E1997C0120

BESCHIKKING VAN DE TOEZICHTHOUDENDE AUTORITEIT VAN DE EVA Nr. 120/97/COL van 24 april 1997 betreffende een procedure op grond van artikel 53 van de EER-Overeenkomst in zaak COM 020.0099 - NSF (Slechts de teksten in de Noorse en de Engelse taal zijn authentiek)

Publicatieblad Nr. L 284 van 16/10/1997 blz. 0068 - 0090


BESCHIKKING VAN DE TOEZICHTHOUDENDE AUTORITEIT VAN DE EVA Nr. 120/97/COL van 24 april 1997 betreffende een procedure op grond van artikel 53 van de EER-Overeenkomst in zaak COM 020.0099 - NSF (Slechts de teksten in de Noorse en de Engelse taal zijn authentiek)

DE TOEZICHTHOUDENDE AUTORITEIT VAN DE EVA,

Gelet op de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (de EER-Overeenkomst), inzonderheid op artikel 1 van Protocol 21,

Gelet op hoofdstuk II van Protocol 4 van de Overeenkomst tussen de EVA-staten betreffende de oprichting van een Toezichthoudende Autoriteit en een Hof van Justitie (de Toezichtovereenkomst), inzonderheid op artikel 3, lid 1,

Gelet op het verzoek om een negatieve verklaring en de aanmelding met het oog op een vrijstelling die het Norges Skogeierforbund overeenkomstig de artikelen 2 en 5 van hoofdstuk II van Protocol 4 van de Toezichtovereenkomst heeft ingediend,

Gelet op het besluit van de Toezichthoudende Autoriteit van 3 juli 1996 om in deze zaak de procedure in te leiden,

Na de betrokken ondernemingen, alsook andere natuurlijke of rechtspersonen die hierbij in voldoende mate belang hebben, overeenkomstig de bepalingen van artikel 19, leden 1 en 2, van hoofdstuk II van Protocol 4 van de Toezichtovereenkomst en hoofdstuk IV van hetzelfde protocol, in de gelegenheid te hebben gesteld hun standpunten kenbaar te maken terzake van de punten van bezwaar die de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA in haar mededeling van de punten van bezwaar van 3 juli 1996 heeft opgeworpen,

Na raadpleging van het Raadgevend Comité voor mededingingsregelingen en economische machtsposities,

Overwegende hetgeen volgt:

DEEL I

DE FEITEN

1. De aanmelding

(1) Op 18 juli 1994 ontving de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA een aanmelding van het Norges Skogeierforbund (het Noors Verbond van boseigenaren, hierna "NSF" te noemen), waarin werd verzocht om een negatieve verklaring of om een vrijstelling van het in artikel 53 van de EER-Overeenkomst neergelegde verbod voor de volgende overeenkomsten (1):

1. Statuten van het NSF (2);

2. Standaardstatuten van de bosbouwdistrictsondernemingen (3);

3. Standaardstatuten van de plaatselijke bosbouwgroepen (4);

4. Kaderovereenkomst betreffende prijsonderhandelingen voor vezelhout tussen NSF en Treforedlingsindustriens Servicekontor (het dienstenbureau van de bedrijfstakvereniging van de papier- en pulpindustrie, hierna "TFS" te noemen (5);

5. Prijsovereenkomst betreffende de contractuele periode van 1 januari-31 december 1994 tussen NSF en Treforedlingsindustriens Bransjeforening (de bedrijfstakvereniging van de papier- en pulpindustrie, hierna "TFB" te noemen) (6).

(2) Vervolgens diende NSF de volgende besluiten en overeenkomsten in, waarbij de bovengenoemde kaderovereenkomst (punt 4) wordt geschorst:

6. Richtsnoeren voor toekomstige onderhandelingen inzake vezelhout (7);

7. NSF-besluit inzake vezelhoutonderhandelingen 1995 (8);

8. Overeenkomst betreffende prijsonderhandelingen voor vezelhout in 1995 tussen NSF en TFB (9);

9. Kaderovereenkomst inzake onderhandelingen over vezelhout tussen NSF en TFB (10).

(3) Ten slotte bevatte de aanmelding informatie over een overeenkomst tussen NSF en TSF met betrekking tot de hoogte van de provisie die aan NSF en de districtsondernemingen van NSF moet worden betaald, hierna "de provisieovereenkomst" te noemen (11).

(4) De besluiten en overeenkomsten die betrekking hebben op prijsonderhandelingen en andere vormen van samenwerking tussen NSF en de industriële afnemers van rondhout, dat wil zeggen de bovengenoemde punten 4 tot en met 9, alsook de provisieovereenkomst, worden in twee afzonderlijke zaken (COM 020.0131-NSF+TFB I en COM 020.0132-NSF+TFB II) behandeld. Dientengevolge heeft de onderhavige beschikking uitsluitend betrekking op de organisatie van NSF en de bij hem aangesloten organisaties (bovenstaande punten 1 tot en met 3), hierna "het NSF-systeem" te noemen.

2. Het NSF-systeem

(5) In organisatorisch opzicht gaat het bij het NSF-systeem om een coöperatieve structuur. Individuele boseigenaren zijn lid van plaatselijke groepen. Alle groepen in een bepaald district maken deel uit van een districtsonderneming. Een boseigenaar die lid is van een plaatselijke groep, is automatisch aangesloten bij de districtsonderneming en bij de centrale organisatie, NSF. NSF is op zijn beurt samengesteld uit de individuele leden, de plaatselijke groepen en de districtsondernemingen, en is de overkoepelende coördinerende organisatie voor zijn leden en voor de activiteiten van de districtsondernemingen.

(6) Circa 57 000 boseigenaren, grotendeels kleine leveranciers, zijn georganiseerd in 446 plaatstelijke groepen. De meeste economische activiteiten van deze boseigenaren zijn echter op het niveau van de districtsondernemingen georganiseerd. Binnen NSF bestaan 19 van dergelijke districtsondernemingen, die het gehele grondgebied van Noorwegen bestrijken.

(7) In de statuten van NSF, de districtsondernemingen en de plaatselijke groepen zijn de uitgangspunten voor de NSF-activiteiten, en de rechten en verplichtingen van de leden vastgelegd. Overeenkomstig deze statuten beoogt NSF onder meer de economische belangen van de boseigenaren te behartigen door te streven naar de meest gunstige prijzen en marktvoorwaarden voor bosbouwproducten, door het op de markt brengen van dergelijke producten zo goed mogelijk te doen verlopen en door de markt zo nodig door middel van organisatorische maatregelen te reguleren. NSF streeft tevens naar een bosbouwbeleid waarin de belangen van de leden tot uitdrukking komen en waardoor het begrip voor en de ontwikkeling van de bosbouw worden gestimuleerd. Deze doeleinden moeten worden verwezenlijkt door middel van samenwerking tussen de leden. Bovendien dient nadruk te worden gelegd op de coördinatie van de belangen van de eigenaren in de bosbouwindustrie en op het stimuleren van een ontwikkeling waardoor de hoogst mogelijke prijzen voor rondhout worden gegarandeerd.

(8) De leden zijn verplicht zich te voegen naar de besluiten of maatregelen die NSF en zijn ondergeschikte organisaties treffen (12). Niet-naleving van dergelijke besluiten of van de bepalingen in de statuten kan uitsluiting tot gevolg hebben (13). De boseigenaren hebben bovendien het recht en de plicht om al hun verhandelbare rondhout via de aangewezen districtsonderneming te verkopen (14). Een boseigenaar kan zijn lidmaatschap van NSF door middel van een schriftelijke kennisgeving opzeggen, waarbij een opzegtermijn van drie maanden in acht moet worden genomen. Hij kan evenwel geen aanspraak maken op de activa van het verbond (15). Volgens NSF kan een lid zijn lidmaatschap kosteloos opzeggen en vervolgens weer tot NSF toetreden.

(9) Op zijn beurt vertegenwoordigt NSF zijn leden in geval van centrale onderhandelingen over prijzen en leveringsvoorwaarden. Hiermee wordt het NSF-bestuur of een door hem aangewezen comité belast. Evenzo kan het bestuur onderhandelen over de hoeveelheden die aan de kopers van rondhout moeten worden geleverd, en kan het de districtsondernemingen opdragen deze hoeveelheden onderling te verdelen (16). Tot de overige bindende maatregelen die NSF of de districtsondernemingen kunnen nemen, behoren onder meer de oplegging van marktmaatregelen, zoals de regeling van de productie en de harmonisering van de prijzen (17), alsook verplichtingen tot onderlinge financiële ondersteuning in geval van plotselinge en ingrijpende veranderingen op de markt (18).

3. Het product

(10) Een essentieel kenmerk van rondhout is de bijzonder lange productietijd vanaf het uitplanten van de zaailingen tot het moment waarop het hout uit economisch oogpunt het best kan worden geoogst. In de Noordse landen kan het 70 tot 100 jaren duren voordat sprake is van volgroeid zaaghout. In beginsel neemt de kwaliteit en dus de waarde van het bos - tot aan een bepaalde grens - toe met het verstrijken van de jaren. Bijgevolg kan een individuele eigenaar het rondhout gewoonlijk "opslaan" door het op stam te laten, zonder de waarde ervan in gevaar te brengen.

(11) De jaarlijkse oogst van rondhout in Noorwegen bedraagt ongeveer 10 tot 12 miljoen m³. Geraamd wordt dat de jaarlijkse bosgroei ongeveer 18 miljoen m³ beloopt. Het geoogste rondhout bestaat grotendeels uit sparrenhout (77 %) en dennenhout (20 %). Loofhout, voornamelijk berken, maakt slechts 3 % van de totale oogst uit.

(12) Rondhout kan worden gekarakteriseerd als een tussenproduct, dat wordt gebruikt bij de productie van op hout gebaseerde producten, zoals pulp, papier, karton en gezaagd hout. Het kwalitatief hoogwaardige gedeelte van de rondhoutstammen van toereikende omvang wordt voornamelijk als zaaghout aan de zagerijen en de houtindustrie (die hierna met de tem zagerijen worden samengevat) verkocht, terwijl het resterende gedeelte grotendeels als vezelhout aan de papier- en pulpindustrie wordt verkocht. Een kleiner gedeelte van het geoogste rondhout wordt als brandhout voor stookdoeleinden gebruikt, meestal rechtstreeks door consumenten. Van de totale oogst van 10 tot 12 miljoen m³ wordt normaliter ongeveer 8 tot 9 miljoen m³ in de vorm van vezelhout of zaaghout aan de bosbouwindustrie verkocht.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

(13) De hoeveelheid zaaghout die in een bepaald bosbouwgebied kan worden gewonnen, loopt zeer sterk uiteen - van 30 tot 80 % - afhankelijk van de kwaliteit van het bos en het type hout. Naast verschillen in kwaliteit is het relatieve prijsverschil tussen vezelhout en zaaghout tevens van invloed op de categorie waarin het rondhout wordt verkocht.

(14) Bij de productie van gezaagd hout ontstaan houtspaanders als bijproduct. Deze spaanders worden samen met vezelhout gebruikt bij de productie van papier en pulp. Geschat wordt dat 35 tot 38 % van de hoeveelheid zaaghout die door zagerijen wordt gebruikt, in houtspaanders verandert. De spaanders worden - rechtstreeks of in het kader van een ruil tegen zaaghout - aan de papier- en pulpindustrie verkocht. In verband met de betrokken hoeveelheden wordt de handel in houtspaanders van vitaal belang geacht voor de winstgevendheid van de zagerijen.

