1995L0018 — NL — 30.04.2004 — 002.002


Dit document vormt slechts een documentatiehulpmiddel en verschijnt buiten de verantwoordelijkheid van de instellingen

►B

RICHTLIJN 95/18/EG VAN DE RAAD

van 19 juni 1995

betreffende de verlening van vergunningen aan spoorwegondernemingen

(PB L 143, 27.6.1995, p.70)

Gewijzigd bij:

 

 

Publicatieblad

  No

page

date

►M1

RICHTLIJN 2001/13/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 26 februari 2001

  L 75

26

15.3.2001

►M2

RICHTLIJN 2004/49/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD Spoorwegveiligheidsrichtlijn van 29 april 2004

  L 164

44

30.4.2004


Gerectificeerd bij:

►C1

Rectificatie, PB L 220, 21.6.2004, blz. 16  (2004/49)




▼B

RICHTLIJN 95/18/EG VAN DE RAAD

van 19 juni 1995

betreffende de verlening van vergunningen aan spoorwegondernemingen



DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid op artikel 75,

Gezien het voorstel van de Commissie ( 1 ),

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité ( 2 ),

Overeenkomstig de procedure van artikel 189 C van het Verdrag ( 3 ),

Overwegende dat de interne markt een ruimte omvat zonder binnengrenzen waarin het vrije verkeer van goederen, personen, diensten en kapitaal is gewaarborgd;

Overwegende dat bij de toepassing van het beginsel van het vrij verrichten van diensten in de sector van het spoorwegvervoer met de specifieke kenmerken van die sector rekening moet worden gehouden;

Overwegende dat Richtlijn 91/440/EEG van de Raad van 29 juli 1991 betreffende de ontwikkeling van de spoorwegen in de Gemeenschap ( 4 ) voorziet in sommige toegangsrechten in het internationaal spoorwegvervoer voor spoorwegondernemingen en internationale samenwerkingsverbanden daarvan;

Overwegende dat om de uniforme en niet-discriminerende toepassing van de toegangsrechten tot de spoorweginfrastructuur in de gehele Gemeenschap te waarborgen, de instelling van een vergunning voor spoorwegondernemingen noodzakelijk is, wanneer deze de in artikel 10 van Richtlijn 91/440/EEG bedoelde diensten verlenen;

Overwegende dat het wenselijk is de werkingssfeer van Richtlijn 91/440/EEG, met inbegrip van de daarin vastgestelde uitzonderingen voor regionale, stads- en voorstadsdiensten, te handhaven, maar daarbij dient te worden bepaald dat ook de vervoersverrichtingen van de pendeldiensten door de Kanaaltunnel buiten deze werkingssfeer vallen;

Overwegende dat hiertoe de geldigheid van de door een Lid-Staat verleende vergunning in de gehele Gemeenschap moet worden erkend;

Overwegende dat de communautaire voorwaarden voor toegang tot of doorvoer naar de spoorweginfrastructuur onder andere bepalingen van de communautaire wetgeving vallen;

Overwegende dat het, gelet op het beginsel van subsidiariteit en om de noodzakelijke uniformiteit en doorzichtigheid te waarborgen, wenselijk is dat de Gemeenschap de basisbeginselen van een dergelijk vergunningsstelsel vaststelt en de verantwoordelijkheid voor het verlenen van de vergunningen en het beheren van het stelsel aan de Lid-Staten overlaat;

Overwegende dat het met het oog op een betrouwbare en adequate dienstverlening dient te worden gewaarborgd dat de spoorwegondernemingen te allen tijde aan sommige eisen inzake goede naam, financiële gezondheid en beroepsbekwaamheid voldoen;

Overwegende dat met het oog op de bescherming van de cliënten en derden dient te worden gewaarborgd dat de spoorwegondernemingen voldoende verzekerd zijn tegen aansprakelijkheidsrisico's of gelijkwaardige regelingen daartoe hebben getroffen;

Overwegende dat het wenselijk is in hetzelfde kader voorzieningen te treffen voor de schorsing of de intrekking van de vergunning alsmede voor de afgifte van tijdelijke vergunningen;

Overwegende dat een spoorwegonderneming voorts gehouden is tot inachtneming van de op niet-discriminerende wijze opgelegde nationale en communautaire voorschriften inzake de exploitatie van spoorwegdiensten die ten doel hebben deze onderneming in staat te stellen haar activiteiten op specifieke trajecten in alle veiligheid uit te oefenen;

