01990L0270 — NL — 26.07.2019 — 002.001


Onderstaande tekst dient louter ter informatie en is juridisch niet bindend. De EU-instellingen zijn niet aansprakelijk voor de inhoud. Alleen de besluiten die zijn gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie (te raadplegen in EUR-Lex) zijn authentiek. Deze officiële versies zijn rechtstreeks toegankelijk via de links in dit document

►B

RICHTLIJN VAN DE RAAD

van 29 mei 1990

betreffende minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid met betrekking tot het werken met beeldschermapparatuur (vijfde bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 89/391/EEG)

(90/270/EEG)

(PB L 156 van 21.6.1990, blz. 14)

Gewijzigd bij:

 

 

Publicatieblad

  nr.

blz.

datum

►M1

RICHTLIJN 2007/30/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD Voor de EER relevante tekst van 20 juni 2007

  L 165

21

27.6.2007

►M2

VERORDENING (EU) 2019/1243 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 20 juni 2019

  L 198

241

25.7.2019




▼B

RICHTLIJN VAN DE RAAD

van 29 mei 1990

betreffende minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid met betrekking tot het werken met beeldschermapparatuur (vijfde bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 89/391/EEG)

(90/270/EEG)



AFDELING I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Doel

1.  In deze richtlijn, die de vijfde bijzondere richtlijn is in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 89/391/EEG, worden minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid vastgesteld betreffende het werken met beeldschermapparatuur als omschreven in artikel 2.

2.  De bepalingen van Richtlijn 89/391/EEG gelden ten volle voor het gehele in lid 1 bedoelde terrein, onverminderd meer dwingende en/of specifieke bepalingen die in de onderhavige richtlijn zijn opgenomen.

3.  Deze richtlijn is niet van toepassing op:

a) bestuurdersplaatsen op voertuigen of machines;

b) computersystemen in transportmiddelen;

c) computersystemen die in de eerste plaats bestemd zijn voor gebruik door het publiek;

d) zogenaamde „draagbare” systemen die niet aanhoudend worden gebruikt op een werkplek;

e) rekenmachines, kassa's en andere apparatuur die voorzien is van een klein display voor gegevens of hoeveelheden, dat nodig is voor het directe gebruik van die apparatuur;

f) conventionele schrijfmachines met „display”.

Artikel 2

Definities

In deze richtlijn wordt verstaan onder:

a) „beeldscherm”: een alfanumeriek of grafisch scherm, ongeacht het gebruikte afbeeldingsprocédé;

b) „werkplek”: het geheel dat bestaat uit beeldschermapparatuur, in voorkomend geval voorzien van een toetsenbord of voorziening voor gegevensinvoer en/of de interface mens/machine bepalende software, facultatieve accessoires, nevenapparatuur met inbegrip van de schijveneenheid, een telefoon, een modem, een printer, een documenthouder, een stoel en een werktafel of werkvlak, alsmede de onmiddellijke werkomgeving;

c) „werknemer”: iedere werknemer in de zin van artikel 3, onder a), van Richtlijn 89/391/EEG die gewoonlijk gedurende een aanzienlijk deel van zijn normale werktijd gebruik maakt van beeldschermapparatuur.



AFDELING II

VERPLICHTINGEN VAN DE WERKGEVERS

Artikel 3

Analyse van de werkplekken

1.  De werkgevers zijn gehouden een analyse van de werkplekken te verrichten om de omstandigheden inzake veiligheid en gezondheid te evalueren die deze voor hun werknemers inhouden, met name inzake de eventuele risico's voor het gezichtsvermogen en de problemen van lichamelijke en geestelijke belasting.

2.  De werkgevers moeten passende maatregelen nemen om de daarbij vastgestelde risico's te ondervangen, in het licht van de in lid 1 bedoelde evaluatie, rekening houdend met de samenvoeging en/of de combinatie van de gevolgen van de vastgestelde risico's.

