2.12.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 294/60


Beroep ingesteld op 6 oktober 2006 — Verenigd Koninkrijk/Commissie

(Zaak T-278/06)

(2006/C 294/121)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (vertegenwoordigd door E. O'Neill als gemachtigde en K. Mercer, barrister)

Verwerende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen

Conclusies

nietig te verklaren artikel 1 van beschikking 2006/554/EG van de Commissie betreffende de goedkeuring van de rekeningen die de lidstaten voor het begrotingsjaar 1995 hebben ingediend in verband met de door het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw, afdeling Garantie, gefinancierde uitgaven, voor zover daarbij de uitgaven van het Verenigd Koninkrijk over de jaren 2001-2004 ten bedrage van 1 351 441,25 GBP in de sector „bakkersboter” wegens „ontoereikende kwaliteitscontrole van de geproduceerde hoeveelheden” zijn uitgesloten van communautaire financiering;

de Commissie te verwijzen in de door het Verenigd Koninkrijk gemaakte kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Verzoeksters beroep strekt tot gedeeltelijke nietigverklaring van beschikking 2006/554/EG van de Commissie van 27 juli 2006 houdende onttrekking aan communautaire financiering van bepaalde uitgaven die de lidstaten voor het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL) (1), afdeling Garantie, hebben verricht, en met name van het gedeelte dat betrekking heeft op het gebruik van bakkersboter in het Verenigd Koninkrijk.

Het geding heeft betrekking op de controlemaatregelen die verzoeker heeft getroffen overeenkomstig artikel 23 van verordening (EG) nr. 2571/97 (2) van de Commissie (hierna: verordening van de Commissie), dat de controlemaatregelen omschrijft die de lidstaten moeten treffen inzake, onder andere, de vervaardiging en het gebruik van boterconcentraat, waarvoor steun kan worden verleend indien het boterconcentraat wordt gebruikt voor de vervaardiging van bepaalde banketbakkersproducten en cakes.

Artikel 23, lid 2, van de verordening van de Commissie bepaalt dat bij de producenten van boterconcentraat, een controle „ter plaatse” moet worden verricht „bij de vervaardiging van het boterconcentraat”, op zodanige wijze dat „voor elke offerte […] ten minste één controle plaatsvindt”.

De Commissie is van oordeel dat verzoeker heeft verzuimd essentiële controles te verrichten, aangezien de verordening van de Commissie aldus moet worden uitgelegd dat op verzoeker de verplichting rust om van alle partijen boterconcentraat per offerte fysiek de hoeveelheid te controleren nadat de vervaardiging ervan heeft plaatsgevonden. Verzoeker betoogt dat dit in feite erop neerkomt dat wordt verzekerd dat elke offerte ten minste tweemaal wordt gecontroleerd. Hij stelt dat de Commissie uitgaat van een in de verordening van de Commissie niet voorkomend concept van een „fysieke” hoeveelheidscontrole.

Verzoeker voert twee middelen aan:

a)

De Commissie heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, aangezien de bestreden beschikking onwettig was op grond van de eerste alinea van artikel 7, lid 4, van verordening nr. 1258/1999 (3) van de Raad (hierna: verordening van de Raad) betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, omdat niets de conclusie rechtvaardigde dat de betrokken uitgaven niet waren gedaan in overeenstemming met de communautaire regels, neergelegd in artikel 23, lid 2, van de verordening van de Commissie; en

b)

De Commissie heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, aangezien de vaststelling van het uitgesloten bedrag in strijd was met de vierde alinea van artikel 7, lid 4, van de verordening van de Raad.


(1)  PB L 218, blz. 12.

(2)  Verordening (EG) nr. 2571/97 van de Commissie van 15 december 1997 betreffende de verkoop van boter tegen verlaagde prijs en de toekenning van steun voor room, boter en boterconcentraat voor de vervaardiging van banketbakkerswerk, consumptie-ijs en andere voedingsmiddelen (PB L 350, blz. 3).

(3)  Verordening (EG) nr. 1258/1999 van de Raad van 17 mei 1999 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (PB L 160, blz. 103).