2.12.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 294/12


Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 7 september 2006 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Gerechtshof te 's-Gravenhage — Nederland) — Bovemij Verzekeringen NV/Benelux-Merkenbureau

(Zaak C-108/05) (1)

(Merken - Richtlijn 89/104/EEG - Artikel 3, lid 3 - Onderscheidend vermogen - Verkrijging door gebruik - Inaanmerkingneming van geheel of aanmerkelijk deel van Beneluxgebied - Inaanmerkingneming van taalgebieden van Benelux - Woordmerk EUROPOLIS)

(2006/C 294/19)

Procestaal: Nederlands

Verwijzende rechter

Gerechtshof te 's-Gravenhage

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Bovemij Verzekeringen NV

Verwerende partij: Benelux-Merkenbureau

Voorwerp

Verzoek om een prejudiciële beslissing — Gerechtshof te 's-Gravenhage — Uitlegging van artikel 3, lid 3, van richtlijn 89/104/EEG van de Raad van 21 december 1988 betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten (PB 1989, L 40, blz. 1) — Beoordeling van onderscheidend vermogen van merk — Gebruik van merk — Bekendheid van merk in gehele Beneluxgrondgebied of in aanzienlijk deel ervan (bijvoorbeeld in Nederland) — Inaanmerkingneming van taalgebieden

Dictum

1)

Artikel 3, lid 3, van de Eerste richtlijn (89/104/EEG) van de Raad van 21 december 1988 betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten, moet aldus worden uitgelegd dat de inschrijving van een merk enkel toelaatbaar is op grond van deze bepaling indien wordt aangetoond dat dit merk door het gebruik ervan onderscheidend vermogen heeft verkregen in het gehele grondgebied van een lidstaat of, in het geval van de Benelux, in het gehele gedeelte van het Beneluxgebied waar een weigeringsgrond bestaat.

2)

Wanneer bij een uit een of meer woorden van een officiële taal van een lidstaat of van de Benelux bestaand merk de weigeringsgrond slechts bestaat in een van de taalgebieden van een lidstaat of, in het geval van de Benelux, slechts in één taalgebied van de Benelux, moet komen vast te staan dat het merk door het gebruik onderscheidend vermogen heeft verworven in dit gehele taalgebied. Voor het aldus gedefinieerde taalgebied moet worden beoordeeld of de betrokken kringen, althans een aanzienlijk deel ervan, de betrokken waar of dienst op basis van het merk als van een bepaalde onderneming afkomstig identificeren.


(1)  PB C 115 van 14.5.2005.