|
7.8.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 201/14 |
Verzoek van het Arbeidshof te Luik (Negende kamer) van 7 juni 2004 om een prejudiciële beslissing in het geding tussen Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening en Ioannis Ioannidis
(Zaak C-258/04)
(2004/C 201/28)
Het Arbeidshof te Luik (Negende kamer) heeft bij beschikking van 7 juni 2004, ingekomen ter griffie van het Hof van Justitie op 17 juni 2004, in het geding tussen Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening en Ioannis Ioannidis, het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen verzocht om een prejudiciële beslissing over de navolgende vraag:
Verzet het gemeenschapsrecht (in het bijzonder de artikelen 12, 17 en 18 EG-Verdrag) zich tegen een regeling van een lidstaat (zoals in België het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering), waarbij aan werkzoekenden van in beginsel minder dan 30 jaar zogenaamde wachtuitkeringen worden toegekend op grond van de door hen voleindigde studies van de secundaire cyclus en waarbij voor degenen onder hen die onderdaan zijn van een andere lidstaat, dezelfde voorwaarde als voor de eigen onderdanen geldt volgens welke die uitkeringen slechts worden toegekend als de vereiste studies zijn voleindigd in een onderwijsinstelling opgericht, gesubsidieerd of erkend door een van de drie nationale Gemeenschappen (zoals bepaald in artikel 36, § 1, 2, sub a, van dat koninklijk besluit) zodat de wachtuitkeringen worden geweigerd aan een jonge werkzoekende die weliswaar geen deel uitmaakt van het gezin van een migrerend werknemer doch wel onderdaan is van een andere lidstaat alwaar hij, alvorens binnen de Unie gebruik te maken van zijn recht van vrij verkeer, studies van de secundaire cyclus had gevolgd en voltooid die als gelijkwaardig zijn erkend aan de studies die worden vereist door autoriteiten van de Staat waar om de toekenning van wachtuitkeringen wordt verzocht?