01978A1024(01) — NL — 17.03.1981 — 001.001


Onderstaande tekst dient louter ter informatie en is juridisch niet bindend. De EU-instellingen zijn niet aansprakelijk voor de inhoud. Alleen de besluiten die zijn gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie (te raadplegen in EUR-Lex) zijn authentiek. Deze officiële versies zijn rechtstreeks toegankelijk via de links in dit document

►B

Vertaling ( 1 )

VERDRAG INZAKE TOEKOMSTIGE MULTILATERALE SAMENWERKING OP VISSERIJGEBIED IN HET NOORDWESTELIJK DEEL VAN DE ATLANTISCHE OCEAAN

(PB L 378 van 30.12.1978, blz. 30)

Gewijzigd bij:

 

 

Publicatieblad

  nr.

blz.

datum

►M1

VERORDENING (EEG) Nr. 654/81 VAN DE RAAD van 10 maart 1981

  L 69

1

14.3.1981


Gerectificeerd bij:

►C1

Rectificatie, PB L 193, 16.7.1981, blz.  37  (3179/1978)




▼B

Vertaling ( 2 )

VERDRAG INZAKE TOEKOMSTIGE MULTILATERALE SAMENWERKING OP VISSERIJGEBIED IN HET NOORDWESTELIJK DEEL VAN DE ATLANTISCHE OCEAAN



DE VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN:

Constaterende dat de Kuststaten van het noordwestelijk deel van de Atlantische Oceaan hun rechtsmacht over de levende rijkdommen van de aangrenzende wateren overeenkomstig de desbetreffende beginselen van het internationale recht hebben uitgebreid tot grenzen die gelegen zijn op ten hoogste tweehonderd zeemijl van de basislijnen vanwaar de breedte van de territoriale zee wordt gemeten en dat zij in die gebieden soevereine rechten uitoefenen met betrekking tot exploratie, exploitatie, instandhouding en beheer van deze rijkdommen;

Rekening houdende met de werkzaamheden van de derde Zeerechtconferentie van de Verenigde Naties op visserijgebied;

Wensende de instandhouding en het optimale gebruik van de visbestanden in het noordwestelijk deel van de Atlantische Oceaan te bevorderen in een kader dat is afgestemd op de regeling inzake de uitbreiding van de rechtsmacht van de Kuststaat over de visserij, en derhalve de internationale samenwerking en het internationale overleg ten aanzien van die bestanden aan te moedigen,

ZIJN ALS VOLGT OVEREENGEKOMEN:



Artikel I

1.  Het gebied waarop dit Verdrag van toepassing is, hierna te noemen „het Verdragsgebied”, omvat de wateren van het noordwestelijk deel van de Atlantische Oceaan benoorden 35o00' noorderbreedte en ten westen van een lijn rechtwijzend noord van 35o00' noorderbreedte en 42o00' westerlengte tot 59o00' noorderbreedte, vandaar rechtwijzend west tot 44o00' westerlengte en vandaar rechtwijzend noord tot de Kust van Groenland, en de wateren van de Gulf of Saint Lawrence, Davis Strait en Baffin Bay bezuiden 78o 10' noorderbreedte.

2.  Het gebied dat in dit Verdrag „het gereglementeerde gebied” wordt genoemd, is dat deel van het Verdragsgebied dat ligt buiten de gebieden waarin de Kuststaten rechtsmacht over de visserij uitoefenen.

3.  In dit Verdrag betekent „Kuststaat” een Verdragsluitende Partij die rechtsmacht uitoefent over de visserij in de wateren die deel uitmaken van het Verdragsgebied.

4.  Dit Verdrag is van toepassing op alle visbestanden in het Verdragsgebied, met de volgende uitzonderingen: zalm, tonijn en marlijn, voorraden walvisachtigen die vallen onder het beheer van de International Whaling Commission of een organisatie die deze Commissie zou opvolgen, en sedentaire soorten van het continentaal plat, dat wil zeggen organismen die in het exploitatiestadium hetzij onbeweeglijk op of onder de zeebodem zijn, hetzij zich niet kunnen verplaatsen, behalve wanneer zij zich in voortdurend fysiek contact met de zeebodem of de ondergrond bevinden.

5.  Niets in dit Verdrag wordt geacht invloed uit te oefenen op of afbreuk te doen aan de standpunten of aanspraken van enige Verdragsluitende Partij met betrekking tot de binnenwateren, de territoriale zee of de grenzen of omvang van de rechtsmacht van een partij over de visserij dan wel invloed uit te oefenen op of afbreuk te doen aan de zienswijzen of standpunten van enige Verdragsluitende Partij met betrekking tot het zeerecht.

Artikel II

1.  De Verdragsluitende Partijen komen overeen een internationale organisatie in te stellen en in stand te houden die tot doel heeft door middel van overleg en samenwerking bij te dragen tot het optimale gebruik, het rationale beheer en de instandhouding van de visbestanden in het Verdragsgebied. Deze organisatie draagt de naam van Visserijorganisatie voor het noordwestelijk deel van de Atlantische Oceaan, hierna te noemen „de Organisatie”, en voert de in dit Verdrag opgesomde taken uit.

2.  De Organisatie bestaat uit:

a) 

een Algemene Raad,

b) 

een Wetenschappelijke Raad,

c) 

een Visserijcommissie,

d) 

een Secretariaat.

3.  De Organisatie heeft rechtspersoonlijkheid en beschikt in haar betrekkingen met andere internationale organisaties en op het grondgebied van de Verdragsluitende Partijen over de handelingsbekwaamheid die nodig is voor de uitvoering van haar taken en de verwezenlijking van haar doelstellingen. De immuniteiten en voorrechten die voor de Organisatie en haar personeelsleden op het grondgebied van een Verdragsluitende Partij gelden worden in overleg tussen de Organisatie en de betrokken Verdragsluitende Partij vastgesteld.

4.  Het hoofdbureau van de Organisatie is gevestigd in Dartmouth, Nova Scotia, Canada, of enige andere plaats waartoe de Algemene Raad besluit.

Artikel III

De Algemene Raad heeft tot taak:

a) 

te zorgen voor het toezicht op en de coördinatie van de organisatorische, administratieve, financiële en andere interne aangelegenheden van de Organisatie, met inbegrip van de onderlinge betrekkingen van haar organen;

b) 

de externe betrekkingen van de Organisatie te coördineren;

c) 

de samenstelling van de Visserijcommissie uit hoofde van artikel XIII opnieuw te bezien en te bepalen;

d) 

de andere bevoegdheden uit te oefenen die hem door dit Verdrag zijn toebedeeld.

Artikel IV

1.  Elke Verdragsluitende Partij is lid van de Algemene Raad en benoemt hierin ten hoogste drie vertegenwoordigers die op alle vergaderingen van de Raad mogen worden vergezeld door plaatsvervangers, deskundigen en adviseurs.

2.  De Algemene Raad kiest een voorzitter en een vice-voorzitter, die elk een mandaat van twee jaar vervullen en herkiesbaar zijn, maar hun functie niet langer dan vier achtereenvolgende jaren mogen uitoefenen. De voorzitter is een vertegenwoordiger van een Verdragsluitende Partij die lid is van de Visserijcommissie; de voorzitter en de vice-voorzitter zijn vertegenwoordigers van verschillende Verdragsluitende Partijen.

3.  De voorzitter van de Algemene Raad is voorzitter en voornaamste vertegenwoordiger van de Organisatie.

4.  De voorzitter van de Algemene Raad roept jaarlijks een gewone vergadering van de Organisatie bijeen op een door de Algemene Raad gekozen plaats, doorgaans in Noord-Amerika.

5.  Op verzoek van een Verdragsluitende Partij, hierin gesteund door een andere Verdragsluitende Partij, kan de voorzitter buiten de jaarlijkse vergadering een vergadering van de Algemene Raad bijeenroepen op het tijdstip en de plaats van zijn keuze.

6.  De Algemene Raad kan de comités en subcomités instellen die hij wenselijk acht voor de uitoefening van zijn taken en functie.

Artikel V

1.  Iedere Verdragsluitende Partij heeft één stem bij de besprekingen van de Algemene Raad.

2.  Tenzij anders wordt bepaald, worden de besluiten van de Algemene Raad genomen met meerderheid van stemmen van alle aanwezige Verdragsluitende Partijen die een positieve of negatieve stem uitbrengen, met dien verstande dat geen stemming plaatsvindt wanneer er geen quorum van ten minste twee derde van de Verdragsluitende Partijen is.

3.  De Algemene Raad aanvaardt en wijzigt zo nodig het reglement voor het verloop van zijn vergaderingen en voor de uitoefening van zijn functies.

4.  De Algemene Raad legt de Verdragsluitende Partijen een jaarlijks verslag over de activiteiten van de Organisatie voor.

Artikel VI

1.  De Wetenschappelijke Raad heeft tot taak:

a) 

te fungeren als forum voor overleg en samenwerking tussen de Verdragsluitende Partijen voor wat betreft de bestudering, beoordeling en uitwisseling van wetenschappelijke gegevens en opinies met betrekking tot de visserij in het Verdragsgebied, met inbegrip van milieu- en ecologische factoren die deze visserij beïnvloeden, alsmede de samenwerking tussen de Verdragsluitende Partijen op het gebied van wetenschappelijk onderzoek aan te moedigen en te bevorderen ten einde de lacunes in kennis op dit gebied aan te vullen;

b) 

statistieken en archieven samen te stellen en bij te houden, alsmede verslagen, gegevens en materiaal over de visserij in het Verdragsgebied te publiceren of te verspreiden, met inbegrip van milieu- en ecologische factoren die deze visserij beïnvloeden;

c) 

wetenschappelijke adviezen te verstrekken aan de Kuststaten die hierom overeenkomstig artikel VII verzoeken;

d) 

wetenschappelijke adviezen te verstrekken aan de Visserij commissie, overeenkomstig artikel VIII dan wel eigener beweging ten behoeve van de Commissie.

2.  De functies van de Wetenschappelijke Raad kunnen zo nodig worden uitgeoefend in samenwerking met andere openbare of particuliere organisaties met soortgelijke doelstellingen.

3.  De Verdragsluitende Partijen verstrekken de Wetenschappelijke Raad alle statistische en wetenschappelijke gegevens waarom de Raad uit hoofde van dit artikel verzoekt.

Artikel VII

1.  Op verzoek van een Kuststaat bestudeert de Wetenschappelijke Raad alle vraagstukken met betrekking tot de wetenschappelijke grondslagen voor het beheer en de instandhouding van de visbestanden in de wateren van het Verdragsgebied waar die Kuststaat rechtsmacht over de visserij heeft, en brengt hierover verslag uit.

2.  In overleg met de Wetenschappelijke Raad bepaalt de Kuststaat het referentiekader voor de bestudering van alle vraagstukken die uit hoofde van lid 1 aan de Raad worden voorgelegd. Dit omvat, naast andere relevant geachte punten, naar gelang van het geval, de volgende onderdelen:

a) 

een uiteenzetting van het voorgelegde vraagstuk, met inbegrip van een beschrijving van de te bestuderen visserij en het te bestuderen gebied;

b) 

indien wetenschappelijke evaluaties of voorspellingen worden verlangd, een beschrijving van alle factoren of onderstellingen waarmee rekening moet worden gehouden;

c) 

in voorkomend geval een beschrijving van alle doeleinden die de Kuststaat tracht te bereiken en een aanwijzing over de vraag of een specifiek advies of een reeks keuzemogelijkheden moet worden verstrekt.

Artikel VIII

De Wetenschappelijke Raad behandelt ieder door de Visserijcommissie voorgelegd vraagstuk met betrekking tot de wetenschappelijke grondslagen voor het beheer en de instandhouding van de visbestanden in het gereglementeerde gebied en brengt over dat vraagstuk verslag uit. Hij houdt daarbij rekening met het referentiekader dat de Visserijcommissie daartoe heeft bepaald.

Artikel IX

1.  Elke Verdragsluitende Partij is lid van de Wetenschappelijke Raad en benoemt hierin haar eigen vertegenwoordigers die op alle vergaderingen van de Raad mogen worden vergezeld door plaatsvervangers, deskundigen en adviseurs.

2.  De Wetenschappelijke Raad kiest een voorzitter en een vice-voorzitter, die elk een mandaat van twee jaar vervullen en herkiesbaar zijn, maar hun functie niet langer dan vier achtereenvolgende jaren mogen uitoefenen. De voorzitter en de vice-voorzitter zijn vertegenwoordigers van verschillende Verdragsluitende Partijen.

3.  Op verzoek van een Kuststaat of van een Verdragsluitende Partij, die hierin wordt gesteund door een andere Verdragsluitende Partij, kan de voorzitter buiten de jaarlijkse vergadering die uit hoofde van artikel IV wordt bijeengeroepen, een vergadering van de Wetenschappelijke Raad bijeenroepen op het tijdstip en de plaats van zijn keuze.

4.  De Wetenschappelijke Raad kan alle comités en subcomités instellen die hij wenselijk acht voor de uitoefening van zijn taken en functies.

