|
8.9.2007 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 211/42 |
Beroep ingesteld op 9 juli 2007 — Pathé Distribution/EACEA
(Zaak T-239/07)
(2007/C 211/80)
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partij: Pathé Distribution SAS (Parijs, Frankrijk) (vertegenwoordiger: P. Deprez, avocat)
Verwerende partij: Uitvoerend Agentschap Onderwijs, audiovisuele media en cultuur (EACEA)
Conclusies
|
— |
vaststelling dat overeenkomst nr. 2006-09120304D1021001FD1507 niet rechtsgeldig is opgezegd door het Uitvoerend Agentschap Onderwijs, audiovisuele media en cultuur en nog steeds van kracht is; |
|
— |
veroordeling van het Uitvoerend Agentschap Onderwijs, audiovisuele media en cultuur tot betaling aan verzoekster van het bedrag van 9 737 EUR dat het op grond van de overeenkomst nog verschuldigd is. |
Middelen en voornaamste argumenten
Met het onderhavige beroep, dat gebaseerd is op een arbitragebeding, vordert verzoekster de veroordeling van de verwerende partij tot betaling van een bedrag dat overeenstemt met het schuldsaldo dat resteert bij de uitvoering van overeenkomst nr. 2006-09120304D1021001FD1507 betreffende financiële steun van de Gemeenschap voor een project voor videografische distributie, gesloten in het kader van het programma „Media Plus” aangenomen bij besluit 2000/281/EG van de Raad (1).
De overeenkomst is op 27 juni 2006 door partijen ondertekend en verweerder heeft verzoekster, in overeenstemming met de bepalingen hiervan, een voorschot betaald. Op 8 mei 2007 heeft de verwerende partij aan verzoekster een brief gezonden waarin zij aangaf de overeenkomst op te zeggen op de grond dat de totale werkelijke kosten van het project lager waren dan voorzien in de begroting van het project, zonder dat een schriftelijke uitleg is verstrekt bij de overlegging van het financiële verslag over het project, en voorts om terugbetaling van het voorschot vroeg. Verzoekster meent daarentegen dat volgens de bepalingen van de overeenkomst de bijdrage van verweerder aan het project 50 % van de werkelijke kosten met het oog op de videografische distributie had moeten bedragen en vordert dientengevolge de storting van het bedrag dat na aftrek van het voorschot nog resteert.
Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster aan dat de beëindiging van de overeenkomst door de verwerende partij niet volgens de regels is verlopen en onterecht is, aangezien de bepalingen van de overeenkomst over beëindiging niet zijn nageleefd en, meer bepaald, haar geen termijn is gesteld waarbinnen zij opmerkingen over de wijze van uitvoering van de overeenkomst kon maken. Volgens verzoekster zou het Gerecht derhalve moeten vaststellen dat de overeenkomst nog steeds van kracht is.
Zij betwist daarenboven dat de geldigheid van de redenen die door de verwerende partij zijn ingeroepen voor opzegging van de overeenkomst, te weten de niet-uitvoering van de contractuele verplichtingen.
(1) Besluit van de Raad van 20 december 2000 betreffende de uitvoering van een programma ter aanmoediging van de ontwikkeling, de distributie en de promotie van Europese audiovisuele werken (Media Plus — Ontwikkeling, distributie en promotie) (2001-2005), PB L 336, blz. 82.