1991L0440 — NL — 04.12.2007 — 004.001


Dit document vormt slechts een documentatiehulpmiddel en verschijnt buiten de verantwoordelijkheid van de instellingen

►B

RICHTLIJN VAN DE RAAD

van 29 juli 1991

betreffende de ontwikkeling van de spoorwegen in de Gemeenschap

(91/440/EEG)

(PB L 237, 24.8.1991, p.25)

Gewijzigd bij:

 

 

Publicatieblad

  No

page

date

►M1

RICHTLIJN 2001/12/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 26 februari 2001

  L 75

1

15.3.2001

►M2

RICHTLIJN 2004/51/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 29 april 2004

  L 220

58

21.6.2004

►M3

RICHTLIJN 2006/103/EG VAN DE RAAD van 20 november 2006

  L 363

344

20.12.2006

►M4

RICHTLIJN 2007/58/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 23 oktober 2007

  L 315

44

3.12.2007


Gewijzigd bij:

►A1

Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek en de aanpassing van de Verdragen waarop de Europese Unie is gegrond

  L 236

33

23.9.2003


Gerectificeerd bij:

►C1

Rectificatie, PB L 299, 30.10.1991, blz. 50  (91/440)




▼B

RICHTLIJN VAN DE RAAD

van 29 juli 1991

betreffende de ontwikkeling van de spoorwegen in de Gemeenschap

(91/440/EEG)



DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, inzonderheid op artikel 75,

Gezien het voorstel van de Commissie ( 1 ),

Gezien het advies van het Europese Parlement ( 2 ),

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité ( 3 )

Overwegende dat een grotere integratie van de communautaire vervoersector voor de interne markt van fundamenteel belang is en dat in de Gemeenschap de spoorwegen een essentieel bestanddeel van de vervoersector vormen;

Overwegende dat het met het oog op integratie in een markt met vrije concurrentie van belang is om de efficiëntie van het spoor te verbeteren, waarbij evenwel met de bijzondere kenmerken van de spoorwegen rekening dient te worden gehouden;

Overwegende dat met het oog op de efficiëntie en het concurrentievermogen van het vervoer per spoor ten opzichte van de andere vervoertakken, de Lid-Staten de spoorwegondernemingen het statuut dienen te geven van een volgens commerciële beginselen functionerende onafhankelijke onderneming die zich richt naar de behoeften van de markt;

Overwegende dat de toekomstige ontwikkeling en een efficiënte exploitatie van het spoorwegnet kunnen worden vergemakkelijkt door de exploitatie van de vervoerdiensten te scheiden van het beheer van de infrastructuur; dat het onder deze omstandigheden nodig is voor beide genoemde activiteiten in alle gevallen in een afzonderlijk beheer en een afzonderlijke boekhouding te voorzien;

Overwegende dat om de concurrentie op het stuk van de exploitatie van de vervoerdiensten te bevorderen ten einde het comfort en de dienstverlening aan de gebruikers te verbeteren, de Lid-Staten de algemene verantwoordelijkheid voor de ontwikkeling van de spoorweginfrastructuur dienen te blijven dragen;

Overwegende dat, gezien het ontbreken van gemeenschappelijke voorschriften betreffende de verdeling van de infrastructuurkosten, de Lid-Staten na raadpleging van de beheerder van de infrastructuur, voorschriften dienen vast te stellen betreffende de door de spoorwegondernemingen en de internationale samenwerkingsverbanden van die ondernemingen voor het gebruik van spoorweginfrastructuur te betalen vergoedingen; dat deze voorschriften op de beginselen van non-discriminatie tussen de ►C1  spoorwegondernemingen ◄ moeten steunen;

Overwegende dat daartoe de Lid-Staten in het bijzonder ervoor moeten zorg dragen dat de financiële structuur van de bestaande openbare spoorwegondernemingen gezond is, waarbij zij er echter op moeten toezien dat iedere eventueel noodzakelijke financiële herstructurering in overeenstemming met de desbetreffende bepalingen van het Verdrag geschiedt;

Overwegende dat de spoorwegondernemingen met het oog op de vergemakkelijking van het vervoer tussen de Lid-Staten vrij moeten zijn om samenwerkingsverbanden met in andere Lid-Staten gevestigde spoorwegondernemingen aan te gaan;

Overwegende dat aan die internationale samenwerkingsverbanden toegangs- en doorvoerrechten moeten worden verleend voor wat betreft de infrastructuur van de Lid-Staten waar de samenstellende ondernemingen zijn gevestigd, alsmede doorvoerrechten in de andere Lid-Staten wanneer dat voor de betrokken internationale dienst vereist is;

Overwegende dat het met het oog op de ontwikkeling van het gecombineerde vervoer van belang is, spoorwegondernemingen die internationaal gecombineerd goederenvervoer verrichten, toegang te verlenen tot de spoorweginfrastructuur van de andere Lid-Staten;

Overwegende dat een raadgevend comité dient te worden opgericht om de Commissie bij te staan en tevens om op de tenuitvoerlegging van deze richtlijn toe te zien;

Overwegende dat bijgevolg Beschikking 75/327/EEG van de Raad van 20 mei 1975 betreffende de sanering van de toestand bij de spoorwegondernemingen en de harmonisatie van de voorschriften voor de financiële betrekkingen tussen deze ondernemingen en de Staten ( 4 ) moet worden ingetrokken,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:



AFDELING I

▼M1

Toepassingsgebied en definities

▼M1 —————

▼B

Artikel 2

1.  Deze richtlijn is van toepassing op het beheer van de spoorweginfrastructuur en de vervoersactiviteiten per spoor van spoorwegondernemingen die in een Lid-Staat zijn of zullen worden gevestigd.

