29.4.2004   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

CE 103/25


NOTULEN

(2004/C 103 E/02)

VERLOOP VAN DE VERGADERING

VOORZITTER: Gérard ONESTA

Ondervoorzitter

1.   Opening van de vergadering

De vergadering wordt om 09.20 uur geopend.

Het woord wordt gevoerd door Ioannis Patakis over de protestacties van landbouwers in Griekenland tegen het gemeenschappelijk landbouwbeleid.

2.   Kredietoverschrijvingen

De Begrotingscommissie heeft het verzoek van het Comité van de regio's van 8 maart 2004 met betrekking tot een kredietoverschrijving (inf 1/2004) behandeld overeenkomstig artikel 22 van het Financieel Reglement.

Zij heeft besloten bezwaar aan te tekenen vanwege het feit dat het verzoek volgens artikel 43 van het Financieel Reglement overeenkomstig artikel 24 van dat Reglement ingediend had moeten worden.

Het Comité van de regio's wordt verzocht zich voorlopig te onthouden van het overschrijven van de betrokken kredieten.

De Begrotingscommissie verzoekt het Comité van de regio's een nieuw verzoek tot overschrijving in te dienen krachtens artikel 24 van het Financieel Reglement.

3.   Van de Raad ontvangen verdragsteksten

De Raad heeft het Parlement een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift doen toekomen van de volgende documenten:

Overeenkomst inzake politieke dialoog en samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Andesgemeenschap en haar lidstaten (Bolivia, Colombia, Ecuador, Peru en Venezuela), anderzijds;

Overeenkomst inzake politieke dialoog en samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Republieken Costa Rica, El Salvador, Guatemala, Honduras, Nicaragua en Panama, anderzijds;

Proces-verbaal van verbetering van de Europees-Mediterrane Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Libanon, anderzijds.

4.   Overeenkomst inzake politieke dialoog en samenwerking EG/Midden-Amerika * — Overeenkomst inzake politieke dialoog en samenwerking EG/Andesgemeenschap * (debat)

Verslag over het voorstel voor een besluit van de Raad inzake de sluiting van een overeenkomst inzake politieke dialoog en samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten enerzijds en de republiek Costa Rica, de republiek El Salvador, de republiek Guatemala, de republiek Honduras, de republiek Nicaragua en de republiek Panama [COM(2003) 677 — C5-0658/2003 — 2003/0266(CNS)] — Commissie buitenlandse zaken, mensenrechten, gemeenschappelijke veiligheid en defensiebeleid.

Rapporteur: Raimon Obiols i Germà (A5-0120/2004)

Verslag over het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de sluiting van een overeenkomst inzake politieke dialoog en samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Andesgemeenschap en haar lidstaten, de Republiek Bolivia, de Republiek Colombia, de Republiek Ecuador, de Republiek Peru en de Bolivariaanse Republiek Venezuela, anderzijds [COM(2003) 695 — C5-0657/2003 — 2003/0268(CNS)] — Commissie buitenlandse zaken, mensenrechten, gemeenschappelijke veiligheid en defensiebeleid.

Rapporteur: José Ignacio Salafranca Sánchez-Neyra (A5-0119/2004)

Het woord wordt gevoerd door Christopher Patten (lid van de Commissie)

Raimon Obiols i Germà leidt zijn verslag in (A5-0120/2004).

José Ignacio Salafranca Sánchez-Neyra leidt zijn verslag in (A5-0119/2004).

Het woord wordt gevoerd door Ana Miranda de Lage (rapporteur voor advies van de Commissie ITRE), Margrietus J. van den Berg (rapporteur voor advies van de Commissie DEVE), Fernando Fernández Martín, namens de PPE-DE-Fractie, Manuel Medina Ortega, namens de PSE-Fractie, Sérgio Ribeiro, namens de GUE/NGL-Fractie, en Richard Howitt

VOORZITTER: James L.C. PROVAN

Ondervoorzitter

Het woord wordt gevoerd door Marie-Hélène Gillig

Het debat wordt gesloten.

Stemming: punten 6.4 en 6.5 van de notulen van 31 maart 2004

5.   Levensmiddelenhygiëne *** II — Hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong *** II — Gezondheidsvoorschriften voor de productie en het in de handel brengen van voor menselijke consumptie bestemde producten van dierlijke oorsprong *** II — Officiële controles van voor menselijke consumptie bestemde producten van dierlijke oorsprong *** II (debat)

Aanbeveling voor de tweede lezing betreffende het gemeenschappelijk standpunt, door de Raad vastgesteld met het oog op de aanneming van de verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake levensmiddelenhygiëne [10543/2/2002 — C5-0008/2004 — 2000/0178(COD)] — Commissie milieubeheer, volksgezondheid en consumentenbeleid.

Rapporteur: Horst Schnellhardt (A5-0131/2004)

Aanbeveling voor de tweede lezing betreffende het gemeenschappelijk standpunt, door de Raad vastgesteld met het oog op de aanneming van de verordening van het Europees Parlement en de Raad houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong [5420/2/2003 — C5-0009/2004 — 2000/0179(COD)] — Commissie milieubeheer, volksgezondheid en consumentenbeleid.

Rapporteur: Horst Schnellhardt (A5-0129/2004)

Aanbeveling voor de tweede lezing betreffende het gemeenschappelijk standpunt, door de Raad vastgesteld met het oog op de aanneming van de richtlijn van het Europees Parlement en de Raad houdende intrekking van bepaalde richtlijnen inzake levensmiddelenhygiëne en tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften voor de productie en het in de handel brengen van bepaalde voor menselijke consumptie bestemde producten van dierlijke oorsprong, en tot wijziging van de Richtlijnen 89/662/EEG en 92/118/EEG van de Raad en van Beschikking 95/408/EG van de Raad [11584/1/2003 — C5-0010/2004 — 2000/0182(COD)] — Commissie milieubeheer, volksgezondheid en consumentenbeleid.

Rapporteur: Horst Schnellhardt (A5-0130/2004)

Aanbeveling voor de tweede lezing betreffende het gemeenschappelijk standpunt, door de Raad vastgesteld met het oog op de aanneming van de verordening van het Europees Parlement en de Raad houdende vaststelling van specifieke voorschriften voor de organisatie van de officiële controles van voor menselijke consumptie bestemde producten van dierlijke oorsprong [11583/1/2003 — C5-0011/2004 — 2002/0141(COD)] — Commissie milieubeheer, volksgezondheid en consumentenbeleid.

Rapporteur: Horst Schnellhardt (A5-0138/2004)

Horst Schnellhardt leidt zijn aanbevelingen voor de tweede lezing in.

Het woord wordt gevoerd door David Byrne (lid van de Commissie)

Het woord wordt gevoerd door Peter Liese, namens de PPE-DE-Fractie, Dorette Corbey, namens de PSEFractie, Marit Paulsen, namens de ELDR-Fractie, Patricia McKenna, namens de Verts/ALE-Fractie, Francesco Fiori, David Robert Bowe, Ria G.H.C. Oomen-Ruijten, Catherine Stihler en Phillip Whitehead.

Het debat wordt gesloten.

Stemming: punten 7.28-7.31.

6.   Bescherming van dieren tijdens het vervoer * (debat)

Verslag over het voorstel voor een verordening van de Raad inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten en tot wijziging van de Richtlijnen 64/432/EEG en 93/119/EG [COM(2003) 425 — C5-0438/2003 — 2003/0171(CNS)] — Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling.

Rapporteur: Albert Jan Maat (A5-0197/2004)

Het woord wordt gevoerd door David Byrne (lid van de Commissie)

Albert Jan Maat leidt zijn verslag in.

Het woord wordt gevoerd door Patricia McKenna (rapporteur voor advies van de Commissie ENVI), Neil Parish, namens de PPE-DE-Fractie, Niels Busk, namens de ELDR-Fractie, Salvador Jové Peres, namens de GUE/NGL-Fractie, en Caroline Lucas, namens de Verts/ALE-Fractie

VOORZITTER: Gérard ONESTA

Ondervoorzitter

Het woord wordt gevoerd door Bent Hindrup Andersen, namens de EDD-Fractie, Dominique F.C. Souchet, niet-ingeschrevene, Francesco Fiori, María Rodríguez Ramos, Elspeth Attwooll, Christel Fiebiger, Alexander de Roo, Gerard Collins, Gordon J. Adam, Daniela Raschhofer, Samuli Pohjamo, Jonas Sjöstedt, Eurig Wyn, Sebastiano (Nello) Musumeci, Agnes Schierhuber, Torben Lund, Chris Davies, Liam Hyland, Jan Marinus Wiersma, Encarnación Redondo Jiménez, Christa Prets, James Nicholson, Cristina Gutiérrez-Cortines, María Esther Herranz García, Giacomo Santini, Marialiese Flemming en David Byrne.

Het debat wordt gesloten.

Stemming: punt 7.34.

VOORZITTER: Pat COX

Voorzitter

7.   Stemmingen

Nadere bijzonderheden betreffende de uitslagen van de stemmingen (amendementen, aparte stemmingen, stemmingen in onderdelen) zijn opgenomen in bijlage 1 bij de notulen.

7.1.   Hoeklichten voor motorvoertuigen *** (artikel 110 bis van het Reglement) (stemming)

Aanbeveling over het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende het standpunt van de Europese Gemeenschap over het ontwerpreglement van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties met betrekking tot uniforme voorschriften voor de goedkeuring van hoeklichten voor motorvoertuigen [COM(2003) 498 — 5925/2004 — C5-0113/2004 — 2003/0188(AVC)] (Vereenvoudigde procedure — artikel 158, lid 1 van het Reglement) — Commissie industrie, externe handel, onderzoek en energie.

Rapporteur: Luis Berenguer Fuster (A5-0146/2004)

(Gewone meerderheid)

(Bijzonderheden stemming: bijlage 1, punt 1)

ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE

Aangenomen bij één enkele stemming (P5_TA(2004)0189)

7.2.   Intrekking van Richtlijn 72/462/EEG * (artikel 110 bis van het Reglement) (stemming)

Verslag over het voorstel voor een richtlijn van de Raad tot intrekking van Richtlijn 72/462/EEG [COM(2004) 71 — C5-0110/2004 — 2004/0022(CNS)] — Commissie milieubeheer, volksgezondheid en consumentenbeleid.

Rapporteur: Caroline F. Jackson (A5-0178/2004)

(Gewone meerderheid)

(Bijzonderheden stemming: bijlage 1, punt 2)

ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE

Aangenomen bij één enkele stemming (P5_TA(2004)0190)

7.3.   Communautaire statistiek inzake de betalingsbalans, de internationale handel in diensten en buitenlandse directe investeringen *** I (artikel 110 bis van het Reglement) (stemming)

Verslag over het voorstel voor een een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de communautaire statistiek inzake de betalingsbalans, de internationale handel in diensten en buitenlandse directe investeringen. [COM(2003) 507 — C5-0402/2003 — 2003/0200(COD)] — Commissie industrie, externe handel, onderzoek en energie.

Rapporteur: Luis Berenguer Fuster (A5-0210/2004)

(Gewone meerderheid)

(Bijzonderheden stemming: bijlage 1, punt 3)

ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE

Aangenomen bij één enkele stemming (P5_TA(2004)0191)

7.4.   Financiële bijstand van de Gemeenschap op het gebied van trans-Europese netwerken *** II (artikel 110 bis van het Reglement) (stemming)

Aanbeveling voor de tweede lezing betreffende het gemeenschappelijk standpunt, door de Raad vastgesteld met het oog op de aanneming van de verordening van het Europees Parlement en de Raad houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 2236/95 van de Raad tot vaststelling van de algemene regels voor het verlenen van financiële bijstand van de Gemeenschap op het gebied van trans-Europese netwerken [5633/1/2004 — C5-0095/2004 — 2001/0226(COD) — Begrotingscommissie.

Rapporteur: Franz Turchi (A5-0134/2004)

(Gekwalificeerde meerderheid)

(Bijzonderheden stemming: bijlage 1, punt 4)

GEMEENSCHAPPELIJK STANDPUNT VAN DE RAAD

Goedgekeurd (P5_TA(2004)0192)

7.5.   Europese executoriale titel voor niet-betwiste schuldvorderingen *** II (artikel 110 bis van het Reglement) (stemming)

Aanbeveling voor de tweede lezing betreffende het gemeenschappelijk standpunt, door de Raad vastgesteld met het oog op de aanneming van de verordening van de Raad tot invoering van een Europese executoriale titel voor niet-betwiste schuldvorderingen [16041/1/2003 — C5-0067/2004 — 2002/0090(COD)] — Commissie juridische zaken en interne markt.

Rapporteur: Joachim Wuermeling (A5-0187/2004)

(Gekwalificeerde meerderheid)

(Bijzonderheden stemming: bijlage 1, punt 5)

GEMEENSCHAPPELIJK STANDPUNT VAN DE RAAD

Goedgekeurd (P5_TA(2004)0193)

7.6.   Organische oplosmiddelen *** II (artikel 110 bis van het Reglement) (stemming)

Aanbeveling voor de tweede lezing betreffende het gemeenschappelijk standpunt, door de Raad vastgesteld met het oog op de aanneming van de richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake de beperking van emissies van vluchtige organische stoffen ten gevolge van het gebruik van organische oplosmiddelen in decoratieve verven en vernissen en producten voor het overspuiten van voertuigen, en tot wijziging van Richtlijn 1999/13/EG [14780/2/2003 — C5-0019/2004 — 2002/0301(COD)] — Commissie milieubeheer, volksgezondheid en consumentenbeleid.

Rapporteur: Giorgio Lisi (A5-0136/2004)

(Gekwalificeerde meerderheid)

(Bijzonderheden stemming: bijlage 1, punt 6)

GEMEENSCHAPPELIJK STANDPUNT VAN DE RAAD

Goedgekeurd (P5_TA(2004)0194)

7.7.   Luchtdiensten tussen lidstaten en derde landen *** II (artikel 110 bis van het Reglement) (stemming)

Aanbeveling voor de tweede lezing betreffende het gemeenschappelijk standpunt, door de Raad vastgesteld met het oog op de aanneming van de verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake onderhandelingen over en de tenuitvoerlegging van overeenkomsten inzake luchtdiensten tussen lidstaten en derde landen [13732/1/2003 — C5-0013/2004 — 2003/0044(COD)] — Commissie regionaal beleid, vervoer en toerisme.

Rapporteur: Ingo Schmitt (A5-0179/2004)

(Gekwalificeerde meerderheid)

(Bijzonderheden stemming: bijlage 1, punt 7)

GEMEENSCHAPPELIJK STANDPUNT VAN DE RAAD en AMENDEMENTEN

Als geamendeerd goedgekeurd (P5_TA(2004)0195)

7.8.   Beschikbaarstelling van middelen uit het Solidariteitsfonds van de EU (artikel 110 bis van het Reglement) (stemming)

Verslag over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Solidariteitsfonds van de Europese Unie overeenkomstig punt 3 van het Interinstitutioneel Akkoord van 7 november 2002 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie over de financiering van het Solidariteitsfonds van de Europese Unie ter aanvulling van het Interinstitutioneel Akkoord van 6 mei 1999 over de begrotingsdiscipline en de verbetering van de begrotingsprocedure [COM(2004) 168 — C5-0134/2004 — 2004/2025(ACI)] — Begrotingscommissie.

Rapporteur: Terence Wynn (A5-0195/2004)

(Gekwalificeerde meerderheid)

(Bijzonderheden stemming: bijlage 1, punt 8)

ONTWERPRESOLUTIE

Aangenomen bij één enkele stemming (P5_TA(2004)0196)

7.9.   Gewijzigde begroting nr. 5/2004 (artikel 110 bis van het Reglement) (stemming)

Verslag over het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 5/2004 van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2004 [7684/2004 — C5-0166/2004 — 2004/2023(BUD)] — Begrotingscommissie.

Rapporteur: Jan Mulder (A5-0203/2004)

(Gekwalificeerde meerderheid)

(Bijzonderheden stemming: bijlage 1, punt 9)

ONTWERPRESOLUTIE

Aangenomen bij één enkele stemming (P5_TA(2004)0197)

7.10.   Verzoeken aan agentschappen (wijziging Reglement) (artikel 110 bis van het Reglement) (stemming)

Verslag over het besluit van het Europees Parlement tot invoeging in het Reglement van het Europees Parlement van een nieuw artikel betreffende verzoeken aan Europese agentschappen [2004/2008(REG)] — Commissie constitutionele zaken.

Rapporteur: Richard Corbett (A5-0152/2004)

(Gekwalificeerde meerderheid)

(Bijzonderheden stemming: bijlage 1, punt 10)

AMENDEMENTEN en VOORSTEL VOOR EEN BESLUIT

Aangenomen bij één enkele stemming (P5_TA(2004)0198)

7.11.   Niet-financiële kwartaalrekeningen per institutionele sector *** I (artikel 110 bis van het Reglement) (stemming)

Verslag over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de opstelling van niet-financiële kwartaalrekeningen per institutionele sector [COM(2003) 789 — C5-0645/2003 — 2003/0296(COD)] — Economische en Monetaire Commissie.

Rapporteur: Astrid Lulling (A5-0151/2004)

(Gewone meerderheid)

(Bijzonderheden stemming: bijlage 1, punt 11)

VOORSTEL VAN DE COMMISSIE, AMENDEMENT en ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE

Aangenomen bij één enkele stemming (P5_TA(2004)0199)

Voor de stemming legde de rapporteur een verklaring af overeenkomstig artikel 110 bis, lid 4 van het Reglement. Ook legde zij een verklaring af over haar verslag A5-0170/2004 (punt 7.20).

7.12.   Belastingniveaus voor energieproducten en elektriciteit * (artikel 110 bis van het Reglement) (stemming)

Verslag over het voorstel voor een richtlijn van de Raad tot wijziging van Richtlijn 2003/96/EG teneinde bepaalde lidstaten toe te staan om vrijstellingen of verlagingen van de belastingniveaus toe te passen voor energieproducten en elektriciteit [COM(2004) 42 — C5-0090/2004 — 2004/0016(CNS)] — Economische en Monetaire Commissie.

Rapporteur: Pervenche Berès (A5-0158/2004)

(Gewone meerderheid)

(Bijzonderheden stemming: bijlage 1, punt 12)

ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE

Aangenomen bij één enkele stemming (P5_TA(2004)0200)

7.13.   Belastingheffing op inkomsten uit spaargelden in de vorm van rentebetaling * (artikel 110 bis van het Reglement) (stemming)

Verslag over het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de sluiting van de Overeenkomst tussen de Zwitserse Bondsstaat en de Europese Gemeenschap waarbij wordt voorzien in maatregelen van gelijke strekking als die welke zijn vervat in Richtlijn 2003/48/EG van de Raad van 3 juni 2003 betreffende belastingheffing op inkomsten uit spaargelden in de vorm van rentebetaling, en van het bijbehorende Memorandum van Overeenstemming [COM(2004) 75 — C5-0103/2004 — 2004/0027(CNS)] — Economische en Monetaire Commissie.

Rapporteur: José Manuel García-Margallo y Marfil (A5-0169/2004)

(Gewone meerderheid)

(Bijzonderheden stemming: bijlage 1, punt 13)

VOORSTEL VAN DE COMMISSIE, AMENDEMENTEN en ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE

Aangenomen bij één enkele stemming (P5_TA(2004)0201)

7.14.   Uitkeringen van interest en royalty's tussen verbonden ondernemingen van verschillende lidstaten * (artikel 110 bis van het Reglement) (stemming)

Verslag over het voorstel voor een richtlijn van de Raad tot wijziging van Richtlijn 2003/49/EG betreffende een gemeenschappelijke belastingregeling inzake uitkeringen van interest en royalty's tussen verbonden ondernemingen van verschillende lidstaten [COM(2003) 841 — C5-0054/2004 — 2003/0331(CNS)] — Economische en Monetaire Commissie.

Rapporteur: Othmar Karas (A5-0150/2004)

(Gewone meerderheid)

(Bijzonderheden stemming: bijlage 1, punt 14)

VOORSTEL VAN DE COMMISSIE, AMENDEMENTEN en ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE

Aangenomen bij één enkele stemming (P5_TA(2004)0202)

7.15.   Gerecht voor Europese ambtenarenzaken * (artikel 110 bis van het Reglement) (stemming)

Verslag over het voorstel voor een besluit van de Raad tot instelling van een gerecht voor Europese ambtenarenzaken [COM(2003) 705 — C5-0581/2003 — 2003/0280(CNS)] — Commissie juridische zaken en interne markt.

Rapporteur: Manuel Medina Ortega (A5-0181/2004)

(Gewone meerderheid)

(Bijzonderheden stemming: bijlage 1, punt 15)

VOORSTEL VAN DE COMMISSIE, AMENDEMENTEN en ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE

Aangenomen bij één enkele stemming (P5_TA(2004)0203)

7.16.   Wijziging van het statuut van het Hof van Justitie * (artikel 110 bis van het Reglement) (stemming)

Verslag over het ontwerpbesluit van de Raad houdende wijziging van de artikelen 16 en 17 van het protocol betreffende het statuut van het Hof van Justitie [14617/2003 — C5-0579/2003 — 2003/0823(CNS)] — Commissie juridische zaken en interne markt.

Rapporteur: José María Gil-Robles Gil-Delgado (A5-0128/2004)

(Gewone meerderheid)

(Bijzonderheden stemming: bijlage 1, punt 16)

ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE

Aangenomen bij één enkele stemming (P5_TA(2004)0204)

7.17.   Wijziging van het reglement voor de procesvoering van het Hof van Justitie (regeling taalgebruik) * (artikel 110 bis van het Reglement) (stemming)

Verslag over het ontwerpbesluit van de Raad houdende wijziging van het reglement voor de procesvoering van het Hof van Justitie inzake de regeling van het taalgebruik [15167/2003 — C5-0585/2003 — 2003/0824(CNS)] — Commissie juridische zaken en interne markt.

Rapporteur: José María Gil-Robles Gil-Delgado (A5-0127/2004)

(Gewone meerderheid)

(Bijzonderheden stemming: bijlage 1, punt 17)

ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE

Aangenomen bij één enkele stemming (P5_TA(2004)0205)

7.18.   Reglement voor de procesvoering van het Gerecht van eerste aanleg (rechtstreekse beroepen) * (artikel 110 bis van het Reglement) (stemming)

Verslag over het ontwerpbesluit van de Raad tot wijziging van artikel 35 van het reglement voor de procesvoering van het Gerecht van eerste aanleg inzake het taalgebruik, met het oog op de nieuwe verdeling van de bevoegdheden voor de rechtstreekse beroepen en de uitbreiding van de Unie [15738/2003 — C5-0625/2003 — 2003/0825(CNS)] — Commissie juridische zaken en interne markt.

Rapporteur: José María Gil-Robles Gil-Delgado (A5-0126/2004)

(Gewone meerderheid)

(Bijzonderheden stemming: bijlage 1, punt 18)

ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE

Aangenomen bij één enkele stemming (P5_TA(2004)0206)

7.19.   Invoer in de Gemeenschap van bepaalde levende hoefdieren * (artikel 110 bis van het Reglement) (stemming)

Verslag over het voorstel voor een richtlijn van de Raad tot vaststelling van veterinairrechtelijke voorschriften voor de invoer in de Gemeenschap van bepaalde levende hoefdieren, en tot wijziging van de Richtlijnen 90/426/EEG en 92/65/EEG [COM(2003) 570 — C5-0483/2003 — 2003/0224(CNS)] — Commissie milieubeheer, volksgezondheid en consumentenbeleid.

Rapporteur: Avril Doyle (A5-0186/2004)

(Gewone meerderheid)

(Bijzonderheden stemming: bijlage 1, punt 19)

VOORSTEL VAN DE COMMISSIE, AMENDEMENTEN en ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE

Aangenomen bij één enkele stemming (P5_TA(2004)0207)

7.20.   Gegevens over de driemaandelijkse overheidsschuld * (artikel 110 bis van het Reglement) (stemming)

Verslag over het voorstel voor een verordening van de Raad betreffende de berekening en indiening van gegevens over de driemaandelijkse overheidsschuld [COM(2003) 761 — C5-0649/2003 — 2003/0295(CNS)] — Economische en Monetaire Commissie.

Rapporteur: Astrid Lulling (A5-0170/2004)

(Gewone meerderheid)

(Bijzonderheden stemming: bijlage 1, punt 20)

VOORSTEL VAN DE COMMISSIE, AMENDEMENTEN en ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE

Aangenomen bij één enkele stemming (P5_TA(2004)0208)

7.21.   Verdediging van de parlementaire immuniteit van Marco Pannella (stemming)

Verslag over het verzoek van Marco Pannella om verdediging van zijn parlementaire immuniteit [2003/2116(IMM)] — Commissie juridische zaken en interne markt.

Rapporteur: Klaus-Heiner Lehne (A5-0180/2004)

(Gewone meerderheid)

(Bijzonderheden stemming: bijlage 1, punt 21)

VOORSTEL VOOR EEN BESLUIT

Aangenomen (P5_TA(2004)0209)

7.22.   Parlementaire immuniteit van Martin Schulz (stemming)

Verslag over het verzoek van Martin Schulz om verdediging van zijn parlementaire immuniteit en voorrechten [2004/2016(IMM)] — Commissie juridische zaken en interne markt.

Rapporteur: Neil MacCormick (A5-0184/2004)

(Gewone meerderheid)

(Bijzonderheden stemming: bijlage 1, punt 22)

VOORSTEL VOOR EEN BESLUIT

Aangenomen (P5_TA(2004)0210)

Opmerkingen in het kader van de stemming:

De rapporteur stelde een mondeling amendement voor op paragraaf 4. De betrokken wijziging geldt tevens voor verslag A5-0185/2004 (punt 7.23).

7.23.   Parlementaire immuniteit van Klaus-Heiner Lehne (stemming)

Verslag over het verzoek van Klaus-Heiner Lehne om verdediging van zijn parlementaire immuniteit en voorrechten [2004/2015(IMM)] — Commissie juridische zaken en interne markt.

Rapporteur: Neil MacCormick (A5-0185/2004)

(Gewone meerderheid)

(Bijzonderheden stemming: bijlage 1, punt 23)

VOORSTEL VOOR EEN BESLUIT

Aangenomen (P5_TA(2004)0211)

7.24.   Markten voor financiële instrumenten *** II (stemming)

Aanbeveling voor de tweede lezing betreffende het gemeenschappelijk standpunt, door de Raad vastgesteld met het oog op de aanneming van de richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende markten voor financiële instrumenten, tot wijziging van de Richtlijnen 85/611/EEG en 93/6/EEG van de Raad en van Richtlijn 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad en houdende intrekking van Richtlijn 93/22/EEG van de Raad [13421/3/2003 — C5-0015/2004 — 2002/0269(COD)] — Economische en Monetaire Commissie.

Rapporteur: Theresa Villiers (A5-0114/2004)

(Gekwalificeerde meerderheid)

(Bijzonderheden stemming: bijlage 1, punt 24)

GEMEENSCHAPPELIJK STANDPUNT VAN DE RAAD

Als geamendeerd goedgekeurd (P5_TA(2004)0212)

7.25.   Blootstelling van werknemers aan de risico's van fysische agentia (elektromagnetische velden) *** II (stemming)

Aanbeveling voor de tweede lezing betreffende het gemeenschappelijk standpunt door de Raad vastgesteld met het oog op de aanneming van de richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de minimumvoorschriften inzake gezondheid en veiligheid met betrekking tot de blootstelling van werknemers aan de risico's van fysische agentia (elektromagnetische velden) (18de bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 89/391/EEG) [13599/1/2003 — C5-0016/2004 — 1992/0449C(COD)] — Commissie werkgelegenheid en sociale zaken.

Rapporteur: Manuel Pérez Álvarez (A5-0196/2004)

(Gekwalificeerde meerderheid)

(Bijzonderheden stemming: bijlage 1, punt 25)

GEMEENSCHAPPELIJK STANDPUNT VAN DE RAAD

Als geamendeerd goedgekeurd (P5_TA(2004)0213)

7.26.   Organisaties actief op het gebied van gelijkheid van vrouwen en mannen *** II (stemming)

Aanbeveling voor de tweede lezing betreffende het gemeenschappelijk standpunt, door de Raad vastgesteld met het oog op de aanneming van het besluit van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een communautair actieprogramma ter bevordering van organisaties die op Europees niveau op het gebied van de gelijkheid van vrouwen en mannen actief zijn [16185/1/2003 — C5-0068/2004 — 2003/0109(COD)] — Commissie rechten van de vrouw en gelijke kansen.

Rapporteur: Rodi Kratsa-Tsagaropoulou (A5-0161/2004)

(Gekwalificeerde meerderheid)

(Bijzonderheden stemming: bijlage 1, punt 26)

GEMEENSCHAPPELIJK STANDPUNT VAN DE RAAD

Als geamendeerd goedgekeurd (P5_TA(2004)0214)

7.27.   Bevordering van gendergelijkheid in de ontwikkelingssamenwerking *** II (stemming)

Aanbeveling voor de tweede lezing betreffende het gemeenschappelijk standpunt, door de Raad vastgesteld met het oog op de aanneming van de verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bevordering van gendergelijkheid in de ontwikkelingssamenwerking [5402/1/2004 — C5-0093/2004 — 2003/0176(COD)] — Commissie rechten van de vrouw en gelijke kansen.

Rapporteur: Olga Zrihen (A5-0160/2004)

(Gekwalificeerde meerderheid)

(Bijzonderheden stemming: bijlage 1, punt 27)

GEMEENSCHAPPELIJK STANDPUNT VAN DE RAAD

Goedgekeurd (P5_TA(2004)0215)

7.28.   Levensmiddelenhygiëne *** II (stemming)

Aanbeveling voor de tweede lezing betreffende het gemeenschappelijk standpunt, door de Raad vastgesteld met het oog op de aanneming van de verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake levensmiddelenhygiëne [10543/2/2002 — C5-0008/2004 — 2000/0178(COD)] — Commissie milieubeheer, volksgezondheid en consumentenbeleid.

Rapporteur: Horst Schnellhardt (A5-0131/2004)

(Gekwalificeerde meerderheid)

(Bijzonderheden stemming: bijlage 1, punt 28)

GEMEENSCHAPPELIJK STANDPUNT VAN DE RAAD

Als geamendeerd goedgekeurd (P5_TA(2004)0216)

7.29.   Hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong *** II (stemming)

Aanbeveling voor de tweede lezing betreffende het gemeenschappelijk standpunt, door de Raad vastgesteld met het oog op de aanneming van de verordening van het Europees Parlement en de Raad houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong [5420/2/2003 — C5-0009/2004 — 2000/0179(COD)] — Commissie milieubeheer, volksgezondheid en consumentenbeleid.

Rapporteur: Horst Schnellhardt (A5-0129/2004)

(Gekwalificeerde meerderheid)

(Bijzonderheden stemming: bijlage 1, punt 29)

GEMEENSCHAPPELIJK STANDPUNT VAN DE RAAD

Als geamendeerd goedgekeurd (P5_TA(2004)0217)

7.30.   Gezondheidsvoorschriften voor de productie en het in de handel brengen van voor menselijke consumptie bestemde producten van dierlijke oorsprong *** II (stemming)

Aanbeveling voor de tweede lezing betreffende het gemeenschappelijk standpunt, door de Raad vastgesteld met het oog op de aanneming van de richtlijn van het Europees Parlement en de Raad houdende intrekking van bepaalde richtlijnen inzake levensmiddelenhygiëne en tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften voor de productie en het in de handel brengen van bepaalde voor menselijke consumptie bestemde producten van dierlijke oorsprong, en tot wijziging van de Richtlijnen 89/662/EEG en 92/118/EEG van de Raad en van Beschikking 95/408/EG van de Raad [11584/1/2003 — C5-0010/2004 — 2000/0182(COD)] — Commissie milieubeheer, volksgezondheid en consumentenbeleid.

Rapporteur: Horst Schnellhardt (A5-0130/2004)

(Gekwalificeerde meerderheid)

(Bijzonderheden stemming: bijlage 1, punt 30)

GEMEENSCHAPPELIJK STANDPUNT VAN DE RAAD

Goedgekeurd (P5_TA(2004)0218)

7.31.   Officiële controles van voor menselijke consumptie bestemde producten van dierlijke oorsprong *** II (stemming)

Aanbeveling voor de tweede lezing betreffende het gemeenschappelijk standpunt, door de Raad vastgesteld met het oog op de aanneming van de verordening van het Europees Parlement en de Raad houdende vaststelling van specifieke voorschriften voor de organisatie van de officiële controles van voor menselijke consumptie bestemde producten van dierlijke oorsprong [11583/1/2003 — C5-0011/2004 — 2002/0141(COD)] — Commissie milieubeheer, volksgezondheid en consumentenbeleid.

Rapporteur: Horst Schnellhardt (A5-0138/2004)

(Gekwalificeerde meerderheid)

(Bijzonderheden stemming: bijlage 1, punt 31)

GEMEENSCHAPPELIJK STANDPUNT VAN DE RAAD

Als geamendeerd goedgekeurd (P5_TA(2004)0219)

7.32.   Transparantievereisten voor uitgevende instellingen van effecten *** I (stemming)

Verslag over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot harmonisatie van de transparantievereisten die gelden voor informatie over uitgevende instellingen waarvan effecten tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten en tot wijziging van Richtlijn 2001/34/EG [COM(2003) 138 — C5-0151/2003 — 2003/0045(COD)] — Economische en Monetaire Commissie.

Rapporteur: Peter William Skinner (A5-0079/2004)

(Gewone meerderheid)

(Bijzonderheden stemming: bijlage 1, punt 32)

VOORSTEL VAN DE COMMISSIE

Als geamendeerd goedgekeurd (P5_TA(2004)0220)

ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE

Aangenomen (P5_TA(2004)0220)

7.33.   Gelijke behandeling bij de toegang tot en de levering van goederen en diensten * (stemming)

Verslag over het voorstel voor een richtlijn van de Raad tot uitvoering van het beginsel van gelijke behandeling van vrouwen en mannen bij de toegang tot en de levering van goederen en diensten [COM(2003) 657 — C5-0654/2003 — 2003/0265(CNS)] — Commissie rechten van de vrouw en gelijke kansen.

Rapporteur: Christa Prets (A5-0155/2004)

(Gewone meerderheid)

(Bijzonderheden stemming: bijlage 1, punt 33)

VOORSTEL VAN DE COMMISSIE

Als geamendeerd goedgekeurd (P5_TA(2004)0221)

ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE

Aangenomen (P5_TA(2004)0221)

7.34.   Bescherming van dieren tijdens het vervoer * (stemming)

Verslag over het voorstel voor een verordening van de Raad inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten en tot wijziging van de Richtlijnen 64/432/EEG en 93/119/EG [COM(2003) 425 — C5-0438/2003 — 2003/0171(CNS)] — Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling.

Rapporteur: Albert Jan Maat (A5-0197/2004)

(Gewone meerderheid)

(Bijzonderheden stemming: bijlage 1, punt 34)

VOORSTEL VAN DE COMMISSIE

Als geamendeerd goedgekeurd (P5_TA(2004)0222)

ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE

Aangenomen (P5_TA(2004)0222)

Opmerkingen in het kader van de stemming:

Robert J.E. Evans vroeg de stemming uit te stellen tot morgen. Meer dan 32 leden steunden zijn verzoek. Albert Jan Maat, rapporteur, voerde het woord over dit verzoek.

Het Parlement verwierp het verzoek.

Patricia McKenna herinnerde eraan dat de Verts/ALE-Fractie om een aparte stemming over amendement 81 had gevraagd.

7.35.   Financiële belangen van de Gemeenschappen en fraudebestrijding (2002) (stemming)

Verslag over de bescherming van de financiële belangen van de Gemeenschappen en fraudebestrijding — Jaarverslag (2002) [COM(2003) 445 — C5-0593/2003 — 2003/2248(INI)] — Commissie begrotingscontrole.

Rapporteur: Herbert Bösch (A5-0135/2004)

(Gewone meerderheid)

(Bijzonderheden stemming: bijlage 1, punt 35)

ONTWERPRESOLUTIE

Aangenomen (P5_TA(2004)0223)

8.   Stemverklaringen

Schriftelijke stemverklaringen:

De schriftelijke stemverklaringen in de zin van artikel 137, lid 3 van het Reglement zijn opgenomen in het volledig verslag van deze vergadering.

Mondelinge stemverklaringen:

Verslag Maat — A5-0197/2004

Nelly Maes

9.   Rectificaties stemgedrag

De volgende leden hebben hun stemgedrag als volgt gerectificeerd:

Verslag Jackson — A5-0178/2004

één enkele stemming

Vóór: Cees Bremmer, Charlotte Cederschiöld, Rainer Wieland

Onthouding: José Ribeiro e Castro

Verslag Medina Ortega — A5-0181/2004

één enkele stemming

Vóór: Ria G.H.C. Oomen-Ruijten

Verslag Prets — A5-0155/2004

amendement 36

Vóór: Doris Pack

amendement 39

Tegen: Marie-Françoise Garaud

wetgevingsresolutie

Onthouding: Paul Rübig

Verslag Maat — A5-0197/2004

amendement 100

Tegen: Olga Zrihen, Yvonne Sandberg-Fries, Hans Karlsson, Jan Andersson, Maj Britt Theorin, Göran Färm, Ewa Hedkvist Petersen

amendement 101

Tegen: Yvonne Sandberg-Fries, Hans Karlsson, Jan Andersson, Maj Britt Theorin, Göran Färm, Ewa Hedkvist Petersen

amendement 102

Tegen: Patricia McKenna, Yvonne Sandberg-Fries, Hans Karlsson, Jan Andersson, Maj Britt Theorin, Göran Färm, Ewa Hedkvist Petersen

amendement 103

Onthouding: Yvonne Sandberg-Fries, Hans Karlsson, Jan Andersson, Maj Britt Theorin, Göran Färm, Ewa Hedkvist Petersen

amendement 105 (alinea e)

Vóór: Efstratios Korakas

amendement 106

Vóór: Ioannis Averoff

amendement 110

Tegen: Helle Thorning-Schmidt

amendement 115

Onthouding: Efstratios Korakas

wetgevingsresolutie

Vóór: Christa Prets

Verslag Bösch — A5-0135/2004

amendementen 1 + 5

Vóór: Jean-Thomas Nordmann

Onthouding: Caroline Lucas

amendementen 2 + 6

Onthouding: Caroline Lucas

Arlette Laguiller, Chantal Cauquil en Armonia Bordes waren aanwezig maar hebben niet deelgenomen aan de stemming over het verslag A5-0079/2004.

(De vergadering wordt om 12.55 uur onderbroken en om 15.05 uur hervat.)

10.   Goedkeuring van de notulen van de vorige vergadering

De notulen van de vorige vergadering worden goedgekeurd.

11.   Agenda

De stemming over het verslag Reimer Böge (A5-0194/2004), die voor morgen was gepland, wordt uitgesteld tot de vergaderperiode van april 2004, zodat kan worden getracht in eerste lezing een akkoord met de Raad te bereiken.

12.   Gemeenschappelijk initiatief voor vrede, stabiliteit en democratie in het gehele Midden-Oosten (verklaringen gevolgd door een debat)

Verklaringen van de Raad en de Commissie: Gemeenschappelijk initiatief voor vrede, stabiliteit en democratie in het gehele Midden-Oosten.

Dick Roche (fungerend voorzitter van de Raad) en Christopher Patten (lid van de Commissie) leggen de verklaringen af.

De Voorzitter meldt dat vorige week te Athene de Euro-Mediterrane Parlementaire Assemblee is opgericht.

Het woord wordt gevoerd door Philippe Morillon, namens de PPE-DE-Fractie, Enrique Barón Crespo, namens de PSE-Fractie, Cecilia Malmström, namens de ELDR-Fractie, Luisa Morgantini, namens de GUE/NGL-Fractie, Per Gahrton, namens de Verts/ALE-Fractie, Franz Turchi, namens de UEN-Fractie, Paul Coûteaux, namens de EDD-Fractie, Gianfranco Dell'Alba, niet-ingeschrevene, Armin Laschet en Pasqualina Napoletano.

VOORZITTER: Renzo IMBENI

Ondervoorzitter

Het woord wordt gevoerd door Luciana Sbarbati, Yasmine Boudjenah, Nelly Maes, Ulla Margrethe Sandbæk, Charles Tannock, Emilio Menéndez del Valle, Jean-Thomas Nordmann, Alima Boumediene-Thiery, Rijk van Dam, Edward H.C. McMillan-Scott, Margrietus J. van den Berg, Willy C.E.H. De Clercq, Mary Elizabeth Banotti, Johannes (Hannes) Swoboda, Ioannis Souladakis, Maj Britt Theorin, Proinsias De Rossa, Jan Dhaene en Dick Roche.

Het debat wordt gesloten.

13.   Situatie in Kosovo (verklaringen gevolgd door een debat)

Verklaringen van de Raad en de Commissie: Situatie in Kosovo

Dick Roche (fungerend voorzitter van de Raad) en Christopher Patten (lid van de Commissie) leggen de verklaringen af.

Het woord wordt gevoerd door Doris Pack, namens de PPE-DE-Fractie.

VOORZITTER: Giorgos DIMITRAKOPOULOS

Ondervoorzitter

Het woord wordt gevoerd door Johannes (Hannes) Swoboda, namens de PSE-Fractie, Hans Modrow, namens de GUE/NGL-Fractie, Joost Lagendijk, namens de Verts/ALE-Fractie, Cristiana Muscardini, namens de UEN-Fractie, Bruno Gollnisch, niet-ingeschrevene, Jan Marinus Wiersma en Bart Staes.