Artikel 4

Voor het eerst in gebruik genomen werkplekken

De werkgevers moeten passende maatregelen nemen opdat werkplekken die na 31 december 1992 voor het eerst in gebruik worden genomen, aan de minimumvoorschriften van de bijlage voldoen.

Artikel 5

Reeds in gebruik zijnde werkplekken

De werkgevers moeten passende maatregelen nemen opdat de werkplekken die op 31 december 1992 reeds in gebruik zijn, uiterlijk vier jaar na die datum worden aangepast aan de minimumvoorschriften in de bijlage.

Artikel 6

Voorlichting en opleiding van de werknemers

1.  Onverminderd artikel 10 van Richtlijn 89/391/EEG moeten de werknemers voorlichting krijgen over alles wat verband houdt met de veiligheid en gezondheid op hun werkplek, met name over de maatregelen voor werkplekken dié krachtens de artikelen 3, 7 en 9 worden genomen.

In ieder geval worden de werknemers of hun vertegenwoordigers op de hoogte gesteld van alle maatregelen betreffende de veiligheid en de gezondheid, die met toepassing van de onderhavige richtlijn genomen worden.

2.  Onverminderd artikel 12 van Richtlijn 89/391/EEG moet iedere werknemer bovendien een opleiding krijgen betreffende de wijze van gebruik alvorens met dit soort werk te beginnen, en telkens wanneer de organisatie van de werkplek ingrijpend wordt gewijzigd.

Artikel 7

Dagindeling van het werk

De werkgever is gehouden de activiteit van de werknemer zodanig te organiseren dat het dagelijkse werken met een beeldscherm op gezette tijden wordt onderbroken door rustpauzen of andersoortige activiteiten, waardoor de belasting van het werken met een beeldscherm wordt verlicht.

Artikel 8

Raadpleging en medezeggenschap van de werknemers

Overeenkomstig artikel 11 van Richtlijn 89/391/EEG worden de werknemers en/of hun vertegenwoordigers geraadpleegd en hebben zij medezeggenschap omtrent de materies die onder deze richtlijn, met inbegrip van de bijlage, vallen.

Artikel 9

Bescherming van de ogen en het gezichtsvermogen van de werknemers

1.  De werknemers moeten:

 alvorens met het werken met een beeldscherm te beginnen, en

 daarna op gezette tijden, en

 wanneer zich gezichtsstoornissen voordoen die het gevolg kunnen zijn van het werken met een beeldscherm,

een passend onderzoek van de ogen en van het gezichtsvermogen kunnen ondergaan, uitgevoerd door iemand die de daartoe vereiste competentie bezit.

2.  De werknemers moeten een oftalmologisch onderzoek kunnen ondergaan indien de resultaten van het in lid 1 bedoelde onderzoek zulks vereisen.

3.  Indien de resultaten van het in lid 1 of lid 2 bedoelde onderzoek dit vereisen, en de normale correctiemiddelen niet kunnen worden gebruikt, moeten de werknemers speciale, met het betrokken werk verband houdende correctiemiddelen krijgen.

4.  De ter uitvoering van dit artikel genomen maatregelen mogen in geen geval extra kosten voor de werknemers met zich brengen.

5.  De bescherming van de ogen en het gezichtsvermogen van de werknemers kan een onderdeel vormen van een nationaal stelsel van gezondheidszorg.



AFDELING III

DIVERSE BEPALINGEN

▼M2

Artikel 10

Wijzigingen in de bijlage

De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 10 bis gedelegeerde handelingen vast te stellen om zuiver technische wijzigingen aan te brengen in de bijlage, teneinde rekening te houden met de technische vooruitgang, ontwikkelingen in internationale voorschriften of specificaties of de kennis op het gebied van beeldschermapparatuur.