2.  Spoorwegondernemingen waarvan de activiteiten zich beperken tot de exploitatie van stads-, voorstads- en regionaal vervoer, zijn van de werkingssfeer van deze richtlijn uitgesloten.

▼M1

3.  Ondernemingen waarvan de spoorwegactiviteiten zich ertoe beperken uitsluitend pendeldiensten te verlenen voor wegvoertuigen door de Kanaaltunnel, vallen buiten de werkingssfeer van deze richtlijn, met uitzondering van artikel 6, lid 1, artikel 10 en artikel 10 bis.

▼M4

4.  De lidstaten kunnen een spoorwegdienst die in transito door de Gemeenschap wordt verricht en die buiten het grondgebied van de Gemeenschap begint en eindigt, uitsluiten van de werkingssfeer van deze richtlijn.

▼B

Artikel 3

In deze richtlijn wordt verstaan onder:

▼M1

 „spoorwegonderneming”: iedere publiek- of privaatrechtelijke onderneming die in het bezit is van een vergunning overeenkomstig de toepasselijke communautaire regelgeving en waarvan de voornaamste activiteit bestaat in het verlenen van spoorwegvervoersdiensten voor goederen en/of voor reizigers, waarbij die onderneming voor de tractie moet zorgen; hiertoe behoren ook ondernemingen die uitsluitend tractie leveren;

 „infrastructuurbeheerder”: een instantie of onderneming die met name belast is met de aanleg en het onderhoud van spoorweginfrastructuur. Het beheer van de regelings- en veiligheidssystemen van de infrastructuur kan daaronder zijn begrepen. De functies van de infrastructuurbeheerder voor een net of een onderdeel van het net kunnen aan verschillende instanties of ondernemingen worden toegewezen;

▼B

 „spoorweginfrastructuur”: alle elementen welke bedoeld zijn in bijlage I, deel A, van Verordening (EEG) nr. 2598/70 van de Commissie van 18 december 1970 betreffende de vaststelling van de inhoud van de verschillende posten van de boekhoudkundige schema's bedoeld in bijlage I bij Verordening (EEG) nr. 1108/70 van de Raad van 4 juni 1970 ( 5 ), met uitzondering van het laatste streepje, dat in de zin van deze richtlijn als volgt luidt: „dienstgebouwen voor de infrastructuur.”;

 „internationaal samenwerkingsverband”: ieder samengaan van ten minste twee in verschillende Lid-Staten gevestigde spoorwegondernemingen, dat ten doel heeft het leveren van diensten op het gebied van internationaal vervoer tussen Lid-Staten;

▼M1

 „internationaal goederenvervoer”: vervoersdiensten waarbij de trein minstens één grens van een lidstaat overschrijdt; de trein kan worden samengesteld en/of gesplitst en de verschillende delen kunnen een verschillende herkomst en bestemming hebben, zolang alle wagons ten minste één grens overschrijden;

▼M4

 „internationale passagiersvervoerdienst”: een passagiersvervoerdienst in het kader waarvan de trein ten minste eenmaal de grens van een lidstaat oversteekt en die in hoofdzaak bedoeld is om passagiers tussen stations in verschillende lidstaten te vervoeren; de trein kan worden samengesteld en/of gesplitst en de samenstellende delen kunnen een verschillende herkomst en bestemming hebben, op voorwaarde dat alle rijtuigen ten minste één grens oversteken;

▼B

 „stads- en voorstadsvervoerdiensten”: vervoerdiensten die beantwoorden aan de behoeften van een stedelijk centrum of een agglomeratie, alsook aan de behoeften aan vervoer tussen dat centrum of die agglomeratie en de omliggende gebieden;

▼M4

 „transito”: de doortocht op het grondgebied van de Gemeenschap zonder goederen te laden of te lossen en/of zonder passagiers op het grondgebied van de Gemeenschap te laten in- of uitstappen;

▼B

 „regionale vervoerdiensten”: vervoerdiensten die gericht zijn op de vervoerbehoeften van een regio.



AFDELING II

▼M1

Beheersmatige onafhankelijkheid

Artikel 4

1.  De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat spoorwegondernemingen wat beheer, bestuur en interne controle van bestuurlijke, economische en boekhoudkundige aangelegenheden aangaat, een onafhankelijke positie hebben op grond waarvan zij, in het bijzonder, beschikken over een vermogen, een begroting en boekhouding die gescheiden zijn van die van de staat.

2.  De infrastructuurbeheerder is verantwoordelijk voor zijn eigen beheer, bestuur en interne controle en neemt hierbij het kader en de specifieke heffings- en toewijzingsregels die door de lidstaten zijn opgesteld in acht.

▼B

Artikel 5

1.  De Lid-Staten nemen de nodige maatregelen om de spoorwegondernemingen in de gelegenheid te stellen hun activiteiten aan de markt aan te passen en deze te beheren onder verantwoordelijkheid van hun leidinggevende organen, ten einde doeltreffende en passende diensten te verlenen tegen de laagst mogelijke kosten met inachtneming van de vereiste kwaliteit van de dienstverlening.

De spoorwegondernemingen dienen te worden beheerd volgens de beginselen die van toepassing zijn op handelsvennootschappen, ook waar het gaat om de door de Staat aan de onderneming opgelegde verplichtingen inzake openbare dienstverlening en de op dit gebied door de onderneming met de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staat afgesloten contracten.