(15) Het geoogste rondhout is een product dat door zijn vorm moeilijk handelbaar is en dat in verhouding tot zijn prijs volumerijk is. Voor het kappen en het transport moeten hoge kosten worden gemaakt en zijn speciale machines nodig. Geschat wordt dat de gemiddelde transportkosten voor zowel zaag- als vezelhout ongeveer 25 % van de totale kosten uitmaken. De kwaliteit van het rondhout is in de eerste plaats afhankelijk van de kwaliteit van het gekapte bos. Daar de kwaliteit van het hout na het kappen van de bomen echter snel verslechtert, is "versheid" tevens een belangrijk criterium. NSF heeft ook de aandacht gevestigd op hygiëne en de specificatie van oorsprong, die steeds belangrijkere kwaliteitsfactoren vormen.

4. De markt

(16) Volgens de nationale statistieken was de brutowaarde van de 8,5 miljoen m³ rondhout die in 1993/1994 voor industrieel gebruik in Noorwegen werd gekapt, 2,5 miljard Nkr. In het bijzonder door een daling van de oogst is deze waarde, die in 1989/1990 3,8 miljard Nkr. bedroeg, geleidelijk tot het bovengenoemde bedrag gedaald. De waarde van de uitvoer en de invoer in 1994 bedroeg respectievelijk 121 en 657 miljoen Nkr. Volgens NSF bedroeg de totale Noorse oogst van rondhout voor industriële verkoop in 1989 en 1991 iets minder dan 5 % van de overeenkomstige oogst in de EER.

(17) Zoals blijkt uit figuur 1 wordt gemiddeld ongeveer 50 % van het geoogste rondhout dat op de markt wordt gebracht, aan zagerijen verkocht en een iets lager percentage aan de papier- en pulpindustrie. Doordat de prijs voor zaaghout hoger is, is ongeveer tweederde van de inkomsten van de boseigenaren afkomstig uit zaaghout. Tot de categorie "overige" behoren onder meer houtverduurzamingsindustrieën en meubelfabrikanten, alsook de uitvoer.

Figuur 1 De verkoop van gekapt rondhout, naar afnemerscategorie 1993/1994 (19)

>REFERENTIE NAAR EEN FILM>

4.1. Aanbieders

(18) Het grootste gedeelte van het bosbouwareaal in Noorwegen behoort toe aan ongeveer 126 000 particuliere boseigenaren. Circa 75 % van hen is tevens landbouwer. Een kleiner gedeelte wordt door de overheid beheerd, voornamelijk door Statsskog - een overheidsbedrijf - en door individuele gemeenten, terwijl het aandeel van de bosbouwindustrie betrekkelijk gering is. De onderstaande figuur geeft de eigendomsstructuur grafisch weer.

Figuur 2 Eigendomsstructuur (percentage van het totale bosbouwareaal) (20)

>REFERENTIE NAAR EEN FILM>

4.1.1. NSF

(19) De 57 000 boseigenaren die bij het NSF-systeem zijn aangesloten, leveren ongeveer 75 % van het totale aanbod aan gekapt rondhout in Noorwegen. Het NSF-aandeel in het totale aanbod varieert van circa 60 à 65 % in het oostelijk deel van Noorwegen tot 80 à 95 % in de andere regio's. De gemiddelde verkoop per eigenaar, die in 1994 leveranties verrichte, bedroeg 77 000 Nkr. Er mag evenwel niet uit het oog worden verloren dat een meerderheid van de leden slechts zeer onregelmatig hout oogst - vaak met tussenliggende periodes van enkele jaren. De totale aankoop van rondhout van de leden verschilt van jaar tot jaar, naar gelang van het prijsniveau en de oogst, maar heeft recentelijk een bedrag van circa 2 miljard Nkr. per jaar bereikt.

(20) De totale omzet van de ondernemingen in het NSF-systeem kan niet nauwkeurig worden geraamd. In dit verband zij erop gewezen dat de individuele boseigenaren hun voornaamste inkomsten gewoonlijk uit andere activiteiten halen, die meestal verband houden met de landbouw. Aangezien landbouwinkomsten voortvloeien uit een commerciële activiteit, dienen zij te worden opgeteld bij de omzet van de individuele NSF-leden. Bijgevolg kan ervan worden uitgegaan dat hun totale omzet aanmerkelijk hoger is dan 2 miljard Nkr. Met betrekking tot de totale omzet van de districtsondernemingen zij erop gewezen dat zij, behalve uit de verkoop van het rondhout dat van de individuele leden is gekocht, aanvullende inkomsten verkrijgen uit diensten die verband houden met bosbouw, zoals de coördinatie van de oogst en het transport, en in mindere mate uit industriële activiteiten. Derhalve kan ervan worden uitgegaan dat hun jaarlijkse omzet aanzienlijk hoger is dan 2 miljard Nkr.

(21) Behalve in deze bosbouwactiviteiten heeft NSF ook belangen in industriële activiteiten, in het bijzonder via de deelneming van zijn districtsondernemingen in Norse Skog AS, de grootste zelfstandige onderneming in de Noorse bosbouwindustrie, met een omzet van meer dan 9 miljard Nkr. De verenigingen van boseigenaren bezitten ongeveer 30 % van de aandelen (36 % van de stemmen), waardoor zij de belangrijkste aandeelhouder in de onderneming zijn. NSF heeft drie vertegenwoordigers in de raad van bestuur van Norske Skog en de voorzitter is van oudsher afkomstig uit het NSF-systeem. Van een dergelijke vertegenwoordiging is echter geen sprake in Norsk Virke AS, dat verantwoordelijk is voor de bevoorrading van Norske Skog met rondhout en spaander (zie hieronder). Volgens NSF worden de transacties tussen de verenigingen van boseigenaren en de Norske Skog-groep uitsluitend op commerciële basis verricht.

(22) De centrale organisatie NSF is niet rechtstreeks betrokken bij de verkoop van rondhout. Naast het voeren van onderhandelingen met vertegenwoordigers van de industriële afnemers over de algemene verkoopvoorwaarden en het opstellen van richtsnoeren voor de gedecentraliseerde prijsonderhandelingen houdt zij zich bezig met het geven van voorlichting en advies aan de leden, de ontwikkeling van een bosbouwbeleid en wetenschappelijk onderzoek inzake bosbouw.

(23) De eigenlijke handel vindt plaats op het districtsniveau. Tot voor kort was het typerende kenmerk van een districtsonderneming dat zij als handelsagent voor haar individuele leden optrad. Tegenwoordig koopt de districtsonderneming echter rondhout op van haar leden en verkoopt dit onder haar eigen naam aan de industrie. Bijgevolg verbindt de districtsonderneming zichzelf tot de levering van bepaalde hoeveelheden aan de industrie, terwijl de verkoopovereenkomsten die zij in het verleden sloot, meer een intentieverklaring waren dan een verbintenis.

(24) In de praktijk sluit de districtsonderneming een overeenkomst met de industriële afnemer, uitgaande van een basisprijs "vanaf wegrand", die normaliter gelijk is aan die van andere districtsondernemingen of groepen van districtsondernemingen. Deze basisprijs wordt verhoogd met opslagen voor bijzondere condities die de koper extra voordeel opleveren. Deze opslagen kunnen tussen de districtsondernemingen verschillen. Motieven voor dergelijke opslagen of bonussen zijn onder andere een verdeling van de leveringen over het gehele jaar, ondersteuning bij het transport, de garantie van bepaalde hoeveelheden en provisies.

(25) Vervolgens of tegelijkertijd sluit de districtsonderneming individuele overeenkomsten met haar leden teneinde het contract met de industriële afnemer te kunnen naleven. Ofschoon de basisprijs op het aanbod van de industrie wordt gebaseerd, kan de feitelijke prijs voor de individuele boseigenaar uiteenlopen, in het bijzonder op grond van de gekapte hoeveelheden en het tijdstip van de oogst. De boseigenaar mag de oogst zelf organiseren, maar de districtsonderneming kan ondersteuning bieden in de vorm van financiering van de machines, voorschotten voor toekomstige leveringen, zekerheden voor ondernemers, enz. Circa 40 % van de oogst wordt rechtstreeks door de districtsondernemingen georganiseerd. Het vervoer geschiedt grotendeels door transportfirma's en wordt betaald door de industriële afnemers. De districtsondernemingen nemen echter vaak de logistieke organisatie voor hun rekening en kunnen de industriële afnemers bij de keuze van een transporteur adviseren.

4.1.2. Andere aanbieders

(26) Veel eigenaren van grotere bossen zijn lid van de andere bond van boseigenaren, Norskog. Op dit moment heeft Norskog ongeveer 200 leden. Deze leden leveren circa 5-10 % van het totale aanbod van in Noorwegen geoogst rondhout. De leden zijn verplicht 50 % van hun geoogst hout via Norskog te verkopen. De prijzen en voorwaarden die Norskog met de industriële afnemers overeenkomt, stemmen gewoonlijk overeen met die van NSF. De provisie voor vezelhout is echter lager dan die van NSF.

(27) Statsskog is een overheidsbedrijf dat verantwoordelijk is voor de houtoogst in bossen die aan de staat en de kerk toebehoren, en voor de verkoop ervan. Het bedrijf vertegenwoordigt 5-10 % van het totale aanbod rondhout dat in Noorwegen wordt gekapt. Statsskog verkrijgt gewoonlijk ook dezelfde prijzen en condities als die welke NSF heeft bedongen, maar de provisie is iets lager dan bij de twee andere verenigingen.

(28) Ongeveer 68 000 overwegend zeer kleine boseigenaren zijn actief buiten de verenigingen van boseigenaren om. De meesten van hen oogsten echter op onregelmatige tijdstippen. Samen vertegenwoordigen zij circa 10 % van het totale aanbod rondhout dat in Noorwegen is gekapt. Zij verkopen rechtstreeks aan de industriële afnemers of door tussenkomst van onafhankelijke rondhouthandelaren. De meeste van deze handelaren zijn werkzaam in Østfold.

(29) Slechts circa 2 % van het aangeboden rondhout is afkomstig uit bossen die het eigendom zijn van de bosbouwindustrie.

4.2. De afnemers van rondhout in Noorwegen

4.2.1. Afnemers van zaaghout

(30) Er zijn ongeveer 600 zagerijen en schaverijen in Noorwegen. Circa 120 van hen zijn aangesloten bij de Trelastindustriens Landsforening (de Noorse Vereniging van zaagindustrieën, hierna "TL" te noemen). Zij vertegenwoordigen ongeveer 80 % van de totale productie gezaagd hout. TL houdt zich voornamelijk bezig met de verstrekking van informatie en advies aan haar leden en neemt niet deel aan de activiteiten van haar leden op de markt voor zaaghout. De aankopen worden door elke zagerij afzonderlijk verricht, of in geval van eigendomsvervlechtingen, door groepen zagerijen. Volgens NSF nemen de zes grootste groepen 50 % van de totale aankopen voor hun rekening.

4.2.2. Afnemers van vezelhout

(31) In 1993 waren 17 ondernemingen actief in de papier- en pulpindustrie. Alle afnemers van vezelhout zijn aangesloten bij de Treforedlingsindustriens Bransjeforening (de bedrijfstakorganisatie van de papier- en pulpindustrie, hierna "TFB" te noemen). TFB vertegenwoordigt de papier- en pulpindustrie van oudsher bij de vaststelling van de prijzen en de overige handelscondities voor vezelhout en spaanders. In het kader van TFB hebben de leden overeenstemming bereikt over een geografische verdeling van de markt, waarbij alle ondernemingen of groepen ondernemingen een geografisch gebied van de Noorse markt krijgen toegewezen waar zij hun vezelhout kunnen kopen. De Toezichthoudende Autoriteit heeft in een afzonderlijke zaak bezwaar gemaakt tegen deze overeenkomst (filenr. COM 020.0130 - TFB).

