|
29.10.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 401/11 |
OPROEP TOT HET INDIENEN VAN VOORSTELLEN
„Steun voor voorlichtingsacties op het gebied van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB)” voor 2017
(2016/C 401/09)
1. INLEIDING — ACHTERGROND
Deze oproep tot het indienen van voorstellen is gebaseerd op Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordeningen (EEG) nr. 352/78, (EG) nr. 165/94, (EG) nr. 2799/98, (EG) nr. 814/2000, (EG) nr. 1290/2005 en (EG) nr. 485/2008 van de Raad (1).
Deze oproep tot het indienen van voorstellen dient tevens in overeenstemming te zijn met Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 (2), zoals gewijzigd, en met Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1268/2012 van de Commissie van 29 oktober 2012 houdende uitvoeringsvoorschriften voor Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie (3), zoals gewijzigd.
In deze oproep wordt verzocht om de indiening van voorstellen ter financiering van in artikel 45 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 bedoelde voorlichtingsmaatregelen met middelen uit de begroting voor 2017.
Een voorlichtingsmaatregel bestaat uit een op zichzelf staand, samenhangend geheel van voorlichtingsactiviteiten met een eigen aparte begroting.
2. DOELSTELLINGEN, THEMA(’S) EN DOELPUBLIEK
2.1. Doelstellingen
Bouwen aan vertrouwen in de EU en bij de burger binnen en buiten de landbouwgemeenschap. Het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) is een beleid voor alle EU-burgers en de baten ervan voor de burger moeten duidelijk worden aangetoond. De hoofdthema’s en -boodschappen moeten volledig stroken met de door de Commissie gestelde wettelijke eis om voorlichtingsmaatregelen op het gebied van het GLB uit te voeren in de zin van artikel 45 van Verordening (EU) nr. 1306/2013.
Voor het grote publiek — het publiek bewust maken van de relevantie van de steun die de EU via het GLB verleent voor landbouw en plattelandsontwikkeling.
Voor belanghebbende partijen — contacten leggen met deze partijen (voornamelijk landbouwers en andere partijen die actief zijn in plattelandsgebieden) zodat zij met hun achterban en het bredere publiek communiceren over het GLB.
2.2. Thema
De voorstellen voor voorlichtingsmaatregelen moeten illustreren hoe het GLB bijdraagt tot de verwezenlijking van de politieke prioriteiten van de Commissie.
Het GLB is een beleid dat op tal van manieren bijdraagt tot het leven van iedereen in Europa. De voorstellen moeten in het bijzonder gaan over de bijdrage van het GLB aan:
|
— |
het stimuleren van werkgelegenheid, groei en investeringen in plattelandsgebieden en het instandhouden van levensvatbare plattelandsgemeenschappen in de hele EU; |
|
— |
het klimaat- en energiekader 2030 van de EU, met name wat betreft de rol van landbouw en bosbouw in klimaatgerelateerde aanpassings- en mitigatiemaatregelen; |
|
— |
een duurzame landbouwproductie die voldoet aan de tweeledige vereiste: de voedselvoorziening waarborgen en het rurale milieu beschermen, onder meer op het gebied van de kwaliteit en de beschikbaarheid van water; |
|
— |
het waarborgen van een billijke prijs voor landbouwers in de agrovoedingsketen, teneinde de Europese landbouwproductie levensvatbaar te houden en de toekomst van het familiebedrijfmodel te vrijwaren. |
2.3. Doelpubliek
Het doelpubliek voor het thema onder punt 2.2 is het brede publiek (vooral jonge mensen in stedelijke gebieden) en/of landbouwers en andere partijen die actief zijn in rurale gebieden.
Meer in het bijzonder:
|
— |
Schoolkinderen, onderwijzend personeel en universiteitsstudenten: er moet een innovatieve aanpak worden gebruikt om jonge mensen te bereiken en hen bewust te maken van het GLB en de bijdrage ervan op tal van gebieden, zoals klimaatverandering, voeding, gezond en kwalitatief goed eten als gekozen levensstijl — ook in verband met de nieuwe EU-schoolregeling voor melk, groenten en fruit die op 1 augustus 2017 in werking treedt. |
|
— |
Algemeen publiek: door in te zetten op voorlichting over het GLB gaat de aandacht in plaats van naar de inhoud van het beleid veeleer naar het aanpakken van op- of misvattingen over de Europese landbouw en de rol van de landbouw in de samenleving. Het grote publiek moet ook meer inzicht krijgen in de enorme bijdrage die de agrivoedingssector in de EU levert in de bredere economische context in de EU. |
|
— |
Belanghebbenden: zij moeten worden doordrongen van de bijdrage van het GLB als ondersteuning van de economische groei in plattelandsgebieden, met name via kmo’s. De bijdrage die wordt geleverd via de plattelandsontwikkelingsprogramma’s moet worden gepromoot. Via deze programma’s investeert de EU in de periode 2014-2020 bijna 100 miljard EUR in de ontwikkeling van de plattelandsgebieden in Europa. Voorts moet aandacht worden besteed aan de steun voor duurzame productiemethoden en andere maatregelen ter vermindering van en aanpassing aan klimaatverandering. |
3. INDICATIEF TIJDSCHEMA
|
|
Fase |
Datum en periode |
|
a) |
Bekendmaking van de oproep |
oktober 2016 |
|
b) |
Uiterste datum voor indiening van aanvragen |
15 december 2016 |
|
c) |
Evaluatieperiode |
februari 2017 |
|
d) |
Kennisgeving aan de indieners van de aanvragen |
maart 2017 |
|
e) |
Voorbereiding en ondertekening van de subsidieovereenkomsten |
maart-april 2017 |
|
f) |
Startdatum van de maatregel |
1 mei 2017 |
|
g) |
Eindverslag |
Uiterlijk 60 dagen na afloop van de maatregel |
De looptijd van de voorlichtingsmaatregel is maximaal twaalf maanden.
4. BESCHIKBARE BEGROTING
Het voor de medefinanciering van de activiteiten geoormerkte budget wordt geraamd op in totaal 3 500 000 EUR.
Dit bedrag is afhankelijk van de beschikbaarheid van de kredieten die zijn opgenomen in de begroting 2017.
De Commissie behoudt zich het recht voor niet alle beschikbare middelen toe te wijzen.