2.  De spoorwegondernemingen stellen hun eigen activiteitenprogramma's vast, met inbegrip van de investerings- en financieringsplannen. Deze programma's zijn gericht op het financiële evenwicht van de ondernemingen en op de verwezenlijking van de overige doelstellingen op het gebied van technisch, commercieel en financieel beheer; daarnaast dienen deze programma's te voorzien in de middelen om deze doelstellingen te bereiken.

3.  Binnen het kader van de door de Staat vastgestelde richtsnoeren voor het algemene beleid en met inachtneming van de nationale, eventueel meerjarige, plannen of contracten, met inbegrip van de investerings- en financieringsplannen, zijn de spoorwegondernemingen in het bijzonder vrij om:

 met één of meer andere spoorwegondernemingen een internationaal samenwerkingsverband te vormen;

 hun interne organisatie vast te stellen, onverminderd de bepalingen van afdeling III;

 toezicht te houden op de levering en de marketing van de diensten, en de tarieven ervan vast te stellen, onverminderd Verordening (EEG) nr. 1191/69 van de Raad van 26 juni 1969 betreffende het optreden van de Lid-Staten ten aanzien van met het begrip openbare dienst verbonden verplichtingen op het gebied van het vervoer per spoor, over de weg en over de binnenwateren ( 6 );

 besluiten betreffende het personeel, de activa en de eigen aankopen te nemen;

 hun marktaandeel uit te breiden, nieuwe technologieën en nieuwe diensten te ontwikkelen en nieuwe managementtechnieken in te voeren;

 nieuwe activiteiten te starten in aanverwante sectoren.



AFDELING III

Scheiding tussen het beheer van de infrastructuur en de vervoersactiviteit

▼M1

Artikel 6

1.  De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat gescheiden verlies- en winstrekeningen en balansen worden opgesteld en gepubliceerd voor de activiteiten met betrekking tot de levering van vervoersdiensten door spoorwegondernemingen enerzijds, en voor de activiteiten betreffende het beheer van de spoorweginfrastructuur anderzijds. Overheidsmiddelen die voor een van deze twee activiteiten worden verstrekt, mogen niet worden overgedragen naar de andere activiteit.

Dit verbod moet terug te vinden zijn in de wijze waarop de boekhoudingen van deze twee activiteiten gevoerd worden.

2.  De lidstaten kunnen voorts bepalen dat deze scheiding tot uitdrukking komt in het bestaan van afzonderlijke afdelingen binnen eenzelfde onderneming of dat de infrastructuur door een afzonderlijke eenheid wordt beheerd.

3.  De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de in bijlage II vermelde taken die voor billijke en niet-discriminerende toegang tot de infrastructuur bepalend zijn, worden toevertrouwd aan instanties of ondernemingen die zelf geen spoorvervoersdiensten verlenen. Aangetoond moet worden dat deze doelstelling is bereikt, ongeacht de organisatiestructuur.

De lidstaten kunnen de spoorwegondernemingen of elke andere instantie evenwel belasten met de inning van de gebruiksrechten en de verantwoordelijkheid voor het beheer van de spoorweginfrastructuur zoals investeringen, onderhoud en financiering.

4.  De Commissie stelt uiterlijk op 15 maart 2006 een verslag op over de toepassing van lid 3, overeenkomstig artikel 10 ter.

Artikel 7

1.  De lidstaten nemen de nodige maatregelen voor de ontwikkeling van de nationale spoorweginfrastructuur waarbij zij, zo nodig, de algemene behoeften van de Gemeenschap in aanmerking nemen.

▼M2 —————

▼M1

3.  De lidstaten kunnen voorts de beheerder van de infrastructuur, met inachtneming van de artikelen 73, 87 en 88 van het Verdrag, financiële middelen verstrekken die voldoende zijn in verhouding tot de taken, de omvang en de financiële behoeften, met name om nieuwe investeringen te dekken.

4.  In het kader van het door de overheid vastgestelde algemene beleid stelt de infrastructuurbeheerder een bedrijfsplan op dat ook investerings- en financiële programma's bevat. Het plan moet zodanig worden opgesteld dat wordt gewaarborgd dat gebruik en ontwikkeling van de infrastructuur optimaal en efficiënt zijn, en tevens een financieel evenwicht wordt bereikt en in de middelen voor de verwezenlijking van deze doelstellingen wordt voorzien.

▼B

Artikel 8

De beheerder van de infrastructuur past voor het gebruik van de door hem beheerde spoorweginfrastructuur een vergoeding toe die moet worden betaald door de spoorwegondernemingen en de internationale samenwerkingsverbanden die van deze infrastructuur gebruik maken. Na raadpleging van deze beheerder bepalen de Lid-Staten de wijze van vaststelling van deze vergoeding.

In de gebruiksvergoeding, die zodanig wordt berekend dat iedere discriminatie tussen spoorwegondernemingen wordt vermeden, kan met name rekening worden gehouden met de kilometrage, de samenstelling van de trein en met specifieke factoren als snelheid, asdruk en de intensiteit waarmee, of de periode waarin, van de infrastructuur gebruik wordt gemaakt.



AFDELING IV

Financiële sanering

Artikel 9

1.  De Lid-Staten voeren, samen met de bestaande openbare spoorwegondernemingen, passende mechanismen in om de schuldenlast van deze ondernemingen te helpen terugbrengen tot een niveau dat geen belemmering vormt voor een gezond financieel beheer, en om de financiële situatie van die ondernemingen te saneren.

2.  Daartoe kunnen de Lid-Staten de nodige maatregelen nemen, opdat binnen de boekhouding van deze ondernemingen een afzonderlijke schulddelgingsdienst wordt ingesteld.

