieuwe installaties of ingrijpende wijziging van bestaande installaties waarbij processen worden gebruikt waarbij in bijlage III vermelde chemische stoffen vrijkomen, schenken de lidstaten, onverminderd de bepalingen van Richtlijn 96/61/EG ( 4 ), bij voorrang aandacht aan alternatieve processen, technieken of methodes die even nuttig zijn, maar waarbij de in bijlage III vermelde chemische stoffen niet worden gevormd en vrijkomen.

Artikel 7

Afvalbeheer

1.  Producenten en houders van afval verrichten alle redelijke inspanningen om, waar mogelijk, verontreiniging van dit afval met in bijlage IV vermelde stoffen te voorkomen.

2.  Onverminderd Richtlijn 96/59/EG ( 5 ) wordt afval dat geheel of gedeeltelijk uit een in bijlage IV vermelde stof bestaat of daarmee verontreinigd is, zo spoedig mogelijk en in overeenstemming met bijlage V, deel I, zodanig verwijderd of nuttig toegepast dat ervoor wordt gezorgd dat de persistente organische verontreinigende stoffen daarin worden vernietigd of onomkeerbaar worden omgezet, zodat het resterende afval en de vrijkomende stoffen geen kenmerken van persistente organische verontreinigende stoffen vertonen.

Bij de uitvoering van een dergelijke verwijdering of nuttige toepassing kan elke in bijlage IV vermelde stof uit het afval worden geïsoleerd mits deze stof vervolgens in overeenstemming met de vorige alinea wordt verwijderd.

3.  Handelingen van verwijdering of nuttige toepassing die kunnen leiden tot nuttige toepassing, recycling, terugwinning of hergebruik van in bijlage IV vermelde stoffen, worden verboden.

4.  In afwijking van lid 2 kan afval dat:

▼M4

a) een in bijlage IV vermelde stof bevat of daarmee verontreinigd is, op een andere manier in overeenstemming met de toepasselijke communautaire regelgeving worden verwijderd of nuttig worden toegepast, mits het gehalte van de vermelde stoffen in het afval onder de in bijlage IV vast te leggen concentratiegrenswaarden ligt. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen, worden vastgesteld volgens de in artikel 17, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing. Voordat deze concentratiegrenswaarden zijn vastgesteld volgens de hierboven genoemde procedure kan de bevoegde instantie van een lidstaat krachtens dit punt concentratiegrenswaarden of specifieke technische eisen met betrekking tot verwijdering of nuttige toepassing van afval vaststellen en toepassen.

▼C1

b) een lidstaat of de bevoegde instantie van een lidstaat kan in uitzonderlijke gevallen toestaan dat in bijlage V, deel 2, vermeld afval dat een in bijlage IV vermelde stof bevat of daarmee verontreinigd is tot in bijlage V, deel 2, vast te leggen concentratiegrenswaarden volgens een in bijlage V, deel 2, vermelde methode wordt beheerd, wanneer:

i) de betrokken houder op voor de bevoegde instantie van de betrokken lidstaat bevredigende wijze heeft aangetoond dat zuivering van het afval van de in bijlage IV vermelde stoffen niet haalbaar is, vernietiging of onomkeerbare omzetting van de persistente organische verontreinigende stoffen in overeenstemming met de beste milieutechnische praktijken of de beste beschikbare technieken niet de uit milieu-oogpunt wenselijke optie is, en de bevoegde instantie vervolgens heeft ingestemd met de alternatieve handeling;

ii) deze handeling in overeenstemming is met de van toepassing zijnde Gemeenschapswetgeving en de voorwaarden die zijn vastgelegd in de van toepassing zijnde aanvullende maatregelen zoals bedoeld in lid 6; en

iii) de betrokken lidstaat de andere lidstaten en de Commissie op de hoogte heeft gesteld van zijn instemming met en de rechtvaardiging voor toepassing van de alternatieve handeling.

►M4

 

Met het oog op de toepassing van lid 4, onder b) worden de concentratiegrenswaarden in bijlage V, deel 2, vastgesteld door de Commissie. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen, worden vastgesteld volgens de in artikel 17, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

 ◄

Zolang deze concentratiegrenswaarden niet zijn vastgesteld:

a) kan de bevoegde instantie concentratiegrenswaarden of specifieke technische vereisten vaststellen of toepassen met betrekking tot afval dat overeenkomstig lid 4, onder b) wordt behandeld;

b) verschaffen de betrokken houders, in gevallen waarin afval overeenkomstig lid 4, onder b), wordt behandeld, de bevoegde instantie informatie over het gehalte van persistente organische verontreinigende stoffen in het afval.

6.  De Commissie kan, in voorkomende gevallen en met inachtneming van technische ontwikkelingen en relevante internationale richtlijnen en besluiten en eventuele vergunningen verleend door een lidstaat of de door die lidstaat overeenkomstig lid 4 en bijlage V aangewezen instantie, aanvullende maatregelen vaststellen met betrekking tot de tenuitvoerlegging van dit artikel. De Commissie stelt een formaat vast voor de indiening van de informatie door lidstaten overeenkomstig lid 4, onder b), iii). Dergelijke maatregelen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 17, lid 2 vastgestelde procedure.

7.  Vóór 31 december 2009 herziet de Commissie de in lid 4 bedoelde afwijkingen in het licht van internationale en technische ontwikkelingen, met name met betrekking tot de vraag wat vanuit milieuoogpunt de voorkeur verdient.

Artikel 8

Uitvoeringsplannen

1.  Bij de uitwerking van hun nationale uitvoeringsplannen geven de lidstaten overeenkomstig hun nationale procedures het publiek in een vroegtijdig stadium doeltreffende mogelijkheden om aan dit proces deel te nemen.

2.  Zodra een lidstaat overeenkomstig de verplichtingen uit hoofde van het verdrag zijn nationale uitvoeringsplan heeft vastgesteld, deelt hij dit zowel aan de Commissie als aan de andere lidstaten mee.

3.  Bij de voorbereiding van hun uitvoeringsplannen wisselen de Commissie en de lidstaten indien nodig informatie uit over de inhoud ervan.

4.  De Commissie stelt binnen twee jaar na de inwerkingtreding van deze verordening een plan voor de tenuitvoerlegging van de verplichtingen van de Gemeenschap uit hoofde van het verdrag op.

Zodra de Commissie het communautaire uitvoeringsplan heeft vastgesteld, deelt zij dit aan de lidstaten mee.

De Commissie herziet en actualiseert het communautaire plan indien nodig.