Indien, in naar behoren gemotiveerde en uitzonderlijke gevallen van onmiddellijke, rechtstreekse en ernstige risico’s voor de lichamelijke gezondheid en veiligheid van werknemers en andere personen, om dwingende redenen van urgentie binnen een zeer kort tijdsbestek actie vereist is, is de in artikel 10 ter, neergelegde procedure van toepassing op overeenkomstig dit artikel vastgestelde gedelegeerde handelingen.

▼M2

Artikel 10 bis

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.  De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.  De in artikel 10 bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van vijf jaar met ingang van 26 juli 2019. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.

3.  Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 10 bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.  Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven ( 1 ).

5.  Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

6.  Een overeenkomstig artikel 10 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

Artikel 10 ter

Spoedprocedure

1.  Een overeenkomstig dit artikel vastgestelde gedelegeerde handeling treedt onverwijld in werking en is van toepassing zolang geen bezwaar wordt gemaakt overeenkomstig lid 2. In de kennisgeving van de gedelegeerde handeling aan het Europees Parlement en de Raad wordt vermeld om welke redenen wordt gebruikgemaakt van de spoedprocedure.

2.  Het Europees Parlement of de Raad kan overeenkomstig de in artikel 10 bis, lid 6, bedoelde procedure bezwaar maken tegen een gedelegeerde handeling. In dat geval trekt de Commissie de handeling onmiddellijk in na de kennisgeving van het besluit waarbij het Europees Parlement of de Raad bezwaar maakt.

▼B

Artikel 11

Slotbepalingen

1.  De Lid-Staten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 31 december 1992 aan deze richtlijn te voldoen.

Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

2.  De Lid-Staten delen de Commissie de tekst van de bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied reeds hebben vastgesteld of vaststellen.

▼M1 —————

▼B

Artikel 12

Deze richtlijn is gericht tot de Lid-Staten.




BIJLAGE

MINIMUMVOORSCHRIFTEN

(Artikelen 4 en 5)

Opmerking vooraf

De in deze bijlage vervatte verplichtingen zijn ter verwezenlijking van de doelstellingen van deze richtlijn van toepassing, voor zover de betrokken onderdelen op de werkplek voorhanden zijn en de intrinsieke eisen of kenmerken van de taak dit niet beletten.

1.   APPARATUUR

a)   Algemene opmerking

Het gebruik op zich van de apparatuur mag voor de werknemers geen bron van risico's vormen.

b)   Beeldscherm

De tekens op het beeldscherm moeten voldoende scherp, duidelijk van vorm en voldoende groot zijn, met voldoende afstand tussen de tekens en de regels.

Het beeld op het scherm moet stabiel zijn, zonder flikkering of andere vormen van onstabiliteit.

De luminantie van en/of het contrast tussen de tekens en de achtergrond moeten/moet door de gebruiker van beeldschermstations gemakkelijk kunnen worden bijgesteld en gemakkelijk aan de omgevingsom standigheden kunnen worden aangepast.

Het beeldscherm moet vrij en gemakkelijk verstelbaar en kantelbaar zijn om aan de behoeften van de gebruiker te kunnen worden aangepast.

Er kan van een afzonderlijke voet voor het beeldscherm of van een instelbare tafel gebruik worden gemaakt.

Het beeldscherm moet vrij zijn van glans en spiegelingen die de gebruiker kunnen hinderen.

c)   Toetsenbord

Het toetsenbord moet hellend kunnen worden geplaatst en mag geen geheel vormen met het beeldscherm, ten einde voor de gebruiker een comfortabele houding mogelijk te maken die geen vermoeidheid in armen of handen veroorzaakt.

Er moet vóór het toetsenbord voldoende ruimte zijn om steun te bieden voor handen en armen van de gebruiker.

Het toetsenbord moet een mat oppervlak hebben om reflecties te voorkomen.

De indeling van het toetsenbord en de vorm van de toetsen moeten zodanig zijn dat het gebruik van het toetsenbord wordt vergemakkelijkt.

