28.5.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 132/18


Beroep, op 5 april 2005 ingesteld door Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen Bondsrepubliek Duitsland

(Zaak C-152/05)

(2005/C 132/33)

Procestaal: Duits

Bij het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen is op 5 april 2005 beroep ingesteld tegen de Bondsrepubliek Duitsland door de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door R. Lyal en K. Gross, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg.

De Commissie van de Europese Gemeenschappen concludeert dat het den Hove behage:

1.

vast te stellen dat de Bondsrepubliek Duitsland haar verplichtingen op grond van de artikelen 18, 39, en 43 EG-Verdrag niet is nagekomen door in § 2, lid 1, eerste alinea, van het Eigenheimzulagengesetz de toekenning aan onbeperkt belastingplichtigen van de eigen woning-subsidie met betrekking tot in andere lidstaten gelegen objecten uit te sluiten, ongeacht of daar op een vergelijkbare ondersteuning aanspraak kan worden gemaakt;

2.

de Bondsrepubliek Duitsland te verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

De Europese Commissie is van mening dat de door Duitsland toegekende eigen woning-subsidie discriminerend is. Aanspraak op toekenning van de eigen woning-subsidie bestaat in Duitsland voor onbeperkt belastingplichtigen die in Duitsland onroerend goed voor bewoningsdoeleinden verwerven. Personen die in Duitsland onbeperkt belastingplichtig zijn, maar buiten Duitsland wonen en daar onroerend goed voor bewoningsdoeleinden willen verwerven, wordt echter geen eigen woning-subsidie toegekend.

Drie groepen personen worden door de Duitse regeling benadeeld: in het buitenland woonachtige nationale ambtenaren, grensarbeiders waarvan het inkomen voor minstens 90 % aan de Duitse inkomstenbelasting is onderworpen, en diplomaten en EU-ambtenaren die uit Duitsland komen.

De Commissie ziet hierin al naar gelang de status van de betrokken groep personen een inbreuk op het vrije verkeer van werknemers (artikel 39 EG), de vrijheid van vestiging (artikel 43 EG), respectievelijk de vrijheid van verkeer op grond van artikel 18 EG. Iedere casuspositie heeft een voldoende grensoverschreidend karakter om de toepasselijkheid van de betreffende verdragsbepaling te rechtvaardigen.

De Commissie is van mening dat de uitspraak van het Hof in de zaak Schumacker (C-279/93) van toepassing is. Een ieder die in Duitsland onbeperkt belastingplichtig is, en dus over zijn wereldinkomen in hoofdzaak in Duitsland belasting betaalt en derhalve bijdraagt aan de financiële middelen van de Duitse gemeenschap, moet evenzeer als een inwoner van Duitsland de uit belastingmiddelen gefinancierde voordelen kunnen genieten. Voorkomen moet worden dat degenen die het betreft noch in de staat waar zij wonen noch in de staat waar zij werkzaam zijn voordelen kunnen genieten die met hun persoonlijke situatie samenhangen.

In de praktijk is het niet erg waarschijnlijk dat iemand die in Duitsland onbeperkt belastingplichtig is, tevens in een andere staat onbeperkt belastingplichtig is. Deze uitzonderingssituatie zou kunnen worden ondervangen door de cumulatie van de Duitse eigen woning-subsidie met een vergelijkbare subsidie in het buitenland, te verbieden.

De beperking van de eigen woning-subsidie tot in Duitslang gelegen objecten is niet gerechtvaardigd. De situatie op de Duitse woningmarkt zou ook kunnen worden verbeterd wanneer bijvoorbeeld grensarbeiders in plaats van naar Duitsland te gaan, een dicht aan de andere kant van de grens gelegen woning zouden kopen. De bondsregering heeft in de precontentieuze procedure niet voldoende uiteengezet welk doel de beperking van de subsidie tot Duits grondgebied uiteindelijk dient. Ook wanneer zou zijn toegestaan dat een lidstaat de woningbouw op alleen zijn eigen grondgebied bevordert, is de Duitse regeling op zichzelf toch niet logisch. Indien de Duitse regering namelijk elke vorm van woningbouw in Duitsland zou willen bevorderen, valt niet in te zien waarom de subsidie wordt beperkt tot in Duitsland onbeperkt belastingplichtige personen. Ook personen die in Duitsland beperkt belastingplichtig zijn kunnen daar woonruimte kopen en zo de woningbouw bevorderen.

Het gemeenschapsrecht verlangt geenszins dat het verwerven van tweede woningen in andere lidstaten financieel wordt ondersteund. Het is uitsluitend aan de nationale wetgever om de omvang van de subsidie te bepalen. Zijn beleidsvrijheid wordt echter afgebakend door de in het EG-Verdrag neergelegde fundamentele vrijheden.