(32) Hoewel enkele kleinere papier- en pulpfabrieken individueel vezelhout kopen in hun respectieve geografische regio, verloopt 90 % van de aankopen via de twee inkooporganisaties van vezelhout in Noorwegen. Norsk Virke AS is een gezamenlijke inkooporganisatie die in handen is van Norske Skog AS (91 %) en Union (9 %) en die hoofdzakelijk in het westen en noorden van Noorwegen actief is. Zij koopt iets minder dan 60 % van de Noorse productie van vezelhout in. Østfoldtømmer ANS is de gezamenlijke inkooporganisatie voor Borregard Industries Limited, M. Peterson & Søn A/S en Norske Skog Saugbrugs AS en is actief in Østfold in het oosten van Noorwegen. Zij neemt meer dan 30 % van het aanbod van vezelhout in Noorwegen voor haar rekening. Norsk Virke en Østfoldtømmer moeten ervoor zorgen dat de grondstofbehoeften van de bij hen aangesloten eigenaren in hun respectieve geografische gebieden worden gedekt. Daartoe behoren ook spaanders uit de zagerijen en invoer.

4.3. De prijsstelling van rondhout

(33) Het rondhout wordt gewoonlijk volledig gezaagd vanaf de wegrand verkocht. De koper betaalt het vervoer vanaf de wegrand naar de fabriek, waar de eigenlijke meting wordt verricht. Normaliter onderhandelt de vereniging van boseigenaren met de koper over de prijs. Een basisbeginsel tijdens eerdere prijsonderhandelingen bestond erin ervoor te zorgen dat de prijs die de industrie voor dezelfde kwaliteit en onder gelijke omstandigheden betaalt, in heel Noorwegen dezelfde is. De reden van dit beginsel is dat alle voorzieningsbronnen in Noorwegen moeten worden gebruikt, ongeacht de locatie. Dit beginsel veronderstelt de aanvaarding van aanpassingsmaatregelen om benadeelde locaties te compenseren.

(34) Het rondhout wordt als zaaghout of als vezelhout verkocht. In het algemeen lijkt de feitelijke prijsstelling van zaaghout, waarbij rekening wordt gehouden met plaatselijke verschillen in vraag en aanbod, flexibeler te zijn dan die bij vezelhout.

(35) Tot het midden van de jaren tachtig werd de prijs voor zaaghout vastgesteld in centrale onderhandelingen tussen NSF en TL, die ongeveer 80 % van de productie van Noorse zagerijen vertegenwoordigen. Daarna werden deze onderhandelingen gedecentraliseerd en thans worden de prijzen grotendeels vastgesteld in onderhandelingen tussen de individuele aanbieder (een districtsonderneming of een andere verkoper) en de individuele koper (een individuele zagerij of, in het geval van eigendomsvervlechtingen, een groep zagerijen). Een beperkt gedeelte van het hout wordt op een soort veiling aan de hoogste bieder verkocht. Sedert de afschaffing van de centrale prijsonderhandelingen heeft TL niet langer het recht namens haar leden over de prijzen te onderhandelen.

(36) Tot 1994 werden de basisprijs voor vezelhout en de overige verkoopvoorwaarden, inclusief provisiepercentages, vastgesteld in centrale onderhandelingen tussen NSF en TFB voor de duur van één jaar. Binnen dit kader onderhandelden de districtsonderneming en de individuele industriële afnemer over eventuele prijsaanpassingen, op basis van plaatselijke vereisten zoals leveringstermijn, alsook kwaliteit en kwantiteit. Met uitzondering van de hoogte van de provisie werden aankopers buiten NSF gewoonlijk dezelfde prijzen en voorwaarden aangeboden.

(37) Tegen de achtergrond van een grotere vraag naar vezelhout, in combinatie met een betrekkelijk geringe oogst in Noorwegen en de daarmee verband houdende historische recordinvoer, werd in 1994 besloten voor 1995 regionale prijsonderhandelingen te voeren. Te dien einde werden drie regio's gecreëerd. In elke regio werden de onderhandelingen gezamenlijk gevoerd door de districtsondernemingen in de desbetreffende regio enerzijds, en de industriële afnemers in de betrokken regio anderzijds. Als basis voor de onderhandelingen van de districtsondernemingen stelde NSF richtsnoeren vast waarin onder andere werd bepaald dat de prijs niet mag verschillen naar gelang van de afstand tot de industrie, en dat de onderhandelingen moeten worden gecoördineerd. De uiteindelijke basisprijzen en -voorwaarden waren - in beginsel - in de drie regio's dezelfde.

(38) De prijsonderhandelingen voor 1996 werden verder gedecentraliseerd, in die zin dat zij met elke individuele koper werden gevoerd. Met andere woorden, indien een individuele koper zaken deed in diverse districten, onderhandelden de betrokken districtsondernemingen gezamenlijk. Was een koper daarentegen maar in één district actief, dan voerden de betrokken districtsonderneming de onderhandelingen individueel. Bijgevolg verschilden de prijzen en voorwaarden voor het vezelhout tussen de districten.

4.4. Internationale handel

(39) De grensoverschrijdende handel in rondhout wordt belemmerd door factoren zoals betrekkelijk hoge transportkosten, beschikbaarheid van de gevraagde soorten en kwaliteiten, oogstdatum van het hout, verschillende metingsmethoden en uiteenlopende nationale regelingen (bijvoorbeeld ontschorsing). Desondank neemt de internationale handel toe. Eén van de redenen hiervoor is het toegenomen gebruik van snelgroeiende en dus goedkopere houtsoorten uit landen die in het bijzonder op het zuidelijk halfrond liggen, voor de vervaardiging van verschillende soorten houtproducten waarvoor in het verleden houtsoorten uit het Noorden benodigd waren. De toegenomen beschikbaarheid van betrekkelijk goedkoop dennenhout uit Rusland en de Baltische staten hebben tevens tot een intensievere handel in Noord-Europa geleid. Bovendien heeft het gebruik van kringlooppapier geleid tot een vermindering van de capaciteitsproblemen door het plaatselijke of regionale aanbod van rondhout. In Noorwegen lijkt de invoer toe te nemen, terwijl de uitvoer betrekkelijk stabiel is of afneemt. Sinds 1994 is sprake van een aanzienlijk uitvoeroverschot van rondhout en houtspaanders.

Figuur 3 Uitvoer en invoer van zaaghout (1 000 m³) (21)

>REFERENTIE NAAR EEN FILM>

(40) Het totale binnenlandse gebruik van zaaghout kan op 4,5 tot 5 miljoen m³ worden geraamd. Het invoerniveau schommelt tussen de 5 en 10 % van het binnenlandse aanbod. Gewoonlijk komt circa 90 % of ongeveer 250 tot 300 000 m³ van de invoer uit Zweden, grotendeels uit de grensregio's. In 1994 bestond een algemeen tekort aan rondhout in Noorwegen en nam de import van zaaghout met 50 % toe. Een groot gedeelte van deze extra invoer kwam uit Rusland en de Baltische staten. Uit cijfers van NSF blijkt dat in 1995 80 000 m³ extra werd ingevoerd op een totale invoer van 550 000 m³. Volgens vertegenwoordigers van de zagerijen wordt een aanzienlijke verhoging van de invoer bemoeilijkt door de hoge kwaliteitseisen en de hoge transportkosten.

(41) In het algemeen blijft de uitvoer van zaaghout om vergelijkbare redenen beperkt tot de aangrenzende markten. De totale uitvoer beloopt gewoonlijk 100 tot 200 000 m³ of maximaal 5 % van het binnenlandse aanbod. Met uitzondering van 1993 toen een belangrijke exportorder naar Turkije werd uitgevoerd in verband met ernstige stormschade, is Zweden veruit het belangrijkste land van bestemming voor deze uitvoer.

Figuur 4 Uitvoer en invoer van vezelhout (1 000 m³) (22)

>REFERENTIE NAAR EEN FILM>

(42) In het verleden voorzag de invoer van vezelhout in ongeveer 10 % van de industriële behoeften. In 1994 en 1995 werd echter circa 30 % ingevoerd. Noorwegen heeft grote mogelijkheden voor de invoer van vezelhout omdat de Noorse papier- en pulpindustrie toegang heeft tot havens en in staat is grote hoeveelheden ineens af te nemen. Hierdoor kunnen de vervoerkosten per eenheid, die het grootste obstakel voor de handel vormen, laag worden gehouden. Er is een mogelijkheid om vezelhout op internationale spotmarkten te kopen, maar de meeste invoer geschiedt op basis van contracten voor de duur van een heel jaar. Het ingevoerde vezelhout is grotendeels afkomstig uit Zweden, maar er wordt ook veel geïmporteerd uit Rusland, de Baltische staten, Duitsland en - voorzover het snelgroeiende variëteiten betreft - uit Zuid-Amerika en Afrika.

(43) De uitvoer van vezelhout lijkt beperkt te zijn, wat onder meer wordt veroorzaakt door de geografische en topografische omstandigheden in Noorwegen, waardoor de oogst- en transportkosten stijgen, alsook door de betrekkelijk hoge productiekosten en een eigenarenbestand dat is samengesteld uit kleine en geografisch zeer verspreide individuele boseigenaren. Desondanks wordt een zekere hoeveelheid vezelhout naar de buurlanden uitgevoerd, voornamelijk Zweden. Deze uitvoer bedraagt ongeveer 300 tot 500 000 m³.

(44) Volgens NSF volgen de prijsontwikkelingen van vezelhout internationaal dezelfde trends, tenminste in Scandinavië, Duitsland en Frankrijk. Anderzijds blijken volgens de officiële statistieken (23) grote absolute prijsverschillen tussen Noorwegen en de andere landen te bestaan voor vezelhout en - in nog sterkere mate - voor zaaghout. Uit de statistieken van NSF komt naar voren dat de prijsverschillen relatief geringer zijn tussen Noorwegen en de overige Noordse landen en dat deze in de laatste vijf jaar voor bepaalde soorten vezelhout en zaaghout normaliter tussen de 5 en 25 % lagen. Vergelijkingen met betrekking tot de relatieve prijsontwikkeling of het absolute prijsniveau tussen verschillende landen zijn echter bijzonder moeilijk, onder meer door verschillen in de relatieve aandelen van de diverse soorten en kwaliteiten rondhout, valutaschommelingen, leveringsvoorwaarden (bijvoorbeeld prijs vanaf wegrand, cif, op stam), nationale meetsystemen, lokale prijsverschillen in de diverse landen en de beschikbaarheid van betrouwbare prijsstatistieken. Met het oog hierop is het onmogelijk om op basis van de beschikbare informatie eindconclusies op te stellen over de prijsniveaus en de prijsontwikkeling in Noorwegen in vergelijking met die in andere landen.

(45) De verschillende houtproducten die met vezelhout of zaaghout zijn gemaakt, worden grotendeels uitgevoerd. Binnen de EER is sprake van een omvangrijke handel in deze producten. In 1994 beliep de uitvoer van papier en karton uit Noorwegen naar andere EVA-landen 5,9 miljard Nkr. (24). De prijzen voor veel van deze eindproducten of halffabrikaten op basis van hout lijken op internationaal niveau te worden vastgesteld.