De symbolen op de toetsen moeten voldoende contrastrijk en vanuit de normale werkhouding voldoende leesbaar zijn.

d)   Werktafel of werkvlak

De werktafel of het werkvlak moet een reflectiearm oppervlak hebben, voldoende groot zijn en een flexibele opstelling van beeldscherm, toetsenbord, documenten en accessoires mogelijk maken.

De documenthouder moet stabiel en regelbaar zijn en zodanig zijn geplaatst dat oncomfortabele hoofd- en oogbewegingen tot een minimum worden beperkt.

Er moet voldoende ruimte zijn om een comfortabele houding mogelijk te maken.

e)   Werkstoel

De werkstoel moet stabiel zijn, de gebruiker bewegingsvrijheid geven en hem een comfortabele werkhouding verschaffen.

De zitting moet in de hoogte verstelbaar zijn.

De hoogte en de hellingshoek van de rugleuning moeten verstelbaar zijn.

Desgewenst moet een voetsteun worden aangebracht.

2.   OMGEVING

a)   Ruimte

De werkplek moet, wat afmetingen en inrichting betreft, voldoende plaats bieden om veranderingen van houding en werkbewegingen mogelijk te maken.

b)   Verlichting

De algemene en/of gerichte verlichting (werklampen) moeten zorgen voor voldoende verlichting en een passend contrast tussen beeldscherm en omgeving, rekening houdende met de aard van het werk en de visuele behoeften van de gebruiker.

Mogelijke verblinding en hinderlijke reflecties op het scherm of op alle andere apparaten moeten vermeden worden door de inrichting van de ruimten en de werkplekken te coördineren met de situering en de technische kenmerken van de kunstmatige lichtbronnen.

c)   Verblinding en reflecties

De werkplek moet zo worden ingericht dat lichtbronnen zoals ramen en andere openingen, doorzichtige of doorschijnende wanden, alsmede helgekleurde apparaten en wanden, geen directe verblinding en geen hinderlijke reflecties op het beeldscherm veroorzaken.

De ramen moeten zijn uitgerust met een passende instelbare helderheidswering om de intensiteit van het licht dat op de werkplek valt, te verminderen.

d)   Geluid

Bij de inrichting van de werkplek moet rekening worden gehouden met het geluid dat wordt voortgebracht door de bij de werkplek behorende apparatuur, ten einde vooral verstoring van de aandacht en van het gesproken woord te voorkomen.

e)   Warmte

De tot de werkplek behorende apparatuur mag geen voor de werknemers hinderlijke warmte veroorzaken.

f)   Straling

Alle straling, met uitzondering van het zichtbare deel van het elektromagnetisch spectrum, moet worden verminderd tot uit het oogpunt van de bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers verwaarloosbare niveaus.

g)   Vochtigheid

Er moet een toereikende vochtigheidsgraad worden gecreëerd en gehandhaafd.

3.   INTERFACE COMPUTER/MENS

Bij de uitwerking, de keuze, de aankoop en de wijziging van programmatuur alsmede bij de definitie van de taken die het gebruik van beeldschermen meebrengen, moet de werkgever met de volgende factoren rekening houden:

a) de programmatuur moet zijn aangepast aan de te verrichten taak;

b) de programmatuur moet gemakkelijk kunnen worden gebruikt en moet in voorkomend geval kunnen worden aangepast aan het kennis- en ervaringsniveau van de gebruiker; er mag zonder medeweten van de werknemers geen gebruik worden gemaakt van een kwantitatief of kwalitatief controlemechanisme;

c) de systemen moeten de werknemers gegevens verschaffen over de werking ervan;

d) de systemen moeten de informatie visualiseren in een vorm en een tempo die zijn aangepast aan de operateurs;

e) in het bijzonder bij de verwerking van informatie door de mens moeten de beginselen van de ergonomie worden toegepast.



( 1 ) PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.