1998R2532 — NL — 04.02.2015 — 001.001
Dit document vormt slechts een documentatiehulpmiddel en verschijnt buiten de verantwoordelijkheid van de instellingen
|
VERORDENING (EG) Nr. 2532/98 VAN DE RAAD van 23 november 1998 met betrekking tot de bevoegdheid van de ECB om sancties op te leggen (PB L 318, 27.11.1998, p.4) |
Gewijzigd bij:
|
|
|
Publicatieblad |
||
|
No |
page |
date |
||
|
L 27 |
1 |
3.2.2015 |
||
VERORDENING (EG) Nr. 2532/98 VAN DE RAAD
van 23 november 1998
met betrekking tot de bevoegdheid van de ECB om sancties op te leggen
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (het „Verdrag”), inzonderheid op artikel 108 A, lid 3, en artikel 34.3 van protocol nr. 3 betreffende de statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank (de „statuten”),
Gezien de aanbeveling van de Europese Centrale Bank (de „ECB”) ( 1 ),
Gezien het advies van het Europees Parlement ( 2 ),
Gezien het advies van de Commissie ( 3 ),
Volgens de procedure van artikel 106, lid 6, van het Verdrag en van artikel 42 van de statuten en onder de voorwaarden van artikel 109 K, lid 5, van het Verdrag en punt 7 van protocol nr. 11 betreffende enkele bepalingen met betrekking tot het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland,
|
(1) |
Overwegende dat deze verordening, overeenkomstig artikel 34.3 juncto artikel 43.1 van de statuten, punt 8 van het protocol nr. 11 en punt 2 van protocol nr. 12 betreffende enkele bepalingen inzake Denemarken, geen rechten verleent noch verplichtingen oplegt aan niet-deelnemende lidstaten; |
|
(2) |
Overwegende dat de Raad ingevolge artikel 34.3 van de statuten dient te bepalen binnen welke grenzen en onder welke voorwaarden de ECB gerechtigd is om ondernemingen boeten of dwangsommen op te leggen bij niet-naleving van de verplichtingen krachtens haar verordeningen en beschikkingen; |
|
(3) |
Overwegende dat niet-naleving van de verplichtingen krachtens verordeningen en beschikkingen van de ECB zich op verschillende tot de bevoegdheden van de ECB behorende gebieden kan voordoen; |
|
(4) |
Overwegende dat het wenselijk is, met het oog op de uniforme toepassing van sancties op de verschillende bevoegdheidsgebieden van de ECB, alle algemene en procedurele bepalingen met betrekking tot de toepassing van dergelijke sancties in één enkele verordening van de Raad op te nemen; dat andere verordeningen van de Raad voorzien in specifieke sancties op specifieke gebieden en dat zij voor wat betreft de beginselen en procedures met betrekking tot de toepassing van die sancties verwijzen naar de onderhavige verordening; |
|
(5) |
Overwegende dat deze verordening — met het oog op het creëren van een effectief systeem voor de administratie van sancties — de ECB enige speelruimte moet laten, zowel wat betreft de betrokken procedures als wat betreft de tenuitvoerlegging daarvan binnen de grenzen en onder de voorwaarden vastgelegd in deze verordening; |
|
(6) |
Overwegende dat aan het Europees Stelsel van centrale banken („ESCB”) en de ECB is opgedragen voorbereidingen te treffen om volledig operationeel te worden in de derde fase van de Economische en Monetaire Unie (hierna „fase 3” te noemen); dat een tijdige voorbereiding absoluut nodig is, wil het ESCB in staat zijn zich in fase 3 van zijn taken te kwijten; dat de vaststelling, vóór fase 3, van de voorschriften inzake het opleggen van sancties aan ondernemingen bij niet-naleving van op hen rustende verplichtingen krachtens verordeningen en beschikkingen van de ECB, een wezenlijk onderdeel van de voorbereiding vormt; dat het wenselijk is de marktdeelnemers zo snel mogelijk te informeren over nadere regels die de ECB nodig kan achten met het oog op de toepassing van sancties; dat derhalve de ECB vanaf de datum van inwerkingtreding van deze verordening regelgevende bevoegdheid moet worden verleend; |
