|
12.2.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 41/24 |
BESCHIKKING VAN DE TOEZICHTHOUDENDE AUTORITEIT VAN DE EVA
Nr. 166/08/COL
van 12 maart 2008
betreffende vermeende staatssteun aan de Noorse rendierslachtindustrie (Noorwegen)
DE TOEZICHTHOUDENDE AUTORITEIT VAN DE EVA (1),
GELET OP de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (2), en met name op de artikelen 8, 61, 62 en 63 en Protocol nrs. 3 en 26,
GELET OP de Overeenkomst tussen de EVA-staten betreffende de oprichting van een Toezichthoudende Autoriteit en een Hof van Justitie (3), en met name op de artikelen 5 en 24,
GELET OP artikel 1, lid 3, van deel I en artikel 4, lid 2, van deel II van Protocol nr. 3 bij de Toezichtovereenkomst,
Overwegende hetgeen volgt:
1. Feiten
Op 11 oktober 2007 (feit nr. 446496) ontving de Autoriteit een klacht over mogelijke staatssteun ten behoeve van de Noorse rendierslachtindustrie. Volgens deze klacht is er aan de rendierslachterij Boalvvir BA tussen juli 2004 en november 2006 staatssteun ten belope van circa 7,3 miljoen NOK (circa 910 000 EUR) verleend uit het „Reindriftens Utviklingfond” (4). De subsidies werden verleend met goedkeuring van het Ministerie van Landbouw en Voeding. De klager heeft geen informatie ingediend waaruit blijkt dat Boalvvir BA betrokken is bij andere activiteiten dan het slachten van rendieren.
Bij brief van 16 oktober 2007 (feit nr. 447285) heeft de Autoriteit de ontvangst van de klacht bevestigd.
Bij brief van 6 december 2007 (feit nr. 456147) deelde de Autoriteit de klager mee dat het directoraat Mededinging en staatssteun van de Autoriteit (5) tot de voorlopige conclusie was gekomen dat de klacht betrekking had op producten die buiten de werkingssfeer van de EER-overeenkomst vallen, en dat de Autoriteit derhalve niet bevoegd was in dezen op te treden. De klager is meegedeeld dat het directoraat het College van de Autoriteit zou voorstellen de zaak zonder nadere actie te sluiten — tenzij de klager het directoraat er binnen twee maanden na ontvangst van de brief met meer informatie van zou kunnen overtuigen dat de betwiste maatregel binnen de werkingssfeer van de EER-overeenkomst viel.
De klager reageerde niet op de brief van de Autoriteit van 6 december 2007.
2. Beoordeling
De Autoriteit stelt vast dat de bepalingen inzake staatssteun in de artikelen 61 tot en met 63 van de EER-overeenkomst uitsluitend van toepassing zijn als de staatssteun wordt verleend aan ondernemingen die betrokken zijn bij de productie van producten die onder de EER-overeenkomst vallen.
In artikel 8, lid 3, van de EER-overeenkomst staat:
„Tenzij anders bepaald, zijn de bepalingen van deze overeenkomst slechts van toepassing op:
|
a) |
de producten vallende onder de hoofdstukken 25 tot en met 97 van het geharmoniseerde systeem inzake de omschrijving en codering van goederen, met uitzondering van de in Protocol nr. 2 vermelde producten; |
|
b) |
de in Protocol nr. 3 opgenomen producten, behoudens de in dat protocol vervatte specifieke regelingen.”. |
De materiële werkingssfeer van de EER-overeenkomst is krachtens artikel 8, lid 3, beperkt tot bovenstaande producten, tenzij anders bepaald in de overeenkomst. Voor zover rendieren en producten waarin rendieren zijn verwerkt niet onder de hoofdstukken 25 tot en met 97 van de het geharmoniseerde systeem inzake de omschrijving en de codering van goederen (GS) vallen of worden genoemd in Protocol nr. 3 bij de EER-overeenkomst, is de overeenkomst hierop niet van toepassing.
De onderneming die steun zou hebben ontvangen, houdt zich bezig met de slacht van rendieren. De producten van rendierslachthuizen vallen onder de hoofdstukken 2, 5, 15, 16 en 23 van het GS, en de EER-overeenkomst is hier dus niet op van toepassing. De producten vallen evenmin onder Protocol nr. 3 van de EER-overeenkomst.
De klacht heeft derhalve betrekking op vermeende staatssteun aan bedrijven die betrokken zijn bij de productie van producten die onder de EER-overeenkomst vallen, zoals omschreven in artikel 8, lid 3, van de EER-overeenkomst.
Op basis van het bovenstaande is de Autoriteit tot de conclusie gekomen dat de klacht inhoudelijk buiten de werkingssfeer van de EER-overeenkomst valt, en dat de Autoriteit derhalve niet bevoegd is om te beoordelen of er sprake is van staatssteun (6).
3. Conclusie
De Autoriteit is derhalve tot de conclusie gekomen dat er klaarblijkelijk geen gronden zijn om deze zaak verder te onderzoeken.
De Autoriteit heeft dan ook besloten deze zaak te sluiten,
HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING VASTGESTELD:
Artikel 1
De Toezichthoudende Autoriteit van de EVA is van oordeel dat de aan de Noorse rendierslachtindustrie verleende subsidies geen staatssteun vormen in de zin van artikel 61 van de EER-overeenkomst.
Artikel 2
Deze beschikking is gericht tot het Koninkrijk Noorwegen.
Artikel 3
Slechts de tekst in de Engelse taal is authentiek.
Gedaan te Brussel, 12 maart 2008.
Voor de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA
Per SANDERUD
Voorzitter
Kurt JAEGER
Lid van het College
(1) Hierna „de Autoriteit” genoemd.
(2) Hierna „de EER-overeenkomst” genoemd.
(3) Hierna „de Toezichtovereenkomst” genoemd.
(4) „Het ontwikkelingsfonds voor de rendierteelt”.
(5) Hierna „het directoraat” genoemd.
(6) Zie ook Beschikking nr. 176/05/COL van 15 juli 2005 van de Autoriteit over vermeende staatssteun in de visserijsector.