1991R3922 — NL — 08.04.2012 — 008.001


Dit document vormt slechts een documentatiehulpmiddel en verschijnt buiten de verantwoordelijkheid van de instellingen

►B

VERORDENING (EEG) Nr. 3922/91 VAN DE RAAD

van 16 december 1991

inzake de harmonisatie van technische voorschriften en administratieve procedures op het gebied van de burgerluchtvaart

(PB L 373, 31.12.1991, p.4)

Gewijzigd bij:

 

 

Publicatieblad

  No

page

date

 M1

VERORDENING (EG) Nr. 2176/96 VAN DE COMMISSIE van 13 november 1996

  L 291

15

14.11.1996

 M2

VERORDENING (EG) Nr. 1069/1999 VAN DE COMMISSIE van 25 mei 1999

  L 130

16

26.5.1999

 M3

VERORDENING (EG) Nr. 2871/2000 VAN DE COMMISSIE van 28 december 2000

  L 333

47

29.12.2000

►M4

VERORDENING (EG) Nr. 1592/2002 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 15 juli 2002

  L 240

1

7.9.2002

►M5

VERORDENING (EG) Nr. 1899/2006 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 12 december 2006

  L 377

1

27.12.2006

►M6

VERORDENING (EG) Nr. 1900/2006 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 20 december 2006

  L 377

176

27.12.2006

 M7

VERORDENING (EG) Nr. 8/2008 VAN DE COMMISSIE van 11 december 2007

  L 10

1

12.1.2008

►M8

VERORDENING (EG) Nr. 216/2008 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 20 februari 2008

  L 79

1

19.3.2008

 M9

VERORDENING (EG) Nr. 859/2008 VAN DE COMMISSIE van 20 augustus 2008

  L 254

1

20.9.2008




▼B

VERORDENING (EEG) Nr. 3922/91 VAN DE RAAD

van 16 december 1991

inzake de harmonisatie van technische voorschriften en administratieve procedures op het gebied van de burgerluchtvaart



DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, inzonderheid op artikel 84, lid 2,

Gezien het voorstel van de Commissie ( 1 ),

Gezien het advies van het Europese Parlement ( 2 ),

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité ( 3 ),

Overwegende dat het dienstig is maatregelen vast te stellen die, overeenkomstig het bepaalde in artikel 8 A van het Verdrag, bestemd zijn om geleidelijk de interne markt tot stand te brengen in de loop van een periode die op 31 december 1992 eindigt; dat deze interne markt een ruimte zal omvatten zonder binnengrenzen waarin het vrije verkeer van goederen, personen, diensten en kapitaal is gewaarborgd;

Overwegende dat het algemeen hoge veiligheidsniveau van de burgerluchtvaart in Europa dient te worden gehandhaafd en de technische voorschriften en administratieve procedures in alle Lid-Staten op de hoogste niveaus dienen te worden gebracht die thans reeds in de Gemeenschap zijn bereikt;

Overwegende dat veiligheid een fundamentele voorwaarde van het communautaire luchtvervoer is; dat rekening dient te worden gehouden met het op 7 december 1944 in Chicago ondertekende Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart, dat voorziet in de tenuitvoerlegging van voorschriften voor een veilige exploitatie van luchtvaartuigen;

Overwegende dat de huidige beperkingen inzake het overdragen van luchtvaartuigen en luchtvaartprodukten en van bepaalde diensten op luchtvaartgebied tussen de Lid-Staten verstoringen van de interne markt zouden veroorzaken;

Overwegende dat de „Joint Aviation Authorities” (JAA), welk organisme is geassocieerd met de Europese Burgerluchtvaartconferentie (ECAC), regelingen hebben opgesteld voor samenwerking bij de uitwerking en tenuitvoerlegging van gezamenlijke luchtvaartvoorschriften, hierna JAR's (Joint Aviation Requirements) te noemen, op alle gebieden die op de veiligheid en de exploitatie van luchtvaartuigen betrekking hebben;