Alle leningen van de onderneming ter financiering van investeringen en ter dekking van overschrijdingen van exploitatie-uitgaven welke het gevolg zijn van activiteiten op het gebied van het spoorwegvervoer of van het beheer van de spoorweginfrastructuur, kunnen bij de passiva van deze dienst worden geboekt totdat de schuld is afgelost. De schulden uit activiteiten van dochterondernemingen kunnen niet in aanmerking worden genomen.

▼M1

3.  De toekenning van steun van de lidstaten voor het aflossen van de in dit artikel bedoelde schulden geschiedt met inachtneming van de artikelen 73, 87 en 88 van het Verdrag.

▼M1

4.  In het geval van spoorwegondernemingen worden voor de bedrijfsactiviteiten met betrekking tot de exploitatie van hun goederenvervoersdiensten winst- en verliesrekeningen, alsmede balansen of een jaarlijkse staat van activa en passiva opgesteld en gepubliceerd. Financiële middelen voor activiteiten die betrekking hebben op het verrichten van reizigersvervoersdiensten in het kader van een opdracht van openbare dienst, moeten afzonderlijk in de desbetreffende rekeningen worden opgevoerd en mogen niet worden overgedragen naar activiteiten met betrekking tot andere vervoersdiensten of andere bedrijfsactiviteiten.

▼B



AFDELING V

Toegang tot de spoorweginfrastructuur

▼M1

Artikel 10

1.  Aan internationale samenwerkingsverbanden worden toegangs- en doorvoerrechten verleend in de lidstaten waar de samenstellende spoorwegondernemingen zijn gevestigd, alsmede doorvoerrechten in de andere lidstaten voor het verrichten van internationale vervoersdiensten tussen de lidstaten waar de samenstellende ondernemingen van die samenwerkingsverbanden zijn gevestigd.

2.  Spoorwegondernemingen die onder de werkingssfeer van artikel 2 vallen, krijgen onder billijke voorwaarden toegang tot de infrastructuur in andere lidstaten met het oog op de exploitatie van internationale gecombineerde goederenvervoersdiensten.

▼M2

3.  Spoorwegondernemingen die onder de werkingssfeer van artikel 2 vallen, krijgen onder billijke voorwaarden toegang tot het trans-Europees netwerk voor goederenvervoer per spoor als omschreven in artikel 10 bis en in bijlage I, alsmede, uiterlijk op 1 januari 2007, tot het gehele spoorwegnet, met het oog op de exploitatie van internationale goederendiensten.

Voorts krijgen spoorwegondernemingen die onder de werkingssfeer van artikel 2 vallen, uiterlijk op 1 januari 2007 onder billijke voorwaarden toegang tot de infrastructuur in de lidstaten met het oog op de exploitatie van alle goederenvervoersdiensten.

▼M4

3 bis.  De spoorwegondernemingen die onder de werkingssfeer van artikel 2 vallen, krijgen uiterlijk op 1 januari 2010 recht op toegang tot de infrastructuur van alle lidstaten met het oog op de exploitatie van internationale passagiersvervoerdiensten. Bij een internationale passagiersvervoerdienst hebben de spoorwegondernemingen het recht op het internationale traject passagiers te laten instappen op elk station en ze te laten uitstappen op een ander station, ook wanneer die in dezelfde lidstaat liggen.

Het recht van toegang tot de infrastructuur van de lidstaten waar het aandeel van het internationale passagiersvervoer per spoor groter is dan de helft van de omzet in het reizigerssegment van de spoorwegondernemingen in die lidstaat, wordt uiterlijk op 1 januari 2012 verleend.

Of het hoofddoel van de dienst is, passagiers tussen stations in verschillende lidstaten te vervoeren, wordt door de in artikel 30 van Richtlijn 2001/14/EG bedoelde toezichthoudende instantie(s) bepaald, naar aanleiding van een verzoek van de bevoegde autoriteit(en) en/of de belanghebbende spoorwegondernemingen.

3 ter.  De lidstaten kunnen het in lid 3 bis omschreven toegangsrecht beperken op verbindingen tussen een vertrekpunt en een bestemming waarvoor een of meer openbaredienstcontracten overeenkomstig de geldende communautaire wetgeving zijn gesloten. Deze beperking mag niet tot gevolg hebben dat het recht op het internationale traject passagiers te laten instappen op elk station en ze te laten uitstappen op een ander station, ook wanneer die in dezelfde lidstaat liggen, wordt beperkt, behalve wanneer de uitoefening van dit recht het economische evenwicht van een openbaredienstcontract in het gedrang zou brengen.

Of het economisch evenwicht al dan niet in het gedrang komt wordt door de in artikel 30 van Richtlijn 2001/14/EG bedoelde toezichthoudende instantie(s) bepaald op basis van een objectieve economische analyse aan de hand van vooraf vastgestelde criteria, op verzoek van:

 de bevoegde autoriteit(en) die het openbaredienstcontract heeft/hebben gegund,

 iedere andere belanghebbende bevoegde autoriteit die het recht heeft de toegang uit hoofde van dit artikel te beperken,

 de infrastructuurbeheerder, of

 de spoorwegonderneming die het openbaredienstcontract uitvoert.