Artikel 9

Toezicht

De Commissie en de lidstaten stellen in nauwe samenwerking geschikte programma's en mechanismen op, verenigbaar met de stand van de wetenschap en de techniek, voor de regelmatige verstrekking van vergelijkbare toezichtgegevens over de aanwezigheid van dioxinen, furanen en PCB's in het milieu, als aangegeven in bijlage III. Bij de opstelling van deze programma's en mechanismen wordt naar behoren rekening gehouden met de ontwikkelingen in het kader van het protocol en het verdrag.

Artikel 10

Informatie-uitwisseling

1.  De Commissie en de lidstaten bevorderen en dragen zorg voor de uitwisseling, binnen de Gemeenschap en met derde landen, van informatie op het gebied van, waar mogelijk, de beperking, minimalisering of beëindiging, waar mogelijk, van de productie, het gebruik en de vrijkoming van persistente organische verontreinigende stoffen en over de alternatieven voor deze stoffen, waarbij de risico's en de economische en sociale kosten in verband met dergelijke alternatieven worden vermeld.

2.  De Commissie en de lidstaten bevorderen en vergemakkelijken in voorkomende gevallen met betrekking tot persistente organische verontreinigende stoffen:

a) bewustmakingsprogramma's, ook met betrekking tot de effecten voor gezondheid en milieu en alternatieven, en over de beperking of beëindiging van de productie, het gebruik en de vrijkoming daarvan, met name voor

i) beleidsmakers en besluitvormers,

ii) bijzonder kwetsbare groepen;

b) het verstrekken van openbare informatie;

c) opleiding, met inbegrip van werknemers, wetenschappers, onderwijsgevenden en technisch en leidinggevend personeel.

3.  Onverminderd Richtlijn 2003/4/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2003 inzake de toegang van het publiek tot milieu-informatie ( 6 ) wordt informatie over de gezondheid en de veiligheid van mens en milieu niet als vertrouwelijk beschouwd. De Commissie en de lidstaten die andere informatie met een derde land uitwisselen beschermen op basis van onderlinge afspraken eventuele vertrouwelijke informatie.

Artikel 11

Technische bijstand

Overeenkomstig de artikelen 12 en 13 van het verdrag werken de Commissie en de lidstaten samen om ontwikkelingslanden en landen met een overgangseconomie afdoende en tijdige technische en financiële bijstand te verlenen, teneinde hen desgevraagd en binnen het kader van de beschikbare middelen en rekening houdend met hun specifieke behoeften, bij te staan bij de ontwikkeling en verbetering van hun mogelijkheden, te voldoen aan hun verplichtingen krachtens het verdrag. Dergelijke steun kan ook worden verstrekt via niet-gouvernementele organisaties.

Artikel 12

Verslaguitbrenging

1.  De lidstaten verstrekken de Commissie om de drie jaar gegevens over de toepassing van deze verordening, met inbegrip van gegevens over overtredingen en sancties.

2.  De lidstaten verstrekken de Commissie elk jaar statistische gegevens over de feitelijke of geraamde in totaal geproduceerde en op de markt gebrachte hoeveelheden van de in bijlage I of bijlage II vermelde stoffen.

3.  De lidstaten verstrekken de Commissie binnen drie jaar na de datum van inwerkingtreding van deze verordening en vervolgens om de drie jaar:

a) samenvattende informatie, verzameld uit de krachtens artikel 5, lid 2, ontvangen kennisgevingen over voorraden;

b) samenvattende informatie, verzameld uit de krachtens artikel 6, lid 1, opgestelde inventarisaties van vrijgekomen stoffen;

c) samenvattende informatie over de aanwezigheid in het milieu van dioxinen, furanen en PCB's als aangegeven in bijlage III, zoals die krachtens artikel 9 is verzameld.

4.  Met betrekking tot de gegevens en informatie die overeenkomstig de leden 1, 2 en 3 door de lidstaten moeten worden verstrekt, ontwikkelt de Commissie vooraf een gemeenschappelijk formulierovereenkomstig de in artikel 16, lid 2, bedoelde procedure.

5.  De Commissie stelt met door de conferentie van de partijen bij het verdrag te bepalen tussenpozen op basis van de overeenkomstig lid 2 door de lidstaten verstrekte gegevens een verslag op over de in het verdrag opgenomen stoffen en verstrekt dit aan het secretariaat van het verdrag.

6.  De Commissie stelt om de drie jaar een verslag op over de toepassing van deze verordening en combineert dit met de informatie die reeds beschikbaar is in het kader van EPER, zoals vastgesteld bij Beschikking 2000/479/EG ( 7 ), en de Corinair-emissie-inventaris van het programma voor samenwerking inzake de bewaking en evaluatie van het transport van luchtverontreinigende stoffen over lange afstand in Europa (EMEP), en met de overeenkomstig de leden 1, 2 en 3 door de lidstaten verstrekte informatie tot een overzichtsverslag. Dit verslag bevat ook informatie over de toepassing van afwijkingen als bedoeld in artikel 7, lid 4. Zij dient een samenvatting van dit overzichtsverslag bij het Europees Parlement en de Raad in en stelt het onverwijld ter beschikking van het publiek.

Artikel 13

Sancties

De lidstaten stellen de regels vast inzake de sancties die van toepassing zijn op overtredingen van de bepalingen van deze verordening en nemen alle nodige maatregelen om te waarborgen dat zij worden uitgevoerd. De sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn. De lidstaten stellen de Commissie binnen een jaar na de inwerkingtreding van deze verordening van deze bepalingen in kennis en delen haar onverwijld alle latere wijzigingen van die bepalingen mee.

▼M4

Artikel 14

Wijziging van de bijlagen

1.  Wanneer een stof in het verdrag of het protocol wordt opgenomen, wijzigt de Commissie zo nodig de bijlagen I tot en met III dienovereenkomstig.

Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen, worden vastgesteld volgens de in artikel 16, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

2.  Wanneer een stof in het verdrag of het protocol wordt opgenomen, wijzigt de Commissie zo nodig bijlage IV dienovereenkomstig.

Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen, worden vastgesteld volgens de in artikel 17, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

3.  Wijzigingen in de bestaande vermeldingen in de bijlagen I, II en III, bijvoorbeeld om deze aan te passen aan de vooruitgang van wetenschap en techniek, worden door de Commissie vastgesteld.

Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen, worden vastgesteld volgens de in artikel 16, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

4.  Wijzigingen in de bestaande vermeldingen in bijlage IV en wijzigingen van bijlage V, bijvoorbeeld om deze aan te passen aan de vooruitgang van wetenschap en techniek, worden door de Commissie vastgesteld.

Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen, worden vastgesteld volgens de in artikel 17, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

▼C1

Artikel 15

Bevoegde instanties

Elke lidstaat wijst de bevoegde instantie of instanties aan die verantwoordelijk zijn voor het uitvoeren van voor deze verordening noodzakelijke beheerstaken. Hij stelt de Commissie uiterlijk drie maanden na de inwerkingtreding van deze verordening van deze aanwijzing in kennis.

Artikel 16

Comité algemene zaken

1.  De Commissie wordt ten aanzien van alle aangelegenheden die onder het toepassingsgebied van deze verordening vallen, behalve wanneer die betrekking hebben op afval, bijgestaan door het bij artikel 29 van Richtlijn 67/548/EEG ingestelde comité.

2.  Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 5 en 7 van Besluit 1999/468/EG met inachtneming van artikel 8 van dat besluit van toepassing.

De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt op drie maanden vastgesteld.

▼M4

3.  Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, leden 1 tot en met 4, en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 daarvan.

▼C1

Artikel 17

Comité afvalstoffenzaken

1.  De Commissie wordt ten aanzien van aangelegenheden met betrekking tot afvalstoffen die onder het toepassingsgebied van deze verordening vallen, bijgestaan door het bij artikel 18 van Richtlijn 75/442/EEG ingestelde comité.

2.  Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 5 en 7 van Besluit 1999/468/EG met inachtneming van artikel 8 van dat besluit van toepassing.

De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt op drie maanden vastgesteld.

▼M4

3.  Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, leden 1 tot en met 4, en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 daarvan.

▼C1

Artikel 18

Wijziging van Richtlijn 79/117/EEG

In deel B van de bijlage bij Richtlijn 79/117/EEG („Persistente organische chloorverbindingen”) worden de punten 1 tot en met 8 geschrapt.

Artikel 19

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

▼M7




BIJLAGE I



Deel A —  Stoffen die in het verdrag en in het protocol zijn opgenomen en stoffen die uitsluitend in het verdrag zijn opgenomen

Stof

CAS-nr.

EG-nr.

Specifieke vrijstelling voor gebruik als tussenproduct of andere specificatie

Tetrabroomdifenylether

C12H6Br4O

 

 

1.  In verband met deze vermelding is artikel 4, lid 1, onder b), van toepassing op concentraties tetrabroomdifenylether van ten hoogste 10 mg/kg (0,001 massaprocent) wanneer de stof voorkomt in stoffen of preparaten, artikelen of als bestanddeel van de brandvertraagde delen van artikelen.

2.  In afwijking hiervan zijn de productie, het op de markt brengen en het gebruik van hetgeen volgt, toegestaan:

a)  onverminderd het bepaalde onder b), artikelen en preparaten die lagere concentraties dan 0,1 massaprocent tetrabroomdifenylether bevatten wanneer ze geheel of gedeeltelijk uit gerecycleerde materialen of materialen uit voor hergebruik opgewerkt afval zijn vervaardigd;

b)  elektrische en elektronische apparatuur die onder Richtlijn 2002/95/EG van het Europees Parlement en de Raad (1) valt.

3.  Het gebruik van artikelen met tetrabroomdifenylether als bestanddeel die al in gebruik waren vóór 25 augustus 2010 is toegestaan. Op zulke artikelen is artikel 4, lid 2, derde en vierde alinea, van toepassing.

Pentabroomdifenylether

C12H5Br5O

 

 

1.  In verband met deze vermelding is artikel 4, lid 1, onder b), van toepassing op concentraties pentabroomdifenylether van ten hoogste 10 mg/kg (0,001 massaprocent) wanneer de stof voorkomt in stoffen of preparaten, artikelen of als bestanddeel van de brandvertraagde delen van artikelen.

2.  In afwijking hiervan zijn de productie, het op de markt brengen en het gebruik van hetgeen volgt, toegestaan:

a)  onverminderd het bepaalde onder b), artikelen en preparaten die lagere concentraties dan 0,1 massaprocent pentabroomdifenylether bevatten wanneer ze geheel of gedeeltelijk uit gerecycleerde materialen of materialen uit voor hergebruik opgewerkt afval zijn vervaardigd;

b)  elektrische en elektronische apparatuur die onder Richtlijn 2002/95/EG valt.

3.  Het gebruik van artikelen met pentabroomdifenylether als bestanddeel die al in gebruik waren vóór 25 augustus 2010 is toegestaan. Op zulke artikelen is artikel 4, lid 2, derde en vierde alinea, van toepassing.

Hexabroomdifenylether

C12H4Br6O

 

 

1.  In verband met deze vermelding is artikel 4, lid 1, onder b), van toepassing op concentraties hexabroomdifenylether van ten hoogste 10 mg/kg (0,001 massaprocent) wanneer de stof voorkomt in stoffen of preparaten, artikelen of als bestanddeel van de brandvertraagde delen van artikelen.

2.  In afwijking hiervan zijn de productie, het op de markt brengen en het gebruik van de volgende artikelen toegestaan:

a)  onverminderd het bepaalde onder b), artikelen en preparaten die lagere concentraties dan 0,1 massaprocent hexabroomdifenylether bevatten wanneer ze geheel of gedeeltelijk uit gerecycleerde materialen of materialen uit voor hergebruik opgewerkt afval zijn vervaardigd;

b)  elektrische en elektronische apparatuur die onder Richtlijn 2002/95/EG valt.

3.  Het gebruik van artikelen met hexabroomdifenylether als bestanddeel die al in gebruik waren vóór 25 augustus 2010 is toegestaan. Op zulke artikelen is artikel 4, lid 2, derde en vierde alinea, van toepassing.

Heptabroomdifenylether

C12H3Br7O

 

 

1.  In verband met deze vermelding is artikel 4, lid 1, onder b), van toepassing op concentraties heptabroomdifenylether van ten hoogste 10 mg/kg (0,001 massaprocent) wanneer de stof voorkomt in stoffen of preparaten, artikelen of als bestanddeel van de brandvertraagde delen van artikelen.

2.  In afwijking hiervan zijn de productie, het op de markt brengen en het gebruik van de volgende artikelen toegestaan:

a)  onverminderd het bepaalde onder b), artikelen en preparaten die lagere concentraties dan 0,1 massaprocent heptabroomdifenylether bevatten wanneer ze geheel of gedeeltelijk uit gerecycleerde materialen of materialen uit voor hergebruik opgewerkt afval zijn vervaardigd;

b)  elektrische en elektronische apparatuur die onder Richtlijn 2002/95/EG valt.

3.  Het gebruik van artikelen met heptabroomdifenylether als bestanddeel die al in gebruik waren vóór 25 augustus 2010 is toegestaan. Op zulke artikelen is artikel 4, lid 2, derde en vierde alinea, van toepassing.