DEEL II

JURIDISCHE BEOORDELING

(46) Naar aanleiding van de mededeling van punten van bezwaar heeft NSF tijdens vergaderingen met vertegenwoordigers van de Toezichthoudende Autoriteit en in schriftelijke bijdragen de aandacht gevestigd op een aantal mogelijke amendementen op de statuten van NSF, de districtsondernemingen en de plaatselijke groepen, teneinde een oplossing te vinden op basis waarvan de Autoriteit in de betrokken zaak tot een positief oordeel kan komen. De Autoriteit heeft deze mogelijke amendementen overwogen en becommentarieerd.

(47) Hoewel de voorgestelde amendementen de concurrentiebeperkingen die in de mededeling van punten van bezwaar zijn vastgesteld, voor een belangrijk deel zouden opheffen, heeft de Autoriteit niettemin het standpunt ingenomen dat de resterende beperkingen van dien aard zijn dat zij een positieve beslissing in deze zaak in de weg staan. Bovendien zijn geen feitelijke wijzigingen in de statuten aangebracht of aan de Autoriteit meegedeeld.

(48) Daarom moeten in het onderhavige geval de volgende zaken nog worden beoordeeld: het verzoek om een negatieve verklaring of om buitentoepassingverklaring van artikel 53 van de EER-Overeenkomst voor de aangemelde statuten, dat wil zeggen die waarnaar in overweging 1, punten 1 tot en met 3, wordt verwezen.

1. Artikel 53, lid 1

(49) Volgens artikel 53, lid 1, van de EER-Overeenkomst zijn onverenigbaar met de werking van deze Overeenkomst alle overeenkomsten tussen ondernemingen, alle besluiten van ondernemersverenigingen en alle onderling afgestemde feitelijke gedragingen welke de handel tussen de overeenkomstsluitende partijen ongunstig kunnen beïnvloeden en ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging op het door deze Overeenkomst bestreken grondgebied wordt verhinderd, beperkt of vervalst.

1.1. Algemene toepasselijkheid van artikel 53, lid 1, op de aangemelde overeenkomsten

(50) Uit artikel 8, lid 3, onder a), volgt dat de bepalingen van de EER-Overeenkomst van toepassing zijn op rondhout. Daarom zijn de mededingingsregels in de EER-Overeenkomst van toepassing op de aangemelde overeenkomsten.

(51) De term "onderneming" in artikel 53, lid 1, doelt op elke natuurlijke of rechtspersoon die een economische activiteit uitoefent. De boseigenaren die lid zijn van NSF, zijn natuurlijke of rechtspersonen die commerciële activiteiten uitoefenen en die bijgevolg worden beschouwd als ondernemingen in de zin van artikel 53, lid 1. NSF, de districtsondernemingen en de plaatselijke groepen zijn dus ondernemersverenigingen, alsook zelfstandige ondernemingen, in dier voege dat zij commerciële activiteiten verrichten. Dientengevolge moeten de gewijzigde statuten van NSF, de districtsondernemingen en de plaatselijke groepen worden beschouwd als overeenkomsten tussen ondernemingen of besluiten van de ondernemersvereniging.

1.2. De relevante markt

1.2.1. De goederenmarkt/productmarkt

(52) Het rondhout dat via het NSF-systeem wordt verhandeld, wordt als vezelhout en zaaghout afgezet. Bij de vaststelling van de relevante productmarkt dient niet alleen rekening te worden gehouden met de objectieve kenmerken en het voorgenomen gebruik van de betrokken producten, maar tevens met de mededingingsvoorwaarden die voor deze producten gelden.

(53) Er bestaat een duidelijk kwaliteitsverschil tussen vezelhout en zaaghout, dat zowel tot uitdrukking komt in de fysieke kenmerken van het hout als in de prijs. Het gebruiksdoel is voor beide producten verschillend. Bovendien zijn de mededingingsvoorwaarden met betrekking tot de handel in deze twee producten duidelijk verschillend, hetgeen het geval is van verschillen in onder meer de concentratie aan koperszijde, de omvang van de invoer en de coördinatie van de prijsstelling. Hoewel er sprake kan zijn van enige overlapping, afhankelijk van de desbetreffende prijzen en de kwalitatieve behoeften van de koper op een gegeven tijdstip, kan dus worden gesteld dat zaaghout en vezelhout tot twee verschillende markten behoren. Deze conclusie wordt verder ondersteund door het feit dat de belangrijkste deelnemers aan de handel in rondhout, waaronder NSF, een onderscheid maken tussen de markt voor zaaghout en de markt voor vezelhout.

(54) Daarnaast moet tevens worden overwogen of de markten voor vezelhout en zaaghout verder moeten worden uitgesplitst. Verschillende soorten of kwaliteiten vezelhout en zaaghout zijn gewoonlijk niet onderling uitwisselbaar voor de eindgebruikers, enerzijds in verband met prijsverschillen en anderzijds wegens technische vereisten. Desondanks zijn enkele belangrijke handelsvoorwaarden, zoals transportafspraken en metingseisen, op deze twee markten dezelfde. Bovendien zijn de kopers en verkopers die de prijzen en de andere commerciële handelsvoorwaarden vaststellen, grotendeels dezelfde op respectievelijk de vezelhoutmarkt en de zaaghoutmarkt. Voor beoordeling van de gevolgen van de onderhavige overeenkomsten voor de mededinging is het dus voldoende naar één vezelhoutmarkt en één zaaghoutmarkt te verwijzen.

(55) Ten slotte moet worden overwogen of er nevenproducten zijn die in de betrokken markten zouden moeten worden ondergebracht. In dit verband heeft NSF aangevoerd dat vezelhout en houtspaanders tot dezelfde markt behoren. Ofschoon vezelhout en houtspaanders in fysiek opzicht grotendeels onderling uitwisselbaar zijn voor de industriële gebruiker, blijkt uit diverse factoren echter dat de mededingingsvoorwaarden voor de twee producten verschillend zijn. Houtspaanders zijn bijproducten van zagerijen, afkomstig uit de verwerking van zaaghout, en de geproduceerde hoeveelheden zijn afhankelijk van de vraag naar de eindproducten van deze zagerijen en niet zozeer van de industriële vraag naar houtspaanders en vezelhout. Deze inflexibiliteit van het aanbod wordt nog vergroot door problemen met de langetermijnopslag, omdat houtspaanders verhoudingsgewijs meer ruimte in beslag nemen dan rondhout en de kwaliteit ervan sneller vermindert dan bij rondhout het geval is. Daar er blijkbaar weinig andere, economisch levensvatbare gebruiksmogelijkheden voor houtspaanders zijn, zou dit betekenen dat de zagerijen een relatief zwakkere positie ten opzichte van de kopers innemen dan de aanbieders van vezelhout. Deze verschillen met betrekking tot de mededingingsvoorwaarden tussen de twee producten zijn zodanig dat houtspaanders bij de beoordeling van de onderhavige overeenkomst niet in de betrokken vezelhoutmarkt dienen te worden opgenomen.

(56) Deze conclusie wordt niet gewijzigd door het feit dat er een verband bestaat tussen de prijsstelling van houtspaanders en de prijs van vezelhout, in die zin dat de waarde van houtspaanders voor de papier- en pulpindustrie toeneemt, wanneer de prijs van vezelhout stijgt. De bereidheid van de papier- en pulpindustrie om een hogere prijs voor de houtspaanders te betalen, zou bijgevolg groter moeten worden. De eindprijs voor de houtspaanders lijkt echter meer afhankelijk te zijn van het onderhandelingsvermogen van de betrokken zagerij en de papier- en pulpindustrie, en niet zozeer van de prijs van vezelhout. Omgekeerd zijn de voorwaarden met betrekking tot de handel in houtspaanders niet van wezenlijke invloed op de prijsstelling en de overige handelsvoorwaarden voor vezelhout.

1.2.2. De geografische markt

(57) Het uitgangspunt voor de vaststelling van de relevante geografische markt is het geografische gebied waarin de onderzochte overeenkomsten van toepassing zijn. In het onderhavige geval is dit Noorwegen. Dit gebied kan evenwel worden uitgebreid indien de objectieve mededingingsvoorwaarden die voor de betrokken producten gelden, dezelfde zijn voor alle handelaren in een groter geografisch gebied.

(58) NSF is van mening dat de relevante geografische markt voor zowel vezelhout als zaaghout Europa is, of ten minste Noord-Europa, inclusief Rusland en de Baltische staten. De belangrijkste motieven voor dit standpunt zijn de omvangrijke handel in rondhout, met name in vezelhout, en het feit dat de relatieve prijsontwikkelingen internationaal volgens hetzelfde patroon verlopen.

(59) Met betrekking tot beide producten moeten twee algemene opmerkingen worden gemaakt. In de eerste plaats is het niet verbazingwekkend dat de relatieve prijsontwikkelingen voor rondhout in de meeste landen over de hele wereld vergelijkbaar zijn. Dit ligt voor de hand omdat de mogelijkheid van de industriële afnemers om voor het rondhout te betalen, verband houdt met de prijsontwikkelingen van internationaal verhandelde producten, zoals papier, pulp en andere eindproducten en halffabrikaten van hout, waarvan de prijzen grotendeels op het internationale vlak worden vastgesteld. Dit is echter niet noodzakelijkerwijs een teken dat wijst op het bestaan van internationale markten voor vezelhout en zaaghout. Integendeel, de absolute prijzen in de diverse landen lijken sterk uiteen te lopen, hetgeen eerder op het bestaan van nationale markten duidt.

(60) In de tweede plaats zijn de transportkosten voor rondhout betrekkelijk hoog; gemiddeld worden zij op 25 % van de totale kosten voor de eindgebruiker geraamd. Bijgevolg wordt getracht rondhout over de kortst mogelijke afstand te vervoeren, met andere woorden het aan de dichtstbijzijnde industrie te verkopen. Dit duidt op het bestaan van regionale op zelfs plaatselijke markten. Daarentegen lijken de afzetprocedures, zoals distributie, verkoop en meetsystemen, grotendeels op nationaal niveau te zijn georganiseerd.

(61) Met betrekking tot zaaghout is de omvang van de Noorse in- en uitvoer betrekkelijk laag (zie het bovenstaande punt 4.4). In verband met hoge kwaliteitseisen is het moeilijk en kostbaar om zaaghout over grote afstanden te transporteren, in het bijzonder wanneer het hout onderweg moet worden overgeladen. Bovendien liggen de Noorse zagerijen in het algemeen in het binnenland, waardoor de kosten van invoer over zee onoverkomelijk hoog zouden zijn. Invoer is dus zelden een realistisch alternatief voor de bevoorrading van de binnenlandse markt. Het hout dat wel wordt ingevoerd, is grotendeels afkomstig uit Zweden en bestemd voor zagerijen in de grensregio. Tegelijkertijd is uitvoer voor de leveranciers normaliter geen reëel alternatief. Hoge transportkosten maken export voor de meeste boseigenaren onmogelijk, behalve wanneer zij in een grensregio met Zweden of in de buurt van een haven zijn gevestigd. Bovendien zijn de individuele boseigenaren in het algemeen te klein om de afzet, de aanpassing aan de verschillende meetstelsels en het transport zelf te organiseren. De beschikbare verkooporganisaties, inclusief de districtsondernemingen van NSF, ontplooien in dit verband slechts geringe activiteiten.