|
(7) |
Overwegende dat de bepalingen van deze verordening alleen dan effectief kunnen worden toegepast als de deelnemende lidstaten ervoor hebben gezorgd dat hun autoriteiten de bevoegdheden hebben om de ECB bij te staan en volledige samenwerking te verlenen bij de tenuitvoerlegging van de niet-nalevingsprocedure zoals voorgeschreven in deze verordening, overeenkomstig artikel 5 van het Verdrag; |
|
(8) |
Overwegende dat de ECB een beroep zal kunnen doen op de nationale centrale banken voor de uitvoering van de taken van het ESCB voorzover dit mogelijk en passend wordt geacht; |
|
(9) |
Overwegende dat beschikkingen uit hoofde van deze verordening die een geldelijke verplichting inhouden, executoriale titel vormen overeenkomstig artikel 192 van het Verdrag, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Definities
Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
1. „deelnemende lidstaat”: een lidstaat die de ene munt overeenkomstig het Verdrag heeft aangenomen;
2. „nationale centrale bank”: de centrale bank van een deelnemende lidstaat;
3. „ondernemingen”: private of publieke natuurlijke of rechtspersonen (uitgezonderd publiekrechtelijke rechtspersonen tijdens de uitoefening van hun publieke functie) in een deelnemende lidstaat die onderworpen zijn aan de verplichtingen die voort- vloeien uit de verordeningen en beschikkingen van de ECB, met inbegrip van bijkantoren of andere vaste inrichtingen gesitueerd in een deelnemende lidstaat, waarvan het hoofdkantoor of de statutaire zetel zich niet in een deelnemende lidstaat bevindt;
4. „niet-naleving”: de omstandigheid dat een onderneming niet heeft voldaan aan de verplichtingen voortvloeiende uit de verordeningen of beschikkingen van de ECB;
5. „boete”: een eenmalig door een onderneming te betalen bedrag, als sanctie;
6. „dwangsommen”: door een onderneming te betalen geldbedragen, als sanctie voor een geval van voortdurende niet-naleving, of met het oog op het dwingen van de betrokken personen tot naleving van de ECB-toezichtverordeningen en -besluiten. Dwangsommen worden in rekening gebracht voor elke volledige dag dat de niet-naleving voortduurt:
a) gerekend vanaf de dag van kennisgeving van een beschikking krachtens artikel 3, lid 1, tweede alinea, die beëindiging van de niet-naleving voorschrijft, of
b) indien de voortdurende niet-naleving valt onder artikel 18, lid 7, van Verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad ( 4 ), in overeenstemming met de procedure die is vastgelegd in artikel 4 ter van deze verordening;
7. „sancties”: boeten en dwangsommen.
Artikel 1 bis
Algemene beginselen en toepassingsgebied
1. Deze verordening is van toepassing op de oplegging door de ECB van sancties aan ondernemingen bij niet-naleving van verplichtingen die voortvloeien uit ECB-besluiten en -verordeningen.
2. De regels die van toepassing zijn op de oplegging door de ECB, in de uitoefening van haar toezichttaken, van sancties in het geval van een schending van een ECB-verordening of besluit wijken af van de regels die zijn vastgelegd in de artikelen 2 tot en met 4 in de mate zoals bepaald in de artikelen 4 bis tot en met 4 quater.
3. De ECB publiceert besluiten waarbij aan een onderneming sancties worden opgelegd voor niet-naleving van een ECB-verordening of -besluit, op het gebied van toezicht, ongeacht of tegen de besluiten beroep is aangetekend.