Perfluoroctaansulfonzuur en zijn derivaten (PFOS)

C8F17SO2X

(X = OH, metaalzout (O-M+), halogenide, amide en andere derivaten waaronder polymeren)

 

 

1.  In verband met deze vermelding is artikel 4, lid 1, onder b), van toepassing op concentraties PFOS van ten hoogste 10 mg/kg (0,001 massaprocent) wanneer de stof voorkomt in stoffen of preparaten. 2.  In verband met deze vermelding is artikel 4, lid 1, onder b), van toepassing op concentraties PFOS in halffabricaten of artikelen, of delen daarvan, indien de PFOS-concentratie lager is dan 0,1 massaprocent, berekend naar de massa van structureel of microstructureel afzonderlijke delen die PFOS bevatten, of voor textiel of andere gecoate materialen indien de hoeveelheid PFOS lager is dan 1 μg/m2 van het gecoate materiaal. 3.  Het gebruik van artikelen met PFOS als bestanddeel die al in gebruik waren vóór 25 augustus 2010 is toegestaan. Op zulke artikelen is artikel 4, lid 2, derde en vierde alinea, van toepassing. 4.  Blusschuim dat vóór 27 december 2006 op de markt is gebracht, mag worden gebruikt tot en met 27 juni 2011. 5.  Als de in het milieu vrijkomende hoeveelheid tot een minimum wordt beperkt, worden de productie en het op de markt brengen voor de volgende specifieke toepassingen toegestaan, op voorwaarde dat de lidstaten om de vier jaar bij de Commissie verslag uitbrengen over de vorderingen bij de eliminatie van PFOS: a)  tot 26 augustus 2015: bevochtigingsmiddelen voor gebruik bij gecontroleerde galvanisatie; b)  lichtgevoelige of antireflecterende coatings voor fotolithografische procedés, c)  fotografische coatings voor films, papier of drukplaten; d)  nevelonderdrukkers voor niet-decoratieve hardverchroming met chroom (VI) in systemen met een gesloten cyclus; e)  hydraulische vloeistoffen voor de luchtvaart. Wanneer de onder a) tot e) genoemde uitzonderingen betrekking hebben op de productie of het gebruik in een installatie die valt binnen de werkingssfeer van Richtlijn 2008/1/EG van het Europees Parlement en de Raad (2), zijn de relevante beste beschikbare technieken voor de preventie en minimalisering van de uitstoot van PFOS van toepassing, die worden beschreven in de door de Commissie krachtens artikel 17, lid 2, tweede alinea, van Richtlijn 2008/1/EG gepubliceerde informatie. Zodra nieuwe informatie beschikbaar komt met nadere bijzonderheden over het gebruik en veiliger alternatieve stoffen of technologieën voor de onder de punten b) tot e) genoemde toepassingen, herziet de Commissie de in de tweede alinea genoemde uitzonderingen, zodat: i)  het gebruik van PFOS geleidelijk wordt uitgebannen zodra het gebruik van veiliger alternatieven technisch en economisch haalbaar is, ii)  een uitzondering alleen nog kan blijven gelden voor essentiële toepassingen waarvoor geen veiliger alternatieven bestaan, op voorwaarde dat verslag is uitgebracht over de inspanningen die zijn gedaan om veiliger alternatieven te vinden, iii)  de vrijkoming van PFOS in het milieu door toepassing van de beste beschikbare technieken tot een minimum is beperkt. ►M8   6.  Zodra door het Europees Comité voor Normalisatie (CEN) normen worden vastgesteld, worden deze als analysemethoden gebruikt om aan te tonen dat stoffen, preparaten en artikelen aan de punten 1 en 2 voldoen. Als alternatief voor de CEN-normen kunnen ook andere analysemethoden worden gebruikt indien de gebruiker kan bewijzen dat deze gelijkwaardig zijn.  ◄

DDT (1,1,1-trichloor-2,2-bis(4-chloorfenyl)ethaan)

50-29-3

200-024-3

Chlordaan

57-74-9

200-349-0

Hexachloorcyclohexanen, inclusief lindaan

58-89-9

200-401-2

319-84-6

206-270-8

319-85-7

206-271-3

608-73-1

210-168-9

Dieldrin

60-57-1

200-484-5

Endrin

72-20-8

200-775-7

Heptachloor

76-44-8

200-962-3

▼M8

Endosulfan

115-29-7

959-98-8

33213-65-9

204-079-4

1.  Artikelen met endosulfan als bestanddeel die vóór of op 10 juli 2012 geproduceerd zijn, mogen tot 10 januari 2013 op de markt gebracht en gebruikt worden.

2.  Artikelen met endosulfan als bestanddeel die vóór of op 10 juli 2012 al in gebruik waren, mogen op de markt gebracht en gebruikt worden.

3.  Artikel 4, lid 2, derde en vierde alinea, is van toepassing op de in de leden 1 en 2 bedoelde artikelen.

▼M7

Hexachloorbenzeen

118-74-1

200-273-9

Chloordecon

143-50-0

205-601-3

Aldrin

309-00-2

206-215-8

Pentachloorbenzeen

608-93-5

210-172-5

Polychloorbifenylen (pcb’s)

1336-36-3 en andere

215-648-1 en andere

Onverminderd Richtlijn 96/59/EG mogen artikelen die ten tijde van de inwerkingtreding van deze verordening al in gebruik zijn, worden gebruikt.

Mirex

2385-85-5

219-196-6

Toxafeen

8001-35-2

232-283-3

Hexabroombifenyl

36355-01-8

252-994-2

▼M11

Hexabroomcyclododecaan

„Hexabroomcyclododecaan” omvat: hexabroomcyclododecaan, 1,2,5,6,9,10-hexabroomcyclododecaan en zijn voornaamste diastereo-isomeren: α-hexabroomcyclododecaan; ß-hexabroomcyclododecaan; en γ-hexabroomcyclododecaan

25637-99-4,

3194-55-6,

134237-50-6,

134237-51-7,

134237-52-8

247-148-4,

221-695-9

1.  Voor de toepassing van deze vermelding is — onder voorbehoud van een herziening door de Commissie vóór 22 maart 2019 — artikel 4, lid 1, onder b), van toepassing op concentraties hexabroomcyclododecaan van ten hoogste 100 mg/kg (0,01 massaprocent) wanneer de stof voorkomt in stoffen, preparaten, of artikelen, of als bestanddeel van de brandvertraagde delen van artikelen.

2.  Het gebruik van hexabroomcyclododecaan, als zodanig of in preparaten, bij de productie van artikelen van geëxpandeerd polystyreen, alsook de productie en het in de handel brengen van hexabroomcyclododecaan voor een dergelijk gebruik zijn toegestaan, mits voor dit gebruik autorisatie is verleend overeenkomstig titel VII van Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad (3), of indien er uiterlijk op 21 februari 2014 een autorisatieaanvraag voor is ingediend waarover nog geen besluit is genomen.