(62) Uit deze belemmeringen voor de handel blijkt, in combinatie met de algemene kenmerken van de markt voor zaaghout in termen van prijsstelling, distributie en inkoop, dat de mededingingsvoorwaarden niet homogeen genoeg zijn om een gebied dat groter is dan Noorwegen, eventueel inclusief de grensregio's in Zweden, als één markt te kunnen beschouwen. Het aanbod uit deze Zweedse regio's is echter relatief beperkt en beloopt ten hoogste circa 5 % van de totale binnenlandse toevoer, en de uitvoer naar deze regio's is nog geringer. Bijgevolg zou de toevoeging van de Zweedse grensregio's niet van invloed zijn op de beoordeling van de meegedeelde overeenkomsten op de markt. Het is dus voldoende Noorwegen als de relevante referentiemarkt voor zaaghout te beschouwen.

(63) Vezelhout is in het algemeen gemakkelijker in te voeren, hoewel de relatieve waarde per volume-eenheid nog lager is dan voor zaaghout. De invoer maakt maximaal 30 % van het totale aanbod uit. De Noorse kopers zijn groot genoeg om grote hoeveelheden te kopen, bijvoorbeeld een scheepslading, en kunnen de transportkosten dus laag houden. Bovendien hebben zij toegang tot de havens. De transportkosten van vezelhout uit de grensregio's in Zweden, die veruit de grootste leverancier van het ingevoerde hout is, zijn voor industrieën die in die grensregio zijn gevestigd, niet per se hoger dan die voor het transport van binnenlandse grondstoffen. Desondanks wordt deze invoer beperkt door de transportkosten en de beschikbaarheid van bijzondere houtkwaliteiten op een bepaald tijdstip.

(64) De verkopers worden echter met dezelfde problemen geconfronteerd als bij de uitvoer van zaaghout. Hoge transportkosten in verhouding tot de waarde van het hout en het gebrek aan internationale handelsorganisaties maken uitvoer voor nagenoeg alle boseigenaren onmogelijk, met uitzondering van die welke in grensregio's of in de nabijheid van havens zijn gevestigd. Als gevolg daarvan is het uitvoerniveau betrekkelijk laag.

(65) De algemene kenmerken van de huidige marktvoorwaarden, inclusief de prijzen die worden vastgesteld door middel van onderhandelingen tussen binnenlandse kopers en verkopers, alsook de distributie- en verkoopsystemen, die op binnenlands niveau worden georganiseerd, duiden alle op een nationale markt. Tegelijkertijd blijkt uit de betrekkelijk omvangrijke invoer dat vezelhout uit Noorwegen en buitenlands vezelhout dat grotendeels afkomstig is uit Zweden, Rusland en de Baltische staten aan de vraagzijde, tot op zekere hoogte uitwisselbaar is. Het staat buiten kijf dat de prijzen die de afnemers voor de invoer uit deze landen weten te bemachtigen, een belangrijk element kunnen vormen in de prijsonderhandelingen tussen afnemers en aanbieders in Noorwegen. Dit zou tot op zekere hoogte van invloed kunnen zijn op de relatieve onderhandelingskracht van de marktdeelnemers en zou derhalve in overweging moeten worden genomen bij de beoordeling van de feitelijke machtspositie van deze marktdeelnemers. De betrekkelijk omvangrijke invoer is op zichzelf echter niet voldoende om te concluderen dat Noorwegen en de belangrijkste uitvoerlanden tot dezelfde markt behoren. Integendeel, het lijkt er veelmeer op dat de prijs en de overige handelsvoorwaarden, die de belangrijkste elementen voor de afbakening van een markt vormen, op grond van de algemene marktvoorwaarden en de bovengenoemde handelsbelemmeringen in de eerste plaats door binnenlandse factoren worden bepaald.

(66) Gelet op het bovenstaande moet worden geconcludeerd dat de objectieve mededingingsvoorwaarden in een gebied dat groter is dan Noorwegen en eventueel enkele Zweedse regio's vlak bij de Noorse grens, thans niet voldoende homogeen zijn om als één geografische markt te kunnen worden beschouwd. Aangezien een toevoeging van de zweedse grensregio's niet van invloed zou zijn op de beoordeling van het onderhavige geval, is het dus voldoende Noorwegen als de betrokken geografische markt voor vezelhout te beschouwen.

1.3. Beperkingen van de mededinging

(67) De statuten van NSF, van zijn districtsondernemingen en zijn plaatselijke groepen bevatten clausules die betrekking hebben op de centrale coördinatie van de handelsvoorwaarden voor de verkoop van rondhout, alsook voor de controle op het handelsgedrag van de delen op districtsniveau. Er zijn in het bijzonder clausules op grond waarvan:

- NSF het recht krijgt om namens zijn leden over prijzen en structuurquota te onderhandelen en deze quota over de leden of de districtsondernemingen te verdelen;

- NSF of de districtsonderneming het recht krijgen marktordeningen aan hun leden op te leggen, zoals de beperking of de stopzetting van de rondhoutproductie of de harmonisering van de prijzen;

- de leden verplicht zijn hun volledige houtoogst aan de districtsonderneming in hun respectieve geografische gebied te verkopen.

(68) De Autoriteit erkent dat alleen al het aantal individuele boseigenaren, de in grote delen van Noorwegen heersende geografische en topografische omstandigheden, alsook de betrekkelijk geconcentreerde afnemerskant enige coördinatie aan de aanbodzijde noodzakelijk maken, teneinde de werking van de Noorse markten voor rondhout te waarborgen. De opzet van een coöperatieve structuur en de coördinatie van het op de markt brengen van de oogst van de leden op districtsniveau, voorzover andere afzetmarkten niet dezelfde functie kunnen vervullen, zouden dus niet noodzakelijkerwijs de mededinging beperken. Evenmin zouden de algemene diensten die uit hoofde van het NSF-systeem worden verstrekt, zoals advisering van de bosbouwsector, ondersteuning bij de oogst en uitwisseling van marktstatistieken in de regel dergelijke gevolgen hebben.

(69) De aangemelde clausules gaan echter veel verder. De clausules inzake het recht van NSF om namens zijn leden te onderhandelen, stellen NSF in staat prijzen en andere contractuele voorwaarden vast te stellen, wat uitdrukkelijk wordt verboden in artikel 53, lid 1, onder a). Door de marktordeningsclausules kunnen NSF en de districtsondernemingen de productie beperken, wat op grond van artikel 53, lid 1, onder b), uitdrukkelijk is verboden. Ten slotte bevat de exclusieveverkoopverplichting een overeenkomst tot geografische verdeling van de markt, hetgeen uitdrukkelijk wordt verboden in artikel 53, lid 1, onder c). De individuele NSF-leden, alsook de districtsondernemingen zijn potentiële concurrenten op de markten voor rondhout. Al deze clausules hebben tot gevolg dat de concurrentiemogelijkheden binnen het NSF-systeem ernstig worden beperkt. Zij beperken de commerciële vrijheid van NSF-leden, niet alleen wanneer de prijzen op centraal niveau worden vastgesteld of gecoördineerd of wanneer marktregulerende maatregelen worden opgelegd, maar ook omdat de exclusieveverkoopverplichting de leden de mogelijkheid ontneemt om gebruik te maken van afzetkanalen buiten het NSF-systeem om. Dit laatste heeft ook tot gevolg dat alternatieve afzetkanalen geen toegang hebben tot het rondhout dat door NSF-leden wordt geproduceerd, die ongeveer 75 % van het totale binnenlandse aanbod voor hun rekening nemen. Dit belemmert hun mogelijkheden om doeltreffend te concurreren.

(70) Men zou kunnen beweren dat onder uitzonderlijke economische omstandigheden zelfs dergelijke clausules, ondanks de bovengenoemde beperkingen, de mededinging in het algemeen bevorderen en dus buiten de werkingssfeer van artikel 53, lid 1, vallen. In dit verband heeft NSF met nadruk gewezen op de concentratie aan koperszijde. De markt voor zaaghout, die ongeveer tweederde van de waarde van de handel in rondhout vertegenwoordigt, bestaat evenwel uit circa 600 zagerijen die hun aankopen individueel of door middel van ten minste zes grote groeperingen verrichten. Deze marktstructuur zou niet duiden op een uitzonderlijke verstoring van het evenwicht ten voordele van de kopers van zaaghout. De markt voor vezelhout wordt door twee inkoopcombinaties gedomineerd. Desondanks kan niet staande worden gehouden dat de enkele aanwezigheid van deze twee inkoopcombinaties een zo ernstige marktdistorsie oplevert dat de mededinging tussen de aanbieders bijna volledig moet worden uitgesloten om de werking van de markt voor vezelhout te waarborgen. Dientengevolge wijzen de structuren van de markt voor zaaghout en die voor vezelhout niet op het bestaan van zodanige uitzonderlijke economische omstandigheden dat het NSF-systeem en de te onderzoeken clausules buiten de werkingssfeer van artikel 53, lid 1, zouden vallen.

(71) Met betrekking tot de exclusieveverkoopverplichting heeft NSF betoogd dat deze geen beperking van de mededinging in de zin van artikel 53, lid 1, inhoudt, omdat de samenwerking tussen de boseigenaren op zichzelf gerechtvaardigd is en omdat deze verplichting noodzakelijk is om de juiste werking van het NSF-systeem en de sterke onderhandelingspositie van de boseigenaren te waarborgen. Ter ondersteuning van dit standpunt heeft NSF verwezen naar de uitspraken van het Europees Hof van Justitie in de zaken Coberco (25) en DLG (26). In deze arresten onderzocht het Hof of bepaalde beperkingen, die noodzakelijk werden geacht om de goede werking van de betrokken coöperatieve structuren te waarborgen, verenigbaar waren met artikel 85, lid 1, van het Verdrag van Rome.

(72) Op dit punt merkt de Autoriteit in de eerste plaats op dat de argumentatie van NSF schijnbaar uitsluitend betrekking heeft op de exclusieveverkoopverplichting. Daarom en tevens omdat er nog andere clausules zijn die de mededinging in de zin van artikel 53, lid 1, beperken, zouden de aangemelde overeenkomsten op grond van die bepaling verboden zijn, ook al zou de redenering van NSF met betrekking tot de exclusieveverkoopverplichting aanvaardbaar zijn.

(73) Afgezien van dat feit is het standpunt dat NSF op dit punt inneemt, naar het oordeel van de Toezichthoudende Autoriteit gebaseerd op een onjuiste interpretatie van de aangehaalde jurisprudentie. Het is namelijk vaste rechtspraak - en het blijkt tevens duidelijk uit de twee zaken waarnaar NSF verwijst - dat alvorens men zich afvraagt of een restrictieve clausule voor de juiste werking van een overeenkomst noodzakelijk is, eerst moet worden vastgesteld dat de overeenkomst op zichzelf niet van dien aard is dat zij valt onder artikel 53, lid (27). Bij de beantwoording van deze vraag, is het onvoldoende om de beleidsdoelstellingen die de partijen bij de overeenkomst nastreven, en de vorm of de algemene organisatorische structuur van de beoogde samenwerking om deze doelstellingen te verwezenlijken, afzonderlijk te beschouwen. Integendeel, de werkelijke aard van de samenwerking dient te worden onderzocht in het licht van - onder andere - de economische context waarin zij moet plaatsvinden en de structuur van de betrokken markt (28).

