15.10.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 257/2


Verzoek van het Bundesgerichtshof van 30 juni 2005 om een prejudiciële beslissing in de strafzaak tegen en Jürgen Kretzinger

(Zaak C-288/05)

(2005/C 257/03)

Procestaal: Duits

Het Bundesgerichtshof heeft bij beschikking van 30 juni 2005, ingekomen ter griffie van het Hof van Justitie op 19 juli 2005, in de strafzaak tegen en Jürgen Kretzinger, het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen verzocht om een prejudiciële beslissing over de navolgende vragen:

1.

Heeft de strafrechtelijke vervolging betrekking op „dezelfde feiten” in de zin van artikel 54 SUO (1) wanneer een beklaagde vanwege het in Italië invoeren en in bezit hebben van gesmokkelde buitenlandse tabak alsmede vanwege het verzuim voor de tabak de aan de grens toegepaste heffing te betalen, door een Italiaanse rechter is veroordeeld en hij vervolgens door een Duitse rechter vanwege het daaraan voorafgaand in Griekenland in ontvangst nemen van dezelfde goederen wordt veroordeeld voor heling met betrekking tot de (formeel) Griekse invoerrechten die terzake van de voorafgaande invoer door derden verschuldigd zijn geworden, voor zover de beklaagde van meet af aan voornemens was de goederen na inontvangstneming in Griekenland, via Italië naar Groot-Brittannië te vervoeren?

2.

Is een straf of maatregel in de zin van artikel 54 SUO „reeds ondergaan” of wordt deze „daadwerkelijk ten uitvoer […] gelegd”,

a.

wanneer de beklaagde een gevangenisstraf is opgelegd die op grond van het recht van de veroordelende staat voorwaardelijk is;

b.

wanneer de beklaagde korte tijd in verzekerde bewaring is gesteld en/of in voorlopige hechtenis is genomen en deze vrijheidsbeneming op grond van het recht van de veroordelende staat in mindering moet worden gebracht op een latere tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf?

3.

Is het voor de uitlegging van het begrip tenuitvoerlegging in de zin van artikel 54 SUO relevant dat,

a.

de (eerste) veroordelende staat, op grond van de omzetting in nationaal recht van het Kaderbesluit van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (PB L 190, van 18 juli 2002) het in de hand heeft om op elk moment zijn op grond van het nationale recht onherroepelijke vonnis ten uitvoer te leggen;

b.

aan een verzoek om rechtshulp van de veroordelende staat tot uitlevering van de veroordeelde of tot tenuitvoerlegging van het vonnis in de aangezochte staat, niet zonder meer gevolg moet worden gegeven omdat het vonnis bij verstek is gewezen?


(1)  PB 2000, L 239, blz. 19.