De bevoegde autoriteiten en de spoorwegondernemingen die de openbare diensten verrichten, delen aan de bevoegde toezichthoudende instantie de informatie mee die redelijkerwijs nodig is om tot een besluit te komen. De toezichthoudende instantie onderzoekt de verstrekte informatie en pleegt daarbij, indien nodig, overleg met alle betrokken partijen; binnen een vooraf bepaalde redelijke termijn, en in ieder geval binnen twee maanden na ontvangst van alle relevante informatie, stelt zij de betrokken partijen in kennis van haar met redenen omklede besluit. De toezichthoudende instantie deelt de gronden voor haar besluit mee en vermeldt de termijn waarbinnen, en de voorwaarden waaronder,

 de ter zake bevoegde autoriteit(en),

 de infrastructuurbeheerder,

 de spoorwegonderneming die het openbaredienstcontract uitvoert, of

 de spoorwegonderneming die toegang wenst

om een heroverweging van het besluit kunnen verzoeken.

3 quater.  De lidstaten kunnen tevens het recht passagiers te laten in- en uitstappen op stations in dezelfde lidstaat op het traject van een internationale passagiersvervoerdienst beperken wanneer een exclusief recht voor het vervoer van passagiers tussen deze stations is toegekend uit hoofde van een concessiecontract dat vóór 4 december 2007 is gegund op basis van een eerlijke op concurrentie stoelende aanbestedingsprocedure en overeenkomstig de toepasselijke beginselen van het communautaire recht. Deze beperking kan gelden gedurende de oorspronkelijke duur van het contract, of 15 jaar, naargelang welk tijdsbestek het kortst is.

3 quinquies.  De bepalingen van deze richtlijn verplichten een lidstaat niet om tot 1 januari 2010 het in lid 3 bis bedoelde recht op toegang te verlenen aan spoorwegondernemingen en de direct of indirect onder hun zeggenschap staande dochterondernemingen met een vergunning van een lidstaat waar soortgelijke toegangsrechten niet worden verleend.

3 sexties.  De lidstaten treffen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de in leden 3 ter, 3 quater en 3 quinquies bedoelde beslissingen rechterlijk kunnen worden getoetst.

3 septies.  Onverminderd lid 3 ter, kunnen de lidstaten, onder de in dit artikel bepaalde voorwaarden, de voor het spoorwegvervoer van passagiers bevoegde autoriteit toestaan een heffing op te leggen aan spoorwegondernemingen die passagiersvervoerdiensten verzorgen, voor de exploitatie van die onder de rechtsbevoegdheid van deze autoriteit vallende trajecten die tussen twee stations in die lidstaat worden geëxploiteerd.

In dat geval worden spoorwegondernemingen die binnenlandse of internationale passagiersvervoersdiensten over het spoor verzorgen aan dezelfde heffing voor de exploitatie van die trajecten die onder de rechtsbevoegdheid van die autoriteit vallen, onderworpen.

De heffing is bedoeld om deze autoriteit te compenseren voor openbaredienstverplichtingen vervat in openbaredienstcontracten die overeenkomstig het Gemeenschapsrecht zijn gegund. De opbrengst uit zulke heffing en betaald als compensatie mag niet hoger zijn dan nodig is om het geheel of een deel van de kosten van de desbetreffende openbaredienstverplichtingen, rekening houdend met de opbrengsten alsmede met een redelijke winst uit de uitvoering van die verplichtingen, te dekken.

De heffing wordt opgelegd in overeenstemming met het Gemeenschapsrecht, en neemt met name de beginselen van billijkheid, transparantie, non-discriminatie en evenredigheid, in het bijzonder tussen de gemiddelde prijs van de dienst aan de passagier en de hoogte van de heffing, in acht. Het totaal van de volgens dit lid opgelegde heffingen mag de economische levensvatbaarheid van de passagiersvervoerdienst over het spoor waarvoor zij worden opgelegd, niet in gevaar brengen.

De betrokken autoriteiten houden de nodige gegevens bij om ervoor te zorgen dat de oorsprong van de heffingen en het gebruik dat ervan wordt gemaakt, kan worden achterhaald. De lidstaten verschaffen de Commissie deze informatie.

▼M1

4.  Op verzoek van een lidstaat of op eigen initiatief onderzoekt de Commissie, in een specifiek geval, de toepassing en naleving van dit artikel en besluit zij binnen twee maanden na ontvangst van een dergelijk verzoek en na raadpleging van het Comité van artikel 11 bis, lid 2, of de betrokken maatregel verder mag worden toegepast. De Commissie deelt haar besluit mee aan het Europees Parlement, de Raad en de lidstaten.

Onverminderd artikel 226 van het Verdrag kan iedere lidstaat het besluit van de Commissie binnen één maand aan de Raad voorleggen. De Raad kan in uitzonderlijke omstandigheden binnen een maand met een gekwalificeerde meerderheid van stemmen een andersluidend besluit nemen.

▼M2

5.  Spoorwegondernemingen die vervoersdiensten per spoor verrichten, sluiten de nodige publiek- of privaatrechtelijke overeenkomsten met de infrastructuurbeheerders van de gebruikte spoorweginfrastructuur. Die overeenkomsten mogen geen discriminerende voorwaarden bevatten en moeten transparant zijn, in overeenstemming met de bepalingen van Richtlijn 2001/14/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2001 inzake de toewijzing van spoorweginfrastructuurcapaciteit en de heffing van rechten voor het gebruik van spoorweginfrastructuur alsmede inzake veiligheidscertificering ( 7 ).

6.  De toegang via het spoor tot, alsmede de verlening van diensten in, terminals en havens in verband met spoorwegactiviteiten overeenkomstig de leden 1, 2 en 3 waarbij meer dan één eindgebruiker wordt bediend of kan worden bediend, worden toegestaan aan alle spoorwegondernemingen op niet-discriminerende en transparante wijze; verzoeken van spoorwegondernemingen kunnen alleen onderworpen worden aan beperkingen indien er levensvatbare spoorwegalternatieven onder marktvoorwaarden voorhanden zijn.