5. ONTVANKELIJKHEIDSVEREISTEN
De aanvragen moeten voldoen aan de volgende ontvankelijkheidsvereisten:
|
— |
De aanvragen moeten uiterlijk op 15 december 2016 worden ingediend, hetzij per post (bij aangetekend schrijven of via een gelijkwaardige weg, met het poststempel als bewijs) hetzij per koerierdienst (met de datum van afgifte aan de koerierdienst als bewijs), hetzij door persoonlijke afgifte (zie punt 14 voor het adres). |
|
— |
De aanvragen moeten schriftelijk worden ingediend (zie punt 14) aan de hand van de aanvraagformulieren en de begrotingsgerelateerde formulieren die beschikbaar zijn op http://ec.europa.eu/agriculture/grants-for-information-measures/. |
|
— |
De aanvragen moeten in een van de officiële talen van de EU zijn opgesteld. Met het oog op een snelle verwerking van de aanvragen worden de aanvragers evenwel verzocht om hun aanvraag in het Duits, het Engels of het Frans in te dienen. |
|
— |
In het kader van deze oproep mag slechts één aanvraag per aanvrager (incl. afzonderlijke belastbare entiteiten) worden ingediend. |
Aanvragen die niet aan deze voorwaarden voldoen, worden afgewezen.
6. SUBSIDIABILITEITSCRITERIA
6.1. Subsidiabele aanvragers
De aanvrager (en eventuele met hem verbonden entiteiten) is een juridische entiteit die in een EU-lidstaat is gevestigd.
Entiteiten die volgens de toepasselijke nationale wetgeving geen rechtspersoonlijkheid hebben, kunnen subsidiabele aanvragers zijn mits hun vertegenwoordigers bevoegd zijn namens de entiteit juridische verbintenissen aan te gaan, garanties voor de bescherming van de financiële belangen van de Unie bieden die gelijkwaardig zijn aan de door rechtspersonen geboden garanties, en kunnen aantonen dat zij een financiële draagkracht en operationele capaciteit hebben die gelijkwaardig is aan die van rechtspersonen.
De bewijsstukken moeten samen met het aanvraagformulier worden ingediend.
Natuurlijke personen en entiteiten die zijn opgericht met als enige doel de uitvoering van een voorlichtingsmaatregel in het kader van deze oproep tot het indienen van voorstellen, zijn geen subsidiabele aanvragers.
Voorbeelden van subsidiabele organisaties:
|
— |
(particuliere of openbare) non-profitorganisaties; |
|
— |
(nationale, regionale of lokale) overheden; |
|
— |
Europese verenigingen; |
|
— |
universiteiten; |
|
— |
onderwijsinstellingen; |
|
— |
onderzoekscentra; |
|
— |
bedrijven (die bijvoorbeeld actief zijn op het gebied van communicatiemedia). |
Juridische entiteiten die met de aanvrager een juridische of financiële band hebben die niet beperkt blijft tot de voorlichtingsmaatregel noch tot stand is gebracht met als enige doel de uitvoering van de maatregel (zoals leden van netwerken, federaties, vakverenigingen), mogen als met de aanvrager verbonden entiteiten aan de voorlichtingsmaatregel deelnemen en mogen subsidiabele kosten declareren overeenkomstig punt 11.2.
De juridische en de financiële band mogen niet beperkt blijven tot de voorlichtingsmaatregel of alleen voor de uitvoering ervan tot stand zijn gebracht. Dat betekent dat de band ook zou bestaan als de subsidie niet zou worden toegekend, reeds moet bestaan vóór de oproep tot het indienen van voorstellen en moet blijven bestaan na het einde van de voorlichtingsmaatregel.
Om het bestaan van een juridische en een financiële band na te gaan, moet rekening worden gehouden met drie elementen:
|
i) |
zeggenschap, zoals gedefinieerd in Richtlijn 2013/34/EU van het Europees Parlement en de Raad (4) betreffende de jaarlijkse financiële overzichten, geconsolideerde financiële overzichten en aanverwante verslagen van bepaalde ondernemingsvormen. Met de begunstigde verbonden entiteiten zijn onder meer:
|
|
ii) |
lidmaatschap, d.w.z. de begunstigde is juridisch gedefinieerd als een netwerk, federatie of vereniging waarin ook de voorgestelde verbonden entiteiten deelnemen, of de begunstigde neemt deel in dezelfde entiteit (bijv. netwerk, federatie, vereniging) als de voorgestelde verbonden entiteiten; |
|
iii) |
specifieke gevallen: overheidsinstanties en overheidsbedrijven. Overheidsbedrijven en overheidsinstanties (entiteiten die als dusdanig zijn opgericht volgens nationaal, Europees of internationaal recht) worden niet altijd als verbonden entiteiten beschouwd (bijv. openbare universiteiten of onderzoekscentra). |
In het publieke domein wordt onder het begrip „verbonden” het volgende verstaan:
|
— |
in het geval van een gedecentraliseerd bestuur (bijv. nationale, regionale of lokale ministeries, in het geval van afzonderlijke juridische entiteiten) kunnen de verschillende niveaus van de bestuurlijke structuur worden beschouwd als zijnde verbonden met de Staat; |
|
— |
een overheidsinstantie die met een bestuurlijk doel door een overheid is opgericht en die onder toezicht van die overheid staat. Deze voorwaarde moet worden geverifieerd aan de hand van de statuten of andere handelingen tot oprichting van de overheidsinstantie. Dat betekent niet noodzakelijk dat de overheidsinstantie geheel of gedeeltelijk wordt gefinancierd uit de overheidsbegroting (bijv. nationale scholen die met de Staat verbonden zijn). |
Volgende entiteiten zijn niet met de begunstigde verbonden:
|
— |
entiteiten die een aanbestedingscontract of uitbestedingscontract met de begunstigde hebben gesloten en die voor de begunstigde optreden als concessiehouders of delegatiehouders voor overheidsdiensten, |
|
— |
entiteiten die financiële steun van de begunstigde ontvangen, |
|
— |
entiteiten die op regelmatige basis met de begunstigde samenwerken op grond van een memorandum van overeenstemming of die bepaalde activa delen, |
|
— |
entiteiten die in het kader van de subsidieovereenkomst een consortiumovereenkomst hebben getekend, |
|
— |
entiteiten die een samenwerkingsovereenkomst voor twinningprojecten hebben getekend. |
Aanvragers met entiteiten die met hen verbonden zijn en aan de voorlichtingsmaatregel deelnemen, moeten in hun aanvraag:
|
— |
dergelijke verbonden entiteiten vermelden in het formulier; |
|
— |
de schriftelijke instemming van deze verbonden entiteiten opnemen; |
|
— |
de bewijsstukken opnemen aan de hand waarvan kan worden nagegaan of deze entiteiten voldoen aan de subsidiabiliteitscriteria en de niet-uitsluitingscriteria. |
Om de geschiktheid van de aanvrager te kunnen beoordelen, moeten voor de aanvrager en de met hem verbonden entiteiten de volgende bewijsstukken worden ingediend.