Artikel X

1.  De wetenschappelijke adviezen die de Wetenschappelijke Raad uit hoofde van dit Verdrag uitbrengt worden bij consensus vastgesteld. Wanneer geen consensus kan worden bereikt, geeft de Raad in zijn verslag een uiteenzetting van alle meningen die over de behandelde aangelegenheid naar voren zijn gebracht.

2.  De besluiten van de Wetenschappelijke Raad met betrekking tot de keuze van personeel, de aanneming en de wijziging van het reglement en andere aangelegenheden betreffende de organisatie van zijn werk worden genomen met de meerderheid van de stemmen van alle aanwezige Verdragsluitende Partijen die een positieve of negatieve stem uitbrengen; elk van de Verdragsluitende Partijen beschikt daartoe over één stem. Er vindt geen stemming plaats wanneer er geen quorum van ten minste twee derde van de Verdragsluitende Partijen is.

3.  De Wetenschappelijke Raad neemt het reglement voor het verloop van zijn vergaderingen en voor de uitvoering van zijn functies aan, en brengt hierin zo nodig wijzigingen aan.

Artikel XI

1.  De Visserijcommissie, hierna te noemen „de Commissie”, is verantwoordelijk voor het beheer en de instandhouding van de visbestanden in het gereglementeerde gebied overeenkomstig het bepaalde in dit artikel.

2.  De Commissie kan voorstellen aannemen voor een gezamenlijke actie van de Verdragsluitende Partijen met het oog op het optimale gebruik van de visbestanden in het gereglementeerde gebied. Bij de behandeling van deze voorstellen houdt de Commissie rekening met alle desbetreffende gegevens of adviezen die door de Wetenschappelijke Raad worden verstrekt.

3.  Bij de uitoefening van de in lid 2 omschreven functies draagt de Commissie er zorg voor dat er overeenstemming bestaat tussen:

a) 

ieder voorstel met betrekking tot een visstapel of groep van visstapels die voorkomt zowel in het gereglementeerde gebied als in een gebied dat onder de rechtsmacht inzake visserij van een Kuststaat valt, of ieder voorstel dat wegens de onderlinge betrekkingen tussen de soorten van invloed is op een visstapel of groep van visstapels die geheel of ten dele voorkomt in een gebied dat onder de rechtsmacht inzake visserij van een Kuststaat valt, en

b) 

alle maatregelen of besluiten die voor het beheer en de instandhouding van de betrokken visstapel of groep van visstapels door de Kuststaat zijn genomen ten aanzien van de visserijactiviteiten in het gebied dat onder zijn rechtsmacht inzake visserij valt.

De betreffende Kuststaat en de Commissie bevorderen de coördinatie van deze voorstellen, maatregelen en besluiten. Elke Kuststaat brengt de Commissie op de hoogte van de ter uitvoering van dit artikel genomen maatregelen en besluiten.

4.  In de voorstellen die door de Commissie worden aangenomen voor de toewijzing van vangsten in het gereglementeerde gebied wordt rekening gehouden met de belangen van de Commissieleden wier vaartuigen vanouds in dat gebied hebben gevist; bij de toewijzing van vangsten uit de Grand Banks en Flemish Cap schenken de leden van de Commissie bijzondere aandacht aan de Verdragsluitende Partij welker kustgemeenschappen in hoofdzaak afhankelijk zijn van de vangst op stapels die aan deze visgronden verbonden zijn, en die zich veel moeite heeft getroost om de betreffende stapels door internationale actie in stand te houden, in het bijzonder door toezicht op en inspectie van de internationale visserijactiviteiten op deze gronden in het kader van een internationale regeling voor wederzijdse controle.

5.  De Commissie kan ook voorstellen aannemen voor internationale controle- en inspectiemaatregelen in het gereglementeerde gebied ten einde te verzekeren dat dit Verdrag en de uit hoofde van dit Verdrag van kracht zijnde maatregelen worden toegepast.

6.  Ieder voorstel dat door de Commissie wordt aangenomen, wordt door de uitvoerend secretaris aan alle Verdragsluitende Partijen toegezonden, met vermelding van de datum van toezending ter fine van artikel XII, lid 1.

7.  Ieder voorstel dat door de Commissie op grond van dit artikel wordt aangenomen, wordt, behoudens het bepaalde in artikel XII, een bindende maatregel voor alle Verdragsluitende Partijen vanaf een door de Commissie bepaalde datum.

8.  De Commissie kan aan de Wetenschappelijke Raad alle vraagstukken voorleggen met betrekking tot de wetenschappelijke grondslagen voor het beheer en de instandhouding van de visbestanden in het gereglementeerde gebied en bepaalt daarbij het referentiekader voor de bestudering van ieder vraagstuk.

9.  De Commissie kan de aandaeht van enkele of alle Commissieleden vestigen op alle vraagstukken die verband houden met de doelstellingen en oogmerken van dit Verdrag in het gereglementeerde gebied.

Artikel XII

1.  Indien een Commissielid bij de uitvoerend secretaris tegen een voorstel bezwaar maakt binnen zestig dagen na de datum van toezending die is vermeld in de kennisgeving van het voorstel door de uitvoerend secretaris, wordt het voorstel pas een bindende maatregel na afloop van veertig dagen na de datum van toezending die is vermeld in de kennisgeving van dat bezwaar aan de Verdragsluitende Partijen. Ieder ander lid van de Commissie kan dan eveneens bezwaar maken binnen de extra termijn van veertig dagen of binnen dertig dagen na de datum van toezending die is vermeld in de kennisgeving aan de Verdragsluitende Partijen van elk bezwaar dat binnen de extra termijn van veertig dagen is gemaakt, afhankelijk van de vraag welke termijn het laatst verstrijkt. Het voorstel wordt dan een bindende maatregel voor alle Verdragsluitende Partijen, met uitzondering van de Partijen die bezwaar hebben gemaakt, aan het einde van de verlengde termijn of termijnen voor het indienen van bezwaren. Indien evenwel aan het einde van een zodanige verlengde termijn of termijnen door een meerderheid van de Commissieleden bezwaren zijn gemaakt en worden gehandhaafd, wordt het voorstel geen bindende maatregel, tenzij enkele of alle Commissieleden onderling overeenkomen het voorstel met ingang van een overeengekomen datum als voor hen bindend te beschouwen.

2.  Ieder Commissielid dat bezwaar heeft gemaakt tegen een voorstel kan dit bezwaar te allen tijde intrekken; het voorstel wordt dan onmiddellijk bindend voor het betrokken lid, onder voorbehoud van de in dit artikel neergelegde bezwaarprocedure.

3.  Op ieder tijdstip na verloop van een jaar na de datum waarop een maatregel van kracht is geworden, kan ieder Commissielid de uitvoerend secretaris mededelen dat hij niet langer gebonden wenst te zijn door de maatregel; wanneer deze mededeling niet wordt ingetrokken, is na verloop van een jaar na de datum waarop de mededeling door de uitvoerend secretaris is ontvangen, de maatregel niet langer bindend voor dat lid. Te allen tijde nadat ingevolge het bepaalde in dit lid een maatregel heeft opgehouden bindend te zijn voor een Commissielid, is deze maatregel niet meer bindend voor ieder ander Commissielid met ingang van de datum waarop de mededeling dat het niet langer gebonden wenst te zijn door de maatregel, wordt ontvangen door de uitvoerend secretaris.

4.  De uitvoerend secretaris stelt iedere Verdragsluitende Partij onmiddellijk in kennis van:

a) 

de ontvangst van ieder bezwaar en iedere intrekking van een bezwaar krachtens de leden 1 en 2;

b) 

de datum waarop een voorstel een bindende maatregel wordt krachtens het bepaalde in lid 1;

c) 

de ontvangst van iedere mededeling als bedoeld in lid 3.

Artikel XIII

1.  De samenstelling van de Commissie wordt door de Algemene Raad in zijn jaarlijkse vergadering opnieuw bezien en bepaald; lid van de Commissie zijn:

a) 

alle Verdragsluitende Partijen die deelnemen aan de visserij in het gereglementeerde gebied, en

b) 

iedere Verdragsluitende Partij die ten genoegen van de Algemene Raad heeft aangetoond dat zij voornemens is in het jaar van de betreffende jaarlijkse vergadering of in het daaropvolgende kalenderjaar aan de visserij in het gereglementeerde gebied deel te nemen.

2.  Ieder Commissielid benoemt ten hoogste drie vertegenwoordigers in de Commissie die op alle vergaderingen vergezeld mogen worden door plaatsvervangers, deskundigen en adviseurs.

3.  Iedere Verdragsluitende Partij die geen lid van de Commissie is kan de vergaderingen van de Commissie bijwonen als waarnemer.

4.  De Commissie kiest een voorzitter en een vice- voorzitter die elk een mandaat van twee jaar vervullen en herkiesbaar zijn, maar hun functie niet langer dan vier achtereenvolgende jaren mogen uitoefenen. De voorzitter en de vice-voorzitter zijn vertegenwoordigers van verschillende Commissieleden.

5.  Op verzoek van een Commissielid kan de voorzitter buiten de jaarlijkse vergadering als bedoeld in artikel IV een vergadering van de Commissie bijeenroepen op het tijdstip en de plaats van zijn keuze.

6.  De Commissie kan de comités en de subcomités instellen die zij wenselijk acht voor de uitoefening van haar taken en functies.

Artikel XIV

1.  Ieder Commissielid heeft één stem bij de besprekingen in de Commissie.

2.  Besluiten van de Commissie worden genomen met de meerderheid van de stemmen van alle aanwezige Commissieleden die een positieve of negatieve stem uitbrengen, met dien verstande dat geen stemming plaatsvindt wanneer er geen quorum van ten minste twee derde van de Commissieleden is.

3.  De Commissie stelt het reglement voor het verloop van haar vergaderingen en de uitoefening van haar functies vast en brengt hierin zo nodig wijzigingen aan.

Artikel XV

1.  Het secretariaat verleent diensten aan de Organisatie in de uitoefening van haar taken en functies.

2.  Het hoofd van het secretariaat is de uitvoerend secretaris, die wordt benoemd door de Algemene Raad volgens de procedure en onder de voorwaarden die de Algemene Raad daartoe bepaalt.

3.  Het personeel van het secretariaat.wordt benoemd door de uitvoerend secretaris overeenkomstig de regels en procedures die daartoe worden bepaald door de Algemene Raad.

4.  De uitvoerend secretaris heeft, behoudens het algemene toezicht van de Algemene Raad, alle bevoegdheid en gezag over het personeel van het secretariaat en vervult alle andere functies die de Algemene Raad hem opdraagt.

Artikel XVI

1.  Iedere Verdragsluitende Partij betaalt de kosten van haar eigen delegatie naar alle vergaderingen die uit hoofde van dit Verdrag worden gehouden.

2.  De Algemene Raad neemt een jaarlijkse begroting van de Organisatie aan.

3.  De Algemene Raad stelt de door elke Verdragsluitende Partij verschuldigde bijdrage aan de jaarlijkse begroting vast op de volgende grondslag:

a) 

10 % van de begroting wordt verdeeld tussen de Kuststaten in verhouding tot hun nominale vang sten in het Verdragsgebied in het jaar dat twee jaar vóór het begin van het begrotingsjaar eindigt;

b) 

30 % van de begroting wordt gelijkelijk verdeeld tussen alle Verdragsluitende Partijen;

c) 

60 % van de begroting wordt verdeeld tussen alle Verdragsluitende Partijen in verhouding tot hun nominale vangsten in het Verdragsgebied in het jaar dat twee jaar vóór het begin van het begrotingsjaar eindigt.

De nominale vangsten als hierboven bedoeld zijn de gemelde vangsten van de soorten die zijn genoemd in bijlage I, die een integrerend deel van dit Verdrag vormt.

4.  De uitvoerend secretaris doet iedere Verdragsluitende Partij opgave van de door die Partij verschuldigde bijdrage, berekend volgens lid 3 van dit artikel; iedere Verdragsluitende Partij betaalt zo spoedig mogelijk daarna haar bijdrage aan de Organisatie.

5.  De bijdragen worden betaald in de valuta van het land waar het hoofdbureau van de Organisatie is gevestigd, tenzij de Algemene Raad betaling in een andere valuta toestaat.

6.  Behoudens het bepaalde in lid 11 stelt de Algemene Raad in zijn eerste vergadering een begroting vast voor de rest van het eerste boekjaar waarin de Organisatie haar werkzaamheden verricht; de uitvoerend secretaris zendt de Verdragsluitende Partijen afschriften van deze begroting toe, met opgave van de onderscheidenlijk door hen te betalen bijdragen.

7.  Voor de volgende boekjaren zendt de uitvoerend secretaris, ten minste zestig dagen voor de jaarlijkse vergadering van de Organisatie tijdens welke de begrotingen moeten worden behandeld, aan iedere Verdragsluitende Partij een ontwerp van de jaarlijkse begroting toe met een lijst van de bijdragen.