(74) Bijgevolg is het voor de onderbouwing van het oordeel dat het NSF-systeem als zodanig buiten het toepassingsgebied van artikel 53, lid 1, valt, onvoldoende om samenwerking tussen boseigenaren gerechtvaardigd te achten en een coöperatieve structuur als een legitieme vorm voor een dergelijke samenwerking te beschouwen. De relevante vraag is veelmeer of - gegeven de economische omstandigheden op de markt en gelet op de aard en de omvang van de in de betrokken bepalingen voorziene beperking van hun handelsvrijheid - samenwerking tussen boseigenaren die 75 % van het binnenlandse aanbod van rondhout voor hun rekening nemen, van dien aard moet worden geacht dat zij onder het verbod van artikel 53, lid 1, valt. Enkel wanneer deze vraag ontkennend wordt beantwoord, worden de kwesties die NSF op dit punt heeft opgeworpen, relevant. Zoals reeds uit het voorafgaande zou moeten volgen, moet de vraag naar het oordeel van de Autoriteit bevestigend worden beantwoord, in het bijzonder gelet op de sterke positie die het NSF-systeem op de Noorse markten voor rondhout inneemt en de aard en de omvang van de beperkingen.

(75) Hoewel uit het voorafgaande volgt dat de vraag of de exclusieveverkoopverplichting noodzakelijk is voor de juiste werking van het NSF-systeem, niet van belang is in de huidige context, wordt erop gewezen dat de Autoriteit in de onderstaande bespreking van het verzoek om buitentoepassingverklaring als bedoeld in artikel 53, lid 3, het standpunt inneemt dat de verplichting niet noodzakelijk is om de verwezenlijking van de nagestreefde doelstellingen te waarborgen. Dientengevolge zou de argumentatie van NSF, ook al gaat men ervan uit dat zij in de huidige context in beginsel geldig is, naar het oordeel van de Autoriteit in de onderhavige zaak niettemin moeten worden verworpen.

(76) Ten slotte wordt er met betrekking tot het merkbare karakter van de beperkingen op gewezen dat de aangemelde overeenkomsten clausules bevatten inzake bepaling van de prijzen, verdeling van de markt en beperking van de productie, die strijdig zijn met de fundamentele beginselen van de EER-mededingingsregels. Bovendien vertegenwoordigt het NSF-systeem ongeveer 75 % van het geoogste rondhout in Noorwegen, hetgeen overeenkomt met een waarde van ongeveer 2 miljard Nkr. per jaar. In termen van marktaandeel heeft NSF een collectief aandeel in de markt voor zaaghout van ongeveer 70 % - inclusief invoer - en van ongeveer 60 % in de markt voor vezelhout. Met het oog hierop dienen de aangemelde overeenkomsten als merkbare concurrentiebeperkingen te worden beschouwd.

1.4. Gevolgen voor de handel

(77) Voor de toepassing van artikel 53, lid 1, moet worden vastgesteld dat de overeenkomsten een merkbaar effect hebben op de handel tussen de overeenkomstsluitende partijen bij de EER-Overeenkomst.

(78) De aangemelde overeenkomsten kunnen directe gevolgen voor de uitvoer van rondhout hebben, omdat de beperking van de uitvoer, de beïnvloeding van de binnenlandse prijzen of van andere contractuele handelsvoorwaarden en de uitsluiting van verkopen van rondhout aan een andere partij dan de districtsonderneming, van invloed kunnen zijn op de uitvoerbereidheid of de uitvoermogelijkheden van de NSF-leden. Zoals algemeen erkend wordt, is de uitvoer uit Noorwegen betrekkelijk gering (niet meer dan circa 5 % van de totale oogst) en in beginsel beperkt tot de grensregio's met Zweden en bepaalde kustgebieden met een directe toegang tot havens, zodat deze gevolgen slechts van beperkte omvang zijn.

(79) Volgens de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (29) kan de vaststelling van een prijs voor een halffabrikaat dat gewoonlijk niet uit de betrokken regio wordt uitgevoerd, evenwel de handel tussen lidstaten ongunstig beïnvloeden, voorzover dat product de grondstof vormt voor een ander product dat elders in de Gemeenschap op de markt wordt gebracht. In het onderhavige geval bieden de aangemelde overeenkomsten NSF en zijn districtsondernemingen de mogelijkheid de prijs en andere handelsvoorwaarden van vezelhout en zaaghout te beïnvloeden. Vezelhout en zaaghout zijn halffabrikaten die als belangrijkste grondstof voor belangrijke exportproducten van Noorwegen dienen, zoals papier, pulp en gezaagd hout. Bijgevolg kunnen de aangemelde overeenkomsten de handelsstroom van de afgeleide producten in de EER ongunstig beïnvloeden.

(80) De aangemelde overeenkomsten kunnen ook gevolgen hebben voor de invoer van rondhout. Omdat NSF en de districtsondernemingen de prijzen en de beschikbaarheid van rondhout voor de industriële afnemers in Noorwegen kunnen beïnvloeden, heeft dit rechtstreekse gevolgen voor de behoeften van de industrie om rondhout in te voeren voor haar productie van afgeleide producten. Het feit dat de beschikbaarheid van binnenlands vezelhout gevolgen heeft voor de invoer kan worden geïllustreerd aan de hand van de situatie in 1994, toen de oogst en dus de beschikbaarheid van binnenlands vezelhout beperkt was en de invoer in één jaar meer dan verdubbelde.

(81) De Autoriteit heeft in haar zogenaamde "de minimis" bekendmaking (30) algemene richtsnoeren verstrekt om vast te stellen, wanneer zij dergelijke gevolgen of potentiële gevolgen voor de handel merkbaar acht. Zoals reeds eerder is opgemerkt (zie het bovenstaande punt 1.2.2.) is de Autoriteit van oordeel dat Noorwegen een afzonderlijk marktgebied voor de betrokken producten vormt. Aangezien de aangemelde overeenkomsten dit marktgebied en een aanzienlijk gedeelte van de betrokken producten bestrijken, zouden de betrokken marktaandelen de in de bekendmaking genoemde 5 % duidelijk overschrijden. Zelfs wanneer de meest ruime, door NSF voorgestelde definiëring van de betrokken markt wordt aanvaard, en het marktaandeel van het NSF-systeem bijgevolg onder de 5 % zou dalen, zou de in de bekendmaking genoemde omzetdrempel van 300 miljoen ecu echter nog worden overschreden. NSF wijst erop dat de omzet van de individuele boseigenaren grotendeels uit andere activiteiten dan de handel in rondhout voortvloeit, en dat de districtsondernemingen een reeks van ondersteunende diensten verrichten. Op basis van de omzet in rondhout afkomstig uit het NSF-systeem kan bijgevolg worden geconcludeerd dat de totale omzet van de ondernemingen die aan het NSF-systeem deelnemen, duidelijk boven de 300 miljoen ecu ligt.

(82) Derhalve moet worden geconcludeerd dat, gelet op de grote invloed van de aangemelde overeenkomsten op de betrokken markt en de gecombineerde omvang van de betrokken ondernemingen, deze overeenkomsten de handel kunnen beïnvloeden in de zin van artikel 53, lid 1.

2. Artikel 53, lid 3

(83) Teneinde in aanmerking te komen voor een ontheffing van het verbod van artikel 53, lid 1, moet de verzoeker aantonen dat de overeenkomst bijdraagt tot verbetering van de productie of van de verdeling der producten of tot verbetering van de technische of economische vooruitgang, en dat een billijk aandeel in de daaruit voortvloeiende voordelen de gebruikers ten goede komt. Om als dergelijke voordelen te gelden, dienen de objectief vastgestelde voordelen de nadelen voor de mededinging te compenseren (31). Bovendien dienen de in de overeenkomsten neergelegde beperkingen onmisbaar te zijn voor het bereiken van deze doelstellingen en mogen zij de betrokken ondernemingen niet de mogelijkheid geven voor een wezenlijk deel van de betrokken producten de mededinging uit te schakelen. Naar het oordeel van de Autoriteit is gebleken dat de aangemelde overeenkomsten aan geen van deze voorwaarden voldoen.

(84) Als uitgangspunt zij erop gewezen dat de gezamenlijke vaststelling van prijzen of prijscomponenten, het gebruik van een nationaal systeem van uniforme prijzen ongeacht de locatie van de verkoper, de beperking van de productie of de verdeling van de markt door concurrerende ondernemingen in het algemeen geacht worden in strijd te zijn met de grondbeginselen van de mededinging, doordat het evenwicht tussen vraag en aanbod kunstmatig wordt beïnvloed. Bijgevolg kan voor dergelijke maatregelen alleen onder uitzonderlijke omstandigheden een ontheffing worden verleend. De meegedeelde overeenkomsten bevatten bepalingen die deze beperkingen impliciet of expliciet toelaten.

2.1. De voordelen van de overeenkomsten

(85) NSF heeft erop gewezen dat de samenwerking tussen de boseigenaren in het NSF-systeem bijdraagt tot de verbetering van de productie en van de verdeling van rondhout in Noorwegen. Het systeem zou in het bijzonder noodzakelijk zijn om de bosbouwindustrie een duurzaam en tijdig aanbod van rondhout van voldoende kwaliteit te garanderen. Bovendien draagt de samenwerking volgens NSF bij tot doeltreffende oogst- en transportmethoden en tot de verbetering van de kwaliteit van rondhout door maatregelen in de stadia bosbouw, oogst en verdeling. Zonder de samenwerking tussen de boseigenaren zou de handel in rondhout veel minder doeltreffend en veel duurder zijn, alleen al in verband met het aantal individuele boseigenaren en de geografische en topografische omstandigheden in Noorwegen.

(86) NSF heeft tevens naar voren gebracht dat de samenwerking positieve effecten heeft doordat zij bijdraagt tot de bescherming van het milieu en tot een duurzame ontwikkeling van de voorzieningsbronnen voor de bosbouw. Bovendien worden door de toepassing van een uniformeprijssysteem in het respectieve district de nadelen voor verafgelegen boseigenaren, in het bijzonder ten aanzien van de productiekosten, gecompenseerd. Volgens NSF vergemakkelijkt dit weer de verwezenlijking van op politiek niveau vastgestelde doelstellingen die een evenwichtig gebruik van de bosbouwbronnen, een opwaardering van het milieu, alsook de vergroting van de bijdrage van de bosbouwsector aan de werkgelegenheid en de economische bedrijvigheid in het hele land ten goede komen.

(87) De Autoriteit heeft geen reden om te betwijfelen dat het NSF-systeem als geheel bepaalde voordelen heeft. Dit zou bijzonder goed kunnen voortvloeien uit de specifieke structuur van de Noorse bosbouwsector en uit de wijze waarop het NSF-systeem ten uitvoer wordt gelegd. Het is echter twijfelachtig of staande kan worden gehouden dat de beperking van de boseigenaren in hun rol van ondernemer bijdraagt tot de economische doeltreffendheid en bijgevolg tot een verbetering van de productie of de verdeling der producten of tot de verbetering van de technische of economische vooruitgang in de zin van artikel 53, lid 3. Men zou immers ook kunnen verdedigen dat dergelijke beperkingen de economische doeltreffendheid verminderen.

(88) Deze algemene opmerkingen buiten beschouwing gelaten, mag bij de beoordeling van de mogelijke voordelen van het NSF-systeem als geheel niet uit het oog worden verloren dat de te onderzoeken kwestie beperkt wordt tot de vraag of de in de meegedeelde statuten opgenomen mededingingsbeperkingen objectieve voordelen met zich brengen die de nadelen voor de concurrentie compenseren. Hieruit volgt dat de mogelijke voordelen van het NSF-systeem als geheel, in tegenstelling tot de voordelen die een rechtstreeks gevolg zijn van de beperkende clausules zelf, enkel van belang zijn voorzover de restrictieve clausules noodzakelijk zijn voor de werking van het NSF-systeem zelf.