Overwegende dat het in het kader van het gemeenschappelijk vervoerbeleid dienstig is technische voorschriften en administratieve procedures inzake de veiligheid en de exploitatie van luchtvaartuigen te harmoniseren op basis van de JAR's van de JAA;

Overwegende dat deze harmonisatie kan worden vergemakkelijkt door de toetreding van alle Lid-Staten tot de JAA en de deelneming van de Commissie aan de werkzaamheden daarvan;

Overwegende dat, met het oog op de verwezenlijking van de communautaire doelstellingen op het gebied van het vrije verkeer van personen en produkten alsook op het gebied van het gemeenschappelijk vervoerbeleid, wanneer een produkt, een organisme of een persoon is gecertificeerd overeenkomstig de gemeenschappelijke technische voorschriften en administratieve procedures, de Lid-Staten de certificering van de produkten en van de bij het ontwerpen, vervaardigen, onderhouden en gebruiken van produkten betrokken organismen of personen zonder verdere technische werkzaamheden of evaluaties dienen te erkennen;

Overwegende dat er zich problemen inzake de veiligheid kunnen voordoen en dat de Lid-Staten in dergelijke gevallen alle passende spoedmaatregelen moeten treffen; dat die maatregelen naar behoren moeten worden gemotiveerd; dat, indien de gemeenschappelijke voorschriften en procedures leemten vertonen, de Commissie in het kader van de uitoefening van haar uitvoeringsbevoegdheden de nodige wijzigingen dient vast te stellen;

▼M5

Overwegende dat de toepassing van de bepalingen voor vlieg- en diensttijdbeperkingen tot een aanzienlijke ontwrichting kan leiden van de dienstregelingen bij bedrijven waar het exploitatiemodel uitsluitend op nachtvluchten is gebaseerd; dat de Commissie op grond van door de betrokkenen verstrekte gegevens een controle moet uitvoeren en een wijziging van de bepalingen van de vlieg- en diensttijdbeperkingen moet voorstellen om met deze bijzondere exploitatiemodellen rekening te houden;

▼B

Overwegende dat de financiering door de Lid-Staten van onderzoek ter verbetering van de veiligheid van de luchtvaart dient te worden gecoördineerd om een optimaal gebruik van de middelen te waarborgen en van dat onderzoek zoveel mogelijk profijt te trekken;

▼M5

Overwegende dat uiterlijk op 16 januari 2009 het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart een wetenschappelijke en medische evaluatie van bijlage III, subdeel Q en, indien relevant, subdeel O dient te hebben voltooid; dat op basis van de uitkomst van deze evaluatie en overeenkomstig de in artikel 12, lid 2, opgenomen procedure de Commissie zo nodig onverwijld voorstellen tot wijziging van de relevante technische bepalingendient in te dienen;

Overwegende dat bij de in artikel 8 bis bedoelde evaluatie van afzonderlijke bepalingen de ingeslagen weg naar verdere harmonisatie van de opleidingseisen voor kajuitpersoneel moet worden voorgezet om het vrij verkeer van kajuitpersoneel binnen de Gemeenschap te vergemakkelijken; dat in deze context opnieuw moet worden gekeken naar de mogelijkheid om de kwalificaties voor kajuitpersoneel verder te harmoniseren;

▼M5

Overwegende dat de voor de uitvoering van deze verordening vereiste maatregelen worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden ( 4 ),

▼B

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:



Artikel 1

▼M5

1.  Deze verordening heeft betrekking op de harmonisatie van technische voorschriften en administratieve procedures op het gebied van de veiligheid van de burgerluchtvaart, met betrekking tot de exploitatie en het onderhoud van luchtvaartuigen, en de bij dergelijke activiteitenbetrokken personen en organisaties.

▼B

2.  De in lid 1 bedoelde geharmoniseerde technische voorschriften en administratieve procedures zijn van toepassing op alle door exploitanten als omschreven in artikel 2, onder a), gebruikte luchtvaartuigen die in een Lid-Staat of in een derde land zijn geregistreerd.

▼M5

3.  De toepassing van deze verordening op de luchthaven van Gibraltar laat de respectieve rechtsopvattingen van het Koninkrijk Spanje en het Verenigd Koninkrijk betreffende het geschil inzake soevereiniteit over het grondgebied waarop de luchthaven gelegen is, onverlet.

