|
4.8.2007 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 183/25 |
Hogere voorziening ingesteld op 14 juni 2007 door de Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 29 maart 2007 in zaak T-366/00, Scott SA, ondersteund door Franse Republiek/Commissie van de Europese Gemeenschappen
(Zaak C-290/07 P)
(2007/C 183/45)
Procestaal: Engels
Partijen
Rekwirante: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordiger: J. Flett, gemachtigde)
Andere partijen in de procedure: Scott SA, Franse Republiek
Conclusies
Rekwirante verzoekt het Hof:
|
— |
het bestreden arrest te vernietigen; |
|
— |
het geschil zelf af te doen, dan wel de delen van het geschil ten aanzien waarvan het Hof meent dat zij nog niet in staat van wijzen zijn, voor verdere afdoening naar het Gerecht te verwijzen; |
|
— |
verzoekster te verwijzen in haar eigen kosten en in die van de Commissie in de procedures bij het Gerecht en het Hof; de Franse Republiek in haar eigen kosten te verwijzen. |
Middelen en voornaamste argumenten
De eerste vier middelen van de hogere voorziening hebben betrekking op onjuiste rechtsopvattingen in het bestreden arrest op het punt van de procedurele rechten van derdebelanghebbenden en de procedurele verplichtingen van de Commissie in staatssteunzaken:
|
|
het eerste middel betreft de uitsluiting van het dossier van de aanvullende opmerkingen van Scott van 24 december 1999 die 13 maanden na de gestelde termijn zijn toegezonden; |
|
|
het tweede middel betreft de vaststelling in het bestreden arrest dat de Commissie procedureel verplicht was om Frankrijk nog een gelegenheid te geven om de vermeende schattingen over te leggen; |
|
|
het derde middel betreft de vaststelling in het bestreden arrest dat de Commissie procedureel verplicht was om Scott nog een gelegenheid te geven om opmerkingen in te dienen; |
|
|
het vierde middel betreft de vaststelling in het bestreden arrest dat de Commissie procedureel verplicht was om gebruik te maken van een „onafhankelijke deskundige”. |
De Commissie betoogt dat het bestreden arrest op deze punten niet de juiste juridische maatstaf noemt of toepast, namelijk of de Commissie wezenlijke vormvoorschriften heeft geschonden. Daarnaast kon in het bestreden arrest niet rechtsgeldig op deze punten worden ingegaan, aangezien het verzoekschrift van Scott geen van deze middelen tot nietigverklaring bevatte. De Commissie meent dat hoe dan ook geen wezenlijke vormvoorschriften zijn geschonden. De procedureverordening bevat geen van deze voorschriften, terwijl het bestreden arrest niet dergelijke rechten kon „toekennen”of deze verplichtingen, gebaseerd op onjuiste overwegingen in het bestreden arrest, kon opleggen. Ten slotte is geen inbreuk op een wezenlijk vormvoorschrift begaan:
|
|
de uitgesloten aanvullende opmerkingen van Scott zijn op 21 februari 2000 opnieuw ingediend door Frankrijk en dus onderdeel van het onderzoeksdossier en beoordeeld in de litigieuze beschikking; |
|
|
in het licht van de vier verzoeken om inlichtingen en het bevel tot het verstrekken van informatie was de Commissie niet verplicht om Frankrijk nog een gelegenheid te geven om de vermeende schattingen over te leggen; |
|
|
Scott heeft voldoende gelegenheid gekregen om opmerkingen in te dienen, en heeft meer bepaald het antwoord op het bevel tot het verstrekken van informatie mee opgesteld; |
|
|
Scott en Frankrijk hebben ruim gelegenheid gekregen om een schatting op datum steunverlening over te leggen, maar hebben verzuimd dit te doen. |
Het vijfde tot en met het achtste middel groeperen wat de Commissie gemakshalve heeft aangeduid als „inleidende punten” en hebben betrekking op onjuiste rechtsopvattingen in het bestreden arrest betreffende: het ontbreken van enig middel over de vermeende schattingen in het verzoekschrift van Scott, de toetsingsmaatstaf van het Gerecht van eerste aanleg (de Commissie zou geen beoordelingsvrijheid hebben), het gebruik van speculatie in plaats van bewijs in het bestreden arrest en de omkering van de bewijslast in staatssteunzaken en de procedure bij het Gerecht van eerste aanleg.