Ontwerpresoluties ingediend overeenkomstig artikel 37, lid 2 van het Reglement, tot besluit van het debat:

Cecilia Malmström en Sarah Ludford, namens de ELDR-Fractie, over de situatie in Kosovo (B5-0160/2004);

Jannis Sakellariou, Johannes (Hannes) Swoboda en Jan Marinus Wiersma, namens de PSE-Fractie, over de situatie in Kosovo (B5-0162/2004);

Doris Pack, Arie M. Oostlander, Philippe Morillon en Giorgio Lisi, namens de PPE-DE-Fractie, over de situatie in Kosovo (B5-0163/2004);

Joost Lagendijk en Daniel Marc Cohn-Bendit, namens de Verts/ALE-Fractie, over de situatie in Kosovo (B5-0164/2004);

Hans Modrow en Giuseppe Di Lello Finuoli, namens de GUE/NGL-Fractie, over Kosovo (B5-0168/2004);

Cristiana Muscardini, namens de UEN-Fractie, over de situatie in Kosovo (B5-0172/2004)

Het debat wordt gesloten.

Stemming: punt 4.24 van de notulen van 1 april 2004

14.   Diervoederhygiëne *** I (debat)

Verslag over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van voorschriften voor diervoederhygiëne [COM(2003) 180 — C5-0175/2003 — 2003/0071(COD)] — Commissie milieubeheer, volksgezondheid en consumentenbeleid.

Rapporteur: Hedwig Keppelhoff-Wiechert (A5-0133/2004)

Het woord wordt gevoerd door David Byrne (lid van de Commissie).

Hedwig Keppelhoff-Wiechert leidt haar verslag in.

Het woord wordt gevoerd door Neil Parish (rapporteur voor advies van de Commissie AGRI), Phillip Whitehead, namens de PSE-Fractie, en David Byrne.

Het debat wordt gesloten.

Stemming: punt 6.11 van de notulen van 31 maart 2004

15.   Materialen en voorwerpen bestemd om met levensmiddelen in aanraking te komen *** I (debat)

Verslag over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende materialen en voorwerpen bestemd om met levensmiddelen in aanraking te komen [COM(2003) 689 — C5-0549/2003 — 2003/0272(COD)] — Commissie milieubeheer, volksgezondheid en consumentenbeleid.

Rapporteur: Astrid Thors (A5-0147/2004)

Het woord wordt gevoerd door David Byrne (lid van de Commissie).

Astrid Thors leidt haar verslag in.

Het woord wordt gevoerd door Dorette Corbey (rapporteur voor advies van de Commissie ITRE), Phillip Whitehead, namens de PSE-Fractie, Jonas Sjöstedt, namens de GUE/NGL-Fractie, Didier Rod, namens de Verts/ALE-Fractie, en David Byrne.

VOORZITTER: Alonso José PUERTA

Ondervoorzitter

Het debat wordt gesloten.

Stemming: punt 6.12 van de notulen van 31 maart 2004

16.   Gefluoreerde broeikasgassen (debat)

Verslag over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake bepaalde gefluoreerde broeikasgassen [COM(2003) 492 — C5-0397/2003 — 2003/0189(COD)] — Commissie milieubeheer, volksgezondheid en consumentenbeleid.

Rapporteur: Robert Goodwill (A5-0172/2004)

Het woord wordt gevoerd door Margot Wallström (lid van de Commissie).

Robert Goodwill leidt zijn verslag in.

Het woord wordt gevoerd door David Robert Bowe (rapporteur voor advies van de Commissie ITRE), Eija-Riitta Anneli Korhola, namens de PPE-DE-Fractie, Dorette Corbey, namens de PSE-Fractie, Chris Davies, namens de ELDR-Fractie, Caroline Lucas, namens de Verts/ALE-Fractie, Bernd Lange en Margot Wallström.

Het debat wordt gesloten.

Stemming: punt 6.14 van de notulen van 31 maart 2004

(De vergadering wordt om 18.40 uur onderbroken en om 21.00 uur hervat.)

VOORZITTER: Raimon OBIOLS I GERMÀ

Ondervoorzitter

17.   Milieu en gezondheid (debat)

Verslag over een Europese strategie voor milieu en gezondheid [COM(2003) 338 — C5-0551/2003 — 2003/2222(INI)] — Commissie milieubeheer, volksgezondheid en consumentenbeleid.

Rapporteur: Marit Paulsen (A5-0193/2004)

Marit Paulsen leidt haar verslag in.

Het woord wordt gevoerd door Margot Wallström (lid van de Commissie).

Het woord wordt gevoerd door Antonios Trakatellis, namens de PPE-DE-Fractie, Minerva Melpomeni Malliori, namens de PSE-Fractie, Didier Rod, namens de Verts/ALE-Fractie, Riitta Myller en Catherine Stihler.

Het debat wordt gesloten.

Stemming: punt 6.24 van de notulen van 31 maart 2004

18.   Toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter: Verdrag van Aarhus * — Toepassing van het Verdrag van Aarhus *** I — Toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden *** I (debat)

Verslag over het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende het sluiten, namens de Europese Gemeenschap, van het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden [COM(2003) 625 — C5-0526/2003 — 2003/0249(CNS)] — Commissie milieubeheer, volksgezondheid en consumentenbeleid.

Rapporteur: Eija-Riitta Anneli Korhola (A5-0173/2004)

Verslag over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de toepassing van de bepalingen van het Verdrag van Aarhus betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden op EG-instellingen en organisaties [COM(2003) 622 — C5-0505/2003 — 2003/0242(COD)] — Commissie milieubeheer, volksgezondheid en consumentenbeleid.

Rapporteur: Eija-Riitta Anneli Korhola (A5-0190/2004)

Verslag over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden [COM(2003) 624 — C5-0513/2003 — 2003/0246(COD)] — Commissie milieubeheer, volksgezondheid en consumentenbeleid.

Rapporteur: Inger Schörling (A5-0189/2004)

Het woord wordt gevoerd door Margot Wallström (lid van de Commissie).

Eija-Riitta Anneli Korhola leidt haar verslagen in (A5-0173/2004 en A5-0190/2004).

Inger Schörling leidt haar verslag in (A5-0189/2004).

Het woord wordt gevoerd door Hartmut Nassauer (rapporteur voor advies van de Commissie LIBE), Claude Moraes (ter vervanging van de rapporteur voor advies van de Commissie LIBE), Anne-Marie Schaffner (rapporteur voor advies van de Commissie JURI), Françoise Grossetête, namens de PPE-DE-Fractie, María Sornosa Martínez, namens de PSE-Fractie, Astrid Thors, namens de ELDR-Fractie, Jonas Sjöstedt, namens de GUE/NGL-Fractie, Jean-Louis Bernié, namens de EDD-Fractie, Giorgio Lisi, Johannes (Hans) Blokland, Margot Wallström en Astrid Thors (de Voorzitter ontneemt haar het woord).

Het debat wordt gesloten.

Stemming: punten 6.18, 6.15 en 6.16 van de notulen van 31 maart 2004

19.   Milieuaansprakelijkheid *** III (debat)

Verslag over de door het bemiddelingscomité goedgekeurde gemeenschappelijke ontwerptekst van de richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende milieuaansprakelijkheid met betrekking tot het voorkomen en herstellen van milieuschade [PE-CONS 3622/2004 — C5-0079/2004 — 2002/0021(COD) — Delegatie van het Europees Parlement in het bemiddelingscomité.

Rapporteur: Toine Manders (A5-0139/2004)

Toine Manders leidt zijn verslag in.

Het woord wordt gevoerd door Margot Wallström (lid van de Commissie).

Het woord wordt gevoerd door Angelika Niebler, namens de PPE-DE-Fractie, Evelyne Gebhardt, namens de PSE-Fractie, Inger Schörling, namens de Verts/ALE-Fractie, Inglewood, Manuel Medina Ortega, Othmar Karas, Malcolm Harbour, Toine Manders en Margot Wallström.

Het debat wordt gesloten.

Stemming: punt 6.10 van de notulen van 31 maart 2004

20.   Beheer van afval van de winningsindustrieën *** I (debat)

Verslag over het voorstel voor een een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende het beheer van afval van de winningsindustrieën [COM(2003) 319 — C5-0256/2003 — 2003/0107(COD)] — Commissie milieubeheer, volksgezondheid en consumentenbeleid.

Rapporteur: Jonas Sjöstedt (A5-0177/2004)

Het woord wordt gevoerd door Margot Wallström (lid van de Commissie).

Jonas Sjöstedt leidt zijn verslag in.

Het woord wordt gevoerd door Marjo Matikainen-Kallström (rapporteur voor advies van de Commissie ITRE), Christa Klaß, namens de PPE-DE-Fractie, Jutta D. Haug, namens de PSE-Fractie, Patricia McKenna, namens de Verts/ALE-Fractie, David Robert Bowe en Margot Wallström.

Het debat wordt gesloten.

Stemming: punt 6.17 van de notulen van 31 maart 2004

21.   Agenda van de volgende vergadering

De agenda voor de vergadering van morgen is vastgesteld (PE 342.517/OJME).

22.   Sluiting van de vergadering

De vergadering wordt om 23.15 uur gesloten.

Julian Priestley

Secretaris-generaal

José Pacheco Pereira

Ondervoorzitter


PRESENTIELIJST

Ondertekend door:

Aaltonen, Abitbol, Adam, Nuala Ahern, Ainardi, Almeida Garrett, Alyssandrakis, Andersen, Andersson, Andreasen, André-Léonard, Andrews, Andria, Aparicio Sánchez, Arvidsson, Atkins, Attwooll, Auroi, Averoff, Avilés Perea, Bakopoulos, Balfe, Baltas, Banotti, Barón Crespo, Bartolozzi, Bastos, Bayona de Perogordo, Bébéar, Berend, Berenguer Fuster, Berès, van den Berg, Bergaz Conesa, Berger, Berlato, Bernié, Berthu, Bertinotti, Beysen, Bigliardo, Blak, Blokland, Bodrato, Böge, Bösch, von Boetticher, Bonde, Bonino, Boogerd-Quaak, Booth, Bordes, Borghezio, van den Bos, Boudjenah, Boumediene-Thiery, Bourlanges, Bouwman, Bowe, Bowis, Bradbourn, Bremmer, Breyer, Brie, Brienza, Brok, Buitenweg, Bullmann, van den Burg, Busk, Callanan, Calò, Camisón Asensio, Campos, Cardoso, Carnero González, Carraro, Carrilho, Casaca, Cashman, Caudron, Caullery, Cauquil, Cederschiöld, Cercas, Cerdeira Morterero, Ceyhun, Chichester, Claeys, Clegg, Cocilovo, Coelho, Cohn-Bendit, Collins, Corbett, Corbey, Cornillet, Cossutta, Paolo Costa, Raffaele Costa, Coûteaux, Cox, Crowley, van Dam, Darras, Dary, Daul, Davies, De Clercq, Dehousse, De Keyser, Dell'Alba, Della Vedova, De Mita, Deprez, De Rossa, De Sarnez, Descamps, Désir, Deva, De Veyrac, Dhaene, Díez González, Di Lello Finuoli, Dillen, Dimitrakopoulos, Dover, Doyle, Dührkop Dührkop, Duff, Duhamel, Duin, Dupuis, Duthu, Dybkjær, Echerer, El Khadraoui, Elles, Eriksson, Ettl, Jillian Evans, Jonathan Evans, Robert J.E. Evans, Färm, Farage, Fatuzzo, Fava, Ferber, Fernández Martín, Ferrer, Fiebiger, Figueiredo, Fiori, Fitzsimons, Flautre, Flemming, Flesch, Florenz, Formentini, Foster, Fourtou, Fraisse, Frassoni, Friedrich, Gahler, Gahrton, Garaud, García-Orcoyen Tormo, Garot, Garriga Polledo, Gasòliba i Böhm, Gebhardt, Ghilardotti, Gill, Gillig, Glase, Gobbo, Goebbels, Goepel, Görlach, Gollnisch, Gomolka, Goodwill, Gorostiaga Atxalandabaso, Gouveia, Graefe zu Baringdorf, Graça Moura, Grönfeldt Bergman, Grosch, Grossetête, Gutiérrez-Cortines, Guy-Quint, Hänsch, Hager, Hannan, Hansenne, Harbour, Hatzidakis, Heaton-Harris, Hedkvist Petersen, Hermange, Hernández Mollar, Herranz García, Herzog, Hieronymi, Hoff, Honeyball, Hortefeux, Howitt, Hudghton, Hughes, Huhne, van Hulten, Hume, Hyland, Ilgenfritz, Imbeni, Inglewood, Isler Béguin, Izquierdo Collado, Izquierdo Rojo, Jackson, Jarzembowski, Jeggle, Jöns, Jonckheer, Jové Peres, Junker, Kaldi, Karamanou, Karas, Karlsson, Kastler, Katiforis, Kaufmann, Kauppi, Keppelhoff-Wiechert, Keßler, Khanbhai, Kindermann, Glenys Kinnock, Kirkhope, Klamt, Klaß, Knolle, Koch, Konrad, Korakas, Korhola, Koukiadis, Koulourianos, Krarup, Kratsa-Tsagaropoulou, Krehl, Kreissl-Dörfler, Krivine, Kronberger, Kuckelkorn, Kuhne, Kuntz, Lage, Lagendijk, Laguiller, Lalumière, Lamassoure, Lambert, Lang, Lange, Langen, Langenhagen, Lannoye, de La Perriere, Laschet, Lechner, Lehne, Leinen, Liese, Linkohr, Lipietz, Lisi, Lucas, Lulling, Lund, Lynne, Maat, Maaten, McAvan, McCarthy, McCartin, MacCormick, McKenna, McMillan-Scott, McNally, Maes, Malliori, Malmström, Manders, Manisco, Erika Mann, Thomas Mann, Mantovani, Marchiani, Marinho, Marini, Marinos, Markov, Marques, Marset Campos, Martens, David W. Martin, Hans-Peter Martin, Hugues Martin, Martinez, Martínez Martínez, Mastella, Mastorakis, Mathieu, Matikainen-Kallström, Hans-Peter Mayer, Xaver Mayer, Mayol i Raynal, Medina Ortega, Meijer, Mendiluce Pereiro, Menéndez del Valle, Mennea, Menrad, Miguélez Ramos, Miller, Miranda de Lage, Modrow, Mombaur, Monsonís Domingo, Montfort, Moraes, Morgan, Morgantini, Morillon, Müller, Mulder, Murphy, Muscardini, Mussa, Musumeci, Myller, Naïr, Napoletano, Nassauer, Newton Dunn, Nicholson, Nicholson of Winterbourne, Niebler, Nisticò, Nobilia, Nogueira Román, Nordmann, Obiols i Germà, Ojeda Sanz, Olsson, Ó Neachtain, Onesta, Oomen-Ruijten, Oostlander, Oreja Arburúa, Ortuondo Larrea, Paasilinna, Pacheco Pereira, Paciotti, Pack, Pannella, Papayannakis, Parish, Pasqua, Pastorelli, Patakis, Paulsen, Pérez Álvarez, Pérez Royo, Perry, Pesälä, Pex, Piecyk, Pirker, Piscarreta, Pittella, Podestà, Poettering, Pohjamo, Poignant, Pomés Ruiz, Poos, Posselt, Prets, Procacci, Provan, Puerta, Purvis, Queiró, Quisthoudt-Rowohl, Rack, Radwan, Randzio-Plath, Rapkay, Raschhofer, Redondo Jiménez, Ribeiro, Ribeiro e Castro, Riis-Jørgensen, Rocard, Rod, Rodríguez Ramos, de Roo, Roth-Behrendt, Rothe, Roure, Rousseaux, Rovsing, Rübig, Ruffolo, Rutelli, Sacconi, Sacrédeus, Saint-Josse, Sakellariou, Salafranca Sánchez-Neyra, Sandberg-Fries, Sandbæk, Santer, Santini, dos Santos, Sauquillo Pérez del Arco, Savary, Sbarbati, Scarbonchi, Schaffner, Scheele, Schleicher, Gerhard Schmid, Herman Schmid, Olle Schmidt, Schmitt, Schnellhardt, Schörling, Ilka Schröder, Jürgen Schröder, Schulz, Schwaiger, Segni, Seppänen, Sichrovsky, Simpson, Sjöstedt, Skinner, Smet, Sörensen, Sommer, Sornosa Martínez, Souchet, Souladakis, Sousa Pinto, Speroni, Staes, Stauner, Stenmarck, Stenzel, Sterckx, Stevenson, Stihler, Stirbois, Stockmann, Stockton, Sturdy, Sudre, Suominen, Swiebel, Swoboda, Sørensen, Tajani, Tannock, Terrón i Cusí, Theato, Theorin, Thomas-Mauro, Thorning-Schmidt, Thors, Thyssen, Titford, Titley, Torres Marques, Trakatellis, Tsatsos, Turchi, Turco, Turmes, Vachetta, Väyrynen, Vairinhos, Valenciano Martínez-Orozco, Van Hecke, Van Lancker, Van Orden, Varaut, Varela Suanzes-Carpegna, Vatanen, Vattimo, van Velzen, Vermeer, de Veyrinas, Vidal-Quadras Roca, Villiers, Vinci, Virrankoski, Vlasto, Voggenhuber, Wachtmeister, Wallis, Walter, Watson, Watts, Weiler, Wenzel-Perillo, Whitehead, Wieland, Wiersma, Wijkman, von Wogau, Wuermeling, Wuori, Wyn, Wynn, Zabell, Zacharakis, Zappalà, Zimmerling, Zissener, Zorba, Zrihen

Waarnemers

A. Nagy, Bagó, Balla, Bastys, Beneš, Biela, Bielan, Kazys Jaunutis Bobelis, Christodoulidis, Chronowski, Cybulski, Demetriou, Didžiokas, Drzęla, Ékes, Filipek, Gałażewski, Golde, Genowefa Grabowska, Gruber, Grzebisz-Nowicka, Hegyi, Heriban, Ilves, Kamiński, Kāposts, Kelemen, Kiršteins, Kłopotek, Klukowski, Kriščiūnas, Daniel Kroupa, Kubica, Kuzmickas, Kvietkauskas, Laar, Lachnit, Libicki, Liepiņa, Lisak, Litwiniec, Łyżwiński, Maldeikis, Mallotová, Manninger, Matsakis, Őry, Palečková, Pieniążek, Plokšto, Podgórski, Pospíšil, Protasiewicz, Rutkowski, Savi, Sefzig, Siekierski, Smorawiński, Szczygło, Tabajdi, Tomaka, Tomczak, Vaculík, Valys, George Varnava, Vastagh, Vella, Wiśniowska, Wittbrodt, Záborská, Zahradil, Żenkiewicz, Žiak


BIJLAGE I

STEMMINGSUITSLAGEN

Afkortingen en tekens

+

aangenomen

-

verworpen

vervallen

Ing.

ingetrokken

HS (..., ..., ...)

hoofdelijke stemming (aantal stemmen vóór, aantal stemmen tegen, onthoudingen)

ES (..., ..., ...)

elektronische stemming (aantal stemmen vóór, aantal stemmen tegen, onthoudingen)

so

stemming in onderdelen

as

aparte stemming

am

amendement

CA

compromisamendement

DD

desbetreffend deel

S

amendement tot schrapping

=

gelijkluidende amendementen

§

paragraaf

artikel

artikel

overw

overweging

OR

ontwerpresolutie

GOR

gezamenlijke ontwerpresolutie

Geh. S

geheime stemming

1.   Hoeklichten voor motorvoertuigen ***

Aanbeveling: BERENGUER FUSTER (A5-0146/2004)

Betreft

HS, enz.

Stemming

HS/ES — opmerkingen

één enkele stemming

 

+

 

2.   Intrekking van Richtlijn 72/462/EEG *

Verslag: JACKSON (A5-0178/2004)

Betreft

HS, enz.

Stemming

HS/ES — opmerkingen

één enkele stemming

HS

+

307, 1, 20

Verzoeken om hoofdelijke stemming

PPE-DE

3.   Communautaire statistiek inzake de betalingsbalans, de internationale handel in diensten en buitenlandse directe investeringen *** I

Verslag: BERENGUER FUSTER (A5-0210/2004)

Betreft

HS, enz.

Stemming

HS/ES — opmerkingen

één enkele stemming

 

+

 

4.   Financiële bijstand van de Gemeenschap op het gebied van trans-Europese netwerken *** II

Aanbeveling voor de tweede lezing: TURCHI (A5-0134/2004)

Betreft

HS, enz.

Stemming

HS/ES — opmerkingen

goedkeuring zonder stemming

 

+

 

5.   Europese executoriale titel voor niet-betwiste schuldvorderingen *** II

Aanbeveling voor de tweede lezing: WUERMELING (A5-0187/2004)

Betreft

HS, enz.

Stemming

HS/ES — opmerkingen

goedkeuring zonder stemming

 

+

 

6.   Organische oplosmiddelen *** II

Aanbeveling voor de tweede lezing: LISI (A5-0136/2004)

Betreft

HS, enz.

Stemming

HS/ES — opmerkingen

goedkeuring zonder stemming

 

+

 

7.   Luchtdiensten tussen lidstaten en derde landen *** II

Aanbeveling voor de tweede lezing: SCHMITT (A5-0179/2004)

Betreft

HS, enz.

Stemming

HS/ES — opmerkingen

één enkele stemming

 

+

 

8.   Beschikbaarstelling van middelen uit het Solidariteitsfonds van de EU

Verslag: TERENCE WYNN (A5-0195/2004)

Betreft

HS, enz.

Stemming

HS/ES — opmerkingen

één enkele stemming

 

+

 

9.   Gewijzigde begroting 5/2004

Verslag: MULDER (A5-0203/2004)

Betreft

HS, enz.

Stemming

HS/ES — opmerkingen

één enkele stemming

 

+

 

10.   Verzoeken aan agentschappen (wijziging Reglement)

Verslag: CORBETT (A5-0152/2004)

Betreft

HS, enz.

Stemming

HS/ES — opmerkingen

één enkele stemming

 

+

 

11.   Niet-financiële kwartaalrekeningen per institutionele sector *** I

Verslag: LULLING (A5-0151/2004)

Betreft

HS, enz.

Stemming

HS/ES — opmerkingen

één enkele stemming

 

+

 

12.   Belasting van energieproducten en elektriciteit *

Verslag: BERÈS (A5-0158/2004)

Betreft

HS, enz.

Stemming

HS/ES — opmerkingen

één enkele stemming

 

+

 

13.   Belastingheffing op inkomsten uit spaargelden in de vorm van rentebetaling *

Verslag: GARCIA MARGALLO Y MARFIL (A5-0169/2004)

Betreft

HS, enz.

Stemming

HS/ES — opmerkingen

één enkele stemming

 

+

 

14.   Uitkeringen van interest en royalty's tussen verbonden ondernemingen van verschillende lidstaten *

Verslag: KARAS (A5-0150/2004)

Betreft

HS, enz.

Stemming

HS/ES — opmerkingen

één enkele stemming

 

+

 

15.   Gerecht voor Europese ambtenarenzaken *

Verslag: MEDINA ORTEGA (A5-0181/2004)

Betreft

HS, enz.

Stemming

HS/ES — opmerkingen

één enkele stemming

HS

+

452, 10, 22

Verzoeken om hoofdelijke stemming

PPE-DE: eindstemming

16.   Statuut van het Hof van Justitie *

Verslag: GIL-ROBLES (A5-0128/2004)

Betreft

HS, enz.

Stemming

HS/ES — opmerkingen

één enkele stemming

 

+

 

17.   Wijziging van het reglement voor de procesvoering van het Hof van Justitie (regeling taalgebruik) *

Verslag: GIL-ROBLES (A5-0127/2004)

Betreft

HS, enz.

Stemming

HS/ES — opmerkingen

één enkele stemming

 

+

 

18.   Reglement voor de procesvoering van het Gerecht van eerste aanleg (rechtstreekse beroepen) *

Verslag: GIL-ROBLES (A5-0126/2004)

Betreft

HS, enz.

Stemming

HS/ES — opmerkingen

één enkele stemming

 

+

 

19.   Invoer in de Gemeenschap van bepaalde levende hoefdieren *

Verslag: DOYLE (A5-0186/2004)

Betreft

HS, enz.

Stemming

HS/ES — opmerkingen

één enkele stemming

 

+

 

20.   Gegevens over de driemaandelijkse overheidsschuld *

Verslag: LULLING (A5-0170/2004)

Betreft

HS, enz.

Stemming

HS/ES — opmerkingen

één enkele stemming

 

+

 

21.   Parlementaire immuniteit van Martin Pannella

Verslag: LEHNE (A5-0180/2004)

Betreft

Am. nr.

van

HS, enz.

Stemming

HS/ES — opmerkingen

één enkele stemming

 

+

 

22.   Parlementaire immuniteit van Martin Schulz

Verslag: MACCORMICK (A5-0184/2004)

Betreft

Am. nr.

van

HS, enz.

Stemming

HS/ES — opmerkingen

één enkele stemming

 

+

 

M. MacCormick, raporteur, stelde een mondeling amendement voor strekkende tot invoeging van „en de Commissie” in paragraaf 4. Deze aanpassing betreft eveneens zijn verslag A5-0185/2004 over de parlementaire immuniteit van Klaus-Heiner Lehne (zie punt 23).

23.   Parlementaire immuniteit van Klaus-Heiner Lehne

Verslag: MACCORMICK (A5-0185/2004)

Betreft

Am. nr.

van

HS, enz.

Stemming

HS/ES — opmerkingen

één enkele stemming

 

+

 

24.   Markten voor financiële instrumenten *** II

Aanbeveling voor de tweede lezing: VILLIERS (A5-0114/2004)

Betreft

Am. nr.

van

HS, enz.

Stemming

HS/ES — opmerkingen

tekst in zijn geheel

blok 1

4 fracties

 

+

 

blok 2

commissie

 

 

blok 3

commissie

 

-

 

blok nr. 1 = 4 fracties (am 54-82)

blok nr. 2 = Economische en Monetaire Commissie (am 1, 2, 7, 11-14, 16-18, 20, 30-37, 39-41, 46-50 en 53)

blok nr. 3 = Economische en Monetaire Commissie (am 3-6, 8-10, 15, 19, 21-29, 38, 42-45, 51 en 52)

25.   Blootstelling van werknemers aan de risico's van fysische agentia (elektromagnetische velden) *** II

Aanbeveling voor de tweede lezing: PERES ALVAREZ (A5-0196/2004)

Betreft

Am. nr.

van

HS, enz.

Stemming

HS/ES — opmerkingen

amendementen van de bevoegde commissie — stemming en bloc

1-5

commissie

 

+

 

26.   Organisaties actief op het gebied van gelijkheid van vrouwen en mannen *** II

Aanbeveling voor de tweede lezing: KRATSA-TSAGAROPOULOU (A5-0161/2004)

Betreft

Am. nr.

van

HS, enz.

Stemming

HS/ES — opmerkingen

amendementen van de bevoegde commissie — stemming en bloc

1-2

commissie

 

+

 

27.   Gelijkheid van mannen en vrouwen in het kader van de ontwikkelingssamenwerking *** II

Aanbeveling voor de tweede lezing: ZRIHEN (A5-0160/2004)

Betreft

Am. nr.

van

HS, enz.

Stemming

HS/ES — opmerkingen

goedkeuring zonder stemming

 

+

 

28.   Levensmiddelenhygiëne *** II

Aanbeveling voor de tweede lezing: SCHNELLHARDT (A5-0131/2004)

Betreft

Am. nr.

van

HS, enz.

Stemming

HS/ES — opmerkingen

amendementen van de bevoegde commissie — stemming en bloc

blok 1

commissie

 

-

 

tekst in zijn geheel

blok 2

PPE-DE+PSE

 

+

 

blok 3

commissie

 

 

Blok 1 = commissie ENVI (am 3, 4 en 8)

Blok 2 = commissie ENVI en PPE-DE + PSE (am 7 en 10 t/m 15)

Blok 3 = commissie ENVI (am 1, 2, 5, 6 en 9)

29.   Hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong *** II

Aanbeveling voor de tweede lezing: SCHNELLHARDT (A5-0129/2004)

Betreft

Am. nr.

van

HS, enz.

Stemming

HS/ES — opmerkingen

amendementen van de bevoegde commissie — stemming en bloc

2-8

commissie

 

-

 

art 10

10

PPE-DE+PSE

 

+

 

1

commissie

 

 

bijlage 3 en overweging 19

11

PPE-DE+PSE

 

+

 

9

PPE-DE+PSE

 

+

 

30.   Gezondheidsvoorschriften voor de productie en het in de handel brengen van voor menselijke consumptie bestemde producten van dierlijke oorsprong *** II

Aanbeveling voor de tweede lezing: SCHNELLHARDT (A5-0130/2004)

Betreft

Am. nr.

van

HS, enz.

Stemming

HS/ES — opmerkingen

goedkeuring zonder stemming

 

+

 

31.   Officiële controles van voor menselijke consumptie bestemde producten van dierlijke oorsprong *** II

Aanbeveling voor de tweede lezing: SCHNELLHARDT (A5-0138/2004)

Betreft

Am. nr.

van

HS, enz.

Stemming

HS/ES — opmerkingen

blok (compromis)

11

18

19

20

commissie + 2 fracties

 

+

 

varkens en runderen

9+14

commissie

HS

+

354, 130, 19

21

PPE-DE+PSE

 

 

kleine ambachtelijke bedrijven

23

Verts/ALE

 

-

 

24

Verts/ALE

 

-

 

22

PPE-DE+PSE

 

+

 

rest

1-8

10

12

13

15-17

commissie

 

 

Verzoeken om hoofdelijke stemming

Verts/ALE: am 9

32.   Transparantievereisten voor uitgevende instellingen van effecten *** I

Verslag: SKINNER (A5-0079/2004)

Betreft

Am. nr.

van

HS, enz.

Stemming

HS/ES — opmerkingen

tekst in zijn geheel

blok 1

commissie

 

+

 

blok 2

commissie

 

-

 

blok 3

PSE+ELDR+PPE/DE

 

+

 

blok 4

commissie

 

 

art 4, § 2, na alinea c)

162

Verts/ALE

 

 

art 4, § 5

163

Verts/ALE

HS

-

116, 379, 8

overw 1

160

Verts/ALE

 

 

overw 2

161

Verts/ALE

HS

-

115, 368, 6

Stemming: gewijzigd voorstel

 

+

 

Stemming: wetgevingsresolutie

HS

+

390, 8, 102

Amendement 168/rev betreft niet alle taalversies en is bijgevolg niet in stemming gebracht (zie artikel 140, lid 1, alinea d) van het Reglement)

De amendementen 210 t/m 255 zijn geannuleerd

Blok 1 = commissie ECON (am 2-4, 7, 9, 12, 15-21, 23-27, 29, 31-42, 44-49, 52-58, 60-66, 71-74, 77, 78, 80-88, 90, 94-97, 99-104, 106-108, 111, 112, 114, 115, 118-126, 128, 137, 139-155, 157 en 158)

Blok 2 = commissie ECON (am 6, 30, 67, 79, 110, 113, 117, 131 en 138)

Blok 3 = PPE-DE + PSE +ELDR (am 164/rev-167/rev en 169/rev — 209/rev)

Blok 4 = commissie ECON (am 1, 5, 8, 10, 11, 13, 14, 22, 28, 43, 50, 51, 59, 68, 69, 70, 75, 76, 89, 91, 92, 93, 98, 105, 109, 116, 127, 129, 130, 132-136, 156 en 159)

Verzoeken om hoofdelijke stemming

PSE: eindstemming

Verts/ALE: am 163, 161

Verzoeken om aparte stemming

PSE: blok 2

33.   Gelijke behandeling bij de toegang tot en de levering van goederen en diensten *

Verslag: PRETS (A5-0155/2004)

Betreft

Am. nr.

van

HS, enz.

Stemming

HS/ES — opmerkingen

amendementen van de bevoegde commissie — stemming en bloc

4

9

12

13

18-20

§ 24

28

31-34

commissie

 

+

 

amendementen van de bevoegde commissie — afzonderlijke stemming

2

commissie

as

+

 

3

commissie

as

+

 

7

commissie

as

+

 

8

commissie

as

+

 

10

commissie

as

+

 

15

commissie

so

 

 

1

+

 

2/VE

+

286, 193, 9

16

commissie

as

+

 

17

commissie

as

+

 

25

commissie

as

+

 

29

commissie

as/ES

+

255, 237, 2

30

commissie

as

+

 

gelijkheid

1

commissie

as

+

 

42

PSE

as

+

 

43

PSE

as

+

 

44

PSE

as

+

 

45

PSE

as

+

 

11

commissie

as

 

23

commissie

as

 

26

commissie

as

 

27

commissie

as

 

art 1, § 4

39

Verts/ALE

HS

-

64, 424, 17

14

commissie

 

+

 

art 2, § 1, alinea c)

 

oorspronkelijke tekst

as

+

 

art 3, § 2

 

oorspronkelijke tekst

as

+

 

art 4

36

PPE-DE

HS

-

184, 301, 18

art 4, § 1

40

Verts/ALE

 

-

 

art 4, § 2

41

Verts/ALE

 

-

 

22

commissie

 

+

 

art 8, § 1

 

oorspronkelijke tekst

HS

+

326, 157, 17

overw 10

37

Verts/ALE

 

-

 

5

commissie

 

+

 

na overw 10

38

Verts/ALE

 

-

 

6

commissie

 

+

 

overw 13

35

PPE-DE

HS

-

192, 292, 18

overw 14

 

oorspronkelijke tekst

as

+

 

overw 17

 

oorspronkelijke tekst

as

+

 

overw 19

 

oorspronkelijke tekst

as

+

 

Stemming: gewijzigd voorstel

HS

+

313, 107, 84

Stemming: wetgevingsresolutie

HS

+

313, 141, 47

Amendement 21 betreft niet alle taalversies en is bijgevolg niet in stemming gebracht (zie artikel 140, lid 1, alinea d) van het Reglement)

Verzoeken om hoofdelijke stemming

PPE-DE: am 35, 36, art 8; § 1

PSE: gewijzigd voorstel en eindstemming

ELDR: gewijzigd voorstel en eindstemming

GUE/NGL: am 39

Verts/ALE: eindstemming

M. HEATON-HARRIS ea: am 35, 36 en eindstemming

Verzoeken om aparte stemming

PPE-DE: am 2, 3, 7, 8, 10, 15, 16, 17, 25, 29, 30, 1, 42, 43, 44, 45, 11, 23, 26 en 27, overw 14, 17, 19, art 2, § 1, alinea c), art 2, § 1, alinea d), art 3, § 2

ELDR: am 7

Verzoeken om stemming in onderdelen

Verts/ALE

am 15

1ste deel: t/m „lidstaat”

2de deel: rest

34.   Bescherming van dieren tijdens het vervoer *

Verslag: MAAT (A5-0197/2004)

Betreft

Am. nr.

van

HS, enz.

Stemming

HS/ES — opmerkingen

amendementen van de bevoegde commissie — stemming en bloc

2-8

10-12

14-26

29-45

47-72

74-79

82-88

94-97

commissie

 

+

 

amendementen van de bevoegde commissie — afzonderlijke stemming

13

commissie

as

+

 

46

commissie

as

+

 

81

commissie

ES

+

297, 174, 17

89

commissie

as/ES

+

350, 134, 8

90

commissie

as/ES

+

333, 154, 3

91

commissie

as

+

 

92

commissie

as

+

 

93

commissie

as

+

 

art 1, § 2

109

PPE-DE

 

+

 

9

commissie

 

 

art 2, punt h)

121/rev

EVANS ea

ES

+

263, 230, 2

art 2, letter k)

104

ELDR

ES

-

195, 294, 5

art 2, punt n)

98

EVANS ea

HS

-

226, 257, 16

art 3, na letter c)

103

EDD

HS

-

175, 317, 11

na art 3

114

Verts/ALE

HS

-

185, 310, 3

115

Verts/ALE

HS

+

364, 130, 6

art 10, na § 2

100

EDD

HS

-

52, 430, 17

art 13, na letter c)

122/rev

EVANS ea

ES

-

171, 318, 4

art 14

27/28

commissie

 

+

 

101

EDD

HS

-

138, 358, 4

118

GUE/NGL

 

-

 

art 31

102

EDD

HS

-

139, 357, 4

bijlage 1, hoofdstuk 2, punt 1.1, alinea d)

120

GUE/NGL

 

-

 

bijlage 1, hoofdstuk 2, punt 1.1, na alinea h)

119

GUE/NGL

 

-

 

73

commissie

 

+

 

bijlage 1, hoofdstuk 2, punt 4

112

PARISH ea

HS

+

404, 98, 1

bijlage 1, hoofdstuk 5, punt 1, voor §1

113

Verts/ALE

 

-

 

123/rev

EVANS ea

HS

-

237, 258, 5

111

PPE-DE

HS

-

227, 260, 7

80

commissie

ES

+

378, 117, 1

bijlage 1, hoofdstuk 5, punt 1.1, alinea a)

117

GUE/NGL

 

-

 

bijlage 1, hoofdstuk 5, punt 1.1, na alinea a)

99/rev

EVANS ea

HS

-

204, 290, 9

bijlage 1, hoofdstuk 5, punt 1.1, alinea d)

107 =

108 =

REDONDO ea

RODRIGUEZ ea

 

-

 

105 dd

ELDR

HS

-

127, 368, 8

annexe 1, chapitre 5, point 1.1, alinéa e)

105 dd

ELDR

HS

-

182, 302, 11

bijlage 1, hoofdstuk 5, punt 1.1, na alinea f)

105 dd

ELDR

HS

-

127, 363, 6

106

REDONDO ea

HS

-

107, 392, 4

bijlage 1, hoofdstuk 5, na punt 1.1

105 dd

ELDR

 

 

bijlage 1, hoofdstuk 7, punt 1, 3

124/rev

EVANS ea

ES

-

231, 256, 5

bijlage 1, hoofdstuk 7, tabel runderen

110

PPE-DE

HS

+

317, 176, 3

overw 5

1

commissie

 

+

 

116

GUE/NGL

 

 

Stemming: gewijzigd voorstel

 

+

 

Stemming: wetgevingsresolutie

HS

+

261, 194, 44

Diversen

Amendementen 27 en 28 zijn samengevoegd

Verzoeken om hoofdelijke stemming

Verts/ALE: am 114, 115, § 123/rev, eindstemming

GUE/NGL: am 102, 105, 106, 110, 111, 115

EDD: am 100, 101, 102, 103

M. PARISH ea: am 98, 99/rev en 112

Verzoeken om aparte stemming

PSE: am 89, 90, 91, 92, 93

GUE/NGL: am 13, 46

Het woord werd gevoerd door:

Mevrouw McKenna, namens de Verts/ALE-Fractie, verzocht om aparte stemming over amendement 81.

35.   Financiële belangen van de Gemeenschappen en fraudebestrijding (2002)

Verslag: BÖSCH (A5-0135/2004)

Betreft

Am. nr.

van

HS, enz.