Het in de handel brengen en het gebruik van hexabroomcyclododecaan, als zodanig of in preparaten, overeenkomstig dit punt zijn slechts toegestaan tot en met 26 november 2019 of, indien dat eerder is, de datum waarop de herbeoordelingstermijn die is vastgesteld in een autorisatiebesluit verstrijkt of de datum van intrekking van die autorisatie overeenkomstig titel VII van Verordening (EG) nr. 1907/2006.

Het in de handel brengen en het gebruik in gebouwen van artikelen van geëxpandeerd polystyreen met hexabroomcyclododecaan als bestanddeel die overeenkomstig de vrijstelling in dit punt zijn geproduceerd, zijn tot zes maanden na de datum van verstrijken van deze vrijstelling toegelaten. Als dergelijke artikelen al in gebruik waren vóór deze datum, mogen ze verder worden gebruikt.

3.  Onverminderd de vrijstelling van punt 2 is het in de handel brengen en het gebruik in gebouwen van artikelen van geëxpandeerd polystyreen en artikelen van geëxtrudeerd polystyreen met hexabroomcyclododecaan als bestanddeel die geproduceerd zijn vóór of op 22 maart 2016, toegestaan tot en met 22 juni 2016. Als deze artikelen in overeenstemming met de vrijstelling van punt 2 zijn geproduceerd, is punt 6 van toepassing.

4.  Artikelen met hexabroomcyclododecaan als bestanddeel die al in gebruik zijn vóór of op 22 maart 2016, mogen gebruikt worden en verder in de handel worden gebracht zonder dat punt 6 van toepassing is. Op dergelijke artikelen is artikel 4, lid 2, derde en vierde alinea, van toepassing.

5.  Het in de handel brengen en het gebruik in gebouwen van ingevoerde artikelen van geëxpandeerd polystyreen en geëxtrudeerd polystyreen met hexabroomcyclododecaan als bestanddeel is toegestaan tot en met de datum van het verstrijken van de vrijstelling in de punten 2 en 6, als waren dergelijke artikelen geproduceerd krachtens de vrijstelling van punt 2. Als dergelijke artikelen al in gebruik waren vóór deze datum, mogen zij verder worden gebruikt.

6.  Onverminderd de toepassing van andere EU-bepalingen inzake de indeling, verpakking en etikettering van stoffen en mengsels, moet geëxpandeerd polystyreen waarin hexabroomcyclododecaan is gebruikt op grond van de vrijstelling van punt 2 door middel van etikettering of andere middelen gedurende de gehele levenscyclus identificeerbaar zijn.

▼M7

(1)   PB L 37 van 13.2.2003, blz. 19.

(2)   PB L 24 van 29.1.2008, blz. 8.

(3)   Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van Richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede Richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de Richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie (PB L 396 van 30.12.2006, blz. 1).



Deel B —  Stoffen die uitsluitend in het protocol zijn opgenomen

Stof

CAS-nr.

EG-nr.

Specifieke vrijstelling voor gebruik als tussenproduct of andere specificatie

▼M8

Hexachloorbutadieen

87-68-3

201-765-5

1.  Artikelen met hexachlorobutadieen als bestanddeel die vóór of op 10 juli 2012 geproduceerd zijn, mogen tot 10 januari 2013 op de markt gebracht en gebruikt worden.

2.  Artikelen met hexachlorobutadieen als bestanddeel die vóór of op 10 juli 2012 al in gebruik waren, mogen op de markt gebracht en gebruikt worden.

3.  Artikel 4, lid 2, derde en vierde alinea, is van toepassing op de in de leden 1 en 2 bedoelde artikelen.

Polychloornaftaleen (1)

 

 

1.  Artikelen met polychloornaftaleen als bestanddeel die vóór of op 10 juli 2012 geproduceerd zijn, mogen tot 10 januari 2013 op de markt gebracht en gebruikt worden.

2.  Artikelen met polychloornaftaleen als bestanddeel die vóór of op 10 juli 2012 al in gebruik waren, mogen op de markt gebracht en gebruikt worden.

3.  Artikel 4, lid 2, derde en vierde alinea, is van toepassing op de in de leden 1 en 2 bedoelde artikelen.

▼M10

Alkanen, C10-C13, chloor (gechloreerde paraffines met een korte keten) (SCCP's)

85535-84-8

287-476-5

1)  In afwijking hiervan zijn de productie, het op de markt brengen en het gebruik van stoffen of bereidingen met SCCP's als bestanddeel in concentraties van minder dan 1 gewichtspercent of artikelen in concentraties van minder dan 0,15 gewichtspercent toegestaan.

2)  Het gebruik van:

a)  transportbanden in de mijnbouwindustrie en afdichtingsrubbers van waterkeringen met SCCP's als bestanddeel die vóór of op 4 december 2015 al in gebruik waren, en

b)  andere dan de onder a) bedoelde artikelen met SCCP's als bestanddeel die vóór of op 10 juli 2012 al in gebruik waren, wordt toegestaan.

3)  Artikel 4, lid 2, derde en vierde alinea, is van toepassing op de in de punt 2 bedoelde artikelen.

(1)   Polychloornaftaleen: op het naftaleenringsysteem gebaseerde chemische verbindingen, waarbij een of meer waterstofatomen zijn vervangen door chlooratomen.

▼C1




BIJLAGE II

LIJST VAN STOFFEN WAARVOOR BEPERKINGEN GELDEN

image




BIJLAGE III

LIJST VAN STOFFEN WAARVOOR BEPALINGEN INZAKE BEPERKING VAN DE VRIJKOMING GELDEN

Stof (CAS-nr.)

Polychloordibenzo-p-dioxinen en -dibenzofuranen (PCDD's/PCDF's)

Hexachloorbenzeen (HCB) (CAS-nr.: 118-74-1)

Polychloorbifenylen (PCB's)

Polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK's) ( 8 )

▼M7

Pentachloorbenzeen (CAS-nr. 608-93-5).

▼M9




BIJLAGE IV

Lijst van stoffen waarvoor de in artikel 7 vermelde bepalingen inzake afvalbeheer gelden



Stof

CAS-nr.:

EG Nr.