|
Document |
Beschrijving |
Opmerkingen |
|
Document A |
een kopie van de statutaire bepalingen/oprichtingsakte/statuten of gelijkwaardig |
|
|
Document B |
een kopie van het bewijs van officiële registratie of een ander officieel document waaruit de oprichting van de entiteit blijkt |
|
|
Document C (waar relevant) |
een document waarin een financiële of juridische band met de aanvrager wordt aangetoond. |
Voor alle verbonden entiteiten. |
Entiteiten zonder rechtspersoonlijkheid moeten de bovenvermelde documenten indienen. Als dat niet mogelijk is, moeten andere relevant geachte documenten ter staving worden overgelegd.
Bovendien moeten de entiteiten een document indienen waaruit blijkt dat hun wettelijke vertegenwoordigers bevoegd zijn om namens de entiteit juridische verbintenissen aan te gaan.
6.2. In het kader van deze oproep subsidiabele activiteiten/Uitvoeringsperiode
Activiteiten zijn subsidiabel als zij noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van de voorlichtingsmaatregel en voor het verwezenlijken van de vooropgestelde outputs/resultaten in overeenstemming met de doelstellingen, het thema en het doelpubliek als vermeld in punt 2 van deze oproep.
|
A. |
De voorlichtingsmaatregelen moeten worden uitgevoerd:
|
|
B. |
De voorlichtingsmaatregelen moeten één of meer activiteiten en instrumenten met een innoverend karakter omvatten teneinde de doelstellingen te halen, de thema’s te behandelen en het doelpubliek te bereiken als bepaald in de maatregel en vermeld in punt 2 van deze oproep. |
|
C. |
De volgende activiteiten zijn niet subsidiabel:
|
|
D. |
Indicatieve periode voor de uitvoering van de voorlichtingsmaatregelen
|
|
E. |
Vooropgestelde outputs/impact |
Met de activiteiten in het kader van een voorlichtingsmaatregel moeten tijdens de looptijd van de maatregel concrete outputs worden verwezenlijkt. In de aanvraagfase moet worden omschreven welke outputs worden verwacht (zie aanvraagformulier 3).
In het voorstel moet een lijst worden opgenomen met relevante (kwalitatieve/kwantitatieve) indicatoren aan de hand waarvan kan worden gemeten of de voorlichtingsmaatregel de vooropgestelde outputs/impact heeft verwezenlijkt (zie aanvraagformulier 3).
7. UITSLUITINGSCRITERIA (5)
7.1. Uitsluiting van deelname
|
1. |
Aanvragers, incl. met hen verbonden entiteiten, worden van deelname aan de procedure van de oproep tot het indienen van voorstellen uitgesloten wanneer:
|
|
2. |
Indien er geen definitieve rechterlijke beslissing of, indien van toepassing, geen definitief administratief besluit voorhanden is in de in lid 1, onder c), d) en f), bedoelde gevallen of in het in lid 1, onder e), bedoelde geval, sluit de aanbestedende dienst een marktdeelnemer uit op basis van een voorlopige juridische kwalificatie van een in die punten bedoelde gedraging, rekening houdend met vastgestelde feiten of andere bevindingen in de aanbeveling van de in artikel 108 van het Financieel Reglement bedoelde instantie. De in de eerste alinea bedoelde voorlopige kwalificatie laat de beoordeling van het gedrag van de marktdeelnemer door de bevoegde instanties van de lidstaten op grond van het nationale recht onverlet. De aanbestedende dienst herziet onmiddellijk na de kennisgeving van een definitieve rechterlijke beslissing of een definitief administratief besluit zijn besluit om de marktdeelnemer uit te sluiten en/of hem een financiële sanctie op te leggen. Indien de duur van de uitsluiting niet is vastgelegd in de definitieve rechterlijke beslissing of het definitief administratief besluit, stelt de aanbestedende dienst deze vast op basis van vastgestelde feiten en bevindingen, met inachtneming van de aanbeveling van de in artikel 108 van het Financieel Reglement bedoelde instantie. Indien in die definitieve rechterlijke beslissing of dat definitief administratief besluit wordt geoordeeld dat de marktdeelnemer zich niet schuldig heeft gemaakt aan het voorlopig juridisch gekwalificeerde gedrag op basis waarvan hij is uitgesloten, maakt de aanbestedende dienst onverwijld een einde aan die uitsluiting en/of betaalt hij, in voorkomend geval, alle opgelegde financiële sancties terug. Tot de in de eerste alinea bedoelde feiten en bevindingen behoren met name:
|
7.2. Uitsluiting van toekenning van een subsidie
Aanvragers, incl. met hen verbonden entiteiten, ontvangen geen financiële bijstand wanneer zij in de loop van de procedure voor toekenning van subsidies:
|
a) |
in een van de in punt 7.1 bedoelde situaties van uitsluiting verkeren; |
|
b) |
valse verklaringen hebben afgelegd in de informatie die wordt verlangd als voorwaarde voor deelname aan de procedure, of die informatie niet hebben verstrekt; |
|
c) |
voorheen zijn betrokken bij het opstellen van aanbestedingsstukken, indien zulks leidt tot vervalsing van de mededinging die niet op een andere wijze kan worden verholpen. |
7.3. Bewijsstukken
Aanvragers en met hen verbonden entiteiten moeten een verklaring op erewoord afleggen waarin zij bevestigen niet in een van de in artikel 106, leden 1 en 2, en artikel 107, lid 1, van het Financieel Reglement bedoelde situaties te verkeren en dienen daartoe gebruik te maken van het betrokken formulier dat bij het aanvraagformulier voor deze oproep is gevoegd en beschikbaar is op: http://ec.europa.eu/agriculture/grants-for-information-measures/.