8.  Een Verdragsluitende Partij die tot dit Verdrag toetreedt in de loop van een boekjaar betaalt voor dat jaar een gedeelte van de overeenkomstig de bepalingen van dit artikel berekende bijdrage dat in verhouding staat tot het aantal in het jaar resterende gehele maanden.

9.  Tenzij de Algemene Raad anders beslist, heeft een Verdragsluitende Partij die gedurende twee achtereenvolgende jaren haar bijdragen niet heeft betaald, niet het recht om te stemmen en om bezwaren in te dienen in het kader van dit Verdrag totdat zij aan haar verplichtingen heeft voldaan.

10.  De financiële situatie van de Organisatie wordt jaarlijks gecontroleerd door van de Organisatie onafhankelijke accountants die door de Algemene Raad worden gekozen.

11.  Indien het Verdrag in werking treedt op 1 januari 1979 zijn de bepalingen van bijlage II, die een integrerend deel van dit Verdrag vormt, van toepassing in de plaats van de bepalingen van lid 6.

Artikel XVII

De Verdragsluitende Partijen komen overeen de nodige maatregelen te treffen, het opleggen van passende sancties in geval van inbreuk daaronder begrepen, om de bepalingen van het Verdrag ten uitvoer te leggen en de maatregelen die bindend worden krachtens artikel XI, lid 7, alsmede de maatregelen die voortvloeien uit artikel XXIII, toe te passen. Elke Verdragsluitende Partij zendt de Commissie ieder jaar een overzicht van hetgeen zij te dien einde heeft verricht.

Artikel XVIII

De Verdragsluitende Partijen komen overeen in het gereglementeerde gebied een regeling voor wederzijdse controle, van toepassing krachtens het bepaalde in artikel XXIII of zoals gewijzigd door de maatregelen als bedoeld in artikel XI, lid 5, te handhaven en ten uitvoer te leggen. Deze regeling verschaft de Verdragsluitende Partijen wederzijdse rechten om aan boord van vaartuigen te gaan en inspecties te verrichten en de Vlaggestaat het recht te vervolgen en sancties te treffen op basis van aan boord van de vaartuigen en bij de inspecties gevonden bewijzen. Een verslag over dergelijke vervolgingen en opgelegde sancties wordt opgenomen in het jaarlijks overzicht bedoeld in artikel XVII.

Artikel XIX

De Verdragsluitende Partijen komen overeen de aandacht van iedere Staat die geen partij bij dit Verdrag is te vestigen op alle vraagstukken in verband met de visserijactiviteiten van onderdanen of vaartuigen van die Staat in het gereglementeerde gebied die nadelige gevolgen lijken te hebben voor de verwezenlijking van de doelstellingen van dit Verdrag. De Verdragsluitende Partijen komen voorts overeen, wanneer nodig, overleg te plegen over de maatregelen die moeten worden genomen om die nadelige gevolgen te ondervangen.

Artikel XX

1.  Het Verdragsgebied wordt verdeeld in wetenschappelijke en statistische deelgebieden, sectoren en deelsectoren, waarvan de grenzen zijn aangegeven in bijlage III bij dit Verdrag.

2.  Op verzoek van de Wetenschappelijke Raad kan de Algemene Raad met een meerderheid van tweederde van de stemmen van alle Verdragsluitende Partijen, indien zulks noodzakelijk wordt geacht voor wetenschappelijke of statistische doeleinden, de grenzen van de wetenschappelijke en statistische deelgebieden, sectoren en deelsectoren, zoals aangegeven in bijlage III, wijzigen, mits elke Kuststaat die rechtsmacht inzake visserij heeft in een deel van het betrokken gebied het daarmee eens is.

3.  Op verzoek van de Visserijcommissie en na raadpleging van de Wetenschappelijke Raad kan de Algemene Raad met een meerderheid van twee derde van de stemmen van alle Verdragsluitende Partijen, indien zulks noodzakelijk wordt geacht voor beheers- doeleinden, het gereglementeerde gebied verdelen in passende gereglementeerde sectoren en deelsectoren. Deze kunnen nadien volgens dezelfde procedure worden gewijzigd. De grenzen van dergelijke sectoren en deelsectoren worden aangegeven in bijlage III.

4.  Bijlage III bij dit Verdrag, in de huidige versie of zoals van tijd tot tijd gewijzigd op grond van dit artikel, maakt integrerend deel uit van dit Verdrag.

Artikel XXI

1.  Iedere Verdragsluitende Partij kan wijzigingen in dit Verdrag voorstellen; de Algemene Raad bespreekt de wijzigingsvoorstellen en neemt daarover een besluit op een jaarlijkse of een bijzondere vergadering. Ieder wijzigingsvoorstel wordt aan de uitvoerend secretaris toegezonden ten minste 90 dagen vóór de vergadering waarin daarover volgens het voorstel een besluit moet worden genomen; de uitvoerend secretaris zendt het voorstel onmiddellijk aan alle Verdragsluitende Partijen.

2.  Voor de aanneming van een voorgestelde wijziging in het Verdrag door de Algemene Raad is een meerderheid van drie vierde van de stemmen van alle Verdragsluitende Partijen vereist. De tekst van alle aldus aangenomen wijzigingsvoorstellen wordt door de Depotregering aan alle Verdragsluitende Partijen toegezonden.

3.  Een wijziging wordt voor alle Verdragsluitende Partijen van kracht honderdtwintig dagen na de datum van toezending die is vermeld in de kennisgeving waarin de Depotregering de ontvangst meldt van de schriftelijke kennisgevingen van goedkeuring van drie vierde van alle Verdragsluitende Partijen, tenzij een andere Verdragsluitende Partij binnen negentig dagen na de datum van toezending die is vermeld in voornoemde kennisgeving van ontvangst, de Depotregering ervan in kennis stelt dat zij tegen de wijziging bezwaar maakt, in welk geval de wijziging voor geen enkele Verdragsluitende Partij van kracht wordt. Een Verdragsluitende Partij die bezwaar heeft gemaakt tegen een wijziging kan dat bezwaar te allen tijde intrekken. Indien alle bezwaren tegen een wijzigingworden ingetrokken, wordt de wijziging voor alle Verdragsluitende Partijen van kracht honderdtwintig dagen na de datum van toezending die is vermeld in de kennisgeving waarin de Depotregering de ontvangst van de laatste intrekking meldt.

4.  Iedere partij die een Verdragsluitende Partij wordt nadat een wijziging overeenkomstig lid 2 is aangenomen, wordt geacht die wijziging te hebben goedgekeurd.

5.  De Depotregering stelt alle Verdragsluitende Partijen onmiddellijk in kennis van de ontvangst van kennisgevingen van goedkeuring van wijzigingen, de ontvangst van kennisgevingen van bezwaar of intrekking van bezwaren, en het van kracht worden van wijzigingen.

Artikel XXII

1.  Dit Verdrag staat tot 31 december 1978 te Ottawa open voor ondertekening door de partijen die vertegenwoordigd waren op de Diplomatieke Conferentie over de toekomstige multilaterale samenwerking op visserijgebied in het noordwestelijk deel van de Atlantische Oceaan, gehouden te Ottawa van 11 oktober tot 21 oktober 1977. Het staat daarna open voor toetreding.

2.  Dit Verdrag dient door de ondertekenaars te worden bekrachtigd, aanvaard of goedgekeurd; de akten van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring zullen worden nedergelegd bij de Regering van Canada, in dit Verdrag „de Depotregering” genoemd.

3.  Dit Verdrag treedt in werking op 1 januari volgend op de nederlegging van de akten van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring van niet minder dan zes ondertekenaars, waarvan ten minste één rechtsmacht inzake visserij moet hebben in wateren die deel uitmaken van het Verdragsgebied.

4.  Iedere partij die dit Verdrag niet heeft ondertekend kan tot het Verdrag toetreden door een daartoe strekkende schriftelijk kennisgeving aan de Depotregering. Toetredingen waarvan aan de Depotregering kennis wordt gegeven vóór de datum waarop dit Verdrag in werking treedt, worden van kracht op die datum. Toetredingen waarvan aan de Depotregering kennis wordt gegeven na de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag worden van kracht op de datum van ontvangst door de Depotregering.

5.  De Depotregering stelt alle ondertekenaars en alle toetredende partijen in kennis van alle nederge- legde bekrachtigingen, aanvaardingen of goedkeuringen en van alle ontvangen kennisgevingen van toetreding.

6.  De Depotregering roept uiterlijk zes maanden na de inwerkingtreding van het Verdrag de eerste vergadering van de Organisatie bijeen en deelt ten minste een maand vóór de datum van de vergadering de voorlopige agenda aan alle Verdragsluitende Partijen mede.

Artikel XXIII

Bij de inwerkingtreding van dit Verdrag wordt ieder voorstel dat op dat moment is toegezonden of van kracht is op grond van artikel VIII van het Internationaal Verdrag van 1949 inzake de visserij in het noordwestelijk deel van de Atlantische Oceaan („het ICNAF-Verdrag"), behoudens het bepaalde in het ICNAF-Verdrag, voor alle Verdragsluitende Partijen een bindende maatregel met betrekking tot het gereglementeerde gebied, en zulks hetzij onmiddellijk, indien het voorstel reeds van kracht is geworden uit hoofde van het ICNAF-Verdrag, hetzij op het moment waarop het krachtens dat Verdrag van kracht wordt. Behoudens het bepaalde in artikel XII, lid 3, blijft elke zodanige maatregel bindend voor iedere Verdragsluitende Partij totdat de toepassingsduur ervan eindigt of totdat hij wordt vervangen door een maatregel die bindend is geworden ingevolge artikel XI van dit Verdrag, met dien verstande dat een dergelijke vervanging pas een jaar na de inwerkingtreding van dit Verdrag van kracht kan worden.

Artikel XXIV

1.  Iedere Verdragsluitende Partij kan het Verdrag opzeggen met ingang van 31 december van een jaar, door uiterlijk 30 juni van dat jaar daartoe een kennisgeving te richten tot de Depotregering, die een afschrift van die kennisgeving aan de andere Verdragsluitende Partijen toezendt.

2.  Iedere andere Verdragsluitende Partij kan vervolgens het Verdrag met ingang van 31 december van hetzelfde jaar opzeggen door daartoe een kennisgeving tot de Depotregering te richten binnen een maand na de ontvangst van een afschrift van een kennisgeving van opzegging als bedoeld in lid 1.

Artikel XXV

1.  Het origineel van het Verdrag wordt nederge- legd bij de Regering van Canada, die voor eensluidend gewaarmerkte afschriften van de tekst aan alle ondertekenaars en aan alle toetredende Partijen toezendt.

2.  De Depotregering registreert het Verdrag bij het Secretariaat van de Verenigde Naties.

Ten blijke waarvan de ondergetekenden, hiertoe naar behoren gemachtigd, dit Verdrag hebben ondertekend.

Gedaan te Ottawa, 24 oktober 1978, in één exemplaar in de Engelse en de Franse taal, zijnde beide teksten gelijkelijk authentiek.

BIJLAGE I BIJ HET VERDRAG

Lijst van soorten waarvoor nominale vangsten worden vastgesteld ter berekening van de bijdragen in de jaarlijkse begroting overeenkomstig artikel XVI



Kabeljauw ...

Gadus morrhua

Schelvis ...

Melanogrammus aeglefinus

Roodbaars ...

Sebastes marinus

Wijting ...

Merluccius bilinearis

Heek ...

Urophycis chuss

Koolvis ...

Pollachius virens

Schotse schol ...

Hippoglossoides platessoides

Witje (hondstong) ...

Glyptocephalus cynoglossus

Schar ...

Limanda ferruginea

Kleine heilbot ...

Reinhardtius hippoglossoides

Grenadiervis ...

Macrourus rupestris

Haring ...

Clupea harengus

Makreel ...

Scomber scombrus

Botervis ...

Peprilus triacanthus

Bastaardelft ...

Alosa pseudoharengus

Zilvervis ...

Argentina silus

Lodde (kapelaan) (malloot) ...

Mallotus villosus

Langvinnige pijlinktvis ...

Loligo pealei

Kortvinnige pijlinktvis ...

Illex illecebrosus

Garnalen ...

Pandalus-soorten

BIJLAGE II BIJ HET VERDRAG

Financiële overgangsmaatregelen

1. Een Verdragsluitende Partij die gedurende het gehele jaar 1979 tevens een Verdragsluitende Partij is bij het Internationale Verdrag over de visserij in het noordwesten van de Atlantische Oceaan draagt niet bij in de uitgaven van de Organisatie in dat jaar. Andere Verdragsluitende Partijen die vóór 31 december 1979 hun akten van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring nederleggen of tot het Verdrag toetreden dragen bij met een bedrag als aangegeven in de appendix bij deze bijlage. De bijdrage van een niet in de appendix opgenomen Verdragsluitende Partij wordt bepaald door de Algemene Raad.