In artikel 7, lid 4, onder a), bedoelde concentratiegrenswaarde

Endosulfan

115-29-7

959-98-8

33213-65-9

204-079-4

50 mg/kg

Hexachloorbutadieen

87-68-3

201-765-5

100 mg/kg

Polychloornaftalenen (1)

 

 

10 mg/kg

Alkanen, C10-C13, chloor (gechloreerde paraffines met een korte keten) (SCCP's)

85535-84-8

287-476-5

10 000 mg/kg

Tetrabroomdifenylether

C12H6Br4O

 

 

Som van de concentraties van tetrabroomdifenylether, pentabroomdifenylether, hexabroomdifenylether en heptabroomdifenylether: 1 000 mg/kg

Pentabroomdifenylether

C12H5Br5O

 

 

Hexabroomdifenylether

C12H4Br6O

 

 

Heptabroomdifenylether

C12H3Br7O

 

 

Perfluoroctaansulfonzuur en derivaten daarvan (PFOS)

C8F17SO2X

(X = OH, metaalzout (O-M+), halogenide, amide en andere derivaten inclusief polymeren)

 

 

50 mg/kg

Polychloordibenzo-p-dioxines en polychloordibenzofuranen (PCDD's/PCDF's)

 

 

15 μg/kg (2)

DDT (1,1,1-trichloor-2,2-bis(4-chloorfenyl)ethaan)

50-29-3

200-024-3

50 mg/kg

Chloordaan

57-74-9

200-349-0

50 mg/kg

Hexachloorcyclohexanen, inclusief lindaan:

58-89-9

319-84-6

319-85-7

608-73-1

210-168-9

200-401-2

206-270-8

206-271-3

50 mg/kg

Dieldrin

60-57-1

200-484-5

50 mg/kg

Endrin

72-20-8

200-775-7

50 mg/kg

Heptachloor

76-44-8

200-962-3

50 mg/kg

Hexachloorbenzeen

118-74-1

200-273-9

50 mg/kg

Chloordecon

143-50-0

205-601-3

50 mg/kg

Aldrin

309-00-2

206-215-8

50 mg/kg

Pentachloorbenzeen

608-93-5

210-172-5

50 mg/kg

Polychloorbifenylen (pcb's)

1336-36-3 en andere

215-648-1

50 mg/kg (3)

Mirex

2385-85-5

219-196-6

50 mg/kg

Toxafeen

8001-35-2

232-283-3

50 mg/kg

Hexabroombifenyl

36355-01-8

252-994-2

50 mg/kg

▼M12

Hexabroomcyclododecaan (4)

25637-99-4,

3194-55-6,

134237-50-6,

134237-51-7,

134237-52-8

247-148-4

221-695-9

1 000 mg/kg, onder voorbehoud van een herziening door de Commissie vóór 20.4.2019

(1)   Polychloornaftalenen zijn op het naftaleenringsysteem gebaseerde chemische verbindingen, waarbij een of meer waterstofatomen zijn vervangen door chlooratomen.

(2)   

De grenswaarde wordt berekend als PCDD's en PCDF's met gebruikmaking van de volgende toxische-equivalentiefactoren (TEF's):



PCDD's

TEF

2,3,7,8-TeCDD

1

1,2,3,7,8-PeCDD

1

1,2,3,4,7,8-HxCDD

0,1

1,2,3,6,7,8-HxCDD

0,1

1,2,3,7,8,9-HxCDD

0,1

1,2,3,4,6,7,8-HpCDD

0,01

OCDD

0,0003

PCDF's

TEF

2,3,7,8-TeCDF

0,1

1,2,3,7,8-eCDF

0,03

2,3,4,7,8-eCDF

0,3

1,2,3,4,7,8-HxCDF

0,1

PCDD's

TEF

1,2,3,6,7,8-HxCDF

0,1

1,2,3,7,8,9-HxCDF

0,1

2,3,4,6,7,8-HxCDF

0,1

1,2,3,4,6,7,8-HpCDF

0,01

1,2,3,4,7,8,9-HpCDF

0,01

OCDF

0,0003

(3)   Waar van toepassing wordt de berekeningsmethode van de Europese normen EN 12766-1 en EN 12766-2 gebruikt.

(4)   „Hexabroomcyclododecaan” omvat hexabroomcyclododecaan, 1,2,5,6,9,10-hexabroomcyclododecaan en zijn voornaamste diastereo-isomeren: α-hexabroomcyclododecaan, β-hexabroomcyclododecaan en γ-hexabroomcyclododecaan.

▼C1




BIJLAGE V

BEHEER AFVALSTOFFEN

DEEL 1   Verwijdering en nuttige toepassing overeenkomstig artikel 7, lid 2

De volgende verwijderings- en nuttige toepassingsmethoden overeenkomstig de bijlagen II A en II B van Richtlijn 75/442/EEG, zijn toegestaan voor de doeleinden van artikel 7, lid 2, wanneer deze op een zodanige wijze worden toegepast dat wordt verzekerd dat de inhoud aan persistente organische verontreinigende stoffen wordt vernietigd of onomkeerbaar wordt omgezet:

D9

chemische/fysische behandeling,

D10

verbranding op land, en

R1

hoofdgebruik als brandstof of andere middelen voor het opwekken van energie, met uitzondering van afvalstoffen die PCB's bevatten.

▼M5

R4

recycling/terugwinning van metalen en metaalverbindingen onder de volgende voorwaarden: De behandelingen worden beperkt tot residuen van ijzer- en staalproductieprocedés zoals stof of slib van gasreiniging of walshuid of zinkhoudend filterstof van staalfabrieken, stof van gasreinigingsinrichtingen van kopersmelterijen en vergelijkbare afvalstoffen en loodhoudende loogresiduen uit de productie van non-ferrometalen. Afvalstoffen die PCB’s bevatten zijn uitgesloten. De behandelingen worden beperkt tot procedés voor de terugwinning van ijzer en ijzerlegeringen (hoogoven, schachtoven en haardoven) en non-ferrometalen (Waelz-draaiovenprocedé, smeltbadprocedés met gebruik van verticale of horizontale ovens), mits de installaties ten minste voldoen aan de in Richtlijn 2000/76/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 december 2000 betreffende de verbranding van afval ( 9 ) vastgestelde emissiegrenswaarden voor PCDD’s en PCDF’s, ongeacht of deze procedés al dan niet onder die richtlijn vallen en onverminderd de andere toepasselijke bepalingen van Richtlijn 2000/76/EG en de bepalingen van Richtlijn 96/61/EG.

▼C1

Voorbehandeling voorafgaand aan vernietiging of onomkeerbare omzetting overeenkomstig dit gedeelte van deze bijlage is toegestaan, mits een in bijlage IV vermelde stof die bij de voorbehandeling van het afval is geïsoleerd, vervolgens overeenkomstig dit gedeelte van deze bijlage wordt verwijderd. Wanneer slechts een deel van een product of afvalstof, zoals afgedankte ►M5   apparatuur, persistente organische verontreinigende stoffen bevat of daarmee is verontreinigd, wordt dit deel van de overige delen gescheiden en vervolgens overeenkomstig de eisen van deze verordening verwijderd. ◄ Bovendien is het opnieuw verpakken en het tijdelijk opslaan voorafgaand aan een dergelijke voorbehandeling of voorafgaand aan vernietiging of onomkeerbare omzetting overeenkomstig dit gedeelte van deze bijlage toegestaan.

