|
30.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 118/18 |
ARREST VAN HET HOF
(Vijfde kamer)
van 29 april 2004
in zaak C-102/02 (verzoek van het Verwaltungsgericht Stuttgart om een prejudiciële beslissing): Ingeborg Beuttenmüller tegen Land Baden-Württemberg (1)
(Vrij verkeer van werknemers - Erkenning van diploma's - Richtlijnen 89/48/EEG en 92/51/EEG - Beroep van leraar in basisscholen en scholen voor middelbaar onderwijs - Houder van diploma van postsecundaire studie van twee jaar - Voorwaarden voor uitoefening van beroep)
(2004/C 118/32)
Procestaal: Duits
In zaak C-102/02, betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 234 EG van het Verwaltungsgericht Stuttgart (Duitsland), in het geding tussen Ingeborg Beuttenmüller en Land Baden-Württemberg, om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de richtlijnen van de Raad 89/48/EEG van 21 december 1988 betreffende een algemeen stelsel van erkenning van hoger-onderwijsdiploma's waarmee beroepsopleidingen van ten minste drie jaar worden afgesloten (PB 1989, L 19, blz. 16) en 92/51/EEG van 18 juni 1992 betreffende een tweede algemeen stelsel van erkenning van beroepsopleidingen, ter aanvulling van richtlijn 89/48 (PB L 209, blz. 25), heeft het Hof (Vijfde kamer), samengesteld als volgt: P. Jann, waarnemend voor de president van de Vijfde kamer, C. W. A. Timmermans, A. Rosas (rapporteur), A. La Pergola en S. von Bahr, rechters; advocaat-generaal: D. Ruiz-Jarabo Colomer; griffier: R. Grass, op 29 april 2004 een arrest gewezen waarvan het dictum luidt als volgt:
|
1) |
Artikel 1, sub a, tweede alinea, van richtlijn 89/48/EEG van de Raad van 21 december 1988 betreffende een algemeen stelsel van erkenning van hoger-onderwijsdiploma's waarmee beroepsopleidingen van ten minste drie jaar worden afgesloten, moet aldus worden uitgelegd dat de op basis van de vroeger na twee jaar opleiding in Oostenrijk verkregen kwalificatie voor het betrokken leraarsberoep, wordt gelijkgesteld met een diploma in de zin van de eerste alinea van deze bepaling, wanneer de bevoegde autoriteiten van die lidstaat bevestigen dat het na een opleiding van twee jaar verkregen diploma wordt erkend als gelijkwaardig aan het thans na een studie van drie jaar verkregen diploma en dat in die lidstaat daaraan dezelfde rechten inzake toegang tot of uitoefening van het betrokken leraarsberoep zijn verbonden. Het staat aan de nationale rechter te bepalen of, gelet op de door de belanghebbende conform artikel 8, lid 1, van deze richtlijn overgelegde bewijsmiddelen, en de nationale bepalingen die gelden voor de beoordeling ervan, in het hoofdgeding aan de laatste voorwaarde van voornoemd artikel 1, sub a, tweede alinea, is voldaan. Deze voorwaarde heeft betrekking op het recht om een gereglementeerd beroep uit te oefenen en niet op de bezoldiging en de overige arbeidsvoorwaarden die gelden in de lidstaat die de gelijkwaardigheid van een oude en een nieuwe opleiding erkent. |
|
2) |
Een onderdaan van een lidstaat kan zich op artikel 3, sub a, van richtlijn 89/48 beroepen tegen met deze richtlijn strijdige nationale bepalingen. Deze richtlijn verzet zich tegen dergelijke bepalingen wanneer zij voor de erkenning van een in een andere dan de ontvangende lidstaat verkregen of erkende kwalificatie voor het betrokken leraarsberoep zonder uitzondering een opleiding aan een instelling voor hoger onderwijs van ten minste drie jaar verlangen die ten minste twee lesvakken omvat die in de ontvangende lidstaat voor de betrokken onderwijsactiviteit zijn voorgeschreven. |
|
3) |
Wanneer richtlijn 92/51/EEG van de Raad van 18 juni 1992 betreffende een tweede algemeen stelsel van erkenning van beroepsopleidingen, ter aanvulling van richtlijn 89/48, niet binnen de bij artikel 17, lid 1, eerste alinea, ervan gestelde termijn is omgezet, kan een onderdaan van een lidstaat met een beroep op artikel 3, sub a, van deze richtlijn in de ontvangende lidstaat de erkenning verlangen van een kwalificatie voor het leraarsberoep, zoals die welke op basis van de betrokken opleiding van twee jaar in Oostenrijk is verworven. In omstandigheden als die van het hoofdgeding is deze mogelijkheid niet uitgesloten vanwege de toepassing van de afwijking als bedoeld in artikel 3, laatste alinea, van voornoemde richtlijn, en evenmin afhankelijk gesteld van de voorwaarde dat de aanvrager zich vooraf aan compensatiemaatregelen als bedoeld in artikel 4 van de richtlijn onderwerpt. |