Stemming

HS/ES — opmerkingen

§ 1

1S=

5S=

PSE

ELDR

HS

-

185, 268, 31

§ 2

2S= 6S=

PSE

ELDR

HS

-

233, 242, 13

§ 3

7S

ELDR

ES

+

229, 216, 6

§ 39

8

ELDR

 

-

 

§ 43

9

ELDR

 

-

 

§ 45

10S

ELDR

 

-

 

§ 46

11

ELDR

 

-

 

§ 56

12

ELDR

 

+

 

§ 57

13

ELDR

 

-

 

na § 59

14

PPE-DE

ES

+

247, 164, 5

overw B

3

ELDR

 

-

 

na overw B

4

ELDR

 

-

 

Stemming: resolutie (geheel)

 

+

 

Verzoeken om hoofdelijke stemming

EDD: amendement 1/5, 2/6

Verzoeken om aparte stemming

EDD: §§ 1 en 2 (enkel in geval van de terugtrekking van am 1/5 en/of 2/6)


BIJLAGE II

UITSLAG VAN DE HOOFDELIJKE STEMMINGEN

1.   Verslag Jackson A5-0178/2004

Resolutie

Voor: 307

EDD: Andersen, Bernié, Blokland, Booth, Farage, Saint-Josse, Sandbæk, Titford

ELDR: Andreasen, André-Léonard, Attwooll, Boogerd-Quaak, Busk, Clegg, De Clercq, Duff, Flesch, Formentini, Huhne, Lynne, Maaten, Malmström, Manders, Monsonís Domingo, Mulder, Nicholson of Winterbourne, Nordmann, Paulsen, Pesälä, Pohjamo, Sbarbati, Sterckx, Väyrynen, Virrankoski, Watson

GUE/NGL: Ainardi, Bakopoulos, Bergaz Conesa, Bordes, Boudjenah, Caudron, Cauquil, Cossutta, Di Lello Finuoli, Eriksson, Fiebiger, Figueiredo, Herzog, Jové Peres, Korakas, Koulourianos, Krarup, Krivine, Manisco, Markov, Meijer, Modrow, Papayannakis, Patakis, Puerta, Schmid Herman, Schröder Ilka, Seppänen, Sjöstedt, Vinci

NI: Beysen, Hager, Ilgenfritz, Kronberger, Mennea, Raschhofer, Sichrovsky

PPE-DE: Almeida Garrett, Arvidsson, Atkins, Averoff, Avilés Perea, Banotti, Bastos, Bayona de Perogordo, Berend, Bodrato, Böge, von Boetticher, Bowis, Bradbourn, Bremmer, Brienza, Callanan, Camisón Asensio, Cardoso, Chichester, Coelho, Daul, Deprez, De Sarnez, Descamps, Dimitrakopoulos, Dover, Elles, Evans Jonathan, Fiori, Flemming, Foster, Fourtou, Gahler, García-Orcoyen Tormo, Garriga Polledo, Glase, Goepel, Gomolka, Goodwill, Gouveia, Graça Moura, Grönfeldt Bergman, Grossetête, Harbour, Hatzidakis, Heaton-Harris, Hermange, Herranz García, Jackson, Jarzembowski, Karas, Keppelhoff-Wiechert, Kirkhope, Klaß, Koch, Konrad, Langen, Langenhagen, Laschet, Lechner, Lehne, Lisi, Lulling, Maat, McCartin, Mann Thomas, Marinos, Martin Hugues, Matikainen-Kallström, Mayer Hans-Peter, Mayer Xaver, Menrad, Mombaur, Morillon, Nisticò, Ojeda Sanz, Pack, Parish, Pastorelli, Pérez Álvarez, Perry, Pex, Piscarreta, Provan, Purvis, Rack, Redondo Jiménez, Rovsing, Rübig, Salafranca Sánchez-Neyra, Santer, Santini, Schaffner, Schierhuber, Schmitt, Schnellhardt, Smet, Sommer, Stenmarck, Stenzel, Stevenson, Sudre, Suominen, Tajani, Tannock, Theato, Thyssen, Trakatellis, Twinn, Van Orden, Varela Suanzes-Carpegna, van Velzen, de Veyrinas, Villiers, Vlasto, Wachtmeister, Wenzel-Perillo, Wuermeling, Zacharakis, Zimmerling, Zissener

PSE: Adam, Andersson, Baltas, Berenguer Fuster, van den Berg, Berger, Bösch, Bullmann, van den Burg, Campos, Carnero González, Carraro, Carrilho, Cercas, Ceyhun, Corbey, Darras, Dehousse, Dhaene, Dührkop Dührkop, Duhamel, Ettl, Evans Robert J.E., Färm, Garot, Ghilardotti, Goebbels, Hedkvist Petersen, Honeyball, van Hulten, Hume, Jöns, Karamanou, Karlsson, Keßler, Kindermann, Kinnock, Koukiadis, Kreissl-Dörfler, Kuhne, Lage, Lalumière, Lund, McAvan, McCarthy, Malliori, Martin David W., Martínez Martínez, Mastorakis, Medina Ortega, Menéndez del Valle, Miguélez Ramos, Miller, Miranda de Lage, Müller, Murphy, Myller, Napoletano, Paasilinna, Paciotti, Poos, Prets, Rapkay, Rocard, Roth-Behrendt, Rothe, Rothley, Roure, Sacconi, Sakellariou, dos Santos, Scheele, Simpson, Skinner, Souladakis, Sousa Pinto, Stihler, Swoboda, Theorin, Vairinhos, Van Lancker, Vattimo, Wiersma, Wynn, Zrihen

UEN: Bigliardo, Musumeci, Nobilia, Segni, Turchi

Verts/ALE: Aaltonen, Ahern, Boumediene-Thiery, Bouwman, Evans Jillian, Flautre, Frassoni, Jonckheer, Lagendijk, Lambert, Lannoye, Lucas, MacCormick, McKenna, Maes, Nogueira Román, Onesta, Rod, de Roo, Sörensen, Staes, Voggenhuber, Wuori

Tegen: 1

NI: Gorostiaga Atxalandabaso

Onthoudingen: 20

EDD: Abitbol, Kuntz

NI: Berthu, Claeys, Dell'Alba, Dillen, Gobbo, Gollnisch, Lang, de La Perriere, Pannella, Souchet, Turco

UEN: Andrews, Collins, Crowley, Hyland, Marchiani, Queiró, Thomas-Mauro

2.   Verslag Medina Ortega A5-0181/2004

Resolutie

Voor: 452

EDD: Andersen, Blokland, Bonde, van Dam, Sandbæk

ELDR: Andreasen, André-Léonard, Attwooll, Boogerd-Quaak, Busk, Clegg, Costa Paolo, Davies, De Clercq, Duff, Dybkjær, Flesch, Formentini, Huhne, Lynne, Maaten, Malmström, Manders, Monsonís Domingo, Mulder, Newton Dunn, Nicholson of Winterbourne, Nordmann, Olsson, Paulsen, Pesälä, Pohjamo, Procacci, Rousseaux, Rutelli, Sbarbati, Schmidt, Sterckx, Thors, Väyrynen, Van Hecke, Vermeer, Virrankoski, Wallis, Watson

GUE/NGL: Ainardi, Bakopoulos, Bergaz Conesa, Bertinotti, Bordes, Boudjenah, Brie, Caudron, Cauquil, Cossutta, Di Lello Finuoli, Eriksson, Fiebiger, Figueiredo, Fraisse, Herzog, Jové Peres, Kaufmann, Koulourianos, Krivine, Laguiller, Manisco, Markov, Marset Campos, Meijer, Modrow, Papayannakis, Puerta, Ribeiro, Scarbonchi, Schmid Herman, Schröder Ilka, Seppänen, Sjöstedt, Vinci

NI: Berthu, Beysen, Gobbo, Gorostiaga Atxalandabaso, Hager, Ilgenfritz, Kronberger, de La Perriere, Mennea, Raschhofer, Sichrovsky, Souchet, Speroni

PPE-DE: Almeida Garrett, Arvidsson, Atkins, Averoff, Avilés Perea, Banotti, Bartolozzi, Bastos, Bayona de Perogordo, Berend, Bodrato, Böge, von Boetticher, Bourlanges, Bowis, Bradbourn, Bremmer, Brienza, Brok, Callanan, Camisón Asensio, Cardoso, Cederschiöld, Chichester, Cocilovo, Coelho, Cornillet, Costa Raffaele, Daul, Deprez, Descamps, De Veyrac, Dimitrakopoulos, Dover, Elles, Evans Jonathan, Fatuzzo, Ferber, Fernández Martín, Ferrer, Fiori, Flemming, Florenz, Foster, Fourtou, Friedrich, Gahler, García-Orcoyen Tormo, Garriga Polledo, Glase, Goepel, Gomolka, Goodwill, Gouveia, Graça Moura, Grönfeldt Bergman, Grossetête, Gutiérrez-Cortines, Harbour, Hatzidakis, Heaton-Harris, Hermange, Hernández Mollar, Herranz García, Hieronymi, Hortefeux, Jackson, Jarzembowski, Jeggle, Karas, Kastler, Kauppi, Keppelhoff-Wiechert, Kirkhope, Klamt, Klaß, Knolle, Koch, Konrad, Korhola, Kratsa-Tsagaropoulou, Lamassoure, Langen, Langenhagen, Laschet, Lechner, Lehne, Liese, Lisi, Lulling, Maat, McCartin, McMillan-Scott, Mann Thomas, Marini, Marinos, Marques, Martin Hugues, Mastella, Matikainen-Kallström, Mayer Hans-Peter, Mayer Xaver, Menrad, Mombaur, Montfort, Morillon, Nassauer, Nicholson, Niebler, Nisticò, Ojeda Sanz, Oostlander, Oreja Arburúa, Pacheco Pereira, Pack, Parish, Pastorelli, Pérez Álvarez, Perry, Pex, Pirker, Piscarreta, Podestà, Poettering, Pomés Ruiz, Posselt, Provan, Purvis, Quisthoudt-Rowohl, Rack, Radwan, Redondo Jiménez, Rovsing, Rübig, Sacrédeus, Salafranca Sánchez-Neyra, Santer, Santini, Schaffner, Schleicher, Schmitt, Schnellhardt, Schwaiger, Smet, Sommer, Stauner, Stenmarck, Stenzel, Stevenson, Sturdy, Sudre, Suominen, Tajani, Tannock, Theato, Thyssen, Trakatellis, Twinn, Van Orden, Varela Suanzes-Carpegna, van Velzen, de Veyrinas, Villiers, Vlasto, Wachtmeister, Wenzel-Perillo, Wieland, Wijkman, von Wogau, Wuermeling, Zacharakis, Zappalà, Zimmerling, Zissener

PSE: Adam, Andersson, Aparicio Sánchez, Baltas, Barón Crespo, Berenguer Fuster, van den Berg, Berger, Bösch, Bowe, Bullmann, van den Burg, Carnero González, Carraro, Carrilho, Casaca, Cercas, Cerdeira Morterero, Ceyhun, Corbett, Corbey, Darras, Dehousse, De Keyser, Désir, Dhaene, Díez González, Dührkop Dührkop, Duhamel, Duin, El Khadraoui, Ettl, Evans Robert J.E., Färm, Fava, Garot, Gebhardt, Ghilardotti, Gill, Gillig, Glante, Görlach, Guy-Quint, Hänsch, Haug, Hedkvist Petersen, Honeyball, Howitt, Hughes, van Hulten, Hume, Imbeni, Izquierdo Collado, Jöns, Karamanou, Karlsson, Keßler, Kindermann, Kinnock, Koukiadis, Krehl, Kreissl-Dörfler, Kuckelkorn, Kuhne, Lage, Lalumière, Lange, Leinen, Linkohr, Lund, McAvan, McCarthy, McNally, Malliori, Mann Erika, Martin David W., Martínez Martínez, Mastorakis, Medina Ortega, Mendiluce Pereiro, Menéndez del Valle, Miguélez Ramos, Miller, Miranda de Lage, Morgan, Müller, Murphy, Myller, Napoletano, Obiols i Germà, Paasilinna, Paciotti, Pérez Royo, Piecyk, Pittella, Poignant, Prets, Randzio-Plath, Rapkay, Read, Rocard, Rodríguez Ramos, Roth-Behrendt, Rothe, Rothley, Roure, Sacconi, Sakellariou, Sandberg-Fries, dos Santos, Sauquillo Pérez del Arco, Savary, Scheele, Schmid Gerhard, Schulz, Simpson, Skinner, Sornosa Martínez, Souladakis, Sousa Pinto, Stihler, Stockmann, Swiebel, Swoboda, Terrón i Cusí, Theorin, Thorning-Schmidt, Torres Marques, Tsatsos, Vairinhos, Van Lancker, Vattimo, Walter, Watts, Weiler, Whitehead, Wiersma, Wynn, Zorba, Zrihen

UEN: Berlato, Bigliardo, Caullery, Marchiani, Musumeci, Nobilia, Pasqua, Queiró, Ribeiro e Castro, Thomas-Mauro

Verts/ALE: Aaltonen, Ahern, Auroi, Boumediene-Thiery, Bouwman, Breyer, Buitenweg, Duthu, Echerer, Evans Jillian, Frassoni, Gahrton, Graefe zu Baringdorf, Hudghton, Isler Béguin, Jonckheer, Lagendijk, Lambert, Lannoye, Lucas, MacCormick, McKenna, Maes, Mayol i Raynal, Nogueira Román, Onesta, Rod, de Roo, Rühle, Schroedter, Sörensen, Staes, Voggenhuber, Wuori, Wyn

Tegen: 10

EDD: Bernié, Booth, Farage, Saint-Josse, Titford

NI: Claeys, Dillen, Gollnisch, Lang, Stirbois

Onthoudingen: 22

EDD: Abitbol, Coûteaux, Kuntz

GUE/NGL: Alyssandrakis, Korakas, Krarup, Patakis, Vachetta

NI: Cappato, Dell'Alba, Della Vedova, Garaud, Martin Hans-Peter, Pannella, Turco, Varaut

UEN: Andrews, Collins, Crowley, Fitzsimons, Hyland, Segni

3.   Aanbeveling Schnellhardt -A5-138/2004

Amendementen 9 + 14

Voor: 354

EDD: Andersen, Bernié, Blokland, Bonde, van Dam, Saint-Josse, Sandbæk

ELDR: Nordmann, Procacci, Rutelli

GUE/NGL: Ainardi, Alyssandrakis, Bakopoulos, Bergaz Conesa, Bertinotti, Bordes, Boudjenah, Brie, Caudron, Cauquil, Cossutta, Di Lello Finuoli, Eriksson, Fiebiger, Figueiredo, Fraisse, Herzog, Jové Peres, Kaufmann, Korakas, Koulourianos, Krarup, Krivine, Laguiller, Manisco, Markov, Marset Campos, Meijer, Modrow, Morgantini, Papayannakis, Patakis, Puerta, Ribeiro, Scarbonchi, Schmid Herman, Schröder Ilka, Seppänen, Sjöstedt, Vachetta, Vinci

NI: Beysen, Gorostiaga Atxalandabaso, Hager, Ilgenfritz, Kronberger, Raschhofer, Sichrovsky

PPE-DE: Almeida Garrett, Andria, Arvidsson, Averoff, Banotti, Bartolozzi, Bastos, Berend, Bodrato, von Boetticher, Bourlanges, Brienza, Brok, Cardoso, Cederschiöld, Cocilovo, Coelho, Cornillet, Costa Raffaele, Daul, Deprez, Descamps, De Veyrac, Dimitrakopoulos, Fatuzzo, Ferrer, Fiori, Flemming, Fourtou, Friedrich, Gahler, García-Orcoyen Tormo, Garriga Polledo, Glase, Goepel, Gomolka, Gouveia, Graça Moura, Grönfeldt Bergman, Grossetête, Hansenne, Hatzidakis, Hermange, Hortefeux, Jarzembowski, Jeggle, Karas, Kastler, Kauppi, Keppelhoff-Wiechert, Klamt, Klaß, Knolle, Koch, Konrad, Korhola, Kratsa-Tsagaropoulou, Lamassoure, Langen, Langenhagen, Laschet, Lechner, Lehne, Liese, Lisi, Lulling, McCartin, Mann Thomas, Marini, Marinos, Marques, Martin Hugues, Mastella, Matikainen-Kallström, Mayer Hans-Peter, Mayer Xaver, Menrad, Mombaur, Montfort, Morillon, Niebler, Nisticò, Pacheco Pereira, Pirker, Piscarreta, Podestà, Poettering, Pomés Ruiz, Posselt, Provan, Quisthoudt-Rowohl, Rack, Radwan, Redondo Jiménez, Rovsing, Rübig, Sacrédeus, Santer, Santini, Schaffner, Schierhuber, Schleicher, Schmitt, Schnellhardt, Schwaiger, Sommer, Stauner, Stenmarck, Stenzel, Sudre, Suominen, Tajani, Theato, Trakatellis, de Veyrinas, Vlasto, Wenzel-Perillo, Wieland, von Wogau, Wuermeling, Zacharakis, Zappalà, Zimmerling, Zissener

PSE: Adam, Aparicio Sánchez, Baltas, Barón Crespo, Berenguer Fuster, Berger, Bösch, Bowe, Bullmann, Campos, Carnero González, Carraro, Carrilho, Casaca, Cercas, Cerdeira Morterero, Ceyhun, Corbett, Darras, Dehousse, De Keyser, Désir, Dhaene, Díez González, Dührkop Dührkop, Duhamel, Duin, El Khadraoui, Ettl, Evans Robert J.E., Fava, Garot, Gebhardt, Ghilardotti, Gill, Gillig, Glante, Goebbels, Görlach, Guy-Quint, Hänsch, Haug, Honeyball, Howitt, Hughes, Hume, Imbeni, Izquierdo Collado, Jöns, Junker, Karamanou, Katiforis, Keßler, Kindermann, Kinnock, Koukiadis, Krehl, Kreissl-Dörfler, Kuckelkorn, Kuhne, Lage, Lalumière, Lange, Leinen, Linkohr, Lund, McAvan, McCarthy, McNally, Malliori, Mann Erika, Martin David W., Martínez Martínez, Mastorakis, Medina Ortega, Mendiluce Pereiro, Menéndez del Valle, Miguélez Ramos, Miller, Miranda de Lage, Moraes, Morgan, Müller, Murphy, Myller, Napoletano, Obiols i Germà, Paasilinna, Paciotti, Pérez Royo, Piecyk, Pittella, Poignant, Poos, Prets, Randzio-Plath, Rapkay, Read, Rocard, Roth-Behrendt, Rothe, Rothley, Roure, Ruffolo, Sacconi, Sakellariou, dos Santos, Sauquillo Pérez del Arco, Savary, Scheele, Schmid Gerhard, Schulz, Simpson, Skinner, Sornosa Martínez, Souladakis, Sousa Pinto, Stihler, Stockmann, Swoboda, Terrón i Cusí, Thorning-Schmidt, Torres Marques, Tsatsos, Vairinhos, Van Lancker, Vattimo, Walter, Watts, Weiler, Whitehead, Wynn, Zorba, Zrihen

UEN: Segni

Verts/ALE: Aaltonen, Ahern, Auroi, Boumediene-Thiery, Breyer, Buitenweg, Cohn-Bendit, Duthu, Echerer, Evans Jillian, Flautre, Frassoni, Gahrton, Graefe zu Baringdorf, Hudghton, Isler Béguin, Jonckheer, Lagendijk, Lambert, Lannoye, Lucas, MacCormick, McKenna, Maes, Mayol i Raynal, Nogueira Román, Onesta, Rod, de Roo, Rühle, Schörling, Schroedter, Sörensen, Staes, Voggenhuber, Wuori, Wyn

Tegen: 130

EDD: Abitbol, Booth, Farage, Kuntz, Titford

ELDR: Andreasen, André-Léonard, Boogerd-Quaak, Busk, Clegg, Costa Paolo, Davies, De Clercq, Duff, Dybkjær, Flesch, Formentini, Huhne, Lynne, Maaten, Malmström, Manders, Monsonís Domingo, Mulder, Newton Dunn, Nicholson of Winterbourne, Olsson, Paulsen, Pesälä, Pohjamo, Rousseaux, Sbarbati, Schmidt, Sterckx, Thors, Väyrynen, Van Hecke, Vermeer, Virrankoski, Wallis, Watson

NI: Dillen, Garaud, Gollnisch, Lang, de La Perriere, Stirbois, Varaut

PPE-DE: Atkins, Avilés Perea, Bayona de Perogordo, Böge, Bowis, Bradbourn, Bremmer, Callanan, Camisón Asensio, Chichester, Dover, Elles, Evans Jonathan, Ferber, Fernández Martín, Florenz, Foster, Goodwill, Grosch, Gutiérrez-Cortines, Hannan, Harbour, Heaton-Harris, Hernández Mollar, Herranz García, Hieronymi, Jackson, Khanbhai, Kirkhope, Maat, McMillan-Scott, Nassauer, Nicholson, Ojeda Sanz, Oomen-Ruijten, Oostlander, Oreja Arburúa, Pack, Parish, Pastorelli, Pérez Álvarez, Perry, Pex, Purvis, Salafranca Sánchez-Neyra, Stevenson, Stockton, Sturdy, Tannock, Twinn, Van Orden, Varela Suanzes-Carpegna, van Velzen, Villiers, Wachtmeister, Wijkman

PSE: Andersson, van den Berg, van den Burg, Corbey, Färm, Hedkvist Petersen, van Hulten, Karlsson, Sandberg-Fries, Swiebel, Theorin, Wiersma

UEN: Andrews, Berlato, Bigliardo, Collins, Crowley, Fitzsimons, Hyland, Marchiani, Muscardini, Musumeci, Nobilia, Queiró, Thomas-Mauro, Turchi

Onthoudingen: 19

EDD: Coûteaux

NI: Berthu, Cappato, Claeys, Dell'Alba, Della Vedova, Dupuis, Gobbo, Mennea, Pannella, Souchet, Speroni, Turco

PPE-DE: Smet, Thyssen

UEN: Caullery, Pasqua, Ribeiro e Castro

Verts/ALE: Bouwman

4.   Verslag Skinner A5-0079/2004

Amendement 163

Voor: 116

EDD: Andersen, Bonde, Sandbæk

ELDR: Costa Paolo, Nordmann, Procacci, Rutelli

GUE/NGL: Ainardi, Alyssandrakis, Bakopoulos, Bergaz Conesa, Bertinotti, Boudjenah, Brie, Caudron, Cossutta, Di Lello Finuoli, Eriksson, Fiebiger, Figueiredo, Fraisse, Jové Peres, Kaufmann, Korakas, Koulourianos, Krarup, Krivine, Manisco, Markov, Marset Campos, Meijer, Modrow, Morgantini, Papayannakis, Patakis, Puerta, Ribeiro, Scarbonchi, Schmid Herman, Schröder Ilka, Seppänen, Sjöstedt, Vachetta, Vinci

NI: Gobbo, Martin Hans-Peter, Speroni

PPE-DE: Koch, Mastella, Morillon, Sacrédeus, Wachtmeister, Wijkman, von Wogau

PSE: Carraro, Darras, Désir, Dhaene, El Khadraoui, Fava, Garot, Ghilardotti, Gillig, Guy-Quint, Imbeni, Lalumière, Napoletano, Paasilinna, Paciotti, Pittella, Poignant, Rocard, Roure, Ruffolo, Sacconi, Vairinhos, Van Lancker, Vattimo

Verts/ALE: Aaltonen, Ahern, Auroi, Boumediene-Thiery, Bouwman, Breyer, Buitenweg, Cohn-Bendit, Duthu, Echerer, Evans Jillian, Flautre, Frassoni, Gahrton, Graefe zu Baringdorf, Hudghton, Isler Béguin, Jonckheer, Lagendijk, Lambert, Lannoye, Lucas, MacCormick, McKenna, Maes, Mayol i Raynal, Nogueira Román, Onesta, Rod, de Roo, Rühle, Schörling, Schroedter, Sörensen, Staes, Voggenhuber, Wuori, Wyn

Tegen: 379

EDD: Abitbol, Blokland, Booth, Coûteaux, van Dam, Farage, Kuntz, Titford

ELDR: Andreasen, André-Léonard, Attwooll, Boogerd-Quaak, Busk, Clegg, Davies, De Clercq, Duff, Dybkjær, Flesch, Formentini, Huhne, Lynne, Maaten, Malmström, Manders, Monsonís Domingo, Mulder, Newton Dunn, Nicholson of Winterbourne, Olsson, Paulsen, Pesälä, Pohjamo, Rousseaux, Sbarbati, Schmidt, Sterckx, Thors, Väyrynen, Van Hecke, Vermeer, Virrankoski, Wallis, Watson

NI: Berthu, Beysen, Cappato, Claeys, Dell'Alba, Della Vedova, Dillen, Dupuis, Garaud, Gollnisch, Hager, Ilgenfritz, Lang, de La Perriere, Mennea, Pannella, Sichrovsky, Souchet, Stirbois, Turco, Varaut

PPE-DE: Almeida Garrett, Andria, Arvidsson, Atkins, Averoff, Avilés Perea, Banotti, Bartolozzi, Bastos, Bayona de Perogordo, Berend, Bodrato, Böge, von Boetticher, Bourlanges, Bowis, Bradbourn, Bremmer, Brienza, Brok, Callanan, Camisón Asensio, Cardoso, Cederschiöld, Chichester, Cocilovo, Coelho, Cornillet, Costa Raffaele, Daul, De Mita, Deprez, Descamps, De Veyrac, Dimitrakopoulos, Dover, Elles, Evans Jonathan, Fatuzzo, Ferber, Fernández Martín, Ferrer, Fiori, Flemming, Florenz, Foster, Fourtou, Friedrich, Gahler, García-Orcoyen Tormo, Garriga Polledo, Glase, Goepel, Gomolka, Goodwill, Gouveia, Graça Moura, Grönfeldt Bergman, Grosch, Grossetête, Gutiérrez-Cortines, Hannan, Hansenne, Harbour, Hatzidakis, Heaton-Harris, Hermange, Hernández Mollar, Herranz García, Hieronymi, Hortefeux, Jackson, Jarzembowski, Jeggle, Karas, Kastler, Kauppi, Keppelhoff-Wiechert, Khanbhai, Kirkhope, Klamt, Klaß, Knolle, Konrad, Korhola, Kratsa-Tsagaropoulou, Lamassoure, Langen, Langenhagen, Laschet, Lechner, Lehne, Liese, Lisi, Lulling, Maat, McCartin, McMillan-Scott, Mann Thomas, Marini, Marinos, Marques, Martin Hugues, Matikainen-Kallström, Mayer Hans-Peter, Mayer Xaver, Menrad, Mombaur, Montfort, Nassauer, Nicholson, Niebler, Nisticò, Ojeda Sanz, Oomen-Ruijten, Oostlander, Oreja Arburúa, Pacheco Pereira, Pack, Parish, Pastorelli, Pérez Álvarez, Perry, Pex, Pirker, Piscarreta, Podestà, Poettering, Pomés Ruiz, Posselt, Provan, Purvis, Quisthoudt-Rowohl, Rack, Radwan, Redondo Jiménez, Rovsing, Rübig, Salafranca Sánchez-Neyra, Santer, Santini, Schaffner, Schierhuber, Schleicher, Schmitt, Schnellhardt, Schwaiger, Smet, Sommer, Stauner, Stenmarck, Stenzel, Stevenson, Stockton, Sturdy, Sudre, Suominen, Tajani, Tannock, Theato, Thyssen, Trakatellis, Twinn, Van Orden, Varela Suanzes-Carpegna, van Velzen, de Veyrinas, Villiers, Vlasto, Wenzel-Perillo, Wieland, Wuermeling, Zacharakis, Zappalà, Zimmerling, Zissener

PSE: Adam, Andersson, Aparicio Sánchez, Baltas, Barón Crespo, Berenguer Fuster, van den Berg, Berger, Bösch, Bowe, Bullmann, Campos, Carnero González, Carrilho, Casaca, Cercas, Cerdeira Morterero, Ceyhun, Corbett, Corbey, Dehousse, De Keyser, Díez González, Dührkop Dührkop, Duhamel, Duin, Ettl, Evans Robert J.E., Färm, Gebhardt, Gill, Glante, Goebbels, Görlach, Hänsch, Haug, Hedkvist Petersen, Honeyball, Howitt, Hughes, van Hulten, Hume, Izquierdo Collado, Jöns, Junker, Karamanou, Karlsson, Katiforis, Keßler, Kindermann, Kinnock, Koukiadis, Krehl, Kreissl-Dörfler, Kuckelkorn, Kuhne, Lage, Lange, Leinen, Linkohr, McAvan, McCarthy, McNally, Malliori, Mann Erika, Martin David W., Martínez Martínez, Mastorakis, Medina Ortega, Mendiluce Pereiro, Menéndez del Valle, Miguélez Ramos, Miller, Miranda de Lage, Moraes, Morgan, Müller, Murphy, Myller, Obiols i Germà, Pérez Royo, Piecyk, Poos, Prets, Randzio-Plath, Rapkay, Read, Roth-Behrendt, Rothe, Rothley, Sakellariou, Sandberg-Fries, dos Santos, Sauquillo Pérez del Arco, Savary, Scheele, Schmid Gerhard, Schulz, Simpson, Skinner, Sornosa Martínez, Souladakis, Sousa Pinto, Stihler, Stockmann, Swiebel, Swoboda, Terrón i Cusí, Theorin, Thorning-Schmidt, Torres Marques, Tsatsos, Walter, Watts, Weiler, Whitehead, Wiersma, Wynn, Zorba, Zrihen

UEN: Andrews, Berlato, Bigliardo, Caullery, Collins, Crowley, Fitzsimons, Hyland, Marchiani, Muscardini, Musumeci, Nobilia, Pasqua, Queiró, Ribeiro e Castro, Segni, Thomas-Mauro, Turchi

Onthoudingen: 8

EDD: Bernié, Saint-Josse

GUE/NGL: Herzog

NI: Gorostiaga Atxalandabaso, Kronberger, Raschhofer

PSE: van den Burg, Lund

5.   Verslag Skinner A5-0079/2004

Amendement 161

Voor: 115

EDD: Andersen, Bonde, Sandbæk

ELDR: Costa Paolo, Nordmann

GUE/NGL: Ainardi, Alyssandrakis, Bakopoulos, Bergaz Conesa, Bertinotti, Boudjenah, Brie, Caudron, Cossutta, Di Lello Finuoli, Eriksson, Fiebiger, Figueiredo, Fraisse, Herzog, Jové Peres, Kaufmann, Korakas, Koulourianos, Krarup, Krivine, Manisco, Markov, Marset Campos, Meijer, Modrow, Morgantini, Papayannakis, Patakis, Puerta, Ribeiro, Scarbonchi, Schmid Herman, Schröder Ilka, Seppänen, Sjöstedt, Vachetta, Vinci

NI: Martin Hans-Peter

PPE-DE: Fourtou, Mastella, Morillon, Sacrédeus, Wachtmeister, Wijkman

PSE: Carraro, Darras, De Keyser, Désir, Dhaene, Duhamel, El Khadraoui, Fava, Garot, Ghilardotti, Gillig, Guy-Quint, Imbeni, Lalumière, Napoletano, Paasilinna, Paciotti, Pittella, Poignant, Rocard, Roure, Ruffolo, Sacconi, Savary, Vairinhos, Van Lancker, Vattimo, Zrihen

Verts/ALE: Aaltonen, Ahern, Auroi, Boumediene-Thiery, Bouwman, Breyer, Buitenweg, Cohn-Bendit, Duthu, Echerer, Evans Jillian, Flautre, Gahrton, Graefe zu Baringdorf, Hudghton, Isler Béguin, Jonckheer, Lagendijk, Lambert, Lannoye, Lucas, MacCormick, McKenna, Maes, Mayol i Raynal, Nogueira Román, Onesta, Rod, de Roo, Rühle, Schörling, Schroedter, Sörensen, Staes, Voggenhuber, Wuori, Wyn

Tegen: 368

EDD: Abitbol, Bernié, Blokland, Booth, Coûteaux, van Dam, Farage, Kuntz, Saint-Josse, Titford

ELDR: Andreasen, André-Léonard, Attwooll, Boogerd-Quaak, Busk, Clegg, Davies, De Clercq, Duff, Dybkjær, Flesch, Formentini, Huhne, Lynne, Maaten, Malmström, Manders, Monsonís Domingo, Mulder, Newton Dunn, Nicholson of Winterbourne, Olsson, Paulsen, Pesälä, Pohjamo, Procacci, Rousseaux, Rutelli, Sbarbati, Schmidt, Sterckx, Thors, Väyrynen, Van Hecke, Vermeer, Virrankoski, Wallis, Watson

NI: Berthu, Beysen, Garaud, Gollnisch, Hager, Ilgenfritz, Kronberger, de La Perriere, Mennea, Raschhofer, Sichrovsky, Souchet, Varaut

PPE-DE: Almeida Garrett, Andria, Arvidsson, Atkins, Averoff, Avilés Perea, Banotti, Bartolozzi, Bastos, Bayona de Perogordo, Berend, Bodrato, Böge, von Boetticher, Bourlanges, Bowis, Bradbourn, Bremmer, Brienza, Brok, Callanan, Camisón Asensio, Cardoso, Cederschiöld, Chichester, Cocilovo, Coelho, Cornillet, Costa Raffaele, Daul, De Mita, Deprez, Descamps, De Veyrac, Dover, Elles, Evans Jonathan, Fatuzzo, Ferber, Fernández Martín, Ferrer, Fiori, Flemming, Florenz, Foster, Friedrich, Gahler, García-Orcoyen Tormo, Garriga Polledo, Glase, Goepel, Gomolka, Goodwill, Gouveia, Graça Moura, Grönfeldt Bergman, Grosch, Grossetête, Gutiérrez-Cortines, Hannan, Hansenne, Harbour, Hatzidakis, Heaton-Harris, Hermange, Hernández Mollar, Herranz García, Hieronymi, Hortefeux, Jackson, Jarzembowski, Jeggle, Karas, Kastler, Kauppi, Keppelhoff-Wiechert, Khanbhai, Kirkhope, Klamt, Klaß, Knolle, Koch, Konrad, Korhola, Kratsa-Tsagaropoulou, Lamassoure, Langen, Langenhagen, Laschet, Lechner, Lehne, Liese, Lisi, Lulling, Maat, McCartin, McMillan-Scott, Mann Thomas, Marini, Marinos, Marques, Martin Hugues, Matikainen-Kallström, Mayer Hans-Peter, Mayer Xaver, Menrad, Mombaur, Montfort, Nassauer, Nicholson, Niebler, Nisticò, Ojeda Sanz, Oomen-Ruijten, Oostlander, Oreja Arburúa, Pacheco Pereira, Pack, Parish, Pastorelli, Pérez Álvarez, Perry, Pex, Pirker, Piscarreta, Podestà, Poettering, Pomés Ruiz, Posselt, Provan, Purvis, Quisthoudt-Rowohl, Rack, Radwan, Redondo Jiménez, Rovsing, Rübig, Salafranca Sánchez-Neyra, Santer, Santini, Schaffner, Schierhuber, Schleicher, Schmitt, Schnellhardt, Schwaiger, Smet, Sommer, Stauner, Stenmarck, Stenzel, Stevenson, Stockton, Sturdy, Sudre, Suominen, Tajani, Tannock, Theato, Thyssen, Trakatellis, Twinn, Van Orden, Varela Suanzes-Carpegna, van Velzen, de Veyrinas, Villiers, Vlasto, Wenzel-Perillo, Wieland, von Wogau, Wuermeling, Zacharakis, Zappalà, Zimmerling, Zissener

PSE: Adam, Andersson, Aparicio Sánchez, Baltas, Barón Crespo, Berenguer Fuster, van den Berg, Berger, Bösch, Bowe, Bullmann, Campos, Carnero González, Carrilho, Casaca, Cercas, Cerdeira Morterero, Ceyhun, Corbett, Corbey, Díez González, Dührkop Dührkop, Duin, Ettl, Evans Robert J.E., Färm, Gebhardt, Gill, Glante, Goebbels, Görlach, Hänsch, Haug, Hedkvist Petersen, Honeyball, Howitt, Hughes, van Hulten, Hume, Izquierdo Collado, Jöns, Junker, Karamanou, Karlsson, Katiforis, Keßler, Kindermann, Kinnock, Koukiadis, Krehl, Kreissl-Dörfler, Kuckelkorn, Kuhne, Lage, Lange, Leinen, Linkohr, McAvan, McCarthy, McNally, Malliori, Mann Erika, Martin David W., Martínez Martínez, Mastorakis, Medina Ortega, Mendiluce Pereiro, Menéndez del Valle, Miguélez Ramos, Miller, Miranda de Lage, Moraes, Morgan, Müller, Murphy, Myller, Obiols i Germà, Pérez Royo, Piecyk, Poos, Prets, Randzio-Plath, Rapkay, Read, Roth-Behrendt, Rothe, Sakellariou, Sandberg-Fries, dos Santos, Sauquillo Pérez del Arco, Scheele, Schmid Gerhard, Schulz, Simpson, Skinner, Sornosa Martínez, Souladakis, Sousa Pinto, Stihler, Stockmann, Swiebel, Swoboda, Terrón i Cusí, Theorin, Thorning-Schmidt, Torres Marques, Tsatsos, Watts, Weiler, Whitehead, Wiersma, Wynn, Zorba

UEN: Andrews, Berlato, Bigliardo, Caullery, Collins, Crowley, Fitzsimons, Hyland, Marchiani, Muscardini, Musumeci, Nobilia, Pasqua, Queiró, Ribeiro e Castro, Segni, Thomas-Mauro, Turchi

Onthoudingen: 6

NI: Gobbo, Gorostiaga Atxalandabaso, Speroni

PSE: van den Burg, Dehousse, Lund

6.   Verslag Skinner A5-0079/2004

Resolutie

Voor: 390

EDD: Bernié, Blokland, van Dam, Kuntz, Saint-Josse

ELDR: Andreasen, André-Léonard, Attwooll, Boogerd-Quaak, Busk, Clegg, Costa Paolo, Davies, De Clercq, Duff, Dybkjær, Flesch, Formentini, Huhne, Lynne, Maaten, Malmström, Manders, Monsonís Domingo, Mulder, Newton Dunn, Nicholson of Winterbourne, Nordmann, Olsson, Paulsen, Pesälä, Pohjamo, Procacci, Rousseaux, Rutelli, Sbarbati, Schmidt, Sterckx, Thors, Väyrynen, Van Hecke, Vermeer, Virrankoski, Wallis, Watson

NI: Berthu, Beysen, Cappato, Dell'Alba, Della Vedova, Dupuis, Garaud, Hager, Ilgenfritz, Kronberger, de La Perriere, Mennea, Pannella, Raschhofer, Sichrovsky, Souchet, Turco, Varaut

PPE-DE: Almeida Garrett, Andria, Arvidsson, Atkins, Averoff, Avilés Perea, Banotti, Bartolozzi, Bastos, Bayona de Perogordo, Berend, Bodrato, Böge, von Boetticher, Bourlanges, Bowis, Bradbourn, Bremmer, Brienza, Brok, Callanan, Camisón Asensio, Cardoso, Cederschiöld, Chichester, Cocilovo, Coelho, Cornillet, Costa Raffaele, Daul, De Mita, Deprez, Descamps, De Veyrac, Dimitrakopoulos, Dover, Elles, Evans Jonathan, Fatuzzo, Ferber, Fernández Martín, Ferrer, Fiori, Flemming, Florenz, Foster, Fourtou, Friedrich, Gahler, Garriga Polledo, Glase, Goepel, Gomolka, Goodwill, Gouveia, Graça Moura, Grönfeldt Bergman, Grosch, Grossetête, Gutiérrez-Cortines, Hannan, Hansenne, Harbour, Hatzidakis, Heaton-Harris, Hermange, Hernández Mollar, Hieronymi, Hortefeux, Jackson, Jarzembowski, Jeggle, Karas, Kastler, Kauppi, Keppelhoff-Wiechert, Khanbhai, Kirkhope, Klamt, Klaß, Knolle, Koch, Konrad, Korhola, Kratsa-Tsagaropoulou, Lamassoure, Langen, Langenhagen, Laschet, Lechner, Lehne, Liese, Lisi, Lulling, Maat, McCartin, McMillan-Scott, Mann Thomas, Marini, Marinos, Marques, Martin Hugues, Mastella, Matikainen-Kallström, Mayer Hans-Peter, Mayer Xaver, Menrad, Mombaur, Montfort, Morillon, Nassauer, Nicholson, Niebler, Nisticò, Ojeda Sanz, Oomen-Ruijten, Oostlander, Oreja Arburúa, Pacheco Pereira, Pack, Parish, Pastorelli, Pérez Álvarez, Perry, Pex, Pirker, Piscarreta, Podestà, Poettering, Pomés Ruiz, Posselt, Provan, Purvis, Quisthoudt-Rowohl, Rack, Radwan, Redondo Jiménez, Rovsing, Rübig, Sacrédeus, Salafranca Sánchez-Neyra, Santer, Santini, Schaffner, Schierhuber, Schleicher, Schmitt, Schnellhardt, Schwaiger, Smet, Sommer, Stauner, Stenmarck, Stenzel, Stevenson, Stockton, Sturdy, Sudre, Suominen, Tajani, Tannock, Theato, Thyssen, Trakatellis, Twinn, Van Orden, Varela Suanzes-Carpegna, van Velzen, de Veyrinas, Villiers, Vlasto, Wachtmeister, Wenzel-Perillo, Wieland, Wijkman, von Wogau, Wuermeling, Zacharakis, Zappalà, Zimmerling, Zissener

PSE: Adam, Andersson, Aparicio Sánchez, Baltas, Barón Crespo, Berenguer Fuster, van den Berg, Berger, Bösch, Bowe, Bullmann, van den Burg, Campos, Carnero González, Carraro, Casaca, Cercas, Cerdeira Morterero, Ceyhun, Corbett, Corbey, Dehousse, Díez González, Dührkop Dührkop, Duin, Ettl, Evans Robert J.E., Färm, Fava, Gebhardt, Ghilardotti, Gill, Glante, Goebbels, Görlach, Hänsch, Haug, Hedkvist Petersen, Honeyball, Howitt, Hughes, van Hulten, Hume, Imbeni, Izquierdo Collado, Jöns, Junker, Karamanou, Karlsson, Katiforis, Keßler, Kindermann, Kinnock, Koukiadis, Krehl, Kreissl-Dörfler, Kuckelkorn, Kuhne, Lage, Lange, Leinen, Linkohr, Lund, McAvan, McCarthy, McNally, Malliori, Mann Erika, Martin David W., Martínez Martínez, Mastorakis, Medina Ortega, Mendiluce Pereiro, Menéndez del Valle, Miguélez Ramos, Miller, Miranda de Lage, Moraes, Morgan, Müller, Murphy, Myller, Obiols i Germà, Paasilinna, Paciotti, Pérez Royo, Piecyk, Pittella, Poos, Prets, Randzio-Plath, Rapkay, Read, Roth-Behrendt, Rothe, Rothley, Ruffolo, Sacconi, Sakellariou, Sandberg-Fries, dos Santos, Sauquillo Pérez del Arco, Scheele, Schmid Gerhard, Schulz, Simpson, Skinner, Sornosa Martínez, Souladakis, Sousa Pinto, Stihler, Stockmann, Swiebel, Swoboda, Terrón i Cusí, Theorin, Torres Marques, Tsatsos, Vairinhos, Vattimo, Watts, Weiler, Whitehead, Wiersma, Wynn, Zorba, Zrihen

UEN: Andrews, Berlato, Bigliardo, Caullery, Collins, Crowley, Fitzsimons, Hyland, Marchiani, Muscardini, Musumeci, Nobilia, Pasqua, Queiró, Ribeiro e Castro, Segni, Thomas-Mauro, Turchi

Verts/ALE: Schörling

Tegen: 8

EDD: Booth, Farage, Titford

GUE/NGL: Alyssandrakis, Korakas, Patakis

PPE-DE: Herranz García

Verts/ALE: Frassoni

Onthoudingen: 102

EDD: Abitbol, Andersen, Bonde, Coûteaux, Sandbæk

GUE/NGL: Ainardi, Bakopoulos, Bergaz Conesa, Bertinotti, Boudjenah, Brie, Caudron, Cossutta, Di Lello Finuoli, Eriksson, Fiebiger, Figueiredo, Fraisse, Herzog, Jové Peres, Kaufmann, Koulourianos, Krarup, Krivine, Manisco, Markov, Marset Campos, Meijer, Modrow, Morgantini, Papayannakis, Puerta, Ribeiro, Scarbonchi, Schmid Herman, Schröder Ilka, Seppänen, Sjöstedt, Vachetta, Vinci

NI: Claeys, Dillen, Gobbo, Gollnisch, Gorostiaga Atxalandabaso, Lang, Martin Hans-Peter, Speroni, Stirbois

PSE: Carrilho, Darras, De Keyser, Désir, Dhaene, Duhamel, El Khadraoui, Garot, Gillig, Guy-Quint, Lalumière, Napoletano, Poignant, Rocard, Roure, Savary, Thorning-Schmidt, Van Lancker

Verts/ALE: Aaltonen, Ahern, Auroi, Boumediene-Thiery, Bouwman, Breyer, Buitenweg, Duthu, Echerer, Evans Jillian, Flautre, Gahrton, Graefe zu Baringdorf, Hudghton, Isler Béguin, Jonckheer, Lagendijk, Lambert, Lannoye, Lucas, MacCormick, McKenna, Maes, Mayol i Raynal, Nogueira Román, Onesta, Rod, de Roo, Rühle, Schroedter, Sörensen, Staes, Voggenhuber, Wuori, Wyn

