|
9.2.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 49/6 |
Verzoek van het Verwaltungsgerichtshof des Fürstentums Liechtenstein om een advies van het EVA-Hof van 26 september 2022 in de zaak RS/Steuerverwaltung des Fürstentums Liechtenstein
(Zaak E-11/22)
(2023/C 49/05)
Op 26 september 2022 is bij het EVA-Hof door het Verwaltungsgerichtshof des Fürstentums Liechtenstein (administratieve rechtbank van het Vorstendom Liechtenstein) een verzoek ingediend, dat op 30 september 2022 ter griffie van het Hof is ingekomen, om een advies in de zaak RS/Steuerverwaltung des Fürstentums Liechtenstein (belastingdienst van het Vorstendom Liechtenstein) over de volgende vraag:
Moeten de artikelen 3 en 4 en artikel 28, lid 2, van de EER-Overeenkomst aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan de toepassing van een hoger belastingtarief voor de belasting van inkomsten die in Liechtenstein als werknemer zijn verworven door onderdanen van een EER-lidstaat die geen fiscale woonplaats op het nationale grondgebied (Liechtenstein) hebben, in vergelijking met belastingplichtigen die fiscaal inwoner van het nationale grondgebied (Liechtenstein) zijn, bij de vaststelling van de belasting over de belastingjaren tot 2020, voor zover deze nog niet definitief zijn vastgesteld?