▼M2

DEEL 2   Afvalstoffen en behandelingen waarop artikel 7, lid 4, onder b), van toepassing is

De navolgende handelingen zijn toegestaan voor de doeleinden van artikel 7, lid 4, onder b), met betrekking tot de vermelde afvalstoffen, die worden aangegeven met de zescijferige code overeenkomstig Beschikking 2000/532/EEG van de Commissie ( 10 )

▼M3

Voorbehandeling voorafgaand aan permanente opslag overeenkomstig dit gedeelte van deze bijlage is toegestaan, mits een in bijlage IV vermelde stof die bij de voorbehandeling van het afval is geïsoleerd, vervolgens overeenkomstig deel 1 van deze bijlage wordt verwijderd. Bovendien is het opnieuw verpakken en het tijdelijk opslaan voorafgaand aan een dergelijke voorbehandeling of voorafgaand aan permanente opslag overeenkomstig dit gedeelte van deze bijlage toegestaan.

▼M12



Afvalstoffen overeenkomstig Beschikking 2000/532/EG van de Commissie

Maximale concentratiegrenswaarde voor in bijlage IV vermelde stoffen (1)

Handeling

10

AFVAL VAN THERMISCHE PROCESSEN

Alkanen, C10-C13, chloor- (gechloreerde paraffinen met een korte keten) (SCCP's): 10 000 mg/kg;

Aldrin: 5 000 mg/kg;

Chloordaan: 5 000 mg/kg;

Chloordecon: 5 000 mg/kg;

DDT (1,1,1-trichloor-2,2-bis(4-chloorfenyl)ethaan): 5 000 mg/kg;

Dieldrin: 5 000 mg/kg;

Endosulfan: 5 000 mg/kg;

Endrin: 5 000 mg/kg;

Heptachloor: 5 000 mg/kg;

Hexabroombifenyl: 5 000 mg/kg;

Hexabroomcyclodo-decaan (3):1 000 mg/kg;

Hexachloorbenzeen: 5 000 mg/kg;

Hexachloorbutadieen: 1 000 mg/kg;

Hexachloorcyclohexanen, inclusief lindaan: 5 000 mg/kg;

Mirex: 5 000 mg/kg;

Pentachloorbenzeen: 5 000 mg/kg;

Perfluoroctaansulfonzuur en derivaten daarvan (PFOS) (C8F17SO2X) (X = OH, metaalzout (O-M+), halogenide, amide en andere derivaten inclusief polymeren): 50 mg/kg;

Polychloorbifenylen (pcb's) (4): 50 mg/kg;

Polychloordibenzo-p-dioxinen en polychloordibenzo-furanen: 5 mg/kg;

Polychloornaftalenen (*): 1 000 mg/kg;

Som van de concentraties van tetrabroomdifenylether (C12H6Br4O), pentabroomdifenylether (C12H5Br5O), hexabroomdifenylether (C12H4Br6O) en heptabroomdifenylether (C12H3Br7O): 10 000 mg/kg;

Toxafeen: 5 000 mg/kg.

Permanente opslag wordt uitsluitend toegestaan wanneer aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:

1)  de opslag gebeurt in een van de volgende locaties:

— veilige, diepe, ondergrondse, harde rotsformaties;

— zoutkoepels;

— een stortplaats voor gevaarlijke afvalstoffen, mits de afvalstoffen voor zover technisch mogelijk zijn verhard of gedeeltelijk gestabiliseerd, zoals vereist voor de indeling van de afvalstoffen in subhoofdstuk 19 03 van Beschikking 2000/532/EG;

2)  de bepalingen van Richtlijn 1999/31/EG van de Raad (5) en Beschikking 2003/33/EG van de Raad (6) zijn in acht genomen;

3)  er is aangetoond dat de gekozen handeling uit milieuoogpunt de voorkeur verdient.

10 01

Afval van elektriciteitscentrales en andere verbrandingsinstallaties (exclusief 19)

10 01 14  * (2)

Bij bijstoken vrijkomende bodemas, slakken en ketelstof die gevaarlijke stoffen bevatten

10 01 16 *

Bij bijstoken vrijkomende vliegas die gevaarlijke stoffen bevat

10 02

Afval van de ijzer- en staalindustrie

10 02 07 *

Vast afval van gaszuivering dat gevaarlijke stoffen bevat

10 03

Afval van thermische processen in de aluminiummetallurgie

10 03 04 *

Slakken van primaire productie

10 03 08 *

Zoutslakken van secundaire productie

10 03 09 *

Black drosses van secundaire productie

10 03 19 *

Rookgasstof dat gevaarlijke stoffen bevat

10 03 21 *

Overige deeltjes en stof (inclusief kogelmolenstof) die gevaarlijke stoffen bevatten

10 03 29 *

Afval van de behandeling van zoutslakken en black drosses dat gevaarlijke stoffen bevat

10 04

Afval van thermische processen in de loodmetallurgie

10 04 01 *

Slakken van primaire en secundaire productie

10 04 02 *

Dross en skimmings van primaire en secundaire productie

10 04 04 *

Rookgasstof

10 04 05 *

Overige deeltjes en stof

10 04 06 *

Vast afval van gasreiniging

10 05

Afval van thermische processen in de zinkmetallurgie

10 05 03 *

Rookgasstof

10 05 05 *

Vast afval van gasreiniging

10 06

Afval van thermische processen in de kopermetallurgie

10 06 03 *

Rookgasstof

10 06 06 *

Vast afval van gasreiniging

10 08

Afval van thermische processen in de overige non-ferrometallurgie

10 08 08 *

Zoutslakken van primaire en secundaire productie

10 08 15 *

Rookgasstof dat gevaarlijke stoffen bevat

10 09

Afval van ijzergieten

10 09 09 *

Rookgasstof dat gevaarlijke stoffen bevat

16

NIET ELDERS IN DE LIJST GENOEMD AFVAL

16 11

Ovenpuin

16 11 01 *

Koolstofhoudend ovenpuin van metallurgische processen dat gevaarlijke stoffen bevat

16 11 03 *

Overig ovenpuin van metallurgische processen dat gevaarlijke stoffen bevat

17

BOUW- EN SLOOPAFVAL (INCLUSIEF AFGEGRAVEN GROND VAN VERONTREINIGDE LOCATIES)