7.   Verslag Prets A5-0155/2004

Amendement 39

Voor: 64

EDD: Andersen, Bonde, Sandbæk

ELDR: Lynne, Nicholson of Winterbourne

GUE/NGL: Ainardi, Bordes, Boudjenah, Brie, Cauquil, Krivine, Laguiller, Meijer, Modrow, Morgantini, Vachetta

NI: Claeys, Dillen, Garaud, Gollnisch, Lang, Martin Hans-Peter, Stirbois

PSE: Dehousse, Stockmann, Swiebel

Verts/ALE: Aaltonen, Ahern, Auroi, Boumediene-Thiery, Bouwman, Breyer, Buitenweg, Cohn-Bendit, Duthu, Echerer, Evans Jillian, Flautre, Frassoni, Gahrton, Graefe zu Baringdorf, Hudghton, Isler Béguin, Jonckheer, Lagendijk, Lambert, Lannoye, Lucas, MacCormick, McKenna, Maes, Mayol i Raynal, Nogueira Román, Onesta, Rod, de Roo, Rühle, Schörling, Schroedter, Sörensen, Staes, Voggenhuber, Wuori, Wyn

Tegen: 424

EDD: Abitbol, Blokland, Coûteaux, van Dam, Kuntz

ELDR: Andreasen, André-Léonard, Attwooll, Boogerd-Quaak, Busk, Clegg, Costa Paolo, Davies, De Clercq, Duff, Dybkjær, Flesch, Formentini, Huhne, Maaten, Malmström, Manders, Monsonís Domingo, Mulder, Newton Dunn, Nordmann, Olsson, Paulsen, Pesälä, Pohjamo, Procacci, Rousseaux, Rutelli, Sbarbati, Schmidt, Sterckx, Thors, Väyrynen, Van Hecke, Vermeer, Virrankoski, Wallis, Watson

GUE/NGL: Bakopoulos, Bergaz Conesa, Bertinotti, Caudron, Cossutta, Di Lello Finuoli, Eriksson, Fiebiger, Figueiredo, Fraisse, Herzog, Jové Peres, Koulourianos, Krarup, Manisco, Markov, Marset Campos, Papayannakis, Puerta, Ribeiro, Scarbonchi, Schmid Herman, Schröder Ilka, Seppänen, Sjöstedt, Vinci

NI: Berthu, Beysen, Gorostiaga Atxalandabaso, Hager, Ilgenfritz, Kronberger, de La Perriere, Mennea, Raschhofer, Sichrovsky, Souchet, Varaut

PPE-DE: Almeida Garrett, Andria, Arvidsson, Atkins, Averoff, Avilés Perea, Banotti, Bartolozzi, Bastos, Bayona de Perogordo, Berend, Bodrato, Böge, von Boetticher, Bourlanges, Bowis, Bradbourn, Bremmer, Brienza, Brok, Callanan, Camisón Asensio, Cardoso, Cederschiöld, Chichester, Cocilovo, Coelho, Cornillet, Costa Raffaele, Daul, De Mita, Deprez, Descamps, De Veyrac, Dimitrakopoulos, Dover, Elles, Evans Jonathan, Fatuzzo, Ferber, Fernández Martín, Ferrer, Fiori, Flemming, Florenz, Foster, Fourtou, Friedrich, Gahler, García-Orcoyen Tormo, Garriga Polledo, Glase, Goepel, Gomolka, Goodwill, Gouveia, Graça Moura, Grönfeldt Bergman, Grosch, Grossetête, Gutiérrez-Cortines, Hannan, Hansenne, Harbour, Hatzidakis, Heaton-Harris, Hermange, Hernández Mollar, Herranz García, Hieronymi, Hortefeux, Jackson, Jarzembowski, Jeggle, Karas, Kastler, Kauppi, Keppelhoff-Wiechert, Khanbhai, Kirkhope, Klamt, Klaß, Knolle, Koch, Konrad, Korhola, Kratsa-Tsagaropoulou, Lamassoure, Langen, Langenhagen, Laschet, Lechner, Lehne, Liese, Lisi, Lulling, Maat, McCartin, McMillan-Scott, Mann Thomas, Marini, Marinos, Marques, Martin Hugues, Mastella, Matikainen-Kallström, Mayer Hans-Peter, Mayer Xaver, Menrad, Mombaur, Montfort, Morillon, Nassauer, Nicholson, Niebler, Nisticò, Ojeda Sanz, Oomen-Ruijten, Oostlander, Oreja Arburúa, Pacheco Pereira, Pack, Parish, Pastorelli, Pérez Álvarez, Perry, Pex, Pirker, Piscarreta, Podestà, Poettering, Pomés Ruiz, Posselt, Provan, Purvis, Quisthoudt-Rowohl, Rack, Radwan, Redondo Jiménez, Rovsing, Rübig, Sacrédeus, Salafranca Sánchez-Neyra, Santer, Santini, Schaffner, Schierhuber, Schleicher, Schmitt, Schnellhardt, Schwaiger, Smet, Sommer, Stenmarck, Stenzel, Stevenson, Stockton, Sturdy, Sudre, Suominen, Tajani, Tannock, Theato, Thyssen, Trakatellis, Twinn, Van Orden, Varela Suanzes-Carpegna, van Velzen, de Veyrinas, Villiers, Vlasto, Wachtmeister, Wenzel-Perillo, Wieland, Wijkman, von Wogau, Wuermeling, Zacharakis, Zappalà, Zimmerling, Zissener

PSE: Adam, Andersson, Aparicio Sánchez, Baltas, Barón Crespo, Berenguer Fuster, van den Berg, Berger, Bösch, Bowe, Bullmann, van den Burg, Campos, Carnero González, Carraro, Carrilho, Casaca, Cercas, Cerdeira Morterero, Ceyhun, Corbett, Corbey, Darras, De Keyser, Désir, Dhaene, Díez González, Dührkop Dührkop, Duhamel, Duin, El Khadraoui, Ettl, Evans Robert J.E., Färm, Fava, Garot, Gebhardt, Ghilardotti, Gill, Gillig, Glante, Goebbels, Görlach, Guy-Quint, Hänsch, Haug, Hedkvist Petersen, Honeyball, Howitt, Hughes, van Hulten, Hume, Imbeni, Izquierdo Collado, Jöns, Junker, Karamanou, Karlsson, Katiforis, Keßler, Kindermann, Kinnock, Koukiadis, Krehl, Kreissl-Dörfler, Kuckelkorn, Kuhne, Lage, Lalumière, Lange, Leinen, Linkohr, Lund, McAvan, McCarthy, McNally, Malliori, Mann Erika, Martin David W., Martínez Martínez, Mastorakis, Medina Ortega, Mendiluce Pereiro, Menéndez del Valle, Miguélez Ramos, Miller, Miranda de Lage, Moraes, Morgan, Müller, Murphy, Myller, Napoletano, Obiols i Germà, Paasilinna, Paciotti, Pérez Royo, Piecyk, Pittella, Poignant, Poos, Prets, Randzio-Plath, Rapkay, Read, Rocard, Roth-Behrendt, Rothe, Rothley, Roure, Ruffolo, Sacconi, Sakellariou, Sandberg-Fries, dos Santos, Sauquillo Pérez del Arco, Savary, Scheele, Schmid Gerhard, Schulz, Simpson, Skinner, Sornosa Martínez, Souladakis, Sousa Pinto, Stihler, Swoboda, Terrón i Cusí, Theorin, Thorning-Schmidt, Torres Marques, Tsatsos, Vairinhos, Van Lancker, Vattimo, Walter, Watts, Weiler, Whitehead, Wiersma, Wynn, Zorba, Zrihen

UEN: Andrews, Berlato, Bigliardo, Caullery, Collins, Crowley, Fitzsimons, Hyland, Marchiani, Muscardini, Musumeci, Nobilia, Pasqua, Queiró, Ribeiro e Castro, Segni, Thomas-Mauro, Turchi

Onthoudingen: 17

EDD: Bernié, Booth, Farage, Saint-Josse, Titford

GUE/NGL: Alyssandrakis, Kaufmann, Korakas, Patakis

NI: Cappato, Dell'Alba, Della Vedova, Dupuis, Gobbo, Pannella, Speroni, Turco

8.   Verslag Prets A5-0155/2004

Amendement 36

Voor: 184

EDD: Abitbol, Coûteaux, Kuntz

ELDR: Flesch, Nordmann

NI: Berthu, Claeys, Dillen, Garaud, Gobbo, Gollnisch, Ilgenfritz, Kronberger, Lang, de La Perriere, Mennea, Raschhofer, Sichrovsky, Souchet, Speroni, Stirbois, Varaut

PPE-DE: Arvidsson, Atkins, Averoff, Bartolozzi, Berend, Böge, von Boetticher, Bowis, Bradbourn, Bremmer, Brok, Callanan, Cederschiöld, Chichester, Daul, Descamps, De Veyrac, Dimitrakopoulos, Dover, Elles, Evans Jonathan, Fatuzzo, Ferber, Fiori, Flemming, Foster, Fourtou, Friedrich, Gahler, Goepel, Gomolka, Goodwill, Grönfeldt Bergman, Grossetête, Hannan, Harbour, Hatzidakis, Heaton-Harris, Hermange, Hieronymi, Jackson, Jarzembowski, Karas, Kauppi, Keppelhoff-Wiechert, Khanbhai, Kirkhope, Klamt, Knolle, Koch, Korhola, Lamassoure, Langen, Langenhagen, Laschet, Lechner, Lehne, Lisi, Lulling, McCartin, McMillan-Scott, Mann Thomas, Marinos, Martin Hugues, Mastella, Mayer Hans-Peter, Mayer Xaver, Menrad, Mombaur, Montfort, Nassauer, Nicholson, Niebler, Oostlander, Pacheco Pereira, Pack, Parish, Perry, Pirker, Poettering, Posselt, Provan, Purvis, Quisthoudt-Rowohl, Rack, Radwan, Rovsing, Rübig, Sacrédeus, Santer, Schaffner, Schierhuber, Schleicher, Schmitt, Schwaiger, Stenmarck, Stenzel, Stevenson, Sturdy, Sudre, Suominen, Tajani, Tannock, Theato, Trakatellis, Twinn, Van Orden, van Velzen, de Veyrinas, Villiers, Vlasto, Wenzel-Perillo, Wieland, von Wogau, Wuermeling, Zacharakis, Zappalà, Zimmerling, Zissener

PSE: Adam, Bowe, Corbett, Dehousse, Evans Robert J.E., Gill, Hänsch, Honeyball, Howitt, Hughes, Kinnock, McAvan, McCarthy, Martin David W., Miller, Moraes, Morgan, Murphy, Poos, Read, dos Santos, Simpson, Skinner, Sornosa Martínez, Sousa Pinto, Stihler, Watts, Whitehead, Wynn

UEN: Berlato, Bigliardo, Caullery, Marchiani, Muscardini, Musumeci, Nobilia, Pasqua, Segni, Thomas-Mauro, Turchi

Verts/ALE: Hudghton, MacCormick, Wyn

Tegen: 301

EDD: Andersen, Blokland, Bonde, Booth, van Dam, Farage, Sandbæk, Titford

ELDR: Andreasen, André-Léonard, Attwooll, Boogerd-Quaak, Busk, Clegg, Costa Paolo, Davies, De Clercq, Duff, Dybkjær, Formentini, Huhne, Maaten, Malmström, Manders, Monsonís Domingo, Mulder, Newton Dunn, Nicholson of Winterbourne, Olsson, Paulsen, Pesälä, Pohjamo, Procacci, Rousseaux, Rutelli, Sbarbati, Schmidt, Sterckx, Thors, Väyrynen, Van Hecke, Vermeer, Virrankoski, Wallis, Watson

GUE/NGL: Ainardi, Alyssandrakis, Bakopoulos, Bergaz Conesa, Bertinotti, Bordes, Boudjenah, Brie, Caudron, Cauquil, Cossutta, Di Lello Finuoli, Eriksson, Fiebiger, Figueiredo, Fraisse, Herzog, Jové Peres, Kaufmann, Korakas, Koulourianos, Krarup, Krivine, Laguiller, Manisco, Markov, Marset Campos, Meijer, Modrow, Morgantini, Papayannakis, Patakis, Puerta, Ribeiro, Scarbonchi, Schmid Herman, Schröder Ilka, Seppänen, Sjöstedt, Vachetta, Vinci

NI: Beysen, Gorostiaga Atxalandabaso, Hager, Martin Hans-Peter

PPE-DE: Almeida Garrett, Andria, Avilés Perea, Banotti, Bastos, Bayona de Perogordo, Bodrato, Bourlanges, Brienza, Camisón Asensio, Cardoso, Cocilovo, Coelho, Cornillet, De Mita, Deprez, Ferrer, Florenz, García-Orcoyen Tormo, Garriga Polledo, Glase, Gouveia, Graça Moura, Grosch, Gutiérrez-Cortines, Hansenne, Hernández Mollar, Herranz García, Hortefeux, Jeggle, Kastler, Klaß, Konrad, Kratsa-Tsagaropoulou, Liese, Maat, Marini, Matikainen-Kallström, Morillon, Nisticò, Ojeda Sanz, Oomen-Ruijten, Oreja Arburúa, Pastorelli, Pérez Álvarez, Pex, Piscarreta, Podestà, Pomés Ruiz, Redondo Jiménez, Salafranca Sánchez-Neyra, Santini, Schnellhardt, Smet, Sommer, Stauner, Stockton, Thyssen, Varela Suanzes-Carpegna, Wachtmeister

PSE: Andersson, Aparicio Sánchez, Baltas, Barón Crespo, Berenguer Fuster, van den Berg, Berger, Bösch, Bullmann, van den Burg, Campos, Carnero González, Carraro, Carrilho, Casaca, Cercas, Cerdeira Morterero, Ceyhun, Corbey, Darras, De Keyser, Désir, Dhaene, Díez González, Dührkop Dührkop, Duhamel, Duin, El Khadraoui, Ettl, Färm, Fava, Garot, Gebhardt, Ghilardotti, Gillig, Glante, Görlach, Guy-Quint, Haug, Hedkvist Petersen, van Hulten, Hume, Imbeni, Izquierdo Collado, Jöns, Junker, Karamanou, Karlsson, Katiforis, Keßler, Kindermann, Koukiadis, Krehl, Kreissl-Dörfler, Kuckelkorn, Kuhne, Lage, Lalumière, Lange, Leinen, Linkohr, Lund, McNally, Malliori, Mann Erika, Martínez Martínez, Mastorakis, Medina Ortega, Mendiluce Pereiro, Menéndez del Valle, Miguélez Ramos, Miranda de Lage, Müller, Myller, Napoletano, Obiols i Germà, Paasilinna, Paciotti, Pérez Royo, Piecyk, Pittella, Poignant, Prets, Randzio-Plath, Rapkay, Rocard, Roth-Behrendt, Rothe, Rothley, Roure, Ruffolo, Sacconi, Sakellariou, Sandberg-Fries, Sauquillo Pérez del Arco, Savary, Scheele, Schmid Gerhard, Schulz, Souladakis, Stockmann, Swiebel, Swoboda, Terrón i Cusí, Theorin, Thorning-Schmidt, Torres Marques, Vairinhos, Van Lancker, Vattimo, Walter, Weiler, Wiersma, Zorba, Zrihen

UEN: Ribeiro e Castro

Verts/ALE: Aaltonen, Ahern, Auroi, Boumediene-Thiery, Bouwman, Breyer, Buitenweg, Cohn-Bendit, Duthu, Echerer, Evans Jillian, Flautre, Frassoni, Gahrton, Graefe zu Baringdorf, Isler Béguin, Jonckheer, Lagendijk, Lambert, Lannoye, Lucas, McKenna, Maes, Mayol i Raynal, Nogueira Román, Onesta, Rod, de Roo, Rühle, Schörling, Schroedter, Sörensen, Staes, Voggenhuber, Wuori

Onthoudingen: 18

EDD: Bernié, Saint-Josse

NI: Cappato, Dell'Alba, Della Vedova, Dupuis, Pannella, Turco

PPE-DE: Costa Raffaele, Fernández Martín, Marques, Wijkman

UEN: Andrews, Collins, Crowley, Fitzsimons, Hyland, Queiró

9.   Verslag Prets A5-0155/2004

Artikel 8, par. 1

Voor: 326

EDD: Andersen, Blokland, Bonde, van Dam, Sandbæk

ELDR: Andreasen, André-Léonard, Attwooll, Boogerd-Quaak, Busk, Clegg, Costa Paolo, Davies, De Clercq, Duff, Dybkjær, Formentini, Huhne, Lynne, Maaten, Malmström, Monsonís Domingo, Mulder, Newton Dunn, Nicholson of Winterbourne, Nordmann, Olsson, Paulsen, Pesälä, Pohjamo, Procacci, Rousseaux, Rutelli, Sbarbati, Schmidt, Sterckx, Thors, Väyrynen, Van Hecke, Vermeer, Virrankoski, Wallis, Watson

GUE/NGL: Ainardi, Alyssandrakis, Bakopoulos, Bergaz Conesa, Bertinotti, Bordes, Boudjenah, Brie, Caudron, Cauquil, Cossutta, Di Lello Finuoli, Eriksson, Fiebiger, Figueiredo, Fraisse, Herzog, Jové Peres, Kaufmann, Korakas, Koulourianos, Krarup, Krivine, Laguiller, Manisco, Markov, Marset Campos, Meijer, Modrow, Morgantini, Papayannakis, Patakis, Puerta, Ribeiro, Scarbonchi, Schmid Herman, Schröder Ilka, Seppänen, Sjöstedt, Vachetta, Vinci

NI: Gobbo, Gorostiaga Atxalandabaso, Martin Hans-Peter, Speroni

PPE-DE: Almeida Garrett, Avilés Perea, Banotti, Bastos, Bayona de Perogordo, Bodrato, von Boetticher, Camisón Asensio, Cardoso, Cocilovo, Coelho, Deprez, Dimitrakopoulos, Fernández Martín, Ferrer, García-Orcoyen Tormo, Garriga Polledo, Gouveia, Graça Moura, Grosch, Gutiérrez-Cortines, Hansenne, Hernández Mollar, Herranz García, Kratsa-Tsagaropoulou, Maat, Marini, Marques, Ojeda Sanz, Oomen-Ruijten, Oreja Arburúa, Pack, Pérez Álvarez, Pex, Piscarreta, Redondo Jiménez, Salafranca Sánchez-Neyra, Smet, Stauner, Thyssen, Trakatellis, Varela Suanzes-Carpegna, Zacharakis

PSE: Adam, Andersson, Aparicio Sánchez, Baltas, Barón Crespo, Berenguer Fuster, van den Berg, Berger, Bösch, Bowe, Bullmann, van den Burg, Campos, Carnero González, Carraro, Carrilho, Casaca, Cercas, Cerdeira Morterero, Ceyhun, Corbett, Corbey, Darras, De Keyser, Désir, Dhaene, Díez González, Dührkop Dührkop, Duhamel, Duin, El Khadraoui, Ettl, Evans Robert J.E., Färm, Fava, Garot, Gebhardt, Ghilardotti, Gill, Gillig, Glante, Goebbels, Görlach, Guy-Quint, Hänsch, Haug, Hedkvist Petersen, Honeyball, Howitt, Hughes, van Hulten, Hume, Imbeni, Izquierdo Collado, Jöns, Junker, Karamanou, Karlsson, Katiforis, Keßler, Kindermann, Kinnock, Koukiadis, Krehl, Kreissl-Dörfler, Kuckelkorn, Kuhne, Lage, Lalumière, Lange, Leinen, Linkohr, Lund, McAvan, McCarthy, McNally, Malliori, Mann Erika, Martin David W., Martínez Martínez, Mastorakis, Medina Ortega, Mendiluce Pereiro, Menéndez del Valle, Miguélez Ramos, Miller, Miranda de Lage, Moraes, Morgan, Müller, Murphy, Myller, Napoletano, Obiols i Germà, Paasilinna, Paciotti, Pérez Royo, Piecyk, Pittella, Poignant, Poos, Prets, Randzio-Plath, Rapkay, Read, Rocard, Roth-Behrendt, Rothe, Rothley, Roure, Ruffolo, Sacconi, Sakellariou, Sandberg-Fries, dos Santos, Sauquillo Pérez del Arco, Savary, Scheele, Schmid Gerhard, Schulz, Simpson, Skinner, Sornosa Martínez, Souladakis, Sousa Pinto, Stihler, Stockmann, Swiebel, Swoboda, Terrón i Cusí, Theorin, Thorning-Schmidt, Torres Marques, Tsatsos, Vairinhos, Van Lancker, Vattimo, Walter, Watts, Weiler, Whitehead, Wiersma, Wynn, Zorba, Zrihen

UEN: Andrews, Berlato, Bigliardo, Collins, Crowley, Fitzsimons, Hyland, Muscardini, Musumeci, Nobilia, Queiró, Ribeiro e Castro, Segni, Turchi

Verts/ALE: Aaltonen, Ahern, Auroi, Boumediene-Thiery, Bouwman, Breyer, Buitenweg, Cohn-Bendit, Echerer, Evans Jillian, Frassoni, Gahrton, Graefe zu Baringdorf, Hudghton, Isler Béguin, Jonckheer, Lagendijk, Lambert, Lannoye, Lucas, MacCormick, McKenna, Maes, Mayol i Raynal, Nogueira Román, Onesta, Rod, de Roo, Rühle, Schörling, Schroedter, Sörensen, Staes, Voggenhuber, Wuori, Wyn

Tegen: 157

EDD: Bernié, Booth, Farage, Saint-Josse, Titford

ELDR: Flesch

NI: Berthu, Beysen, Garaud, Gollnisch, Hager, Ilgenfritz, de La Perriere, Mennea, Raschhofer, Sichrovsky, Souchet, Varaut

PPE-DE: Andria, Arvidsson, Atkins, Averoff, Bartolozzi, Bourlanges, Bowis, Bradbourn, Bremmer, Brienza, Brok, Callanan, Cederschiöld, Chichester, Cornillet, Costa Raffaele, Daul, De Mita, Descamps, De Veyrac, Dover, Elles, Evans Jonathan, Fatuzzo, Ferber, Fiori, Flemming, Foster, Fourtou, Friedrich, Gahler, Glase, Gomolka, Goodwill, Grönfeldt Bergman, Grossetête, Hannan, Harbour, Hatzidakis, Heaton-Harris, Hermange, Hieronymi, Hortefeux, Jackson, Jarzembowski, Jeggle, Karas, Kastler, Kauppi, Keppelhoff-Wiechert, Khanbhai, Kirkhope, Klamt, Klaß, Knolle, Koch, Konrad, Korhola, Lamassoure, Langen, Langenhagen, Laschet, Lechner, Lehne, Liese, Lisi, Lulling, McCartin, McMillan-Scott, Mann Thomas, Marinos, Martin Hugues, Mastella, Matikainen-Kallström, Mayer Hans-Peter, Mayer Xaver, Menrad, Mombaur, Montfort, Morillon, Nassauer, Nicholson, Niebler, Nisticò, Oostlander, Pacheco Pereira, Parish, Pastorelli, Perry, Pirker, Podestà, Poettering, Pomés Ruiz, Posselt, Provan, Purvis, Quisthoudt-Rowohl, Rack, Radwan, Rovsing, Rübig, Sacrédeus, Santer, Santini, Schaffner, Schierhuber, Schleicher, Schmitt, Schnellhardt, Schwaiger, Stenmarck, Stenzel, Stevenson, Stockton, Sturdy, Sudre, Suominen, Tajani, Tannock, Theato, Twinn, Van Orden, van Velzen, de Veyrinas, Villiers, Vlasto, Wachtmeister, Wenzel-Perillo, Wieland, Wijkman, von Wogau, Wuermeling, Zappalà, Zimmerling, Zissener

UEN: Caullery, Marchiani, Pasqua, Thomas-Mauro

Onthoudingen: 17

EDD: Abitbol, Coûteaux, Kuntz

ELDR: Manders

NI: Cappato, Claeys, Dell'Alba, Della Vedova, Dillen, Dupuis, Kronberger, Lang, Pannella, Stirbois, Turco

PPE-DE: Sommer

PSE: Dehousse

10.   Verslag Prets A5-0155/2004

Amendement 35

Voor: 192

EDD: Abitbol, Coûteaux, Kuntz

ELDR: Flesch

NI: Berthu, Claeys, Dillen, Garaud, Gollnisch, Hager, Ilgenfritz, Kronberger, Lang, Mennea, Raschhofer, Sichrovsky, Souchet, Stirbois, Varaut

PPE-DE: Arvidsson, Atkins, Averoff, Bartolozzi, Berend, Böge, von Boetticher, Bourlanges, Bowis, Bradbourn, Bremmer, Brienza, Brok, Callanan, Cederschiöld, Chichester, Daul, Descamps, De Veyrac, Dimitrakopoulos, Dover, Elles, Evans Jonathan, Fatuzzo, Ferber, Fiori, Flemming, Florenz, Foster, Fourtou, Friedrich, Gahler, Glase, Goepel, Gomolka, Goodwill, Grönfeldt Bergman, Grossetête, Hannan, Harbour, Hatzidakis, Heaton-Harris, Hermange, Hieronymi, Hortefeux, Jackson, Jarzembowski, Jeggle, Karas, Kastler, Kauppi, Keppelhoff-Wiechert, Khanbhai, Kirkhope, Klaß, Koch, Konrad, Korhola, Lamassoure, Langen, Langenhagen, Laschet, Lechner, Lehne, Liese, Lisi, Lulling, McCartin, McMillan-Scott, Mann Thomas, Marinos, Martin Hugues, Mastella, Matikainen-Kallström, Mayer Hans-Peter, Mayer Xaver, Menrad, Mombaur, Montfort, Morillon, Nassauer, Nicholson, Niebler, Nisticò, Oostlander, Pacheco Pereira, Parish, Perry, Pirker, Podestà, Poettering, Posselt, Provan, Purvis, Quisthoudt-Rowohl, Rack, Radwan, Rovsing, Rübig, Sacrédeus, Santer, Santini, Schaffner, Schierhuber, Schleicher, Schmitt, Schnellhardt, Schwaiger, Stenmarck, Stenzel, Stevenson, Stockton, Sturdy, Sudre, Suominen, Tajani, Tannock, Trakatellis, Twinn, Van Orden, de Veyrinas, Villiers, Vlasto, Wenzel-Perillo, Wieland, von Wogau, Wuermeling, Zacharakis, Zappalà, Zimmerling, Zissener

PSE: Adam, Bowe, Corbett, Dehousse, Evans Robert J.E., Hänsch, Honeyball, Howitt, Hughes, Kinnock, McAvan, Martin David W., Miller, Moraes, Morgan, Murphy, Poos, Read, dos Santos, Simpson, Skinner, Stihler, Watts, Whitehead, Wynn

UEN: Berlato, Bigliardo, Caullery, Marchiani, Muscardini, Musumeci, Nobilia, Pasqua, Queiró, Ribeiro e Castro, Segni, Thomas-Mauro, Turchi

Verts/ALE: Hudghton, MacCormick, Mayol i Raynal, Nogueira Román

Tegen: 292

EDD: Andersen, Blokland, Bonde, Booth, van Dam, Farage, Sandbæk, Titford

ELDR: Andreasen, André-Léonard, Attwooll, Boogerd-Quaak, Busk, Clegg, Costa Paolo, Davies, De Clercq, Duff, Dybkjær, Formentini, Huhne, Lynne, Maaten, Malmström, Monsonís Domingo, Mulder, Newton Dunn, Nicholson of Winterbourne, Nordmann, Olsson, Paulsen, Pesälä, Pohjamo, Procacci, Rousseaux, Rutelli, Sbarbati, Schmidt, Sterckx, Thors, Väyrynen, Van Hecke, Vermeer, Virrankoski, Wallis, Watson

GUE/NGL: Ainardi, Alyssandrakis, Bakopoulos, Bergaz Conesa, Bertinotti, Bordes, Boudjenah, Brie, Caudron, Cauquil, Cossutta, Di Lello Finuoli, Eriksson, Fiebiger, Figueiredo, Fraisse, Herzog, Jové Peres, Kaufmann, Korakas, Koulourianos, Krarup, Krivine, Laguiller, Manisco, Markov, Marset Campos, Meijer, Modrow, Morgantini, Papayannakis, Patakis, Puerta, Ribeiro, Scarbonchi, Schmid Herman, Schröder Ilka, Seppänen, Sjöstedt, Vachetta, Vinci

NI: Beysen, Gorostiaga Atxalandabaso, de La Perriere, Martin Hans-Peter

PPE-DE: Almeida Garrett, Andria, Avilés Perea, Banotti, Bastos, Bayona de Perogordo, Bodrato, Camisón Asensio, Cardoso, Cocilovo, Coelho, Cornillet, Costa Raffaele, De Mita, Deprez, Fernández Martín, Ferrer, García-Orcoyen Tormo, Garriga Polledo, Gouveia, Graça Moura, Grosch, Gutiérrez-Cortines, Hansenne, Hernández Mollar, Herranz García, Klamt, Knolle, Kratsa-Tsagaropoulou, Maat, Marini, Marques, Ojeda Sanz, Oomen-Ruijten, Oreja Arburúa, Pack, Pastorelli, Pérez Álvarez, Pex, Piscarreta, Pomés Ruiz, Redondo Jiménez, Salafranca Sánchez-Neyra, Smet, Sommer, Stauner, Theato, Thyssen, Varela Suanzes-Carpegna, van Velzen, Wachtmeister, Wijkman

PSE: Andersson, Aparicio Sánchez, Baltas, Barón Crespo, Berenguer Fuster, van den Berg, Berger, Bösch, van den Burg, Campos, Carnero González, Carraro, Carrilho, Casaca, Cercas, Cerdeira Morterero, Ceyhun, Corbey, Darras, De Keyser, Désir, Dhaene, Díez González, Dührkop Dührkop, Duhamel, Duin, El Khadraoui, Ettl, Färm, Fava, Garot, Gebhardt, Ghilardotti, Gillig, Glante, Görlach, Guy-Quint, Haug, Hedkvist Petersen, van Hulten, Hume, Imbeni, Izquierdo Collado, Jöns, Junker, Karamanou, Karlsson, Katiforis, Keßler, Kindermann, Koukiadis, Krehl, Kreissl-Dörfler, Kuckelkorn, Kuhne, Lage, Lalumière, Lange, Leinen, Linkohr, Lund, McCarthy, McNally, Malliori, Martínez Martínez, Mastorakis, Medina Ortega, Mendiluce Pereiro, Menéndez del Valle, Miguélez Ramos, Miranda de Lage, Müller, Myller, Napoletano, Obiols i Germà, Paasilinna, Paciotti, Pérez Royo, Piecyk, Pittella, Poignant, Prets, Randzio-Plath, Rapkay, Rocard, Roth-Behrendt, Rothe, Roure, Ruffolo, Sacconi, Sakellariou, Sandberg-Fries, Sauquillo Pérez del Arco, Savary, Scheele, Schmid Gerhard, Schulz, Sornosa Martínez, Souladakis, Sousa Pinto, Stockmann, Swiebel, Swoboda, Terrón i Cusí, Theorin, Thorning-Schmidt, Torres Marques, Tsatsos, Vairinhos, Van Lancker, Vattimo, Walter, Weiler, Wiersma, Zorba, Zrihen

Verts/ALE: Aaltonen, Ahern, Auroi, Boumediene-Thiery, Bouwman, Breyer, Buitenweg, Duthu, Echerer, Evans Jillian, Flautre, Frassoni, Gahrton, Graefe zu Baringdorf, Isler Béguin, Jonckheer, Lagendijk, Lambert, Lannoye, Lucas, McKenna, Maes, Onesta, Rod, de Roo, Rühle, Schörling, Schroedter, Sörensen, Staes, Voggenhuber, Wuori, Wyn

Onthoudingen: 18

EDD: Bernié, Saint-Josse

ELDR: Manders

NI: Cappato, Dell'Alba, Della Vedova, Dupuis, Gobbo, Pannella, Speroni, Turco

PSE: Gill, Mann Erika

UEN: Andrews, Collins, Crowley, Fitzsimons, Hyland

11.   Verslag Prets A5-0155/2004

Voorstel Commissie

Voor: 313

EDD: Andersen, Bernié, Bonde, Saint-Josse, Sandbæk

ELDR: Andreasen, André-Léonard, Attwooll, Boogerd-Quaak, Busk, Clegg, Costa Paolo, Davies, De Clercq, Duff, Dybkjær, Formentini, Huhne, Lynne, Maaten, Malmström, Manders, Monsonís Domingo, Mulder, Newton Dunn, Nicholson of Winterbourne, Nordmann, Olsson, Paulsen, Pesälä, Pohjamo, Procacci, Rousseaux, Rutelli, Sbarbati, Schmidt, Sterckx, Thors, Väyrynen, Van Hecke, Vermeer, Virrankoski, Wallis, Watson

GUE/NGL: Ainardi, Bakopoulos, Bergaz Conesa, Bertinotti, Bordes, Boudjenah, Brie, Caudron, Cauquil, Cossutta, Di Lello Finuoli, Eriksson, Fiebiger, Figueiredo, Fraisse, Herzog, Jové Peres, Kaufmann, Koulourianos, Krarup, Krivine, Laguiller, Manisco, Markov, Marset Campos, Meijer, Modrow, Morgantini, Papayannakis, Puerta, Ribeiro, Scarbonchi, Schmid Herman, Schröder Ilka, Seppänen, Sjöstedt, Vachetta, Vinci

NI: Beysen, Gobbo, Gorostiaga Atxalandabaso, Ilgenfritz, Kronberger, Martin Hans-Peter, Raschhofer, Speroni

PPE-DE: Almeida Garrett, Andria, Avilés Perea, Banotti, Bartolozzi, Bastos, Bayona de Perogordo, Berend, Bodrato, Bourlanges, Brok, Camisón Asensio, Cardoso, Cocilovo, Coelho, Cornillet, Costa Raffaele, De Mita, Deprez, Dimitrakopoulos, Fernández Martín, Ferrer, García-Orcoyen Tormo, Garriga Polledo, Gouveia, Graça Moura, Grosch, Gutiérrez-Cortines, Hansenne, Hernández Mollar, Herranz García, Knolle, Kratsa-Tsagaropoulou, Maat, McCartin, Marini, Marques, Menrad, Ojeda Sanz, Oomen-Ruijten, Oreja Arburúa, Pack, Pastorelli, Pérez Álvarez, Pex, Piscarreta, Pomés Ruiz, Redondo Jiménez, Salafranca Sánchez-Neyra, Schwaiger, Smet, Sommer, Stauner, Theato, Thyssen, Trakatellis, Varela Suanzes-Carpegna, van Velzen, Wijkman

PSE: Andersson, Aparicio Sánchez, Baltas, Barón Crespo, Berenguer Fuster, van den Berg, Berger, Bösch, van den Burg, Campos, Carnero González, Carraro, Carrilho, Casaca, Cercas, Cerdeira Morterero, Ceyhun, Corbey, Darras, Dehousse, De Keyser, Désir, Dhaene, Díez González, Dührkop Dührkop, Duhamel, Duin, El Khadraoui, Ettl, Färm, Fava, Garot, Gebhardt, Ghilardotti, Gillig, Glante, Goebbels, Görlach, Guy-Quint, Haug, Hedkvist Petersen, van Hulten, Hume, Imbeni, Izquierdo Collado, Jöns, Junker, Karamanou, Karlsson, Katiforis, Keßler, Kindermann, Koukiadis, Krehl, Kreissl-Dörfler, Kuckelkorn, Kuhne, Lage, Lalumière, Lange, Leinen, Linkohr, Lund, McNally, Malliori, Mann Erika, Martínez Martínez, Mastorakis, Medina Ortega, Mendiluce Pereiro, Menéndez del Valle, Miguélez Ramos, Miranda de Lage, Müller, Myller, Napoletano, Obiols i Germà, Paasilinna, Paciotti, Pérez Royo, Piecyk, Pittella, Poignant, Prets, Randzio-Plath, Rapkay, Rocard, Roth-Behrendt, Rothe, Rothley, Roure, Ruffolo, Sacconi, Sakellariou, Sandberg-Fries, Sauquillo Pérez del Arco, Savary, Scheele, Schmid Gerhard, Schulz, Sornosa Martínez, Souladakis, Stockmann, Swiebel, Swoboda, Terrón i Cusí, Theorin, Thorning-Schmidt, Torres Marques, Tsatsos, Vairinhos, Van Lancker, Vattimo, Walter, Weiler, Wiersma, Zorba, Zrihen

UEN: Andrews, Berlato, Bigliardo, Collins, Crowley, Fitzsimons, Hyland, Muscardini, Musumeci, Nobilia, Turchi

Verts/ALE: Aaltonen, Ahern, Auroi, Boumediene-Thiery, Bouwman, Breyer, Buitenweg, Cohn-Bendit, Duthu, Echerer, Evans Jillian, Flautre, Frassoni, Gahrton, Graefe zu Baringdorf, Isler Béguin, Jonckheer, Lagendijk, Lambert, Lannoye, Lucas, McKenna, Maes, Mayol i Raynal, Onesta, Rod, de Roo, Rühle, Schörling, Schroedter, Sörensen, Staes, Voggenhuber, Wuori, Wyn

Tegen: 107

EDD: Blokland, Booth, van Dam, Farage, Titford

GUE/NGL: Alyssandrakis, Korakas, Patakis

NI: de La Perriere, Varaut

PPE-DE: Atkins, Böge, von Boetticher, Bowis, Bradbourn, Brienza, Callanan, Chichester, Descamps, Dover, Elles, Evans Jonathan, Fatuzzo, Ferber, Fiori, Foster, Friedrich, Gahler, Glase, Goepel, Gomolka, Goodwill, Hannan, Harbour, Heaton-Harris, Jackson, Jarzembowski, Kastler, Kauppi, Khanbhai, Kirkhope, Klamt, Klaß, Koch, Konrad, Lamassoure, Langen, Lechner, Lehne, McMillan-Scott, Marinos, Martin Hugues, Mombaur, Nassauer, Nicholson, Niebler, Oostlander, Parish, Perry, Poettering, Provan, Purvis, Quisthoudt-Rowohl, Santer, Schaffner, Schierhuber, Schleicher, Schnellhardt, Stevenson, Stockton, Sturdy, Tannock, Twinn, Van Orden, Villiers, Wachtmeister, Wenzel-Perillo, Wieland, von Wogau, Wuermeling, Zacharakis

PSE: Adam, Bowe, Corbett, Evans Robert J.E., Gill, Honeyball, Howitt, Hughes, Kinnock, McAvan, McCarthy, Martin David W., Miller, Moraes, Morgan, Murphy, Read, dos Santos, Simpson, Skinner, Sousa Pinto, Stihler, Watts, Whitehead, Wynn

UEN: Marchiani

Onthoudingen: 84

EDD: Abitbol, Coûteaux, Kuntz

ELDR: Flesch

NI: Berthu, Cappato, Claeys, Dell'Alba, Della Vedova, Dillen, Dupuis, Garaud, Gollnisch, Hager, Lang, Mennea, Pannella, Sichrovsky, Souchet, Stirbois, Turco

PPE-DE: Arvidsson, Averoff, Bremmer, Cederschiöld, Daul, De Veyrac, Flemming, Florenz, Fourtou, Grönfeldt Bergman, Grossetête, Hatzidakis, Hermange, Hieronymi, Hortefeux, Jeggle, Karas, Keppelhoff-Wiechert, Korhola, Langenhagen, Laschet, Liese, Lisi, Lulling, Mann Thomas, Mastella, Matikainen-Kallström, Mayer Hans-Peter, Mayer Xaver, Montfort, Morillon, Nisticò, Pacheco Pereira, Pirker, Podestà, Posselt, Rack, Radwan, Rovsing, Rübig, Sacrédeus, Santini, Schmitt, Stenmarck, Stenzel, Sudre, Suominen, Tajani, de Veyrinas, Vlasto, Zappalà, Zimmerling, Zissener

PSE: Hänsch, Poos

UEN: Caullery, Pasqua, Queiró, Ribeiro e Castro, Segni, Thomas-Mauro

Verts/ALE: Hudghton, MacCormick

12.   Verslag Prets A5-0155/2004

Resolutie

Voor: 313

EDD: Andersen, Bernié, Bonde, Saint-Josse, Sandbæk

ELDR: Andreasen, André-Léonard, Attwooll, Boogerd-Quaak, Busk, Clegg, Costa Paolo, Davies, De Clercq, Duff, Dybkjær, Formentini, Huhne, Lynne, Maaten, Malmström, Manders, Monsonís Domingo, Mulder, Newton Dunn, Nicholson of Winterbourne, Nordmann, Olsson, Paulsen, Pesälä, Pohjamo, Rousseaux, Rutelli, Sbarbati, Schmidt, Sterckx, Thors, Väyrynen, Van Hecke, Vermeer, Virrankoski, Wallis, Watson

GUE/NGL: Ainardi, Bakopoulos, Bertinotti, Bordes, Boudjenah, Brie, Caudron, Cauquil, Cossutta, Di Lello Finuoli, Eriksson, Fiebiger, Figueiredo, Herzog, Jové Peres, Kaufmann, Koulourianos, Krarup, Krivine, Laguiller, Manisco, Markov, Marset Campos, Meijer, Modrow, Morgantini, Papayannakis, Puerta, Ribeiro, Scarbonchi, Schmid Herman, Schröder Ilka, Seppänen, Sjöstedt, Vachetta, Vinci

NI: Gobbo, Gorostiaga Atxalandabaso, Ilgenfritz, Kronberger, Martin Hans-Peter, Raschhofer, Speroni

