|
4.12.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 300/26 |
Verzoek van de High Court of Justice (England & Wales), Queens Bench Division (Administrative Court) van 2 augustus 2004 om een prejudiciële beslissing in het geding tussen 1) Teleos plc, 2) Unique Distribution Ltd, 3) Synectiv Ltd, 4) New Communications Ltd, 5) Quest Trading Company Ltd, 6) Phones International Ltd, 7) AGM Associates Ltd, 8) DVD Components Ltd, 9) Fonecomp Ltd, 10) Bulk GSM, 11) Libratech Ltd, 12) Rapid Marketing Services Ltd, 13) Earthshine Ltd, 14) Stardex (UK) Ltd en Commissioners of Customs and Excise
(Zaak C-409/04)
(2004/C 300/52)
De High Court of Justice (England & Wales), Queens Bench Division (Administrative Court) heeft bij beschikking van 2 augustus 2004, ingekomen ter griffie van het Hof van Justitie op 24 september 2004, in het geding tussen 1) Teleos plc, 2) Unique Distribution Ltd, 3) Synectiv Ltd, 4) New Communications Ltd, 5)Quest Trading Company Ltd, 6) Phones International Ltd, 7) AGM Associates Ltd, 8) DVD Components Ltd, 9) Fonecomp Ltd, 10) Bulk GSM, 11) Libratech Ltd, 12) Rapid Marketing Services Ltd, 13) Earthshine Ltd, 14) Stardex (UK) Ltd en Commissioners of Customs and Excise, het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen verzocht om een prejudiciële beslissing over de navolgende vragen:
|
1. |
Dient de term „verzonden” in artikel 28 bis, lid 3 (1) (intracommunautaire verwerving van goederen) in de relevante omstandigheden aldus te worden uitgelegd, dat een intracommunautaire verwerving plaatsvindt wanneer:
|
|
2. |
Dient artikel 28 quater, A, sub a, aldus te worden uitgelegd, dat leveringen van goederen zijn vrijgesteld van BTW wanneer:
|
|
3. |
Wanneer een te goeder trouw handelende leverancier in de relevante omstandigheden na een vordering tot teruggaaf de bevoegde autoriteiten van zijn lidstaat objectief bewijs heeft aangeboden, dat op het tijdstip van indiening ervan zijn recht op vrijstelling overeenkomstig artikel 28 quater, A, sub a, kennelijk ondersteunde, en de bevoegde autoriteiten dat bewijs aanvankelijk hebben aanvaard voor toepassing van de vrijstelling, zijn er in dat geval omstandigheden (en zo ja, welke) waarin de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van levering niettemin achteraf van de leverancier kunnen verlangen dat hij de over die goederen verschuldigde BTW voldoet, indien zij nader bewijs verkrijgen dat a) twijfels oproept over de geldigheid van het eerdere bewijs, dan wel b) aantoont dat het overgelegde bewijs op essentiële punten vals was, doch de leverancier daaraan part noch deel had? |
|
4. |
Is voor het antwoord op de derde vraag van belang dat er bewijs bestond dat de koper bij de belastingautoriteiten in de lidstaat van bestemming aangifte deed, dat hij de aankopen die het onderwerp zijn van de onderhavige vorderingen, daarin heeft opgegeven als intracommunautaire verwervingen, en dat hij een bedrag voor belasting over de verwerving heeft aangegeven en datzelfde bedrag ook overeenkomstig artikel 17, lid 2, sub d, van de Zesde richtlijn als voorbelasting in aftrek heeft gebracht? |
(1) Zesde Richtlijn 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB L 145 van 13.06.1977, blz. 1).