24.11.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 283/15


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Landesarbeitsgericht Mecklenburg-Vorpommern (Duitsland) op 10 september 2007 — Kathrin Haase, Adolf Oberdorfer, Doreen Kielon, Peter Schulze, Peter Kliem, Dietmar Bössow, Helge Riedel, André Richter/Superfast Ferries S.A., Superfast OKTO Maritime Company

(Zaak C-413/07)

(2007/C 283/29)

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Landesarbeitsgericht Mecklenburg-Vorpommern

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partijen: Kathrin Haase, Adolf Oberdorfer, Doreen Kielon, Peter Schulze, Peter Kliem, Dietmar Bössow, Helge Riedel, André Richter Andreas Schneider

Verwerende partij: Superfast Ferries S.A., Superfast OKTO Maritime Company

Prejudiciële vragen

1)

Moet artikel 19, punt 2, sub a, van verordening (EG) nr. 44/2001 (1), aldus worden uitgelegd, dat voor werknemers die in dienst zijn genomen om op een welbepaald schip te werken en uitsluitend op dit schip tewerkgesteld worden, het schip als zodanig moet worden beschouwd als de plaats waar de werknemer gewoonlijk werkt?

2)

Moet artikel 19, punt 2, sub a, aldus worden uitgelegd dat het voor de thuis- of de registratiehaven van het schip bevoegde gerecht in de staat waarvan het schip de vlag voert, moet worden beschouwd als gerecht van de gewoonlijke plaats van arbeid, dit althans wanneer het schip dat als plaats van arbeid moet worden beschouwd, niet uitsluitend of overwegend in de territoriale wateren van één staat dienst doet, maar wel in de internationale vaart, zoals in casu als veerboot die de lijndienst onderhoudt tussen Duitsland en Finland?

3)

Moet er voor een werknemer die uitsluitend werkt op een welbepaald schip in de internationale vaart, van worden uitgegaan dat hij niet gewoonlijk in één en dezelfde staat werkt en moet daarom artikel 19, punt 2, sub b, in plaats van artikel 19, punt 2, sub a, worden toegepast voor de vaststelling van het bevoegde gerecht in een andere staat dan die waar de werkgever zijn woonplaats heeft?

4)

Moet in het laatstgenoemde geval artikel 19, punt 2, sub b, aldus uitgelegd worden dat als vestiging die de werknemer in dienst heeft genomen, ook een kantoor kan worden beschouwd dat in één van de regelmatige aanloophavens van het schip weliswaar niet door de werkgever zelf maar door een andere vennootschap uitgebaat wordt, die door de werkgever met een managementovereenkomst gelast is als „operator” de economische en technische exploitatie van zijn schip te organiseren en die aldaar een „crew manager” in dienst heeft tot wiens opdrachten de coördinatie van de tewerkstelling van het personeel behoort, indien de arbeidsovereenkomsten weliswaar niet in dit kantoor maar wel op het schip door de kapitein werden afgesloten, maar in dit kantoor de dienstroosters werden uitgedeeld en de arbeidsongeschiktheidsattesten in ontvangst genomen en door de voormelde „crew manager” arbeidsverhoudingen werden opgezegd?

5)

Indien vraag 4 bevestigend beantwoord wordt:

a)

Kan de koper van het schip waarvan de bemanningsleden hun vroegere werkgever krachtens artikel 19, punt 2, sub b, konden laten oproepen voor het gerecht van de plaats waar zich de vestiging bevond die de werknemer in dienst heeft genomen, voor hetzelfde gerecht worden opgeroepen om de enkele reden dat de ontslagen werknemers betogen dat hun arbeidsverhouding op de koper is overgegaan krachtens de regels betreffende de bedrijfsovergang overeenkomstig het naar hun mening toepasselijke nationale recht?

b)

Kan de — in vraag 4 vermelde — „operator” die de opzeg heeft gegeven, voor hetzelfde gerecht worden opgeroepen als de vroegere werkgever indien de vordering ook tegen hem gericht is?


(1)  PB L 12, blz. 1.