8. SELECTIECRITERIA
8.1. Financiële draagkracht
De aanvragers moeten over solide financieringsbronnen beschikken die toereikend zijn om hun werkzaamheden gedurende de periode waarin de voorlichtingsmaatregel wordt uitgevoerd of het jaar waarvoor de subsidie wordt toegekend, te kunnen voortzetten en aan de financiering ervan bij te dragen. De financiële draagkracht van de aanvragers wordt beoordeeld aan de hand van de volgende bewijsstukken die zij bij hun aanvraag moeten voegen:
|
— |
overzichtsformulier inzake de financiële draagkracht, |
|
— |
de resultatenrekening en de balans voor het afgelopen afgesloten boekjaar of, voor nieuw opgerichte entiteiten, ter vervanging van bovengenoemde documenten, het bedrijfsplan. |
Entiteiten zonder rechtspersoonlijkheid moeten bewijzen dat zij over dezelfde financiële draagkracht beschikken als rechtspersonen.
De verplichting de financiële draagkracht te verifiëren geldt niet voor publiekrechtelijke instanties. De hierboven bedoelde documenten hoeven dus niet te worden ingediend indien de aanvrager een publiekrechtelijke instantie is.
Indien de gesubdelegeerd ordonnateur op basis van de ingediende documenten concludeert dat de financiële draagkracht niet volstaat, kan hij:
|
— |
om aanvullende informatie verzoeken; |
|
— |
de aanvraag afwijzen. |
8.2. Operationele capaciteit
De aanvragers moeten de vereiste beroepsbekwaamheden en de juiste kwalificaties hebben om de voorgestelde voorlichtingsmaatregel tot een goed einde te brengen.
In dit verband moeten de aanvragers de volgende bewijsstukken indienen:
|
— |
het curriculum vitae of de beschrijving van het profiel van de personen die hoofdverantwoordelijk zijn voor het beheer en de uitvoering van de voorlichtingsmaatregel. De beschrijving van dit profiel moet voor elke persoon op zijn minst de volgende informatie bevatten: opleiding, werkervaring, talenkennis en andere relevante vaardigheden (max. 1 blz. per persoon); |
|
— |
de activiteitenverslagen van de organisatie over de laatste twee jaar in voorkomend geval); |
|
— |
een lijst van in de vorige twee jaar uitgevoerde projecten en activiteiten die verband houden met het door de oproep bestreken beleid of met de voorgestelde activiteiten (max. 4 projecten/activiteiten). |
Entiteiten zonder rechtspersoonlijkheid moeten bewijzen dat hun operationele capaciteit gelijkwaardig is aan die van rechtspersonen.
De Commissie kan aanvullend bewijsmateriaal opvragen ter staving van de operationele capaciteit.
Om te beoordelen of de aanvrager over de nodige technische capaciteit beschikt om de voorlichtingsmaatregel uit te voeren, moet de projectmanager ten minste vijf jaar ervaring met soortgelijke projecten hebben opgedaan.
9. TOEKENNINGSCRITERIA
De verschillende communicatie-instrumenten en -activiteiten die deel uitmaken van de voorlichtingsmaatregel, moeten onderling samenhangend zijn, en bovendien duidelijk zijn qua conceptuele aanpak en beoogde resultaten. Zij moeten tevens een significante impact hebben die meetbaar is aan de hand van de betrokken indicatoren in punt 11.4.
De aanvragen worden beoordeeld op basis van de volgende criteria:
|
1. |
De relevantie van de maatregel: voorafgaande analyse van de behoeften en de specifieke, meetbare, haalbare en relevante doelstellingen en het innoverende karakter (25 punten; minimaal 12,5 punten vereist) |
|
2. |
De doeltreffendheid van de maatregel: thema, boodschappen en doelpubliek, gedetailleerd programma, tijdschema en methode voor de evaluatie achteraf (25 punten; minimaal 12,5 punten vereist) |
|
3. |
De effectiviteit van de maatregel: kosteneffectiviteit uit het oogpunt van de voorgestelde middelen (25 punten; minimaal 12,5 punten vereist) |
|
4. |
De kwaliteit van het projectbeheer: de kwaliteit van de procedures en van de takentoewijzing, met het oog op de uitvoering van de verschillende activiteiten in het kader van de voorgestelde maatregel (25 punten; minimaal 12,5 punten vereist) |
Voor de kwaliteit van het voorstel worden maximaal 100 punten toegekend. Het voorstel moet in totaal minimaal 60 punten halen, met een score van ten minste 50 % per criterium.
Alleen voorstellen die alle drempels halen, komen op de ranglijst. Het halen van de drempel biedt geen garantie op medefinanciering.
10. JURIDISCHE VERBINTENISSEN
Indien de Commissie een subsidie toekent, wordt aan de begunstigde een subsidieovereenkomst (met opgave van de bedragen in euro) toegezonden met daarin de voorwaarden, het niveau van de financiering en de procedure voor het formaliseren van de plichten van de partijen.
De twee kopieën van het origineel van de subsidieovereenkomst moeten eerst door de begunstigde worden ondertekend en vervolgens onmiddellijk naar de Commissie worden teruggestuurd. De Commissie zal de overeenkomst als laatste ondertekenen.
De toekenning van een subsidie houdt geen recht op subsidie voor de volgende jaren in.
11. FINANCIËLE BEPALINGEN
11.1. Algemene beginselen
a) Beginsel van niet-cumuleerbaarheid
Een maatregel komt slechts in aanmerking voor één subsidie uit de begroting van de Unie.
Dezelfde kosten worden in geen geval tweemaal uit de EU-begroting gefinancierd. De aanvrager vermeldt de bronnen en bedragen van EU-financiering die hij tijdens hetzelfde begrotingsjaar voor dezelfde voorlichtingsmaatregel of een deel van de voorlichtingsmaatregel of voor zijn werking heeft ontvangen of aangevraagd, evenals alle andere voor dezelfde voorlichtingsmaatregel ontvangen of aangevraagde financiering.
b) Verbod op terugwerkende kracht
Subsidiëring met terugwerkende kracht van reeds voltooide maatregelen is niet toegestaan.
Subsidiëring van een reeds begonnen voorlichtingsmaatregel kan slechts worden toegestaan indien de aanvrager kan aantonen dat het noodzakelijk was met de voorlichtingsmaatregel te beginnen vóór de ondertekening van de subsidieovereenkomst.