De ECB verricht die publicatie onverwijld op haar website en nadat de onderneming in kwestie ervan in kennis is gesteld. De publicatie bevat gegevens betreffende de soort en aard van de schending en de identiteit van de betreffende onderneming, tenzij publicatie op deze wijze:
a) de stabiliteit van de financiële markten of een aanhangig crimineel onderzoek in gevaar zou brengen, of
b) disproportionele schade zou toebrengen, voor zover dit kan worden bepaald, aan de betreffende onderneming.
Onder dergelijke omstandigheden worden besluiten omtrent sancties anoniem gepubliceerd. Indien het aannemelijk is dat dergelijke omstandigheden binnen een redelijke termijn voorbij zullen zijn, kan publicatie op basis van dit lid eventueel worden uitgesteld gedurende een dergelijke periode.
Indien een beroepsprocedure aanhangig is bij het Hof van Justitie met betrekking tot een besluit waarbij een sanctie wordt opgelegd, publiceert de ECB tevens onverwijld de status van het betreffende beroep en de uitkomst daarvan op haar officiële website.
De ECB zorgt ervoor dat de op grond van dit lid gepubliceerde informatie ten minste vijf jaar op haar website blijft staan.
Artikel 2
Sancties
1. Tenzij anders bepaald in specifieke verordeningen van de Raad dient de ECB bij het opleggen van boeten en dwangsommen aan ondernemingen de volgende maxima in acht te nemen:
a) boeten bedragen ten hoogste 500 000 EUR en
b) dwangsommen bedragen ten hoogste 10 000 EUR per dag dat de niet-naleving voortduurt. Dwangsommen kunnen, nadat de onderneming kennis is gegeven van een beschikking krachtens artikel 3, lid 1, tweede alinea, gedurende maximaal zes maanden worden opgelegd.
2. De ECB zal zich bij haar besluit al dan niet een sanctie op te leggen en bij het vaststellen van een passende sanctie door het proportionaliteitsprincipe laten leiden.
3. De ECB zal in voorkomend geval rekening houden met de omstandigheden van elk specifiek geval, zoals:
a) aan de ene kant, de goede trouw en mate van openheid van de betrokken onderneming bij de interpretatie en nakoming van de verplichtingen voortvloeiende uit de verordeningen of beschikkingen van de ECB alsook de bereidwilligheid en coöperatieve houding van de onderneming, of, aan de andere kant, enig bewijs van moedwillige misleiding door de functionarissen van de onderneming;
b) de ernst van de gevolgen van de niet-naleving;
c) het herhalen, de frequentie of de duur van niet-naleving door de onderneming;
d) de winst behaald door de onderneming als gevolg van de niet-naleving;
e) de economische omvang van de onderneming, en
f) eerdere sancties, door andere instanties aan dezelfde onderneming opgelegd op grond van dezelfde feiten.
4. Indien een schending het niet-uitvoeren van een taak betreft, betekent sanctieoplegging niet dat het bedrijf ontheffing van die taakuitvoering krijgt, tenzij het vastgestelde besluit overeenkomstig artikel 3, lid 4, of artikel 4 ter expliciet het tegendeel vermeldt.
Artikel 3
Procedurele regels
►M1 1. Het besluit van de directie van de ECB een niet-nalevingsprocedure in te stellen wordt ofwel op eigen initiatief genomen ofwel op basis van een motie daartoe die bij de ECB is ingediend door de bevoegde nationale centrale bank van de lidstaat in wiens rechtsgebied de vermeende niet-naleving zich heeft voorgedaan. ◄ Het besluit kan ook worden genomen door de nationale centrale bank van de lidstaat in wiens rechtsgebied de vermeende niet-naleving zich heeft voorgedaan, ofwel op eigen initiatief ofwel op basis van een motie daartoe ingediend door de ECB bij de desbetreffende nationale centrale bank.