4.  De toepassing van deze verordening op de luchthaven van Gibraltar wordt opgeschort tot de datum waarop de regelingen van de gezamenlijke verklaring van de ministers van Buitenlandse Zaken van het Koninkrijk Spanje en het Verenigd Koninkrijk van 2 december 1987 in werking treden. De regeringen van het Koninkrijk Spanje en het Verenigd Koninkrijk zullen de Raad van die datum van inwerkingtreding in kennis stellen.

▼B

Artikel 2

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

a) „exploitant”: een in een Lid-Staat woonachtige natuurlijke persoon of een in een Lid-Staat gevestigde rechtspersoon die gebruik maakt van een of meer luchtvaartuigen overeenkomstig de in die Lid-Staat toepasselijke voorschriften, dan wel een communautaire luchtvaartonderneming als omschreven in de communautaire wetgeving;

b) „produkt”: een luchtvaartuig, motor, propeller of uitrusting voor de burgerluchtvaart;

c) „uitrusting”: ieder instrument, mechanisme, apparaat, onderdeel of iedere inrichting gebruikt of kunnende worden gebruikt voor de exploitatie van een luchtvaartuig tijdens de vlucht, geïnstalleerd of bestemd om te worden geïnstalleerd in een burgerluchtvaartuig dan wel daaraan bevestigd, maar geen deel uitmakend van een casco, een motor of een propeller;

d) „element”: een materiaal, component of subeenheid, niet vallende onder de definities onder b) of c) en bestemd voor luchtvaartuigen, motoren, propellers of uitrustingen voor de burgerluchtvaart;

e) „certificering” (van een produkt, dienst, organisme of persoon): alle vormen van wettelijke erkenning dat dit produkt, deze dienst, dit organisme of deze persoon voldoet aan de geldende voorschriften. Deze certificering omvat twee handelingen:

i) het controleren dat het produkt, de dienst, het organisme of de persoon in technisch opzicht voldoet aan de geldende voorschriften; deze handeling wordt genoemd: vaststelling van de technische bevindingen;

ii) de formele erkenning van dit beantwoorden aan de geldende voorschriften door de afgifte van een certificaat, een vergunning, een goedkeuring of een ander document overeenkomstig de nationale wetgeving en de nationale procedures; deze handeling wordt genoemd: vaststelling van de wettelijke bevindingen;

f) „onderhoud”: de tijdens de levensduur van een luchtvaartuig ononderbroken uit te voeren reeks van inspecties, onderhoudsbeurten, wijzigingen en herstelwerkzaamheden die nodig zijn om te waarborgen dat het vliegtuig in overeenstemming met het gecertificeerde typeontwerp blijft en onder alle omstandigheden aan een hoog veiligheidsniveau blijft beantwoorden; het omvat met name de door de bij de onder h) bedoelde regelingen partij zijnde autoriteiten verplicht gestelde wijzigingen overeenkomstig de concepten inzake controle van de luchtwaardigheid;

g) „nationale variant”: een door een bepaald land in aanvulling op of in de plaats van een JAR opgelegd nationaal voorschrift of nationaal reglement;

h) „regelingen”: onder auspiciën van de Europese Burgerluchtvaartconferentie (ECAC) uitgewerkte regelingen met het oog op samenwerking bij de opstelling en tenuitvoerlegging van gemeenschappelijke voorschriften op alle gebieden die betrekking hebben op de veiligheid en op de veilige exploitatie van luchtvaartuigen. Bedoelde regelingen zijn in bijlage I vermeld;

▼M5

i) „autoriteit in bijlage III”: de bevoegde autoriteit die de Vergunning tot vluchtuitvoering (VTV) heeft verleend.

▼M5

Artikel 3

1.  Onverminderd artikel 11, zijn de gemeenschappelijke technische voorschriften en administratieve procedures die in de Gemeenschap voor commercieel vervoer met vliegtuigen gelden, die welke zijn vermeld in bijlage III.

