1994L0062 — NL — 05.04.2005 — 003.001


Dit document vormt slechts een documentatiehulpmiddel en verschijnt buiten de verantwoordelijkheid van de instellingen

►B

RICHTLIJN 94/62/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 20 december 1994

betreffende verpakking en verpakkingsafval

(PB L 365, 31.12.1994, p.10)

Gewijzigd bij:

 

 

Publicatieblad

  No

page

date

 M1

VERORDENING (EG) Nr. 1882/2003 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 29 september 2003

  L 284

1

31.10.2003

►M2

RICHTLIJN 2004/12/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 11 februari 2004

  L 47

26

18.2.2004

►M3

RICHTLIJN 2005/20/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 9 maart 2005

  L 70

17

16.3.2005




▼B

RICHTLIJN 94/62/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 20 december 1994

betreffende verpakking en verpakkingsafval



HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid op artikel 100 A,

Gezien het voorstel van de Commissie ( 1 ),

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité ( 2 ),

Overeenkomstig de procedure van artikel 189 B van het Verdrag ( 3 ),

Overwegende dat het noodzakelijk is de verschillende nationale maatregelen betreffende het beheer van verpakkingen en verpakkingsafval te harmoniseren, enerzijds om milieu-effecten daarvan te voorkomen of te verminderen zodat een hoog niveau van milieubescherming wordt bereikt en anderzijds om de werking van de interne markt te waarborgen en handelsbelemmeringen, concurrentieverstoringen en -beperkingen binnen de Gemeenschap te voorkomen;

Overwegende dat de vermindering van de totale hoeveelheid verpakkingsmateriaal de beste manier is om te voorkomen dat verpakkingsafval ontstaat;

Overwegende dat het in verband met de doelstellingen van deze richtlijn van belang is vast te houden aan het algemene beginsel dat in een Lid-Staat getroffen milieubeschermingsmaatregelen geen ongunstige invloed mogen hebben op het vermogen van andere Lid-Staten om de doelstellingen van de richtlijn te verwezenlijken;

Overwegende dat beperking van het afval een noodzakelijke voorwaarde is voor duurzame groei, die in het Verdrag betreffende de Europese Unie expliciet als doel wordt genoemd;

Overwegende dat deze richtlijn gericht moet zijn op alle soorten verpakkingen die op de markt komen en op al het verpakkingsafval; dat Richtlijn 85/339/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende verpakkingen voor vloeibare levensmiddelen ( 4 ) daarom moet worden ingetrokken;

Overwegende dat verpakkingen echter een vitale sociale en economische functie hebben en dat de in deze richtlijn genoemde maatregelen daarom niet mogen afdoen aan andere kwaliteitseisen en vervoersvoorschriften inzake verpakkingen of verpakte goederen;

Overwegende dat het beheer van verpakkingen en verpakkingsafval overeenkomstig de communautaire strategie voor het afvalbeheer, beschreven in de resolutie van de Raad van 7 mei 1990 betreffende het afvalstoffenbeleid ( 5 ), en Richtlijn 75/442/EEG van de Raad van 15 juli 1975 betreffende afvalstoffen ( 6 ), als eerste prioriteit de preventie van verpakkingsafval omvat en als verdere grondbeginselen het hergebruik van verpakkingen, de recycling en andere vormen van nuttige toepassing van verpakkingsafval, en daardoor de vermindering van de definitieve verwijdering van dergelijk afval;

Overwegende dat hergebruik en recycling gezien hun milieu-effect de voorkeur hebben, in afwachting van wetenschappelijke en technologische vooruitgang op het gebied van terugwinning en dat daartoe in de Lid-Staten systemen moeten worden opgezet die garanderen dat gebruikte verpakkingen en/of verpakkingsafval worden geretourneerd; dat zo spoedig mogelijk levenscyclusanalyses gemaakt dienen te worden om vast te stellen welk voor hergebruik, recycling en terugwinning geschikt verpakkingsmateriaal de voorkeur verdient;

Overwegende dat de preventie van verpakkingsafval moet worden nagestreefd met alle passende maatregelen, onder andere initiatieven in de Lid-Staten overeenkomstig de doelstellingen van deze richtlijn;

Overwegende dat de Lid-Staten in overeenstemming met het Verdrag, stimulansen kunnen geven voor systemen voor hergebruik van verpakkingen die, op milieuhygiënisch verantwoorde wijze kunnen worden hergebruikt, om profijt te trekken van de bijdrage die deze methode aan de milieubescherming levert;

Overwegende dat recycling uit milieuoogpunt een belangrijke plaats in de terugwinning moet innemen, vooral om het energie- en grondstoffenverbruik te verminderen en de definitieve verwijdering van afvalstoffen terug te dringen;

Overwegende dat energieterugwinning een doeltreffend middel is om verpakkingsafval terug te winnen;

Overwegende dat de in de Lid-Staten gehanteerde streefwaarden voor de terugwinning en recycling van verpakkingsafval binnen bepaalde grenzen moeten liggen om rekening te houden met de verschillende situaties in de Lid-Staten en om de vorming van handelsbelemmeringen en het ontstaan van concurrentieverstoringen te voorkomen;

Overwegende dat het nuttig is een tijdstip op middellange termijn vast te stellen voor het bereiken van de genoemde streefwaarden en een tijdstip op lange termijn voor streefwaarden die later moeten worden vastgesteld en die aanmerkelijk hoger moeten liggen, zodat er op middellange termijn resultaten kunnen worden bereikt en tevens aan het bedrijfsleven, de consumenten en de overheidsinstanties de nodige richtsnoeren voor de toekomst worden gegeven;

Overwegende dat het Europees Parlement en de Raad aan de hand van Commissieverslagen de in de Lid-Staten met de toepassing van deze streefwaarden opgedane praktische ervaring moeten onderzoeken alsmede de resultaten van wetenschappelijk onderzoek en evaluatietechnieken zoals milieubalansen;

Overwegende dat de Lid-Staten die programma's hebben of zullen vaststellen die verder reiken dan dergelijke streefwaarden, deze met het oog op een hoog milieubeschermingsniveau moeten kunnen voortzetten mits deze maatregelen de interne markt niet verstoren en andere Lid-Staten niet hinderen bij de naleving van deze richtlijn; dat de Commissie deze maatregelen na een passende toetsing moet bevestigen;

Overwegende dat aan enkele Lid-Staten, vanwege hun specifieke omstandigheden, kan worden toegestaan lagere streefwaarden aan te nemen, op voorwaarde dat zij binnen de standaardtermijn een minimumstreefwaarde voor terugwinning bereiken en vóór een latere termijn de standaardstreefwaarden;