2. De uit hoofde van paragraaf 1 verschuldigde bijdragen worden door de Verdragsluitende Partijen zo spoedig mogelijk na 1 januari 1979 of zo spoedig mogelijk na hun toetreding tot het Verdrag betaald.

Appendix bij bijlage II van het Verdrag



Verdragsluitende Partij

Bijdrage voor 1979

(in dollar)

Bulgarije

16 325

Canada

82 852

Cuba

20 211

Denemarken (Faeroer)

6 473

Duitse Democratische Republiek

19 266

Europese Economische Gemeenschap

74 254

IJsland

12 293

Japan

16 697

Noorwegen

21 107

Polen

29 316

Portugal

22 716

Roemenië

15 472

Spanje

26 224

Sowjet-Unie

72 133

Verenigde Staten

29 947

BIJLAGE III BIJ HET VERDRAG

Wetenschappelijke en statistische deelgebieden, sectoren en deelsectoren

De wetenschappelijke en statistische deelgebieden, sectoren en deelsectoren, als bedoeld in artikel XX van dit Verdrag zijn de volgende:

▼M1

1. a) 

deelgebied 0

het gedeelte van het Verdragsgebied dat in het zuiden wordt begrensd door een lijn rechtwijzend oost vanaf een punt op 61o00' noorderbreedte en 65o 00' westerlengte tot een punt op 61o 00' noorderbreedte en 59o 00' westerlengte, vandaar in zuidoostelijke richting langs een loxodroom tot een punt op 60o 12' noorderbreedte en 57o 13' westerlengte; vandaar in het oosten begrensd door een aantal geodetische lijnen die de volgende punten verbinden:



Punt

Breedtegraad

Lengtegraad

1

60o12'0

57o13'0

2

61o00'0

57o13'1

3

62o00'5

57o21'1

4

62o02'3

57o 21'8

5

62o03'5

57o22'2

6

62o11'5

57o25'4

7

62o47'2

57o41'0

8

63o22'8

57o57'4

9

63o28'6

57o59'7

10

63o35'0

58o02'0

11

63o37'2

58o01'2

12

63o44'1

57o58'8

13

63o50'1

57o57'2

14

63o52'6

57o56'6

15

63o57'4

57o53'5

16

64o04'3

57o49'1

17

64o12'2

57o48'2

18

65o06'0

57o44'1

19

65o08'9

57o43'9

20

65o11'6

57o44'4

21

65o14'5

57o45'1

22

65o18'1

57o45'8

23

65o23'3

57o44'9

24

65o34'8

57o42'3

25

65o37'7

57o41'9

26

65o50'9

57o40'7

27

65o51'7

57o40'6

28

65o57'6

57o40'1

29

66o03'5

57o39'6

30

66o12'9

57o38'2

31

66o18'8

57o37'8

32

66o24'6

57o37'8

33

66o30'3

57o38'3

34

66o36'1

57o39'2

35

66o37'9

57o39'6

36

66o41'8

57o40'6

37

66o49'5

57o43'0

38

67o21'6

57o52'7

39

67o27'3

57o 54'9

40

67o28'3

57o55'3

41

67o29'1

57o56'1

42

67o 307

57o57'8

43

67o35'3

58o02'2

44

67o39'7

58o06'2

45

67o44'2

58o09'9

46

67o56'9

58o19'8

47

68o01'8

58o23'3

48

68o04'3

58o25'0

49

68o06'8

58o26'7

50

68o07'5

58o27'2

51

68o16'1

58o34'1

52

68o21'7

58o39'0

53

68o25'3

58o42'4

54

68o32'9

59o01'8

55

68o34'0

59o04'6

56

68o37'9

59o14'3

57

68o38'0

59o14'6

58

68o56'8

60o02'4

59

69o00'8

60o09'0

60

69o06'8

60o18'5

61

69o10'3

60o23'8

62

69o12'8

60o27'5

63

69o29'4

60o51'6

64

69o49'8

60o58'2

65

69o55'3

60o59'6

66

69o55'8

61o00'0

67

70o01'6

61o04'2

68

70o07'5

61o08'1

69

70o08'8

61o08'8

70

70o13'4

61o10'6

71

70o33'1

61o17'4

72

70o35'6

61o20'6

73

70o48'2

61o37'9

74

70o51'8

61o42'7

75

71o12'1

62o09'1

76

71o18'9

62o17'5

77

71o25'9

62o25'5

78

71o29'4

62o29'3

79

71o31'8

62o32'0

80

71o32'9

62o33'5

81

71o44'7

62o49'6

82

71o47'3

62o53'1

83

71o52'9

63o03'9

84

72o01'7

63o21'1

85

72o06'4

63o30'9

86

72o11'0

63o41'0

87

72o24'8

64o13'2

88

72o30'5

64o26'1

89

72o36'3

64o38'8

90

72o 437

64o54'3

91

72o 457

64o58'4

92

72o 477

65o00'9

93

72o50'8

65o07'6

94

73o18'5

66o08'3

95

73o25'9

66o25'3

96

73o31'1

67o15'1

97

73o36'5

68o05'5

98

73o37'9

68o12'3

99

73o417

68o29'4

100

73o46'1

68o48'5

101

73o46'7

68o51'1

102

73o52'3

69o11'3

103

73o57'6

69o31'5

104

74o02'2

69o50'3

105

74o02'6

69o52'0

106

74o06'1

70o06'6

107

74o07'5

70o12'5

108

74o10'0

70o23'1

109

74o12'5

70o33'7

110

74o24'0

71o25'7

111

74o28'6

71o45'8

112

74o44'2

72o53'0

113

74o50'6

73o02'8

114

75o00'0

73o16'3

115

75o05'

73o30'

en vandaar rechtwijzend noord tot de breedtecirkel van 78 10 noorderbreedte; en in het westen begrensd door een lijn beginnende op 61o00' noorderbreedte en 65o 00' westerlengte en lopend in noordwestelijke richting langs een loxodroom tot de kust van Baffin Island te East Bluff (61o 55' noorderbreedte en 66o 22' westerlengte), en vandaar in noordelijke richting langs de kust van Baffin Island, Bylot Island, Devon Island en Ellesmere Island en langs de 80e westerlengtemeridiaan in de wateren tussen die eilanden tot de breedtecirkel van 78o 10' noorderbreedte; en in het noorden begrensd door de breedtecirkel van 78o 10' noorderbreedte;

▼B

1. b) 

deelgebied 0 bestaat uit twee sectoren:



sector 0-A

—  het gedeelte van het deelgebied gelegen benoorden de breedtecirkel van 66o15' noorderbreedte,

sector 0-B

—  het gedeelte van het deelgebied gelegen bezuiden de breedtecirkel van 66o15' noorderbreedte.

▼M1

2. a) 

deelgebied 1

het gedeelte van het Verdragsgebied gelegen ten oosten van deelgebied 0 en ten noorden en oosten van een loxodroom tussen een punt op 60o 12' noorderbreedte en 57o 13' westerlengte en een punt op 52o 15' noorderbreedte en 42o 00' westerlengte;

▼B

2. b) 

deelgebied 1 bestaat uit zes sectoren:



sector 1-A

—  het gedeelte van het deelgebied gelegen benoorden de breedtecirkel van 68o50' noorderbreedte (Christianshaab),

sector 1-B

—  het gedeelte van het deelgebied gelegen tussen de breedtecirkel van 66o15' noorderbreedte (5 zeemijlen benoorden Umanarsugssuak) en de breedtecirkel van 68o50' noorderbreedte (Christianshaab),

sector 1-C

—  het gedeelte van het deelgebied gelegen tussen de breedtecirkel van 64o15' noorderbreedte (4 zeemijlen benoorden Godthaab) en de breedtecirkel van 66o15' noorderbreedte (5 zeemijlen benoorden Umanarsugssuak),

sector 1D

—  het gedeelte van het deelgebied gelegen tussen de breedtecirkel van 62o30' noorderbreedte (Gletsjer van Frederikshaab) en de breedtecirkel van 64o15' noorderbreedte (4 zeemijlen benoorden Godthaab),

sector 1E

—  het gedeelte van het deelgebied gelegen tussen de breedtecirkel van 60o45' noorderbreedte (Cape Desolation) en de breedtecirkel van 62o30' noorderbreedte (Gletsjer van Frederikshaab),

sector 1F

—  het gedeelte van het deelgebied gelegen bezuiden de breedtecirkel van 60o45' noorderbreedte (Cape Desolation).

3. a) 

deelgebied 2

het gedeelte van het Verdragsgebied gelegen ten oosten van de meridiaan van 64o30' westerlengte in het gebied van de Hudson Straat, ten zuiden van deelgebied 0, ten zuiden en ten westen van deelgebied 1 en ten noorden van de breedtecirkel van 52o15' noorderbreedte;

3. b) 

deelgebied 2 bestaat uit drie sectoren:



sector 2G

—  het gedeelte van het deelgebied gelegen benoorden de breedtecirkel van 57o40' noorderbreedte (Cape Mugford),

sector 2H

—  het gedeelte van het deelgebied gelegen tussen de breedtecirkel van 55o20' noorderbreedte (Hopedale) en de breedtecirkel van 57o40' noorderbreedte (Cape Mugford),

sector 2J

—  het gedeelte van het deelgebied gelegen bezuiden de breedtecirkel van 55o20' noorderbreedte (Hopedale).

4. a) 

deelgebied 3

het gedeelte van het Verdragsgebied gelegen bezuiden de breedtecirkel van 52o15' noorderbreedte; en ten oosten van een lijn rechtwijzend noord vanaf Cape Bauld, op de noordkust van Newfoundland, tot 52o15' noorderbreedte; ten noorden van de breedtecirkel van 39o00' noorderbreedte; en ten oosten en ten noorden van een loxodroom beginnende op 39o00' noorderbreedte en 50o00' westerlengte en lopende in noordwestelijke richting via een punt op 43o30' noorderbreedte en 55o00' westerlengte in de richting van een punt op 47o50' noorderbreedte en 60o00' westerlengte tot hij een rechte lijn snijdt die Cape Ray, op de kust van Newfoundland, verbindt met Cape North op Cape Breton Island; vandaar in noordoostelijke richting langs genoemde lijn tot Cape Ray;

4. b) 

deelgebied 3 bestaat uit zes sectoren:



sector 3K

—  het gedeelte van het deelgebied gelegen benoorden de breedtecirkel van 49o15' noorderbreedte (Cape Freels, Newfoundland),

sector 3L

—  het gedeelte van het deelgebied gelegen tussen de kust van Newfoundland vanaf Cape Freels tot Cape St. Mary en een lijn, beschreven als volgt: beginnende te Cape Freels, vandaar rechtwijzend oost tot de meridiaan van 46o30' westerlengte, vandaar rechtwijzend zuid tot de breedtecirkel van 46o00' noorderbreedte, vandaar rechtwijzend west tot de meridiaan van 54o30' westerlengte, vandaar langs een loxodroom tot Cape St. Mary, Newfoundland,

sector 3M

—  het gedeelte van het deelgebied gelegen bezuiden de breedtecirkel van 49o15' noorderbreedte en ten oosten van de meridiaan van 46o30' westerlengte,

sector 3N

—  het gedeelte van het deelgebied gelegen bezuiden de breedtecirkel van 46o00' noorderbreedte en tussen de meridiaan van 46o30' westerlengte en de meridiaan van 51o00' westerlengte,

sector 3 O

—  het gedeelte van het deelgebied gelegen bezuiden de breedtecirkel van 46o00' noorderbreedte en tussen de meridiaan van 51o00' westerlengte en de meridiaan van 54o30' westerlengte,

sector 3P

—  het gedeelte van het deelgebied gelegen bezuiden de kust van Newfoundland en ten westen van een lijn vanaf Cape St. Mary, Newfoundland, tot een punt op 46o00' noorderbreedte, 54o30' westerlengte en van daar rechtwijzend zuid naar de grens van het deelgebied;

sector 3P is verdeeld in twee deelsectoren:



3Pn

—  noordwestelijke deelsector: het gedeelte van sector 3P gelegen ten noordwesten van een lijn lopend van Burgeo Island, Newfoundland, in ongeveer zuidwestelijke richting tot een punt op 46o50' noorderbreedte en 58o50' westerlengte,

3Ps

—  zuidoostelijke deelsector: het gedeelte van sector 3P gelegen ten zuidoosten van de lijn, beschreven voor deelsector 3Pn.