In dat geval mogen de voor financiering in aanmerking komende uitgaven evenwel niet vóór de datum van indiening van de subsidieaanvraag zijn gedaan.
c) Medefinanciering
Medefinanciering betekent dat voor de uitvoering van de activiteiten naast de EU-subsidie ook middelen uit andere bronnen worden benut.
Medefinanciering voor een voorlichtingsmaatregel kan afkomstig zijn uit:
|
— |
de eigen middelen van de begunstigde; |
|
— |
inkomsten die door de voorlichtingsmaatregel worden gegenereerd; |
|
— |
financiële bijdragen van derden. |
d) Begroting in evenwicht
De geraamde begroting voor de voorlichtingsmaatregel dient bij het aanvraagformulier te worden gevoegd.
Zij moet:
|
— |
bedragen bevatten die uitgedrukt zijn in euro. Aanvragers die voorzien dat de uitgaven niet in euro zullen worden gedaan, moeten de wisselkoers toepassen die wordt bekendgemaakt op de Infor-euro-website: http://ec.europa.eu/budget/contracts_grants/info_contracts/inforeuro/inforeuro_en.cfm; |
|
— |
een evenwichtige verhouding tussen inkomsten en uitgaven vertonen; |
|
— |
een gedetailleerde raming van de kosten bevatten, met vermelding van ter zake relevante toelichtingen in de kolom „Opmerkingen”. Forfaitaire bedragen (behalve die vermeld in punt 11.2) worden niet aanvaard; |
|
— |
binnen de grenzen van de maximumbedragen blijven die door de Commissie voor bepaalde uitgavencategorieën zijn vastgesteld (zie de ter zake relevante documenten op http://ec.europa.eu/agriculture/grants-for-information-measures/); |
|
— |
exclusief btw worden opgesteld als de aanvrager btw-plichtig is en recht heeft op btw-aftrek, of als de aanvrager een publiekrechtelijke instantie is; |
|
— |
met betrekking tot het inkomstendeel, melding maken van de rechtstreekse bijdrage van de aanvrager, de bij de Commissie aangevraagde subsidie, (in voorkomend geval) bijzonderheden over bijdragen van andere geldverschaffers, en alle inkomsten die het project zal genereren, met inbegrip van de eventueel door de deelnemers te betalen vergoedingen. |
e) Uitvoeringscontracten/onderaanbesteding
Wanneer voor de uitvoering van de voorlichtingsmaatregel een overheidsopdracht moet worden geplaatst (hier uitvoeringsopdracht genoemd), gunnen de begunstigden de opdracht aan de indiener van de offerte die de beste verhouding tussen kwaliteit en prijs biedt of die het goedkoopst is (naargelang van het geval). Zij vermijden hierbij belangenconflicten en bewaren de documentatie met het oog op een eventuele audit.
Uitvoeringsopdrachten worden geplaatst voor de aankoop van goederen, diensten en dergelijke die noodzakelijk zijn voor het beheer van de voorlichtingsmaatregel. Uitvoeringsopdrachten hebben geen betrekking op het uitbesteden van taken of activiteiten die deel uitmaken van de voorlichtingsmaatregel zoals beschreven in het voorstel.
Wel kunnen ze betrekking hebben op de vertaling van documenten, drukwerk, en zo meer.
Wanneer de waarde van de opdracht meer dan 70 000 EUR bedraagt, dienen de begunstigden zich te houden aan de bijzondere voorschriften in de subsidieovereenkomst die bij de oproep is gevoegd. Bovendien moeten de begunstigden de aanbestedingsprocedure duidelijk documenteren en met het oog op een eventuele audit de documenten bewaren.
Entiteiten die optreden als aanbestedende diensten in de zin van Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad (12) of Richtlijn 2014/25/EU van het Europees Parlement en de Raad (13), passen de geldende nationale voorschriften inzake overheidsopdrachten toe.
Bij onderaanbesteding — d.w.z. uitvoering door een derde partij met wie de begunstigde een aanbestedingscontract heeft gesloten — van specifieke taken of activiteiten die deel uitmaken van de in het voorstel beschreven voorlichtingsmaatregel, moeten de voorwaarden die voor de uitvoeringsopdracht (zie hierboven) gelden, in acht worden genomen en moet bovendien aan de volgende voorwaarden worden voldaan:
|
— |
de onderaanbesteding mag slechts betrekking hebben op de uitvoering van een beperkt deel van de voorlichtingsmaatregel; |
|
— |
de onderaanbesteding moet te rechtvaardigen zijn, gezien de aard van de voorlichtingsmaatregel en wat nodig is voor de uitvoering ervan; |
|
— |
de onderaanbesteding moet duidelijk in de aanvraag worden vermeld; |
|
— |
de onderaanbesteding mag geen betrekking hebben op projectbeheer en -coördinatie; |
|
— |
de onderaanbesteding mag niet worden uitgevoerd door een verbonden entiteit; |
|
— |
de onderaanbesteding moet terug te vinden zijn in de geraamde begroting voor de maatregel. |
Voorbeelden van uitgavenposten die kunnen worden onderaanbesteed:
|
— |
externe sprekers/deskundigen; |
|
— |
ontwerpen van websites en IT-ondersteuning; |
|
— |
organisatie van externe evenementen. |
f) Financiële steun aan derden
De voorstellen mogen niet voorzien in financiële steun aan derden.
11.2. Financiering
De financiering bestaat uit verschillende elementen:
|
— |
vergoeding van 60 % van de werkelijk gemaakte subsidiabele kosten; |
|
— |
een forfaitair bedrag van 7 % van de subsidiabele directe kosten ter dekking van de indirecte kosten die de algemene administratieve onkosten van de begunstigde vertegenwoordigen en die aan de voorlichtingsmaatregel kunnen worden toegerekend. |
Als de organisatie een exploitatiesubsidie ontvangt tijdens de periode van uitvoering van de voorlichtingsmaatregel, zijn indirecte kosten niet subsidiabel.
Hetzelfde geldt voor personeelskosten die al door een exploitatiesubsidie worden gedekt.
Subsidiebedrag
Het subsidiebedrag (inclusief het forfait voor indirecte kosten) bedraagt minimaal 70 000 EUR en maximaal 500 000 EUR.