Overwegende dat het beheer van verpakkingen en verpakkingsafval vereist, dat in de Lid-Staten retour-, inzamelings- en terugwinningssystemen worden opgezet; dat dergelijke systemen open moeten staan voor deelneming van alle betrokken partijen en dusdanig dienen te zijn ontworpen dat discriminatie van ingevoerde produkten en handelsbelemmeringen of concurrentieverstoringen worden voorkomen en een maximale opbrengst van terugbezorgd verpakkingsmateriaal en gerecycleerd verpakkingsafval kan worden gegarandeerd, overeenkomstig het Verdrag;

Overwegende dat het merken van verpakkingen op Gemeenschapsbasis nader onderzocht moet worden, doch dat daarover in de nabije toekomst door de Gemeenschap dient te worden beslist;

Overwegende dat het, teneinde het milieu-effect van verpakkingen en verpakkingsafval zo gering mogelijk te maken en handelsbelemmeringen en concurrentieverstoringen te voorkomen, tevens noodzakelijk is de essentiële eisen te bepalen voor de samenstelling en aard van verpakkingen die geschikt zijn voor hergebruik en terugwinning, met inbegrip van recycling;

Overwegende dat de aanwezigheid van schadelijke metalen en andere stoffen in verpakking gezien hun gevolgen voor het milieu beperkt moet worden (met name aangezien kan worden aangenomen dat deze stoffen eveneens aanwezig zijn in emissies of as wanneer verpakking wordt verbrand of in percolaat wanneer verpakking wordt gestort); dat het als eerste stap noodzakelijk is dat de toxiciteit van verpakkingsafval wordt verminderd door de toevoeging van schadelijke zware metalen aan verpakking te verhinderen of erop toe te zien dat deze stoffen niet in het milieu terechtkomen, met passende vrijstellingen voor bijzondere gevallen die door de Commissie volgens een comitéprocedure worden bepaald;

Overwegende dat het aan de bron sorteren van verpakkingsafval in afzonderlijke bestanddelen van doorslaggevende betekenis is voor een hoog terugwinningspeil en ter voorkoming van gezondheids- en veiligheidsproblemen voor de personen, wier taak het is verpakkingsafval in te zamelen en te verwerken;

Overwegende dat de voorschriften voor de fabricage van verpakkingen niet van toepassing zijn op een verpakking die vóór de datum van aanneming van deze richtlijn voor een bepaald produkt wordt gebruikt; dat voorts een overgangsperiode vereist is voor het in de handel brengen van verpakkingen;

Overwegende dat bij het vaststellen van de inwerkingtredingsdatum van de bepaling betreffende het in de handel brengen van verpakkingen die voldoen aan alle essentiële eisen rekening moet worden gehouden met het feit dat de bevoegde normalisatie-instelling doende is Europese normen op te stellen; dat evenwel de bepalingen aangaande de bewijsmiddelen van overeenstemming met nationale normen onmiddellijk van toepassing moeten zijn;

Overwegende dat de opstelling van Europese normen betreffende de essentiële eisen en andere daarmee verband houdende zaken bevorderd moet worden;

Overwegende dat de in deze richtlijn genoemde maatregelen inhouden dat er terugwinnings-en recyclingcapaciteiten alsmede afzetmogelijkheden voor gerecycleerd verpakkingsmateriaal worden ontwikkeld;

Overwegende dat de verwerking van gerecycleerd materiaal in verpakkingen niet in strijd mag zijn met de relevante bepalingen inzake hygiëne, gezondheid en veiligheid van de consument;

Overwegende dat er behoefte is aan gegevens uit de gehele Gemeenschap over de verpakkingen en verpakkingsafval, zodat beter kan worden nagegaan of de doelstellingen van deze richtlijn worden verwezenlijkt;

Overwegende dat het van essentieel belang is dat allen die bij produktie, gebruik, invoer en distributie van verpakkingen en verpakte produkten betrokken zijn er meer van doordrongen raken in welke mate verpakkingen afval worden, en dat zij volgens het beginsel dat de vervuiler betaalt de verantwoordelijkheid voor dergelijk afval aanvaarden; dat voor de ontwikkeling en uitvoering van de in deze richtlijn genoemde maatregelen nauwe samenwerking tussen alle betrokkenen in een geest van gezamenlijke verantwoordelijkheid is vereist;

Overwegende dat consumenten een belangrijke rol spelen bij het beheer van verpakkingen en verpakkingsafval en derhalve goed moeten worden voorgelicht, zodat zij hun gedrag en houding kunnen aanpassen;

Overwegende dat de daadwerkelijke tenuitvoerlegging van deze richtlijn zal worden bevorderd wanneer de afvalbeheersplannen voorgeschreven in Richtlijn 75/442/EEG, worden opgenomen in een speciaal hoofdstuk over het beheer van verpakkingen en verpakkingsafval;

Overwegende dat het voor de Europese Gemeenschap en de Lid-Staten nodig kan zijn overeenkomstig de bepalingen van het Verdrag economische instrumenten te gebruiken om het verwezenlijken van de doelstellingen van deze richtlijn te vergemakkelijken zonder dat daardoor nieuwe vormen van protectionisme ontstaan;

Overwegende dat de Lid-Staten onverminderd de bepalingen van Richtlijn 83/189/EEG van de Raad van 28 maart 1983 inzake een kennisgevingsprocedure op het gebied van technische normen en voorschriften ( 7 ), de ontwerpen voor de maatregelen die zij voornemens zijn aan te nemen, eerst aan de Commissie moeten mededelen zodat zij aan de richtlijn kunnen worden getoetst;

Overwegende dat het verpakkingsidentificatiesysteem en de in een systeem van gegevensbestanden gebruikte formattering door de Commissie volgens een comitéprocedure aan de vooruitgang van wetenschap en techniek moeten worden aangepast;

Overwegende dat het mogelijk moet zijn bij eventuele problemen bij de uitvoering van deze richtlijn specifieke maatregelen te treffen en daarbij in voorkomend geval dezelfde comitéprocedure toe te passen,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:



Artikel 1

Doelstellingen

1.  Deze richtlijn heeft tot doel de nationale maatregelen betreffende het beheer van verpakking en verpakkingsafval te harmoniseren, enerzijds om elk effect daarvan op het milieu van de Lid-Staten en derde landen te voorkomen of te beperken en aldus een hoog milieubeschermingsniveau te waarborgen, en anderzijds om de werking van de interne markt te garanderen en handelsbelemmeringen, concurrentieverstoring en concurrentiebeperking in de Gemeenschap te voorkomen.

2.  Daartoe worden bij deze richtlijn maatregelen vastgesteld die op de eerste plaats gericht zijn op de preventie van verpakkingsafval en, als verdere fundamentele beginselen, op het hergebruik van verpakkingen en de recycling en terugwinning van verpakkingsafval, teneinde de definitieve verwijdering van dergelijk afval te verminderen.