PPE-DE: Almeida Garrett, Andria, Avilés Perea, Banotti, Bastos, Bayona de Perogordo, Bodrato, Bourlanges, Bremmer, Brok, Camisón Asensio, Cardoso, Cederschiöld, Cocilovo, Coelho, Cornillet, Costa Raffaele, De Mita, Deprez, Dimitrakopoulos, Fernández Martín, Ferrer, García-Orcoyen Tormo, Garriga Polledo, Gomolka, Gouveia, Graça Moura, Grosch, Gutiérrez-Cortines, Hansenne, Hernández Mollar, Herranz García, Hieronymi, Karas, Kratsa-Tsagaropoulou, Maat, Marini, Marques, Menrad, Ojeda Sanz, Oomen-Ruijten, Oreja Arburúa, Pack, Pastorelli, Pérez Álvarez, Pex, Pirker, Piscarreta, Redondo Jiménez, Salafranca Sánchez-Neyra, Smet, Stenmarck, Stenzel, Suominen, Theato, Thyssen, Trakatellis, Varela Suanzes-Carpegna, van Velzen, Wijkman

PSE: Andersson, Aparicio Sánchez, Baltas, Barón Crespo, Berenguer Fuster, van den Berg, Berger, Bösch, van den Burg, Campos, Carnero González, Carraro, Carrilho, Casaca, Cercas, Cerdeira Morterero, Ceyhun, Corbey, Darras, Dehousse, De Keyser, Désir, Dhaene, Díez González, Dührkop Dührkop, Duhamel, Duin, El Khadraoui, Ettl, Färm, Fava, Garot, Gebhardt, Ghilardotti, Gillig, Glante, Goebbels, Görlach, Guy-Quint, Haug, Hedkvist Petersen, van Hulten, Hume, Imbeni, Izquierdo Collado, Jöns, Junker, Karamanou, Karlsson, Katiforis, Keßler, Kindermann, Koukiadis, Krehl, Kreissl-Dörfler, Kuckelkorn, Kuhne, Lage, Lalumière, Lange, Leinen, Linkohr, Lund, McNally, Malliori, Mann Erika, Martínez Martínez, Mastorakis, Medina Ortega, Mendiluce Pereiro, Menéndez del Valle, Miguélez Ramos, Miranda de Lage, Müller, Myller, Napoletano, Obiols i Germà, Paasilinna, Paciotti, Pérez Royo, Piecyk, Pittella, Poignant, Prets, Randzio-Plath, Rapkay, Rocard, Roth-Behrendt, Rothe, Rothley, Roure, Ruffolo, Sacconi, Sakellariou, Sandberg-Fries, dos Santos, Sauquillo Pérez del Arco, Savary, Scheele, Schmid Gerhard, Schulz, Sornosa Martínez, Souladakis, Sousa Pinto, Stockmann, Swiebel, Swoboda, Terrón i Cusí, Theorin, Thorning-Schmidt, Torres Marques, Tsatsos, Vairinhos, Van Lancker, Vattimo, Walter, Weiler, Wiersma, Zorba, Zrihen

UEN: Andrews, Berlato, Bigliardo, Collins, Crowley, Fitzsimons, Hyland, Muscardini, Musumeci, Nobilia, Segni, Turchi

Verts/ALE: Aaltonen, Ahern, Auroi, Boumediene-Thiery, Bouwman, Breyer, Buitenweg, Cohn-Bendit, Duthu, Echerer, Evans Jillian, Flautre, Frassoni, Gahrton, Graefe zu Baringdorf, Isler Béguin, Jonckheer, Lagendijk, Lambert, Lannoye, Lucas, McKenna, Maes, Mayol i Raynal, Onesta, Rod, de Roo, Rühle, Schörling, Schroedter, Sörensen, Staes, Voggenhuber, Wuori, Wyn

Tegen: 141

EDD: Blokland, Booth, van Dam, Farage, Titford

GUE/NGL: Alyssandrakis, Korakas, Patakis

NI: Berthu, Garaud, Hager, de La Perriere, Souchet, Varaut

PPE-DE: Atkins, Bartolozzi, Berend, Böge, von Boetticher, Bowis, Bradbourn, Brienza, Callanan, Chichester, Daul, Descamps, De Veyrac, Dover, Elles, Evans Jonathan, Fatuzzo, Ferber, Fiori, Florenz, Foster, Fourtou, Friedrich, Gahler, Glase, Goepel, Goodwill, Grönfeldt Bergman, Grossetête, Hannan, Harbour, Heaton-Harris, Hortefeux, Jackson, Jarzembowski, Jeggle, Kastler, Kauppi, Keppelhoff-Wiechert, Khanbhai, Kirkhope, Klamt, Klaß, Koch, Konrad, Korhola, Lamassoure, Langen, Langenhagen, Laschet, Lechner, Lehne, Lisi, McCartin, McMillan-Scott, Mann Thomas, Martin Hugues, Mastella, Mayer Hans-Peter, Mayer Xaver, Mombaur, Montfort, Nassauer, Nicholson, Niebler, Nisticò, Oostlander, Parish, Perry, Poettering, Pomés Ruiz, Posselt, Provan, Purvis, Quisthoudt-Rowohl, Rack, Radwan, Rübig, Santer, Santini, Schaffner, Schierhuber, Schleicher, Schmitt, Schnellhardt, Schwaiger, Stevenson, Stockton, Sturdy, Sudre, Tajani, Tannock, Twinn, Van Orden, de Veyrinas, Villiers, Vlasto, Wachtmeister, Wenzel-Perillo, Wieland, von Wogau, Wuermeling, Zappalà, Zimmerling

PSE: Adam, Bowe, Corbett, Evans Robert J.E., Honeyball, Howitt, Hughes, Kinnock, McAvan, McCarthy, Martin David W., Miller, Moraes, Morgan, Murphy, Read, Simpson, Skinner, Stihler, Watts, Whitehead, Wynn

UEN: Marchiani

Onthoudingen: 47

EDD: Abitbol, Coûteaux, Kuntz

ELDR: Flesch

NI: Beysen, Cappato, Claeys, Dell'Alba, Della Vedova, Dillen, Dupuis, Gollnisch, Lang, Mennea, Pannella, Sichrovsky, Stirbois, Turco

PPE-DE: Arvidsson, Averoff, Flemming, Hatzidakis, Hermange, Knolle, Liese, Lulling, Marinos, Matikainen-Kallström, Morillon, Pacheco Pereira, Podestà, Rovsing, Sacrédeus, Sommer, Stauner, Zacharakis

PSE: Gill, Hänsch, Poos

UEN: Caullery, Pasqua, Queiró, Ribeiro e Castro, Thomas-Mauro

Verts/ALE: Hudghton, MacCormick, Nogueira Román

13.   Verslag Maat A5-0197/2004

Amendement 98

Voor: 226

EDD: Abitbol, Andersen, Blokland, Bonde, Booth, Coûteaux, van Dam, Farage, Sandbæk, Titford

ELDR: Dybkjær, Huhne, Lynne, Thors

GUE/NGL: Ainardi, Alavanos, Alyssandrakis, Bakopoulos, Bergaz Conesa, Bertinotti, Bordes, Boudjenah, Brie, Caudron, Cauquil, Cossutta, Di Lello Finuoli, Eriksson, Fiebiger, Figueiredo, Fraisse, Herzog, Jové Peres, Kaufmann, Korakas, Koulourianos, Krarup, Krivine, Laguiller, Manisco, Markov, Marset Campos, Meijer, Modrow, Morgantini, Papayannakis, Patakis, Ribeiro, Scarbonchi, Schmid Herman, Schröder Ilka, Seppänen, Sjöstedt, Vachetta, Vinci

NI: Cappato, Claeys, Dell'Alba, Della Vedova, Dillen, Dupuis, Garaud, Gobbo, Gollnisch, Gorostiaga Atxalandabaso, Hager, Ilgenfritz, Kronberger, Lang, de La Perriere, Martin Hans-Peter, Pannella, Raschhofer, Sichrovsky, Speroni, Stirbois, Turco

PPE-DE: Andria, Atkins, Banotti, Bowis, Bradbourn, Callanan, Chichester, Cocilovo, Costa Raffaele, Dover, Elles, Evans Jonathan, Fatuzzo, Flemming, Florenz, Foster, Goodwill, Hannan, Harbour, Heaton-Harris, Jackson, Khanbhai, Kirkhope, Klaß, Lehne, McMillan-Scott, Marini, Nisticò, Parish, Perry, Provan, Purvis, Sacrédeus, Stevenson, Stockton, Sturdy, Twinn, Van Orden, Villiers, Wijkman

PSE: Adam, Andersson, van den Berg, Berger, Bösch, Bowe, Bullmann, van den Burg, Carrilho, Casaca, Corbett, Corbey, Dehousse, De Keyser, Dhaene, Duin, El Khadraoui, Ettl, Evans Robert J.E., Färm, Gebhardt, Gill, Hedkvist Petersen, Honeyball, Howitt, Hughes, van Hulten, Karlsson, Kinnock, Lange, Lund, McAvan, McCarthy, McNally, Mann Erika, Martin David W., Mendiluce Pereiro, Miller, Moraes, Murphy, Prets, Randzio-Plath, Rapkay, Read, Roth-Behrendt, Rothe, Rothley, Roure, Sandberg-Fries, Scheele, Schmid Gerhard, Schulz, Simpson, Skinner, Sousa Pinto, Stihler, Swiebel, Swoboda, Theorin, Thorning-Schmidt, Torres Marques, Vairinhos, Van Lancker, Watts, Weiler, Whitehead, Wiersma, Wynn, Zrihen

UEN: Bigliardo, Muscardini, Segni

Verts/ALE: Aaltonen, Ahern, Auroi, Boumediene-Thiery, Bouwman, Breyer, Buitenweg, Cohn-Bendit, Duthu, Echerer, Evans Jillian, Flautre, Frassoni, Gahrton, Graefe zu Baringdorf, Isler Béguin, Jonckheer, Lagendijk, Lambert, Lannoye, Lucas, MacCormick, McKenna, Maes, Mayol i Raynal, Nogueira Román, Onesta, Rod, de Roo, Rühle, Schörling, Schroedter, Sörensen, Staes, Voggenhuber, Wuori, Wyn

Tegen: 257

EDD: Bernié, Kuntz, Saint-Josse

ELDR: Andreasen, André-Léonard, Attwooll, Boogerd-Quaak, Busk, Clegg, Davies, De Clercq, Duff, Flesch, Formentini, Maaten, Malmström, Manders, Monsonís Domingo, Mulder, Newton Dunn, Nicholson of Winterbourne, Nordmann, Olsson, Paulsen, Pesälä, Pohjamo, Procacci, Rousseaux, Rutelli, Sbarbati, Schmidt, Sterckx, Väyrynen, Van Hecke, Vermeer, Virrankoski, Wallis, Watson

NI: Beysen, Mennea, Souchet, Varaut

PPE-DE: Almeida Garrett, Arvidsson, Averoff, Avilés Perea, Bartolozzi, Bastos, Bayona de Perogordo, Berend, Bodrato, Böge, von Boetticher, Bourlanges, Bremmer, Brienza, Brok, Camisón Asensio, Cardoso, Cederschiöld, Coelho, Daul, De Mita, Deprez, Descamps, De Veyrac, Dimitrakopoulos, Doyle, Ferber, Fernández Martín, Ferrer, Fiori, Fourtou, Friedrich, Gahler, García-Orcoyen Tormo, Garriga Polledo, Glase, Goepel, Gomolka, Gouveia, Graça Moura, Grönfeldt Bergman, Grosch, Grossetête, Gutiérrez-Cortines, Hansenne, Hatzidakis, Hermange, Hernández Mollar, Herranz García, Hieronymi, Jarzembowski, Jeggle, Karas, Kastler, Kauppi, Keppelhoff-Wiechert, Klamt, Knolle, Koch, Konrad, Korhola, Kratsa-Tsagaropoulou, Lamassoure, Langen, Langenhagen, Laschet, Lechner, Liese, Lisi, Lulling, Maat, McCartin, Mann Thomas, Marinos, Marques, Martin Hugues, Mastella, Matikainen-Kallström, Mayer Hans-Peter, Mayer Xaver, Menrad, Mombaur, Montfort, Morillon, Nassauer, Nicholson, Niebler, Ojeda Sanz, Oomen-Ruijten, Oostlander, Oreja Arburúa, Pacheco Pereira, Pack, Pastorelli, Pérez Álvarez, Pex, Pirker, Piscarreta, Podestà, Poettering, Pomés Ruiz, Posselt, Quisthoudt-Rowohl, Rack, Radwan, Redondo Jiménez, Rovsing, Rübig, Salafranca Sánchez-Neyra, Santer, Santini, Schaffner, Schierhuber, Schleicher, Schmitt, Schnellhardt, Schwaiger, Smet, Sommer, Stauner, Stenmarck, Stenzel, Sudre, Suominen, Tajani, Theato, Thyssen, Trakatellis, Varela Suanzes-Carpegna, van Velzen, de Veyrinas, Vlasto, Wachtmeister, Wenzel-Perillo, Wieland, von Wogau, Wuermeling, Zacharakis, Zappalà, Zimmerling, Zissener

PSE: Aparicio Sánchez, Baltas, Barón Crespo, Berenguer Fuster, Campos, Carnero González, Cercas, Cerdeira Morterero, Darras, Désir, Díez González, Dührkop Dührkop, Duhamel, Garot, Gillig, Glante, Goebbels, Görlach, Guy-Quint, Hänsch, Haug, Hume, Izquierdo Collado, Jöns, Karamanou, Katiforis, Keßler, Koukiadis, Krehl, Kreissl-Dörfler, Kuckelkorn, Lalumière, Leinen, Linkohr, Malliori, Martínez Martínez, Mastorakis, Medina Ortega, Menéndez del Valle, Miguélez Ramos, Miranda de Lage, Müller, Obiols i Germà, Paasilinna, Pérez Royo, Piecyk, Poignant, Poos, Rocard, Sakellariou, Sauquillo Pérez del Arco, Savary, Sornosa Martínez, Souladakis, Stockmann, Terrón i Cusí, Tsatsos, Walter, Zorba

UEN: Andrews, Berlato, Caullery, Collins, Crowley, Fitzsimons, Hyland, Marchiani, Musumeci, Nobilia, Pasqua, Queiró, Ribeiro e Castro, Thomas-Mauro, Turchi

Onthoudingen: 16

ELDR: Costa Paolo

GUE/NGL: Puerta

NI: Berthu

PSE: Carraro, Fava, Ghilardotti, Imbeni, Lage, Myller, Napoletano, Paciotti, Pittella, Ruffolo, Sacconi, dos Santos, Vattimo

14.   Verslag Maat A5-0197/2004

Amendement 103

Voor: 175

EDD: Andersen, Blokland, Bonde, Booth, van Dam, Farage, Sandbæk, Titford

ELDR: Boogerd-Quaak, Dybkjær, Maaten, Malmström, Paulsen, Rousseaux, Schmidt, Vermeer

GUE/NGL: Ainardi, Alavanos, Alyssandrakis, Bakopoulos, Bergaz Conesa, Bertinotti, Bordes, Boudjenah, Brie, Caudron, Cauquil, Cossutta, Di Lello Finuoli, Eriksson, Fiebiger, Figueiredo, Fraisse, Herzog, Jové Peres, Kaufmann, Korakas, Koulourianos, Krarup, Krivine, Laguiller, Manisco, Markov, Marset Campos, Meijer, Modrow, Morgantini, Papayannakis, Patakis, Puerta, Ribeiro, Scarbonchi, Schmid Herman, Schröder Ilka, Seppänen, Sjöstedt, Vachetta, Vinci

NI: Berthu, Claeys, Dillen, Gobbo, Gollnisch, Gorostiaga Atxalandabaso, Hager, Ilgenfritz, Kronberger, Lang, de La Perriere, Martin Hans-Peter, Raschhofer, Sichrovsky, Speroni, Stirbois

PPE-DE: Cocilovo, Fatuzzo, Flemming, Florenz, Marini, Sacrédeus, Stockton, Wijkman

PSE: Andersson, Aparicio Sánchez, Berenguer Fuster, van den Berg, Berger, Bösch, Bowe, Bullmann, van den Burg, Carnero González, Cercas, Cerdeira Morterero, Corbey, Dhaene, Díez González, Dührkop Dührkop, Duin, Ettl, Evans Robert J.E., Färm, Hedkvist Petersen, Howitt, Hughes, van Hulten, Izquierdo Collado, Karlsson, Lund, McNally, Martínez Martínez, Medina Ortega, Mendiluce Pereiro, Menéndez del Valle, Miranda de Lage, Obiols i Germà, Paasilinna, Pérez Royo, Randzio-Plath, Rapkay, Roth-Behrendt, Rothley, Sandberg-Fries, Sauquillo Pérez del Arco, Scheele, Schmid Gerhard, Sornosa Martínez, Swiebel, Swoboda, Theorin, Thorning-Schmidt, Torres Marques, Vairinhos, Van Lancker, Watts, Wiersma

UEN: Segni

Verts/ALE: Aaltonen, Ahern, Auroi, Boumediene-Thiery, Bouwman, Breyer, Buitenweg, Cohn-Bendit, Duthu, Echerer, Evans Jillian, Flautre, Frassoni, Gahrton, Graefe zu Baringdorf, Hudghton, Isler Béguin, Jonckheer, Lagendijk, Lambert, Lannoye, Lucas, MacCormick, McKenna, Maes, Mayol i Raynal, Nogueira Román, Onesta, Rod, de Roo, Rühle, Schörling, Schroedter, Sörensen, Staes, Voggenhuber, Wuori, Wyn

Tegen: 317

EDD: Abitbol, Bernié, Coûteaux, Kuntz, Saint-Josse

ELDR: Andreasen, André-Léonard, Attwooll, Busk, Clegg, Costa Paolo, Davies, De Clercq, Duff, Flesch, Formentini, Huhne, Lynne, Manders, Monsonís Domingo, Mulder, Newton Dunn, Nicholson of Winterbourne, Nordmann, Olsson, Pesälä, Pohjamo, Procacci, Rutelli, Sbarbati, Sterckx, Thors, Väyrynen, Van Hecke, Virrankoski, Wallis, Watson

NI: Beysen, Garaud, Mennea, Souchet, Varaut

PPE-DE: Almeida Garrett, Andria, Arvidsson, Atkins, Averoff, Avilés Perea, Banotti, Bartolozzi, Bastos, Bayona de Perogordo, Berend, Bodrato, Böge, von Boetticher, Bourlanges, Bowis, Bradbourn, Bremmer, Brienza, Brok, Callanan, Camisón Asensio, Cardoso, Cederschiöld, Chichester, Coelho, Costa Raffaele, Daul, De Mita, Deprez, Descamps, De Veyrac, Dimitrakopoulos, Dover, Doyle, Elles, Evans Jonathan, Ferber, Fernández Martín, Ferrer, Fiori, Foster, Fourtou, Friedrich, Gahler, García-Orcoyen Tormo, Garriga Polledo, Glase, Goepel, Gomolka, Goodwill, Gouveia, Graça Moura, Grönfeldt Bergman, Grosch, Grossetête, Gutiérrez-Cortines, Hannan, Hansenne, Harbour, Hatzidakis, Heaton-Harris, Hermange, Hernández Mollar, Herranz García, Hieronymi, Jackson, Jarzembowski, Jeggle, Karas, Kastler, Kauppi, Keppelhoff-Wiechert, Khanbhai, Kirkhope, Klamt, Klaß, Knolle, Koch, Konrad, Korhola, Kratsa-Tsagaropoulou, Lamassoure, Langen, Langenhagen, Laschet, Lechner, Lehne, Liese, Lisi, Lulling, Maat, McCartin, McMillan-Scott, Mann Thomas, Marinos, Marques, Martin Hugues, Mastella, Matikainen-Kallström, Mayer Hans-Peter, Mayer Xaver, Menrad, Mombaur, Montfort, Morillon, Nassauer, Nicholson, Niebler, Nisticò, Ojeda Sanz, Oomen-Ruijten, Oostlander, Oreja Arburúa, Pacheco Pereira, Pack, Parish, Pastorelli, Pérez Álvarez, Perry, Pex, Pirker, Piscarreta, Podestà, Poettering, Pomés Ruiz, Posselt, Provan, Purvis, Quisthoudt-Rowohl, Rack, Radwan, Redondo Jiménez, Rovsing, Rübig, Salafranca Sánchez-Neyra, Santer, Santini, Schaffner, Schierhuber, Schleicher, Schmitt, Schnellhardt, Schwaiger, Smet, Sommer, Stauner, Stenmarck, Stenzel, Stevenson, Sturdy, Sudre, Suominen, Tajani, Tannock, Theato, Thyssen, Trakatellis, Twinn, Van Orden, Varela Suanzes-Carpegna, van Velzen, de Veyrinas, Villiers, Vlasto, Wachtmeister, Wenzel-Perillo, Wieland, von Wogau, Wuermeling, Zacharakis, Zappalà, Zimmerling, Zissener

PSE: Adam, Baltas, Campos, Carraro, Casaca, Ceyhun, Corbett, Darras, Dehousse, De Keyser, Désir, Duhamel, Fava, Garot, Gebhardt, Ghilardotti, Gill, Gillig, Glante, Goebbels, Görlach, Guy-Quint, Hänsch, Haug, Honeyball, Hume, Imbeni, Jöns, Junker, Karamanou, Katiforis, Keßler, Kindermann, Kinnock, Koukiadis, Krehl, Kreissl-Dörfler, Kuckelkorn, Kuhne, Lalumière, Lange, Leinen, Linkohr, McAvan, McCarthy, Malliori, Mann Erika, Martin David W., Mastorakis, Miguélez Ramos, Miller, Moraes, Morgan, Müller, Murphy, Napoletano, Paciotti, Piecyk, Pittella, Poignant, Poos, Prets, Read, Rocard, Rothe, Roure, Ruffolo, Sacconi, Sakellariou, dos Santos, Savary, Simpson, Skinner, Souladakis, Sousa Pinto, Stihler, Stockmann, Terrón i Cusí, Tsatsos, Vattimo, Walter, Weiler, Whitehead, Wynn, Zorba

UEN: Andrews, Berlato, Bigliardo, Caullery, Collins, Crowley, Fitzsimons, Hyland, Marchiani, Muscardini, Musumeci, Nobilia, Pasqua, Queiró, Ribeiro e Castro, Thomas-Mauro

Onthoudingen: 11

NI: Cappato, Dell'Alba, Della Vedova, Dupuis, Pannella, Turco

PSE: Carrilho, El Khadraoui, Lage, Myller, Zrihen

15.   Verslag Maat A5-0197/2004

Amendement 114

Voor: 185

EDD: Abitbol, Andersen, Bernié, Blokland, Bonde, Booth, Coûteaux, van Dam, Farage, Kuntz, Saint-Josse, Sandbæk, Titford

ELDR: Attwooll, Boogerd-Quaak, Clegg, Costa Paolo, Davies, Dybkjær, Huhne, Lynne, Malmström, Newton Dunn, Paulsen, Rousseaux, Schmidt, Thors, Watson

GUE/NGL: Bordes, Brie, Caudron, Cauquil, Cossutta, Eriksson, Krarup, Krivine, Laguiller, Manisco, Markov, Meijer, Morgantini, Papayannakis, Seppänen, Sjöstedt

NI: Berthu, Cappato, Dell'Alba, Della Vedova, Dupuis, Hager, Ilgenfritz, Kronberger, Martin Hans-Peter, Pannella, Raschhofer, Turco

PPE-DE: Andria, Bowis, Costa Raffaele, Fatuzzo, Marini, Sacrédeus, Wijkman

PSE: Adam, Andersson, van den Berg, Bösch, Bowe, Bullmann, van den Burg, Campos, Carraro, Casaca, Corbett, Corbey, De Keyser, Dhaene, Duin, El Khadraoui, Ettl, Evans Robert J.E., Färm, Fava, Ghilardotti, Gill, Hedkvist Petersen, Honeyball, Howitt, Hughes, van Hulten, Imbeni, Karlsson, Kinnock, Kreissl-Dörfler, Lund, McAvan, McCarthy, McNally, Martin David W., Miller, Moraes, Morgan, Murphy, Napoletano, Paasilinna, Paciotti, Pittella, Prets, Randzio-Plath, Read, Roth-Behrendt, Roure, Ruffolo, Sacconi, Sandberg-Fries, Scheele, Simpson, Skinner, Stihler, Swiebel, Swoboda, Theorin, Thorning-Schmidt, Van Lancker, Vattimo, Watts, Weiler, Whitehead, Wiersma, Wynn

UEN: Andrews, Berlato, Bigliardo, Caullery, Collins, Crowley, Fitzsimons, Hyland, Marchiani, Muscardini, Musumeci, Nobilia, Pasqua, Queiró, Ribeiro e Castro, Segni, Thomas-Mauro, Turchi

Verts/ALE: Aaltonen, Ahern, Auroi, Boumediene-Thiery, Bouwman, Breyer, Buitenweg, Cohn-Bendit, Duthu, Echerer, Evans Jillian, Flautre, Frassoni, Gahrton, Graefe zu Baringdorf, Hudghton, Isler Béguin, Jonckheer, Lagendijk, Lambert, Lannoye, Lucas, McKenna, Maes, Mayol i Raynal, Nogueira Román, Onesta, Rod, de Roo, Rühle, Schörling, Schroedter, Sörensen, Staes, Voggenhuber, Wuori, Wyn

Tegen: 310

ELDR: Andreasen, André-Léonard, Busk, De Clercq, Duff, Flesch, Formentini, Maaten, Manders, Monsonís Domingo, Mulder, Nicholson of Winterbourne, Nordmann, Olsson, Pesälä, Pohjamo, Procacci, Rutelli, Sbarbati, Sterckx, Väyrynen, Van Hecke, Vermeer, Virrankoski, Wallis

GUE/NGL: Ainardi, Alavanos, Alyssandrakis, Bakopoulos, Bergaz Conesa, Bertinotti, Boudjenah, Di Lello Finuoli, Fiebiger, Figueiredo, Fraisse, Herzog, Jové Peres, Kaufmann, Korakas, Koulourianos, Marset Campos, Modrow, Patakis, Puerta, Ribeiro, Scarbonchi, Schröder Ilka, Vachetta, Vinci

NI: Beysen, Claeys, Dillen, Garaud, Gollnisch, Gorostiaga Atxalandabaso, Lang, de La Perriere, Mennea, Sichrovsky, Souchet, Stirbois, Varaut

PPE-DE: Almeida Garrett, Arvidsson, Atkins, Averoff, Avilés Perea, Banotti, Bartolozzi, Bastos, Bayona de Perogordo, Berend, Bodrato, Böge, von Boetticher, Bourlanges, Bradbourn, Brienza, Brok, Callanan, Camisón Asensio, Cardoso, Cederschiöld, Chichester, Cocilovo, Coelho, Daul, De Mita, Deprez, Descamps, De Veyrac, Dimitrakopoulos, Dover, Doyle, Elles, Evans Jonathan, Ferber, Fernández Martín, Ferrer, Fiori, Florenz, Foster, Fourtou, Friedrich, Gahler, García-Orcoyen Tormo, Garriga Polledo, Glase, Goepel, Gomolka, Goodwill, Gouveia, Graça Moura, Grönfeldt Bergman, Grosch, Grossetête, Gutiérrez-Cortines, Hannan, Hansenne, Harbour, Hatzidakis, Heaton-Harris, Hermange, Hernández Mollar, Herranz García, Hieronymi, Jackson, Jarzembowski, Jeggle, Karas, Kastler, Kauppi, Keppelhoff-Wiechert, Khanbhai, Kirkhope, Klamt, Klaß, Knolle, Koch, Konrad, Korhola, Kratsa-Tsagaropoulou, Lamassoure, Langen, Langenhagen, Laschet, Lechner, Lehne, Liese, Lisi, Lulling, Maat, McCartin, McMillan-Scott, Mann Thomas, Marinos, Marques, Martin Hugues, Mastella, Matikainen-Kallström, Mayer Hans-Peter, Mayer Xaver, Menrad, Mombaur, Montfort, Morillon, Nassauer, Nicholson, Niebler, Nisticò, Ojeda Sanz, Oomen-Ruijten, Oostlander, Oreja Arburúa, Pacheco Pereira, Pack, Parish, Pastorelli, Pérez Álvarez, Perry, Pex, Pirker, Podestà, Poettering, Pomés Ruiz, Posselt, Provan, Purvis, Quisthoudt-Rowohl, Rack, Radwan, Redondo Jiménez, Rovsing, Rübig, Salafranca Sánchez-Neyra, Santer, Santini, Schaffner, Schierhuber, Schleicher, Schmitt, Schnellhardt, Schwaiger, Smet, Sommer, Stauner, Stenmarck, Stenzel, Stevenson, Stockton, Sturdy, Sudre, Suominen, Tajani, Tannock, Theato, Thyssen, Trakatellis, Twinn, Van Orden, Varela Suanzes-Carpegna, van Velzen, de Veyrinas, Vlasto, Wachtmeister, Wenzel-Perillo, Wieland, von Wogau, Wuermeling, Zacharakis, Zappalà, Zimmerling, Zissener

PSE: Aparicio Sánchez, Baltas, Barón Crespo, Berenguer Fuster, Berger, Carnero González, Carrilho, Cercas, Cerdeira Morterero, Ceyhun, Darras, Dehousse, Désir, Díez González, Dührkop Dührkop, Duhamel, Garot, Gebhardt, Gillig, Glante, Goebbels, Görlach, Guy-Quint, Hänsch, Haug, Hume, Izquierdo Collado, Jöns, Junker, Karamanou, Katiforis, Keßler, Kindermann, Koukiadis, Krehl, Kuckelkorn, Lage, Lalumière, Lange, Leinen, Linkohr, Malliori, Mann Erika, Martínez Martínez, Mastorakis, Medina Ortega, Mendiluce Pereiro, Menéndez del Valle, Miguélez Ramos, Miranda de Lage, Müller, Obiols i Germà, Pérez Royo, Piecyk, Poos, Rapkay, Rocard, Rothe, Rothley, Sakellariou, dos Santos, Sauquillo Pérez del Arco, Savary, Schmid Gerhard, Schulz, Sornosa Martínez, Souladakis, Sousa Pinto, Stockmann, Terrón i Cusí, Torres Marques, Tsatsos, Vairinhos, Walter, Zorba, Zrihen

Onthoudingen: 3

NI: Gobbo, Speroni

PSE: Myller

16.   Verslag Maat A5-0197/2004

Amendement 115

Voor: 364

EDD: Andersen, Bernié, Blokland, Bonde, Booth, van Dam, Farage, Saint-Josse, Sandbæk, Titford

ELDR: Andreasen, André-Léonard, Attwooll, Boogerd-Quaak, Busk, Clegg, Costa Paolo, Davies, De Clercq, Duff, Dybkjær, Flesch, Formentini, Huhne, Lynne, Maaten, Malmström, Manders, Monsonís Domingo, Mulder, Newton Dunn, Nicholson of Winterbourne, Nordmann, Olsson, Paulsen, Pesälä, Pohjamo, Procacci, Rousseaux, Rutelli, Sbarbati, Schmidt, Sterckx, Thors, Väyrynen, Van Hecke, Vermeer, Virrankoski, Wallis, Watson

GUE/NGL: Bordes, Brie, Cauquil, Cossutta, Eriksson, Krarup, Krivine, Laguiller, Manisco, Markov, Meijer, Morgantini, Papayannakis, Schmid Herman, Seppänen, Sjöstedt

NI: Berthu, Beysen, Cappato, Claeys, Dell'Alba, Della Vedova, Dillen, Dupuis, Garaud, Gollnisch, Hager, Ilgenfritz, Kronberger, Lang, de La Perriere, Martin Hans-Peter, Mennea, Pannella, Raschhofer, Sichrovsky, Souchet, Stirbois, Turco, Varaut

PPE-DE: Almeida Garrett, Andria, Arvidsson, Atkins, Averoff, Banotti, Bartolozzi, Bastos, Berend, Bodrato, Böge, von Boetticher, Bourlanges, Bowis, Bradbourn, Bremmer, Brienza, Brok, Callanan, Cardoso, Cederschiöld, Chichester, Cocilovo, Coelho, Costa Raffaele, Daul, De Mita, Deprez, Descamps, De Veyrac, Dover, Doyle, Elles, Evans Jonathan, Fatuzzo, Ferber, Fiori, Flemming, Florenz, Foster, Fourtou, Friedrich, Gahler, Glase, Goepel, Gomolka, Goodwill, Gouveia, Graça Moura, Grönfeldt Bergman, Grosch, Grossetête, Hannan, Hansenne, Harbour, Hatzidakis, Heaton-Harris, Hieronymi, Jackson, Jarzembowski, Jeggle, Karas, Kastler, Kauppi, Keppelhoff-Wiechert, Khanbhai, Kirkhope, Klamt, Klaß, Knolle, Koch, Konrad, Korhola, Kratsa-Tsagaropoulou, Lamassoure, Langen, Langenhagen, Laschet, Lechner, Lehne, Liese, Lisi, Lulling, Maat, McMillan-Scott, Mann Thomas, Marini, Marinos, Marques, Martin Hugues, Matikainen-Kallström, Mayer Hans-Peter, Mayer Xaver, Menrad, Mombaur, Montfort, Morillon, Nassauer, Nicholson, Niebler, Nisticò, Oomen-Ruijten, Oostlander, Pacheco Pereira, Pack, Parish, Pastorelli, Perry, Pex, Pirker, Podestà, Poettering, Posselt, Provan, Purvis, Quisthoudt-Rowohl, Rack, Radwan, Rovsing, Rübig, Sacrédeus, Santer, Santini, Schierhuber, Schleicher, Schmitt, Schnellhardt, Schwaiger, Smet, Sommer, Stauner, Stenmarck, Stenzel, Stevenson, Stockton, Sturdy, Sudre, Suominen, Tajani, Tannock, Theato, Thyssen, Trakatellis, Twinn, Van Orden, van Velzen, de Veyrinas, Villiers, Vlasto, Wachtmeister, Wenzel-Perillo, Wieland, Wijkman, von Wogau, Wuermeling, Zacharakis, Zappalà, Zimmerling, Zissener

PSE: Adam, Andersson, van den Berg, Berger, Bösch, Bowe, Bullmann, van den Burg, Campos, Carraro, Casaca, Corbett, Corbey, De Keyser, Dhaene, Duin, El Khadraoui, Ettl, Evans Robert J.E., Färm, Fava, Ghilardotti, Gill, Hedkvist Petersen, Honeyball, Howitt, Hughes, van Hulten, Imbeni, Karlsson, Kinnock, Linkohr, Lund, McAvan, McCarthy, McNally, Martin David W., Mendiluce Pereiro, Miller, Moraes, Morgan, Murphy, Napoletano, Paasilinna, Paciotti, Pittella, Prets, Randzio-Plath, Rapkay, Read, Roth-Behrendt, Roure, Ruffolo, Sacconi, Sandberg-Fries, Scheele, Schmid Gerhard, Schulz, Simpson, Skinner, Sousa Pinto, Stihler, Swiebel, Swoboda, Theorin, Thorning-Schmidt, Torres Marques, Tsatsos, Van Lancker, Vattimo, Watts, Weiler, Whitehead, Wiersma, Wynn, Zrihen

UEN: Segni

Verts/ALE: Aaltonen, Ahern, Auroi, Boumediene-Thiery, Bouwman, Breyer, Buitenweg, Cohn-Bendit, Duthu, Echerer, Evans Jillian, Flautre, Frassoni, Gahrton, Graefe zu Baringdorf, Hudghton, Isler Béguin, Jonckheer, Lagendijk, Lambert, Lannoye, Lucas, MacCormick, McKenna, Maes, Mayol i Raynal, Nogueira Román, Onesta, Rod, de Roo, Rühle, Schörling, Schroedter, Sörensen, Staes, Voggenhuber, Wuori, Wyn

Tegen: 130

EDD: Abitbol

GUE/NGL: Ainardi, Alavanos, Bakopoulos, Bergaz Conesa, Bertinotti, Boudjenah, Di Lello Finuoli, Fiebiger, Figueiredo, Fraisse, Herzog, Jové Peres, Kaufmann, Korakas, Koulourianos, Marset Campos, Modrow, Puerta, Ribeiro, Schröder Ilka, Vachetta, Vinci

NI: Gobbo, Gorostiaga Atxalandabaso, Speroni

PPE-DE: Avilés Perea, Bayona de Perogordo, Camisón Asensio, Dimitrakopoulos, Fernández Martín, Ferrer, García-Orcoyen Tormo, Garriga Polledo, Gutiérrez-Cortines, Hernández Mollar, Herranz García, Mastella, Ojeda Sanz, Oreja Arburúa, Pérez Álvarez, Piscarreta, Pomés Ruiz, Redondo Jiménez, Salafranca Sánchez-Neyra, Varela Suanzes-Carpegna

PSE: Aparicio Sánchez, Baltas, Barón Crespo, Berenguer Fuster, Carnero González, Carrilho, Cercas, Cerdeira Morterero, Ceyhun, Darras, Dehousse, Désir, Díez González, Dührkop Dührkop, Duhamel, Garot, Gebhardt, Gillig, Glante, Goebbels, Görlach, Guy-Quint, Hänsch, Haug, Hume, Izquierdo Collado, Jöns, Junker, Karamanou, Katiforis, Keßler, Kindermann, Koukiadis, Krehl, Kreissl-Dörfler, Kuckelkorn, Lage, Lalumière, Lange, Leinen, Malliori, Mann Erika, Martínez Martínez, Mastorakis, Medina Ortega, Menéndez del Valle, Miguélez Ramos, Miranda de Lage, Müller, Obiols i Germà, Pérez Royo, Piecyk, Poignant, Poos, Rocard, Rothe, Rothley, Sakellariou, Sauquillo Pérez del Arco, Savary, Sornosa Martínez, Souladakis, Stockmann, Terrón i Cusí, Vairinhos, Walter, Zorba

UEN: Andrews, Berlato, Bigliardo, Caullery, Collins, Crowley, Fitzsimons, Hyland, Marchiani, Muscardini, Musumeci, Nobilia, Pasqua, Queiró, Ribeiro e Castro, Thomas-Mauro, Turchi

Onthoudingen: 6

GUE/NGL: Alyssandrakis, Patakis

PPE-DE: Hermange, Schaffner

PSE: Myller, dos Santos

17.   Verslag Maat A5-0197/2004

Amendement 100

Voor: 52

EDD: Andersen, Blokland, Bonde, van Dam, Sandbæk

ELDR: Costa Paolo, Dybkjær

GUE/NGL: Caudron, Eriksson, Krarup, Markov, Meijer, Papayannakis, Scarbonchi, Schmid Herman, Seppänen, Sjöstedt

PPE-DE: Wieland

PSE: Andersson, Bowe, Carraro, Dhaene, Duin, El Khadraoui, Färm, Fava, Gebhardt, Ghilardotti, Hedkvist Petersen, Imbeni, Karlsson, Linkohr, Lund, Napoletano, Paciotti, Pittella, Rapkay, Rothe, Roure, Ruffolo, Sacconi, Sandberg-Fries, Schulz, Theorin, Thorning-Schmidt, Torres Marques, Van Lancker, Vattimo, Zrihen

UEN: Bigliardo, Muscardini, Segni

Tegen: 430

EDD: Abitbol, Bernié, Booth, Coûteaux, Farage, Kuntz, Saint-Josse, Titford

ELDR: Andreasen, André-Léonard, Attwooll, Boogerd-Quaak, Busk, Clegg, Davies, De Clercq, Duff, Flesch, Formentini, Huhne, Lynne, Maaten, Malmström, Manders, Monsonís Domingo, Mulder, Newton Dunn, Nicholson of Winterbourne, Nordmann, Olsson, Paulsen, Pesälä, Pohjamo, Procacci, Rousseaux, Rutelli, Sbarbati, Schmidt, Sterckx, Thors, Väyrynen, Van Hecke, Vermeer, Virrankoski, Wallis, Watson

GUE/NGL: Ainardi, Alavanos, Alyssandrakis, Bakopoulos, Bergaz Conesa, Bertinotti, Bordes, Boudjenah, Brie, Cauquil, Cossutta, Di Lello Finuoli, Fiebiger, Figueiredo, Herzog, Jové Peres, Kaufmann, Korakas, Koulourianos, Krivine, Laguiller, Manisco, Marset Campos, Modrow, Morgantini, Patakis, Puerta, Ribeiro, Schröder Ilka, Vachetta, Vinci

NI: Berthu, Beysen, Garaud, Gollnisch, Gorostiaga Atxalandabaso, Hager, Ilgenfritz, Kronberger, de La Perriere, Martin Hans-Peter, Mennea, Raschhofer, Sichrovsky, Souchet, Varaut

PPE-DE: Almeida Garrett, Arvidsson, Atkins, Averoff, Avilés Perea, Banotti, Bartolozzi, Bastos, Bayona de Perogordo, Berend, Bodrato, Böge, von Boetticher, Bourlanges, Bowis, Bradbourn, Bremmer, Brienza, Brok, Callanan, Camisón Asensio, Cardoso, Cederschiöld, Chichester, Cocilovo, Coelho, Daul, De Mita, Deprez, Descamps, De Veyrac, Dimitrakopoulos, Dover, Doyle, Elles, Evans Jonathan, Fatuzzo, Ferber, Fernández Martín, Ferrer, Fiori, Flemming, Foster, Fourtou, Friedrich, Gahler, García-Orcoyen Tormo, Garriga Polledo, Glase, Goepel, Gomolka, Goodwill, Gouveia, Graça Moura, Grönfeldt Bergman, Grosch, Grossetête, Gutiérrez-Cortines, Hannan, Hansenne, Harbour, Hatzidakis, Heaton-Harris, Hermange, Hernández Mollar, Herranz García, Hieronymi, Jackson, Jarzembowski, Jeggle, Karas, Kastler, Kauppi, Keppelhoff-Wiechert, Khanbhai, Kirkhope, Klamt, Klaß, Knolle, Koch, Konrad, Korhola, Kratsa-Tsagaropoulou, Lamassoure, Langen, Langenhagen, Laschet, Lechner, Lehne, Liese, Lisi, Lulling, Maat, McCartin, McMillan-Scott, Mann Thomas, Marini, Marinos, Marques, Martin Hugues, Mastella, Matikainen-Kallström, Mayer Hans-Peter, Mayer Xaver, Menrad, Mombaur, Montfort, Morillon, Nassauer, Nicholson, Niebler, Nisticò, Ojeda Sanz, Oomen-Ruijten, Oostlander, Oreja Arburúa, Pacheco Pereira, Pack, Parish, Pastorelli, Pérez Álvarez, Perry, Pex, Pirker, Podestà, Poettering, Pomés Ruiz, Posselt, Provan, Purvis, Quisthoudt-Rowohl, Rack, Radwan, Redondo Jiménez, Rovsing, Rübig, Sacrédeus, Salafranca Sánchez-Neyra, Santer, Santini, Schaffner, Schierhuber, Schleicher, Schmitt, Schnellhardt, Schwaiger, Smet, Sommer, Stauner, Stenmarck, Stenzel, Stevenson, Stockton, Sturdy, Sudre, Suominen, Tajani, Tannock, Theato, Thyssen, Trakatellis, Twinn, Van Orden, Varela Suanzes-Carpegna, van Velzen, de Veyrinas, Villiers, Vlasto, Wachtmeister, Wenzel-Perillo, Wijkman, von Wogau, Wuermeling, Zacharakis, Zappalà, Zimmerling, Zissener