2.  Verwijzingen naar subdeel M van bijlage III of naar bepalingen daarvan gelden als verwijzingen naar deel M van Verordening (EG) nr. 2042/2003 van de Commissie van 20 november 2003 betreffende de permanente luchtwaardigheid van luchtvaartuigen en luchtvaartproducten, -onderdelen en -uitrustingsstukken, en betreffende de goedkeuring van bij voornoemde taken betrokken organisaties en personen ( 5 ) of de betrokken bepalingen daarvan.

▼B

Artikel 4

▼M5

1.  Voor de niet in bijlage III genoemde gebieden worden op grond van artikel 80, lid 2, van het Verdrag, gemeenschappelijke technische voorschriften en administratieve procedures vastgesteld. De Commissie doet indien nodig en zo spoedig mogelijk geschikte voorstellen op deze gebieden.

▼B

2.  Voordat de in lid 1 bedoelde voorstellen worden aangenomen, kunnen de Lid-Staten de relevante bepalingen van de vigerende nationale regelingen toepassen.

Artikel 5

De Lid-Staten zien erop toe dat hun burgerluchtvaartautoriteiten voldoen aan de voorwaarden voor toetreding tot de JAA, zoals deze zijn vervat in de regelingen, en dat zij deze regelingen zonder voorbehoud vóór 1 januari 1992 ondertekenen.

▼M5

Artikel 6

Luchtvaartuigen die geëxploiteerd worden onder een door de lidstaten verleende vergunning in overeenstemming met de gemeenschappelijke technische voorschriften en administratieve procedures kunnen onder dezelfde voorwaarden in de andere lidstaten worden geëxploiteerd, zonder nadere technische eisen of beoordeling door die lidstaten.

Artikel 7

De lidstaten erkennen de certificering die door een andere lidstaat, dan wel door een organisme dat namens hem handelt in overeenstemming met deze verordening, is verleend aan bij het onderhouden van producten en bij de exploitatie van luchtvaartuigen betrokken organismen of personen, die onder zijn jurisdictie of zijn gezag vallen.

Artikel 8

1.  Het bepaalde in de artikelen 3 tot en met 7 belet een lidstaat niet onmiddellijk te reageren wanneer zich een veiligheidsprobleem voordoet met betrekking tot een onder deze verordening vallend(e) product, persoon of organisatie.

Indien het veiligheidsprobleem een gevolg is van een ontoereikend veiligheidsniveau ingevolge de gemeenschappelijke technische voorschriften en administratieve procedures, of van een leemte in deze voorschriften en procedures, stelt de lidstaat de Commissie en de andere lidstaten onmiddellijk in kennis van de genomen maatregelen en van de redenen daarvoor.

De Commissie besluit volgens de in artikel 12, lid 2, bedoelde procedure of een ontoereikend veiligheidsniveau of een leemte in de gemeenschappelijke technische voorschriften en administratieve procedures de voortzetting van de op grond van de eerste alinea van dit lid genomen maatregelen rechtvaardigt. In een dergelijk geval doet de Commissie het nodige om de desbetreffende gemeenschappelijke technische voorschriften en administratieve procedures in overeenstemming met artikel 4 of artikel 11 te wijzigen. Wanneer de door de lidstaat getroffen maatregelen ongegrond worden geoordeeld, trekt de lidstaat de bedoelde maatregelen in.

2.  In geval van onvoorziene, spoedeisende exploitatieomstandigheden of exploitatiebehoeften van korte duur mogen de lidstaten ontheffingen van de in deze verordening genoemde gemeenschappelijke technische voorschriften en administratieve procedures toestaan.

De Commissie en de andere lidstaten worden van dergelijke ontheffingen in kennis gesteld zodra deze bij herhaling worden verleend, of indien zij zijn toegestaan voor een langere periode dan twee maanden.

Wanneer de Commissie en de andere lidstaten van overeenkomstig de vorige alinea door een lidstaat verleende ontheffingen in kennis worden gesteld, onderzoekt de Commissie of de ontheffingen met de veiligheidsdoelstellingen van deze verordening of andere voorschriften van Gemeenschapsrecht in overeenstemming zijn.