Van het besluit een niet-nalevingsprocedure in te stellen wordt schriftelijk kennis gegeven aan de betrokken onderneming, de betrokken toezichthoudende instantie en de bevoegde nationale centrale bank van de lidstaat in wiens rechtsgebied de vermeende niet-naleving zich heeft voorgedaan of de ECB. Deze kennisgeving bevat een precieze omschrijving van de beweringen tegen de onderneming en het bewijs waarop deze beweringen zijn gebaseerd. In voorkomend geval wordt de onderneming in het besluit gesommeerd de vermeende niet-naleving te beëindigen en wordt haar meegedeeld dat dwangsommen kunnen worden opgelegd.
2. Het in lid 1 bedoelde besluit kan vereisen dat de onderneming zich onderwerpt aan een niet-nalevingsprocedure. Bij het uitvoeren van de niet-nalevingsprocedure heeft de ECB, respectievelijk de nationale centrale bank, het recht:
a) de overlegging van documenten te vorderen;
b) de boeken en registers van de onderneming te inspecteren;
c) kopieën en uittreksels van die boeken en registers te maken, en
d) schriftelijke of mondelinge toelichting in te winnen.
Indien een onderneming de uitvoering van een niet-nalevingsprocedure belemmert, verleent de deelnemende lidstaat waar de desbetreffende bedrijfsruimten zijn gesitueerd, de nodige assistentie, inclusief het verzekeren van toegang voor de ECB of de nationale centrale bank tot de bedrijfsruimten van de onderneming, zodat bovengenoemde rechten kunnen worden uitgeoefend.
3. De betrokken onderneming heeft het recht om door de ECB, respectievelijk door de nationale centrale bank gehoord te worden. De onderneming heeft ten minste dertig dagen de tijd om verweer in te dienen.
4. De directie van de ECB neemt, zodra een nationale centrale bank een verzoek heeft ingediend waardoor een niet-nalevingsprocedure wordt ingeleid, of na overleg met de nationale centrale bank van de lidstaat in wiens rechtsgebied het vermeende geval van niet-naleving zich heeft voorgedaan, zo snel mogelijk een met redenen omkleed besluit omtrent de vraag of een onderneming zich aan niet-naleving schuldig heeft gemaakt, en bepaalt daarbij de eventueel op te leggen sanctie.
5. De betrokken onderneming wordt schriftelijk kennis gegeven van het besluit en wordt geïnformeerd over het recht op toetsing. De betrokken toezichthoudende instanties en de nationale centrale bank van de lidstaat in wiens rechtsgebied het geval van niet-naleving zich heeft voorgedaan, worden eveneens in kennis gesteld van het besluit.
6. De betrokken onderneming heeft het recht om toetsing van het besluit van de directie te verzoeken door de Raad van bestuur van de ECB. Een dergelijk verzoek dient binnen dertig dagen na ontvangst van de kennisgeving van het besluit te worden gedaan en dient alle informatie en argumenten ter staving te bevatten. Het dient schriftelijk aan de Raad van bestuur van de ECB gericht te worden.
7. Een besluit van de Raad van bestuur van de ECB in antwoord op een verzoek krachtens lid 6 dient de redenen voor het besluit te bevatten. De betrokken onderneming, de instantie belast met het toezicht op die onderneming, en de nationale centrale bank van de lidstaat in wiens rechtsgebied het geval van niet-naleving zich heeft voorgedaan, worden hiervan schriftelijk in kennis gesteld. In de kennisgeving wordt de onderneming ervan in kennis gesteld dat beroep op de rechter openstaat. Indien de Raad van bestuur binnen twee maanden na indiening van het verzoek geen besluit heeft genomen, kan de betrokken onderneming overeenkomstig het Verdrag om rechterlijke toetsing van het besluit van de directie verzoeken.
8. Tegen de onderneming zullen geen sancties worden genomen totdat het besluit definitief is geworden, ofwel doordat:
a) de periode van dertig dagen vermeld in lid 6 is verstreken zonder dat de onderneming een verzoek om toetsing door de Raad van bestuur van de ECB heeft ingediend; ofwel doordat
b) de Raad van bestuur de onderneming in kennis heeft gesteld van zijn beslissing, of de in lid 7 genoemde periode is verstreken zonder dat de Raad van bestuur een beslissing heeft genomen.