PSE: Adam, Aparicio Sánchez, Baltas, Barón Crespo, Berenguer Fuster, van den Berg, Berger, Bösch, van den Burg, Campos, Carnero González, Carrilho, Casaca, Cercas, Cerdeira Morterero, Ceyhun, Corbett, Corbey, Darras, Dehousse, De Keyser, Désir, Díez González, Dührkop Dührkop, Duhamel, Ettl, Evans Robert J.E., Garot, Gill, Gillig, Glante, Goebbels, Görlach, Guy-Quint, Hänsch, Haug, Honeyball, Howitt, Hughes, van Hulten, Hume, Izquierdo Collado, Jöns, Junker, Karamanou, Katiforis, Keßler, Kindermann, Kinnock, Koukiadis, Krehl, Kreissl-Dörfler, Kuckelkorn, Kuhne, Lalumière, Lange, Leinen, McAvan, McCarthy, McNally, Malliori, Mann Erika, Martin David W., Martínez Martínez, Mastorakis, Medina Ortega, Mendiluce Pereiro, Menéndez del Valle, Miguélez Ramos, Miller, Miranda de Lage, Moraes, Morgan, Müller, Murphy, Myller, Obiols i Germà, Paasilinna, Pérez Royo, Piecyk, Poignant, Poos, Prets, Randzio-Plath, Read, Rocard, Roth-Behrendt, Rothley, Sakellariou, Sauquillo Pérez del Arco, Savary, Scheele, Simpson, Skinner, Sornosa Martínez, Souladakis, Stihler, Stockmann, Swiebel, Swoboda, Terrón i Cusí, Tsatsos, Vairinhos, Walter, Watts, Weiler, Whitehead, Wiersma, Wynn, Zorba

UEN: Andrews, Berlato, Caullery, Collins, Crowley, Fitzsimons, Hyland, Marchiani, Musumeci, Nobilia, Pasqua, Queiró, Ribeiro e Castro, Thomas-Mauro, Turchi

Verts/ALE: Aaltonen, Ahern, Auroi, Boumediene-Thiery, Bouwman, Breyer, Buitenweg, Cohn-Bendit, Duthu, Echerer, Evans Jillian, Flautre, Frassoni, Gahrton, Graefe zu Baringdorf, Hudghton, Isler Béguin, Jonckheer, Lagendijk, Lambert, Lannoye, MacCormick, McKenna, Maes, Mayol i Raynal, Nogueira Román, Onesta, Rod, de Roo, Rühle, Schörling, Schroedter, Sörensen, Staes, Wuori, Wyn

Onthoudingen: 17

NI: Cappato, Claeys, Dell'Alba, Della Vedova, Dillen, Dupuis, Gobbo, Pannella, Speroni, Turco

PPE-DE: Andria, Costa Raffaele

PSE: Lage, dos Santos, Schmid Gerhard, Sousa Pinto

Verts/ALE: Lucas

18.   Verslag Maat A5-0197/2004

Amendement 101

Voor: 138

EDD: Andersen, Blokland, Bonde, Booth, Coûteaux, van Dam, Farage, Sandbæk, Titford

ELDR: Costa Paolo, Dybkjær

GUE/NGL: Bordes, Brie, Caudron, Cauquil, Eriksson, Krarup, Laguiller, Markov, Meijer, Morgantini, Papayannakis, Scarbonchi, Schmid Herman, Seppänen, Sjöstedt

NI: Ilgenfritz, Martin Hans-Peter

PPE-DE: Berend, Brok, Kauppi, Klamt, Lulling, Pastorelli, Sacrédeus, Stauner, Theato, Wijkman

PSE: Andersson, van den Berg, Berger, Bösch, Bullmann, van den Burg, Campos, Carraro, Casaca, Corbey, De Keyser, Dhaene, Duin, El Khadraoui, Ettl, Färm, Fava, Gebhardt, Ghilardotti, Glante, Görlach, Haug, Hedkvist Petersen, van Hulten, Imbeni, Jöns, Karlsson, Katiforis, Keßler, Kindermann, Krehl, Kreissl-Dörfler, Kuckelkorn, Lange, Linkohr, Lund, Mann Erika, Martin David W., Müller, Napoletano, Paciotti, Piecyk, Pittella, Prets, Randzio-Plath, Rapkay, Roth-Behrendt, Rothe, Rothley, Roure, Ruffolo, Sacconi, Sandberg-Fries, Scheele, Schmid Gerhard, Schulz, Stockmann, Swiebel, Swoboda, Theorin, Thorning-Schmidt, Torres Marques, Van Lancker, Vattimo, Wiersma, Zrihen

Verts/ALE: Aaltonen, Ahern, Auroi, Boumediene-Thiery, Bouwman, Breyer, Buitenweg, Cohn-Bendit, Duthu, Echerer, Flautre, Frassoni, Gahrton, Graefe zu Baringdorf, Isler Béguin, Jonckheer, Lagendijk, Lambert, Lannoye, Lucas, McKenna, Maes, Mayol i Raynal, Nogueira Román, Onesta, Rod, de Roo, Rühle, Schörling, Schroedter, Sörensen, Staes, Voggenhuber, Wuori

Tegen: 358

EDD: Bernié, Saint-Josse

ELDR: Andreasen, André-Léonard, Attwooll, Boogerd-Quaak, Busk, Clegg, Davies, De Clercq, Duff, Flesch, Formentini, Huhne, Lynne, Maaten, Malmström, Manders, Monsonís Domingo, Mulder, Newton Dunn, Nicholson of Winterbourne, Nordmann, Olsson, Paulsen, Pesälä, Pohjamo, Procacci, Rousseaux, Rutelli, Sbarbati, Schmidt, Sterckx, Thors, Väyrynen, Van Hecke, Vermeer, Virrankoski, Wallis, Watson

GUE/NGL: Ainardi, Alavanos, Alyssandrakis, Bakopoulos, Bergaz Conesa, Bertinotti, Boudjenah, Cossutta, Di Lello Finuoli, Fiebiger, Figueiredo, Fraisse, Herzog, Jové Peres, Kaufmann, Korakas, Koulourianos, Krivine, Manisco, Marset Campos, Modrow, Patakis, Puerta, Ribeiro, Schröder Ilka, Vachetta, Vinci

NI: Berthu, Beysen, Cappato, Dell'Alba, Della Vedova, Dupuis, Garaud, Gollnisch, Gorostiaga Atxalandabaso, Hager, Kronberger, Lang, de La Perriere, Mennea, Pannella, Raschhofer, Sichrovsky, Souchet, Stirbois, Turco, Varaut

PPE-DE: Almeida Garrett, Andria, Arvidsson, Atkins, Averoff, Avilés Perea, Banotti, Bartolozzi, Bastos, Bayona de Perogordo, Bodrato, Böge, von Boetticher, Bourlanges, Bowis, Bradbourn, Bremmer, Brienza, Callanan, Camisón Asensio, Cardoso, Cederschiöld, Chichester, Cocilovo, Coelho, Costa Raffaele, Daul, De Mita, Deprez, Descamps, De Veyrac, Dimitrakopoulos, Dover, Doyle, Elles, Evans Jonathan, Fatuzzo, Ferber, Fernández Martín, Ferrer, Fiori, Flemming, Florenz, Foster, Fourtou, Friedrich, Gahler, García-Orcoyen Tormo, Garriga Polledo, Glase, Goepel, Gomolka, Goodwill, Gouveia, Graça Moura, Grönfeldt Bergman, Grosch, Grossetête, Gutiérrez-Cortines, Hannan, Hansenne, Harbour, Hatzidakis, Heaton-Harris, Hermange, Hernández Mollar, Herranz García, Hieronymi, Jackson, Jarzembowski, Jeggle, Karas, Kastler, Keppelhoff-Wiechert, Khanbhai, Kirkhope, Klaß, Knolle, Koch, Konrad, Korhola, Kratsa-Tsagaropoulou, Lamassoure, Langen, Langenhagen, Laschet, Lechner, Lehne, Liese, Lisi, Maat, McCartin, McMillan-Scott, Mann Thomas, Marini, Marinos, Marques, Martin Hugues, Mastella, Matikainen-Kallström, Mayer Hans-Peter, Mayer Xaver, Menrad, Mombaur, Montfort, Morillon, Nassauer, Nicholson, Niebler, Nisticò, Ojeda Sanz, Oomen-Ruijten, Oostlander, Oreja Arburúa, Pacheco Pereira, Pack, Parish, Pérez Álvarez, Perry, Pex, Pirker, Piscarreta, Podestà, Poettering, Pomés Ruiz, Posselt, Provan, Purvis, Quisthoudt-Rowohl, Rack, Radwan, Redondo Jiménez, Rovsing, Rübig, Salafranca Sánchez-Neyra, Santer, Santini, Schaffner, Schierhuber, Schleicher, Schmitt, Schnellhardt, Schwaiger, Smet, Sommer, Stenmarck, Stenzel, Stevenson, Stockton, Sturdy, Sudre, Suominen, Tajani, Tannock, Thyssen, Trakatellis, Twinn, Van Orden, Varela Suanzes-Carpegna, van Velzen, de Veyrinas, Vlasto, Wachtmeister, Wenzel-Perillo, Wieland, von Wogau, Wuermeling, Zacharakis, Zappalà, Zimmerling, Zissener

PSE: Adam, Aparicio Sánchez, Baltas, Barón Crespo, Berenguer Fuster, Bowe, Carnero González, Carrilho, Cercas, Cerdeira Morterero, Ceyhun, Corbett, Darras, Dehousse, Désir, Díez González, Dührkop Dührkop, Duhamel, Evans Robert J.E., Garot, Gill, Gillig, Goebbels, Guy-Quint, Hänsch, Honeyball, Howitt, Hughes, Hume, Izquierdo Collado, Junker, Karamanou, Kinnock, Koukiadis, Kuhne, Lage, Lalumière, Leinen, McAvan, McCarthy, McNally, Malliori, Martínez Martínez, Mastorakis, Medina Ortega, Menéndez del Valle, Miguélez Ramos, Miller, Miranda de Lage, Moraes, Morgan, Murphy, Myller, Obiols i Germà, Paasilinna, Pérez Royo, Poignant, Poos, Rocard, Sakellariou, Sauquillo Pérez del Arco, Savary, Simpson, Skinner, Sornosa Martínez, Souladakis, Sousa Pinto, Stihler, Terrón i Cusí, Tsatsos, Vairinhos, Walter, Watts, Weiler, Whitehead, Wynn, Zorba

UEN: Andrews, Berlato, Bigliardo, Caullery, Collins, Crowley, Fitzsimons, Hyland, Marchiani, Muscardini, Musumeci, Nobilia, Pasqua, Queiró, Ribeiro e Castro, Segni, Thomas-Mauro, Turchi

Verts/ALE: Evans Jillian, Hudghton, MacCormick, Wyn

Onthoudingen: 4

NI: Gobbo, Speroni

PSE: Mendiluce Pereiro, dos Santos

19.   Verslag Maat A5-0197/2004

Amendement 102

Voor: 139

EDD: Andersen, Bernié, Blokland, Bonde, Booth, van Dam, Farage, Saint-Josse, Sandbæk, Titford

ELDR: Boogerd-Quaak, Costa Paolo

GUE/NGL: Alyssandrakis, Bordes, Brie, Cauquil, Eriksson, Figueiredo, Korakas, Krarup, Laguiller, Markov, Meijer, Morgantini, Papayannakis, Ribeiro, Schmid Herman, Seppänen, Sjöstedt

NI: Berthu, Cappato, Claeys, Dell'Alba, Della Vedova, Dillen, Dupuis, Garaud, Gobbo, Gollnisch, Hager, Ilgenfritz, Kronberger, Lang, de La Perriere, Martin Hans-Peter, Pannella, Raschhofer, Souchet, Speroni, Stirbois, Turco, Varaut

PPE-DE: Fatuzzo, Flemming, Sacrédeus, Stauner, Wijkman

PSE: Andersson, van den Berg, Berger, Bösch, Bullmann, van den Burg, Carraro, Désir, Dhaene, El Khadraoui, Ettl, Färm, Fava, Ghilardotti, Hedkvist Petersen, van Hulten, Imbeni, Karlsson, Lund, McNally, Napoletano, Paciotti, Pittella, Prets, Randzio-Plath, Roth-Behrendt, Rothe, Roure, Ruffolo, Sacconi, Sandberg-Fries, Scheele, Schmid Gerhard, Skinner, Swiebel, Swoboda, Thorning-Schmidt, Torres Marques, Vairinhos, Van Lancker, Vattimo, Watts, Wiersma

UEN: Segni

Verts/ALE: Aaltonen, Ahern, Auroi, Boumediene-Thiery, Bouwman, Breyer, Buitenweg, Cohn-Bendit, Duthu, Echerer, Evans Jillian, Flautre, Frassoni, Gahrton, Graefe zu Baringdorf, Hudghton, Isler Béguin, Jonckheer, Lagendijk, Lambert, Lannoye, Lucas, MacCormick, McKenna, Maes, Mayol i Raynal, Nogueira Román, Onesta, Rod, de Roo, Rühle, Schörling, Schroedter, Sörensen, Staes, Voggenhuber, Wuori, Wyn

Tegen: 357

ELDR: Andreasen, André-Léonard, Attwooll, Busk, Clegg, Davies, De Clercq, Duff, Flesch, Formentini, Huhne, Lynne, Maaten, Malmström, Manders, Monsonís Domingo, Mulder, Newton Dunn, Nicholson of Winterbourne, Nordmann, Olsson, Paulsen, Pesälä, Pohjamo, Procacci, Rousseaux, Rutelli, Sbarbati, Schmidt, Sterckx, Thors, Väyrynen, Van Hecke, Vermeer, Virrankoski, Wallis, Watson

GUE/NGL: Ainardi, Alavanos, Bakopoulos, Bergaz Conesa, Bertinotti, Boudjenah, Caudron, Cossutta, Di Lello Finuoli, Fiebiger, Herzog, Jové Peres, Kaufmann, Koulourianos, Krivine, Manisco, Marset Campos, Modrow, Patakis, Puerta, Scarbonchi, Schröder Ilka, Vachetta, Vinci

NI: Beysen, Gorostiaga Atxalandabaso, Mennea, Sichrovsky

PPE-DE: Almeida Garrett, Andria, Arvidsson, Atkins, Averoff, Avilés Perea, Banotti, Bartolozzi, Bastos, Bayona de Perogordo, Berend, Bodrato, Böge, von Boetticher, Bowis, Bradbourn, Bremmer, Brienza, Brok, Callanan, Camisón Asensio, Cardoso, Cederschiöld, Chichester, Cocilovo, Coelho, Costa Raffaele, Daul, De Mita, Deprez, Descamps, De Veyrac, Dimitrakopoulos, Dover, Doyle, Elles, Evans Jonathan, Ferber, Fernández Martín, Ferrer, Fiori, Foster, Fourtou, Friedrich, Gahler, García-Orcoyen Tormo, Garriga Polledo, Glase, Gomolka, Goodwill, Gouveia, Graça Moura, Grönfeldt Bergman, Grosch, Grossetête, Gutiérrez-Cortines, Hannan, Hansenne, Harbour, Hatzidakis, Heaton-Harris, Hermange, Hernández Mollar, Herranz García, Hieronymi, Jackson, Jarzembowski, Jeggle, Karas, Kastler, Kauppi, Keppelhoff-Wiechert, Khanbhai, Kirkhope, Klamt, Klaß, Knolle, Koch, Konrad, Korhola, Kratsa-Tsagaropoulou, Lamassoure, Langen, Langenhagen, Laschet, Lechner, Lehne, Liese, Lisi, Lulling, Maat, McCartin, McMillan-Scott, Mann Thomas, Marinos, Marques, Martin Hugues, Mastella, Matikainen-Kallström, Mayer Hans-Peter, Mayer Xaver, Menrad, Mombaur, Montfort, Morillon, Nassauer, Nicholson, Niebler, Nisticò, Ojeda Sanz, Oomen-Ruijten, Oostlander, Oreja Arburúa, Pacheco Pereira, Pack, Parish, Pastorelli, Pérez Álvarez, Perry, Pex, Pirker, Piscarreta, Podestà, Poettering, Pomés Ruiz, Posselt, Provan, Purvis, Quisthoudt-Rowohl, Rack, Radwan, Redondo Jiménez, Rovsing, Rübig, Salafranca Sánchez-Neyra, Santer, Santini, Schaffner, Schierhuber, Schleicher, Schmitt, Schnellhardt, Schwaiger, Smet, Sommer, Stenmarck, Stenzel, Stevenson, Stockton, Sturdy, Sudre, Suominen, Tajani, Tannock, Theato, Thyssen, Trakatellis, Twinn, Van Orden, Varela Suanzes-Carpegna, van Velzen, de Veyrinas, Villiers, Vlasto, Wachtmeister, Wenzel-Perillo, Wieland, von Wogau, Wuermeling, Zacharakis, Zappalà, Zimmerling, Zissener

PSE: Adam, Aparicio Sánchez, Baltas, Barón Crespo, Berenguer Fuster, Bowe, Campos, Carnero González, Carrilho, Casaca, Cercas, Cerdeira Morterero, Ceyhun, Corbett, Corbey, Darras, Dehousse, De Keyser, Díez González, Dührkop Dührkop, Duhamel, Duin, Garot, Gebhardt, Gill, Gillig, Glante, Goebbels, Görlach, Guy-Quint, Hänsch, Haug, Honeyball, Howitt, Hughes, Hume, Izquierdo Collado, Jöns, Junker, Karamanou, Katiforis, Keßler, Kindermann, Kinnock, Koukiadis, Krehl, Kreissl-Dörfler, Kuckelkorn, Kuhne, Lage, Lalumière, Lange, Leinen, Linkohr, McAvan, McCarthy, Malliori, Mann Erika, Martin David W., Martínez Martínez, Mastorakis, Medina Ortega, Mendiluce Pereiro, Menéndez del Valle, Miguélez Ramos, Miller, Miranda de Lage, Moraes, Morgan, Müller, Murphy, Myller, Obiols i Germà, Paasilinna, Pérez Royo, Piecyk, Poignant, Poos, Rapkay, Read, Rocard, Rothley, Sakellariou, dos Santos, Sauquillo Pérez del Arco, Savary, Schulz, Simpson, Sornosa Martínez, Souladakis, Sousa Pinto, Stihler, Stockmann, Terrón i Cusí, Theorin, Tsatsos, Walter, Weiler, Whitehead, Wynn, Zorba, Zrihen

UEN: Andrews, Berlato, Bigliardo, Caullery, Collins, Crowley, Fitzsimons, Hyland, Marchiani, Muscardini, Musumeci, Nobilia, Pasqua, Queiró, Ribeiro e Castro, Thomas-Mauro, Turchi

Onthoudingen: 4

PPE-DE: Florenz, Goepel, Marini

PSE: Evans Robert J.E.

20.   Verslag Maat A5-0197/2004

Amendement 112

Voor: 404

EDD: Abitbol, Andersen, Blokland, Bonde, Booth, Coûteaux, van Dam, Farage, Kuntz, Sandbæk, Titford

ELDR: Andreasen, André-Léonard, Attwooll, Boogerd-Quaak, Busk, Clegg, Costa Paolo, Davies, De Clercq, Duff, Dybkjær, Flesch, Formentini, Huhne, Lynne, Maaten, Malmström, Manders, Monsonís Domingo, Mulder, Newton Dunn, Nicholson of Winterbourne, Nordmann, Olsson, Paulsen, Pesälä, Pohjamo, Procacci, Rousseaux, Rutelli, Sbarbati, Schmidt, Sterckx, Thors, Väyrynen, Van Hecke, Vermeer, Virrankoski, Wallis, Watson

GUE/NGL: Ainardi, Alavanos, Alyssandrakis, Bakopoulos, Bergaz Conesa, Bertinotti, Bordes, Boudjenah, Brie, Caudron, Cauquil, Cossutta, Di Lello Finuoli, Eriksson, Fiebiger, Figueiredo, Fraisse, Herzog, Jové Peres, Kaufmann, Korakas, Koulourianos, Krarup, Krivine, Laguiller, Manisco, Markov, Marset Campos, Meijer, Modrow, Morgantini, Papayannakis, Patakis, Ribeiro, Scarbonchi, Schmid Herman, Schröder Ilka, Seppänen, Sjöstedt, Vachetta, Vinci

NI: Berthu, Beysen, Cappato, Claeys, Dell'Alba, Della Vedova, Dillen, Dupuis, Garaud, Gollnisch, Gorostiaga Atxalandabaso, Hager, Ilgenfritz, Kronberger, Lang, de La Perriere, Martin Hans-Peter, Mennea, Pannella, Raschhofer, Sichrovsky, Stirbois, Turco

PPE-DE: Almeida Garrett, Andria, Arvidsson, Atkins, Averoff, Banotti, Bartolozzi, Berend, Bodrato, Böge, von Boetticher, Bowis, Bradbourn, Bremmer, Brienza, Brok, Callanan, Cederschiöld, Chichester, Costa Raffaele, Daul, De Mita, Descamps, De Veyrac, Dover, Doyle, Elles, Evans Jonathan, Fatuzzo, Ferber, Fiori, Flemming, Foster, Fourtou, Friedrich, Gahler, Glase, Goepel, Gomolka, Goodwill, Gouveia, Graça Moura, Grönfeldt Bergman, Grosch, Grossetête, Hannan, Harbour, Hatzidakis, Heaton-Harris, Hermange, Hernández Mollar, Hieronymi, Jackson, Jarzembowski, Jeggle, Karas, Kastler, Kauppi, Keppelhoff-Wiechert, Khanbhai, Kirkhope, Klamt, Klaß, Knolle, Koch, Konrad, Korhola, Kratsa-Tsagaropoulou, Lamassoure, Langen, Langenhagen, Laschet, Lehne, Liese, Lisi, Lulling, Maat, McCartin, McMillan-Scott, Mann Thomas, Marini, Marinos, Marques, Martin Hugues, Mastella, Matikainen-Kallström, Mayer Hans-Peter, Mayer Xaver, Menrad, Mombaur, Montfort, Morillon, Nassauer, Nicholson, Niebler, Nisticò, Oomen-Ruijten, Oostlander, Pacheco Pereira, Pack, Parish, Pastorelli, Perry, Pex, Pirker, Piscarreta, Podestà, Poettering, Pomés Ruiz, Posselt, Provan, Purvis, Quisthoudt-Rowohl, Rack, Radwan, Rovsing, Rübig, Sacrédeus, Santer, Santini, Schaffner, Schierhuber, Schleicher, Schmitt, Schnellhardt, Schwaiger, Smet, Sommer, Stauner, Stenmarck, Stenzel, Stevenson, Stockton, Sturdy, Sudre, Suominen, Tajani, Tannock, Theato, Thyssen, Trakatellis, Twinn, Van Orden, Varela Suanzes-Carpegna, van Velzen, de Veyrinas, Villiers, Vlasto, Wachtmeister, Wenzel-Perillo, Wieland, Wijkman, von Wogau, Wuermeling, Zacharakis, Zappalà, Zimmerling, Zissener

PSE: Adam, Andersson, van den Berg, Berger, Bösch, Bowe, Bullmann, van den Burg, Campos, Carraro, Carrilho, Corbett, Corbey, De Keyser, Dhaene, El Khadraoui, Ettl, Evans Robert J.E., Färm, Fava, Ghilardotti, Gill, Hedkvist Petersen, Honeyball, Howitt, Hughes, Hume, Imbeni, Karlsson, Kinnock, Kreissl-Dörfler, Linkohr, Lund, McAvan, McCarthy, McNally, Martin David W., Mendiluce Pereiro, Miller, Moraes, Morgan, Murphy, Napoletano, Paasilinna, Paciotti, Pittella, Prets, Randzio-Plath, Read, Roth-Behrendt, Rothe, Roure, Ruffolo, Sacconi, Sandberg-Fries, Scheele, Schmid Gerhard, Schulz, Simpson, Skinner, Stihler, Swiebel, Swoboda, Theorin, Thorning-Schmidt, Torres Marques, Vairinhos, Van Lancker, Vattimo, Watts, Weiler, Whitehead, Wiersma, Wynn, Zrihen

UEN: Andrews, Berlato, Bigliardo, Caullery, Collins, Crowley, Fitzsimons, Hyland, Marchiani, Muscardini, Musumeci, Nobilia, Pasqua, Queiró, Ribeiro e Castro, Segni, Thomas-Mauro, Turchi

Verts/ALE: Aaltonen, Ahern, Auroi, Boumediene-Thiery, Bouwman, Breyer, Buitenweg, Cohn-Bendit, Duthu, Echerer, Evans Jillian, Flautre, Frassoni, Gahrton, Graefe zu Baringdorf, Hudghton, Isler Béguin, Jonckheer, Lagendijk, Lambert, Lannoye, Lucas, MacCormick, McKenna, Maes, Mayol i Raynal, Nogueira Román, Onesta, Rod, de Roo, Rühle, Schörling, Schroedter, Sörensen, Staes, Voggenhuber, Wuori, Wyn

Tegen: 98

EDD: Bernié, Saint-Josse

NI: Gobbo, Souchet, Speroni, Varaut

PPE-DE: Avilés Perea, Bastos, Bayona de Perogordo, Bourlanges, Camisón Asensio, Cardoso, Cocilovo, Coelho, Deprez, Dimitrakopoulos, Fernández Martín, Ferrer, García-Orcoyen Tormo, Garriga Polledo, Gutiérrez-Cortines, Hansenne, Herranz García, Ojeda Sanz, Oreja Arburúa, Pérez Álvarez, Redondo Jiménez, Salafranca Sánchez-Neyra

PSE: Aparicio Sánchez, Baltas, Barón Crespo, Berenguer Fuster, Carnero González, Casaca, Cercas, Cerdeira Morterero, Ceyhun, Darras, Dehousse, Désir, Díez González, Dührkop Dührkop, Duhamel, Duin, Garot, Gebhardt, Gillig, Glante, Goebbels, Görlach, Guy-Quint, Hänsch, Haug, van Hulten, Izquierdo Collado, Jöns, Junker, Karamanou, Katiforis, Keßler, Kindermann, Koukiadis, Krehl, Kuckelkorn, Kuhne, Lage, Lalumière, Lange, Leinen, Malliori, Mann Erika, Martínez Martínez, Mastorakis, Medina Ortega, Menéndez del Valle, Miguélez Ramos, Miranda de Lage, Müller, Obiols i Germà, Pérez Royo, Piecyk, Poignant, Poos, Rapkay, Rocard, Rothley, Sakellariou, dos Santos, Sauquillo Pérez del Arco, Savary, Sornosa Martínez, Souladakis, Sousa Pinto, Stockmann, Terrón i Cusí, Tsatsos, Walter, Zorba

Onthoudingen: 1

GUE/NGL: Puerta

21.   Verslag Maat A5-0197/2004

Amendement 123/rev.

Voor: 237

EDD: Abitbol, Andersen, Bernié, Blokland, Bonde, Booth, Coûteaux, van Dam, Farage, Saint-Josse, Sandbæk, Titford

ELDR: Andreasen, André-Léonard, Attwooll, Boogerd-Quaak, Busk, Clegg, Costa Paolo, Davies, De Clercq, Duff, Dybkjær, Flesch, Formentini, Huhne, Lynne, Malmström, Monsonís Domingo, Newton Dunn, Nicholson of Winterbourne, Nordmann, Olsson, Paulsen, Procacci, Rousseaux, Rutelli, Sbarbati, Schmidt, Sterckx, Väyrynen, Van Hecke, Wallis, Watson

GUE/NGL: Bordes, Brie, Caudron, Cauquil, Eriksson, Krarup, Krivine, Laguiller, Markov, Meijer, Morgantini, Papayannakis, Scarbonchi, Schmid Herman, Seppänen, Sjöstedt

NI: Cappato, Dell'Alba, Della Vedova, Dupuis, Gobbo, Gollnisch, Hager, Ilgenfritz, Kronberger, Martin Hans-Peter, Pannella, Raschhofer, Speroni, Stirbois, Turco

PPE-DE: Andria, Atkins, Banotti, Bowis, Bradbourn, Callanan, Chichester, Cocilovo, Costa Raffaele, Deprez, Dover, Elles, Evans Jonathan, Fatuzzo, Flemming, Florenz, Foster, Goodwill, Hannan, Harbour, Heaton-Harris, Jackson, Kastler, Khanbhai, Kirkhope, Lehne, Liese, McMillan-Scott, Marini, Nicholson, Parish, Perry, Pomés Ruiz, Provan, Purvis, Sacrédeus, Stauner, Stenzel, Stevenson, Stockton, Sturdy, Tannock, Twinn, Van Orden, Villiers, Wenzel-Perillo, Wijkman

PSE: Adam, Andersson, van den Berg, Berger, Bösch, Bowe, Bullmann, van den Burg, Carraro, Casaca, Corbett, Corbey, Dehousse, De Keyser, Dhaene, Duin, El Khadraoui, Ettl, Evans Robert J.E., Färm, Fava, Gebhardt, Ghilardotti, Gill, Hedkvist Petersen, Honeyball, Howitt, Hughes, van Hulten, Imbeni, Karlsson, Kinnock, Lange, Linkohr, Lund, McAvan, McCarthy, McNally, Martin David W., Mendiluce Pereiro, Miller, Moraes, Morgan, Murphy, Napoletano, Paciotti, Pittella, Randzio-Plath, Read, Roth-Behrendt, Rothe, Roure, Ruffolo, Sacconi, Sandberg-Fries, Scheele, Schmid Gerhard, Schulz, Simpson, Skinner, Sousa Pinto, Stihler, Swiebel, Swoboda, Theorin, Thorning-Schmidt, Torres Marques, Van Lancker, Vattimo, Watts, Weiler, Whitehead, Wiersma, Wynn, Zrihen

UEN: Andrews, Bigliardo, Muscardini, Segni

Verts/ALE: Aaltonen, Ahern, Auroi, Boumediene-Thiery, Bouwman, Breyer, Buitenweg, Cohn-Bendit, Duthu, Echerer, Evans Jillian, Flautre, Frassoni, Gahrton, Graefe zu Baringdorf, Isler Béguin, Jonckheer, Lagendijk, Lambert, Lannoye, Lucas, McKenna, Maes, Mayol i Raynal, Nogueira Román, Onesta, Rod, de Roo, Rühle, Schörling, Schroedter, Sörensen, Staes, Voggenhuber, Wuori, Wyn

Tegen: 258

EDD: Kuntz

ELDR: Maaten, Manders, Mulder, Pesälä, Pohjamo, Thors, Vermeer, Virrankoski

GUE/NGL: Ainardi, Alavanos, Alyssandrakis, Bakopoulos, Bergaz Conesa, Bertinotti, Boudjenah, Cossutta, Di Lello Finuoli, Fiebiger, Figueiredo, Fraisse, Herzog, Jové Peres, Kaufmann, Korakas, Koulourianos, Manisco, Marset Campos, Modrow, Patakis, Puerta, Ribeiro, Schröder Ilka, Vachetta, Vinci

NI: Berthu, Beysen, Claeys, Dillen, de La Perriere, Mennea, Sichrovsky, Souchet, Varaut

PPE-DE: Almeida Garrett, Arvidsson, Averoff, Avilés Perea, Bartolozzi, Bastos, Bayona de Perogordo, Berend, Bodrato, Böge, von Boetticher, Bourlanges, Bremmer, Brienza, Brok, Camisón Asensio, Cardoso, Cederschiöld, Coelho, Daul, De Mita, Descamps, De Veyrac, Dimitrakopoulos, Doyle, Ferber, Fernández Martín, Ferrer, Fiori, Fourtou, Friedrich, Gahler, García-Orcoyen Tormo, Garriga Polledo, Glase, Gomolka, Gouveia, Graça Moura, Grönfeldt Bergman, Grosch, Grossetête, Gutiérrez-Cortines, Hansenne, Hatzidakis, Hermange, Hernández Mollar, Herranz García, Hieronymi, Jarzembowski, Jeggle, Karas, Kauppi, Keppelhoff-Wiechert, Klamt, Klaß, Knolle, Koch, Konrad, Korhola, Kratsa-Tsagaropoulou, Lamassoure, Langen, Langenhagen, Laschet, Lisi, Lulling, Maat, McCartin, Mann Thomas, Marinos, Marques, Martin Hugues, Mastella, Matikainen-Kallström, Mayer Hans-Peter, Mayer Xaver, Menrad, Mombaur, Montfort, Morillon, Nassauer, Niebler, Nisticò, Ojeda Sanz, Oomen-Ruijten, Oostlander, Oreja Arburúa, Pacheco Pereira, Pack, Pastorelli, Pérez Álvarez, Pex, Piscarreta, Podestà, Poettering, Posselt, Quisthoudt-Rowohl, Rack, Radwan, Redondo Jiménez, Rovsing, Rübig, Salafranca Sánchez-Neyra, Santer, Schaffner, Schierhuber, Schleicher, Schmitt, Schnellhardt, Schwaiger, Smet, Sommer, Stenmarck, Sudre, Suominen, Tajani, Theato, Thyssen, Trakatellis, Varela Suanzes-Carpegna, van Velzen, de Veyrinas, Vlasto, Wachtmeister, Wieland, von Wogau, Wuermeling, Zacharakis, Zappalà, Zimmerling, Zissener

PSE: Aparicio Sánchez, Baltas, Barón Crespo, Berenguer Fuster, Campos, Carnero González, Carrilho, Cercas, Cerdeira Morterero, Ceyhun, Darras, Désir, Díez González, Dührkop Dührkop, Duhamel, Garot, Gillig, Glante, Goebbels, Görlach, Guy-Quint, Hänsch, Haug, Hume, Izquierdo Collado, Jöns, Junker, Karamanou, Katiforis, Keßler, Kindermann, Koukiadis, Krehl, Kreissl-Dörfler, Kuckelkorn, Lalumière, Leinen, Malliori, Mann Erika, Martínez Martínez, Mastorakis, Medina Ortega, Menéndez del Valle, Miguélez Ramos, Miranda de Lage, Müller, Myller, Obiols i Germà, Paasilinna, Pérez Royo, Piecyk, Poignant, Poos, Prets, Rocard, Rothley, Sakellariou, Sauquillo Pérez del Arco, Savary, Sornosa Martínez, Souladakis, Stockmann, Terrón i Cusí, Tsatsos, Vairinhos, Walter, Zorba

UEN: Berlato, Caullery, Collins, Crowley, Fitzsimons, Hyland, Marchiani, Musumeci, Nobilia, Pasqua, Queiró, Ribeiro e Castro, Thomas-Mauro, Turchi

Verts/ALE: Hudghton, MacCormick

Onthoudingen: 5

NI: Garaud, Gorostiaga Atxalandabaso

PPE-DE: Goepel

PSE: Lage, dos Santos

22.   Verslag Maat A5-0197/2004

Amendement 111

Voor: 227

EDD: Bernié, Booth, Farage, Kuntz, Saint-Josse, Titford

ELDR: Maaten, Manders, Mulder, Thors, Vermeer

NI: Berthu, Beysen, Claeys, Garaud, Gollnisch, Hager, Lang, de La Perriere, Mennea, Sichrovsky, Souchet, Stirbois, Varaut

PPE-DE: Almeida Garrett, Arvidsson, Atkins, Averoff, Banotti, Bartolozzi, Berend, Bodrato, Böge, von Boetticher, Bourlanges, Bowis, Bradbourn, Brienza, Brok, Callanan, Cederschiöld, Chichester, Cocilovo, De Mita, Deprez, Descamps, De Veyrac, Dover, Doyle, Elles, Evans Jonathan, Fatuzzo, Ferber, Fiori, Flemming, Florenz, Foster, Fourtou, Friedrich, Gahler, Glase, Goepel, Gomolka, Goodwill, Gouveia, Graça Moura, Grönfeldt Bergman, Grosch, Grossetête, Hannan, Hansenne, Harbour, Hatzidakis, Heaton-Harris, Hermange, Hernández Mollar, Hieronymi, Jackson, Jarzembowski, Jeggle, Karas, Kastler, Kauppi, Keppelhoff-Wiechert, Khanbhai, Kirkhope, Klamt, Klaß, Knolle, Koch, Konrad, Korhola, Kratsa-Tsagaropoulou, Lamassoure, Langen, Langenhagen, Laschet, Lehne, Liese, Lisi, Lulling, Maat, McCartin, McMillan-Scott, Mann Thomas, Marinos, Marques, Martin Hugues, Mastella, Matikainen-Kallström, Mayer Hans-Peter, Mayer Xaver, Menrad, Mombaur, Montfort, Morillon, Nassauer, Nicholson, Niebler, Nisticò, Oomen-Ruijten, Oostlander, Pacheco Pereira, Pack, Parish, Pastorelli, Perry, Pex, Pirker, Piscarreta, Podestà, Poettering, Posselt, Provan, Purvis, Quisthoudt-Rowohl, Rack, Radwan, Rovsing, Rübig, Sacrédeus, Santer, Schaffner, Schierhuber, Schleicher, Schmitt, Schnellhardt, Schwaiger, Smet, Sommer, Stauner, Stenmarck, Stenzel, Stevenson, Stockton, Sturdy, Sudre, Suominen, Tajani, Tannock, Theato, Thyssen, Trakatellis, Twinn, Van Orden, Varela Suanzes-Carpegna, van Velzen, de Veyrinas, Villiers, Vlasto, Wachtmeister, Wenzel-Perillo, Wieland, Wijkman, von Wogau, Wuermeling, Zacharakis, Zappalà, Zimmerling, Zissener

PSE: Adam, Bowe, Corbey, Färm, Gill, Hedkvist Petersen, Honeyball, Howitt, Hughes, Karlsson, Kinnock, Kreissl-Dörfler, McAvan, McCarthy, Miller, Moraes, Morgan, Murphy, Read, Sandberg-Fries, Simpson, Skinner, Stihler, Theorin, Watts, Weiler, Whitehead, Wynn

UEN: Andrews, Berlato, Caullery, Collins, Crowley, Fitzsimons, Hyland, Marchiani, Musumeci, Nobilia, Pasqua, Queiró, Ribeiro e Castro, Segni, Thomas-Mauro, Turchi

Verts/ALE: Ahern, Hudghton, MacCormick

Tegen: 260

EDD: Abitbol, Andersen, Blokland, Bonde, Coûteaux, van Dam, Sandbæk

ELDR: Andreasen, André-Léonard, Attwooll, Boogerd-Quaak, Busk, Clegg, Costa Paolo, Davies, De Clercq, Duff, Flesch, Formentini, Huhne, Lynne, Malmström, Monsonís Domingo, Newton Dunn, Nicholson of Winterbourne, Nordmann, Olsson, Paulsen, Pesälä, Pohjamo, Procacci, Rousseaux, Rutelli, Sbarbati, Schmidt, Sterckx, Väyrynen, Van Hecke, Virrankoski, Wallis, Watson

GUE/NGL: Ainardi, Alavanos, Alyssandrakis, Bakopoulos, Bergaz Conesa, Bertinotti, Bordes, Boudjenah, Brie, Caudron, Cauquil, Cossutta, Di Lello Finuoli, Eriksson, Fiebiger, Fraisse, Herzog, Jové Peres, Kaufmann, Korakas, Koulourianos, Krarup, Krivine, Laguiller, Manisco, Markov, Marset Campos, Meijer, Modrow, Morgantini, Papayannakis, Patakis, Puerta, Scarbonchi, Schmid Herman, Schröder Ilka, Seppänen, Sjöstedt, Vachetta, Vinci

NI: Cappato, Dell'Alba, Della Vedova, Dupuis, Gorostiaga Atxalandabaso, Ilgenfritz, Martin Hans-Peter, Pannella, Raschhofer

PPE-DE: Andria, Avilés Perea, Bastos, Bayona de Perogordo, Camisón Asensio, Cardoso, Coelho, Costa Raffaele, Dimitrakopoulos, Fernández Martín, Ferrer, García-Orcoyen Tormo, Garriga Polledo, Gutiérrez-Cortines, Herranz García, Marini, Ojeda Sanz, Oreja Arburúa, Pérez Álvarez, Redondo Jiménez, Salafranca Sánchez-Neyra, Santini

PSE: Andersson, Aparicio Sánchez, Baltas, Barón Crespo, Berenguer Fuster, van den Berg, Berger, Bösch, Bullmann, van den Burg, Campos, Carnero González, Carraro, Carrilho, Casaca, Cercas, Cerdeira Morterero, Ceyhun, Corbett, Darras, Dehousse, De Keyser, Désir, Dhaene, Díez González, Dührkop Dührkop, Duhamel, Duin, El Khadraoui, Ettl, Evans Robert J.E., Fava, Garot, Gebhardt, Ghilardotti, Gillig, Glante, Goebbels, Görlach, Guy-Quint, Hänsch, Haug, van Hulten, Hume, Imbeni, Izquierdo Collado, Jöns, Junker, Karamanou, Katiforis, Keßler, Kindermann, Koukiadis, Krehl, Kuckelkorn, Lalumière, Lange, Leinen, Linkohr, Lund, McNally, Malliori, Mann Erika, Martin David W., Martínez Martínez, Mastorakis, Medina Ortega, Mendiluce Pereiro, Menéndez del Valle, Miguélez Ramos, Miranda de Lage, Müller, Myller, Napoletano, Obiols i Germà, Paasilinna, Paciotti, Pérez Royo, Piecyk, Pittella, Poignant, Poos, Prets, Randzio-Plath, Rapkay, Rocard, Roth-Behrendt, Rothe, Rothley, Roure, Ruffolo, Sacconi, Sakellariou, Sauquillo Pérez del Arco, Savary, Scheele, Schmid Gerhard, Sornosa Martínez, Souladakis, Stockmann, Swiebel, Swoboda, Terrón i Cusí, Thorning-Schmidt, Torres Marques, Vairinhos, Van Lancker, Vattimo, Walter, Wiersma, Zorba, Zrihen

UEN: Bigliardo, Muscardini

Verts/ALE: Aaltonen, Auroi, Bouwman, Breyer, Buitenweg, Cohn-Bendit, Duthu, Echerer, Evans Jillian, Flautre, Frassoni, Gahrton, Graefe zu Baringdorf, Isler Béguin, Jonckheer, Lagendijk, Lambert, Lannoye, Lucas, McKenna, Maes, Mayol i Raynal, Nogueira Román, Onesta, Rod, de Roo, Rühle, Schörling, Schroedter, Sörensen, Staes, Voggenhuber, Wuori, Wyn

Onthoudingen: 7

NI: Gobbo, Kronberger, Speroni

PPE-DE: Daul

PSE: Lage, dos Santos, Sousa Pinto

23.   Verslag Maat A5-0197/2004

Amendement 99/rev.