5. a) 

deelgebied 4

het gedeelte van het Verdragsgebied gelegen ten noorden van de breedtecirkel van 39o00' noorderbreedte, ten westen van deelgebied 3 en ten oosten van een lijn, beschreven als volgt: beginnende op het eindpunt van de internationale grens tussen de Verenigde Staten van Amerika en Canada in de Grand Manan Channel, op het punt op 44o46'35,346'' noorderbreedte en 66o54'11,253'' westerlengte; vandaar rechtwijzend zuid tot de breedtecirkel van 43o50' noorderbreedte; vandaar rechtwijzend west naar de meridiaan van 67o40' westerlengte, vandaar rechtwijzend zuid tot de breedtecirkel van 42o20' noorderbreedte; vandaar rechtwijzend oost tot een punt op 66o00' westerlengte; vandaar langs een loxodroom in zuidoostelijke richting tot een punt op 42o00' noorderbreedte en 65o40' westerlengte; en vandaar rechtwijzend zuid tor de breedtecirkel van 39o00' noorderbreedte;

5. b) 

deelgebied 4 bestaat uit zes sectoren:



sector 4R

—  het deel van het deelgebied gelegen tussen de kust van Newfoundland vanaf Cape Bauld tot Cape Ray en een lijn, beschreven als volgt: beginnende te Cape Bauld, vandaar rechtwijzend noord tot de breedtecirkel van 52o15' noorderbreedte, vandaar rechtwijzend west tot de kust van Labrador, vandaar langs de kust van Labrador tot het eindpunt van de grens tussen Labrador en Quebec, vandaar langs een loxodroom in zuidwestelijke richting tot een punt op 49o25' noorderbreedte en 60o00' westerlengte, vandaar rechtwijzend zuid tor een punt op 47o50' noorderbreedte en 60o00' westerlengte, vandaar langs een loxodroom in zuidoostelijke richting tot het snijpunt van de grens van deelgebied 3 en de rechte lijn die Cape North, Nova Scotia, met Cape Ray, Newfoundland, verbindt en vandaar tot Cape Ray, Newfoundland,

sector 4S

—  het gedeelte van het deelgebied gelegen tussen de zuidkust van de Provincie Quebec vanaf het eindpunt van de grens tussen Labrador en Quebec tot Pointe-des-Monts en een lijn, beschreven als volgt: beginnende te Pointe-des-Monts, vandaar rechtwijzend oost tot een punt op 49o25' noorderbreedte en 64o40' westerlengte, vandaar langs een loxodroom in oostzuidoostelijke richting naar een punt op 47o50' noorderbreedte en 60o00' westerlengte, vandaar rechtwijzend noord tot een punt op 49o25' noorderbreedte en 60o00' westerlengte, vandaar langs een loxodroom in noordoostelijke richting tot het eindpunt van de grens tussen Labrador en Quebec,

sector 4T

—  het gedeelte van het deelgebied gelegen tussen de kusten van Nova Scotia, New Brunswick en Quebec vanaf Cape North tot Pointe-des-Monts en een lijn, beschreven als volgt: beginnende te Pointe-des-Monts, vandaar rechtwijzend oost tot een punt op 49o25' noorderbreedte en 64o40' westerlengte, vandaar langs een loxodroom in zuidoostelijke richting tot een punt op 47o50' noorderbreedte en 60o00' westerlengte, vandaar langs een loxodroom in zuidelijke richting tot Cape North, Nova Scotia,

sector 4V

—  het gedeelte van het deelgebied gelegen tussen de kust van Nova Scotia vanaf Cape North tot Fourchu en een lijn, beschreven als volgt: beginnende te Fourchu, vandaar langs een loxodroom in oostelijke richting tot een punt op 45o40' noorderbreedte en 60o00' westerlengte, vandaar rechtwijzend zuid langs de meridiaan van 60o00' westerlengte tot de breedtecirkel van 44o10' noorderbreedte, vandaar rechtwijzend oost tot de meridiaan van 59o00' westerlengte, vandaar rechtwijzend zuid tot de breedtecirkel van 39o00' noorderbreedte, vandaar rechtwijzend oost tot een punt waar de grens tussen de deelgebieden 3 en 4 de breedtecirkel van 39o00' noorderbreedte snijdt, vandaar langs de grens tussen de deelgebieden 3 en 4 en een lijn die doorloopt in noordwestelijke richting tot een punt op 47o50' noorderbreedte en 60o00' westerlengte, en vandaar langs een loxodroom in zuidelijke richting tot Cape North, Nova Scotia;

sector 4V is verdeeld in twee deelsectoren:



4Vn

—  noordelijke deelsector: het gedeelte van sector 4V gelegen benoorden de breedtecirkel van 45o40' noorderbreedte,

4Vs

—  zuidelijke deelsector: het gedeelte van sector 4V bezuiden de breedtecirkel van 45o40' noorderbreedte,



sector 4W

—  het gedeelte van het deelgebied gelegen tussen de kust van Nova Scotia vanaf Halifax tot Fourchu en een lijn, beschreven als volgt: beginnende te Fourchu, vandaar langs een loxodroom in oostelijke richting tot een punt op 45o40' noorderbreedte en 60o00' westerlengte, vandaar rechtwijzend zuid langs de meridiaan van 60o00' westerlengte tot de breedtecirkel van 44o10' noorderbreedte, vandaar rechtwijzend oost tot de meridiaan van 59o00' westerlengte, vandaar rechtwijzend zuid tot de breedtecirkel van 39o00' noorderbreedte, vandaar rechtwijzend west tot de meridiaan van 63o20' westerlengte, vandaar rechtwijzend noord tot een punt op die meridiaan op 44o20' noorderbreedte en vandaar langs een loxodroom in noordwestelijke richting tot Halifax, Nova Scotia,

sector 4X

—  het gedeelte van het deelgebied gelegen tussen de westelijke grens van deelgebied 4 en de kusten van New Brunswick en Nova Scotia vanaf het eindpunt van de grens tussen New Brunswick en Maine tot Halifax, en een lijn, beschreven als volgt: beginnende te Halifax, vandaar langs een loxodroom in zuidoostelijke richting tot een punt op 44o20' noorderbreedte en 63o20' westerlengte, vandaar rechtwijzend zuid tot de breedtecirkel van 39o00' noorderbreedte, en vandaar rechtwijzend west naar de meridiaan van 65o40' westerlengte.

6. a) 

deelgebied 5

het gedeelte van het Verdragsgebied gelegen ten westen van de westelijke grens van deelgebied 4, ten noorden van de breedtecirkel van 39o00' noorderbreedte en ten oosten van de meridiaan van 71o40' westerlengte;

6. b) 

deelgebied 5 bestaat uit twee sectoren:



sector 5Y

—  het gedeelte van het deelgebied gelegen tussen de kusten van Maine, New Hampshire en Massachusetts vanaf de grens tussen Maine en New Brunswick tot 70o00' westerlengte op Cape Cod (op ongeveer 42o noorderbreedte), en een lijn, beschreven als volgt: beginnende op een punt op Cape Cod op 70o00' westerlengte (op ongeveer 42o00' noorderbreedte), vandaar rechtwijzend noord tot 42o20' noorderbreedte, vandaar rechtwijzend oost tot 67o40' westerlengte op de grens van de deelgebieden 4 en 5, en vandaar langs die grens tot de grens tussen Canada en de Verenigde Staten,

sector 5Z

—  het gedeelte van het deelgebied gelegen ten zuiden en ten oosten van sector 5Y;

sector 5Z is verdeeld in twee gedeelten: een oostelijk en een westelijk gedeelte die als volgt zijn afgebakend:



5Ze

—  oostelijk gedeelte: het gedeelte van sector 5Z gelegen ten oosten van de meridiaan van 70o00' westerlengte,

5Zw

—  westelijk gedeelte: het gedeelte van sector 5Z gelegen ten westen van de meridiaan van 70o00' westerlengte.

7. a) 

deelgebied 6

het gedeelte van het Verdragsgebied begrensd door een lijn die begint op een punt op de kust van Rhode Island op 71o40' westerlengte; vandaar rechtwijzend zuid tot op 39o00' noorderbreedte; vandaar rechtwijzend oost tot op 42o00' westerlengte; vandaar rechtwijzend zuid tot op 35o00' noorderbreedte; vandaar rechtwijzend west tot de kust van Noord-Amerika; vandaar noordwaarts langs de kust van Noord-Amerika tot het punt op Rhode Island op 71o40' westerlengte;

7. b) 

deelgebied 6 bestaat uit acht sectoren:



sector 6A

—  het gedeelte van het deelgebied gelegen benoorden de breedtecirkel van 39o00' noorderbreedte en ten westen van deelgebied 5;

sector 6B

—  het gedeelte van het deelgebied gelegen ten westen van 70o00' westerlengte, ten zuiden van de breedtecirkel van 39o00' noorderbreedte en ten noorden en ten westen van een lijn lopende westwaarts op de breedtecirkel van 37o00' noorderbreedte tot op 76o00' westerlengte en vandaar rechtwijzend zuid tot Cape Henry, Virginia,

sector 6C

—  het gedeelte van het deelgebied gelegen ten westen van 70o00' westerlengte en bezuiden de breedtecirkel van 35o00' noorderbreedte,

sector 6D

—  het gedeelte van het deelgebied gelegen ten oosten van de sectoren 6B en 6C en ten westen van 65o00' westerlengte,

sector 6E

—  het gedeelte van het deelgebied gelegen ten oosten van sector 6D en ten westen van 60o00' westerlengte,

sector 6F

—  het gedeelte van het deelgebied gelegen ten oosten van sector 6E en ten westen van 55o00' westerlengte,

sector 6G

—  het gedeelte van het deelgebied gelegen ten oosten van sector 6F en ten westen van 50o00' westerlengte,

sector 6H

—  het gedeelte van het deelgebied gelegen ten oosten van sector 6G en ten westen van 42o00' westerlengte.

CONVENTION ON FUTURE MULTILATERAL COOPERATION IN THE NORTH-WEST ATLANTIC FISHERIES



THE CONTRACTING PARTIES,

Noting that the coastal States of the Northwest Atlantic have, in accordance with relevant principles of international law, extended their jurisdiction over the living resources of their adjacent waters to limits of up to 200 nautical miles from the baselines from which the breadth of the territorial sea is measured, and exercise within these areas sovereign rights for the purpose of exploring and exploiting, conserving and managing these resources;

Taking into account the work of the Third United Nations Conference on the Law of the Sea in the field of fisheries;

Desiring to promote the conservation and optimum utilization of the fishery resources of the Northwest Atlantic area within a framework appropriate to the regime of extended coastal State jurisdiction over fisheries, and accordingly to encourage international cooperation and consultation with respect to these resources,

HAVE AGREED AS FOLLOWS:



Article I

1.  The area to which this Convention applies, hereinafter referred to as ‘the Convention Area’, shall be the waters of the Northwest Atlantic Ocean north of 35o00' north latitude and west of a line extending due north from 35o00' north latitude and 42o00' west longitude to 59o00' north latitude, thence due west to 44o00' west longitude, and thence due north to the coast of Greenland, and the waters of the Gulf of St Lawrence, Davis Strait and Baffin Bay south of 78o10' north latitude.

2.  The area referred to in this Convention as ‘the Regulatory Area’ is that part of the Convention Area which lies beyond the areas in which coastal States exercise fisheries jurisdiction.

3.  For the purposes of this Convention, ‘coastal State’ shall hereinafter mean a Contracting Party exercising fisheries jurisdiction in waters forming part of the Convention Area.

4.  This Convention applies to all fishery resources of the Convention area, with the following exceptions: salmon, tuna and marlin, cetacean stocks managed by the International Whaling Commission or any successor organization, and sedentary species of the Continental Shelf, i.e., organisms which, at the harvestable stage, either are immobile on or under the seabed or are unable to move except in constant physical contact with the seabed or the subsoil.

5.  Nothing in this Convention shall be deemed to affect or prejudice the positions or claims of any Contracting Party in regard to internal waters, the territorial sea, or the limits or extent of the jurisdiction of any party over fisheries; or to affect or prejudice the views or positions of any Contracting Party with respect to the law of the sea.

Article II

1.  The Contracting Parties agree to establish and maintain an international organization whose object shall be to contribute through consultation and cooperation to the optimum utilization, rational management and conservation of the fishery resources of the Convention Area. This organization shall be known as the Northwest Atlantic Fisheries Organization, hereinafter referred to as ‘the Organization’, and shall carry out the functions set forth in this Convention.

2.  The Organization shall consist of:

(a) 

a General Council,

(b) 

a Scientific Council,

(c) 

a Fisheries Commission, and

(d) 

a Secretariat.

3.  The Organization shall have legal personality and shall enjoy in its relations with other international organizations and in the territories of the Contracting Parties such legal capacity as may be necessary to perform its functions and achieve its ends. The immunities and privileges which the Organization and its officers shall enjoy in the territory of a Contracting Party shall be subject to agreement between the Organization and the Contracting Party concerned.

4.  The headquarters of the Organization shall be at Dartmouth, Nova Scotia, Canada, or at such other place as may be decided by the General Council.

Article III

The functions of the General Council shall be:

(a) 

to supervise and coordinate the organizational, administrative, financial and other internal affairs of the Organization, including the relations among its constituent bodies;

(b) 

to coordinate the external relations of the Organization;

(c) 

to review and determine the membership of the Fisheries Commission pursuant to Article XIII; and

(d) 

to exercise such other authority as is conferred upon it by this Convention.

Article IV

1.  Each Contracting Party shall be a member of the General Council and shall appoint to the Council not more than three representatives who may be accompanied at any of its meetings by alternates, experts and advisers.