Artikel 2

Werkingssfeer

1.  Deze richtlijn geldt voor alle in de Gemeenschap in de handel gebrachte verpakkingen en alle verpakkingsafval, gebruikt of ontstaan op industrieel, commercieel, kantoor-, winkel-, diensten-, huishoudelijk of enig ander niveau, ongeacht het gebruikte materiaal.

2.  Deze richtlijn is van toepassing onverminderd de bestaande kwaliteitseisen voor verpakkingen, zoals eisen op het gebied van de veiligheid, de bescherming van de gezondheid en de hygiëne van verpakte produkten of de bestaande eisen inzake het vervoer en onverminderd de bepalingen van Richtlijn 91/689/EEG van de Raad van 12 december 1991 betreffende gevaarlijke afvalstoffen ( 8 ).

Artikel 3

Definities

In deze richtlijn wordt verstaan onder:

1. „verpakking”: alle produkten, vervaardigd van materiaal van welke aard ook, die kunnen worden gebruikt voor het insluiten, beschermen, verladen, afleveren en aanbieden van goederen, van grondstoffen tot afgewerkte produkten, over het gehele traject van producent tot gebruiker of consument. Ook wegwerpartikelen die voor dit doel worden gebruikt, worden als verpakkingsmateriaal beschouwd.

Verpakking omvat uitsluitend:

a) verkoop- of primaire verpakking, dat wil zeggen verpakking die zo is ontworpen dat zij voor de eindgebruiker of consument op het verkooppunt een verkoopeenheid vormt;

b) verzamel- of secundaire verpakking, dat wil zeggen verpakking die zo is ontworpen dat zij op het verkooppunt een verzameling van een aantal verkoopeenheden vormt, ongeacht of deze als dusdanig aan de eindgebruiker of consument wordt verkocht, dan wel alleen dient om de rekken op het verkooppunt bij te vullen; deze verpakking kan van het produkt worden verwijderd zonder dat dit de kenmerken ervan beïnvloedt;

c) verzend- of tertiaire verpakking, dat wil zeggen verpakking die zo is ontworpen dat het verladen en het vervoer van een aantal verkoopeenheden of verzamelverpakkingen wordt vergemakkelijkt om fysieke schade door verlading of transport te voorkomen. Weg-, spoor-, scheeps- of vliegtuigcontainers worden niet als verzendverpakking beschouwd.

De definitie van „verpakking” is verder gebaseerd op de onderstaande criteria. De artikelen in bijlage I zijn voorbeelden ter illustratie van de toepassing van deze criteria:

i) Artikelen worden als verpakking beschouwd indien zij aan de bovenstaande definitie voldoen, ongeacht andere functies die de verpakking ook kan vervullen, tenzij het artikel integraal deel uitmaakt van een product en het nodig is om dat product tijdens zijn levensduur te bevatten, te ondersteunen of te bewaren en alle elementen bedoeld zijn om samen gebruikt, verbruikt of verwijderd te worden.

ii) Artikelen die ontworpen en bedoeld zijn om op het verkooppunt te worden gevuld alsmede wegwerpartikelen die in gevulde toestand worden verkocht of die ontworpen en bedoeld zijn om op het verkooppunt te worden gevuld, worden als verpakking beschouwd, mits zij een verpakkingsfunctie hebben.

iii) De componenten van een verpakking en de bijbehorende in de verpakking verwerkte elementen worden beschouwd als deel van de verpakking waarin ze verwerkt zijn. De bijbehorende elementen die aan een product hangen of bevestigd zijn en die een verpakkingsfunctie hebben, worden als verpakking beschouwd, tenzij zij integraal deel uitmaken van dit product en alle elementen bedoeld zijn om samen verbruikt of verwijderd te worden.

De Commissie bestudeert indien passend, in overeenstemming met de procedure van artikel 21, de voorbeelden ter illustratie van de definitie van verpakking in bijlage I en herziet deze waar nodig. De volgende artikelen worden prioritair behandeld: CD- en videodoosjes, bloempotten, buizen en rollen die met buigbaar materiaal omwikkeld zijn, papier waarop zelfklevende etiketten zitten, en inpakpapier;

2. „verpakkingsafval”: alle verpakking of verpakkingsmateriaal waarop de definitie van afvalstoffen in Richtlijn 75/442/EEG van toepassing is met uitzondering van produktiereststoffen;

3. „beheer van verpakkingsafval”: beheer van de afvalstoffen als gedefinieerd in Richtlijn 75/442/EEG;

4. „preventie”: vermindering van de hoeveelheid en de schadelijkheid voor het milieu van:

 materialen en stoffen gebruikt in verpakking en verpakkingsafval,

 verpakking en verpakkingsafval op het niveau van het produktieproces en in de fase van het in de handel brengen, de distributie, het gebruik en de verwijdering,

in het bijzonder door de ontwikkeling van „schone” produkten en technologie;

5. „hergebruik”: iedere handeling waardoor verpakking, die is bestemd en ontworpen om binnen haar levensduur een minimumaantal omlopen te maken, opnieuw wordt gevuld of gebruikt voor hetzelfde doel als waarvoor zij is ontworpen, al dan niet met gebruikmaking van op de markt verkrijgbare produkten met behulp waarvan de verpakking bijgevuld kan worden; dergelijke hergebruikte verpakking wordt verpakkingsafval als het niet langer hergebruikt wordt;

6. „terugwinning”: alle in casu toepasselijke handelingen, bedoeld in bijlage II.B bij Richtlijn 75/442/EEG;

7. „recycling”: het in een produktieproces opnieuw verwerken van afvalmaterialen voor het oorspronkelijke doel of voor andere doeleinden, met inbegrip van organische recycling maar uitgezonderd terugwinning van energie;

8. „terugwinning van energie”: het gebruik van brandbaar verpakkingsafval om energie op te wekken door directe verbranding met of zonder andere afvalstoffen, maar met terugwinning van de warmte;

9. „organische recyclage”: aërobe behandeling (compostering) of anaërobe behandeling (biomethaanvorming) via micro-organismen en onder gecontroleerde omstandigheden van de biologisch afbreekbare bestanddelen van verpakkingsafval, waarbij gestabiliseerde organische reststoffen of methaan tot stand komen. Storten wordt niet als organische recyclage beschouwd;

10. „verwijdering”: elk van de handelingen, bedoeld in bijlage II.A bij Richtlijn 75/442/EEG;

11. „ondernemingen”, met betrekking tot verpakking: leveranciers van verpakkingsmaterialen en fabrikanten en verwerkers, vullers en gebruikers, importeurs, handelaren en distributeurs van verpakking, overheden en publiekrechtelijke organisaties;

12. „vrijwillige overeenkomst”: officiële overeenkomst welke wordt gesloten tussen de ter zake bevoegde overheidsinstantie van de Lid-Staat en de betrokken bedrijfstakken en open dient te staan voor alle partners die aan de voorwaarden van de overeenkomst wensen te voldoen teneinde de doelstellingen van onderhavige richtlijn na te streven.

