|
29.7.2006
|
NL
|
Publicatieblad van de Europese Unie
|
C 178/23
|
Hogere voorziening ingesteld op 24 mei 2006 door Il Ponte Finanziaria SpA tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg (Vierde kamer) van 23 februari 2006 in zaak T-194/03, Il Ponte Finanziaria SpA/BHIM en Marine Entreprise Project Società Unipersonale di Alberto Fiorenzi Srl
(Zaak C-234/06 P)
(2006/C 178/37)
Procestaal: Italiaans
Partijen
Rekwirante: Il Ponte Finanziaria SpA (vertegenwoordigers: P. Roncaglia, A. Torrigiani Malaspina, M. Boletto, advocaten)
Andere partijen in de procedure: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) en Marine Entreprise Project Società Unipersonale di Alberto Fiorenzi
Conclusies
|
1
|
te vernietigen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg (Vierde kamer) van 23 februari 2006 in zaak T-194/03 houdende verwerping van het door rekwirante ingestelde beroep en verwijzing van rekwirante in de kosten;
|
|
2
|
de voor het Gerecht van eerste aanleg geformuleerde vorderingen toe te wijzen en derhalve:
|
a)
|
te vernietigen de beslissing van de vierde kamer van beroep van het BHIM van 17 maart 2003 in de procedure R 1015/2001-4 voorzover daarbij het door rekwirante ingestelde beroep is verworpen en het beeldmerk BAINBRIDGE (nummer 940007) als gemeenschapsmerk is ingeschreven voor waren van de klassen 18 en 25;
|
|
b)
|
het BHIM en interveniënte te verwijzen in de kosten van de procedure in eerste aanleg en van de onderhavige procedure
|
|
Middelen en voornaamste argumenten
Rekwirante betoogt dat het bestreden arrest de navolgende gebreken vertoont:
|
1)
|
Onjuiste toepassing van artikel 8, lid 1, sub b, van verordening nr. 40/94 doordat de conflicterende merken met elkaar kunnen worden verward:
|
—
|
het Gerecht zou ten onrechte hebben aangenomen dat er niet een minimum aan overeenstemming bestaat tussen het merk BAINBRIDGE van interveniënte en de familie van merken met het bestanddeel THE BRIDGE van rekwirante, terwijl laatstgenoemde zelf heeft erkend dat het oppositiemerk BAINBRIGDE „in aanzienlijke mate” fonetisch overeenstemt met een aantal van haar merken; deze overeenstemming wordt niet geneutraliseerd door de begripsmatige verschillen tussen conflicterende merken, daar het „postulaat” van het Gerecht dat de gemiddelde Italiaanse consument voldoende Engels kent om de betekenis van het woord „BRIGDE” te vatten, zeker onjuist is;
|
|
—
|
als de conflicterende merken dus toch een minimum aan overeenstemming vertonen, moet, gelet op het feit dat zij betrekking hebben op dezelfde waren en dat de merken van rekwirante een groot onderscheidend vermogen hebben, worden aangenomen dat zij kunnen worden verward.
|
|
|
2)
|
Onjuiste toepassing van artikel 43, leden 2 en 3, van verordening nr. 40/94 doordat het Gerecht geen rekening heeft gehouden met woordmerk nr. 642952, THE BRIGDE, van rekwirante;
|
—
|
rekwirante heeft met betrekking tot het woordmerk THE BRIGDE voldoende bewijzen van gebruik aangedragen om het normaal en daadwerkelijk gebruik van het merk in de zin van regel 22, lid 2, van verordening nr. 2868/95 aannemelijk te maken;
|
|
—
|
het Gerecht heeft artikel 43, leden 2 en 3, van verordening nr. 40/94 onjuist toegepast door niet te onderzoeken of de door rekwirante ten bewijze van het gebruik van haar merk aangedragen documenten daartoe geschikt waren, maar zich te beperken tot de verklaring dat de kamer van beroep terecht geen rekening heeft gehouden met dat merk omdat rekwirante geen voortdurend gebruik van dat merk tijdens de vijf referentiejaren heeft aangetoond, een vereiste dat in de wet niet wordt gesteld.
|
|
|
3)
|
Onjuiste toepassing van de artikelen 15, lid 2, sub a, en 43, leden 2 en 3, van verordening nr. 40/94 doordat het Gerecht geen rekening heeft gehouden met beeldmerk nr. 370836, BRIGDE, van rekwirante;
|
—
|
de door rekwirante aangedragen bewijzen voor het daadwerkelijke gebruik van het merk THE BRIGDE hadden voldoende moeten worden geacht om het gebruik van het merk BRIDGE aan te tonen;
|
|
—
|
in elk geval moet het beeldmerk BRIGDE van rekwirante worden beschouwd als een „defensief” merk in de zin van de Italiaanse merkenwet, waarvoor derhalve geen bewijs van gebruik nodig is;
|
|
—
|
het Gerecht heeft zich ten onrechte geschaard achter de door het BHIM voor het eerst in zijn memorie van antwoord aangevoerde (en om die reden in elke geval niet-ontvankelijke) betoog dat het concept van het defensieve merk onverenigbaar is met het stelsel van bescherming van het gemeenschapsmerk. In werkelijkheid pleiten tal van argumenten voor de verenigbaarheid van het concept van het „defensieve” merk met het gemeenschapsstelsel.
|
|
|
4)
|
Onjuiste toepassing van artikel 8, lid 1, sub b, van verordening nr. 40/94 doordat het feit dat rekwirante houdster is verschillende merken die de term „bridge” als kern hebben (seriemerken) het gevaar van verwarring van deze groep merken met het merk BAINBRIGDE verhogen;
|
—
|
ofschoon het Gerecht erkent dat de omstandigheid dat rekwirante houdster is van een „familie” van merken met als kern het woord „Bridge” in beginsel relevant is voor de beoordeling van verwarringsgevaar, heeft het deze merken in casu niet in aanmerking genomen omdat zij slechts zijn ingeschreven, maar nog niet zijn gebruikt, terwijl het gebruik van die merken in feite losstaat van de omstandigheid dat zij „seriemerken” moeten worden beschouwd.
|
|