2.  The General Council shall elect a chairman and a vice-chairman, each of whom shall serve for a term of two years and shall be eligible for re-election but shall not serve for more than four years in succession. The chairman shall be a representative of a Contracting Party that is a member of the Fisheries Commission and the chairman and vice-chairman shall be representatives of different Contracting Parties.

3.  The chairman shall be the president of the Organization and shall be its principal representative.

4.  The chairman of the General Council shall convene a regular annual meeting of the Organization at a place decided upon by the General Council and which shall normally be in North America.

5.  Any meeting of the General Council, other than the annual meeting, may be called by the chairman at such time and place as the chairman may determine, upon the request of a Contracting Party with the concurrence of another Contracting Party.

6.  The General Council may establish such committees and subcommittees as it considers desirable for the exercise of its duties and functions.

Article V

1.  Each Contracting Party shall have one vote in proceedings of the General Council.

2.  Except where otherwise provided, decisions of the General Council shall be taken by a majority of the votes of all Contracting Parties present and casting affirmative or negative votes, provided that no vote shall be taken unless there is a quorum of at least two-thirds of the Contracting Parties.

3.  The General Council shall adopt, and amend as occasion may require, rules for the conduct of its meetings and for the exercise of its functions.

4.  The General Council shall submit to the Contracting Parties an annual report of the activities of the Organization.

Article VI

1.  The functions of the Scientific Council shall be:

(a) 

to provide a forum for consultation and cooperation among the Contracting Parties with respect to the study, appraisal and exchange of scientific information and views relating to the fisheries of the Convention Area, including environmental and ecological factors affecting these fisheries, and to encourage and promote cooperation among the Contracting Parties in scientific research designed to fill gaps in knowledge pertaining to these matters;

(b) 

to compile and maintain statistics and records and to publish or disseminate reports, information and materials pertaining to the fisheries of the Convention Area, including environmental and ecological factors affecting these fisheries;

(c) 

to provide scientific advice to coastal States, where requested to do so pursuant to Article VII; and

(d) 

to provide scientific advice to the Fisheries Commission, pursuant to Article VIII or on its own initiative as required for the purposes of the Commission.

2.  The functions of the Scientific Council may, where appropriate, be carried out in cooperation with other public or private organizations having related objectives.

3.  The Contracting Parties shall furnish to the Scientific Council any available statistical and scientific information requested by the Council for the purpose of this Article.

Article VII

1.  The Scientific Council shall, at the request of a coastal State, consider and report on any question pertaining to the scientific basis for the management and conservation of fishery resources in waters under the fisheries jurisdiction of that coastal State within the Convention Area.

2.  The coastal State shall, in consultation with the Scientific Council, specify terms of reference for the consideration of any question referred to the Council pursuant to paragraph 1. These terms of reference shall include, along with any other matters deemed appropriate, such of the following as are applicable:

(a) 

a statement of the question referred, including a description of the fisheries and area to be considered;

(b) 

where scientific estimates or predictions are sought, a description of any relevant factors or assumptions to be taken into account; and

(c) 

where applicable, a description of any objectives the coastal State is seeking to attain and an indication of whether specific advice or a range of options should be provided.

Article VIII

The Scientific Council shall consider and report on any question referred to it by the Fisheries Commission pertaining to the scientific basis for the management and conservation of fishery resources within the Regulatory Area and shall take into account the terms of reference specified by the Fisheries Commission in respect of that question.

Article IX

1.  Each Contracting Party shall be a member of the Scientific Council and shall appoint to the Council its own representatives who may be accompanied at any of its meetings by alternates, experts and advisers.

2.  The Scientific Council shall elect a chairman and a vice-chairman, each of whom shall serve for a term of two years and shall be eligible for re-election but shall not serve for more than four years in succession. The chairman and vice-chairman shall be representatives of different Contracting Parties.

3.  Any meeting of the Scientific Council, other than the annual meeting convened pursuant to Article IV, may be called by the chairman at such time and place as the chairman may determine, upon the request of a coastal State or upon the request of a Contracting Party with the concurrence of another Contracting Party.

4.  The Scientific Council may establish such committees and subcommittees as it considers desirable for the exercise of its duties and functions.

Article X

1.  Scientific advice to be provided by the Scientific Council pursuant to this Convention shall be determined by consensus. Where consensus cannot be achieved, the Council shall set out in its report all views advanced on the matter under consideration.

2.  Decisions of the Scientific Council with respect to the election of officers, the adoption and the amendment of rules and other matters pertaining to the organization of its work shall be taken by a majority of votes of all Contracting Parties present and casting affirmative or negative votes, and for these purposes each Contracting Party shall have one vote. No vote shall be taken unless there is a quorum of at least two-thirds of the Contracting Parties.

3.  The Scientific Council shall adopt, and amend as occasion may require, rules for the conduct of its meetings and for the exercise of its functions.

Article XI

1.  The Fisheries Commission, hereinafter referred to as ‘the Commission’, shall be responsible for the management and conservation of the fishery resources of the Regulatory Area in accordance with the provisions of this Article.

2.  The Commission may adopt proposals for joint action by the Contracting Parties designed to achieve the optimum utilization of the fishery resources of the Regulatory Area. In considering such proposals, the Commission shall take into account any relevant information or advice provided to it by the Scientific Council.

3.  In the exercise of its functions under paragraph 2, the Commission shall seek to ensure consistency between:

(a) 

any proposal that applies to a stock or group of stocks occurring both within the Regulatory Area and within an area under the fisheries jurisdiction of a coastal State, or any proposal that would have an effect through species interrelationships on a stock or group of stocks occurring in whole or in part within an area under the fisheries jurisdiction of a coastal State, and

(b) 

any measures or decisions taken by the coastal State for the management and conservation of that stock or group of stocks with respect to fishing activities conducted within the area under its fisheries jurisdiction.

The appropriate coastal State and the Commission shall accordingly promote the coordination of such proposals, measures and decisions. Each coastal State shall keep the Commission informed of its measures and decisions for the purpose of this Article.

4.  Proposals adopted by the Commission for the allocation of catches in the Regulatory Area shall take into account the interests of Commission members whose vessels have traditionally fished within that Area, and, in the allocation of catches from the Grand Banks and Flemish Cap, Commission members shall give special consideration to the Contracting Party whose coastal communities are primarily dependent on fishing for stocks related to these fishings banks and which has undertaken extensive efforts to ensure the conservation of such stocks through international action, in particular, by providing surveillance and inspection of international fisheries on these banks under an international scheme of joint enforcement.

5.  The Commission may also adopt proposals for international measures of control and enforcement within the Regulatory Area for the purpose of ensuring within that Area the application of this Convention and the measures in force thereunder.

6.  Each proposal adopted by the Commission shall be transmitted by the Executive Secretary to all Contracting Parties, specifying the date of transmittal for the purposes of paragraph 1 of Article XII.

7.  Subject to the provisions of Article XII, each proposal adopted by the Commission under this Article shall become a measure binding on all Contracting Parties to enter into force on a date determined by the Commission.

8.  The Commission may refer to the Scientific Council any question pertaining to the scientific basis for the management and conservation of fishery resources within the Regulatory Area and shall specify terms of reference for the consideration of that question.

9.  The Commission may invite the attention of any or all Commission members to any matters which relate to the objectives and purposes of this Convention within the Regulatory Area.

Article XII

1.  If any Commission member presents to the Executive Secretary an objection to a proposal within 60 days of the date of transmittal specified in the notification of the proposal by the Executive Secretary, the proposal shall not become a binding measure until the expiration of 40 days following the date of transmittal specified in the notification of that objection to the Contracting Parties. Thereupon any other Commission member may similarly object prior to the expiration of the additional 40-day period, or within 30 days after the date of transmittal specified in the notification to the Contracting Parties of any objection presented within that additional 40-day period, whichever shall be the later. The proposal shall then become a measure binding on all Contracting Parties, except those which have presented objections, at the end of the extended period or periods for objecting. If, however, at the end of such extended period or periods, objections have been presented and maintained by a majority of Commission members, the proposal shall not become a binding measure, unless any or all of the Commission members nevertheless agree as among themselves to be bound by it on an agreed date.

2.  Any Commission member which has objected to a proposal may at any time withdraw that objection and the proposal immediately shall become a measure binding on such a member, subject to the objection procedure provided for in this Article.

3.  At any time after the expiration of one year from the date on which a measure enters into force, any Commission member may give to the Executive Secretary notice of its intention not to be bound by the measure, and, if that notice is not withdrawn, the measure shall cease to be binding on that member at the end of one year from the date of receipt of the notice by the Executive Secretary. At any time after a measure has ceased to be binding on a Commission member under this paragraph, the measure shall cease to be binding on any other Commission member upon the date a notice of its intention not to be bound is received by the Executive Secretary.

4.  The Executive Secretary shall immediately notify each Contracting Party of:

(a) 

the receipt of each objection and withdrawal of objection under paragraphs 1 and 2;

(b) 

the date on which any proposal becomes a binding measure under the provisions of paragraph 1; and

(c) 

the receipt of each notice under paragraph 3.

Article XIII

1.  The membership of the Commission shall be reviewed and determined by the General Council at its annual meeting and shall consist of:

(a) 

each Contracting Party which participates in the fisheries of the Regulatory Area, and

(b) 

any Contracting Party which has provided evidence satisfactory to the General Council that it expects to participate in the fisheries of the Regulatory Area during the year of that annual meeting or during the following calendar year.

2.  Each Commission member shall appoint to the Commission not more than three representatives who may be accompanied at any of its meetings by alternates, experts and advisers.

3.  Any Contracting Party that is not a Commission member may attend meetings of the Commission as an observer.

4.  The Commission shall elect a chairman and a vice-chairman, each of whom shall serve for a term of two years and shall be eligible for re-election but shall not serve for more than four years in succession. The chairman and vice-chairman shall be representatives of different Commission members.

5.  Any meeting of the Commission, other than the annual meeting convened pursuant to Article IV, may be called by the chairman at such time and place as the chairman may determine, upon the request of any Commission member.

6.  The Commission may establish such committees and subcommittees as it considers desirable for the exercise of its duties and functions.

Article XIV

1.  Each Commission member shall have one vote in proceedings of the Commission.

2.  Decisions of the Commission shall be taken by a majority of the votes of all Commission members present and casting affirmative or negative votes, provided that no vote shall be taken unless there is a quorum of at least two-thirds of the Commission members.

3.  The Commission shall adopt, and amend as occasion may require, rules for the conduct of its meetings and for the exercise of its functions.

Article XV

1.  The Secretariat shall provide services to the Organization in the exercise of its duties and functions.

2.  The chief administrative officer of the Secretariat shall be the Executive Secretary, who shall be appointed by the General Council according to such procedures and on such terms as it may determine.

3.  The staff of the Secretariat shall be appointed by the Executive Secretary in accordance with such rules and procedures as may be determined by the General Council.

4.  The Executive Secretary shall, subject to the general supervision of the General Council, have full power and authority over staff of the Secretariat and shall perform such other functions as the General Council shall prescribe.

Article XVI

1.  Each Contracting Party shall pay the expenses of its own delegation to all meetings held pursuant to this Convention.

2.  The General Council shall adopt an annual budget for the Organization.

3.  The General Council shall establish the contributions due from each Contracting Party under the annual budget on the following basis:

(a) 

10 % of the budget shall be divided among the coastal States in proportion to their nominal catches in the Convention Area in the year ending two years before the beginning of the budget year;

(b) 

30 % of the budget shall be divided equally among all the Contracting Parties; and

(c) 

60 % of the budget shall be divided among all Contracting Parties in proportion to their nominal catches in the Convention Area in the year ending two years before the beginning of the budget year.

The nominal catches referred to above shall be the reported catches of the species listed in Annex I, which forms an integral part of this Convention.

4.  The Executive Secretary shall notify each Contracting Party of the contribution due from that Party as calculated under paragraph 3 of this Article, and as soon as possible thereafter each Contracting Party shall pay to the Organization its contribution.

5.  Contributions shall be payable in the currency of the country in which the headquarters of the Organization is located, except if otherwise authorized by the General Council.

6.  Subject to paragraph 11 of this Article, the General Council shall, at its first meeting, approve a budget for the balance of the first financial year in which the Organization functions and the Executive Secretary shall transmit to the Contracting Parties copies of that budget together with notices of their respective contributions.

7.  For subsequent financial years, drafts of the annual budget shall be submitted by the Executive Secretary to each Contracting Party together with a schedule of contributions, not less than 60 days before the annual meeting of the Organization at which the budgets are to be considered.

8.  A Contracting Party acceding to this Convention during the course of a financial year shall contribute in respect of that year a part of the contribution calculated in accordance with the provisions of this Article, that is proportional to the number of complete months remaining in the year.

9.  A Contracting Party which has not paid its contributions for two consecutive years shall not enjoy any right of casting votes and presenting objections under this Convention until it has fulfilled its obligations, unless the General Council decides otherwise.

10.  The financial affairs of the Organization shall be audited annually by external auditors to be selected by the General Council.