Indien de Commissie van oordeel is dat de verleende ontheffingen niet in overeenstemming zijn met de veiligheidsdoelstellingen van deze verordening of andere voorschriften van Gemeenschapsrecht, neemt zij een besluit over vrijwaringsmaatregelen volgens de in artikel 12 bis bedoelde procedure.

In dat geval trekt de lidstaat de ontheffing in.

3.  In gevallen waarin met andere middelen een veiligheidsniveau kan worden bereikt dat gelijkwaardig is aan het niveau dat door de toepassing van de in bijlage III vermelde gemeenschappelijke technische voorschriften en administratieve procedures wordt bereikt, mogen de lidstaten, zonder discriminatie op grond van de nationaliteit van de aanvragers en zonder dat daardoor de mededinging wordt verstoord, een goedkeuring verlenen die van deze bepalingen afwijkt.

In dergelijke gevallen stelt de desbetreffende lidstaat de Commissie in kennis van het voornemen een dergelijke goedkeuring te verlenen, van de redenen daarvoor, alsook van de gestelde voorwaarden voor een gelijkwaardig veiligheidsniveau.

De Commissie start binnen een periode van drie maanden na de kennisgeving door een lidstaat de in artikel 12, lid 2, bedoelde procedure teneinde het besluit te nemen of de voorgestelde goedkeuring kan worden verleend.

▼M6

In een dergelijk geval brengt de Commissie dit besluit ter kennis van alle lidstaten, die dan het recht hebben die maatregel ook toe te passen. De desbetreffende bepalingen van bijlage III kunnen ook overeenkomstig artikel 11 worden gewijzigd naar aanleiding van een dergelijke maatregel.

▼M5

Artikel 6 en artikel 7 zijn op de betrokken maatregel van toepassing.

4.  Onverminderd het bepaalde in de leden 1, 2 en 3, mogen de lidstaten aanvullende bepalingen in verband met OPS 1.1105 punt 6, OPS 1.1110 punten 1.3 en 1.4.1, OPS 1.1115 en OPS 1.1125 punt 2.1 van subdeel Q van bijlage III bij deze verordening vaststellen of handhaven totdat op wetenschappelijke kennis en beste praktijken gebaseerde communautaire voorschriften zijn vastgesteld.

De lidstaten stellen de Commissie in kennis van de bepalingen die zij besluiten te handhaven.

Voor nationale bepalingen die van de in de eerste alinea bedoelde OPS-bepalingen afwijken en die de lidstaten voornemens zijn aan te nemen na de datum van inwerkingtreding van bijlage III, start de Commissie de in artikel 12, lid 2, bedoelde procedure, om te bepalen of deze bepalingen in overeenstemming zijn met de algemene veiligheidsdoelstellingen van deze verordening of van andere voorschriften van Gemeenschapsrecht, en of zij van toepassing kunnen worden.

▼M6

In een dergelijk geval brengt de Commissie dit besluit ter kennis van alle lidstaten, die dan het recht hebben die maatregel ook toe te passen. De desbetreffende bepalingen van bijlage III kunnen ook overeenkomstig artikel 11 worden gewijzigd naar aanleiding van een dergelijke maatregel.

▼M5

Artikel 6 en artikel 7 zijn op de betrokken maatregel van toepassing.

▼M5

Artikel 8 bis

1.  Uiterlijk 16 januari 2009 voltooit het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart een wetenschappelijke en medische evaluatie van de bepalingen van subdeel Q en, indien relevant, subdeel O van bijlage III.

2.  Onverminderd het bepaalde in artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1592/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2002 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels op het gebied van burgerluchtvaart en tot oprichting van een Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart ( 6 ), staat het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart de Commissie bij in de opstelling van voorstellen tot wijziging van de toepasselijke technische voorschriften van subdelen O en Q van bijlage III.

▼B

Artikel 9

De Lid-Staten treffen de nodige maatregelen om hun onderzoekprogramma's inzake verbetering van de veiligheid van burgerluchtvaartuigen en van de exploitatie ervan te coördineren en de Commissie daarvan in kennis te stellen. De Commissie kan, na overleg met de Lid-Staten, elk dienstig initiatief nemen ter bevordering van deze nationale onderzoekprogramma's.