Het subsidiebedrag mag niet hoger zijn dan de subsidiabele kosten of het aangevraagde bedrag.
Het bovenstaande impliceert dat de totale subsidiabele uitgaven voor de voorlichtingsmaatregel gedeeltelijk moeten worden gefinancierd uit andere bronnen dan de EU-subsidie.
(zie punt 11.1, onder c))
Subsidiabele kosten
Subsidiabel zijn kosten die daadwerkelijk door de ontvanger van een subsidie zijn gemaakt en aan de volgende criteria voldoen:
|
— |
de kosten, met uitzondering van de kosten van eindverslagen, worden gemaakt tijdens de looptijd van de voorlichtingsmaatregel. De periode waarbinnen gemaakte kosten subsidiabel zijn, gaat in op de datum die in de subsidieovereenkomst is aangegeven. Indien een begunstigde kan aantonen dat reeds voorafgaand aan de ondertekening van de overeenkomst met de voorlichtingsmaatregel moet worden begonnen, kunnen uitgaven worden geautoriseerd voordat de subsidie is toegekend. De periode waarbinnen gemaakte kosten subsidiabel zijn, mag in geen geval ingaan vóór de datum waarop de subsidieaanvraag is ingediend (zie punt 11.1, onder b); |
|
— |
de kosten worden aangegeven in de geraamde begroting voor de voorlichtingsmaatregel; |
|
— |
de kosten zijn noodzakelijk voor de uitvoering van de gesubsidieerde voorlichtingsmaatregel; |
|
— |
de kosten zijn aanwijsbaar en verifieerbaar, zijn met name opgenomen in de boekhouding van de begunstigde en zijn vastgesteld overeenkomstig de boekhoudkundige normen die van toepassing zijn in het land waar de begunstigde is gevestigd en overeenkomstig de gebruikelijke kostenberekeningsmethoden van de begunstigde; |
|
— |
de kosten zijn in overeenstemming met de vereisten van de geldende sociale en belastingwetgeving; |
|
— |
de kosten zijn redelijk en gerechtvaardigd en voldoen aan de vereisten van goed financieel beheer, met name wat zuinigheid en effectiviteit betreft. |
De interne boekhoud- en auditprocedures van de begunstigde moeten het mogelijk maken een rechtstreekse overeenstemming te constateren tussen de voor de voorlichtingsmaatregel gedeclareerde kosten en ontvangsten en de overeenkomstige boekhoudrekeningen en bewijsstukken.
Deze criteria gelden tevens voor de met de aanvrager verbonden entiteiten.
Subsidiabele directe kosten
De subsidiabele directe kosten voor de voorlichtingsmaatregel zijn de kosten die, gelet op de hierboven vermelde subsidiabiliteitsvoorwaarden, identificeerbaar zijn als specifieke kosten die direct verband houden met de uitvoering van de voorlichtingsmaatregel en die daarom direct daarvoor kunnen worden geboekt, zoals:
|
— |
kosten van het voor de voorlichtingsmaatregel ingezette personeel dat met de aanvrager een arbeidsovereenkomst of gelijkwaardig aanstellingsbesluit heeft gesloten; deze omvatten de reële lonen plus socialezekerheidsbijdragen en andere wettelijke kosten die als bezoldiging worden beschouwd, voor zover deze niet meer bedragen dan hetgeen de begunstigde normaliter als lonen uitbetaalt. Deze kosten kunnen een aanvullende bezoldiging omvatten, met inbegrip van betalingen op basis van aanvullende contracten, ongeacht hun aard, mits deze bezoldiging consequent en ongeacht de gebruikte financieringsbron wordt betaald telkens wanneer soortgelijk werk of soortgelijke expertise vereist is. Ook de personeelskosten van nationale overheden zijn subsidiabel voor zover zij verband houden met de kosten van activiteiten die de betrokken overheidsinstantie niet zou ondernemen indien het desbetreffende project niet zou worden uitgevoerd; |
|
— |
reiskosten (voor vergaderingen, waaronder in voorkomend geval opstartvergaderingen, conferenties enz.) op voorwaarde dat deze kosten in overeenstemming zijn met de gangbare praktijk van de begunstigde op het gebied van reizen; |
|
— |
kosten die voortvloeien uit uitvoeringsopdrachten die door de begunstigde worden gegund voor de uitvoering van de voorlichtingsmaatregel, voor zover aan de in de subsidieovereenkomst vastgestelde voorwaarden is voldaan; |
|
— |
kosten die direct voortvloeien uit vereisten in verband met de uitvoering van de voorlichtingsmaatregel (informatieverspreiding, specifieke evaluatie van de voorlichtingsmaatregel, vertalingen, reproductie); |
|
— |
btw over subsidiabele directe kosten indien de begunstigde deze niet kan terugvorderen/aftrekken. |
Bijlage V van de ontwerpsubsidieovereenkomst die bij deze oproep is gevoegd, bevat een lijst van de bewijsstukken voor subsidiabele kosten en de vereiste bewijsstukken die moeten worden opgenomen in het slotverslag.
Subsidiabele indirecte kosten (algemene kosten)
Een forfaitair bedrag van 7 % van de totale subsidiabele directe kosten van de voorlichtingsmaatregel komt in aanmerking in het kader van de indirecte kosten die de algemene administratieve onkosten van de begunstigde vertegenwoordigen en die aan de voorlichtingsmaatregel kunnen worden toegerekend.
Indirecte kosten mogen geen kosten omvatten die onder een ander begrotingsonderdeel zijn opgenomen.