9. De opbrengst van sancties die door de ECB zijn opgelegd, komt aan de ECB toe.
10. Als de niet-naleving uitsluitend verband houdt met een krachtens de statuten en het Verdrag aan het ESCB of de ECB opgedragen taak, kan een niet-nalevingsprocedure alleen op grond van deze verordening worden ingeleid, ongeacht eventuele bestaande nationale wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen die voorzien in een aparte procedure. Als de niet-naleving tevens verband houdt met een of meer gebieden die buiten de bevoegdheid van het ESCB of de ECB vallen, bestaat het recht om een niet-nalevingsprocedure krachtens deze verordening in te leiden ongeacht enig recht van een bevoegde nationale instantie om andere procedures in te leiden in verband met deze buiten de bevoegdheid van het ESCB of de ECB vallende gebieden. Deze bepaling geldt onverminderd de toepassing van het strafrecht en de bevoegdheden op het gebied van bedrijfseconomisch toezicht in de deelnemende lidstaten, in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 1024/2013.
11. De kosten van de niet-nalevingsprocedure komen voor rekening van de onderneming, indien is besloten dat deze in gebreke is gebleven bij het nakomen van haar verplichtingen.
Artikel 4
Termijnen
1. Het recht te besluiten een niet-nalevingsprocedure in te leiden in de zin van deze verordening vervalt een jaar na het moment waarop ofwel de ECB ofwel de nationale centrale bank van de lidstaat in wiens rechtsgebied het vermeende geval van niet-naleving zich heeft voorgedaan, kennis heeft gekregen van het bestaan ervan, en in elk geval vijf jaar na de datum waarop het geval van niet-naleving zich heeft voorgedaan, of, in het geval van een voortdurende niet-naleving, vijf jaar na beëindiging van de niet-naleving.
2. Het recht te besluiten om wegens niet-naleving een sanctie op te leggen, overeenkomstig deze verordening, vervalt een jaar nadat is besloten een procedure in te leiden zoals beschreven in artikel 3, lid 1.
3. Het recht een tenuitvoerleggingsprocedure in te leiden vervalt zes maanden nadat het besluit krachtens artikel 3, lid 8, uitvoerbaar is geworden.
Artikel 4 bis
Specifieke regels met betrekking tot de bovengrenzen van sancties die zijn opgelegd door de ECB in de uitoefening van haar toezichttaken
1. In afwijking van artikel 2, lid 1, dient de ECB, in geval van niet-naleving van besluiten en verordeningen die door de ECB zijn vastgesteld in het kader van de uitoefening van haar toezichttaken, bij het opleggen van boeten en dwangsommen de volgende maxima in acht te nemen:
a) boeten bedragen ten hoogste tweemaal het bedrag van de behaalde winsten of vermeden verliezen als gevolg van de niet-naleving indien deze kunnen worden bepaald, of 10 % van de totale jaaromzet van de onderneming;
b) dwangsommen bedragen ten hoogste 5 % van de gemiddelde dagomzet per dag dat de niet-naleving voortduurt. Dwangsommen kunnen gedurende maximaal zes maanden worden opgelegd vanaf de datum die is bepaald in het besluit waarbij de dwangsom is opgelegd.
