|
26.11.2005 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 296/15 |
Verzoek van het Oberlandesgericht Münchenvan 9 september 2005 om een prejudiciële beslissing in de strafprocedure tegen Stefan Kremer
(Zaak C-340/05)
(2005/C 296/27)
Procestaal: Duits
Het Oberlandesgericht München (Duitsland) heeft bij beschikking van 9 september 2005, ingekomen ter griffie van het Hof van Justitie op 19 september 2005, in de strafprocedure tegen Stefan Kremer, het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen verzocht om een prejudiciële beslissing.
De prejudiciële verwijzing betreft het geval waarin een persoon in een lidstaat (ontvangststaat) wegens gebrekkige geschiktheid door de administratieve overheid de rijbevoegdheid is ontzegd of de toekenning ervan is geweigerd, de aanvrager voor de hernieuwde toekenning van de rijbevoegdheid in de ontvangststaat zijn geschiktheid moet aantonen door middel van een medisch-psychologisch attest in overeenstemming met de regeling van de ontvangststaat, hij zulks niet aantoont en vervolgens — zonder dat een tijdelijk verbod van de ontvangststaat van toepassing was — in een andere lidstaat (staat van afgifte) de rijbevoegdheid verkrijgt.
De volgende vragen worden met het oog op een prejudiciële beslissing voorgelegd:
Staat artikel 8, lid 4, van richtlijn 91/439/EEG (1) in een dergelijk geval een wettelijke regeling van de ontvangststaat toe, op grond waarvan in de ontvangststaat enkel gebruik mag worden gemaakt van de door de staat van afgifte toegekende rijbevoegdheid na een daartoe strekkend verzoek en na onderzoek of de voorwaarden voor de maatregel krachtens artikel 8, lid 2, van de richtlijn niet langer van toepassing zijn,
of volgt uit het vereiste van wederzijdse erkenning van rijbewijzen krachtens artikel 1, lid 2, van de richtlijn, evenals uit het vereiste van restrictieve uitlegging van artikel 8, lid 4, van de richtlijn, dat de ontvangststaat de geldigheid van de rijbevoegdheid zonder voorafgaande controleprocedure moet erkennen en dat hij enkel bevoegd is het recht op gebruikmaking van de rijbevoegdheid in de ontvangststaat te ontzeggen voorzover er (nog steeds) redenen zijn die de toepassing van maatregelen krachtens artikel 8, lid 2, van de richtlijn rechtvaardigen?
(1) PB L 237, blz. 1.