Voor: 204

EDD: Andersen, Blokland, Bonde, Booth, Coûteaux, van Dam, Farage, Kuntz, Sandbæk, Titford

ELDR: Attwooll, Boogerd-Quaak, Clegg, Costa Paolo, Davies, Duff, Huhne, Lynne, Newton Dunn, Watson

GUE/NGL: Bordes, Brie, Caudron, Cauquil, Eriksson, Krarup, Krivine, Laguiller, Markov, Meijer, Morgantini, Papayannakis, Schmid Herman, Seppänen, Sjöstedt

NI: Berthu, Cappato, Claeys, Dell'Alba, Della Vedova, Dillen, Dupuis, Garaud, Gobbo, Gollnisch, Lang, de La Perriere, Martin Hans-Peter, Pannella, Speroni, Stirbois, Turco, Varaut

PPE-DE: Atkins, Bowis, Bradbourn, Callanan, Chichester, Dover, Doyle, Elles, Evans Jonathan, Foster, Goodwill, Hannan, Harbour, Heaton-Harris, Jackson, Kastler, Khanbhai, Kirkhope, McCartin, McMillan-Scott, Nicholson, Parish, Perry, Provan, Purvis, Sacrédeus, Stevenson, Stockton, Sturdy, Tannock, Twinn, Van Orden, Villiers, Wijkman

PSE: Adam, Andersson, Bösch, Bowe, Carraro, Casaca, Corbett, Corbey, De Keyser, Dhaene, Duin, El Khadraoui, Ettl, Evans Robert J.E., Färm, Fava, Gebhardt, Ghilardotti, Gill, Hedkvist Petersen, Honeyball, Howitt, Hughes, Hume, Imbeni, Karlsson, Kinnock, Lange, Linkohr, Lund, McAvan, McCarthy, McNally, Mann Erika, Martin David W., Miller, Moraes, Morgan, Myller, Napoletano, Paasilinna, Paciotti, Pittella, Read, Roure, Ruffolo, Sacconi, Sandberg-Fries, Scheele, Simpson, Skinner, Stihler, Theorin, Thorning-Schmidt, Tsatsos, Van Lancker, Vattimo, Watts, Weiler, Whitehead, Wynn, Zrihen

UEN: Andrews, Bigliardo, Caullery, Collins, Crowley, Fitzsimons, Hyland, Marchiani, Muscardini, Musumeci, Nobilia, Pasqua, Queiró, Ribeiro e Castro, Segni, Thomas-Mauro, Turchi

Verts/ALE: Aaltonen, Ahern, Auroi, Boumediene-Thiery, Bouwman, Breyer, Buitenweg, Cohn-Bendit, Duthu, Echerer, Evans Jillian, Flautre, Frassoni, Gahrton, Graefe zu Baringdorf, Hudghton, Isler Béguin, Jonckheer, Lagendijk, Lambert, Lannoye, Lucas, MacCormick, McKenna, Maes, Mayol i Raynal, Nogueira Román, Onesta, Rod, de Roo, Rühle, Schörling, Schroedter, Sörensen, Staes, Voggenhuber, Wuori, Wyn

Tegen: 290

EDD: Abitbol, Bernié, Saint-Josse

ELDR: Andreasen, André-Léonard, Busk, De Clercq, Flesch, Formentini, Maaten, Malmström, Manders, Monsonís Domingo, Mulder, Nicholson of Winterbourne, Nordmann, Olsson, Paulsen, Pesälä, Pohjamo, Procacci, Rousseaux, Rutelli, Sbarbati, Schmidt, Sterckx, Väyrynen, Van Hecke, Vermeer, Virrankoski, Wallis

GUE/NGL: Ainardi, Alavanos, Alyssandrakis, Bakopoulos, Bergaz Conesa, Bertinotti, Boudjenah, Cossutta, Di Lello Finuoli, Fiebiger, Figueiredo, Fraisse, Herzog, Jové Peres, Kaufmann, Korakas, Koulourianos, Manisco, Marset Campos, Modrow, Patakis, Puerta, Ribeiro, Scarbonchi, Schröder Ilka, Vachetta, Vinci

NI: Beysen, Hager, Ilgenfritz, Kronberger, Mennea, Raschhofer, Sichrovsky, Souchet

PPE-DE: Almeida Garrett, Andria, Arvidsson, Averoff, Avilés Perea, Banotti, Bartolozzi, Bastos, Bayona de Perogordo, Berend, Bodrato, Böge, von Boetticher, Bourlanges, Bremmer, Brienza, Brok, Camisón Asensio, Cardoso, Cederschiöld, Cocilovo, Coelho, Costa Raffaele, Daul, De Mita, Deprez, Descamps, De Veyrac, Dimitrakopoulos, Fatuzzo, Ferber, Fernández Martín, Ferrer, Fiori, Flemming, Florenz, Fourtou, Friedrich, Gahler, García-Orcoyen Tormo, Garriga Polledo, Glase, Goepel, Gomolka, Gouveia, Graça Moura, Grönfeldt Bergman, Grosch, Grossetête, Gutiérrez-Cortines, Hansenne, Hatzidakis, Hermange, Hernández Mollar, Herranz García, Hieronymi, Jarzembowski, Jeggle, Kaldi, Karas, Kauppi, Keppelhoff-Wiechert, Klamt, Klaß, Knolle, Koch, Konrad, Korhola, Kratsa-Tsagaropoulou, Lamassoure, Langen, Langenhagen, Laschet, Lehne, Liese, Lisi, Lulling, Maat, Mann Thomas, Marinos, Marques, Martin Hugues, Mastella, Matikainen-Kallström, Mayer Hans-Peter, Mayer Xaver, Menrad, Mombaur, Montfort, Morillon, Nassauer, Niebler, Nisticò, Ojeda Sanz, Oomen-Ruijten, Oostlander, Oreja Arburúa, Pacheco Pereira, Pack, Pastorelli, Pérez Álvarez, Pex, Pirker, Piscarreta, Podestà, Poettering, Pomés Ruiz, Posselt, Quisthoudt-Rowohl, Rack, Radwan, Redondo Jiménez, Rovsing, Rübig, Salafranca Sánchez-Neyra, Santer, Santini, Schaffner, Schierhuber, Schleicher, Schmitt, Schnellhardt, Smet, Sommer, Stauner, Stenmarck, Stenzel, Sudre, Suominen, Tajani, Theato, Thyssen, Trakatellis, Varela Suanzes-Carpegna, van Velzen, de Veyrinas, Vlasto, Wachtmeister, Wenzel-Perillo, Wieland, von Wogau, Wuermeling, Zacharakis, Zappalà, Zimmerling, Zissener

PSE: Aparicio Sánchez, Baltas, Barón Crespo, Berenguer Fuster, van den Berg, Berger, van den Burg, Campos, Carnero González, Carrilho, Cercas, Cerdeira Morterero, Ceyhun, Darras, Désir, Díez González, Dührkop Dührkop, Duhamel, Garot, Gillig, Glante, Goebbels, Görlach, Guy-Quint, Hänsch, Haug, van Hulten, Izquierdo Collado, Jöns, Junker, Karamanou, Katiforis, Keßler, Kindermann, Koukiadis, Krehl, Kreissl-Dörfler, Kuckelkorn, Lalumière, Leinen, Malliori, Martínez Martínez, Mastorakis, Medina Ortega, Mendiluce Pereiro, Menéndez del Valle, Miguélez Ramos, Miranda de Lage, Müller, Obiols i Germà, Pérez Royo, Piecyk, Poignant, Poos, Prets, Randzio-Plath, Rapkay, Rocard, Roth-Behrendt, Rothe, Rothley, Sakellariou, Sauquillo Pérez del Arco, Savary, Schmid Gerhard, Schulz, Sornosa Martínez, Souladakis, Stockmann, Swiebel, Swoboda, Terrón i Cusí, Torres Marques, Vairinhos, Walter, Wiersma, Zorba

UEN: Berlato

Onthoudingen: 9

ELDR: Dybkjær, Thors

NI: Gorostiaga Atxalandabaso

PPE-DE: Marini

PSE: Dehousse, Lage, Murphy, dos Santos, Sousa Pinto

24.   Verslag Maat A5-0197/2004

Amendement 105 d)

Voor: 127

EDD: Abitbol, Booth, Coûteaux, Farage, Kuntz, Titford

ELDR: Andreasen, André-Léonard, Attwooll, Boogerd-Quaak, Busk, Clegg, Costa Paolo, Davies, De Clercq, Duff, Flesch, Formentini, Huhne, Lynne, Malmström, Manders, Monsonís Domingo, Newton Dunn, Nicholson of Winterbourne, Nordmann, Olsson, Paulsen, Procacci, Rousseaux, Rutelli, Sbarbati, Schmidt, Sterckx, Thors, Van Hecke, Wallis, Watson

GUE/NGL: Bakopoulos, Bordes, Caudron, Cauquil, Laguiller, Papayannakis, Scarbonchi

NI: Cappato, Dell'Alba, Della Vedova, Dupuis, Hager, Ilgenfritz, Pannella, Turco

PPE-DE: Andria, Banotti, Costa Raffaele, Fatuzzo, Flemming, Florenz, Marini, Podestà, Sacrédeus, Stenzel, Wijkman

PSE: Adam, Bösch, Bowe, Bullmann, Campos, Carraro, Casaca, Corbett, Corbey, De Keyser, Dhaene, El Khadraoui, Ettl, Evans Robert J.E., Fava, Ghilardotti, Honeyball, Howitt, Hughes, van Hulten, Imbeni, Kinnock, Kreissl-Dörfler, Linkohr, McAvan, McCarthy, McNally, Mann Erika, Martin David W., Miller, Moraes, Morgan, Murphy, Napoletano, Paciotti, Pittella, Prets, Randzio-Plath, Read, Roth-Behrendt, Rothe, Roure, Ruffolo, Sacconi, Scheele, Schmid Gerhard, Simpson, Skinner, Stihler, Torres Marques, Van Lancker, Vattimo, Watts, Weiler, Whitehead, Wynn, Zrihen

UEN: Andrews, Fitzsimons, Muscardini

Verts/ALE: de Roo, Schroedter, Staes

Tegen: 368

EDD: Andersen, Bernié, Blokland, Bonde, van Dam, Saint-Josse, Sandbæk

ELDR: Dybkjær, Maaten, Mulder, Pesälä, Pohjamo, Väyrynen, Vermeer, Virrankoski

GUE/NGL: Ainardi, Alavanos, Alyssandrakis, Bergaz Conesa, Bertinotti, Boudjenah, Brie, Cossutta, Di Lello Finuoli, Eriksson, Fiebiger, Figueiredo, Fraisse, Herzog, Jové Peres, Kaufmann, Korakas, Koulourianos, Krarup, Manisco, Markov, Marset Campos, Meijer, Modrow, Morgantini, Patakis, Puerta, Ribeiro, Schmid Herman, Schröder Ilka, Seppänen, Sjöstedt, Vachetta, Vinci

NI: Berthu, Beysen, Garaud, Gobbo, Gollnisch, Gorostiaga Atxalandabaso, Kronberger, de La Perriere, Martin Hans-Peter, Mennea, Raschhofer, Sichrovsky, Souchet, Speroni, Varaut

PPE-DE: Almeida Garrett, Arvidsson, Atkins, Averoff, Avilés Perea, Bartolozzi, Bastos, Bayona de Perogordo, Berend, Bodrato, Böge, von Boetticher, Bourlanges, Bowis, Bradbourn, Bremmer, Brienza, Brok, Callanan, Camisón Asensio, Cardoso, Cederschiöld, Chichester, Cocilovo, Coelho, Daul, De Mita, Deprez, Descamps, De Veyrac, Dimitrakopoulos, Dover, Doyle, Elles, Evans Jonathan, Ferber, Fernández Martín, Ferrer, Fiori, Foster, Fourtou, Friedrich, Gahler, García-Orcoyen Tormo, Garriga Polledo, Glase, Gomolka, Goodwill, Gouveia, Graça Moura, Grönfeldt Bergman, Grosch, Grossetête, Gutiérrez-Cortines, Hannan, Hansenne, Harbour, Hatzidakis, Heaton-Harris, Hermange, Hernández Mollar, Herranz García, Hieronymi, Jackson, Jarzembowski, Jeggle, Kaldi, Karas, Kastler, Kauppi, Keppelhoff-Wiechert, Khanbhai, Kirkhope, Klamt, Klaß, Knolle, Koch, Konrad, Korhola, Kratsa-Tsagaropoulou, Lamassoure, Langen, Langenhagen, Laschet, Lehne, Liese, Lisi, Lulling, Maat, McCartin, McMillan-Scott, Mann Thomas, Marinos, Marques, Martin Hugues, Mastella, Matikainen-Kallström, Mayer Hans-Peter, Mayer Xaver, Menrad, Mombaur, Montfort, Morillon, Nassauer, Nicholson, Niebler, Nisticò, Ojeda Sanz, Oomen-Ruijten, Oostlander, Oreja Arburúa, Pacheco Pereira, Pack, Parish, Pastorelli, Pérez Álvarez, Perry, Pex, Pirker, Piscarreta, Poettering, Pomés Ruiz, Posselt, Provan, Purvis, Quisthoudt-Rowohl, Rack, Radwan, Redondo Jiménez, Rovsing, Rübig, Salafranca Sánchez-Neyra, Santer, Santini, Schaffner, Schierhuber, Schleicher, Schmitt, Schnellhardt, Schwaiger, Smet, Sommer, Stauner, Stenmarck, Stevenson, Stockton, Sturdy, Sudre, Suominen, Tajani, Tannock, Theato, Thyssen, Trakatellis, Twinn, Van Orden, Varela Suanzes-Carpegna, van Velzen, de Veyrinas, Villiers, Vlasto, Wachtmeister, Wenzel-Perillo, Wieland, von Wogau, Wuermeling, Zacharakis, Zappalà, Zimmerling, Zissener

PSE: Andersson, Aparicio Sánchez, Baltas, Barón Crespo, Berenguer Fuster, van den Berg, Berger, van den Burg, Carnero González, Carrilho, Cercas, Cerdeira Morterero, Ceyhun, Darras, Dehousse, Désir, Díez González, Dührkop Dührkop, Duhamel, Duin, Färm, Garot, Gebhardt, Gillig, Glante, Goebbels, Görlach, Guy-Quint, Hänsch, Haug, Hedkvist Petersen, Hume, Izquierdo Collado, Jöns, Junker, Karamanou, Karlsson, Katiforis, Keßler, Kindermann, Koukiadis, Krehl, Kuckelkorn, Kuhne, Lalumière, Lange, Leinen, Lund, Malliori, Martínez Martínez, Mastorakis, Medina Ortega, Mendiluce Pereiro, Menéndez del Valle, Miguélez Ramos, Miranda de Lage, Müller, Myller, Obiols i Germà, Paasilinna, Pérez Royo, Piecyk, Poignant, Poos, Rapkay, Rocard, Rothley, Sakellariou, Sandberg-Fries, Sauquillo Pérez del Arco, Savary, Schulz, Sornosa Martínez, Souladakis, Stockmann, Swiebel, Terrón i Cusí, Theorin, Thorning-Schmidt, Tsatsos, Vairinhos, Walter, Wiersma, Zorba

UEN: Berlato, Bigliardo, Caullery, Collins, Crowley, Hyland, Marchiani, Musumeci, Nobilia, Pasqua, Queiró, Ribeiro e Castro, Segni, Thomas-Mauro, Turchi

Verts/ALE: Aaltonen, Ahern, Auroi, Boumediene-Thiery, Bouwman, Breyer, Buitenweg, Cohn-Bendit, Duthu, Echerer, Evans Jillian, Flautre, Frassoni, Gahrton, Graefe zu Baringdorf, Hudghton, Isler Béguin, Jonckheer, Lagendijk, Lambert, Lannoye, Lucas, MacCormick, McKenna, Maes, Mayol i Raynal, Nogueira Román, Onesta, Rod, Rühle, Schörling, Sörensen, Voggenhuber, Wuori, Wyn

Onthoudingen: 8

GUE/NGL: Krivine

NI: Claeys, Dillen

PPE-DE: Goepel

PSE: Lage, dos Santos, Sousa Pinto, Swoboda

25.   Verslag Maat A5-0197/2004

Amendement 105 e)

Voor: 182

EDD: Blokland, Booth, Coûteaux, van Dam, Farage, Kuntz, Titford

ELDR: Andreasen, André-Léonard, Attwooll, Boogerd-Quaak, Busk, Clegg, Costa Paolo, Davies, De Clercq, Duff, Flesch, Formentini, Huhne, Lynne, Maaten, Malmström, Manders, Monsonís Domingo, Mulder, Newton Dunn, Nicholson of Winterbourne, Nordmann, Olsson, Paulsen, Procacci, Rousseaux, Rutelli, Sbarbati, Schmidt, Sterckx, Thors, Van Hecke, Vermeer, Wallis, Watson

GUE/NGL: Ainardi, Alavanos, Alyssandrakis, Bergaz Conesa, Bertinotti, Bordes, Boudjenah, Brie, Caudron, Cauquil, Cossutta, Di Lello Finuoli, Fiebiger, Figueiredo, Fraisse, Herzog, Jové Peres, Koulourianos, Krivine, Laguiller, Manisco, Marset Campos, Modrow, Morgantini, Papayannakis, Patakis, Puerta, Ribeiro, Scarbonchi, Schröder Ilka, Vinci

NI: Cappato, Dell'Alba, Della Vedova, Dupuis, Ilgenfritz, Martin Hans-Peter, Pannella, Turco

PPE-DE: Andria, Costa Raffaele, Fatuzzo, Flemming, Florenz, Marini, Sacrédeus, Stenzel, Wijkman

PSE: Adam, Bösch, Bowe, Bullmann, Campos, Carraro, Casaca, Corbett, Corbey, Dehousse, De Keyser, Dhaene, El Khadraoui, Evans Robert J.E., Fava, Ghilardotti, Gill, Honeyball, Howitt, Hughes, van Hulten, Imbeni, Kinnock, Linkohr, McAvan, McCarthy, McNally, Martin David W., Miller, Moraes, Morgan, Murphy, Napoletano, Paciotti, Pittella, Prets, Randzio-Plath, Read, Roth-Behrendt, Rothe, Roure, Ruffolo, Sacconi, Scheele, Schmid Gerhard, Schulz, Simpson, Skinner, Stihler, Vairinhos, Van Lancker, Vattimo, Watts, Weiler, Whitehead, Wynn, Zrihen

UEN: Muscardini, Pasqua

Verts/ALE: Aaltonen, Ahern, Auroi, Boumediene-Thiery, Bouwman, Breyer, Buitenweg, Cohn-Bendit, Duthu, Echerer, Flautre, Frassoni, Gahrton, Graefe zu Baringdorf, Isler Béguin, Jonckheer, Lagendijk, Lambert, Lannoye, Lucas, McKenna, Maes, Nogueira Román, Onesta, Rod, de Roo, Rühle, Schörling, Schroedter, Sörensen, Staes, Voggenhuber, Wuori

Tegen: 302

EDD: Abitbol, Andersen, Bonde, Sandbæk

ELDR: Dybkjær, Pesälä, Pohjamo, Väyrynen, Virrankoski

GUE/NGL: Bakopoulos, Eriksson, Krarup, Markov, Meijer, Schmid Herman, Seppänen, Sjöstedt, Vachetta

NI: Berthu, Beysen, Claeys, Dillen, Garaud, Gollnisch, Gorostiaga Atxalandabaso, Hager, Kronberger, Lang, de La Perriere, Raschhofer, Sichrovsky, Souchet, Stirbois, Varaut

PPE-DE: Almeida Garrett, Arvidsson, Atkins, Averoff, Avilés Perea, Banotti, Bartolozzi, Bastos, Bayona de Perogordo, Berend, Bodrato, Böge, von Boetticher, Bourlanges, Bowis, Bradbourn, Bremmer, Brienza, Brok, Callanan, Camisón Asensio, Cardoso, Cederschiöld, Chichester, Cocilovo, Coelho, Daul, De Mita, Deprez, Descamps, De Veyrac, Dimitrakopoulos, Dover, Doyle, Elles, Evans Jonathan, Fernández Martín, Ferrer, Fiori, Foster, Fourtou, Friedrich, Gahler, García-Orcoyen Tormo, Garriga Polledo, Glase, Gomolka, Goodwill, Gouveia, Graça Moura, Grönfeldt Bergman, Grosch, Grossetête, Gutiérrez-Cortines, Hannan, Hansenne, Harbour, Hatzidakis, Heaton-Harris, Hermange, Hernández Mollar, Herranz García, Hieronymi, Jackson, Jarzembowski, Jeggle, Kaldi, Karas, Kastler, Kauppi, Keppelhoff-Wiechert, Khanbhai, Kirkhope, Klamt, Klaß, Knolle, Koch, Konrad, Korhola, Kratsa-Tsagaropoulou, Lamassoure, Langen, Langenhagen, Laschet, Lehne, Liese, Lisi, Lulling, Maat, McCartin, McMillan-Scott, Mann Thomas, Marinos, Marques, Martin Hugues, Mastella, Matikainen-Kallström, Mayer Hans-Peter, Mayer Xaver, Menrad, Mombaur, Montfort, Morillon, Nicholson, Niebler, Nisticò, Ojeda Sanz, Oomen-Ruijten, Oostlander, Oreja Arburúa, Pacheco Pereira, Pack, Parish, Pastorelli, Pérez Álvarez, Perry, Pex, Pirker, Piscarreta, Podestà, Poettering, Posselt, Provan, Purvis, Quisthoudt-Rowohl, Rack, Radwan, Redondo Jiménez, Rovsing, Rübig, Salafranca Sánchez-Neyra, Santer, Santini, Schaffner, Schierhuber, Schleicher, Schmitt, Schnellhardt, Schwaiger, Smet, Sommer, Stauner, Stenmarck, Stevenson, Stockton, Sturdy, Sudre, Suominen, Tajani, Tannock, Theato, Thyssen, Trakatellis, Twinn, Van Orden, Varela Suanzes-Carpegna, van Velzen, de Veyrinas, Villiers, Vlasto, Wachtmeister, Wieland, von Wogau, Wuermeling, Zacharakis, Zappalà, Zimmerling

PSE: Andersson, Aparicio Sánchez, Baltas, Barón Crespo, Berenguer Fuster, van den Berg, Berger, van den Burg, Carnero González, Carrilho, Cercas, Cerdeira Morterero, Ceyhun, Darras, Désir, Díez González, Dührkop Dührkop, Duhamel, Duin, Ettl, Färm, Garot, Gebhardt, Gillig, Glante, Goebbels, Görlach, Guy-Quint, Hänsch, Haug, Hedkvist Petersen, Hume, Izquierdo Collado, Junker, Karamanou, Karlsson, Katiforis, Keßler, Kindermann, Koukiadis, Krehl, Kreissl-Dörfler, Kuckelkorn, Kuhne, Lalumière, Lange, Leinen, Lund, Malliori, Mann Erika, Martínez Martínez, Mastorakis, Medina Ortega, Menéndez del Valle, Miguélez Ramos, Miranda de Lage, Müller, Myller, Obiols i Germà, Paasilinna, Pérez Royo, Piecyk, Poignant, Poos, Rocard, Rothley, Sakellariou, Sandberg-Fries, Sauquillo Pérez del Arco, Savary, Sornosa Martínez, Souladakis, Stockmann, Swiebel, Terrón i Cusí, Theorin, Thorning-Schmidt, Tsatsos, Walter, Wiersma, Zorba

UEN: Andrews, Berlato, Bigliardo, Caullery, Collins, Crowley, Fitzsimons, Hyland, Marchiani, Musumeci, Nobilia, Queiró, Ribeiro e Castro, Segni, Turchi

Verts/ALE: Evans Jillian, Hudghton, MacCormick, Mayol i Raynal, Wyn

Onthoudingen: 11

EDD: Bernié, Saint-Josse

NI: Gobbo, Speroni

PPE-DE: Goepel

PSE: Lage, Mendiluce Pereiro, dos Santos, Sousa Pinto, Swoboda, Torres Marques

26.   Verslag Maat A5-0197/2004

Amendement 105 f)

Voor: 127

EDD: Bernié, Blokland, Booth, van Dam, Farage, Saint-Josse, Titford

ELDR: Andreasen, André-Léonard, Attwooll, Boogerd-Quaak, Busk, Clegg, Costa Paolo, Davies, De Clercq, Duff, Flesch, Formentini, Huhne, Lynne, Maaten, Malmström, Monsonís Domingo, Newton Dunn, Nicholson of Winterbourne, Olsson, Paulsen, Rousseaux, Rutelli, Sbarbati, Schmidt, Sterckx, Thors, Van Hecke, Vermeer, Wallis, Watson

GUE/NGL: Bordes, Caudron, Cauquil, Krivine, Laguiller, Manisco, Papayannakis, Scarbonchi

NI: Della Vedova, Dupuis, Garaud, Gobbo, Ilgenfritz, Pannella, Speroni, Turco

PPE-DE: Andria, Costa Raffaele, Fatuzzo, Flemming, Florenz, McCartin, Marini, Sacrédeus, Stenzel, Wijkman

PSE: Adam, Bösch, Bowe, Bullmann, Carraro, Casaca, Corbett, Dehousse, De Keyser, Dhaene, El Khadraoui, Ettl, Fava, Ghilardotti, Honeyball, Howitt, Hughes, Imbeni, Kinnock, Kreissl-Dörfler, Linkohr, McAvan, McCarthy, Martin David W., Miller, Morgan, Murphy, Napoletano, Paciotti, Pittella, Prets, Randzio-Plath, Read, Roth-Behrendt, Rothe, Roure, Ruffolo, Sacconi, Scheele, Schmid Gerhard, Schulz, Simpson, Skinner, Sousa Pinto, Stihler, Van Lancker, Vattimo, Watts, Weiler, Whitehead, Wynn

UEN: Andrews, Berlato, Collins, Crowley, Muscardini, Musumeci, Nobilia, Pasqua, Queiró, Ribeiro e Castro, Segni, Turchi

Tegen: 363

EDD: Abitbol, Andersen, Bonde, Coûteaux, Sandbæk

ELDR: Dybkjær, Manders, Mulder, Nordmann, Pesälä, Pohjamo, Procacci, Väyrynen, Virrankoski

GUE/NGL: Ainardi, Alavanos, Alyssandrakis, Bakopoulos, Bergaz Conesa, Bertinotti, Boudjenah, Brie, Cossutta, Di Lello Finuoli, Eriksson, Fiebiger, Figueiredo, Fraisse, Herzog, Jové Peres, Kaufmann, Korakas, Koulourianos, Krarup, Markov, Marset Campos, Meijer, Modrow, Patakis, Puerta, Ribeiro, Schmid Herman, Schröder Ilka, Seppänen, Sjöstedt, Vachetta, Vinci

NI: Berthu, Beysen, Claeys, Dillen, Gollnisch, Gorostiaga Atxalandabaso, Hager, Lang, de La Perriere, Martin Hans-Peter, Mennea, Raschhofer, Sichrovsky, Souchet, Stirbois, Varaut

PPE-DE: Almeida Garrett, Arvidsson, Atkins, Averoff, Avilés Perea, Banotti, Bartolozzi, Bastos, Bayona de Perogordo, Berend, Bodrato, Böge, von Boetticher, Bourlanges, Bowis, Bradbourn, Bremmer, Brok, Callanan, Camisón Asensio, Cardoso, Cederschiöld, Chichester, Cocilovo, Coelho, Daul, De Mita, Deprez, Descamps, De Veyrac, Dimitrakopoulos, Dover, Doyle, Elles, Evans Jonathan, Fernández Martín, Ferrer, Fiori, Foster, Fourtou, Friedrich, Gahler, García-Orcoyen Tormo, Garriga Polledo, Glase, Gomolka, Goodwill, Gouveia, Graça Moura, Grönfeldt Bergman, Grosch, Grossetête, Gutiérrez-Cortines, Hannan, Hansenne, Harbour, Hatzidakis, Heaton-Harris, Hermange, Hernández Mollar, Herranz García, Hieronymi, Jackson, Jarzembowski, Jeggle, Kaldi, Karas, Kastler, Kauppi, Keppelhoff-Wiechert, Khanbhai, Kirkhope, Klamt, Klaß, Knolle, Koch, Konrad, Korhola, Kratsa-Tsagaropoulou, Lamassoure, Langen, Langenhagen, Lechner, Lehne, Liese, Lisi, Lulling, Maat, McMillan-Scott, Mann Thomas, Marinos, Marques, Martin Hugues, Mastella, Matikainen-Kallström, Mayer Hans-Peter, Mayer Xaver, Menrad, Mombaur, Montfort, Morillon, Nassauer, Nicholson, Niebler, Nisticò, Ojeda Sanz, Oomen-Ruijten, Oostlander, Oreja Arburúa, Pacheco Pereira, Pack, Parish, Pastorelli, Pérez Álvarez, Perry, Pex, Pirker, Piscarreta, Podestà, Poettering, Pomés Ruiz, Posselt, Provan, Purvis, Rack, Radwan, Redondo Jiménez, Rovsing, Rübig, Salafranca Sánchez-Neyra, Santer, Santini, Schaffner, Schierhuber, Schleicher, Schmitt, Schnellhardt, Schwaiger, Smet, Sommer, Stauner, Stenmarck, Stevenson, Stockton, Sturdy, Sudre, Suominen, Tajani, Tannock, Theato, Thyssen, Trakatellis, Twinn, Van Orden, Varela Suanzes-Carpegna, van Velzen, de Veyrinas, Vlasto, Wachtmeister, Wenzel-Perillo, Wieland, von Wogau, Wuermeling, Zacharakis, Zappalà, Zimmerling, Zissener

PSE: Andersson, Aparicio Sánchez, Baltas, Barón Crespo, Berenguer Fuster, van den Berg, Berger, van den Burg, Campos, Carnero González, Carrilho, Cercas, Cerdeira Morterero, Ceyhun, Corbey, Darras, Désir, Díez González, Dührkop Dührkop, Duhamel, Duin, Evans Robert J.E., Färm, Garot, Gebhardt, Gill, Gillig, Glante, Goebbels, Görlach, Guy-Quint, Hänsch, Haug, Hedkvist Petersen, van Hulten, Hume, Izquierdo Collado, Jöns, Junker, Karamanou, Karlsson, Katiforis, Keßler, Kindermann, Koukiadis, Krehl, Kuckelkorn, Kuhne, Lalumière, Lange, Leinen, Lund, McNally, Malliori, Martínez Martínez, Mastorakis, Medina Ortega, Mendiluce Pereiro, Menéndez del Valle, Miguélez Ramos, Miranda de Lage, Moraes, Müller, Myller, Obiols i Germà, Paasilinna, Pérez Royo, Piecyk, Poos, Rapkay, Rocard, Rothley, Sakellariou, Sandberg-Fries, Sauquillo Pérez del Arco, Savary, Sornosa Martínez, Souladakis, Stockmann, Swiebel, Terrón i Cusí, Theorin, Thorning-Schmidt, Torres Marques, Tsatsos, Vairinhos, Walter, Wiersma, Zorba, Zrihen

UEN: Caullery, Fitzsimons, Hyland, Marchiani, Thomas-Mauro

Verts/ALE: Aaltonen, Ahern, Auroi, Boumediene-Thiery, Bouwman, Breyer, Buitenweg, Cohn-Bendit, Duthu, Echerer, Evans Jillian, Flautre, Frassoni, Gahrton, Graefe zu Baringdorf, Hudghton, Isler Béguin, Jonckheer, Lagendijk, Lambert, Lannoye, Lucas, MacCormick, McKenna, Maes, Mayol i Raynal, Nogueira Román, Onesta, Rod, de Roo, Rühle, Schörling, Schroedter, Sörensen, Staes, Voggenhuber, Wuori, Wyn

Onthoudingen: 6

GUE/NGL: Morgantini

PPE-DE: Goepel

PSE: Lage, Mann Erika, dos Santos, Swoboda

27.   Verslag Maat A5-0197/2004

Amendement 106

Voor: 107

EDD: Abitbol, Bernié, Kuntz, Saint-Josse

ELDR: Formentini

GUE/NGL: Ainardi, Alavanos, Alyssandrakis, Bakopoulos, Bergaz Conesa, Bertinotti, Bordes, Boudjenah, Cauquil, Cossutta, Di Lello Finuoli, Fiebiger, Figueiredo, Herzog, Jové Peres, Kaufmann, Korakas, Koulourianos, Krivine, Laguiller, Manisco, Marset Campos, Modrow, Patakis, Puerta, Ribeiro, Schröder Ilka, Vachetta, Vinci

NI: Garaud, Gobbo, Gorostiaga Atxalandabaso, Speroni

PPE-DE: Avilés Perea, Bastos, Bayona de Perogordo, Camisón Asensio, Cardoso, Cocilovo, Coelho, Dimitrakopoulos, Fernández Martín, Ferrer, García-Orcoyen Tormo, Garriga Polledo, Gouveia, Gutiérrez-Cortines, Herranz García, McCartin, Marini, Ojeda Sanz, Oreja Arburúa, Pérez Álvarez, Piscarreta, Redondo Jiménez, Salafranca Sánchez-Neyra, Trakatellis

PSE: Aparicio Sánchez, Baltas, Barón Crespo, Berenguer Fuster, Carnero González, Carrilho, Cercas, Cerdeira Morterero, Díez González, Dührkop Dührkop, Izquierdo Collado, Karamanou, Katiforis, Koukiadis, Malliori, Martínez Martínez, Mastorakis, Medina Ortega, Menéndez del Valle, Miranda de Lage, Paasilinna, Pérez Royo, Rothley, Sauquillo Pérez del Arco, Sornosa Martínez, Souladakis, Terrón i Cusí, Tsatsos, Vairinhos, Zorba

UEN: Berlato, Caullery, Collins, Crowley, Fitzsimons, Hyland, Marchiani, Musumeci, Nobilia, Pasqua, Queiró, Ribeiro e Castro, Segni, Thomas-Mauro, Turchi

Tegen: 392

EDD: Andersen, Blokland, Bonde, Booth, Coûteaux, van Dam, Farage, Sandbæk, Titford

ELDR: Andreasen, André-Léonard, Attwooll, Boogerd-Quaak, Busk, Clegg, Costa Paolo, Davies, De Clercq, Duff, Dybkjær, Flesch, Huhne, Lynne, Maaten, Malmström, Manders, Monsonís Domingo, Mulder, Newton Dunn, Nicholson of Winterbourne, Nordmann, Olsson, Paulsen, Pesälä, Pohjamo, Procacci, Rousseaux, Rutelli, Sbarbati, Schmidt, Sterckx, Thors, Väyrynen, Van Hecke, Vermeer, Virrankoski, Wallis, Watson

GUE/NGL: Brie, Caudron, Eriksson, Fraisse, Krarup, Markov, Meijer, Papayannakis, Scarbonchi, Schmid Herman, Seppänen, Sjöstedt

NI: Berthu, Beysen, Cappato, Claeys, Dell'Alba, Della Vedova, Dillen, Dupuis, Gollnisch, Hager, Ilgenfritz, Kronberger, Lang, de La Perriere, Martin Hans-Peter, Mennea, Pannella, Raschhofer, Sichrovsky, Souchet, Stirbois, Turco, Varaut

PPE-DE: Almeida Garrett, Andria, Arvidsson, Atkins, Averoff, Banotti, Bartolozzi, Berend, Bodrato, Böge, Bourlanges, Bowis, Bradbourn, Bremmer, Brienza, Brok, Callanan, Cederschiöld, Chichester, Costa Raffaele, Daul, De Mita, Deprez, Descamps, De Veyrac, Dover, Doyle, Elles, Evans Jonathan, Fatuzzo, Ferber, Fiori, Flemming, Florenz, Foster, Fourtou, Friedrich, Gahler, Glase, Goepel, Gomolka, Goodwill, Graça Moura, Grönfeldt Bergman, Grosch, Grossetête, Hannan, Hansenne, Harbour, Hatzidakis, Heaton-Harris, Hermange, Hernández Mollar, Hieronymi, Jackson, Jarzembowski, Jeggle, Kaldi, Karas, Kastler, Kauppi, Keppelhoff-Wiechert, Khanbhai, Kirkhope, Klamt, Klaß, Knolle, Koch, Konrad, Korhola, Kratsa-Tsagaropoulou, Lamassoure, Langen, Langenhagen, Laschet, Lechner, Lehne, Liese, Lisi, Lulling, Maat, McMillan-Scott, Mann Thomas, Marinos, Marques, Martin Hugues, Mastella, Matikainen-Kallström, Mayer Hans-Peter, Mayer Xaver, Menrad, Mombaur, Montfort, Morillon, Nassauer, Nicholson, Niebler, Nisticò, Oomen-Ruijten, Oostlander, Pacheco Pereira, Pack, Parish, Pastorelli, Perry, Pex, Pirker, Podestà, Poettering, Posselt, Provan, Purvis, Quisthoudt-Rowohl, Rack, Radwan, Rovsing, Rübig, Sacrédeus, Santer, Santini, Schaffner, Schierhuber, Schleicher, Schmitt, Schnellhardt, Schwaiger, Smet, Sommer, Stauner, Stenmarck, Stenzel, Stevenson, Stockton, Sturdy, Sudre, Suominen, Tajani, Tannock, Theato, Thyssen, Twinn, Van Orden, Varela Suanzes-Carpegna, van Velzen, de Veyrinas, Villiers, Vlasto, Wachtmeister, Wenzel-Perillo, Wieland, Wijkman, von Wogau, Wuermeling, Zacharakis, Zappalà, Zimmerling, Zissener

PSE: Adam, Andersson, van den Berg, Berger, Bösch, Bowe, Bullmann, van den Burg, Campos, Carraro, Casaca, Ceyhun, Corbett, Corbey, Darras, Dehousse, De Keyser, Désir, Dhaene, Duhamel, Duin, El Khadraoui, Ettl, Evans Robert J.E., Färm, Fava, Garot, Gebhardt, Ghilardotti, Gill, Gillig, Glante, Goebbels, Görlach, Guy-Quint, Hänsch, Haug, Hedkvist Petersen, Honeyball, Howitt, Hughes, van Hulten, Hume, Imbeni, Jöns, Junker, Karlsson, Keßler, Kindermann, Kinnock, Krehl, Kreissl-Dörfler, Kuckelkorn, Kuhne, Lalumière, Lange, Leinen, Linkohr, Lund, McAvan, McCarthy, McNally, Mann Erika, Martin David W., Mendiluce Pereiro, Miguélez Ramos, Miller, Moraes, Morgan, Müller, Murphy, Myller, Napoletano, Paciotti, Piecyk, Pittella, Poignant, Poos, Prets, Randzio-Plath, Rapkay, Read, Rocard, Roth-Behrendt, Rothe, Roure, Ruffolo, Sacconi, Sakellariou, Sandberg-Fries, Savary, Scheele, Schmid Gerhard, Schulz, Simpson, Skinner, Sousa Pinto, Stihler, Stockmann, Swiebel, Swoboda, Theorin, Thorning-Schmidt, Torres Marques, Van Lancker, Vattimo, Walter, Watts, Weiler, Whitehead, Wiersma, Wynn, Zrihen

UEN: Andrews, Muscardini

Verts/ALE: Aaltonen, Auroi, Boumediene-Thiery, Bouwman, Breyer, Buitenweg, Cohn-Bendit, Duthu, Echerer, Evans Jillian, Flautre, Frassoni, Gahrton, Graefe zu Baringdorf, Hudghton, Isler Béguin, Jonckheer, Lagendijk, Lambert, Lannoye, Lucas, MacCormick, McKenna, Maes, Mayol i Raynal, Nogueira Román, Onesta, Rod, de Roo, Rühle, Schörling, Schroedter, Sörensen, Staes, Voggenhuber, Wuori, Wyn

