5.3.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 57/13


ARREST VAN HET HOF

(Vierde kamer)

van 20 januari 2005

in zaak C-101/04 (verzoek van Arbeidsrechtbank te Gent om een prejudiciële beslissing): Roger Noteboom tegen Rijksdienst voor Pensioenen (1)

(Sociale zekerheid van migrerende werknemers - Verordening (EEG) nr. 1408/71 - Ouderdomsuitkeringen - Aan rechthebbende op rustpensioen toegekend vakantiegeld - Werkloze grensarbeider die rechthebbende onder pensioenstelsel wordt)

(2005/C 57/24)

Procestaal: Nederlands

In zaak C-101/04, betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door Arbeidsrechtbank te Gent (België) bij beslissing van 17 februari 2004, ingekomen bij het Hof op 26 februari 2004, in de procedure: Roger Noteboom tegen Rijksdienst voor Pensioenen, heeft het Hof (Vierde kamer), samengesteld als volgt: N. Colneric (rapporteur), waarnemend voor de president van de Vierde kamer, J. N. Cunha Rodrigues en E. Levits, rechters; advocaat-generaal: C. Stix-Hackl; griffier: R. Grass, op 20 januari 2005 een arrest gewezen waarvan het dictum luidt als volgt:

1)

Een uitkering als het vakantiegeld bedoeld in artikel 22 van Koninklijk Besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust en overlevingspensioen voor werknemers, zoals gewijzigd bij wet van 30 maart 1994, en in artikel 56 van het Koninklijk Besluit van 21 december 1967 tot vaststelling van het algemeen reglement betreffende het rust en overlevingspensioen voor werknemers, zoals gewijzigd bij koninklijk besluit van 27 januari 1998 en bij koninklijk besluit van 4 maart 2002, vormt een uitkering bij ouderdom in de zin van artikel 4, lid 1, sub c, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EG) nr. 118/97 van de Raad van 2 december 1996, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1606/98 van de Raad van 29 juni 1998.

2)

Artikel 45, lid 6, van verordening nr. 1408/71, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening nr. 118/97, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1606/98, moet aldus worden uitgelegd dat het bevoegde orgaan van de lidstaat van de woonplaats met het oog op de toekenning van een uitkering als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, een tijdvak van volledige werkloosheid tijdens hetwelk de voormalige werknemer uitkeringen heeft ontvangen volgens de bepalingen van artikel 71, lid 1, sub a-ii, van verordening nr. 1408/71 in aanmerking moet nemen, alsof de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling op deze werknemer tijdens zijn laatste beroepswerkzaamheden van toepassing was geweest.


(1)  PB C 94 van 17.4.2004.