11.  If the Convention enters into force on 1 January 1979, the provisions of Annex II, which forms an integral part of this Convention, shall apply in place of the provisions of paragraph 6.

Article XVII

The Contracting Parties agree to take such action, including the imposition of adequate sanctions for violations, as may be necessary to make effective the provisions of the Convention and to implement any measures which become binding under paragraph 7 of Article XI and any measures which are in force under Article XXIII. Each Contracting Party shall transmit to the Commission an annual statement of the actions taken by it for these purposes.

Article XVIII

The Contracting Parties agree to maintain in force and to implement within the Regulatory Area a scheme of joint international enforcement as applicable pursuant to Article XXIII or as modified by measures referred to in paragraph 5 of Article XI. This scheme shall include provision for reciprocal rights of boarding and inspection by the Contracting Parties and for flag state prosecution and sanctions on the basis of evidence resulting from such boardings and inspections. A report of such prosecutions and sanctions imposed shall be included in the annual statement referred to in Article XVII.

Article XIX

The Contracting Parties agree to invite the attention of any State not a party to this Convention to any matter relating to the fishing activities in the Regulatory Area of the nationals or vessels of that State which appear to affect adversely the attainment of the objectives of this Convention. The Contracting Parties further agree to confer when appropriate upon the steps to be taken towards obviating such adverse effects.

Article XX

1.  The Convention Area shall be divided into scientific and statistical subareas, divisions and subdivisions, the boundaries of which shall be those defined in Annex III to this Convention.

2.  On the request of the Scientific Council, the General Council may be a two-thirds majority vote of all Contracting Parties, if deemed necessary for scientific or statistical purposes, modify the boundaries of the scientific and statistical subareas, divisions and subdivisions set out in Annex III, provided that each coastal State exercising fisheries jurisdiction in any part of the area affected concurs in such action.

3.  On the request of the Fisheries Commission and after having consulted the Scientific Council, the General Council may by a two-thirds majority vote of all Contracting Parties, if deemed necessary for management purposes, divide the Regulatory Area into appropriate regulatory divisions and subdivisions. These may subsequently be modified in accordance with the same procedure. The boundaries of any such divisions and subdivisions shall be defined in Annex III.

4.  Annex III to this Convention, either in its present terms or as modified from time to time pursuant to this Article, forms an integral part of this Convention.

Article XXI

1.  Any Contracting Party may propose amendments to this Convention to be considered and acted upon by the General Council at an annual or a special meeting. Any such proposed amendment shall be sent to the Executive Secretary at least 90 days prior to the meeting at which it is proposed to be acted upon, and the Executive Secretary shall immediately transmit the proposal to all Contracting Parties.

2.  The adoption of a proposed amendment to the Convention by the General Council shall require a three-fourths majority of the votes of all Contracting Parties. The text of any proposed amendments so adopted shall be transmitted by the Depositary to all Contracting Parties.

3.  An amendment shall take effect for all Contracting Parties 120 days following the date of transmittal specified in the notification by the Depositary of receipt of written notification of approval by three-fourths of all Contracting Parties unless any other Contracting Party notifies the Depositary that it objects to the amendment within 90 days of the date of transmittal specified in the notification by the Depositary of such receipt, in which case the amendment shall not take effect for any Contracting Party. Any Contracting Party which has objected to an amendment may at any time withdraw that objection. If all objections to an amendment are withdrawn, the amendment shall take effect for all Contracting Parties 120 days of the date of transmittal specified in the notification by the Depositary of receipt of the last withdrawal.

4.  Any party which becomes a Contracting Party to the Convention after an amendment has been adopted in accordance with paragraph 2 of this Article shall be deemed to have approved the said amendment.

5.  The Depositary shall promptly notify all Contracting Parties of the receipt of notifications of approval of amendments, the receipt of notifications of objection or withdrawal of objections, and the entry into force of amendments.

Article XXII

1.  This Convention shall be open for signature at Ottawa until 31 December 1978, by the parties represented at the Diplomatic Conference on the Future of Multilateral Cooperation in the Northwest Atlantic Fisheries, held at Ottawa from 11 October to 21 October 1977. It shall thereafter be open for accession.

2.  This Convention shall be subject to ratification, acceptance or approval by the Signatories and the instruments of ratification, acceptance or approval shall be deposited with the Government of Canada, referred to in this Convention as ‘the Depositary’.

3.  This Convention shall enter into force upon the first day of January following the deposit of instruments of ratification, acceptance or approval by not less than six Signatories at least one of which exercises fisheries jurisdiction in waters forming part of the Convention Area.

4.  Any party which has not signed this Convention may accede thereto by a notification in writing to the Depositary. Accessions received by the Depositary prior to the date of entry into force of this Convention shall become effective on the date this Convention enters into force. Accessions received by the Depositary after the date of entry into force of this Convention shall become effective on the date of receipt by the Depositary.

5.  The Depositary shall inform all Signatories and all acceding Parties of all ratifications, acceptances or approvals deposited and accessions received.

6.  The Depositary shall convene the initial meeting of the Organization to be held not more than six months after the coming into force of the Convention, and shall communicate the provisional agenda to each Contracting Party not less than one month before the date of the meeting.

Article XXIII

Upon the entry into force of this Convention, each proposal that has been transmitted or is effective at that time under Article VIII of the International Convention for the Northwest Atlantic Fisheries, 1949, (‘the ICNAF Convention’) shall, subject to the provisions of the ICNAF Convention, become a measure binding on each Contracting Party with respect to the Regulatory Area immediately, if the proposal has become effective under the ICNAF Convention, or at such time as it becomes effective thereunder. Subject to paragraph 3 of Article XII, each such measure shall remain binding on each Contracting Party, until such time as it expires or is replaced by a measure which has become binding pursuant to Article XI of this Convention, provided that no such replacement shall take effect before this Convention has been in force for one year.

Article XXIV

1.  Any Contracting Party may withdraw from the Convention on 31 December of any year by giving notice on or before the preceding 30 June to the Depositary, which shall communicate copies of such notice to other Contracting Parties.

2.  Any other Contracting Party may thereupon withdraw from the Convention on the same 31 ►C1  December by giving notice to the Depositary within one ◄ month of the receipt of a copy of a notice of withdrawal given pursuant to paragraph 1 of this Article.

Article XXV

1.  The original of the Convention shall be deposited with the Government of Canada, which shall communicate certified copies thereof to all the Signatories and to all the acceding Parties.

2.  The Depositary shall register the Convention with the Secretariat of the United Nations.

In witness whereof the undersigned, being duly authorized thereto, have signed this Convention.

Done at Ottawa, this 24th day of October 1978, in a single original, in the English and French languages, each text being equally authentic.

ANNEX 1 TO THE CONVENTION

List of species for the determination of the nominal catches to be used in calculating the annual budget pursuant to Article XVI



Atlantic cod ...

Gadus morrhua

Haddock ...

Melanogrammus aeglefinus

Atlantic redfish ...

Sebastes marinus

Silver hake ...

Merluccius bilinearis

Red hake ...

Urophycis chuss

Pollock ...

Pollachius virens

American plaice ...

Hippoglossoides platessoides

Witch flounder ...

Glyptocephalus cynoglossus

Yellowtail flounder ...

Limanda ferruginea

Greenland halibut ...

Keinhardtius hippoglossoides

Roundnose grenadier ...

Macrourus rupestris

Atlantic herring ...

Clupea harengus

Atlantic mackerel ...

Scomber scombrus

Atlantic butterfish ...

Peprilus triacanthus

River herring (alewife) ...

Alosa pseudoharengus

Atlantic argentine ...

Argentina silus

Capelin ...

Mallotus villosus

Long-finned squid ...

Loligo pealei

Shortr-finned squid ...

Illex illecebrosus

Shrimps ...

Pandalus sp.

ANNEX II TO THE CONVENTION

Transitional financial arrangements

1. A Contracting Party which is also a Contracting Party to the International Convention for the Northwest Atlantic Fisheries throughout the year 1979 shall not contribute to the expenses of the Organization in that year. Other Contracting Parties which have deposited their instruments of ratification, acceptance or approval or acceded to the Convention before 31 December 1979 shall contribute the amount indicated in the Appendix hereto. The contribution of any Contracting Party not included in the Appendix shall be determined by the General Council.

2. The contributions due pursuant to paragraph 1 shall be paid by each Contracting Party as soon as possible after 1 January 1979 or after its accession to the Convention, whichever is later.

Appendix to Annex II to the Convention



Contracting Party

Contribution for 1979

(in $)

Bulgaria

16 325

Canada

82 852

Cuba

20 211

Denmark (Faroe Islands)

6 473

European Economic Community

74 254

German Democratic Republic

19 266

Iceland

12 293

Japan

16 697

Norway

21 107

Poland

29 316

Portugal

22 716

Romania

15 472

Spain

26 224

USSR

72 133

USA

29 947

ANNEX III TO THE CONVENTION

Scientific and statistical subareas, divisions and subdivisions

The scientific and statistical subareas, divisions and subdivisions provided for by Article XX of this Convention shall be as follows:

▼M1

1. (a) 

Subarea 0

that portion of the Convention Area bounded on the south by a line extending due east from a point at 61o00' north latitude and 65o00' west longitude to a point at 61o00' north latitude and 59o00' west longitude, thence in a south-easterly direction along a rhumb line to a point at 60o 12' north latitude and 57o 13' west longitude; thence bounded on the east by a series of geodesic lines joining the following points:



Point No

Latitude

Longitude

1

60o12'0

57o13'0

2

61o00'0

57o13'1

3

62o00'5

57o21'1

4

62o02'3

57o 21'8

5

62o03'5

57o22'2

6

62o11'5

57o25'4

7

62o47'2

57o41'0

8

63o22'8

57o57'4

9

63o28'6

57o59'7

10

63o35'0

58o02'0

11

63o37'2

58o01'2

12

63o44'1

57o58'8

13

63o50'1

57o57'2

14

63o52'6

57o56'6

15

63o57'4

57o53'5

16

64o04'3

57o49'1

17

64o12'2

57o48'2

18

65o06'0

57o44'1

19

65o08'9

57o43'9

20

65o11'6

57o44'4

21

65o14'5

57o45'1

22

65o18'1

57o45'8

23

65o23'3

57o44'9

24

65o34'8

57o42'3

25

65o37'7

57o41'9

26

65o50'9

57o40'7

27

65o51'7

57o40'6

28

65o57'6

57o40'1

29

66o03'5

57o39'6

30

66o12'9

57o38'2

31

66o18'8

57o37'8

32

66o24'6

57o37'8

33

66o30'3

57o38'3

34

66o36'1

57o39'2

35

66o37'9

57o39'6

36

66o41'8

57o40'6

37

66o49'5

57o43'0

38

67o21'6

57o52'7

39

67o27'3

57o 54'9

40

67o28'3

57o55'3

41

67o29'1

57o56'1

42

67o 307

57o57'8

43

67o35'3

58o02'2

44

67o39'7

58o06'2

45

67o44'2

58o09'9

46

67o56'9

58o19'8

47

68o01'8

58o23'3

48

68o04'3

58o25'0

49

68o06'8

58o26'7

50

68o07'5

58o27'2

51

68o16'1

58o34'1

52

68o21'7

58o39'0

53

68o25'3

58o42'4

54

68o32'9

59o01'8

55

68o34'0

59o04'6

56

68o37'9

59o14'3

57

68o38'0

59o14'6

58

68o56'8

60o02'4

59

69o00'8

60o09'0

60

69o06'8

60o18'5

61

69o10'3

60o23'8

62

69o12'8

60o27'5

63

69o29'4

60o51'6

64

69o49'8

60o58'2

65

69o55'3

60o59'6

66

69o55'8

61o00'0

67

70o01'6

61o04'2

68

70o07'5

61o08'1

69

70o08'8

61o08'8

70

70o13'4

61o10'6

71

70o33'1

61o17'4

72

70o35'6

61o20'6

73

70o48'2

61o37'9

74

70o51'8

61o42'7

75

71o12'1

62o09'1

76

71o18'9

62o17'5

77

71o25'9

62o25'5

78

71o29'4

62o29'3

79

71o31'8

62o32'0

80

71o32'9

62o33'5

81

71o44'7

62o49'6

82

71o47'3

62o53'1

83

71o52'9

63o03'9

84

72o01'7

63o21'1

85

72o06'4

63o30'9

86

72o11'0

63o41'0

87

72o24'8

64o13'2

88

72o30'5

64o26'1

89

72o36'3

64o38'8

90

72o 437

64o54'3

91

72o 457

64o58'4

92

72o 477

65o00'9

93

72o50'8

65o07'6

94

73o18'5

66o08'3

95

73o25'9

66o25'3

96

73o31'1

67o15'1

97

73o36'5

68o05'5

98

73o37'9

68o12'3

99

73o417

68o29'4

100

73o46'1

68o48'5

101

73o46'7

68o51'1

102

73o52'3

69o11'3

103

73o57'6

69o31'5

104

74o02'2

69o50'3

105

74o02'6

69o52'0

106

74o06'1

70o06'6

107

74o07'5

70o12'5

108

74o10'0

70o23'1

109

74o12'5

70o33'7

110

74o24'0

71o25'7

111

74o28'6

71o45'8

112

74o44'2

72o53'0

113

74o50'6

73o02'8

114

75o00'0

73o16'3

115

75o05'

73o30'

and thence due north to the parallel of 78o 10' north latitude; and bounded on the west by a line beginning at 61o00' north latitude and 65o00' west longitude and extending in a north-westerly direction along a rhumb line to the coast of Baffin Island at East Bluff (61o55' north latitude and 66o 20' west longitude), and thence in a northerly direction along the coast of Baffin Island, Bylot Island, Devon Island and Ellesmere Island and following the meridian of 80o west longitude in the waters between those islands to 78o 10' north latitude; and bounded on the north by the parallel of 78o 10' north latitude.