▼M2

Artikel 4

Preventie

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat in aanvulling op de maatregelen ter voorkoming van het ontstaan van verpakkingsafval, die worden genomen overeenkomstig artikel 9, ook andere preventieve maatregelen worden toegepast.

Dergelijke maatregelen kunnen bestaan uit nationale programma's, projecten waarbij de producenten verantwoordelijk worden gesteld voor de beperking van de gevolgen voor het milieu van verpakkingen, of soortgelijke acties — zo nodig in overleg met ondernemingen — die zijn opgezet om de vele initiatieven op het gebied van preventie in de lidstaten te bundelen en ten nutte te maken. Zij moeten stroken met de doelstellingen van deze richtlijn zoals omschreven in artikel 1, lid 1.

2.  De Commissie draagt tot de bevordering van de preventie bij door de ontwikkeling van passende Europese normen overeenkomstig artikel 10 te stimuleren. Het doel van deze normen is de gevolgen voor het milieu van verpakkingen overeenkomstig de artikelen 9 en 10 zoveel mogelijk te beperken.

3.  De Commissie dient, indien passend, voorstellen in voor maatregelen ter versterking en aanvulling van de handhaving van de essentiële eisen en om ervoor te zorgen dat nieuw verpakkingsmateriaal alleen op de markt wordt gebracht wanneer de producent alle noodzakelijke maatregelen heeft getroffen om de milieugevolgen te beperken zonder afbreuk te doen aan de essentiële functies van de verpakking.

▼B

Artikel 5

Hergebruik

De Lid-Staten mogen overeenkomstig het Verdrag systemen bevorderen voor het hergebruik van verpakkingen die op een milieuhygiënisch verantwoorde wijze kunnen worden hergebruikt.

▼M2

Artikel 6

Terugwinning en recycling

1.  Teneinde aan de doelstellingen van deze richtlijn te voldoen, nemen de lidstaten maatregelen zodat voor hun hele grondgebied de volgende doelstellingen kunnen worden bereikt:

a) uiterlijk op 30 juni 2001 wordt ten minste 50 en ten hoogste 65 gewichtsprocent van het verpakkingsafval teruggewonnen of verbrand in afvalverbrandingsinstallaties met terugwinning van energie;

b) uiterlijk op 31 december 2008 wordt ten minste 60 gewichtsprocent van het verpakkingsafval teruggewonnen of verbrand in afvalverbrandingsinstallaties met terugwinning van energie;

c) uiterlijk op 30 juni 2001 wordt ten minste 25 en ten hoogste 45 gewichtsprocent van het totale aandeel van verpakkingsmaterialen in verpakkingsafval gerecycleerd, met een minimum van 15 gewichtsprocent voor elk verpakkingsmateriaal;

d) uiterlijk op 31 december 2008 wordt ten minste 55 en ten hoogste 80 gewichtsprocent van het verpakkingsafval gerecycleerd;

e) uiterlijk op 31 december 2008 worden de volgende minimumdoelstellingen voor recycling van in verpakkingsafval aanwezige materialen bereikt:

i) 60 gewichtsprocent voor glas;

ii) 60 gewichtsprocent voor papier en karton;

iii) 50 gewichtsprocent voor metalen;

iv) 22,5 gewichtsprocent voor kunststoffen, waarbij uitsluitend materiaal wordt meegeteld dat tot kunststoffen wordt gerecycleerd;

v) 15 gewichtsprocent voor hout.

2.  Verpakkingsafval dat overeenkomstig de Verordeningen (EEG) nr. 259/93 ( 9 ) en (EG) nr. 1420/1999 ( 10 ) en Verordening (EG) nr. 1547/1999 van de Commissie ( 11 ) uit de Gemeenschap uitgevoerd wordt, kan alleen voor het bereiken van de in lid 1 bedoelde doelstellingen en streefcijfers worden meegerekend als er harde bewijzen zijn dat de terugwinning en/of de recycling plaatsgevonden hebben in omstandigheden die bij benadering gelijkwaardig zijn aan de door de communautaire regelgeving hierover voorgeschreven omstandigheden.

3.  Waar passend, bevorderen de lidstaten de terugwinning van energie, voorzover dat, gelet op milieuoverwegingen en de kosten-batenverhouding, de voorkeur verdient boven materiaalrecycling. Zij kunnen dit doen door een voldoende marge te handhaven tussen de nationale doelstellingen voor recycling en voor terugwinning.

4.  De lidstaten bevorderen, waar passend, dat bij de productie van verpakkingen en andere producten materialen verkregen uit gerecycleerd verpakkingsafval worden gebruikt door:

a) verbetering van de marktvoorwaarden voor die materialen;

b) bestaande voorschriften die het gebruik van die materialen verbieden, te herzien.

5.  Uiterlijk op 31 december 2007 stellen het Europees Parlement en de Raad, op voorstel van de Commissie, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen doelstellingen vast voor de derde fase van vijf jaar (2009 tot 2014), op basis van de praktische ervaring die de lidstaten hebben opgedaan bij het verwezenlijken van de in lid 1 bepaalde doelstellingen en de bevindingen van wetenschappelijk onderzoek en evaluatietechnieken, zoals levenscyclusanalyses en kosten-batenanalyses.

Deze procedure zal daarna om de vijf jaar worden herhaald.

6.  De lidstaten maken de in lid 1 bedoelde maatregelen en doelstellingen bekend en zorgen dat daarover een voorlichtingscampagne voor het grote publiek en de ondernemingen wordt georganiseerd.

7.  Griekenland, Ierland en Portugal kunnen in verband met hun specifieke situatie — te weten het grote aantal kleine eilanden, respectievelijk de aanwezigheid van plattelands- en berggebieden en het huidige lage consumptieniveau van verpakkingen — besluiten om:

a) uiterlijk op 30 juni 2010 doelstellingen te bereiken die lager liggen dan die welke zijn vastgesteld in lid 1, onder a) en c), maar zij moeten ten minste 25 % bereiken voor terugwinning of verbranding in afvalverbrandingsinstallaties met terugwinning van energie;

b) tegelijkertijd het bereiken van de doelstellingen van lid 1, onder a) en c), uit te stellen tot een latere datum, die evenwel niet na 31 december 2005 mag liggen;

c) het bereiken van de doelstellingen van lid 1, onder b), d) en e), uit te stellen tot een datum naar eigen keuze, die echter niet na 31 december 2011 mag liggen.

