|
9.7.2005 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 171/5 |
ARREST VAN HET HOF
(Tweede kamer)
van 21 april 2005
in zaak C-186/04 (verzoek van de Raad van State om een prejudiciële beslissing): Pierre Housieaux tegen Afgevaardigden van de raad van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (1)
(Richtlijn 90/313/EEG - Vrije toegang tot milieu-informatie - Verzoek om informatie - Motiveringsplicht bij afwijzing - Dwingende termijn - Stilzwijgen van overheidsinstantie gedurende antwoordtermijn - Stilzwijgende afwijzing - Fundamenteel recht op effectieve rechtsbescherming)
(2005/C 171/09)
Procestaal: Frans
In zaak C-186/04, betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door de Raad van State (België) bij beslissing van 1 april 2004, ingekomen bij het Hof op 22 april 2004, in de procedure Pierre Housieaux tegen Afgevaardigden van de raad van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, in tegenwoordigheid van: Gewestelijke Ontwikkelingsmaatschappij voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (GOMB), Batipont Immobilier SA (BPI), Immomills Louis de Waele Development SA (ILDWD), heeft het Hof (Tweede kamer), samengesteld als volgt: C. W. A. Timmermans, kamerpresident, R. Silva de Lapuerta, P. Kūris, G. Arestis en J. Klučka (rapporteur), rechters; advocaat-generaal: J. Kokott; griffier: R. Grass, op 21 april 2005 een arrest gewezen waarvan het dictum luidt als volgt:
|
1. |
De in artikel 3, lid, 4, van richtlijn 90/313/EEG van de Raad van 7 juni 1990 inzake de vrije toegang tot milieu-informatie gestelde termijn van twee maanden is een dwingende termijn. |
|
2. |
Het in artikel 4 van richtlijn 90/313 bedoelde besluit waartegen door degene die om informatie verzoekt, bij een rechterlijke of bestuursrechtelijke instantie beroep kan worden ingesteld, is het stilzwijgende afwijzingsbesluit dat voortvloeit uit het stilzwijgen gedurende twee maanden van de voor de beslissing op het verzoek om informatie bevoegde overheidsinstantie. |
|
3. |
Artikel 3, lid 4, juncto artikel 4 van richtlijn 90/313 staat in een situatie als die van het hoofdgeding niet in de weg aan een nationale regeling volgens welke, met het oog op de verlening van effectieve rechtsbescherming, het stilzwijgen gedurende twee maanden van de overheidsinstantie geacht wordt een stilzwijgend afwijzingsbesluit te doen ontstaan, waartegen overeenkomstig het nationale rechtsstelsel bij een rechterlijke of bestuursrechtelijke instantie beroep kan worden ingesteld. Artikel 3, lid 4, van de richtlijn verzet zich evenwel ertegen dat een dergelijk besluit bij het verstrijken van de termijn van twee maanden niet met redenen is omkleed. In deze omstandigheden moet het stilzwijgende afwijzingsbesluit als onwettig worden beschouwd. |