Overwegende dat het met het oog op de efficiëntie van het internationaal spoorwegvervoer noodzakelijk is dat spoorwegondernemingen de op dit gebied geldende overeenkomsten naleven;

Overwegende tenslotte dat de procedures voor het verlenen, het handhaven en het wijzigen van vergunningen voor spoorwegondernemingen in de lijn moeten liggen van het algemene streven naar doorzichtigheid en non-discriminatie,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:



DEEL I

Doelstelling en werkingssfeer

▼M1

Artikel 1

1.  Deze richtlijn betreft de criteria voor de verlening, verlenging of wijziging, door een lidstaat, van vergunningen voor spoorwegondernemingen die in de Gemeenschap gevestigd zijn of zich daar zullen vestigen.

2.  De lidstaten kunnen van het toepassingsgebied van deze richtlijn uitsluiten:

a) ondernemingen die uitsluitend spoorwegvervoersdiensten voor reizigers op een lokale of regionale, op zichzelf staande spoorweginfrastructuur exploiteren;

b) spoorwegondernemingen die uitsluitend spoorwegvervoersdiensten voor reizigers in het stads- of voorstadsverkeer exploiteren;

c) spoorwegondernemingen waarvan de activiteit beperkt is tot het verlenen van regionale spoorwegvervoersdiensten voor goederen en die niet onder de werkingssfeer van Richtlijn 91/440/EEG vallen;

d) ondernemingen die uitsluitend goederenvervoer verrichten op een particuliere spoorweginfrastructuur welke enkel door de eigenaar van de infrastructuur voor zijn eigen goederenvervoer wordt gebruikt.

3.  Ondernemingen waarvan de activiteiten beperkt zijn tot het verrichten van pendeldiensten voor wegvoertuigen door de Kanaaltunnel zijn uitgesloten van de werkingssfeer van deze richtlijn.

▼B

Artikel 2

In deze richtlijn wordt verstaan onder:

▼M1

a) „Spoorwegonderneming”: elke privaat- of publiekrechtelijke onderneming waarvan de voornaamste activiteit bestaat in het leveren van spoorwegvervoersdiensten voor goederen en/of reizigers, waarbij die onderneming voor de tractie moet zorgen; hiertoe behoren ook ondernemingen die uitsluitend voor tractie zorgen.

▼B

b) „vergunning”: een door een Lid-Staat aan een onderneming verleende vergunning waarbij haar hoedanigheid als spoorwegonderneming wordt erkend. De vergunning kan worden beperkt tot het verrichten van bepaalde categorieën vervoerdiensten;

c) „vergunningverlenende autoriteit”: door de Lid-Staat aangewezen instantie die gemachtigd is vergunningen aan spoorwegondernemingen te verlenen;

d) 

 „stads- en voorstadsvervoerdiensten”: vervoerdiensten die beantwoorden aan de behoeften van een stedelijk centrum of een agglomeratie, alsook aan de behoeften aan vervoer tussen dat centrum of die agglomeratie en de omliggende gebieden;

 „regionale vervoerdiensten”: vervoerdiensten die gericht zijn op de vervoerbehoeften van een regio.

▼M1

Artikel 3

Elke lidstaat wijst de instantie aan die voor het verlenen van vergunningen en voor het uitvoeren van de verplichtingen uit hoofde van deze richtlijn verantwoordelijk is. De vergunningen worden verleend door een instantie die zelf geen spoorwegvervoersdiensten levert en die onafhankelijk is van instanties of ondernemingen die wel zulke diensten leveren.

▼B



DEEL II

Voorwaarden voor het verkrijgen van de vergunning

Artikel 4

1.  Spoorwegondernemingen hebben het recht een vergunning aan te vragen in de Lid-Staat waar zij gevestigd zijn.

2.  De Lid-Staten verlenen noch verlengen een vergunning wanneer niet aan de voorwaarden van deze richtlijn is voldaan.

3.  Spoorwegondernemingen die aan de voorwaarden van deze richtlijn voldoen, zijn gerechtigd een vergunning te ontvangen.

4.  Spoorwegondernemingen zijn niet gemachtigd onder deze richtlijn vallende spoorwegvervoerdiensten te verrichten, tenzij zij daartoe over de gepaste vergunning beschikken.