(89) De beperkingen die moeten worden onderzocht, kunnen in twee groepen worden verdeeld. In de eerste plaats de mogelijkheid van centrale coördinatie van de commerciële activiteiten van de leden, inclusief de vaststelling van prijzen en andere contractuele handelsvoorwaarden. In de tweede plaats de controle op districtsniveau van de commerciële gedragingen van de leden, in het bijzonder de verplichting voor individuele boseigenaren om al hun rondhout via de districtsonderneming te verkopen en de mogelijkheid om marktregulerende maatregelen op te leggen.

2.1.1. De centrale coördinatie

(90) De mogelijkheid voor NSF om het marktgedrag van zijn leden centraal te coördineren, gaat in de eerste plaats terug op de artikelen 6 en 7 in de NSF-statuten. Op grond van deze artikelen kan NSF onderhandelingen voeren over prijzen, hoeveelheden en andere handelsvoorwaarden, en nationale marktregulerende maatregelen nemen. Ofschoon er sedert 1994 niet eenmaal centrale prijsonderhandelingen zijn gevoerd, heeft NSF in 1995 bindende richtsnoeren voor regionale prijsonderhandelingen vastgesteld. De marktregulerende bevoegdheden en de mogelijkheid om noodlijdende districtsondernemingen te steunen, zijn blijkbaar niet gebruikt.

(91) De prijsonderhandelingsclausule stelt NSF in staat de prijzen en de andere contractuele voorwaarden vast te stellen voor de verkoop van rondhout door al haar leden. Hierbij zou als argument kunnen worden aangevoerd dat centraal overeengekomen prijzen en andere contractuele voorwaarden een stabiele handel in rondhout stimuleren. Tegelijkertijd zou men erop kunnen wijzen dat de marktregulerende bevoegdheid van NSF eventueel van nut zou kunnen zijn voor de handhaving van een functionerende markt ten tijde van, bijvoorbeeld, natuurrampen. Daarentegen zou de toepassing van deze clausules tot gevolg kunnen hebben dat alle mededinging tussen de individuele NSF-leden en de districtsondernemingen feitelijk wordt uitgeschakeld. De mogelijke voordelen van deze clausules kunnen niet van dien aard zijn dat zij de nadelen voor de mededinging compenseren en kunnen dus niet worden gezien als verbeteringen in de zin van artikel 53, lid 3.

2.1.2. De controle van de handelsactiviteiten van de leden op districtsniveau

(92) Afgezien van het genoemde doel, dat er onder meer in bestaat marktregulerende maatregelen te treffen indien dat nodig is, of de leden te mobiliseren voor een gezamenlijk optreden, zijn er hoofdzakelijk twee bepalingen waarop de controle van de handelsactiviteiten van de leden op districtsniveau wordt gebaseerd: de verplichting voor de boseigenaar om al zijn rondhout aan de districtsonderneming te verkopen, en het recht voor de districtsonderneming om op eigen initiatief of na een besluit van NSF de leden te verplichten de oogst of de levering van rondhout te beperken of te beëindigen, en om de aan de leden betaalde prijzen te harmoniseren.

Exclusieveverkoopverplichting

(93) De beweerde voordelen in verband met de verplichting om het rondhout aan de districtsondernemingen te verkopen, kunnen in twee groepen worden verdeeld. De eerste groep bevat alle beweerde voordelen van het NSF-systeem als geheel, welke in de bovenstaande overwegingen 85 en 86 zijn beschreven, op de grond dat deze verplichting nodig is om de werking van het NSF-systeem te waarborgen. De tweede groep heeft betrekking op de voordelen die NSF als directe gevolgen van de verplichting als zodanig beschouwt.

(94) Wat de eerste groep betreft, is niet aangetoond dat de aangemelde exclusieveverkoopverplichting feitelijk noodzakelijk is voor het bestaan van het NSF-systeem en dus bijdraagt tot de voordelen van dit systeem. Weliswaar heeft NSF erop gewezen dat een opheffing van deze verplichting tot een vermindering van de leveringen via het NSF-systeem zou kunnen leiden, waardoor het economisch fundament van de districtsondernemingen zou worden verzwakt omdat hun activiteiten hoofdzakelijk gebaseerd zijn op de hoeveelheid rondhout die zij van hun leden kopen. Er is echter nooit aangetoond dat een doorslaggevende verzwakking van het economisch fundament van het NSF-systeem zeker of waarschijnlijk zou zijn indien de exclusieveverkoopverplichting wordt gewijzigd of zelfs opgeheven, noch dat een dergelijke verzwakking zeker of waarschijnlijk tot gevolg zal hebben dat de beweerde voordelen van het NSF-systeem zullen verdwijnen. Zelfs wanneer men ervan uitgaat dat het NSF-systeem als geheel de voordelen heeft zoals vereist voor een vrijstelling krachtens artikel 53, lid 3, heeft de Autoriteit bijgevolg geen redenen om te concluderen dat de exclusieveverkoopverplichting op zichzelf merkbaar bijdraagt tot deze voordelen.

(95) Met betrekking tot de tweede groep beweerde voordelen wijst NSF erop dat de verplichting het recht van de leden weerspiegelt om al hun geoogste rondhout aan de betrokken districtsonderneming te verkopen, en dat de daarmee verbonden zekerheid het totale aanbod bevordert en leveringen garandeert, ook van verafgelegen boseigenaren. Bovendien wordt beweerd dat een opheffing van deze verplichting leidt tot een beperking van de mogelijkheid van de districtsondernemingen om contractuele leveringsverplichtingen te waarborgen, alsook tot een verzwakking van de onderhandelingspositie van de districtsondernemingen ten opzichte van de industriële afnemers.

(96) Met betrekking tot het eerste argument zij erop gewezen dat het recht om te leveren niet gekoppeld is aan het recht op een bepaalde prijs voor de boseigenaar. De districtsonderneming is verplicht het rondhout te kopen, maar doet dit tegen een prijs die zij zelf vaststelt. De verplichting van de boseigenaar om het hout te verkopen, is een verplichting om te verkopen tegen een prijs die wordt vastgesteld door zijn handelspartner, te weten de districtsonderneming. Deze verplichtingen zijn niet symmetrisch. De levering van rondhout zal logischerwijs in de eerste plaats afhangen van de prijs die de districtsonderneming biedt. Bijgevolg zou het recht om te leveren op zichzelf niet noodzakelijkerwijs het aanbod stimuleren, zelfs niet van verafgelegen gebieden.

(97) Hoewel de mogelijkheid om de leveringen aan de districtsonderneming op voorhand te ramen in ieder geval tot op zekere hoogte kan worden verbeterd door te garanderen dat het aanbod van de leden niet aan mededinging is blootgesteld, is dit soort onzekerheid tengevolge van concurrentiedruk inherent aan alle gebruikelijke commerciële activiteiten. Daarom kan de beëindiging van deze onzekerheid niet geacht worden een objectief voordeel te zijn (32).

(98) Met betrekking tot het behoud van de onderhandelingspositie van de districtsondernemingen is het, gegeven de marktstructuur van met name de markt voor zaaghout, twijfelachtig of dit op zichzelf als een objectief voordeel in de zin van artikel 53, lid 3, kan worden beschouwd. Zelfs wanneer dit het geval zou zijn, lijkt de betekenis van de exclusieveverkoopverplichting in dit verband betrekkelijk gering.

(99) De onderhandelingspositie ten opzichte van de industriële afnemers wordt ten dele bepaald door de hoeveelheden, de kwaliteit en de leveringstermijnen voor het rondhout dat een districtsonderneming te koop kan aanbieden, en ten dele door de alternatieve leveringsbronnen waarover de koper kan beschikken. De hoeveelheden, de kwaliteit en de leveringstermijnen voor de leden van de districtsonderneming worden bepaald door individuele contracten. Hoewel de exclusieveverkoopverplichting enige invloed kan hebben op de bereidheid van de leden om dergelijke contracten aan te gaan, is de belangrijkste factor voor de totstandkoming van dergelijke contracten gelegen in de geboden specifieke contractvoorwaarden. Aangenomen dat deze concurrerend zijn in de gebieden waar de districtsonderneming geconfronteerd wordt met concurrentie van alternatieve afzetkanalen, zou het aantal van dergelijke contracten niet worden verminderd. Het feit dat niet altijd een aanbod van andere afzetkanalen beschikbaar is, alsook de relatieve omvang van de districtsondernemingen en hun vermogen om aanvullende diensten te leveren, zoals transportcoördinatie, duiden er echter op dat zij de belangrijkste bevoorradingsbron voor de industrie blijven. De betrekkelijke onderhandelingskracht van de districtsondernemingen ten opzichte van de industrie kan dus uitsluitend tot op zekere hoogte worden teruggevoerd op het bestaan van de exclusieveverkoopverplichting.

(100) Met betrekking tot de schadelijke gevolgen voor de mededinging vloeit uit de aard van de verplichting voort dat zij de mogelijkheid van concurrentie tussen de leden beperkt en de levering van rondhout aan marktdeelnemers buiten NSF grotendeels uitsluit. In de praktijk belet zij individuele NSF-leden te allen tijde hun rondhout via andere afzetkanalen te verkopen. Een individueel lid heeft slechts twee mogelijkheden om te reageren indien hij de door de districtsonderneming geboden voorwaarden niet concurrerend acht; weigering om te oogsten of opzegging van het NSF-lidmaatschap. Het eerste alternatief zou kunnen leiden tot een onderaanbod van rondhout aan de markt. Het cumulatieve effect van dergelijke acties zou een aanzienlijke daling van het aanbod kunnen zijn.

(101) Ten aanzien van het tweede alternatief zij erop gewezen dat de districtsondernemingen een sleutelpositie innemen bij diensten die essentieel zijn voor individuele boseigenaren, zoals adviesverlening, ondersteuning bij de oogst, financiering en vervoer. Bovendien kan een uittredend lid geen aanspraak maken op de activa van de districtsonderneming; evenmin geven de statuten recht op terugkeer tot het NSF-systeem. Deze factoren, in combinatie met minder tastbare motieven zoals traditie en lokale groepsdwang, zorgen ervoor dat leden terughoudend zijn om de organisatie te verlaten teneinde rondhout via alternatieve afzetkanalen te verkopen. Dit heeft weer tot gevolg dat dergelijke afzetkanalen minder mogelijkheden hebben om een doeltreffende concurrentiedruk uit te oefenen, en leidt bijgevolg tot de handhaving van inefficiënte distributiestructuren.

(102) Gelet op het bovenstaande is er geen reden om te concluderen dat de exclusieveverkoopverplichting wezenlijk bijdraagt tot een verbetering van het aanbod van rondhout, tot een gegarandeerd aanbod voor de industrie of tot het behoud van een juist evenwicht tussen kopers en verkopers op de markten voor rondhout, of tot één van de andere beweerde voordelen. Anderzijds heeft deze verplichting duidelijk concurrentieverstorende gevolgen, doordat zij zowel concurrentie tussen de NSF-leden als de levering aan marktdeelnemers buiten het NSF-systeem uitsluit. Bijgevolg kan zij de instandhouding van inefficiënte productie- en distributiestructuren tot gevolg hebben. Bijgevolg kan men - na afweging van deze factoren - niet beweren dat de aangemelde exclusieveverkoopverplichting zo de vereiste voordelen oplevert die nodig zijn voor een ontheffing als bedoeld in artikel 53, lid 3.

Marktreguleringsclausule

(103) Volgens NSF is de marktreguleringsclausule uitsluitend bedoeld voor uitzonderingssituaties, zoals grootschalige opruimingswerkzaamheden na een storm, wanneer met de betrokken nationale autoriteiten overeenstemming over samenwerking is bereikt. Bijgevolg zou de clausule geen praktische gevolgen hebben voor de mededinging op de markten voor rondhout.

