25.8.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 199/17


Hogere voorziening ingesteld op 22 mei 2007 door Carsten Brinkmann tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg (Vijfde kamer) van 22 maart 2007 in zaak T-322/05, Carsten Brinkmann/Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM)

(Zaak C-243/07 P)

(2007/C 199/27)

Procestaal: Duits

Partijen

Rekwirant: Carsten Brinkmann (vertegenwoordiger: K. van Bebber, Rechtsanwältin)

Andere partijen in de procedure:

1.

Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)

2.

Terra Networks, S.A.

Conclusies

het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 22 maart 2007 in zaak T-322/05 te vernietigen;

beslissing nr. 3646/2004 van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt van 29 oktober 2004 te vernietigen;

het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt te verwijzen in kosten van de procedures voor de instanties van het BHIM en in de kosten van de procedures voor het Gerecht en het Hof van Justitie.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter staving van de hogere voorziening tegen bovengenoemd arrest van het Gerecht voert rekwirant schending van de bepalingen van verordening (EG) nr. 40/94 van de Raad van 20 december 1993 inzake het gemeenschapsmerk aan. Bij een juiste beoordeling blijkt er immers in casu geen gevaar voor verwarring van de conflicterende merken in de zin van artikel 8, lid 1, sub b, van deze verordening te bestaan.

In de eerste plaats is het niet juist dat de waren en diensten die door het aangevraagde merk respectievelijk het oppositiemerk worden aangeduid, volstrekt dezelfde zijn.

In de tweede plaats bestaat het relevante publiek niet uit de gemiddelde Duitse consument, maar uit vaklui, namelijk deskundigen uit de banksector, eigenaars van onroerend goed, enz.

In de derde plaats is het onderscheidend vermogen van het bestanddeel „terra” in het oppositiemerk zeer gering. Het Gerecht van eerste aanleg heeft dit beslissende aspect volledig buiten beschouwing gelaten: het is niet ingegaan op het onderscheidend vermogen van het oppositiemerk. Dit aspect is nochtans van belang, aangezien het bij een zeer gering onderscheidend vermogen van het oudere merk mogelijk is dat er geen verwarringsgevaar bestaat, terwijl dat in de regel wel het geval zou zijn. Hoe geringer het onderscheidend vermogen van een teken, hoe geringer ook de merkenrechtelijke beschermingsomvang. Bij merken met een zwak onderscheidend vermogen kan zelfs een daadwerkelijk (ook sterk) verwarringsrisico rechtens niet leiden tot de conclusie dat er verwarringsgevaar bestaat.

Wat in de vierde plaats de overeenstemming van de tekens betreft, is de overeenstemming op het vlak van beeld, klank en betekenis beslissend. Daarbij moet telkens de totaalindruk in aanmerking worden genomen, rekening houdend evenwel met de onderscheidende en dominerende bestanddelen. Het oppositiemerk is een beeldmerk bestaande uit het woord „terra” en een beeldelement dat ongeveer even groot is als het woordbestanddeel „terra”. Aangezien het omstreden merk geen beeldelement bevat, zijn er reeds duidelijke verschillen bij vergelijking van de merken in hun geheel. Zelfs indien wordt aangenomen dat het woordbestanddeel „terra” het oppositiemerk kenmerkt, is er uit merkenrechtelijk oogpunt geen sprake van relevante overeenstemming. Het is juist dat in de zelfbedachte term „Terranus” het voor het publiek algemeen bekende begrip „Terra” volledig is overgenomen. In het jongere merk neemt het teken „terra” evenwel geen zelfstandige, kenmerkende positie meer in. Het publiek is voorts eraan gewend dat begrippen die aanleunen bij een bepaalde stam, door een variatie daarop een volkomen andere betekenis kunnen krijgen waardoor zij inhoudelijk niet meer in verband kunnen worden gebracht met het oorspronkelijke begrip.