12.8.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 190/11


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Arbeidshof te Brussel (België) op 22 mei 2006 — Noëlle Permesaen/Rijksdienst voor pensioenen

(Zaak C-233/06)

(2006/C 190/18)

Procestaal: Frans

Verwijzende rechter

Arbeidshof te Brussel

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekster: Noëlle Permesaen

Verweerder: Rijksdienst voor pensioenen

Prejudiciële vragen

1)

Aangaande de regularisatiebijdragen (artikel 4 van het koninklijk besluit van 25 juni 1997, waarbij artikel 16ter, § 2, wordt ingevoegd)

Dient richtlijn 79/7/EEG van 19 december 1978 (1) aldus te worden uitgelegd dat een lidstaat een regeling mag vaststellen die ertoe strekt om een groep personen van een bepaald geslacht, die aanvankelijk werd gediscrimineerd, in staat te stellen gebruik te maken van de pensioenregeling die geldt voor de groep personen van het andere geslacht, wanneer zij met terugwerkende kracht bijdragen betalen (eenmalige betaling van een zeer groot bedrag) waarvan de vordering tot betaling op grond van de in deze staat geldende wettelijke regeling is verjaard voor de laatstgenoemde categorie personen?

Zo ja, dient richtlijn 79/7/EEG van 19 december 1978 niet aldus te worden uitgelegd dat een lidstaat de hiermee strijdige wettelijke regeling moet aanpassen zodra bij een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen dit normenconflict wordt vastgesteld, en uiterlijk binnen de verjaringstermijn die geldt voor de vordering tot betaling van bijdragen die voortvloeit uit de vaststelling van deze regeling?

2)

Aangaande de vertragingsrente (artikel 4 van het koninklijk besluit van 25 juni 1997, waarbij artikel 16ter, § 4, derde alinea, wordt ingevoegd)

Dient richtlijn 79/7/EEG van 19 december 1978 aldus te worden uitgelegd dat een lidstaat een regeling mag vaststellen die ertoe strekt om een groep personen van een bepaald geslacht, die aanvankelijk werd gediscrimineerd, in staat te stellen gebruik te maken van de pensioenregeling die geldt voor de groep personen van het andere geslacht, wanneer zij hoge vertragingsrente betalen die op grond van de in deze staat geldende wettelijke regeling is verjaard voor de laatstgenoemde categorie personen?

Zo ja, dient richtlijn 79/7/EEG van 19 december 1978 niet aldus te worden uitgelegd dat een lidstaat de hiermee strijdige wettelijke regeling moet aanpassen zodra bij een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen dit normenconflict wordt vastgesteld, en uiterlijk binnen de verjaringstermijn die geldt voor de vertragingsrente die voortvloeit uit de vaststelling van deze regeling?


(1)  Richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid (PB L 6, blz. 24).