Het negende en het tiende middel betreffen wezenlijke onjuiste rechtsopvattingen ten aanzien van de fabriek.
Het negende middel betreft de wijze van bepaling van het bedrag van steun verleend in natura. Anders dan in het bestreden arrest is vastgesteld, is de Commissie gerechtigd om bij gebreke van een schatting op datum steunverlening of een openbare aanbesteding de kosten als benadering van de waarde te gebruiken. Dit was in de onderhavige zaak een zeer redelijke benadering omdat de fabriek was aangepast aan de behoeften van Scott. De motivering in het bestreden arrest op het punt van de vermeende verkoopprijs van elf jaar na de steunverlening is gebaseerd op vermeende procedurele onregelmatigheden en andere onjuiste rechtsopvattingen en is in elk geval onjuist.
Het tiende middel betreft veronderstelde fouten van de Commissie bij de toepassing van de kostenmethode. De vaststellingen in het bestreden arrest zijn gebaseerd op vermeende procedurele onregelmatigheden en andere onjuiste rechtsopvattingen. De conservatieve schatting van de Commissie van de waarde was de laagst mogelijke. Het is geen reden voor vernietiging van de litigieuze beschikking dat het bedrag van de steun mogelijk hoger was.
Het elfde tot en met het dertiende middel betreffen wezenlijke onjuiste rechtsopvattingen ten aanzien van de grond.
Het elfde middel betreft de afdoening van de conservatieve schattingen in de notulen van de gemeenteraad van Orléans van 27 mei 1994 als „een zeer korte samenvatting zonder gedetailleerde uitleg”.
Het twaalfde middel betreft de wijze van bepaling van het steunbedrag in natura en is vergelijkbaar met het negende middel. Bij gebreke van een schatting op datum steunverlening of een openbare aanbesteding is de Commissie gerechtigd om de kosten als een benadering van de waarde te gebruiken. Dit was in de onderhavige zaak een zeer redelijke benadering omdat de derde aankoop van grond was afgestemd op de behoeften van Scott. De motivering met betrekking tot de vermeende fiscale controle in het bestreden arrest is gebaseerd op vermeende procedurele onregelmatigheden en andere onjuiste rechtsopvattingen en is in elk geval onjuist.
Het dertiende middel betreft veronderstelde fouten van de Commissie bij de toepassing van de kostenmethode. De vaststellingen in het bestreden arrest zijn gebaseerd op vermeende procedurele onregelmatigheden en andere onjuiste rechtsopvattingen. De Commissie is uitgegaan van de laagst mogelijke waarde van de grond die Frankrijk en Scott hebben beweerd. De feiten en het bewijs tot staving van het standpunt van de Commissie zijn: het aanbod, de vermeende schattingen van Galtier en de inbrengcontroleur, de notulen van de gemeenteraad van Orléans van 27 mei 1994 en de gemiddelde aankoopprijs van de drie percelen grond. Het is geen reden voor vernietiging van de litigieuze beschikking dat het bedrag van de steun mogelijk hoger was.
Het veertiende middel betreft het bevel tot verstrekken van informatie, meer bepaald met betrekking tot de grond, de kostenmethode voor bepaling van het steunbedrag en de drie aankopen van percelen grond. Dit is een procedurele aangelegenheid, die echter aan het einde is behandeld vanwege de samenhang met het dertiende middel.
Met het vijftiende middel verzoekt de Commissie het Hof om het bestreden arrest te vernietigen vanwege de verdraaiing van het bewijs door het Gerecht van eerste aanleg, meer bepaald doordat het Gerecht van eerste aanleg zijn eigen redenering voor die in de litigieuze beschikking in de plaats heeft gesteld.