|
11.3.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 60/43 |
Beroep ingesteld op 27 december 2005 — Belgian Sewing Thread/Commissie
(Zaak T-452/05)
(2006/C 60/83)
Procestaal: Nederlands
Partijen
Verzoekende partij: Belgian Sewing Thread N.V. [vertegenwoordigd door: H. Gilliams, advocaat]
Verwerende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen
Conclusies van verzoekende partij
|
— |
Uit hoofde van het beroep tot nietigverklaring concludeert verzoekster tot vernietiging van artikel 1 van de beschikking voor zover daarin wordt bepaald dat verzoekster aan de daarin vastgestelde inbreuk heeft deelgenomen in dezelfde mate als de andere bij de inbreuk betrokken ondernemingen evenals van artikel 2 van de beschikking voorzover daarin aan verzoekster een boete wordt opgelegd; |
|
— |
In subsidiaire orde concludeert verzoekster tot vernietiging, of minstens substantiële verlaging van de in artikel 2 van de beschikking aan verzoekster opgelegde boete; |
|
— |
Eveneens verzoekt verzoekster het Gerecht en de Commissie te veroordelen tot de betaling van de kosten van het geding; |
|
— |
Uit hoofde van het beroep tot schadevergoeding concludeert verzoekster tot vaststelling van de aansprakelijkheid van de Commissie uit hoofde van artikel 235 en 288 EG; |
|
— |
Verzoekster concludeert verder tot veroordeling van de Commissie tot betaling van alle door verzoekster geleden en nog te lijden schade die voortvloeit uit de openbaarmaking door de Commissie van verzoeksters interne tarieflijsten; |
|
— |
Verzoekster vraagt ook om de door de Commissie te betalen schadevergoeding te verhogen met interesten, en wel op voet van 8 % per jaar, die beginnen te lopen vanaf het moment van de door de Commissie begane fout; |
|
— |
Verzoekster vraagt het Gerecht om, in afwachting van de uitkomst van een deskundigenonderzoek, de Commissie te veroordelen tot de betaling van een voorschot op de door de Commissie te betalen vergoeding, ten bedrage van 705 812 euro; |
|
— |
Eveneens verzoekt verzoekster om veroordeling van de Commissie tot de betaling van de kosten van het geding. |
Middelen en voornaamste argumenten
Verzoekster vecht in de eerste plaats de beschikking van de Commissie aan van 14 september 2005 inzake een procedure op grond van artikel 81 van het EG-Verdrag en artikel 53 van de EER-Overeenkomst (zaak 38.337 — PO/Garen) voor zover daarin wordt bepaald dat verzoekster aan de vastgestelde inbreuk heeft deelgenomen in dezelfde mate als de andere bij de inbreuk betrokken ondernemingen en vraagt de vernietiging, of minstens een substantiële verlaging, van de haar opgelegde boete.
Verzoekster voert ten eerste aan dat de kwalificatie van de door verzoekster begane inbreuk als zeer ernstig onterecht is. Volgens verzoekster heeft de Commissie hierdoor het redelijkheids- en evenredigheidsbeginsel geschonden, een inbreuk gemaakt op artikel 23, lid 3, van Verordening 1/2003 (1), alsook de motiveringsverplichting en de rechten van de verdediging geschonden. Volgens verzoekster heeft de Commissie geen rekening gehouden met het feit dat verzoekster geen enkele rol speelde bij de conceptie en de organisatie van de inbreuk, niet aan de betrokken bijeenkomsten deelnam met het oog op het maken van mededingingsbeperkende afspraken en het feit dat verzoekster ook nooit uitvoering heeft gegeven aan de afspraken.
Verzoekster vecht verder haar indeling aan in de tweede categorie voor de bepaling van het basisboetebedrag en de hoogte van het opgelegde basisboetebedrag. Volgens verzoekster heeft de Commissie de mogelijkheid van verzoekster om een daadwerkelijke impact te hebben op de mededinging overschat, zowel in absolute zin als in vergelijking met de impact van de andere betrokken ondernemingen, alsook in het licht van verzoeksters precaire financiële situatie en van de beperkte omvang van de markt. Verzoekster voert verder in dit verband aan dat de Commissie inbreuk heeft gepleegd op het redelijkheids- en proportionaliteitsbeginsel, artikel 23, lid 3, van Verordening 1/2003, de richtsnoeren inzake de berekening van geldboeten, het gelijkheidsbeginsel en de motiveringsplicht.
Volgens verzoekster heeft de Commissie eveneens de verzachtende omstandigheden ten aanzien van verzoekster foutief beoordeeld en heeft zij de richtsnoeren inzake de berekening van geldboeten en de motiveringsplicht geschonden. Verzoekster voert aan dat de Commissie het feit dat verzoekster de gemaakte afspraken niet ten uitvoer heeft gelegd en dat zij een zeer beperkte en passieve rol heeft gespeeld in aanmerking had moeten nemen als verzachtende omstandigheden.
Volgens verzoekster is haar ook, in strijd met de motiveringsverplichting, het gelijkheids- en proportionaliteitsbeginsel en de Mededeling inzake medewerking een veel te kleine vermindering van de opgelegde boete toegekend uit hoofde van haar medewerking met het onderzoek.
Tenslotte vraagt verzoekster schadevergoeding voor de door haar geleden schade, veroorzaakt doordat de Commissie inbreuk heeft gepleegd op het vertrouwensbeginsel en de geheimhoudingsplicht door de openbaarmaking van verzoeksters interne tarieflijsten.
(1) Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag (voor de EER relevante tekst) (PB L 1, blz.1)