|
21.7.2007 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 170/41 |
Beroep ingesteld op 12 juni 2007 — Foshan Shunde Yongjian Houswares & Hardware/Raad
(Zaak T-206/07)
(2007/C 170/79)
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partij: Foshan Shunde Yongjian Housewares & Hardware Co., Ltd (vertegenwoordigers: J.-F. Bellis, advocaat, en G. Vallera, Barrister)
Verwerende partij: Raad van de Europese Unie
Conclusies
|
— |
het bij verordening (EG) nr. 452/2007 van de Raad tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige antidumpingrecht op strijkplanken van oorsprong uit de Volksrepubliek China en Oekraïne, aan verzoekster opgelegde antidumpingrecht nietig te verklaren; |
|
— |
de Raad te verwijzen in de kosten van de procedure. |
Middelen en voornaamste argumenten
Op 23 april 2007 heeft de Raad op voorstel van de Commissie verordening (EG) nr. 452/2007 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige antidumpingrecht op strijkplanken van oorsprong uit de Volksrepubliek China en Oekraïne (1) vastgesteld. Deze verordening, waartegen het onderhavige beroep is ingesteld, legt verzoekster het antidumpingrecht op.
In haar beroep stelt verzoekster dat het haar opgelegde definitieve recht onrechtmatig is daar het door de Commissie aan de Raad meegedeelde voorstel van definitieve maatregelen waarop de bestreden verordening is gebaseerd, twee gebreken vertoont.
In de eerste plaats stelt verzoekster dat het aan de Raad door de Commissie meegedeelde voorstel niet is gebaseerd op de definitieve conclusies van de Commissie, maar op de voorlopige conclusies. Verzoekster stelt dat de Commissie artikel 2, lid 7, sub c, van verordening nr. 384/96 (2) ten onrechte opvat als een verbod om in de loop van het onderzoek de aanvankelijke vaststelling van de status van een onderneming in het kader van deze bepaling te verbeteren. Verzoekster stelt dus een kennelijke schending van het recht in het voorstel van de Commissie betreffende de definitieve maatregelen.
Bovendien stelt verzoekster dat in het voorstel van definitieve maatregelen wezenlijke vormen zijn verzuimd daar het in strijd met de rechten van de verdediging en artikel 20, lid 5, van verordening nr. 384/96 is vastgesteld. Ter ondersteuning van dit middel stelt verzoekster dat de Commissie nog vóór het verstrijken van de datum voor de indiening van haar opmerkingen over de herziene definitieve informatie waarop het voorstel is gebaseerd, haar voorstel aan de Raad heeft meegedeeld.
(2) Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap, PB 1996, L 56, blz. 1, laatstelijk gewijzigd bij verordening (EG) nr. 2117/2005, PB L 340, blz. 17.