▼M1

7.  Onverminderd de communautaire en nationale regelgeving inzake mededingingsbeleid en de bevoegdheden van de desbetreffende instellingen, oefent de overeenkomstig artikel 30 van Richtlijn 2001/14/EG ingestelde toezichthoudende instantie, of een andere instantie met eenzelfde graad van onafhankelijkheid, toezicht uit op de concurrentie op de markt van de spoorwegvervoersdiensten, met inbegrip van het goederenvervoer.

Die instantie wordt ingesteld overeenkomstig artikel 30, lid 1, van bovengenoemde richtlijn. Elke aanvrager of belanghebbende kan bij de instantie een klacht indienen indien hij van mening is dat hij oneerlijk is behandeld, is gediscrimineerd of anderszins is benadeeld. Op grond van de klacht, en eventueel ambtshalve, treft de instantie zo snel mogelijk adequate maatregelen om ongewenste marktontwikkelingen om te buigen. Om de noodzakelijke mogelijkheid van rechterlijke toetsing en de noodzakelijke samenwerking tussen de nationale toezichthoudende instanties te verzekeren, zijn artikel 30, lid 6, en artikel 31 van bovengenoemde richtlijn in deze context van toepassing.

▼M4

8.  Uiterlijk op 1 januari 2009 legt de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s een verslag voor over de uitvoering van deze richtlijn.

In dit verslag wordt ingegaan op:

 de uitvoering van deze richtlijn in de lidstaten, met name haar gevolgen in de lidstaten bedoeld in lid 3 bis, tweede alinea, en de doeltreffende werking van de verschillende betrokken organen;

 de marktontwikkeling, met name internationale vervoerstendensen, de activiteiten en het marktaandeel van alle actoren op de markt, met inbegrip van nieuwe marktdeelnemers.

▼M4

9.  Uiterlijk op 31 december 2012 dient de Commissie bij het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s een verslag in over de uitvoering van het bepaalde in artikel 10, leden 3 bis tot en met 3 septies.

De toepassing van deze richtlijn wordt geëvalueerd op grond van een verslag dat door de Commissie wordt voorgesteld binnen de twee jaar na datum van openstelling van de markt voor internationale passagiersvervoerdiensten.

Dit verslag beoordeelt ook de marktontwikkeling, inclusief de stand van de voorbereidingen voor de verdere openstelling van de spoorwegmarkt. In dit verslag analyseert de Commissie tevens de verschillende organisatiemodellen voor deze markt evenals de gevolgen van deze richtlijn voor openbaredienstcontracten en de financiering ervan. Daarbij neemt de Commissie ook de uitvoering van Verordening (EG) nr. 1370/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2007 betreffende het openbaar personenvervoer per spoor en over de weg ( 8 ) en de intrinsieke verschillen tussen de lidstaten (dichtheid van de netwerken, aantal passagiers, gemiddelde reisafstand) in acht. In haar verslag stelt de Commissie waar nodig aanvullende maatregelen voor om die openstelling te bevorderen en de effecten van zulke maatregelen te beoordelen.

▼M1

Artikel 10 bis

1.  Het trans-Europees netwerk voor goederenvervoer per spoor omvat de volgende elementen:

a) de op de kaarten in bijlage I aangegeven spoorlijnen;

b) waar nodig alternatieve trajecten, met name om overbelaste infrastructuur in de zin van Richtlijn 2001/14/EG heen. Wanneer deze trajecten worden aangeboden, moeten de totale reistijden zoveel mogelijk worden gehandhaafd;

c) toegang via het spoor tot terminals die meer dan één eindgebruiker bedienen of kunnen bedienen en tot andere locaties en voorzieningen, inclusief aanvoerlijnen;

d) toegang via het spoor tot en vanuit de in bijlage I vermelde havens inclusief aanvoerlijnen.

2.  De in lid 1, onder c) en d), genoemde aanvoerlijnen beslaan aan het begin en einde van de reisweg 50 km, of 20 % van de reisweg op de in lid 1, onder a), bedoelde spoorlijnen, afhankelijk van hetgeen méér is.

België en Luxemburg, als lidstaten met een relatief klein of geconcentreerd spoorwegnet, kunnen de lengte van de aanvoerlijnen in het eerste jaar na 15 maart 2003 beperken tot ten minste 20 kilometer en tot het eind van het tweede jaar tot 40 km.



AFDELING V bis

Toezichthoudende rol van de Commissie

Artikel 10 ter

1.  Uiterlijk op 15 september 2001 treft de Commissie de nodige maatregelen voor het toezicht op de technische en economische omstandigheden en de marktontwikkelingen van het Europese spoorvervoer. De Commissie zorgt voor voldoende middelen om effectief toezicht op deze sector mogelijk te maken.

2.  De Commissie zal in dit kader vertegenwoordigers van de lidstaten en van de betrokken sectoren, met inbegrip van de gebruikers, nauw bij haar werkzaamheden betrekken, zodat zij in staat zijn beter toezicht te houden op de ontwikkelingen in de spoorwegsector en de evolutie van de markt, de effecten van de aangenomen maatregelen te beoordelen en de impact van de door de Commissie voorgenomen maatregelen te analyseren.

3.  De Commissie ziet toe op het gebruik van de netwerken en de ontwikkeling van de kadervoorwaarden in de spoorwegsector, met name heffingen op het gebruik van infrastructuur, capaciteitstoewijzing, veiligheidsregulering en vergunningverlening en de mate van harmonisatie die tot stand komt. Zij zorgt voor actieve samenwerking tussen de bevoegde toezichthoudende instanties in de lidstaten.

