|
6.11.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 273/4 |
ARREST VAN HET HOF
(Tweede kamer)
van 16 september 2004
in zaak C-382/02 (verzoek van het Vestre Landsret om een prejudiciële beslissing): Cimber Air A/S tegen Skatteministerium (1)
(Zesde BTW-richtlijn - Artikel 15, punten 6, 7 en 9 - Vrijstelling bij uitvoer uit de Gemeenschap - Begrip luchtvaartuigen gebruikt door luchtvaartmaatschappijen welke zich hoofdzakelijk toeleggen op betaald internationaal vervoer - Vrijstelling voor bevoorrading van binnenlandse vlucht)
(2004/C 273/06)
Procestaal: Deens
In zaak C-382/02, betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door het Vestre Landsret (Denemarken), bij beschikking van 9 oktober 2002, ingekomen bij het Hof op 23 oktober 2002, in de procedure Cimber Air A/S en Skatteministerium, heeft het Hof (Tweede kamer), samengesteld als volgt: C.W.A. Timmermans, kamerpresident, C. Gulmann, J. P. Puissochet (rapporteur), J.N. Cunha Rodrigues en N. Colneric, rechters, advocaat-generaal: D. Ruiz-Jarabo Colomer, griffier: H. von Holstein, adjunct-griffier, op 16 september 2004 een arrest gewezen waarvan het dictum luidt als volgt:
|
1) |
Artikel 15, punten 6, 7 en 9, van richtlijn 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag – moet aldus worden uitgelegd dat de hierin bedoelde leveringen van goederen en diensten voor luchtvaartuigen die binnenlandse vluchten verrichten maar worden gebruikt door luchtvaartmaatschappijen welke zich hoofdzakelijk toeleggen op het betaalde internationale vervoer, van BTW zijn vrijgesteld. |
|
2) |
Het staat aan de nationale rechter het respectieve belang van het aandeel van de internationale activiteit en van de niet-internationale activiteit van deze maatschappijen te beoordelen. Voor deze beoordeling kan rekening worden gehouden met alle gegevens die een aanwijzing geven van het relatieve belang van de betrokken vervoersactiviteit, met name de omzet. |