2. Voor de toepassing van lid 1 gelden de volgende definities:
|
a) |
„jaaromzet” : de jaaromzet van de betrokken onderneming over het voorgaande boekjaar, zoals gedefinieerd in relevant Unierecht en, indien dit niet beschikbaar is, op basis van de meest recente beschikbare jaarrekening van een dergelijke onderneming. Indien de betrokken onderneming een dochter is van een moederonderneming wordt de betreffende totale jaaromzet gevormd door de totale jaaromzet die blijkt uit de meest recente beschikbare geconsolideerde jaarrekening in het voorgaande boekjaar, overeenkomstig de meest recente beschikbare jaarrekening van een dergelijke onderneming; |
|
b) |
„gemiddelde dagomzet” : de jaaromzet zoals gedefinieerd onder a), gedeeld door 365. |
Artikel 4 ter
Specifieke procedurele regels voor sancties die zijn opgelegd door de ECB in de uitoefening van haar toezichttaken
1. In afwijking van artikel 3, lid 1 tot en met lid 8, van deze verordening zijn de regels die in dit artikel zijn vastgesteld van toepassing op niet-naleving van besluiten en verordeningen die door de ECB zijn vastgesteld in de uitoefening van haar toezichttaken.
2. Wanneer de ECB tijdens de uitvoering van haar taken uit hoofde van Verordening (EU) nr. 1024/2013 denkt dat er reden is om te vermoeden dat er één of meer schendingen van een ECB-verordening of -besluit, zoals bedoeld in artikel 18, lid 7, van Verordening (EU) nr. 1024/2013 worden of zijn gepleegd door een onderneming met hoofdkantoor in een lidstaat in de eurozone, verricht de ECB volgens onderstaande bepalingen de onderzoeken ter zake.
3. Bij afronding van een onderzoek en voordat een voorstel voor een compleet ontwerpbesluit wordt opgesteld en voorgelegd aan de Raad van toezicht, stelt de ECB in haar hoedanigheid om schendingen te onderzoeken op toezichtsgebied, de betreffende onderneming schriftelijk in kennis van de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek en eventuele daartegen gemaakte bezwaren.
In de hierboven bedoelde kennisgeving stelt de ECB in haar hoedanigheid om schendingen te onderzoeken op toezichtsgebied, de betrokken onderneming in kennis van haar recht om bij de ECB haar oordeel kenbaar te maken met betrekking tot de feitelijke resultaten en de daarin uiteengezette bezwaren die zijn gerezen tegen de entiteit, inclusief de individuele bepalingen waar beweerdelijk inbreuk op is gepleegd, waarbij een redelijke tijdslimiet wordt gegeven voor de totstandkoming van een dergelijk oordeel. De ECB is niet verplicht rekening te houden met schriftelijke oordelen die na verstrijking van de door de ECB in haar hoedanigheid om schendingen te onderzoeken op toezichtsgebied gestelde tijdslimiet tot stand zijn gekomen.
De ECB in haar hoedanigheid om schendingen te onderzoeken op toezichtsgebied kan tevens, na de onder lid 1 gedane kennisgeving, de betreffende onderneming uitnodigen een mondelinge zitting bij te wonen. De partijen die aan het onderzoek zijn onderworpen mogen tijdens de zitting vertegenwoordigd en/of geassisteerd worden door advocaten of andere gekwalificeerde personen. Mondelinge zittingen vinden niet plaats in het openbaar.
Het recht van de onderneming die aan het onderzoek wordt onderworpen op toegang tot het dossier is verzekerd. Het recht op toegang strekt zich niet uit tot vertrouwelijke informatie.
4. De Raad van toezicht stelt de Raad van bestuur een compleet ontwerpbesluit voor waarin wordt vastgesteld of de betreffende onderneming al dan niet een schending heeft gepleegd en geeft in detail aan welke eventuele sancties moeten worden opgelegd, overeenkomstig de procedure in artikel 26, lid 8, van Verordening (EU) nr. 1024/2013.
5. De betreffende onderneming heeft het recht om een verzoek in te dienen tot toetsing door de Administratieve Raad voor Toetsing van het besluit krachtens lid 4 dat is genomen door de Raad van bestuur, in overeenstemming met de procedure die is vastgesteld in artikel 24 van Verordening (EU) nr. 1024/2013.