▼B

1. (b) 

Subarea 0 is composed of two divisions:



Division 0A

—  That portion of the subarea lying to the north of the parallel of 66o15' north latitude;

Division OB

—  That portion of the subarea lying to the south of the parallel of 65o15' north latitude.

▼M1

2. (a) 

Sub-area 1

that portion of the Convention Area lying to the east of Sub-area 0 and to the north and east of a rhumb line joining a point at 60o12' north latitude and 57o13' west longitude with a point at 52o15' north latitude and 42o00' west longitude.

▼B

2. (b) 

Subarea 1 is composed of six divisions:



Division 1A

—  That portion of the subarea lying north of the parallel of 68o50' north latitude (Christianshaab);

Division 1B

—  That portion of the subarea lying between the parallel of 66o15' north latitude (five nautical miles north of Umanarsugssuak) and the parallel of 68o50' north latitude (Christianshaab);

Division 1C

—  That portion of the subarea lying between the parallel of 64o15' north latitude (four nautical miles north of Godthaab) and the parallel of 66o15' north latitude (five nautical miles north of Umanarsugssuak);

Division 1D

—  That portion of the subarea lying between the parallel of 62o30' north latitude (Frederikshaab Glacier) and the parallel of 64o15' north latitude (four nautical miles north of Godthaab);

Division IE

—  That portion of the subarea lying between the parallel of 60o45' north latitude (Cape Desolation) and the parallel of 62o30' north latitude (Frederikshaab Glacier);

Division 1F

—  That portion of the subarea lying south of the parallel of 60o45' north latitude (Cape Desolation).

3. (a) 

Subarea 2

That portion of the Convention Area lying to the east of the meridian of 64o30' west longitude in the area of Hudson Strait, to the south of Subarea 0, to the south and west of Subarea 1 and to the north of the parallel of 52o15' north latitude.

3. (b) 

Subarea 2 is composed of three divisions:



Division 2G

—  That portion of the subarea lying north of the parallel of 57o40' north latitude (Cape Mugford);

Division 2H

—  That portion of the subarea lying between the parallel of 55o20' north latitude (Hopedale) and the parallel of 57o40' north latitude (Cape Mugford);

Division 2J

—  That portion of the subarea lying south of the parallel of 55o20' north latitude (Hopedale).

4. (a) 

Subarea 3

That portion of the Convention Area lying south of the parallel of 52o15' north latitude; and to the east of a line extending due north from Cape Bauld on the north coast of Newfoundland to 52o15' north latitude; to the north of the parallel of 39o00' north latitude; and to the east and north of a rhumb line commencing at 39o00' north latitude, 50o00' west longitude and extending in a northwesterly direction to pass through a point at 43o30' north latitude, 55o00' west longitude in the direction of a point at 47o50' north latitude, 60o00' west longitude until it intersects a straight line connecting Cape Ray, on the coast of Newfoundland, with Cape North on Cape Breton Island; thence in a northeasterly direction along said line to Cape Ray.

4. (b) 

Subarea 3 is composed of six divisions:



Division 3K

—  That portion of the subarea lying north of the parallel of 49o15' north latitude (Cape Freels, Newfoundland);

Division 3L

—  That portion of the subarea lying between the Newfoundland coast from Cape Freels to Cape St Mary and a line described as follows: Beginning at Cape Freels, thence due east to the meridian of 46o30' west longitude, thence due south to the parallel of 46o00' north latitude, thence due west to the meridian of 54o30' west longitude, thence along a rhumb line to Cape St Mary, Newfoundland;

Division 3M

—  That portion of the subarea lying south of the parallel of 49o15' north latitude and east of the meridian of 46o30' west longitude;

Division 3N

—  That portion of the subarea lying south of the parallel of 46o00' north latitude and between the meridian of 46o30' west longitude and the meridian of 51o00' west longitude;

Division 30

—  That portion of the subarea lying south of the parallel of 46o00' north latitude and between the meridian of 51o00' west longitude and the meridian of 54o30' west longitude;

Division 3P

—  That portion of the subarea lying south of the Newfoundland coast and west of a line from Cape St Mary, Newfoundland to a point at 46o00' north latitude, 54o30' west longitude, thence due south to the limit of the subarea;

Division 3P is divided into two subdivisions:



3Pn

—  Northwestern subdivision — That portion of Division 3P lying north-west of a line extending from Burgeo Island, Newfoundland, approximately southwest to a point at 46o50' north latitude and 58o50' west longitude;

3Ps

—  Southeastern subdivision — That portion of Division 3P lying south-east of the line defined for Subdivision 3Pn.

5. (a) 

Subarea 4

That portion of the Convention Area lying north of the parallel of 39o00' north latitude, to the west of Subarea 3, and to the east of a line described as follows: Beginning at the terminus of the international boundary between the United States of America and Canada in Grand Manan Channel, at a point at 44o46' 35·346" north latitude; 66o54' 11·253" west longitude; thence due south to the parallel of 43o50' north latitude; thence due west to the meridian of 67o40' west longitude; thence due south to the parallel of 42o20' north latitude; thence due east to a point in 66o00' west longitude; thence along a rhumb line in a southeasterly direction to a point at 42o00' north latitude and 65o40' west longitude; and thence due south to the parallel of 39o00' north latitude.

5. (b) 

Subarea 4 is divided into six divisions:



Division 4R

—  That portion of the subarea lying between the coast of Newfoundland from Cape Bauld to Cape Ray and a line described as follows: Beginning at Cape Bauld, thence due north to the parallel of 52o15' north latitude, thence due west to the Labrador coast, thence along the Labrador coast to the terminus of the Labrador-Quebec boundary, thence along a rhumb line in a southwesterly direction to a point at 49o25' north latitude, 60o00' west longitude, thence due south to a point at 47o50' north latitude, 60o00' west longitude, thence along a rhumb line in a southeasterly direction to the point at which the boundary of Subarea 3 intersects the straight line joining Cape North, Nova Scotia with Cape Ray, Newfoundland, thence to Cape Ray, Newfoundland;

Division 4S

—  That portion of the subarea lying between the south coast of the Province of Quebec from the terminus of the Labrador-Quebec boundary to Pte. des Monts and a line described as follows: Beginning at Pte. des Monts, thence due east to a point at 49o25' north latitude, 64o40' west longitude, thence along a rhumb line in an east-southeasterly direction to a point at 47o50' north latitude, 60o00' west longitude, thence due north to a point at 49o25' north latitude, 60o00' west longitude, thence along a rhumb line in a northeasterly direction to the terminus of the Labrador-Quebec boundary;

Division 4T

—  That portion of the subarea lying between the coasts of Nova Scotia, New Brunswick, and Quebec from Cape North to Pte. des Monts and a line described as follows: Beginning at Pte. des Monts, thence due east to a point at 49o25' north latitude, 64o40' west longitude, thence along a rhumb line in a southeasterly direction to a point at 47o50' north latitude, 60o00' west longitude, thence along a rhumb line in a southerly direction to Cape North, Nova Scotia;

Division 4V

—  That portion of the subarea lying between the coast of Nova Scotia between Cape North and Fourchu and a line described as follows: Beginning at Fourchu, thence along a rhumb line in an easterly direction to a point at 45o40' north latitude, 60o00' west longitude, thence due south along the meridian of 60o00' west longitude, to the parallel of 44o10' north latitude, thence due east to the meridian of 59o00' west longitude, thence due south to the parallel of 39o00' north latitude, thence due east to a point where the boundary between Subareas 3 and 4 meets the parallel of 39o00' north latitude, thence along the boundary between Subareas 3 and 4 and a line continuing in a northwesterly direction to a point at 47o50' north latitude, 60o00' west longitude, and thence along a rhumb line in a southerly direction to Cape North, Nova Scotia;

Division 4V is divided into two subdivisions:



4Vn

—  Northern subdivision — That portion of Division 4V lying north of the parallel of 45o40' north latitude;

4Vs

—  Southern subdivision — That portion of Division 4V lying south of the parallel of 45o40' north latitude;



Division 4W

—  That portion of the subarea lying between the coast of Nova Scotia between Halifax and Fourchu and a line described as follows: Beginning at Fourchu, thence along a rhumb line in an easterly direction to a point at 45o40' north latitude, 60o00' west longitude, thence due south along the meridian of 60o00' west longitude to a parallel of 44o10' north latitude, thence due east to the meridian of 59o00' west longitude, thence due south to the parallel of 39o00' north latitude, thence due west to the meridian of 63o20' west longitude, thence due north to a point on that meridian in 44o20' north latitude, thence along a rhumb line in a northwesterly direction to Halifax, Nova Scotia;

Division 4X

—  That portion of the subarea lying between the western boundary of Subarea 4 and the coasts of New Brunswick and Nova Scotia from the terminus of the boundary between New Brunswick and Maine to Halifax, and a line described as follows: Beginning at Halifax, thence along a rhumb line in a southeasterly direction to a point at 44o20' north latitude, 63o20' west longitude, thence due south to the parallel of 39o00' north latitude, and thence due west to the meridian of 65o40' west longitude.

6. (a) 

Subarea 5

That portion of the Convention Area lying to the west of the western boundary of Subarea 4, to the north of the parallel of 39o00' north latitude, and to the east of the meridian of 71o40' west longitude.

6. (b) 

Subarea 5 is composed of two divisions:



Division 5Y

—  That portion of the subarea lying between the coasts of Maine, New Hampshire and Massachusetts from the border between Maine and New Brunswick to 70o00' west longitude on Cape Cod (at approximately 42o00' north latitude) and a line described as follows: Beginning at a point on Cape Cod at 70o00' west longitude (at approximately 42o00' north latitude), thence due north to 42o20' north latitude, thence due east to 67o40' west longitude at the boundary of Subareas 4 and 5, and thence along that boundary to the boundary of Canada and the United States;

Division 5Z

—  That portion of the subarea lying to the south and east of Division 5Y.

Division 5Z is divided into two portions: an eastern and a western portion defined as follows:



5Ze —

Eastern portion — That portion of Division 5Z lying east of the meridian of 70o00' west longitude;

5Zw —

Western portion — That portion of Division 5Z lying west of the meridian of 70o00' west longitude;

7. (a) 

Subarea 6

That part of the Convention Area bounded by a line beginning at a point on the coast of Rhode Island at 71o40' west longitude; thence due south to 39o00' north latitude; thence due east to 42o00' west longitude; thence due south to 35o00' north latitude; thence due west to the coast of North America; thence northwards along the coast of North America to the point on Rhode Island at 71o40' west longitude.

7. (b) 

Subarea 6 is composed of eight divisions:



Division 6A

—  That portion of the subarea lying to the north of the parallel of 39o00' north latitude and to the west of Subarea 5;

Division 6B

—  That portion of the subarea lying to the west of 70o00' west longitude, to the south of the parallel of 39o00' north latitude, and to the north and west of a line running westward along the parallel of 37o00' north latitude to 76o00' west longitude and thence due south to Cape Henry, Virginia;

Division 6C

—  That portion of the subarea lying to the west of 70o00' west longitude and to the south of the parallel of 35o00' north latitude;

Division 6D

—  That portion of the subarea lying to the east of Divisions 6B and 6C and to the west of 65o00' west longitude;

Division 6E

—  That portion of the subarea lying to the east of Division 6D to the west of 60o00' west longitude;

Division 6F

—  That portion of the subarea lying to the east of Division 6E and to the west of 55o00' west longitude;

Division 6G

—  That portion of the subarea lying to the east of Division 6F and to the west of 50o00' west longitude;

Division 6H

—  That portion of the subarea lying to the east of Division 6G and to the west of 42o00' west longitude.



( 1 ) De Nederlandse versie van het Verdrag is verzorgd door het Secretariaat-generaal van de Raad van de Europese Gemeenschappen. Het Verdrag is slechts in het Frans en het Engels opgesteld en ondertekend.

( 2 ) De Nederlandse versie van het Verdrag is verzorgd door het Secretariaat-generaal van de Raad van de Europese Gemeenschappen. Het Verdrag is slechts in het Frans en het Engels opgesteld en ondertekend.