Deze vergunning op zich geeft evenwel geen toegang tot de spoorweginfrastructuur.

▼M1

5.  Een vergunning geldt voor het gehele grondgebied van de Gemeenschap.

▼B

Artikel 5

1.  Een spoorwegonderneming moet, vóór het begin van haar activiteiten, ten aanzien van de vergunningverlenende autoriteiten van de betrokken Lid-Staat kunnen aantonen dat zij te allen tijde kan voldoen aan bepaalde, in de artikelen 6 tot en met 9 genoemde, eisen inzake goede naam, financiële draagkracht en beroepsbekwaamheid, alsmede dekking van haar wettelijke aansprakelijkheid.

2.  Voor de toepassing van lid 1 verstrekt de onderneming die een vergunning aanvraagt alle relevante inlichtingen.

Artikel 6

De Lid-Staten stellen de voorwaarden vast waaronder aan het vereiste inzake goede naam is voldaan, teneinde te waarborgen dat de vergunningaanvragende spoorwegonderneming of de bestuurders ervan:

 niet zijn veroordeeld wegens ernstige strafbare feiten, met inbegrip van handelsdelicten;

 niet failliet zijn verklaard;

 niet zijn veroordeeld wegens ernstige inbreuken op specifieke wettelijke bepalingen op het gebied van het vervoer;

▼M1

 niet zijn veroordeeld wegens ernstige of herhaalde inbreuken op verplichtingen die voortvloeien uit het sociaal recht of uit het arbeidsrecht, met inbegrip van verplichtingen uit de wetten inzake arbeidsbescherming, of, in het geval van ondernemingen die grensoverschrijdend goederenvervoer wensen te verrichten waarvoor douaneprocedures gelden, uit de douaneregelgeving.

▼B

Artikel 7

1.  Aan de eisen inzake financiële draagkracht is voldaan indien de vergunningaanvragende spoorwegonderneming kan aantonen dat zij gedurende een periode van twaalf maanden haar op realistische onderstellingen gebaseerde, bestaande en potentiële verbintenissen kan nakomen.

2.  Voor de toepassing van lid 1 verstrekt de aanvrager van een vergunning ten minste de gegevens vermeld in deel I van de bijlage.

▼C1

Artikel 8

Aan de eisen inzake beroepsbekwaamheid is voldaan indien de vergunningaanvragende spoorwegonderneming beschikt of zal beschikken over een bestuurlijke organisatie die de nodige kennis en/of ervaring bezit om de operationele controle en het toezicht op de in de vergunning omschreven activiteiten op veilige en betrouwbare wijze te kunnen uitoefenen.

▼B

Artikel 9

Een spoorwegonderneming dient voldoende te zijn verzekerd of gelijkwaardige voorzieningen te hebben getroffen om, ter toepassing van de nationale en internationale wetgeving, haar wettelijke aansprakelijkheid bij ongeval, met name ten aanzien van passagiers, bagage, vracht, post en derden te dekken.



DEEL III

Geldigheidstermijn van de vergunning

Artikel 10

1.  Een vergunning blijft geldig zolang de spoorwegonderneming aan de in deze richtlijn vervatte verplichtingen voldoet. De vergunningverlenende autoriteiten kunnen evenwel bepalen dat de vergunning ten minste om de vijf jaar aan een nieuw onderzoek wordt onderworpen.

2.  Bijzondere bepalingen betreffende het schorsen of intrekken van de vergunning kunnen in de vergunning zelf zijn vervat.

Artikel 11

1.  Indien er ernstige twijfel bestaat over de naleving van de in deze richtlijn, in het bijzonder in artikel 5, vervatte verplichtingen door een spoorwegonderneming waaraan een vergunning is verleend, kunnen de vergunningverlenende autoriteiten te allen tijde nagaan of aan deze verplichtingen wordt voldaan.

De vergunningverlenende autoriteiten schorsen de vergunning of trekken deze in wanneer zij constateren dat de spoorwegonderneming niet langer aan de in deze richtlijn, en meer bepaald in artikel 5, vervatte verplichtingen voldoet.

2.  Wanneer een vergunningverlenende autoriteit van een Lid-Staat constateert dat er ernstige twijfel bestaat over de naleving van de in deze richtlijn vervatte verplichtingen door een spoorwegonderneming waaraan de autoriteit van een andere Lid-Staat een vergunning heeft verleend, stelt zij deze autoriteit daarvan onverwijld in kennis.