8.  De Commissie legt zo spoedig mogelijk en uiterlijk op 30 juni 2005 het Europees Parlement en de Raad een verslag voor over de vorderingen met de uitvoering van deze richtlijn en over de gevolgen ervan voor het milieu en de werking van de interne markt. In het verslag wordt rekening gehouden met de verschillende omstandigheden in elke lidstaat. In dit verslag worden de volgende kwesties behandeld:

a) een evaluatie van de doeltreffendheid, de uitvoering en de naleving van de essentiële eisen;

b) aanvullende preventieve maatregelen om de milieugevolgen van verpakking zoveel mogelijk te beperken, zonder de essentiële functies ervan in het gedrang te brengen;

c) de mogelijke ontwikkeling van een verpakkingsmilieu-indicator om verpakkingsafvalpreventie eenvoudiger en doeltreffender te maken;

d) plannen voor verpakkingsafvalpreventie;

e) stimulering van hergebruik en met name vergelijking van de kosten en voordelen van hergebruik met die van recycling;

f) verantwoordelijkheid van de producent met inbegrip van de financiële aspecten;

g) inspanningen om het gebruik van zware metalen en andere gevaarlijke stoffen in verpakkingen verder te verminderen en als dat passend is vóór 2010 volledig te beëindigen.

Het verslag dient, waar passend, te worden vergezeld van voorstellen tot herziening van de desbetreffende bepalingen van de richtlijn, tenzij dergelijke voorstellen op dat moment al zijn ingediend.

9.  In het verslag worden de in lid 8 genoemde kwesties behandeld, alsmede andere relevante kwesties in het kader van de verschillende elementen van het zesde milieuactieprogramma, met name de thematische strategie voor recycling en de thematische strategie voor duurzaam gebruik van middelen.

De Commissie en de lidstaten stimuleren, indien passend, studies en proefprojecten betreffende de in lid 8, onder b), c), d), e) en f), vermelde punten en andere preventieve maatregelen.

10.  De lidstaten die programma's hebben vastgesteld of zullen vaststellen die verder gaan dan de in lid 1 genoemde maximumdoelstellingen, en die daartoe voorzien in passende capaciteiten voor recycling en terugwinning, mogen die doelstellingen blijven hanteren in het belang van een hoog milieubeschermingsniveau, op voorwaarde dat die maatregelen de interne markt niet verstoren en de naleving van de richtlijn door andere lidstaten niet bemoeilijken. De lidstaten stellen de Commissie daarvan in kennis. De Commissie bevestigt deze maatregelen, nadat zij zich in samenwerking met de lidstaten ervan heeft vergewist dat zij stroken met bovengenoemde overwegingen en geen willekeurig middel tot discriminatie of een verkapte beperking van de handel tussen lidstaten vormen.

▼M3

11.  De lidstaten die krachtens het Toetredingsverdrag van 16 april 2003 tot de Europese Unie zijn toegetreden, mogen de verwezenlijking van de taakstellingen van lid 1,onder b), d) en e) uitstellen tot een datum naar eigen keuze, die echter niet later mag vallen dan 31 december 2012 voor de Tsjechische Republiek, Estland, Cyprus, Litouwen, Hongarije, Slovenië en Slowakije; 31 december 2013 voor Malta; 31 december 2014 voor Polen en 31 december 2015 voor Letland.

▼B

Artikel 7

Retour-, inzamel- en terugwinningssystemen

1.  De Lid-Staten nemen de nodige maatregelen om te zorgen voor systemen voor:

a) de terugname en/of inzameling van gebruikte verpakkingen en/of verpakkingsafval van de consumenten of andere eindgebruikers of uit de afvalstroom, teneinde ze naar de meest geschikte beheersalternatieven toe te leiden;

b) het hergebruik of de terugwinning, met inbegrip van recycling, van ingezamelde verpakkingen en/of verpakkingsafval,

om te voldoen aan de doelstellingen van deze richtlijn.

Deze systemen staan open voor deelneming van de ondernemingen van de betrokken sectoren en voor de deelneming van de bevoegde overheidsinstanties. Zij gelden ook voor ingevoerde produkten onder niet-discriminerende voorwaarden, waaronder de regels en eventuele tarieven voor toegang tot de systemen, en worden zo opgezet dat handelsbelemmeringen of concurrentieverstoringen overeenkomstig het Verdrag voorkomen worden.

2.  De in lid 1 bedoelde maatregelen maken deel uit van een beleid dat betrekking heeft op alle verpakkingen en alle verpakkingsafval en waarbij in het bijzonder rekening wordt gehouden met de eisen inzake bescherming van het milieu en van de gezondheid van consumenten, veiligheid en hygiëne, bescherming van de kwaliteit, de authenticiteit en de technische eigenschappen van de verpakte goederen en gebruikte materialen, bescherming van de industriële en comerciële eigendomsrechten.

Artikel 8

Systeem van merktekens en identificatie

1.  De Raad zal uiterlijk twee jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn volgens de in het Verdrag vastgestelde voorwaarden een besluit nemen over merktekens op verpakkingen.

▼M2

2.  Teneinde inzameling, hergebruik en terugwinning, met inbegrip van recycling, te vergemakkelijken, geeft de betrokken industrie op de verpakking ten behoeve van de identificatie en classificatie de aard van de gebruikte verpakkingsmaterialen aan op basis van Beschikking 97/129/EG van de Commissie ( 12 ).

▼B

3.  De vereiste merktekens worden op de verpakking zelf of op het etiket aangebracht. Zij zijn duidelijk zichtbaar en goed leesbaar. De merktekens zijn naar behoren duurzaam en blijvend herkenbaar, ook wanneer de verpakking geopend wordt.

Artikel 9

Essentiële eisen

1.  De Lid-Staten nemen alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat uiterlijk drie jaar na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn een verpakking alleen in de handel mag worden gebracht indien zij voldoet aan alle in deze richtlijn omschreven essentiële eisen, met inbegrip van die van bijlage II.

2.  Op de in artikel 22, lid 1, genoemde datum veronderstellen de Lid-Staten dat aan alle essentiële eisen van deze richtlijn, met inbegrip van die van bijlage II, is voldaan, wanneer een verpakking in overeenstemming is met:

a) de desbetreffende geharmoniseerde normen, waarvan de referentienummers in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen zijn bekendgemaakt. De Lid-Staten publiceren de referentienummers van de nationale normen waarin deze geharmoniseerde normen zijn omgezet;

b) de desbetreffende nationale normen als bedoeld in lid 3, voor zover er op de gebieden waarop dergelijke normen betrekking hebben, geen geharmoniseerde normen bestaan.

3.  De Lid-Staten delen de Commissie de tekst mede van hun nationale normen als bedoeld in lid 2, onder b), die zij in overeenstemming achten met de eisen van dit artikel. De Commissie zendt dergelijke teksten onverwijld naar de andere Lid-Staten.

De Lid-Staten publiceren de referentienummers van deze normen. De Commissie zorgt ervoor dat zij in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen worden bekendgemaakt.

