5.2.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 31/4


Verzoek van de Corte Suprema di Cassazione van 11 juni 2004 om een prejudiciële beslissing in het geding tussen Honyvem Informazioni Commerciali Srl en Mariella de Zotti

(Zaak C-465/04)

(2005/C 31/10)

Procestaal: Italiaans

De Corte Suprema di Cassazione heeft bij beschikking van 11 juni 2004, ingekomen ter griffie van het Hof van Justitie op 3 november 2004, in het geding tussen Honyvem Informazioni Commerciali Srl en Mariella de Zotti, het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen verzocht om een prejudiciële beslissing over de navolgende vragen:

Moet artikel 19, in het licht van de bewoordingen en de doelstelling van artikel 17 van richtlijn 86/653 (1) van 18 december 1986 en, eventueel, van de criteria die laatstgenoemd artikel voor de berekening van de daarin voorziene vergoeding geeft, aldus worden uitgelegd dat de nationale regeling ter uitvoering van de richtlijn kan toestaan dat een collectieve overeenkomst (die voor partijen met een bepaald contract bindend is), in plaats van een vergoeding die aan de agent verschuldigd is wanneer wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 17, lid 2, en die volgens de daarin opgenomen criteria moet worden bepaald, voorziet in een vergoeding die, enerzijds, verschuldigd is ongeacht de vraag of wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 17, lid 2, sub a, eerste en tweede streepje, (en, voor een deel van de vergoeding zelf, in elk geval van beëindiging van het contract) en, anderzijds, niet reeds kan worden berekend op grond van de uit de richtlijn af te leiden criteria (en, wanneer dit het geval is, met het daarin voorziene maximum), maar volgens de vooraf bepaalde criteria van de collectieve overeenkomst? Dit betekent dus, een vergoeding die wordt bepaald (zonder enige specifieke verwijzing naar de door de agent gerealiseerde toename van de omzet) op basis van percentages van de vergoedingen die de agent gedurende de contractverhouding heeft behaald, met als gevolg dat de vergoeding, ook wanneer volledig of in zeer grote mate wordt voldaan aan de voorwaarden die de richtlijn voor het recht op vergoeding stelt, in veel gevallen een (veel) geringer bedrag oplevert dan het in de richtlijn voorziene maximumbedrag en in elk geval geringer dan het bedrag dat de rechter concreet had kunnen bepalen, indien hij zich niet aan de berekeningsmaatstaven van de collectieve overeenkomst diende te houden, maar aan de beginselen en de criteria van de richtlijn.

Moet de vergoeding analytisch worden berekend, door een schatting van de provisies die de agent in de jaren na de beëindiging van het contract, gelet op de door hem aangebrachte nieuwe klanten of de door hem gerealiseerde aanzienlijke toename van de transacties met bestaande klanten, had kunnen behalen, en kunnen eventuele correcties van het bedrag, gelet op het criterium van de billijkheid en het in de richtlijn voorziene maximum, alleen later worden toegepast, of zijn andere berekeningswijzen toegestaan, met name synthetische, die het criterium van de billijkheid en de in de richtlijn genoemde maximumgrens, het uitgangspunt voor de berekening, meer recht doen?

Kortom, het Hof moeten de genoemde vragen over de uitlegging van de artikelen 17 en 19 van richtlijn 86/653/EEG van de Raad van 18 december 1986 inzake de coördinatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake zelfstandige handelsagenten, worden voorgelegd.


(1)  PB L 382 van 31.12.1986, blz. 17.