Artikel 4 quater
Specifieke termijnen voor sancties die zijn opgelegd door de ECB in de uitoefening van haar toezichttaken
1. In afwijking van artikel 4 vervalt het recht tot het nemen van een besluit tot oplegging van een sanctie in het geval van schending van een ECB-besluit of -verordening op het gebied van toezicht, vijf jaar nadat de niet-naleving zich heeft voorgedaan of, in een geval van voortdurende niet-naleving, vijf jaar nadat de niet-naleving eindigde.
2. Acties die door de ECB worden ondernomen in het kader van het onderzoek van of procedures met betrekking tot niet-naleving hebben als gevolg dat de in lid 1 bedoelde termijn wordt gestuit. De verjaringstermijn wordt gestuit met ingang van de datum waarop de betreffende onderneming in kennis wordt gesteld van de maatregel. Iedere stuiting zorgt ervoor dat de termijn opnieuw aanvangt. De termijn is echter niet langer dan een periode van 10 jaar nadat de niet-naleving zich voordeed of, in een geval van voortdurende niet-naleving, 10 jaar nadat de niet-naleving eindigde.
3. De in de voorgaande leden beschreven termijnen kunnen verlengd worden indien:
a) een besluit van de Raad van bestuur onderworpen is aan toetsing door de Administratieve Raad voor Toetsing of onderwerp is van een beroepsprocedure bij het Hof van Justitie van de Europese Unie, of
b) een strafrechtelijke procedure aanhangig is tegen de betreffende onderneming met betrekking tot dezelfde feiten. In dat geval worden de in de vorige leden beschreven termijnen verlengd met een periode die benodigd is voor de toetsing van het besluit door de Administratieve Raad voor Toetsing of het Hof van Justitie of totdat de strafrechtelijke procedure tegen de betreffende onderneming is beëindigd.
4. Het recht van de ECB tot handhaving van een besluit tot oplegging van een sanctie verjaart vijf jaar nadat een dergelijk besluit is vastgesteld. Een handeling van de ECB die bedoeld is om betaling af te dwingen of ter handhaving van betalingstermijnen en -voorwaarden op basis van de opgelegde sanctie heeft als gevolg dat de verjaringstermijn voor de handhaving van de sancties wordt gestuit.
5. De verjaringstermijn voor de handhaving van sancties wordt opgeschort:
a) totdat de uiterste termijn voor betaling van de opgelegde sanctie is verstreken;
b) indien handhaving van betaling van de opgelegde sanctie is opgeschort als gevolg van een besluit van de Raad van bestuur of van het Hof van Justitie.
Artikel 5
Toetsing door de rechter
Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen heeft volledige rechtsmacht in de zin van artikel 172 van het Verdrag met betrekking tot de herziening van definitieve besluiten waarbij een sanctie is opgelegd.
Artikel 6
Algemene bepalingen en regelgevende bevoegdheid
1. In geval van conflict tussen de bepalingen van deze verordening en de bepalingen van andere verordeningen van de Raad die de ECB het recht verlenen tot het opleggen van sancties, primeren de bepalingen van de laatstgenoemde.
2. De ECB kan — binnen de grenzen en onder de voorwaarden vastgelegd in deze verordening — verordeningen vaststellen ter verdere regulering van de toepassing van sancties en richtsnoeren ter coördinatie en harmonisatie van de procedures die betrekking hebben op de uitvoering van de niet-nalevingsprocedure.
Artikel 7
Slotbepalingen
Deze verordening treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.
Artikel 6, lid 2, is van toepassing vanaf de datum van inwerkingtreding van deze verordening. De overige artikelen zijn van toepassing vanaf 1 januari 1999.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
( 1 ) PB C 246 van 6. 8. 1998, blz. 9.
( 2 ) PB C 328 van 26. 10. 1998.
( 3 ) Advies uitgebracht op 8 oktober 1998 (nog niet verschenen in het Publicatieblad).
( 4 ) Verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad van 15 oktober 2013 waarbij aan de Europese Centrale Bank specifieke taken worden opgedragen betreffende het beleid inzake het prudentieel toezicht op kredietinstellingen (PB L 287 van 29.10.2013, blz. 63).