|
26.1.2017 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 26/17 |
Verzoek om een advies van het EVA-Hof door de Noorse Kamer van beroep voor industriële-eigendomsrechten van 22 maart 2016 in de zaak van een beroep van de gemeente Oslo
(Zaak E-5/16)
(2017/C 26/08)
Bij schrijven van 22 maart 2016 van de Noorse Kamer van beroep voor industriële-eigendomsrechten (Klagenemnda for industrielle rettigheter) is bij het EVA-Hof een verzoek ingediend, dat bij de griffie van het Hof is binnengekomen op 31 maart 2016, om een advies in de zaak van een beroep van de gemeente Oslo over de volgende vragen:
|
1. |
Kan de inschrijving als merk van auteursrechtelijk beschermde werken waarvoor de beschermingstermijn is verstreken, in bepaalde omstandigheden in strijd zijn met het verbod van artikel 3, lid 1, onder f), van de merkenrichtlijn om merken in te schrijven die in strijd zijn met „de openbare orde of de goede zeden”? |
|
2. |
Indien vraag 1 bevestigend wordt beantwoord, zal dit gevolgen hebben voor de beoordeling dat het auteursrechtelijk beschermde werk algemeen bekend en van grote culturele waarde is? |
|
3. |
Indien vraag 1 bevestigend wordt beantwoord, kunnen andere factoren of criteria dan die welke in vraag 2 worden genoemd, bij de beoordeling een rol spelen, en, zo ja, welke? |
|
4. |
Is artikel 3, lid 1, onder e), iii), van Richtlijn 2008/95/EG van toepassing op tweedimensionale voorstellingen van beeldhouwwerk? |
|
5. |
Is artikel 3, lid 1, onder c), van Richtlijn 2008/95/EG een rechtsgrond voor de weigering van merken die bestaan uit twee- of driedimensionale voorstellingen van de vorm of het uiterlijk van de waar? |
|
6. |
Indien vraag 5 bevestigend wordt beantwoord, moet artikel 3, lid 1, onder b) en c), van Richtlijn 2008/95/EG aldus worden uitgelegd dat de nationale inschrijvingsinstantie bij de beoordeling van merken die bestaan uit twee- of driedimensionale voorstellingen van de vorm of het uiterlijk van de waar, het beoordelingscriterium moet toepassen van de vraag of het betrokken ontwerp op significante wijze afwijkt van de norm of van wat gangbaar in de betrokken sector, of kunnen de weigeringsgronden inhouden dat een dergelijk merk beschrijvend is voor de vorm of het uiterlijk van de waar? |