4.  De Commissie rapporteert aan het Europees Parlement en de Raad over:

a) de ontwikkeling van de interne markt in het spoorwegvervoer,

b) de kadervoorwaarden,

▼M2

c) de stand van zaken met betrekking tot het Europese spoorwegnetwerk,

▼M1

d) het gebruik van toegangsrechten,

e) belemmeringen voor efficiëntere spoorwegdiensten,

f) infrastructuurbeperkingen, en

g) de behoefte aan wetgeving.

▼B



AFDELING VI

Slotbepalingen

▼M1

Artikel 11

1.  De lidstaten kunnen elke vraag betreffende de uitvoering van deze richtlijn aan de Commissie voorleggen. Passende besluiten zullen worden genomen door gebruik te maken van de in artikel 11 bis, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure.

▼M4

2.  De maatregelen die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn aangaande de aanpassing van de bijlagen beogen te wijzigen, worden vastgesteld volgens de regelgevingsprocedure met toetsing bedoeld in artikel 11 bis, lid 3.

▼M1

Artikel 11 bis

1.  De Commissie wordt bijgestaan door een comité.

2.  Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 3 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.

▼M4

3.  Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, leden 1 tot en met 4 en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.

▼M1

4.  Het comité stelt zijn reglement van orde vast.

▼B

Artikel 12

De bepalingen van deze richtlijn zijn van toepassing onverminderd het bepaalde in Richtlijn 90/531/EEG van de Raad van 17 september 1990 betreffende de procedures voor het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en telecommunicatie ( 9 ).

Artikel 13

Beschikking 75/327/EEG wordt ingetrokken per 1 januari 1993.

Verwijzingen naar de ingetrokken beschikking worden beschouwd als verwijzingen naar deze richtlijn.

▼M2 —————

▼M1

Artikel 14 bis

1.  Gedurende een periode van vijf jaar ingaande op 15 maart 2003 behoeven de hierna genoemde lidstaten:

 Ierland, als insulaire lidstaat met een spoorverbinding met slechts één andere lidstaat,

 het Verenigd Koninkrijk, wat Noord-Ierland betreft, op dezelfde basis, en

 Griekenland, als lidstaat zonder directe spoorverbinding met enige andere lidstaat,

niet te voldoen aan de verplichting om een onafhankelijke instantie te belasten met de taken die voor billijke en niet-discriminerende toegang tot de infrastructuur bepalend zijn, als bepaald in artikel 6, lid 3, eerste alinea, en met de taken bedoeld in artikel 7, lid 2, eerste alinea, voorzover de lidstaten bij deze artikelen verplicht worden onafhankelijke instanties in te stellen om de in deze artikelen bedoelde taken te verrichten.

2.  Echter indien:

a) meer dan één spoorwegonderneming waaraan overeenkomstig artikel 4 van Richtlijn 95/18/EG een vergunning is verleend (in het geval van Ierland en Noord-Ierland een spoorwegonderneming waaraan elders een vergunning is verleend) een officiële aanvraag indient om concurrerende spoorwegdiensten te exploiteren in, naar of vanuit Ierland, Noord-Ierland of Griekenland, wordt in het kader van de in artikel 11 bis, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure beslist of die afwijking van toepassing blijft, of

b) een spoorwegonderneming die spoorwegdiensten in Ierland, Noord-Ierland c.q. Griekenland exploiteert, een officiële aanvraag indient om spoorwegdiensten in, naar of vanuit het grondgebied van een andere lidstaat — in het geval van Ierland of het Verenigd Koninkrijk, wat Noord-Ierland betreft, of beide, een andere lidstaat buiten hun grondgebied — te exploiteren, geldt de in lid 1 bedoelde uitzondering niet.

Binnen een jaar na ontvangst van het overeenkomstig de raadplegingsprocedure van artikel 11 bis, lid 2, genomen besluit, als bedoeld onder a), dan wel van de kennisgeving van de onder b) bedoelde officiële aanvraag, voeren de betrokken lidstaat of lidstaten, Ierland, het Verenigd Koninkrijk wat Noord-Ierland betreft, of Griekenland regelgeving in om de in de eerste alinea bedoelde artikelen uit te voeren.

3.  Een uitzondering als bedoeld in lid 1, eerste alinea, mag worden verlengd voor een periode van maximaal vijf jaar. Uiterlijk twaalf maanden voor het verstrijken van de uitzondering kan een lidstaat die een dergelijke uitzondering geniet, zich tot de Commissie wenden met een verzoek om hernieuwde uitzondering. Elk verzoek in die zin moet worden gemotiveerd. De Commissie behandelt dat verzoek en neemt een besluit, overeenkomstig de in artikel 11 bis, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure. Deze procedure is van toepassing op elk besluit in verband met het verzoek.

Bij het nemen van haar besluit houdt de Commissie rekening met de ontwikkelingen in de geopolitieke situatie en de ontwikkelingen op de markt voor spoorwegvervoer in, vanuit en naar de lidstaat die om een hernieuwde uitzondering heeft verzocht.

4.  Luxemburg als lidstaat met een relatief klein spoorwegnet behoeft tot en met 31 augustus 2004 niet te voldoen aan de vereiste dat een onafhankelijke instantie wordt belast met de taken die voor billijke en niet-discriminerende toegang tot de infrastructuur bepalend zijn, als bepaald in artikel 6, lid 3, eerste alinea, voor zover de lidstaten daarbij verplicht worden onafhankelijke instanties in te stellen om de in dat artikel bedoelde taken te verrichten.

