5.3.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 57/3


ARREST VAN HET HOF

(Eerste kamer)

van 13 januari 2005

in zaak C-174/02 (verzoek van de Hoge Raad der Nederlanden om een prejudiciële beslissing): Streekgewest Westelijk Noord-Brabant tegen Staatssecretaris van Financiën (1)

(Staatssteun - Artikel 93, lid 3, EG-Verdrag (thans artikel 88, lid 3, EG) - Steunvoornemen - Verbod om voorgenomen maatregelen vóór eindbeslissing van Commissie tot uitvoering te brengen - Strekking van verbod indien steun in vrijstelling van heffing bestaat - Vaststelling van personen die zich op eventuele schending kunnen beroepen)

(2005/C 57/05)

Procestaal: Nederlands

In zaak C-174/02, betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door de Hoge Raad der Nederlanden, bij beslissing van 8 maart 2002, ingekomen bij het Hof op 13 mei 2002, in de procedure Streekgewest Westelijk Noord-Brabant tegen Staatssecretaris van Financiën, heeft het Hof (Eerste kamer), samengesteld als volgt: P. Jann, kamerpresident, A. Rosas, K. Lenaerts, S. von Bahr en K. Schiemann (rapporteur), rechters; advocaat-generaal: L. A. Geelhoed; griffier: M.-F. Contet, hoofdadministrateur, op 13 januari 2005 een arrest gewezen waarvan het dictum luidt als volgt:

1)

Artikel 93, lid 3, laatste volzin, EG Verdrag (thans artikel 88, lid 3, laatste volzin, EG) moet aldus worden uitgelegd, dat een justitiabele die onderworpen is aan een heffing die integrerend deel uitmaakt van een steunmaatregel en die in strijd met het uitvoeringsverbod van deze bepaling wordt geïnd, zich daarop kan beroepen, ongeacht of hij wordt geraakt door concurrentievervalsing als gevolg van de steunmaatregel.

2)

Artikel 93, lid 3, laatste volzin, van het Verdrag moet aldus worden uitgelegd dat het daarin neergelegde verbod slechts op een heffing van toepassing is indien er een dwingend bestemmingsverband bestaat tussen de opbrengst van deze heffing en de betrokken steunmaatregel. Dat de steun wordt toegekend in de vorm van een belastingvrijstelling of dat het door deze vrijstelling teweeggebrachte verlies in opbrengst in het kader van de begroting van de betrokken lidstaat wordt gecompenseerd door een belastingverhoging, volstaat op zich niet om een dergelijk verband te doen ontstaan.


(1)  PB C 169 van 13.7.2002.