Niet-subsidiabele kosten
De volgende kosten worden als niet-subsidiabel beschouwd:
|
— |
bijdragen in natura, |
|
— |
kosten in verband met de aankoop van nieuwe of tweedehandsapparatuur, |
|
— |
maaltijden en catering, |
|
— |
dagvergoedingen, |
|
— |
kosten in verband met de afschrijving van apparatuur, |
|
— |
btw, tenzij de begunstigden kunnen aantonen dat zij deze overeenkomstig de geldende nationale wetgeving niet kunnen terugvorderen. Door publiekrechtelijke instanties betaalde btw is evenwel niet subsidiabel; |
|
— |
kapitaalopbrengsten; |
|
— |
schulden en kosten van schulden; |
|
— |
voorzieningen voor verliezen of schulden; |
|
— |
debetrente; |
|
— |
dubieuze schuldvorderingen; |
|
— |
door de bank van de begunstigde in rekening gebrachte kosten voor overmakingen van de Commissie; |
|
— |
wisselkoersverliezen; |
|
— |
kosten die door de begunstigde zijn gedeclareerd en in aanmerking zijn genomen in het kader van een andere door de Europese Unie gesubsidieerde voorlichtingsmaatregel; |
|
— |
buitensporige of roekeloze uitgaven. |
Berekening van het definitieve subsidiebedrag
Het definitieve bedrag van de aan de begunstigde toe te kennen subsidie wordt vastgesteld na afloop van de voorlichtingsmaatregel en na goedkeuring van de betalingsaanvraag die de volgende documenten moet bevatten, inclusief, in voorkomend geval, ter zake relevante bewijsstukken:
|
— |
een technisch eindverslag met nadere gegevens over de uitvoering en de resultaten van de voorlichtingsmaatregel, met inbegrip van ter zake relevante bewijsstukken; |
|
— |
de eindrekening van de daadwerkelijk gemaakte kosten met de ter zake relevante bewijsstukken (zie bijlage V van de bij deze oproep gevoegde ontwerpsubsidieovereenkomst). |
De EU-subsidie mag niet tot doel of gevolg hebben dat in het kader van de voorlichtingsmaatregel van de begunstigde winst wordt geboekt.
Winst wordt gedefinieerd als de ontvangsten die na aftrek van de door de begunstigde gemaakte subsidiabele kosten overblijven bij de indiening van het laatste betalingsverzoek. Wanneer winst wordt gemaakt, heeft de Commissie het recht het percentage van de winst terug te vorderen dat overeenkomt met de bijdrage van de Unie in de daadwerkelijk door de begunstigde gemaakte subsidiabele kosten voor de uitvoering van de voorlichtingsmaatregel.
11.3. Verslagperioden en betalingsregelingen
Een enkele verslagperiode vanaf de inwerkingtreding van de maatregel tot het einde van de in artikel I.2.2 van de subsidieovereenkomst vastgestelde periode.
Er wordt niet voorzien in voorfinanciering, noch in tussentijdse betaling. De Commissie zal het aan de begunstigde te betalen saldo vaststellen op basis van de berekening van het definitieve subsidiebedrag (zie punt 11.2).
Het technisch eindverslag en de eindrekening van de kosten met de bewijsstukken worden zowel elektronisch als op papier bij de Commissie ingediend. Verslagen moeten in het Duits, Engels of Frans worden ingediend aan de hand van het beschikbare model voor verslaglegging.
Als de te leveren documenten niet in een van de hiervoor genoemde talen beschikbaar zijn, dient de aanvrager een korte samenvatting in een van die talen in, samen met het betrokken te leveren document. Alle bijlagen moeten genummerd zijn en een in het Duits, het Engels of het Frans gestelde titel hebben.
12. PUBLICITEIT
12.1. Door de begunstigden
In alle publicaties of in samenhang met de activiteiten waarvoor de subsidie wordt gebruikt, moeten de begunstigden en de met hen verbonden entiteiten duidelijk aangeven dat de Europese Unie in de financiering heeft bijgedragen. Bovendien moeten de begunstigden gebruikmaken van een verklaring waarin staat dat de EU niet verantwoordelijk is voor de standpunten die worden ingenomen in de publicaties en/of in samenhang met de activiteiten waarvoor de subsidie wordt gebruikt.
In dit verband moeten de begunstigden en de met hen verbonden entiteiten ervoor zorgen dat de naam en het logo van de Europese Unie duidelijk zichtbaar zijn op alle publicaties, posters, programma’s en bij andere activiteiten die in het kader van de medegefinancierde voorlichtingsmaatregel tot stand zijn gekomen.
De tekst en het logo van de Europese Unie die zij hiervoor moeten gebruiken, en de hierboven bedoelde verklaring zijn beschikbaar op http://ec.europa.eu/agriculture/grants-for-information-measures/.
Indien niet volledig aan deze eis wordt voldaan, kan de subsidie van de begunstigde worden verlaagd overeenkomstig de bepalingen in de subsidieovereenkomst.
12.2. Door de Commissie
Alle informatie over subsidies die in de loop van een begrotingsjaar zijn toegekend, wordt uiterlijk op 30 juni van het jaar na het begrotingsjaar waarin de subsidies zijn toegekend, bekendgemaakt op een internetsite van de instellingen van de Europese Unie.
De Commissie zal de volgende informatie publiceren:
|
— |
naam van de begunstigde; |
|
— |
adres van de begunstigde; |
|
— |
het voorwerp van de subsidie; |
|
— |
het toegekende bedrag. |
Indien de begunstigde daartoe een gemotiveerd en naar behoren gestaafd verzoek indient, wordt afgezien van bekendmaking wanneer deze bekendmaking afbreuk zou doen aan de bij het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie beschermde rechten en vrijheden van personen of wanneer deze bekendmaking de commerciële belangen van de begunstigden zou schaden.
13. GEGEVENSBESCHERMING
Naar aanleiding van reacties op een oproep tot het indienen van voorstellen moeten persoonsgegevens (zoals naam, adres en cv) worden geregistreerd en verwerkt. Deze gegevens zullen worden verwerkt met inachtneming van Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad (14) betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de instellingen en organen van de EU en betreffende het vrije verkeer van die gegevens. Tenzij anders vermeld, zijn de vragen en de gevraagde persoonsgegevens noodzakelijk om de aanvraag overeenkomstig de specificaties van de oproep tot het indienen van voorstellen te beoordelen en worden ze uitsluitend voor dat doel verwerkt door de Commissie. Voor nadere bijzonderheden betreffende de verwerking van persoonsgegevens, zie de privacyverklaring op: http://ec.europa.eu/dpo-register/download?metaId=1462358
Als de aanvrager in een van de situaties verkeert als genoemd in artikel 106 van het Financieel Reglement (15), kunnen zijn persoonsgegevens in het systeem voor vroegtijdige opsporing en uitsluiting (EDES) worden geregistreerd. Voor meer informatie, zie de privacyverklaring op: http://ec.europa.eu/budget/explained/management/protecting/protect_en.cfm
14. PROCEDURE VOOR DE INDIENING VAN VOORSTELLEN
De voorstellen moeten uiterlijk op de in punt 5 bepaalde datum en overeenkomstig de formele voorschriften worden ingediend.