(104) Het opleggen van marktregulerende maatregelen ten tijde van natuurrampen kan noodzakelijk zijn om een ineenstorting van de markt te voorkomen en zou dus de voordelen hebben die vereist zijn voor een ontheffing als bedoeld in artikel 53, lid 3. Men mag ervan uitgaan dat de instandhouding van een functionerende markt in dergelijke situaties uiteindelijk ook in het belang van de consument is.

2.2. Onmisbaarheid

(105) Zoals in deel 2.1.1 is uiteengezet, heeft de centrale coördinatie door NSF van de boseigenaren in het NSF-systeem op zichzelf niet de objectieve voordelen die vereist zijn voor een ontheffing als bedoeld in artikel 53, lid 3. Bovendien is niet duidelijk dat er enig verband bestaat tussen de mogelijke voordelen van het NSF-systeem als zodanig en de clausules met betrekking tot deze centrale coördinatie. In dit verband zij erop gewezen dat de functies van het NSF-systeem, die volgens NSF bijdragen tot de doeltreffendheid van de markten voor rondhout, worden verricht zonder dat deze clausules in de praktijk worden toegepast. Zelfs wanneer de in deze clausules voorziene centrale coördinatie aan het "voordeelvereiste" zou voldoen, is derhalve niet aangetoond dat zij onmisbaar zijn voor het bereiken van deze voordelen.

(106) Voor de exclusieveverkoopverplichting geldt dat niet is aangetoond dat zij de productie of de verdeling der producten bevordert of de technische of economische vooruitgang verbetert. Ook al zou dit het geval zijn geweest, dan nog valt moeilijk in te zien hoe een absolute verplichting voor de leden om al hun rondhout via de desbetreffende districtsonderneming te verkopen, als onmisbaar kan worden beschouwd voor elk van de voordelen die volgens NSF het resultaat van deze verplichting zijn. De twee belangrijkste beweerde voordelen zijn dat de werking van het NSF-systeem wordt gewaarborgd, waardoor wordt bijgedragen tot de mogelijke voordelen van het systeem in zijn geheel en dat het evenwicht ten opzichte van de industriële kopers op de Noorse markten voor rondhout wordt gehandhaafd, met als beweerd oogmerk de juiste werking van deze markten te waarborgen.

(107) Zoals reeds eerder is opgemerkt, is niet aangetoond dat de exclusieveverkoopverplichting feitelijk noodzakelijk is voor het bestaan van het NSF-systeem; de clausule kan dus niet worden beschouwd als een onmisbare beperking om de beweerde voordelen van dit systeem te bereiken. De exclusieveverkoopverplichting is slechts één van vele factoren die tot de onderhandelingskracht van het NSF-systeem kunnen bijdragen, en is dus van beperkt belang voor de verwezenlijking van dit doel. Bijgevolg kan de absolute verplichting voor de leden om hun rondhout via het NSF-systeem te verkopen - zelfs wanneer de handhaving van een marktevenwicht als een objectief voordeel wordt beschouwd, wat in ieder geval met betrekking tot de markt voor zaaghout zeer twijfelachtig is -, nauwelijks als onmisbaar worden beschouwd om een dergelijk vermeend voordeel te behalen.

(108) De conclusie moet dus zijn dat, zelfs wanneer de vereiste objectieve voordelen zouden hebben bestaan, niet is aangetoond dat de exclusieveverkoopverplichting onmisbaar is voor het bereiken van één van dergelijke voordelen.

(109) Ten slotte bevat de clausule inzake marktregulering op districtsniveau geen bepaling dat natuurrampen het enige criterium zijn voor de afkondiging van marktregulerende maatregelen. Daarom wordt het een districtsonderneming op geen enkele wijze belet om de clausule ook onder normale omstandigheden te gebruiken en de productie te beperken om de marktprijzen voor rondhout te beïnvloeden. De werkingssfeer van de clausule strookt dus niet met het gelimiteerde doel om de gevolgen van natuurrampen op de markten voor rondhout te verzachten. Bijgevolg kan zij niet als onmisbaar worden beschouwd voor het bereiken van dit doel.

2.3. Uitschakeling van de mededinging

(110) De mogelijkheid van centrale coördinatie van de prijzen, de productie en andere contractuele voorwaarden op nationaal niveau, alsook de marktregulerende bevoegdheden en de exclusieveverkoopverplichting op districtsniveau, leiden tot feitelijke uitschakeling van de mededinging binnen het NSF-systeem en kunnen de mogelijkheden voor andere leveranciers om actief te concurreren, ongunstig beïnvloeden. Het NSF-systeem is veruit de grootste houtleverancier: het levert circa 75 % van het Noorse aanbod van zowel vezelhout als pulphout. Zijn aandeel in de markten voor vezelhout en zaaghout, inclusief invoer, belopen respectievelijk 60 en 70 %. De marktkracht ten opzichte van de kopers is mogelijkerwijs beperkt, in het bijzonder op de markt voor vezelhout, waar NSF wordt geconfronteerd met een bijzonder geconcentreerde koperszijde, die de mogelijkheid heeft een omvangrijk deel van de leveringen van het NSF-systeem door geïmporteerd hout te vervangen. De huidige structuur maakt doeltreffende mededinging aan de aanbodzijde evenwel praktisch onmogelijk. Tegen deze achtergrond moet worden aangenomen dat de aangemelde overeenkomsten NSF en de bij het NSF-systeem aangesloten ondernemingen de mogelijkheid geven voor een wezenlijk deel van de betrokken producten de mededinging uit te schakelen. Dientengevolge kan geen ontheffing worden verleend als bedoeld in artikel 53, lid 3, ook al zou aan de overige voorwaarden zijn voldaan,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:

Artikel 1

De aangemelde statuten van NSF, de standaardstatuten van de bosbouwdistrictsondernemingen en de standaardstatuten van de plaatselijke bosbouwgroepen vormen een inbreuk op artikel 53, lid 1, van de EER-Overeenkomst daar zij

- NSF het recht geven namens zijn leden over prijzen en algemene quota te onderhandelen en deze quota over de leden of de districtsondernemingen te verdelen;

- NSF en de districtsondernemingen het recht geven marktregulerende maatregelen aan hun leden op te leggen, zoals de beperking of stopzetting van de productie van rondhout of de harmonisering van prijzen, en

- de leden verplichten hun volledige houtoogst aan de districtsonderneming in hun respectieve geografische gebied te verkopen.

Artikel 2

Voor de in artikel 1 genoemde overeenkomsten wordt geen ontheffing verleend als bedoeld in artikel 53, lid 3, van de EER-Overeenkomst.

Artikel 3

De betrokken ondernemingen dienen onverwijld een einde te maken aan de in artikel 1 vermelde inbreuk en dienen voortaan van elke maatregel met eenzelfde doel of van gelijke werking af te zien.

Artikel 4

Deze beschikking is gericht tot:

Norges Skogeierforbund

Haldenvassdragets Skogeierforening

Nedre Glommen Skogeierforening

Glommen Skogeierforening

Tryssilvassdragets Skogeierforening

Mjøsen Skogeierforening

Drammensdistriktets Skogeierforening

Vestfold-Lågen Skogeierforening

Telemark Tømmersalgslag

Nidarå Tømmersalgslag

Agder Skogeigarlag

Rogaland Skogeigarlag

Hordaland Skogeigarlag

Sogn og Fjordane Skogeigarlag

Møre og Romsdal Skogeigarlag

Sør-Trøndelag Skogeierforening

Inn-Trøndelag Skogeierforening

Namdal Skogeierforening

Nordland Skogeierforening

Troms Skogeierforening.

Slechts de teksten in de Engelse en de Noorse taal van deze beschikking zijn authentiek.

Gedaan te Brussel, 24 april 1997.

Voor de toezichthoudende autoriteit van de EVA

De voorzitter

Knut ALMESTAD

(1) De aanmelding betrof ook prijsovereenkomsten voor zaaghout tussen plaatselijke districtsondernemingen en plaatselijke kopers, zoals de prijsovereenkomst voor zaaghout van naaldbomen in Nordenfjells van 21 december 1993 (Prisavtale for sagtømmer av bartre Nordenfjells). Deze prijsovereenkomsten vallen niet onder deze beschikking.

(2) Vedtekter for Norges Skogeierforbund.

(3) Normalvedtekter for skogeierforeningar.

(4) Normalvedtekter for skogeierlag.

(5) Rammeavtale om prisforhandlingsordning for massevirke av bartre.

(6) Prisavtale for massevirke av bartre for perioden 1. januar 1994-31. desember 1994.

(7) Retningslinjer for framtidige massevirkeforhandlinger.

(8) Vedtak om massevirkeforhandlinger 1995.

(9) Avtale om prisforhandlingsordning for massevirke av bartre for 1995.

(10) Rammeavtale om omsetningsordning for massevirke av bartre.

(11) Provisjonsavtale.

(12) Paragraaf 5 van de NSF-statuten en paragraaf 4 van de standaardstatuten voor districtsondernemingen en plaatselijke groepen.

(13) Paragraaf 21 van de NSF-statuten en paragraaf 14 van de standaardstatuten voor districtsondernemingen.

(14) Paragraaf 4 van de standaardstatuten voor districtsondernemingen en plaatselijke groepen.

(15) Paragraaf 20 van de NSF-statuten, paragraaf 15 van de standaardstatuten voor districtsondernemingen en paragraaf 11 van de standaardstatuten voor plaatselijke groepen.

(16) Paragraaf 6 van de NSF-statuten.

(17) Paragraaf 7 van de NSF-statuten en paragraaf van de standaardstatuten voor districtsondernemingen.

(18) Paragraaf 8 van de NSF-statuten. Deze clausule bevatte eerder bepalingen voor het opleggen van een bifdrage aan de leden teneinde marktmaatregelen te financieren. Dit werd gewijzigd door de jaarlijkse algemene vergadering van NSF van 2 juni 1995.

(19) Gekapt rondhout 1993/1994, officiële statistieken van Noorwegen.

(20) Bron: NSF.

(21) Bron: NSF.

(22) Bron: NSF.

(23) Prijzen van bosbouwproducten 1992-1994, Timber Bulletin 1995 No 1, FAO.

(24) Officiële statistieken van Noorwegen.

(25) Coberco (HvJEG, jurispr. 1995, blz. 4515).

(26) Göttrup Klim v. DLG (HvJEG, jurispr. 1994, blz. 5641).

(27) Zie, onder meer, Coöperatieve Stremsel- en Kleurselfabriek v. Commissie (HvJEG, jurispr. 1981, blz. 851, paragr. 12-13); Dansk Pelsdyreavlerforening v. Commissie (HvJEG, jurispr. 1992, blz. 1931, paragr. 78).

(28) Id.

(29) Zie, onder andere, BNIC II (HvJEG, jurispr. 1987, blz. 4789).

(30) Bekendmaking van de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA inzake overeenkomsten van geringe betekenis die niet onder artikel 53, lid 1, van de EER-Overeenkomst vallen (PB L 153 van 18. 6. 1994, blz. 32, en EEG-Supplement bij het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen 15 van 18. 6. 1994, blz. 31), zoals gewijzigd bij Bekendmaking van de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA betreffende de aanpassing van de bekendmaking inzake overeenkomsten van geringe betekenis van 12 januari 1994 (PB C 281 van 26. 9. 1996, blz. 20).

(31) Zie onder andere Consten en Grundig v. Commissie (HvJEG, jurispr. 1966, blz. 1966, blz. 299, 348).

(32) Zie, onder andere, Consten en Grundig v. Commissie (HvJEG, jurispr. 1966, blz. 348).