17 01

Beton, stenen, tegels en keramische producten

17 01 06 *

Mengsels van beton, stenen, tegels of keramische producten, of afzonderlijke fracties daarvan, die gevaarlijke stoffen bevatten

17 05

Grond (inclusief afgegraven grond van verontreinigde locaties), stenen en baggerspecie

17 05 03 *

Grond en stenen die gevaarlijke stoffen bevatten

17 09

Overig bouw- en sloopafval

17 09 02 *

Bouw- en sloopafval dat pcb's bevat met uitzondering van pcb-houdend materieel

17 09 03 *

Overig bouw- en sloopafval (met inbegrip van gemengd afval) dat gevaarlijke stoffen bevat

19

AFVAL VAN INSTALLATIES VOOR AFVALBEHEER, OFFSITE WATERZUIVERINGSINSTALLATIES EN DE BEREIDING VAN VOOR MENSELIJKE CONSUMPTIE BESTEMD WATER EN WATER VOOR INDUSTRIEEL GEBRUIK

19 01

Afval van de verbranding of pyrolyse van afval

19 01 07 *

Vast afval van gasreiniging

19 01 11 *

Bodemas en slakken die gevaarlijke stoffen bevatten

19 01 13 *

Vliegas die gevaarlijke stoffen bevat

19 01 15 *

Ketelas die gevaarlijke stoffen bevat

19 04

Verglaasd afval en afval van verglazen

19 04 02 *

Vliegas en ander rookgasreinigingsafval

19 04 03 *

Niet-verglaasde vaste fase

(1)   Deze grenswaarden gelden alleen voor stortplaatsen voor gevaarlijk afval en zijn niet van toepassing op permanente ondergrondse opslagvoorzieningen voor gevaarlijk afval, waaronder zoutkoepels.

(2)   Elke met een asterisk „*” aangegeven afvalstof wordt beschouwd als een gevaarlijke afvalstof overeenkomstig Richtlijn 2008/98/EG en is onderworpen aan de bepalingen van die richtlijn.

(3)   „Hexabroomcyclododecaan” omvat hexabroomcyclododecaan, 1,2,5,6,9,10-hexabroomcyclododecaan en zijn voornaamste diastereo-isomeren: α-hexabroomcyclododecaan, β-hexabroomcyclododecaan en γ-hexabroomcyclododecaan.

(4)   Hiervoor wordt de berekeningsmethode van de Europese normen EN 12766-1 en EN 12766-2 gebruikt.

(5)   Richtlijn 1999/31/EG van de Raad van 26 april 1999 betreffende het storten van afvalstoffen (PB L 182 van 16.7.1999, blz. 1).

(6)   Beschikking 2003/33/EG van de Raad van 19 december 2002 tot vaststelling van criteria en procedures voor het aanvaarden van afvalstoffen op stortplaatsen overeenkomstig artikel 16 en bijlage II van Richtlijn 1999/31/EG (PB L 11 van 16.1.2003, blz. 27).

De maximale concentratiegrenswaarde van polychloordibenzo-p-dioxinen en polychloordibenzofuranen (PCDD's en PCDF's) wordt berekend met gebruikmaking van de volgende toxische-equivalentiefactoren (TEF's):



PCDD

TEF

2,3,7,8-TeCDD

1

1,2,3,7,8-PeCDD

1

1,2,3,4,7,8-HxCDD

0,1

1,2,3,6,7,8-HxCDD

0,1

1,2,3,7,8,9-HxCDD

0,1

1,2,3,4,6,7,8-HpCDD

0,01

OCDD

0,0003

PCDF

TEF

2,3,7,8-TeCDF

0,1

1,2,3,7,8-PeCDF

0,03

2,3,4,7,8-PeCDF

0,3

1,2,3,4,7,8-HxCDF

0,1

1,2,3,6,7,8-HxCDF

0,1

1,2,3,7,8,9-HxCDF

0,1

2,3,4,6,7,8-HxCDF

0,1

1,2,3,4,6,7,8-HpCDF

0,01

1,2,3,4,7,8,9-HpCDF

0,01

OCDF

0,0003



( 1 ) Richtlijn 67/548/EEG van 27 juni 1967 betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen (PB 196 van 16.8.1967, blz. 1). Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 807/2003.

( 2 ) Richtlijn van de Raad 75/442/EEG van 15 juli 1975 betreffende afvalstoffen.(PB L 194 van 25.7.1975, blz. 39). Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1882/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 284 van 31.10.2003, blz. 1).

( 3 ) Richtlijn 2001/59/EG van de Commissie van 6 augustus 2001 tot achtentwintigste aanpassing aan de vooruitgang van de techniek van Richtlijn 67/548/EEG van de Raad betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen (PB L 225 van 21.8.2001, blz. 1).

( 4 ) Richtlijn 96/61/EG van de Raad van 24 september 1996 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (PB L 257 van 10.10.1996, blz. 26). Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1882/2003.

( 5 ) Richtlijn 96/59/EG van de Raad van 16 september 1996 betreffende de verwijdering van polychloorbifenylen en polychloorterfenylen (PCB's/PCT's) (PB L 243 van 24.9.1996, blz. 31).

( 6 ) PB L 41 van 14.2.2003, blz. 26.

( 7 ) Beschikking 2000/479/EG van de Commissie van 17 juli 2000 inzake de totstandbrenging van een Europees emissieregister van verontreinigende stoffen (EPER) overeenkomstig artikel 15 van Richtlijn 96/61/EG van de Raad inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (IPPC) (PB L 192 van 28.7.2000, blz. 36).

( 8 ) Ten behoeve van de emissie-inventarissen worden de volgende vier compound-indicators gebruikt: benzo(a)pyreen, benzo(b)fluorantheen, benzo(k)fluorantheen en indeno(1,2,3-cd)pyreen

( 9 ) PB L 332 van 28.12.2000, blz. 91.

( 10 ) Beschikking 2000/532/EG van de Commissie van 3 mei 2000 ter vervanging van Beschikking 94/3/EG houdende vaststelling van een lijst van afvalstoffen overeenkomstig artikel 1, onder a), van Richtlijn 75/442/EEG van de Raad betreffende afvalstoffen en Beschikking 94/904/EG van de Raad tot vaststelling van een lijst van gevaarlijke afvalstoffen overeenkomstig artikel 1, lid 4, van Richtlijn 91/689/EEG van de Raad betreffende gevaarlijke afvalstoffen (PB L 226 van 6.9.2000, blz. 3). Beschikking laatstelijk gewijzigd bij Beschikking 2001/573/EG van de Raad (PB L 203 van 28.7.2001, blz. 18).