Na de uiterste datum voor indiening mag de aanvraag niet meer worden gewijzigd. Aanvragers die, als gevolg van een duidelijke administratieve fout van hun kant, nalaten bewijsstukken over te leggen of verklaringen af te leggen, wordt door de Commissie verzocht de ontbrekende informatie te verstrekken of opheldering omtrent de bewijsstukken te verschaffen tijdens de evaluatieprocedure. Het voorstel mag door deze informatie of opheldering niet substantieel worden gewijzigd.
De aanvragers worden schriftelijk op de hoogte gebracht van de uitkomst van de evaluatieprocedure voor hun aanvraag.
De voorstellen moeten worden ingediend op papier.
Aanvraagformulieren en relevante documenten zijn beschikbaar op: http://ec.europa.eu/agriculture/grants-for-information-measures/
De aanvragen moeten worden ingediend op het juiste, volledig ingevulde en gedateerde formulier, moeten een evenwichtige begroting bevatten (inkomsten/uitgaven) en moeten zijn ondertekend door de persoon die gemachtigd is namens de aanvragende organisatie juridisch bindende overeenkomsten aan te gaan.
Eventuele aanvullende informatie die de aanvrager noodzakelijk acht, kan op afzonderlijke vellen worden verstrekt.
De aanvragen moeten naar het volgende adres worden verstuurd:
|
Europese Commissie Eenheid AGRI. E.5 |
|
Oproep tot het indienen van voorstellen 2016/C 401/09 |
|
Ter attentie van het hoofd van de eenheid |
|
L130 4/149 |
|
1049 Brussel |
|
BELGIË |
|
— |
per post (aangetekend, zie punt 5 „Ontvankelijkheidsvereisten”), met het poststempel als bewijs van de datum van afgifte aan de post; |
|
— |
door persoonlijke afgifte (door de aanvrager zelf of door een gemachtigde) of per koerierdienst, met vermelding van de datum van afgifte aan de koerierdienst. |
Persoonlijke afgifte/Exprespost:
|
Europese Commissie |
|
Centrale postkamer (Courrier central) |
|
Bourgetlaan 1 |
|
1140 Brussel |
|
BELGIË |
De ontvankelijkheid van de aanvragen wordt beoordeeld op basis van de papieren versie.
Bij persoonlijke afgifte door de aanvrager wordt als bewijs van afgifte een ontvangstbewijs verstrekt dat gedateerd en ondertekend moet zijn door de ambtenaar van de centrale postkamer van de Commissie die de stukken in ontvangst heeft genomen. Deze dienst is open van 8.00 uur tot 17.00 uur van maandag tot en met donderdag, en van 8.00 uur tot 16.00 uur op vrijdag. De dienst is gesloten op zaterdag, zondag en op feestdagen van de Commissie.
In dezelfde omslag als de papieren versie moet de aanvrager een elektronisch exemplaar van het voorstel en de bijlagen indienen op een cd-rom of een USB-stick. De papieren versie is maatgevend.
Contactgegevens
Met vragen over de oproep kunt u via e-mail terecht op agri-grants@ec.europa.eu. Vragen moeten uiterlijk op 29 november 2016 om 24.00 uur worden ingediend.
De meest relevante vragen en antwoorden zullen worden bekendgemaakt op: http://ec.europa.eu/agriculture/grants-for-information-measures/
15. EVALUATIEPROCEDURE
Ontvankelijk bevonden aanvragen zullen aan de verschillende criteria worden getoetst:
|
— |
subsidiabiliteitscriteria (punt 6); |
|
— |
uitsluitingscriteria (punt 7); |
|
— |
selectiecriteria (punt 8); |
|
— |
toekenningscriteria (punt 9). |
De aanvragen moeten een score van minimaal 60 % halen, met een minimum van 50 % voor elk criterium. Aanvragen die de minimumdrempels voor kwaliteit niet halen, worden uitgesloten.
Na de evaluatie van de aanvragen stelt de Commissie een lijst op van aanvragen, gerangschikt volgens hun score.
Op basis van die lijst stelt de Commissie een lijst op van aanvragen die voor subsidie in aanmerking komen, en eventueel een reservelijst, naargelang de voor deze oproep beschikbare begroting.
16. BIJLAGEN
|
— |
Het aanvraagformulier (met de controlelijst van te verstrekken documenten) is beschikbaar op http://ec.europa.eu/agriculture/grants-for-information-measures/ |
|
— |
Een model voor de subsidieovereenkomst is beschikbaar op http://ec.europa.eu/agriculture/grants-for-information-measures/ |
|
— |
formulier Juridische entiteit Alle aanvragers moeten het formulier Juridische entiteit invullen, dat beschikbaar is op: http://ec.europa.eu/budget/contracts_grants/info_contracts/legal_entities/legal_entities_en.cfm |
|
— |
formulier Financiële identificatie Alleen aanvragers moeten het formulier Financiële identificatie invullen, dat beschikbaar is op: http://ec.europa.eu/budget/contracts_grants/info_contracts/financial_id/financial_id_en.cfm |
(1) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 549.
(2) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(3) PB L 362 van 31.12.2012, blz. 1.
(4) PB L 182 van 29.6.2013, blz. 19.
(5) Verwijzingen naar de „aanbestedende dienst” moeten worden gelezen als verwijzingen naar de bevoegde ordonnateur en, in voorkomend geval, naar zijn of haar diensten; wanneer wordt verwezen naar de „aanbestedingsprocedure”, wordt daaronder ook de procedure voor toekenning van subsidies begrepen; wanneer wordt verwezen naar het uitvoeren van de opdracht, wordt daar ook de uitvoering van de subsidieovereenkomst of het subsidiebesluit onder begrepen.
(6) PB L 192 van 31.7.2003, blz. 54.
(7) PB L 300 van 11.11.2008, blz. 42.
(8) PB L 309 van 25.11.2005, blz. 15.
(9) PB L 164 van 22.6.2002, blz. 3.
(10) PB L 101 van 15.4.2011, blz. 1.
(11) PB L 312 van 23.12.1995, blz. 1.
(12) PB L 94 van 28.3.2014, blz. 65.
(13) PB L 94 van 28.3.2014, blz. 243.
(14) PB L 8 van 12.1.2001, blz. 1.
(15) Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 (PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1).