▼B

Artikel 15

De Lid-Staten doen, na raadpleging van de Commissie, de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 1 januari 1993 aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

Wanneer de Lid-Staten deze bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen naar deze richtlijn verwezen of wordt hiernaar verwezen bij de officiële bekendmaking van die bepalingen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de Lid-Staten.

▼M4

De verplichting tot omzetting en uitvoering van deze richtlijn is niet van toepassing op Cyprus en Malta zolang deze landen niet beschikken over een spoorwegnet op hun grondgebied.

▼B

Artikel 16

Deze richtlijn is gericht tot de Lid-Staten.

▼M1




BIJLAGE I

HAVENS

BELGIË/BELGIQUE

Antwerpen/Anvers

Gent/Gand

Zeebrugge/Zeebruges

▼M3

БЪЛГАРИЯ

Варна

Бургас

Русе

Лом

Видин

▼A1

ČESKÁ REPUBLIKA

▼M1

DANMARK

Ålborg

Århus

Esbjerg

Fredericia

København

Nyborg

Odense

DEUTSCHLAND

Brake

Bremen/Bremerhaven

Brunsbüttel

Cuxhaven

Emden

Hamburg

Kiel

Lübeck

Nordenham

Puttgarden

Rostock

Sassnitz

Wilhelmshaven

Wismar

▼A1

EESTI

Muuga sadam

Paljassaare sadam

Vanasadam

Paldiski põhjasadam

Paldiski lõunasadam

Kopli põhjasadam

Kopli lõunasadam

Bekkeri sadam

Kunda sadam

▼M1

ΕΛΛΑΣ

Αλεξανδρούπολις

Ελευσίνα

Πάτρα

Πειραιάς

Θεσσαλονίκη

Βόλος

ESPAÑA

Algeciras

Almería

Barcelona

Bilbao

Cartagena-Escombreras

Gijón

Huelva

Tarragona

Valencia

Vigo

FRANCE

Bayonne

Bordeaux

Boulogne

Calais

Cherbourg

Dunkerque

Fos-Marseille

La Rochelle

Le Havre

Nantes

Port-la-Nouvelle

Rouen

Sète

St Nazaire

IRELAND

Cork

Dublin

ITALIA

Ancona

Bari

Brindisi

C. Vecchia

Genova

Gioia Tauro

La Spezia

Livorno

Napoli

Piombino

Ravenna

Salerno

Savona

Taranto

Trieste

Venezia

▼A1

ΚΥΠΡΟΣ

LATVIJA

Rīga

Ventspils

Liepāja

LIETUVA

Klaipėda

▼M1

LUXEMBOURG

▼A1

MAGYARORSZÁG

MALTA

▼M1

NEDERLAND

Amsterdam Zeehaven

Delfzijl/Eemshaven

Vlissingen

Rotterdam Zeehaven

Terneuzen

ÖSTERREICH

▼A1

POLSKA

Szczecin

Świnoujście

Gdańsk

Gdynia

▼M1

PORTUGAL

Leixões

Lisboa

Setúbal

Sines

▼M3

ROMÂNIA

Constanța

Mangalia

Midia

Tulcea

Galați

Brăila

Medgidia

Oltenița

Giurgiu

Zimnicea

Calafat

Turnu Severin

Orșova

▼A1

SLOVENIJA

Koper

SLOVENSKO

▼M1

SUOMI/FINLAND

Hamina

Hanko

Helsinki

Kemi

Kokkola

Kotka

Oulu

Pori

Rauma

Tornio

Turku

SVERIGE

Göteborg-Varberg

Helsingborg

Luleå

Malmö

Norrköping

Oxelösund

Stockholm

Trelleborg-Ystad

Umeå

UNITED KINGDOM

Alle havens met een spoorwegverbinding

image

image

image

image

image

image

image

image

image

image

image

image

image

image

image

image

image

image

image

image

image

image

image

image




BIJLAGE II

Lijst van essentiële taken als bedoeld in artikel 6, lid 3:

 voorbereiding en besluitvorming inzake het verlenen van vergunningen aan spoorwegondernemingen, waaronder het verlenen van afzonderlijke vergunningen;

 besluitvorming inzake infrastructuurcapaciteitstoewijzing, waaronder zowel de omschrijving als de beoordeling van de beschikbaarheid en de infrastructuurcapaciteitstoewijzing voor afzonderlijke spoorwegtrajecten;

 besluitvorming inzake de heffingen voor het gebruik van de infrastructuur;

 toezicht op de naleving van de verplichting tot verlening van bepaalde openbare diensten.



( 1 ) PB nr. C 34 van 14. 2. 1990, blz. 8, en

PB nr. C 87 van 4. 4. 1991, blz. 7.

( 2 ) PB nr. C 19 van 28. 1. 1991, blz. 254.

( 3 ) PB nr. C 225 van 10. 9. 1990, blz. 27.

( 4 ) PB nr. L 152 van 12. 6. 1975, blz. 3.

( 5 ) PB nr. L 278 van 23. 12. 1970, blz. 1; deze verordening is gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 2116/78 (PB nr. L 246 van 8. 9. 1978, blz. 7).

( 6 ) PB nr. L 156 van 28. 6. 1969, blz. 1; deze verordening is laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 1893/91 (PB nr. L 169 van 29. 6. 1991, blz. 1).

( 7 ) PB L 75 van 15.3.2001, blz. 29. Richtlijn gewijzigd bij Beschikking 2002/844/EG van de Commissie (PB L 289 van 26.10.2002, blz. 30).

( 8 ) PB L 315 van 3.12.2007, blz. 1.

( 9 ) PB nr. L 297 van 29. 10. 1990, blz. 1.