Artikel 10

De Lid-Staten stellen de Commissie in kennis van:

a) alle overeenkomstig de procedures van de regelingen opgestelde of aangenomen nieuwe of gewijzigde voorschriften of procedures;

b) elke wijziging van de regelingen;

c) de resultaten van het overleg met het bedrijfsleven en andere betrokken instanties.

Artikel 11

▼M6

1.  De maatregelen die tot doel hebben niet-essentiële onderdelen van deze verordening in de in bijlage III vermelde gemeenschappelijke technische voorschriften en administratieve procedures te wijzigen door aanvuling ervan, en die ingevolge de wetenschappelijke en technische vooruitgang noodzakelijk zijn, worden volgens de in artikel 12, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing vastgesteld. Om dwingende urgente redenen kan de Commissie de in artikel 12, lid 4, bedoelde urgentieprocedure toepassen.

▼B

2.  Indien de in lid 1 bedoelde wijzigingen een nationale variant voor een Lid-Staat behelzen, besluit de Commissie overeenkomstig de procedure ►M6  van artikel 12, lid 3 ◄ of deze variant in de gemeenschappelijke technische voorschriften en administratieve procedures moet worden opgenomen.

▼M6

Artikel 12

1.  De Commissie wordt bijgestaan door het comité voor de veiligheid van de luchtvaart (hierna „het comité” genoemd).

2.  Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is de regelgevingsprocedure van de artikelen 5 en 7 van Besluit 1999/468/EG, met inachtneming van de bepalingen van artikel 8 van dat besluit, van toepassing.

De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op drie maanden.

3.  Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, leden 1 tot en met 4, en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit, van toepassing.

4.  Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, leden 1, 2, 4 en 6, en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit, van toepassing.

▼M5

Artikel 12 bis

Wanneer naar dit artikel wordt verwezen, is de vrijwaringsprocedure van artikel 6 van Besluit 1999/468/EG van toepassing.

Alvorens een besluit te nemen raadpleegt de Commissie het comité.

De in artikel 6, onder b), van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op drie maanden.

Wanneer een lidstaat een besluit van de Commissie aan de Raad voorlegt, kan de Raad binnen een termijn van drie maanden met een gekwalificeerde meerderheid een andersluidend besluit nemen.

▼B

Artikel 13

1.  De Lid-Staten staan elkaar onderling bij met het oog op de toepassing van deze verordening en het toezicht daarop.

2.  In het kader van de in lid 1 bedoelde onderlinge bijstand wisselen de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staten regelmatig de beschikbare informatie uit over:

 de overtredingen van de bepalingen van deze verordening door niet-ingezetenen en de sancties die zij ter zake van deze overtredingen hebben toegepast;

 de sancties die een Lid-Staat ter zake van in andere Lid-Staten begane overtredingen op zijn ingezetenen heeft toegepast.

Artikel 14

Deze verordening treedt in werking op 1 januari 1992.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke Lid-Staat.




BIJLAGE I

In artikel 2, lid 1, onder h), bedoelde regelingen

Op 11 september 1990 in Cyprus gesloten regelingen betreffende het opstellen, aanvaarden en toepassen van de JAR's („Arrangements Concerning the Development, the Acceptance and the Implementation of Joint Aviation Requirements”).

▼M4 —————

▼M8 —————



( 1 ) PB nr. C 270 van 26.10.1990, blz. 3.

( 2 ) PB nr. C 267 van 14.10.1991, blz. 154.

( 3 ) PB nr. C 159 van 17.6.1991, blz. 28.

( 4 ) PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23. Besluit gewijzigd bij Besluit 2006/512/EG (PB L 200 van 22.7.2006, blz. 11)

( 5 ) PB L 315 van 28.11.2003, blz. 1.

( 6 ) PB L 240 van 7.9.2002, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1701/2003 van de Commissie (PB L 243 van 27.9.2003, blz. 5)