3.  Onverminderd het bepaalde in lid 1, kunnen de vergunningverlenende autoriteiten in gevallen waarin de vergunning is geschorst of ingetrokken wegens niet-nakoming van de verplichtingen inzake financiële draagkracht, een tijdelijke vergunning verlenen voor de periode waarin de spoorwegonderneming wordt gereorganiseerd, op voorwaarde dat de veiligheid niet in het gedrang komt. De tijdelijke vergunning is echter slechts geldig gedurende een periode van maximaal zes maanden te rekenen vanaf de datum van toekenning.

4.  Wanneer een spoorwegonderneming haar activiteiten gedurende zes maanden heeft gestaakt of tijdens de zes maanden na het verkrijgen van een vergunning geen exploitatie is begonnen, kunnen de vergunningverlenende autoriteiten beslissen dat de vergunning opnieuw ter goedkeuring moet worden voorgelegd of moet worden geschorst.

Wanneer met de exploitatie wordt begonnen, kan de spoorwegonderneming verzoeken om een langere termijn, waarbij rekening wordt gehouden met het specifieke karakter van de verrichte diensten.

5.  Ten aanzien van een spoorwegonderneming kunnen de vergunningverlenende autoriteiten beslissen dat de vergunning opnieuw ter goedkeuring moet worden voorgelegd bij een wijziging die invloed heeft op de rechtssituatie van de onderneming en meer bepaald in geval van fusie of bedrijfsovername. De betrokken spoorwegonderneming mag de exploitatie voortzetten, tenzij de vergunningverlenende autoriteiten besluiten dat de veiligheid in het gedrang komt, met opgave van de redenen daarvoor.

6.  Wanneer een spoorwegondernerming haar activiteiten ingrijpend wil wijzigen of uitbreiden, dient de vergunning aan de vergunningverlenende autoriteiten met het oog op een nieuw onderzoek te worden voorgelegd.

7.  De vergunningverlenende autoriteiten kunnen een spoorwegonderneming waartegen een rechtsvordering wegens insolventie of een soortgelijke procedure is ingesteld, haar vergunning niet laten behouden, wanneer zij ervan overtuigd zijn dat er geen realistische vooruitzichten zijn op een bevredigende financiële reorganisatie binnen een redelijke termijn.

▼M1

8.  Wanneer de vergunningverlenende autoriteiten een vergunning hebben verleend, geschorst, ingetrokken of aangepast, dient de betrokken lidstaat de Commissie onverwijld hiervan in kennis te stellen. De Commissie brengt de andere lidstaten onmiddellijk op de hoogte.

Artikel 12

1.  Behalve aan de vereisten van deze richtlijn dient de spoorwegonderneming ook te voldoen aan de nationale wetten en voorschriften die verenigbaar zijn met de communautaire wetgeving en op niet-discriminerende wijze worden toegepast, met name met betrekking tot:

a) specifieke technische en exploitatie-eisen voor de spoorwegvervoersdiensten,

b) veiligheidseisen die van toepassing zijn op het personeel, het rollend materieel en de interne organisatie van de onderneming,

c) bepalingen met betrekking tot de gezondheid, de veiligheid, de sociale voorwaarden en de rechten van de werknemers en de consumenten,

d) vereisten die voor alle ondernemingen in de betreffende spoorwegsector gelden en bedoeld zijn om de consument voordelen of bescherming te bieden.

2.  Een spoorwegonderneming kan te allen tijde aan de Commissie de vraag voorleggen, of de vereisten van het nationale recht verenigbaar zijn met het Gemeenschapsrecht, alsook of die vereisten op niet-discriminerende wijze worden toegepast. Als de Commissie van oordeel is dat aan de voorschriften van deze richtlijn niet is voldaan, geeft zij een advies over de juiste interpretatie van de richtlijn, onverminderd artikel 226 van het Verdrag.

Artikel 13

Spoorwegondernemingen dienen zich te houden aan de op internationale spoorwegvervoersdiensten toepasselijke overeenkomsten die van kracht zijn in de lidstaten waar zij hun activiteiten uitoefenen. Tevens nemen zij de ter zake dienende douane- en belastingbepalingen in acht.

