|
23.10.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 262/17 |
Hogere voorziening, op 10 augustus 2004 ingesteld door Hauptverband der Deutschen Bauindustrie e.V, Kaefer Isoliertechnik GmbH & Co. KG en bedrijfsleider Jürgen Schmoldt tegen de beschikking van het Gerecht van eerste aanleg (Derde kamer) van 25 mei 2004 in zaak T-264/03, Jürgen Schmoldt, Kaefer Isoliertechnik GmbH & Co. KG en Hauptverband der Deutschen Bauindustrie e.V. tegen Commissie van de Europese Gemeenschappen
(Zaak C-342/04 P)
(2004/C 262/30)
Bij het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen is op 10 augustus 2004 hogere voorziening ingesteld door het Hauptverband der Deutschen Bauindustrie e.V, Kaefer Isoliertechnik GmbH & Co. KG en bedrijfsleider Jürgen Schmoldt, vertegenwoordigd door Prof. Dr. Dr. H.C. Hans-Peter Schneider, Rominteweg 3, D-30559 Hannover, tegen de beschikking van het Gerecht van eerste aanleg (Derde kamer) van 25 mei 2004 in zaak T-264/03, Jürgen Schmoldt, Kaefer Isoliertechnik GmbH & Co. KG en Hauptverband der Deutschen Bauindustrie e.V. tegen Commissie van de Europese Gemeenschappen.
Rekwiranten concluderen dat het den Hove behage:
|
— |
De beschikking nietig te verklaren en de zaak voor afdoening naar het Gerecht van eerste aanleg te verwijzen. |
|
— |
Verweerster in hogere voorziening in de kosten te verwijzen. |
Middelen en voornaamste argumenten
Anders dan het Gerecht oordeelt, zijn rekwiranten door het in het hoofdgeding bestreden besluit van verweerster in hogere voorziening, individueel geraakt.
Rekwiranten voeren acht middelen in hogere voorziening aan:
|
(1) |
De aangevochten beschikking is op onjuiste feiten gebaseerd: het is in confesso dat er geen mededeling bestaat van de ad-hoc-groep van het Permanent Comité van 22 november 2002. De tijdens de vijfenvijftigste zitting van het Permanent Comité op 10/11 september 2000 in de bezwaarprocedure op grond van artikel 5, lid 1, van richtlijn 89/106/EEG ingestelde ad-hoc-groep is nooit bijeengekomen en/of heeft nooit een dergelijke mededeling doen uitgaan. |
|
(2) |
De derde rekwirant heeft niet „voor zichzelf” beroep ingesteld. De derde rekwirant is ontegenzeglijk bedrijfsleider van de Bundesfachabteilung „Wärme-, Kälte-, Schall-und Brandschutz” (gespecialiseerde bondsafdeling „bescherming tegen warmte, koude, geluid en brand”) van de eerste rekwirant, een verband van de ondernemingen die op dit terrein in Duitsland bouwproducten toepassen, en als zodanig bij de eerste rekwirant werkzaam. Het behoort tot de werkzaamheden van de derde rekwirant om de eerste rekwirant en de daarbij aangesloten ondernemingen te vertegenwoordigen in het kader van de betreffende nationale en Europese normalisatie; |
|
3) |
Het gemeenschapsrecht biedt rekwiranten procedurele waarborgen. De procedurele waarborgen met betrekking tot het Permanent Comité voor de bouw in artikel 5, lid 1 en in de zevende overweging van de considerans van richtlijn 89/106/EEG, moeten ook diegenen ten goede komen die het Permanent Comité als ad-hoc-groep vanwege hun deskundigheid bij het op grond van artikel 5, lid 1, vereiste advies betrekt. |
|
4) |
In de procedure op grond van artikel 5, lid 1, van richtlijn 89/106/EEG vertegenwoordigde de derde rekwirant als lid van de ad-hoc-groep van het Permanent Comité voor de bouw niet alleen de eerste rekwirant, maar vanzelfsprekend ook de tweede rekwirant als aangesloten onderneming. De tweede rekwirant is ontegenzeglijk lid van de Bundesfachabteilung „Wärme-, Kälte-, Schall- und Brandschutz” van de eerste rekwirant. |
|
5) |
De tweede rekwirant heeft het Gerecht aan de hand van vier voorbeelden een verduidelijking gegeven van een ingreep in de lopende overeenkomsten. |
|
6) |
De eerste rekwirant was – zonder dat het daarop aankwam – „onderhandelaar”; |
|
7) |
De eerste rekwirant was rechtstreeks bij de Europese normalisatie alsook bij de procedure op grond van artikel 5, lid 1, van richtlijn 89/106/EEG betrokken; |
|
8) |
De beslissing van het Gerecht terzake van de kosten was onjuist. |