|
11.2.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 36/9 |
ARREST VAN HET HOF
(Grote kamer)
van 6 december 2005
in zaak C-66/04: Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland tegen Europees Parlement, Raad van de Europese Unie (1)
(Levensmiddelen - Verordening (EG) nr. 2065/2003 - Rookaroma's - Keuze van rechtsgrondslag)
(2006/C 36/16)
Procestaal: Engels
In zaak C-66/04, betreffende een beroep tot nietigverklaring krachtens artikel 230 EG, ingesteld op 11 februari 2004, Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (gemachtigden: R. Caudwell en M. Bethell, bijgestaan door Lord P. Goldsmith, QC, en N. Paines, QC, alsmede door T. Ward) tegen Europees Parlement (gemachtigden: K. Bradley en M. Moore), Raad van de Europese Unie (gemachtigden: M. Sims en E. Karlsson, alsmede door F. Ruggeri Laderchi) ondersteund door: Commissie van de Europese Gemeenschappen (gemachtigden: J.-P. Keppenne en N. Yerrel) heeft het Hof (Grote kamer), samengesteld als volgt: V. Skouris, president, P. Jann, C. W. A. Timmermans, A. Rosas en K. Schiemann, kamerpresidenten, S. von Bahr, J. N. Cunha Rodrigues, R. Silva de Lapuerta (rapporteur), K. Lenaerts, P. Kūris, E. Juhász, A. Borg Barthet en M. Ilešič, rechters; advocaat-generaal: J. Kokott; griffier: K. Sztranc, administrateur op 6 december 2005 een arrest gewezen waarvan het dictum luidt als volgt:
|
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2) |
Het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland wordt verwezen in de kosten. |
|
3) |
De Commissie van de Europese Gemeenschappen draagt haar eigen kosten. |