|
6.10.2022 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 385/24 |
Verzoek van Landsréttur van 9 juni 2022 om een advies van het EVA-Hof in de zaakVerkfræðingafélag Íslands, Stéttarfélag tölvunarfræðinga og Lyfjafræðingafélag Íslands / de staat IJsland
(Zaak E-9/22)
(2022/C 385/06)
Op 9 juni 2022 is door Landsréttur (Hof van Beroep) een verzoek bij het EVA-Hof ingediend, ingekomen bij de griffie van het Hof op 9 juni 2022, om een advies in de zaak Verkfræðingafélag Íslands (Vereniging van erkende ingenieurs in IJsland), Stéttarfélag tölvunarfræðinga (Vakbond van informatici) en Lyfjafræðingafélag Íslands (Farmaceutische vereniging van IJsland) tegen de staat IJsland, over de volgende vragen:
|
1. |
Volgt uit artikel 1, lid 1, en artikel 2 van Richtlijn 98/59/EG van de Raad, en uit het doeltreffendheidsbeginsel, dat de werkgever die voornemens is overeenkomsten met een groep werknemers voor vaste overuren op te zeggen, gehouden is de procedureregels van de richtlijn in acht te nemen, onder meer betreffende de raadpleging van de vertegenwoordigers van de werknemers overeenkomstig artikel 2 van de richtlijn en de kennisgeving aan de bevoegde overheidsinstantie overeenkomstig artikel 3 van de richtlijn? |
|
2. |
Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, vervalt de verplichting van de werkgever dan indien de beëindiging van overeenkomsten voor vaste overuren vervolgens niet leidt tot de volledige beëindiging van de arbeidsovereenkomsten van de werknemers? |
|
3. |
Is het voor de beantwoording van de eerste twee vragen van belang of de overeenkomsten voor vaste overuren die de werkgever beëindigt, specifiek zijn gesloten in zelfstandige overeenkomsten als aanvulling op de arbeidsovereenkomsten van de werknemers? |