▼B



DEEL IV

Overgangsbepaling

Artikel 14

Spoorwegondernemingen die spoorwegvervoerdiensten verrichten op de in artikel 16, lid 2, bedoelde uiterste datum van omzetting van deze richtlijn beschikken over een termijn van twaalf maanden om aan de bepalingen van deze richtlijn te voldoen. Deze overgangsperiode heeft geen betrekking op voorschriften betreffende het veiligheidsaspect van de activiteiten.



DEEL V

Slotbepalingen

Artikel 15

1.  De procedures voor het verlenen van vergunningen worden bekendgemaakt door de betrokken Lid-Staat, die de Commissie daarvan in kennis stelt.

2.  De vergunningverlenende autoriteiten besluiten zo spoedig mogelijk, en uiterlijk drie maanden nadat alle vereiste inlichtingen, meer bepaald de gegevens vermeld in de bijlage, zijn verstrekt, over een aanvraag voor een vergunning, waarbij met alle beschikbare gegevens rekening wordt gehouden. Van het besluit wordt aan de spoorwegonderneming die de aanvraag heeft ingediend, kennis gegeven. Een afwijzing wordt met redenen omkleed.

3.  De Lid-Staten nemen de nodige maatregelen om te waarborgen dat de besluiten van de vergunningverlenende autoriteiten onderworpen zijn aan een rechterlijke toetsing.

Artikel 16

1.  De Commissie dient, twee jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn, een verslag in bij de Raad over deze toepassing, eventueel vergezeld van voorstellen voor het vervolg van het optreden van de Gemeenschap op het gebied van de ontwikkeling van de spoorwegen, met name voor wat betreft de mogelijkheid om het toepassingsgebied van de richtlijn uit te breiden.

2.  De Lid-Staten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk twee jaar na de inwerkingtreding ervan aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

3.  Wanneer de Lid-Staten de in lid 2 bedoelde bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen naar deze richtlijn verwezen of wordt hiernaar verwezen bij de officiële bekendmaking van die bepalingen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de Lid-Staten.

Artikel 17

Deze richtlijn treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Artikel 18

Deze richtlijn is gericht tot de Lid-Staten.




BIJLAGE

I.   Gegevens als bedoeld in artikel 7, lid 2

1. De financiële draagkracht wordt onderzocht aan de hand van de jaarrekeningen van de onderneming en, voor ondernemingen die een vergunning aanvragen en deze jaarrekeningen niet kunnen overleggen, aan de hand van de jaarbalans. Voor dit onderzoek moeten gedetailleerde gegevens over met name de volgende elementen worden verstrekt:

a) beschikbare financiële middelen, met inbegrip van bankdeposito's, toegestane voorschotten op lopende rekeningen en leningen;

b) kapitalen en activabestanddelen die als garantie kunnen dienen;

c) exploitatiekapitaal;

d) specifieke kosten, met inbegrip van kosten voor de aanschaf van en voorschotten op voertuigen, terreinen, gebouwen, installaties en rollend materieel;

e) lasten die op het vermogen van de onderneming drukken.

2. De aanvragende onderneming beschikt met name niet over de vereiste financiële draagkracht wanneer aanzienlijke achterstallige bedragen aan belastingen of sociale bijdragen uit hoofde van de activiteit van de onderneming zijn verschuldigd.

3. De autoriteit kan met name de overlegging van een deskundigenrapport en van passende documenten van een bank, een openbare spaarkas, een financieel commissaris of een beëdigd accountant eisen. Deze documenten dienen gegevens over de onder punt 1 genoemde elementen te bevatten.

▼M2 —————



( 1 ) PB nr. C 24 van 28. 1. 1994, blz. 2 en PB nr. C 225 van 13. 8. 1994, blz. 9.

( 2 ) Advies uitgebracht op 14 september 1994 (PB nr. C 393 van 31. 12. 1994, blz. 56).

( 3 ) Advies van het Europees Parlement van 3 mei 1994 (PB nr. C 205 van 25. 7. 1994, blz. 38), gemeenschappelijk standpunt van de Raad van 21 november 1994 (PB nr. C 354 van 13. 12. 1994, blz. 11) en besluit van het Europees Parlement van 14 maart 1995 (PB nr. C 89 van 10. 4. 1995, blz. 30).

( 4 ) PB nr. L 237 van 24. 8. 1991, blz. 25.