4.  Indien een Lid-Staat of de Commissie van mening is dat de in lid 2 bedoelde normen niet volledig aan de in lid 1 bedoelde essentiële eisen beantwoorden, legt de Commissie of de betrokken Lid-Staat de kwestie met opgave van redenen voor aan het Comité dat is opgericht bij Richtlijn 83/189/EEG. Dit Comité brengt onverwijld advies uit.

In het licht van het advies van het Comité deelt de Commissie de Lid-Staten mede of het al dan niet noodzakelijk is de normen die zijn bekendgemaakt met in de leden 2 en 3 bedoelde publikaties, te herroepen.

Artikel 10

Normalisatie

De Commissie bevordert waar nodig de ontwikkeling van Europese normen ten aanzien van de in bijlage II bedoelde essentiële eisen.

De Commissie bevordert in het bijzonder de ontwikkeling van Europese normen met betrekking tot:

 criteria en methodologieën voor de levenscyclusanalyse van verpakking;

 methoden voor het meten en verifiëren van de aanwezigheid van zware metalen en andere gevaarlijke stoffen in verpakkingen en het vrijkomen daarvan in het milieu uit verpakkingen en verpakkingsafval;

 criteria voor een minimumgehalte aan gerecycleerd materiaal in daarvoor in aanmerking komende verpakkingen;

 criteria voor recyclingmethoden;

 criteria voor composteringsmethoden en de geproduceerde compost;

 criteria voor het kenmerken van verpakkingen.

Artikel 11

Concentraties van zware metalen in verpakking

1.  De Lid-Staten zorgen ervoor dat de totale concentraties van lood, cadmium, kwik en zeswaardig chroom in verpakking en verpakkingscomponenten niet meer bedraagt dan:

 600 ppm-gewicht twee jaar na de in artikel 22, lid 1, genoemde datum;

 250 ppm-gewicht drie jaar na de in artikel 22, lid 1, genoemde datum;

 100 ppm-gewicht vijf jaar na de in artikel 22, lid 1, genoemde datum.

2.  De in lid 1 genoemde concentratieniveaus gelden niet voor verpakkingen vervaardigt uit kristalglas als omschreven in Richtlijn 69/493/EEG ( 13 ).

3.  De Commissie stelt volgens de procedure van artikel 21 vast:

 onder welke voorwaarden bovengenoemde concentraties niet van toepassing zijn op gerecycleerd materiaal en produkten die zijn opgenomen in een gesloten en gecontroleerde keten;

 welke verpakkingssoorten vrijgesteld zijn van de in lid 1, derde streepje, bedoelde eis.

Artikel 12

Informatiesystemen

1.  De Lid-Staten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat er op geharmoniseerde wijze databases met betrekking tot verpakking en verpakkingsafval worden opgezet waar deze nog ontbreken, teneinde de Lid-Staten en de Commissie in de gelegenheid te stellen toe te zien op de tenuitvoerlegging van de doelstellingen van deze richtlijn.

2.  Daartoe verschaffen deze databases in het bijzonder informatie over de omvang, kenmerken en ontwikkeling van de verpakkings- en verpakkingsafvalstromen (onder meer informatie over giftige of gevaarlijke bestanddelen van verpakkingsmateriaal en over stoffen die bij de fabricage ervan worden gebruikt) op het niveau van de afzonderlijke Lid-Staten.

3.  Met het oog op de harmonisatie van de kenmerken en de aanbiedingsvorm van de geproduceerde gegevens en het verenigbaar maken van de gegevens van de Lid-Staten, verstrekken de Lid-Staten hun beschikbare gegevens aan de Commissie, met behulp van door de Commissie één jaar na de datum van vaststelling van deze richtlijn volgens de procedure van artikel 21 en op basis van bijlage III vastgestelde tabellen.

4.  De Lid-Staten houden rekening met de bijzondere problemen die kleine en middelgrote ondernemingen kunnen ondervinden bij het verstrekken van gedetailleerde gegevens.

5.  De verkregen gegevens worden samen met de in artikel 17 bedoelde nationale rapporten beschikbaar gesteld; zij worden bijgewerkt in daarop volgende rapporten.

6.  De Lid-Staten verplichten alle betrokken ondernemingen tot het verstrekken van betrouwbare gegevens over hun bedrijfstak aan de bevoegde autoriteiten, zoals in dit artikel vereist.

Artikel 13

Voorlichting aan gebruikers van verpakkingen

De Lid-Staten nemen uiterlijk twee jaar na de in artikel 22, lid 1, genoemde datum maatregelen opdat de gebruikers van verpakkingen, onder wie met name consumenten, de benodigde gegevens ontvangen over:

 de beschikbare retour-, inzamelings- en terugwinningssystemen,

 de bijdrage die zij kunnen leveren aan hergebruik, terugwinning en recycling van verpakkingen en verpakkingsafval,

 de betekenis van de merktekens op de verpakking zoals die op de markt worden aangetroffen,

 de relevante elementen van de in artikel 14 bedoelde beheersplannen voor verpakkingen en verpakkingsafval.

▼M2

De lidstaten bevorderen ook consumentenvoorlichting en bewustmakingscampagnes.

▼B

Artikel 14

Afvalbeheerplannen

Ter verwezenlijking van de in deze richtlijn genoemde doelstellingen en maatregelen nemen de Lid-Staten in de in artikel 7 van Richtlijn 75/442/EEG bedoelde afvalbeheerplannen een speciaal hoofdstuk op over het beheer van verpakkingen en verpakkingsafval met inbegrip van de krachtens de artikelen 4 en 5 getroffen maatregelen.

Artikel 15

Economische instrumenten

De Raad stelt op basis van de betreffende bepalingen van het Verdrag economische instrumenten vast om de verwezenlijking van de doelstellingen van deze richtlijn te bevorderen. Bij ontstentenis van dergelijke maatregelen, kunnen de Lid-Staten, overeenkomstig de beginselen van het communautaire milieubeleid, zoals het beginsel „de vervuiler betaalt”, en met inachtneming van hun Verdragsverplichtingen, maatregelen ter bereiking van deze doelstellingen nemen.

Artikel 16

Kennisgeving

1.  Onverminderd het bepaalde in Richtlijn 83/189/EEG, stellen de Lid-Staten voordat zij dergelijke maatregelen vaststellen de Commissie in kennis van de ontwerp-maatregelen die zij in het kader van deze richtlijn voornemens zijn te nemen, met uitzondering van maatregelen van fiscale aard, doch met inbegrip van de technische specificaties waarvoor fiscale stimuleringsmaatregelen gelden, zodat de Commissie de ontwerpen kan onderzoeken in het licht van bestaande bepalingen, steeds volgens de procedure van bovengenoemde richtlijn.

