24.12.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 330/6


ARREST VAN HET HOF

(Zesde kamer)

van 27 oktober 2005

in zaak C-23/05: Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen Groothertogdom Luxemburg (1)

(Niet-nakoming - Richtlijn 2000/34/EG - Arbeidsvoorwaarden - Organisatie arbeidstijd - Niet-uitvoering binnen gestelde termijn)

(2005/C 330/12)

Procestaal: Frans

In zaak C-23/05, betreffende een beroep wegens niet-nakoming krachtens artikel 226 EG, ingesteld op 25 januari 2005, Commissie van de Europese Gemeenschappen (gemachtigden: G. Rozet en N. Yerrell) tegen Groothertogdom Luxemburg (gemachtigde: S. Schreiner), heeft het Hof (Zesde kamer), samengesteld als volgt: J.-P. Puissochet, waarnemend voor de president van de Zesde kamer, S. von Bahr en A. Borg Barthet (rapporteur), rechters; advocaat-generaal: J. Kokott; griffier: R. Grass, op 27 oktober 2005 een arrest gewezen waarvan het dictum luidt als volgt:

1.

Door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die, behalve wat de voor artsen in opleiding vast te stellen bepalingen betreft, noodzakelijk zijn om uitvoering te geven aan richtlijn 2000/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juni 2000 tot wijziging van richtlijn 93/104/EG van de Raad betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd om de van deze richtlijn uitgesloten sectoren en activiteiten te bestrijken, heeft het Groothertogdom Luxemburg niet voldaan aan de krachtens artikel 2, lid 1, van deze richtlijn op hem rustende verplichtingen.

2.

Het beroep wordt voor het overige verworpen.

3.

Het Groothertogdom Luxemburg wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 82 van 2.4.2005.