|
18.12.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 314/26 |
Beroep, op 20 oktober 2004 ingesteld door Tramarin s.n.c. di Tramarin Andrea e Sergio tegen Commissie van de Europese Gemeenschappen
(Zaak T-426/04)
(2004/C 314/60)
Procestaal: Italiaans
Bij het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen is op 20 oktober 2004 beroep ingesteld tegen Europese Commissie door Tramarin s.n.c. di Tramarin Andrea e Sergio, vertegenwoordigd door M. A. Calabrese, advocaat.
Verzoekster concludeert dat het het Gerecht behage:
|
— |
de brief van de Commissie van 29 mei 2000, D/53186, D/(00)PI D/672, gedeeltelijk nietig te verklaren, zoals nader omschreven in het verzoekschrift; |
|
— |
nietig te verklaren de beschikking van de Commissie van 12 juli 2000 waarbij deze zonder bezwaren te maken toelating heeft verleend voor staatssteunregeling nr. N 715/99 Italië Maatregelen ten gunste van de productieactiviteiten in de achtergebleven gebieden van het land; |
|
— |
de Commissie te verwijzen in de kosten. |
Middelen en voornaamste argumenten
Het onderhavige beroep is, evenals in zaak T-98/04, S.I.M.S.A. e.a./Commissie (1), gericht tegen de beschikking waarbij de Commissie toelating heeft verleend voor staatssteunregeling nr. N 715/99. Daarnaast komt verzoekster op tegen de in verweersters brief van 29 mei 2000 vervatte beschikking waarbij de Italiaanse autoriteiten werden verzocht het voorstel in te trekken dat zij op 16 mei 2000 tijdens een vergadering te Brussel aan de diensten van de Commissie hadden geformuleerd. Dit voorstel hield in dat in de staatssteunregeling van de Italiaanse wet nr. 488/92 en van de uitvoeringsbepalingen daarvan een overgangsbepaling zou worden opgenomen die een vlotte overgang tussen de oude en de nieuwe regeling diende te waarborgen, rekening houdend met de gewettigde verwachtingen van de groep ondernemingen die nog geen aanvraag had ingediend bij de eerste aanbesteding die onder de nieuwe regeling diende plaats te vinden, maar die het investeringsproject reeds hadden aangevat.
Ter ondersteuning van haar vordering voert verzoekster schending aan:
|
— |
van wezenlijke vormvoorwaarden wegens niet-inleiding van de formele onderzoeksprocedure van artikel 88, lid 2, EG; |
|
— |
van de artikelen 4, lid 4, 7, lid 5, en 26, leden 2 en 3, van verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 93 EG-Verdrag (2); |
|
— |
van de procedurele waarborgen die degenen die aanspraak maken op staatssteun dienen te genieten. |
Verzoekster stelt in het bijzonder dat indien de lidstaat ingaat op het verzoek om een voorstel voor een staatssteunregeling geheel of gedeeltelijk in te trekken, dit zonder meer hetzelfde rechtsgevolg heeft als een negatieve beschikking in de zin van artikel 7, lid 5, van verordening nr. 659/99, met dit grote verschil dat een dergelijke beschikking wordt gegeven na een procedure die de nodige procedurele waarborgen biedt aan de betrokkenen, terwijl het verzoek om het voorstel in te trekken, indien de lidstaat daarop ingaat, de Commissie de mogelijkheid biedt om beschikkingen vast te stellen waarbij zij geen bezwaren maakt tegen de voorgenomen steunregeling, maar die in werkelijkheid neerkomen op negatieve beschikkingen, zonder evenwel aan de vormvoorwaarden daarvan te voldoen. Bovendien kan de Commissie op deze wijze de beschikking publiceren als een beschikking om geen bezwaren te maken, waarvoor publicatie op het WEB volstaat, terwijl een beschikking tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure integraal in het Publicatieblad van de Europese Unie had moeten worden gepubliceerd en de Commissie daarbij de betrokkenen had moeten verzoeken hun opmerkingen in te dienen en daar rekening mee had moeten houden alvorens een gemotiveerde negatieve beschikking te geven.
De beschikking van 12 juli 2000 is om dezelfde reden als de brief van 29 mei 2000 onwettig, omdat de schendingen van bovengenoemde waarborgen door deze beschikking concrete vorm aannemen.