2.  Indien de voorgestelde maatregel ook een technische kwestie in de zin van Richtlijn 83/189/EEG betreft, kan de betrokken Lid-Staat bij de uitvoering van de in deze richtlijn bedoelde kennisgevingsprocedure mededelen dat deze kennisgeving eveneens geldig is voor Richtlijn 83/189/EEG.

Artikel 17

Rapporteringsplicht

Overeenkomstig artikel 5 van Richtlijn 91/692/EEG van de Raad van 23 december 1991 tot standaardisering en rationalisering van de verslagen over de toepassing van bepaalde richtlijnen op milieugebied ( 14 ) dienen de Lid-Staten bij de Commissie een rapport in over de tenuitvoerlegging van deze richtlijn. Het eerste verslag bestrijkt de periode 1995 tot en met 1997.

Artikel 18

Vrij in de handel brengen

De Lid-Staten mogen het in de handel brengen op hun grondgebied van verpakkingen die aan het bepaalde in deze richtlijn voldoen, niet beletten.

▼M2

Artikel 19

Aanpassing aan de vooruitgang van wetenschap en techniek

De wijzigingen, nodig voor de aanpassing aan de vooruitgang van wetenschap en techniek van het in artikel 8, lid 2, en in artikel 10, tweede alinea, laatste streepje, bedoelde identificatiesysteem, de in artikel 12, lid 3, en de in bijlage III bedoelde vormvereisten met betrekking tot het systeem van databases alsmede de in bijlage I ter illustratie opgenomen voorbeelden van de criteria voor de definitie van verpakking, worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 21, lid 2.

▼B

Artikel 20

Specifieke maatregelen

▼M2

1.  De Commissie stelt overeenkomstig de procedure van artikel 21 de noodzakelijke technische maatregelen vast om eventuele problemen bij de toepassing van de bepalingen van deze richtlijn op te vangen, met name voor verpakkingsmateriaal dat inert is en in zeer kleine hoeveelheden (i.e. ongeveer 0,1 gewichtsprocent) op de markt van de Europese Unie is gebracht, met name verpakking voor medische apparatuur en farmaceutische producten, kleine verpakkingen en luxe verpakkingen.

▼B

2.  De Commissie brengt aan het Europees Parlement en de Raad ook een verslag uit over eventuele andere te nemen maatregelen, indien nodig vergezeld van een voorstel.

▼M2

Artikel 21

Comitéprocedure

1.  De Commissie wordt bijgestaan door een comité („het comité”).

2.  Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 5 en 7 van Besluit 1999/468/EG ( 15 ) van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.

De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt bepaald op drie maanden.

3.  Het comité stelt zijn reglement van orde vast.

▼B

Artikel 22

Omzetting in nationaal recht

1.  De Lid-Staten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om vóór 30 juni 1996 aan deze richtlijn te voldoen en maken deze bekend. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

2.  Wanneer de Lid-Staten deze bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen naar deze richtlijn verwezen of wordt hiernaar verwezen bij de officiële bekendmaking van die bepalingen. Die regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de Lid-Staten.

3.  Daarnaast stellen de Lid-Staten de Commissie in kennis van alle wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die zijn uitgevaardigd op het gebied dat door deze richtlijn wordt bestreken.

▼M2

3 bis.  Mits het met artikel 6 beoogde resultaat wordt bereikt, kunnen de lidstaten de bepalingen van artikel 7 omzetten door middel van overeenkomsten tussen de bevoegde instanties en de betrokken bedrijfssectoren.

Die overeenkomsten voldoen aan de volgende voorschriften:

a) de overeenkomsten zijn afdwingbaar;

b) de overeenkomsten bevatten doelstellingen en termijnen om die te bereiken;

c) de overeenkomsten worden bekendgemaakt in het staatsblad of een voor het publiek even toegankelijk officieel document en worden aan de Commissie toegezonden;

d) de met een overeenkomst bereikte resultaten worden onder de in die overeenkomst opgenomen voorwaarden geregeld gecontroleerd, aan de bevoegde instanties en de Commissie gemeld en ter beschikking van het publiek gesteld;

e) de bevoegde instanties dragen er zorg voor dat nagegaan wordt in hoeverre met de overeenkomsten vooruitgang geboekt wordt;

f) ingeval een overeenkomst niet wordt nagekomen, voeren de lidstaten de betrokken bepalingen van deze richtlijn door middel van wettelijke of bestuursrechtelijke maatregelen uit.

▼B

4.  De eisen met betrekking tot het vervaardigen van verpakkingen zijn in elk geval niet van toepassing op verpakkingen die vóór de in lid 1 genoemde datum van inwerkingtreding voor een bepaald produkt worden gebruikt.

5.  De Lid-Staten staan het op de markt brengen toe van verpakkingen die vóór de inwerkingtreding van deze richtlijn zijn vervaardigd en die aan hun bestaande nationale wetgeving voldoen, voor een periode van ten hoogste vijf jaar vanaf de datum van vaststelling van deze richtlijn.

Artikel 23

Richtlijn 85/339/EEG wordt hierbij ingetrokken vanaf de in artikel 22, lid 1, genoemde datum.

Artikel 24

Deze richtlijn treed in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Artikel 25

Deze richtlijn is gericht tot de Lid-Staten.

▼M2




BIJLAGE I

VOORBEELDEN TER ILLUSTRATIE VAN DE CRITERIA MET BETREKKING TOT ARTIKEL 3, PUNT 1

Voorbeelden ter illustratie van criterium i)

Verpakking

Bonbondozen

Plasticfolie om een cd-doosje

Geen verpakking

Bloempotten die voor de gehele levensduur van de plant zijn bedoeld

Gereedschapsdozen

Theezakjes

Waslagen om kaas

Velletjes rond worst

Voorbeelden ter illustratie van criterium ii)

Verpakking, indien ontworpen en bedoeld om op het verkooppunt te worden gevuld

Draagtassen van papier of kunststof

Wegwerpborden en -bekers

Krimpfolie

Broodzakjes

Aluminiumfolie

Geen verpakking

Roerstaafjes

Wegwerpbestek

Voorbeelden ter illustratie van criterium iii)

Verpakking

Labels die aan het product hangen of eraan bevestigd zijn.

Deel van de verpakking

Mascaraborstel die deel uitmaakt van de dop van een mascarahouder

Kleefetiketten die op een ander verpakkingsartikel bevestigd zijn

Nietjes

Kunststoffolie

Sluitdoppen van wasmiddelenverpakkingen die als doseringsdop dienen.

▼B




BIJLAGE II

ESSENTIËLE EISEN BETREFFENDE DE SAMENSTELLING, HET HERGEBRUIK EN DE TERUGWINNING, MET INBEGRIP VAN DE RECYCLING, VAN VERPAKKING

1.   Eisen betreffende de vervaardiging en de samenstelling van verpakking

 Verpakking moet zodanig worden vervaardigd dat volume en gewicht van de verpakking worden beperkt tot de minimale hoeveelheid die nodig is om het vereiste niveau van veiligheid, hygiëne en aanvaardbaarheid voor het verpakte produkt en voor de consument te handhaven.

 Verpakking moet zodanig worden ontworpen, vervaardigd en in de handel gebracht dat hergebruik of terugwinning, met inbegrip van recycling, mogelijk is en dat het milieu-effect bij het verwijderen van verpakkingsafval of reststoffen van afvalbeheerverrichtingen zoveel mogelijk wordt beperkt.

 Verpakking moet zodanig worden vervaardigd dat de aanwezigheid van schadelijke en andere gevaarlijke stoffen en materialen als bestanddeel van verpakkingsmateriaal of van de verpakkingscomponenten tot een minimum wordt beperkt in emissies, as of percolaat, wanneer verpakkingen of reststoffen van beheersoperaties of verpakkingsafval verbrand of gestort worden.

2.   Eisen betreffende het hergebruik van verpakking

Aan de volgende eisen moet gelijktijdig worden voldaan:

 de fysieke eigenschappen en kenmerken van de verpakking moeten onder normaal te verwachten gebruiksvoorwaarden een aantal omlopen mogelijk maken;

 gebruikte verpakking moet kunnen worden verwerkt in overeenstemming met de gezondheids- en veiligheidsvoorschriften voor de arbeidskrachten;

 er moet worden voldaan aan de specifieke eisen ten aanzien van terugwinbare verpakkingen wanneer de verpakking niet langer wordt gebruikt en derhalve afval is geworden.

3.   Eisen betreffende de terugwinning van verpakking

a)   Terugwinning in de vorm van recycling van materialen

Verpakking moet zodanig worden vervaardigd dat een bepaald gewichtspercentage van de gebruikte materialen opnieuw kan worden toegevoegd aan het produktieproces van verhandelbare produkten, met inachtneming van de in de Europese Gemeenschap geldende regels. Dit percentage kan variëren naar gelang het soort materiaal waaruit de verpakking bestaat.

b)   Terugwinning in de vorm van energieterugwinning

Verpakkingsafval dat wordt verwerkt met het oog op energieterugwinning dient met het oog op een optimale terugwinning op zijn minst een zekere calorische onderwaarde te hebben.

c)   Terugwinning in de vorm van compostering

Verpakkingsafval dat wordt verwerkt met het oog op compostering moet zodanig biologisch afbreekbaar zijn dat het de gescheiden inzameling en het composteringsproces of de composteringsactiviteit waarin het wordt ingebracht niet hindert.

d)   Biologisch afbreekbare verpakking

Biologisch afbreekbaar verpakkingsafval moet zodanig fysisch, chemisch, thermisch of biologisch afbreekbaar zijn dat het grootste deel van de resulterende compost uiteindelijk uiteenvalt in kooldioxyde, biomassa en water.




BIJLAGE III

GEGEVENS DIE DE LID-STATEN MOETEN OPNEMEN IN HUN DATABASE „VERPAKKINGEN EN VERPAKKINGSAFVAL”

(VOLGENS ONDERSTAANDE TABELLEN 1 TOT EN MET 4)

1.

Voor wat betreft zowel primaire als secundaire en tertiaire verpakkingen:

a) de hoeveelheid verpakkingsmateriaal die op het nationale grondgebied is verbruikt (produktie + invoer − uitvoer), per categorie verpakkingsmateriaal (tabel 1);

b) de hergebruikte hoeveelheden (tabel 2).

2.

Voor wat betreft zowel huishoudelijk als niet-huishoudelijk verpakkingsafval:

a) de hoeveelheid die op het nationale grondgebied is teruggewonnen en verwijderd (produktie + invoer − uitvoer), per categorie verpakkingsmateriaal (tabel 3);

b) de gerecycleerde en de teruggewonnen hoeveelheden per categorie verpakkingsmateriaal (tabel 4).

image

TABEL 1

De hoeveelheid (primair, secundair en tertiair) verpakkingsmateriaal die op het nationale grondgebied is verbruikt (uitgedrukt in ton)

image

TABEL 2

De hoeveelheid (primair, secundair en tertiair) verpakkingsmateriaal die op het nationale grondgebied is hergebruikt

(uitgedrukt in ton)

image

TABEL 3

De hoeveelheid verpakkingsafval die op het nationale grondgebied is teruggewonnen en verwijderd

image

TABEL 4

De hoeveelheid verpakkingsafval die op het nationale grondgebied is gerecycleerd of teruggewonnen



( 1 ) PB nr. C 263 van 12. 10. 1992, blz. 1, en

PB nr. C 285 van 21. 10. 1993, blz. 1.

( 2 ) PB nr. C 129 van 10. 5. 1993, blz. 18.

( 3 ) Advies van het Europees Parlement van 23 juni 1993 (PB nr. C 194 van 19. 7. 1993, blz. 177), gemeenschappelijk standpunt van de Raad van 4 maart 1994 (PB nr. C 137 van 19. 5. 1994, blz. 65) en besluit van het Europees Parlement van 4 mei 1994 (PB nr. C 205 van 25. 7. 1994, blz. 163), bevestigd op 2 december 1993 (PB nr. C 342 van 20. 12. 1993, blz. 15), gemeenschappelijk ontwerp van het Bemiddelingscomité van 8 november 1994.

( 4 ) PB nr. L 176 van 6. 7. 1985, blz. 18. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 91/692/EEG (PB nr. L 377 van 31. 12. 1991, blz. 48).

( 5 ) PB nr. C 122 van 18. 5. 1990, blz. 2.

( 6 ) PB nr. L 194 van 25. 7. 1975, blz. 47. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 91/156/EEG (PB nr. L 78 van 26. 3. 1991, blz. 32).

( 7 ) PB nr. L 109 van 26. 4. 1983, blz. 8. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 92/400/EEG (PB nr. L 221 van 6. 8. 1992, blz. 55).

( 8 ) PB nr. L 377 van 31. 12. 1991, blz. 20.

( 9 ) PB L 30 van 6.2.1993, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2557/2001 van de Commissie (PB L 349 van 31.12.2001, blz. 1).

( 10 ) PB L 166 van 1.7.1999, blz. 6. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2118/2003 van de Commissie (PB L 318 van 3.12.2003, blz. 5).

( 11 ) PB L 185 van 17.7.1999, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2118/2003.

( 12 ) PB L 50 van 20.2.1997, blz. 28.

( 13 ) PB nr. L 326 van 29. 12. 1969, blz. 36.

( 14 ) PB nr. L 377 van 31. 12. 1991, blz. 48.

( 15 ) PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.