Onthoudingen: 4

GUE/NGL: Morgantini

PSE: Lage, Obiols i Germà, dos Santos

28.   Verslag Maat A5-0197/2004

Amendement 110

Voor: 317

EDD: Abitbol, Booth, Farage, Kuntz, Titford

ELDR: Andreasen, André-Léonard, Busk, Clegg, Davies, De Clercq, Duff, Flesch, Formentini, Huhne, Lynne, Maaten, Manders, Monsonís Domingo, Mulder, Newton Dunn, Nicholson of Winterbourne, Nordmann, Olsson, Pesälä, Pohjamo, Procacci, Rousseaux, Rutelli, Sterckx, Väyrynen, Van Hecke, Vermeer, Virrankoski, Wallis, Watson

GUE/NGL: Caudron, Papayannakis, Scarbonchi

NI: Berthu, Beysen, Cappato, Claeys, Dell'Alba, Della Vedova, Dillen, Dupuis, Garaud, Hager, de La Perriere, Mennea, Pannella, Sichrovsky, Stirbois, Turco, Varaut

PPE-DE: Almeida Garrett, Andria, Arvidsson, Atkins, Averoff, Banotti, Bartolozzi, Berend, Bodrato, Böge, von Boetticher, Bourlanges, Bradbourn, Bremmer, Brienza, Brok, Callanan, Cederschiöld, Chichester, Cocilovo, Costa Raffaele, Daul, De Mita, Deprez, Descamps, De Veyrac, Dover, Doyle, Elles, Evans Jonathan, Ferber, Fiori, Foster, Fourtou, Gahler, Garriga Polledo, Glase, Goepel, Gomolka, Goodwill, Gouveia, Graça Moura, Grönfeldt Bergman, Grosch, Grossetête, Hannan, Hansenne, Harbour, Hatzidakis, Heaton-Harris, Hermange, Hieronymi, Jackson, Jarzembowski, Jeggle, Kaldi, Karas, Kastler, Kauppi, Keppelhoff-Wiechert, Khanbhai, Kirkhope, Klamt, Klaß, Knolle, Koch, Konrad, Korhola, Lamassoure, Langen, Langenhagen, Laschet, Lechner, Lehne, Liese, Lisi, Lulling, Maat, McCartin, McMillan-Scott, Mann Thomas, Marini, Marinos, Marques, Martin Hugues, Mastella, Matikainen-Kallström, Mayer Hans-Peter, Mayer Xaver, Menrad, Mombaur, Montfort, Morillon, Nassauer, Nicholson, Niebler, Nisticò, Oomen-Ruijten, Oostlander, Pacheco Pereira, Pack, Parish, Pastorelli, Perry, Pex, Pirker, Piscarreta, Podestà, Poettering, Posselt, Provan, Purvis, Quisthoudt-Rowohl, Rack, Radwan, Rovsing, Rübig, Sacrédeus, Santer, Schaffner, Schierhuber, Schleicher, Schmitt, Schnellhardt, Schwaiger, Smet, Sommer, Stauner, Stenmarck, Stevenson, Stockton, Sturdy, Sudre, Suominen, Tajani, Tannock, Theato, Thyssen, Trakatellis, Twinn, Van Orden, Varela Suanzes-Carpegna, van Velzen, de Veyrinas, Villiers, Vlasto, Wachtmeister, Wenzel-Perillo, Wieland, Wijkman, Wuermeling, Zacharakis, Zappalà, Zimmerling, Zissener

PSE: Adam, Baltas, Bowe, Casaca, Ceyhun, Corbett, Corbey, Darras, Dehousse, De Keyser, Désir, Dhaene, Duhamel, Duin, El Khadraoui, Evans Robert J.E., Garot, Gebhardt, Gill, Gillig, Glante, Görlach, Guy-Quint, Hänsch, Haug, Honeyball, Howitt, Hughes, Hume, Jöns, Karamanou, Katiforis, Keßler, Kindermann, Kinnock, Koukiadis, Krehl, Kreissl-Dörfler, Kuckelkorn, Kuhne, Lage, Lalumière, Lange, Leinen, Linkohr, McAvan, McCarthy, McNally, Malliori, Mann Erika, Martin David W., Mastorakis, Miller, Moraes, Morgan, Müller, Murphy, Myller, Paasilinna, Piecyk, Poignant, Poos, Rapkay, Read, Rocard, Rothe, Rothley, Roure, Sakellariou, dos Santos, Savary, Schulz, Simpson, Skinner, Souladakis, Sousa Pinto, Stihler, Stockmann, Thorning-Schmidt, Torres Marques, Tsatsos, Van Lancker, Walter, Watts, Weiler, Whitehead, Wynn, Zorba

UEN: Andrews, Berlato, Caullery, Collins, Crowley, Fitzsimons, Hyland, Marchiani, Musumeci, Nobilia, Pasqua, Queiró, Ribeiro e Castro, Segni, Thomas-Mauro, Turchi

Verts/ALE: Hudghton, MacCormick

Tegen: 176

EDD: Andersen, Bernié, Blokland, Bonde, Coûteaux, van Dam, Saint-Josse, Sandbæk

ELDR: Boogerd-Quaak, Costa Paolo, Dybkjær, Malmström, Paulsen, Schmidt, Thors

GUE/NGL: Ainardi, Alavanos, Alyssandrakis, Bakopoulos, Bergaz Conesa, Bertinotti, Bordes, Boudjenah, Brie, Cauquil, Cossutta, Di Lello Finuoli, Eriksson, Fiebiger, Figueiredo, Fraisse, Herzog, Jové Peres, Kaufmann, Korakas, Koulourianos, Krarup, Krivine, Laguiller, Manisco, Markov, Marset Campos, Meijer, Modrow, Patakis, Puerta, Ribeiro, Schmid Herman, Schröder Ilka, Seppänen, Sjöstedt, Vachetta, Vinci

NI: Gobbo, Gollnisch, Gorostiaga Atxalandabaso, Ilgenfritz, Martin Hans-Peter, Raschhofer, Speroni

PPE-DE: Avilés Perea, Bastos, Bayona de Perogordo, Bowis, Camisón Asensio, Cardoso, Coelho, Dimitrakopoulos, Fatuzzo, Fernández Martín, Ferrer, Florenz, García-Orcoyen Tormo, Gutiérrez-Cortines, Herranz García, Kratsa-Tsagaropoulou, Ojeda Sanz, Oreja Arburúa, Pérez Álvarez, Redondo Jiménez, Salafranca Sánchez-Neyra, Stenzel

PSE: Andersson, Aparicio Sánchez, Barón Crespo, Berenguer Fuster, van den Berg, Berger, Bösch, van den Burg, Campos, Carnero González, Carraro, Carrilho, Cercas, Cerdeira Morterero, Díez González, Dührkop Dührkop, Ettl, Färm, Fava, Ghilardotti, Goebbels, Hedkvist Petersen, van Hulten, Imbeni, Izquierdo Collado, Junker, Karlsson, Lund, Martínez Martínez, Medina Ortega, Mendiluce Pereiro, Menéndez del Valle, Miguélez Ramos, Miranda de Lage, Napoletano, Obiols i Germà, Paciotti, Pérez Royo, Pittella, Prets, Randzio-Plath, Roth-Behrendt, Ruffolo, Sacconi, Sandberg-Fries, Sauquillo Pérez del Arco, Scheele, Schmid Gerhard, Sornosa Martínez, Swiebel, Swoboda, Terrón i Cusí, Theorin, Vairinhos, Vattimo, Wiersma, Zrihen

UEN: Muscardini

Verts/ALE: Aaltonen, Ahern, Auroi, Boumediene-Thiery, Bouwman, Breyer, Buitenweg, Cohn-Bendit, Duthu, Echerer, Evans Jillian, Flautre, Frassoni, Gahrton, Graefe zu Baringdorf, Isler Béguin, Jonckheer, Lagendijk, Lambert, Lannoye, Lucas, McKenna, Maes, Mayol i Raynal, Nogueira Román, Onesta, Rod, de Roo, Rühle, Schörling, Schroedter, Sörensen, Staes, Voggenhuber, Wuori, Wyn

Onthoudingen: 3

GUE/NGL: Morgantini

NI: Souchet

PPE-DE: Santini

29.   Verslag Maat A5-0197/2004

Resolutie

Voor: 261

EDD: Blokland, van Dam

ELDR: Andreasen, André-Léonard, Busk, Clegg, Davies, De Clercq, Duff, Flesch, Formentini, Huhne, Lynne, Maaten, Manders, Monsonís Domingo, Mulder, Newton Dunn, Nicholson of Winterbourne, Nordmann, Olsson, Pesälä, Pohjamo, Procacci, Rousseaux, Rutelli, Sbarbati, Sterckx, Thors, Väyrynen, Van Hecke, Vermeer, Virrankoski, Wallis, Watson

GUE/NGL: Bordes, Cauquil, Laguiller

NI: Berthu, Gobbo, Mennea, Speroni

PPE-DE: Almeida Garrett, Arvidsson, Atkins, Averoff, Bartolozzi, Berend, Bodrato, Böge, von Boetticher, Bourlanges, Bradbourn, Bremmer, Brienza, Brok, Callanan, Cederschiöld, Chichester, Cocilovo, Costa Raffaele, Daul, De Mita, Deprez, Descamps, De Veyrac, Dover, Elles, Evans Jonathan, Ferber, Fernández Martín, Foster, Fourtou, Gahler, Glase, Goepel, Gomolka, Goodwill, Gouveia, Graça Moura, Grönfeldt Bergman, Grosch, Grossetête, Hannan, Hansenne, Harbour, Hatzidakis, Heaton-Harris, Hermange, Hernández Mollar, Hieronymi, Jackson, Jarzembowski, Jeggle, Kaldi, Karas, Kastler, Kauppi, Keppelhoff-Wiechert, Khanbhai, Kirkhope, Klamt, Klaß, Knolle, Koch, Konrad, Korhola, Kratsa-Tsagaropoulou, Lamassoure, Langen, Langenhagen, Laschet, Lechner, Lehne, Liese, Lisi, Lulling, Maat, McCartin, McMillan-Scott, Mann Thomas, Marinos, Marques, Mastella, Matikainen-Kallström, Mayer Hans-Peter, Mayer Xaver, Menrad, Mombaur, Montfort, Morillon, Nassauer, Nicholson, Niebler, Nisticò, Oomen-Ruijten, Oostlander, Pack, Parish, Pastorelli, Perry, Pex, Pirker, Piscarreta, Podestà, Poettering, Posselt, Provan, Purvis, Quisthoudt-Rowohl, Rack, Radwan, Rovsing, Rübig, Sacrédeus, Santer, Santini, Schaffner, Schierhuber, Schleicher, Schmitt, Schnellhardt, Schwaiger, Smet, Sommer, Stenmarck, Stevenson, Stockton, Sturdy, Sudre, Suominen, Tajani, Tannock, Theato, Thyssen, Trakatellis, Twinn, Van Orden, Varela Suanzes-Carpegna, van Velzen, de Veyrinas, Villiers, Vlasto, Wachtmeister, Wenzel-Perillo, Wieland, Wijkman, von Wogau, Wuermeling, Zacharakis, Zappalà, Zimmerling, Zissener

PSE: Adam, Baltas, Campos, Ceyhun, Darras, Dehousse, Désir, Duhamel, Garot, Gebhardt, Gillig, Glante, Görlach, Guy-Quint, Hänsch, Haug, Jöns, Junker, Keßler, Kindermann, Koukiadis, Krehl, Kreissl-Dörfler, Kuckelkorn, Lalumière, Lange, Leinen, Malliori, Mann Erika, Mastorakis, Müller, Myller, Paasilinna, Piecyk, Poignant, Poos, Rapkay, Rocard, Rothley, Roure, Sakellariou, Savary, Souladakis, Stockmann, Tsatsos, Walter, Zorba

UEN: Andrews, Berlato, Caullery, Collins, Crowley, Fitzsimons, Hyland, Marchiani, Muscardini, Musumeci, Nobilia, Pasqua, Queiró, Ribeiro e Castro, Segni, Thomas-Mauro, Turchi

Verts/ALE: Evans Jillian, Hudghton, MacCormick, Wyn

Tegen: 194

EDD: Abitbol, Andersen, Bernié, Bonde, Coûteaux, Kuntz, Saint-Josse, Sandbæk

ELDR: Malmström, Paulsen, Schmidt

GUE/NGL: Ainardi, Alavanos, Alyssandrakis, Bakopoulos, Bergaz Conesa, Bertinotti, Boudjenah, Brie, Caudron, Cossutta, Di Lello Finuoli, Fiebiger, Figueiredo, Fraisse, Jové Peres, Kaufmann, Korakas, Koulourianos, Manisco, Markov, Marset Campos, Modrow, Papayannakis, Patakis, Puerta, Ribeiro, Scarbonchi, Schröder Ilka, Vachetta, Vinci

NI: Cappato, Dell'Alba, Della Vedova, Dupuis, Gollnisch, Hager, Ilgenfritz, Kronberger, de La Perriere, Martin Hans-Peter, Pannella, Raschhofer, Souchet, Stirbois, Turco, Varaut

PPE-DE: Andria, Avilés Perea, Bastos, Bayona de Perogordo, Bowis, Camisón Asensio, Cardoso, Coelho, Dimitrakopoulos, Fatuzzo, Ferrer, Flemming, Florenz, García-Orcoyen Tormo, Garriga Polledo, Gutiérrez-Cortines, Herranz García, Marini, Ojeda Sanz, Oreja Arburúa, Pérez Álvarez, Redondo Jiménez, Salafranca Sánchez-Neyra, Stenzel

PSE: Andersson, Aparicio Sánchez, Barón Crespo, Berenguer Fuster, van den Berg, Berger, Bösch, Bullmann, van den Burg, Carnero González, Carraro, Carrilho, Casaca, Cercas, Cerdeira Morterero, Corbey, De Keyser, Dhaene, Díez González, Dührkop Dührkop, Duin, Ettl, Evans Robert J.E., Färm, Fava, Ghilardotti, Goebbels, Hedkvist Petersen, Howitt, Hughes, van Hulten, Imbeni, Izquierdo Collado, Karlsson, Lage, Linkohr, Lund, McNally, Martínez Martínez, Medina Ortega, Mendiluce Pereiro, Menéndez del Valle, Miguélez Ramos, Miranda de Lage, Murphy, Napoletano, Obiols i Germà, Paciotti, Pérez Royo, Pittella, Prets, Randzio-Plath, Read, Roth-Behrendt, Rothe, Ruffolo, Sacconi, Sandberg-Fries, Sauquillo Pérez del Arco, Scheele, Schmid Gerhard, Schulz, Simpson, Skinner, Sornosa Martínez, Sousa Pinto, Stihler, Swiebel, Swoboda, Terrón i Cusí, Theorin, Thorning-Schmidt, Torres Marques, Vairinhos, Vattimo, Watts, Weiler, Whitehead, Wiersma, Wynn

Verts/ALE: Aaltonen, Ahern, Auroi, Boumediene-Thiery, Bouwman, Breyer, Buitenweg, Cohn-Bendit, Duthu, Echerer, Flautre, Frassoni, Gahrton, Graefe zu Baringdorf, Isler Béguin, Jonckheer, Lagendijk, Lambert, Lannoye, Lucas, McKenna, Maes, Mayol i Raynal, Onesta, Rod, de Roo, Rühle, Schörling, Schroedter, Sörensen, Staes, Voggenhuber, Wuori

Onthoudingen: 44

EDD: Booth, Farage, Titford

ELDR: Attwooll, Boogerd-Quaak, Costa Paolo, Dybkjær

GUE/NGL: Eriksson, Herzog, Krarup, Krivine, Meijer, Morgantini, Schmid Herman, Seppänen, Sjöstedt

NI: Beysen, Claeys, Dillen, Garaud, Gorostiaga Atxalandabaso, Sichrovsky

PPE-DE: Banotti, Doyle, Fiori, Pacheco Pereira, Stauner

PSE: Bowe, Corbett, El Khadraoui, Gill, Honeyball, Karamanou, Katiforis, Kinnock, McAvan, McCarthy, Martin David W., Miller, Moraes, Morgan, dos Santos, Zrihen

Verts/ALE: Nogueira Román

30.   Verslag Bösch A5-135/2004

Amendementen 1 + 5

Voor: 185

ELDR: André-Léonard, Attwooll, Boogerd-Quaak, Costa Paolo, Davies, De Clercq, Duff, Dybkjær, Flesch, Formentini, Huhne, Lynne, Maaten, Malmström, Manders, Monsonís Domingo, Mulder, Newton Dunn, Nicholson of Winterbourne, Olsson, Paulsen, Pesälä, Pohjamo, Procacci, Rousseaux, Rutelli, Sbarbati, Schmidt, Sterckx, Thors, Väyrynen, Van Hecke, Vermeer, Virrankoski, Wallis, Watson

GUE/NGL: Cossutta

PPE-DE: Bodrato, Böge, Cocilovo, De Mita, Deprez, Fatuzzo, Grosch, Marini

PSE: Andersson, Aparicio Sánchez, Baltas, Berenguer Fuster, van den Berg, Berger, Bösch, Bowe, Bullmann, van den Burg, Carnero González, Carraro, Carrilho, Casaca, Cercas, Cerdeira Morterero, Ceyhun, Corbett, Corbey, Darras, Dehousse, De Keyser, Désir, Dhaene, Díez González, Dührkop Dührkop, Duhamel, Duin, El Khadraoui, Ettl, Evans Robert J.E., Färm, Fava, Garot, Gebhardt, Ghilardotti, Gill, Gillig, Glante, Goebbels, Görlach, Guy-Quint, Hänsch, Haug, Hedkvist Petersen, Honeyball, Howitt, Hughes, van Hulten, Hume, Imbeni, Izquierdo Collado, Jöns, Karamanou, Karlsson, Katiforis, Keßler, Kindermann, Kinnock, Koukiadis, Krehl, Kreissl-Dörfler, Kuckelkorn, Kuhne, Lage, Lalumière, Lange, Leinen, Linkohr, McNally, Malliori, Mann Erika, Martin David W., Martínez Martínez, Mastorakis, Menéndez del Valle, Miguélez Ramos, Miller, Miranda de Lage, Moraes, Morgan, Müller, Murphy, Napoletano, Obiols i Germà, Paasilinna, Paciotti, Pérez Royo, Piecyk, Pittella, Poos, Prets, Randzio-Plath, Rapkay, Read, Rocard, Roth-Behrendt, Rothley, Roure, Ruffolo, Sacconi, Sakellariou, Sandberg-Fries, dos Santos, Sauquillo Pérez del Arco, Scheele, Schmid Gerhard, Schulz, Simpson, Skinner, Sornosa Martínez, Souladakis, Sousa Pinto, Stihler, Stockmann, Swiebel, Swoboda, Theorin, Thorning-Schmidt, Torres Marques, Tsatsos, Vairinhos, Van Lancker, Vattimo, Walter, Watts, Weiler, Whitehead, Wiersma, Wynn, Zorba, Zrihen

UEN: Fitzsimons

Verts/ALE: Boumediene-Thiery, Breyer, Lannoye, Lucas, Mayol i Raynal, Rod, Sörensen

Tegen: 268

EDD: Abitbol, Andersen, Bernié, Blokland, Bonde, Booth, Coûteaux, van Dam, Farage, Kuntz, Saint-Josse, Sandbæk, Titford

ELDR: Nordmann

GUE/NGL: Ainardi, Alavanos, Bakopoulos, Bergaz Conesa, Bertinotti, Bordes, Boudjenah, Brie, Caudron, Cauquil, Di Lello Finuoli, Eriksson, Fiebiger, Figueiredo, Fraisse, Herzog, Jové Peres, Kaufmann, Koulourianos, Krarup, Krivine, Laguiller, Manisco, Markov, Marset Campos, Meijer, Modrow, Morgantini, Papayannakis, Puerta, Ribeiro, Scarbonchi, Schmid Herman, Schröder Ilka, Seppänen, Sjöstedt, Vinci

NI: Berthu, Beysen, Cappato, Claeys, Dell'Alba, Della Vedova, Dillen, Dupuis, Garaud, Gobbo, Gollnisch, Gorostiaga Atxalandabaso, Hager, Ilgenfritz, Lang, de La Perriere, Martin Hans-Peter, Mennea, Pannella, Raschhofer, Sichrovsky, Souchet, Speroni, Stirbois, Turco, Varaut

PPE-DE: Almeida Garrett, Andria, Arvidsson, Atkins, Averoff, Avilés Perea, Banotti, Bartolozzi, Bastos, Bayona de Perogordo, von Boetticher, Bourlanges, Bowis, Bradbourn, Bremmer, Brienza, Brok, Callanan, Camisón Asensio, Cardoso, Cederschiöld, Chichester, Coelho, Costa Raffaele, Daul, Descamps, De Veyrac, Dimitrakopoulos, Dover, Doyle, Elles, Evans Jonathan, Ferber, Fernández Martín, Ferrer, Fiori, Flemming, Foster, Fourtou, Gahler, García-Orcoyen Tormo, Garriga Polledo, Glase, Gomolka, Goodwill, Gouveia, Graça Moura, Grönfeldt Bergman, Grossetête, Gutiérrez-Cortines, Hannan, Hansenne, Harbour, Hatzidakis, Heaton-Harris, Hermange, Hernández Mollar, Herranz García, Hieronymi, Jackson, Jarzembowski, Jeggle, Kaldi, Karas, Kastler, Kauppi, Keppelhoff-Wiechert, Khanbhai, Kirkhope, Klamt, Klaß, Knolle, Koch, Konrad, Korhola, Kratsa-Tsagaropoulou, Lamassoure, Langen, Langenhagen, Laschet, Lechner, Liese, Lisi, Lulling, Maat, McCartin, McMillan-Scott, Mann Thomas, Marinos, Marques, Mastella, Matikainen-Kallström, Mayer Hans-Peter, Mayer Xaver, Menrad, Mombaur, Montfort, Morillon, Nassauer, Nicholson, Niebler, Nisticò, Ojeda Sanz, Oomen-Ruijten, Oostlander, Oreja Arburúa, Pacheco Pereira, Pack, Parish, Pastorelli, Pérez Álvarez, Perry, Pex, Pirker, Piscarreta, Podestà, Poettering, Posselt, Provan, Purvis, Rack, Radwan, Redondo Jiménez, Rovsing, Rübig, Sacrédeus, Salafranca Sánchez-Neyra, Santer, Santini, Schaffner, Schierhuber, Schleicher, Schmitt, Schnellhardt, Schwaiger, Smet, Sommer, Stauner, Stenmarck, Stenzel, Stevenson, Stockton, Sturdy, Sudre, Suominen, Tajani, Tannock, Theato, Thyssen, Trakatellis, Twinn, Van Orden, Varela Suanzes-Carpegna, van Velzen, de Veyrinas, Villiers, Vlasto, Wachtmeister, Wenzel-Perillo, Wieland, Wijkman, von Wogau, Wuermeling, Zacharakis, Zappalà, Zimmerling, Zissener

PSE: Barón Crespo, Medina Ortega, Terrón i Cusí

UEN: Andrews, Berlato, Caullery, Collins, Crowley, Marchiani, Muscardini, Musumeci, Nobilia, Pasqua, Queiró, Ribeiro e Castro, Segni, Thomas-Mauro

Verts/ALE: Gahrton, Graefe zu Baringdorf, McKenna, Schörling, Staes, Wuori, Wyn

Onthoudingen: 31

ELDR: Andreasen, Busk

GUE/NGL: Alyssandrakis, Korakas, Patakis

PSE: Lund, Mendiluce Pereiro

Verts/ALE: Aaltonen, Ahern, Auroi, Bouwman, Buitenweg, Cohn-Bendit, Duthu, Echerer, Evans Jillian, Flautre, Frassoni, Hudghton, Isler Béguin, Jonckheer, Lagendijk, Lambert, MacCormick, Maes, Nogueira Román, Onesta, de Roo, Rühle, Schroedter, Voggenhuber

31.   Verslag Bösch A5-0135/2004

Amendementen 2 + 6

Voor: 233

ELDR: André-Léonard, Attwooll, Boogerd-Quaak, Costa Paolo, Davies, De Clercq, Duff, Dybkjær, Flesch, Formentini, Huhne, Lynne, Maaten, Malmström, Manders, Mulder, Newton Dunn, Nicholson of Winterbourne, Nordmann, Olsson, Paulsen, Pesälä, Pohjamo, Rousseaux, Rutelli, Sbarbati, Schmidt, Sterckx, Thors, Väyrynen, Van Hecke, Vermeer, Virrankoski, Wallis, Watson

GUE/NGL: Ainardi, Alavanos, Bakopoulos, Bergaz Conesa, Bertinotti, Boudjenah, Brie, Caudron, Cossutta, Fiebiger, Figueiredo, Fraisse, Herzog, Jové Peres, Kaufmann, Koulourianos, Manisco, Markov, Marset Campos, Meijer, Modrow, Morgantini, Papayannakis, Puerta, Ribeiro, Scarbonchi, Vachetta, Vinci

NI: Gorostiaga Atxalandabaso

PPE-DE: Bodrato, Cocilovo, De Mita, Deprez, Marini

PSE: Andersson, Aparicio Sánchez, Baltas, Barón Crespo, Berenguer Fuster, van den Berg, Berger, Bösch, Bowe, Bullmann, van den Burg, Carnero González, Carraro, Carrilho, Casaca, Cercas, Cerdeira Morterero, Ceyhun, Corbett, Corbey, Darras, Dehousse, De Keyser, Dhaene, Díez González, Dührkop Dührkop, Duhamel, Duin, El Khadraoui, Ettl, Evans Robert J.E., Färm, Fava, Garot, Gebhardt, Ghilardotti, Gill, Gillig, Glante, Goebbels, Görlach, Guy-Quint, Hänsch, Haug, Hedkvist Petersen, Honeyball, Howitt, Hughes, van Hulten, Hume, Imbeni, Izquierdo Collado, Jöns, Karamanou, Karlsson, Katiforis, Keßler, Kindermann, Kinnock, Koukiadis, Krehl, Kreissl-Dörfler, Kuckelkorn, Kuhne, Lage, Lalumière, Lange, Leinen, Linkohr, McAvan, McNally, Malliori, Mann Erika, Martin David W., Martínez Martínez, Mastorakis, Medina Ortega, Mendiluce Pereiro, Menéndez del Valle, Miguélez Ramos, Miller, Miranda de Lage, Moraes, Morgan, Müller, Murphy, Myller, Napoletano, Obiols i Germà, Paasilinna, Paciotti, Pérez Royo, Piecyk, Pittella, Poignant, Poos, Prets, Randzio-Plath, Read, Rocard, Roth-Behrendt, Rothe, Rothley, Roure, Ruffolo, Sacconi, Sandberg-Fries, dos Santos, Sauquillo Pérez del Arco, Savary, Scheele, Schmid Gerhard, Schulz, Simpson, Skinner, Sornosa Martínez, Souladakis, Sousa Pinto, Stihler, Stockmann, Swiebel, Swoboda, Terrón i Cusí, Theorin, Torres Marques, Tsatsos, Vairinhos, Van Lancker, Vattimo, Walter, Watts, Weiler, Whitehead, Wiersma, Wynn, Zorba, Zrihen

Verts/ALE: Aaltonen, Ahern, Auroi, Bouwman, Breyer, Buitenweg, Cohn-Bendit, Duthu, Echerer, Evans Jillian, Flautre, Frassoni, Graefe zu Baringdorf, Jonckheer, Lagendijk, Lambert, MacCormick, Maes, Mayol i Raynal, Nogueira Román, Onesta, de Roo, Rühle, Schroedter, Sörensen, Voggenhuber, Wyn

Tegen: 242

EDD: Abitbol, Andersen, Bernié, Blokland, Bonde, Booth, Coûteaux, van Dam, Farage, Kuntz, Saint-Josse, Sandbæk, Titford

GUE/NGL: Bordes, Cauquil, Di Lello Finuoli, Eriksson, Krarup, Krivine, Laguiller

NI: Berthu, Beysen, Cappato, Claeys, Dell'Alba, Della Vedova, Dillen, Dupuis, Gobbo, Gollnisch, Hager, Ilgenfritz, Kronberger, Lang, de La Perriere, Martin Hans-Peter, Mennea, Pannella, Raschhofer, Sichrovsky, Souchet, Speroni, Stirbois, Turco, Varaut

PPE-DE: Almeida Garrett, Andria, Arvidsson, Atkins, Averoff, Avilés Perea, Banotti, Bartolozzi, Bastos, Bayona de Perogordo, Berend, Böge, von Boetticher, Bourlanges, Bowis, Bradbourn, Bremmer, Brok, Callanan, Camisón Asensio, Cardoso, Chichester, Coelho, Costa Raffaele, Daul, Descamps, De Veyrac, Dimitrakopoulos, Dover, Doyle, Elles, Evans Jonathan, Fatuzzo, Ferber, Fernández Martín, Ferrer, Fiori, Flemming, Florenz, Foster, Fourtou, Gahler, García-Orcoyen Tormo, Garriga Polledo, Glase, Goepel, Gomolka, Goodwill, Gouveia, Graça Moura, Grönfeldt Bergman, Grosch, Grossetête, Gutiérrez-Cortines, Hannan, Hansenne, Harbour, Hatzidakis, Heaton-Harris, Hermange, Hernández Mollar, Herranz García, Hieronymi, Jackson, Jarzembowski, Jeggle, Kaldi, Karas, Kastler, Kauppi, Keppelhoff-Wiechert, Khanbhai, Kirkhope, Klamt, Klaß, Knolle, Koch, Konrad, Korhola, Kratsa-Tsagaropoulou, Lamassoure, Langen, Langenhagen, Laschet, Lechner, Lehne, Liese, Lisi, Lulling, Maat, McCartin, McMillan-Scott, Mann Thomas, Marinos, Marques, Mastella, Matikainen-Kallström, Mayer Hans-Peter, Mayer Xaver, Menrad, Mombaur, Montfort, Morillon, Nassauer, Nicholson, Niebler, Nisticò, Ojeda Sanz, Oomen-Ruijten, Oostlander, Oreja Arburúa, Pacheco Pereira, Pack, Parish, Pastorelli, Pérez Álvarez, Perry, Pex, Pirker, Piscarreta, Podestà, Poettering, Posselt, Provan, Purvis, Quisthoudt-Rowohl, Rack, Radwan, Redondo Jiménez, Rovsing, Rübig, Sacrédeus, Salafranca Sánchez-Neyra, Santer, Santini, Schaffner, Schierhuber, Schleicher, Schmitt, Schnellhardt, Schwaiger, Smet, Sommer, Stauner, Stenmarck, Stenzel, Stevenson, Stockton, Sturdy, Sudre, Suominen, Tajani, Tannock, Theato, Thyssen, Trakatellis, Twinn, Van Orden, Varela Suanzes-Carpegna, van Velzen, de Veyrinas, Villiers, Vlasto, Wachtmeister, Wenzel-Perillo, Wieland, Wijkman, von Wogau, Wuermeling, Zacharakis, Zappalà, Zimmerling, Zissener

UEN: Andrews, Berlato, Caullery, Collins, Crowley, Hyland, Marchiani, Muscardini, Musumeci, Nobilia, Pasqua, Queiró, Ribeiro e Castro, Segni, Thomas-Mauro, Turchi

Verts/ALE: Boumediene-Thiery, Gahrton, Lannoye, Lucas, McKenna, Rod, Staes, Wuori

Onthoudingen: 13

ELDR: Andreasen, Busk

GUE/NGL: Alyssandrakis, Korakas, Patakis, Schmid Herman, Schröder Ilka, Seppänen, Sjöstedt

NI: Garaud

PSE: Lund

Verts/ALE: Isler Béguin, Schörling


AANGENOMEN TEKSTEN

 

P5_TA(2004)0189

VN/ECE-reglement: Goedkeuring van hoeklichten voor motorvoertuigen ***

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement betreffende het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende het standpunt van de Europese Gemeenschap over het ontwerp-reglement van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties met betrekking tot uniforme voorschriften voor de goedkeuring van hoeklichten voor motorvoertuigen (COM(2003) 498 — 5925/2004 — C5-0113/2004 — 2003/0188(AVC))

(Instemmingsprocedure)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel voor een besluit van de Raad (COM(2003) 498 — 5925/2004) (1),

gezien het besluit van de Raad 97/836/EG van 27 november 1997 (2),

gezien het verzoek van de Raad om instemming overeenkomstig artikel 300, lid 3, tweede alinea van het EG-Verdrag (C5-0113/2004),

gelet op de artikelen 86, lid 1, 97, lid 7 en 158, lid 1 van zijn Reglement,

gezien de aanbeveling van de Commissie industrie, externe handel, onderzoek en energie (A5-0146/2004),

1.

stemt in met het voorstel voor een besluit van de Raad;

2.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.


(1)  Nog niet in het PB gepubliceerd.

(2)  PB L 346 van 17.12.1997, blz. 78.

P5_TA(2004)0190

Richtlijn 72/462/EEG *

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement over het voorstel voor een richtlijn van de Raad tot intrekking van Richtlijn 72/462/EEG (COM(2004) 71 — C5-0110/2004 — 2004/0022(CNS))

(Raadplegingsprocedure)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan de Raad (COM(2004) 71) (1),

gelet op de artikelen 37 en 94 van het EG-Verdrag, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C5-0110/2004),

gelet op artikel 67 en artikel 158, lid 1 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en consumentenbeleid (A5-0178/2004),

1.

hecht zijn goedkeuring aan het voorstel van de Commissie;

2.

verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

3.

wenst dat de overlegprocedure als bedoeld in de gemeenschappelijke verklaring van 4 maart 1975 wordt ingeleid ingeval de Raad voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst;

4.

wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in het voorstel van de Commissie;

5.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.


(1)  Nog niet in het PB gepubliceerd.

P5_TA(2004)0191

Communautaire statistiek inzake de betalingsbalans, de internationale handel in diensten en buitenlandse directe investeringen *** I

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de communautaire statistiek inzake de betalingsbalans, de internationale handel in diensten en buitenlandse directe investeringen (COM(2003) 507 — C5-0402/2003 — 2003/0200(COD))

(Medebeslissingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2003) 507) (1),

gelet op artikel 251, lid 2 en artikel 285, lid 1 van het EG-Verdrag, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C5-0402/2003),

gelet op artikel 67 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie industrie, externe handel, onderzoek en energie (A5-0210/2004),

1.

hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel, als geamendeerd door het Parlement;

2.

verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in dit voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.


(1)  Nog niet in het PB gepubliceerd.

P5_TC1-COD(2003)0200

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 30 maart 2004met het oog op de aanneming van Verordening (EG) nr. .../2004 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de communautaire statistiek inzake de betalingsbalans, de internationale handel in diensten en buitenlandse directe investeringen

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 285, lid 1,

Gezien het voorstel van de Commissie (1),

Na raadpleging van de Europese Centrale Bank overeenkomstig artikel 105, lid 4, van het Verdrag (2),

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag (3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Volgens artikel 99, lid 3, van het Verdrag moet de Commissie bij de Raad rapporten indienen om de Raad in staat te stellen toe te zien op de economische ontwikkelingen in elke lidstaat en in de Gemeenschap, alsmede op de overeenstemming van het economisch beleid met bepaalde globale richtsnoeren.

(2)

Volgens artikel 133, leden 2 en 3, van het Verdrag doet de Commissie aan de Raad voorstellen voor de tenuitvoerlegging van de gemeenschappelijke handelspolitiek en machtigt de Raad de Commissie tot het openen van onderhandelingen.

(3)

Voor de tenuitvoerlegging en de herziening van handelsovereenkomsten, waaronder de Algemene Overeenkomst betreffende de handel in diensten (GATS) (4), en van de Overeenkomst inzake de handelsaspecten van de intellectuele eigendom (TRIPs) (5) en voor de lopende en de toekomstige onderhandelingen over andere overeenkomsten moet relevante statistische informatie beschikbaar worden gesteld.

(4)

Verordening (EG) nr. 2223/96 van de Raad van 25 juni 1996 inzake het Europees systeem van nationale en regionale rekeningen in de Gemeenschap (6) (ESA 95) bevat het referentiekader voor gemeenschappelijke normen, definities, classificaties en registratieregels, dat bestemd is voor het opstellen van de rekeningen van de lidstaten overeenkomstig de statistische eisen van de Europese Gemeenschap, zodat resultaten worden verkregen die van lidstaat tot lidstaat vergelijkbaar zijn.

(5)

Het Actieplan over de statistische vereisten van de EMU dat in september 2000 bij de Raad is ingediend en het derde, vierde en vijfde voortgangsverslag, die eveneens door de Raad werden ondersteund, voorzien in de indiening binnen negentig dagen van Europese kwartaalrekeningen door de institutionele sector. De tijdige indiening van driemaandelijkse betalingsbalanscijfers is een eerste vereiste voor de opstelling van deze Europese kwartaalrekeningen.

(6)

Bij Verordening (EG, Euratom) nr. 58/97 van de Raad van 20 december 1996 inzake structurele bedrijfsstatistieken (7) is een gemeenschappelijk kader gecreëerd voor het verzamelen, opstellen, toezenden en evalueren van communautaire statistieken over de structuur, de activiteiten, het concurrentievermogen en de prestaties van ondernemingen in de Gemeenschap en zijn de variabelen bepaald die op dit gebied moeten worden verzameld.

(7)

Verordening (EG) nr. 2560/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 19 december 2001 betreffende grensoverschrijdende betalingen in euro  (8) heeft een directe invloed op de verzameling van statistieken gehad en een verhoging van de drempels in die verordening zou een significante invloed hebben op de rapportagevereisten voor ondernemingen en op de kwaliteit van de betalingsbalans van lidstaten, met name in landen met een verzamelsysteem gebaseerd op verrekeningen.

(8)

In het Balance of Payments Manual van het Internationaal Monetair Fonds, het Richtsnoer van de Europese Centrale Bank van 2 mei 2003 betreffende de statistische rapportagevereisten van de Europese Centrale Bank met betrekking tot betalingsbalansstatistieken en statistieken betreffende de internationale investeringspositie en het template van de internationale reserves (9), het Manual on statistics of international trade in services van de Verenigde Naties en de Benchmark Definition of Foreign Direct Investment van de OESO worden de algemene regels bepaald voor het opstellen van statistieken over de betalingsbalans, de internationale handel in diensten en buitenlandse directe investeringen.

(9)

De Europese Centrale Bank en de Commissie zorgen, indien nodig, voor coördinatie van de werkzaamheden op het gebied van het opstellen van statistieken inzake betalingsbalansen. Deze verordening definieert welke statistische informatie de Commissie van de lidstaten moet ontvangen om communautaire statistieken inzake de betalingsbalans, de internationale handel in diensten en buitenlandse directe investeringen te kunnen opstellen. De Commissie en de lidstaten voeren overleg over zaken die verband houden met de kwaliteit van de geleverde gegevens en de productie en verspreiding van deze communautaire statistieken.

(10)

Overeenkomstig artikel 3, lid 2, van Verordening (Euratom, EEG) nr. 1588/90 van de Raad van 11 juni 1990 betreffende de toezending van onder de statistische geheimhoudingsplicht vallende gegevens aan het Bureau voor de Statistiek van de Europese Gemeenschap (10) kunnen de nationale regels inzake de statistische geheimhouding niet worden ingeroepen tegen toezending van vertrouwelijke statistische gegevens aan de communautaire instantie (Eurostat) wanneer een besluit van Gemeenschapsrecht betreffende de communautaire statistiek in toezending van deze gegevens voorziet.

(11)

Artikel 8 van Verordening (EG) nr. 2533/98 van de Raad van 23 november 1998 met betrekking tot het verzamelen van statistische gegevens door de Europese Centrale Bank (11) voorziet in een geheimhoudingsplicht voor vertrouwelijke statistische gegevens die aan de Europese Centrale Bank worden toegezonden.

(12)

Voor de productie van specifieke communautaire statistieken gelden de regels die zijn bepaald in Verordening (EG) nr. 322/97 van de Raad van 17 februari 1997 (12) .

(13)

Aangezien de doelstellingen van het vereiste optreden, namelijk de totstandbrenging van gemeenschappelijke statistische kwaliteitsnormen voor de productie van vergelijkbare statistieken over de betalingsbalans, de internationale handel in diensten en buitenlandse directe investeringen, verder gaan dan hetgeen de lidstaten kunnen verwezenlijken en derhalve vanwege de omvang of de gevolgen van het optreden beter op Gemeenschapsniveau kunnen worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap maatregelen goedkeuren overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel, zoals bepaald in artikel 5 van het Verdrag. Overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel, zoals bepaald in dat artikel, gaat deze verordening niet verder dan wat voor de verwezenlijking van die doelstellingen noodzakelijk is.

(14)

Er is duidelijk behoefte aan de productie van statistieken op communautair niveau over de betalingsbalans, de internationale handel in diensten en buitenlandse directe investeringen die aan gemeenschappelijke statistische kwaliteitsnormen beantwoorden.

(15)

Teneinde de naleving van de in deze verordening vastgestelde verplichtingen te waarborgen, moeten de nationale instanties die in de lidstaten voor de verzameling van de gegevens verantwoordelijk zijn, eventueel toegang hebben tot administratieve gegevensbronnen zoals bedrijfsregisters die door andere overheidsinstellingen worden bijgehouden en andere gegevensbanken die informatie over grensoverschrijdende transacties en posities bevatten, telkens wanneer deze gegevens voor de productie van communautaire statistieken noodzakelijk zijn.

(16)

De voor de tenuitvoerlegging van deze verordening vereiste maatregelen moeten worden goedgekeurd overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden (13),

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp

Deze verordening stelt een gemeenschappelijk kader vast voor de systematische productie van communautaire statistieken over de betalingsbalans, de internationale handel in diensten en buitenlandse directe investeringen.

Artikel 2

Indiening van de gegevens

1.   De lidstaten dienen bij de Commissie (Eurostat) gegevens in over de betalingsbalans, de internationale handel in diensten en buitenlandse directe investeringen overeenkomstig bijlage I. De gegevens moeten aan de definities in bijlage II beantwoorden.

2.   De lidstaten dienen de gegevens bij de Commissie in overeenkomstig de in bijlage I genoemde termijnen.

Artikel 3

Gegevensbronnen

1.   De lidstaten verzamelen de krachtens deze verordening vereiste informatie onder gebruikmaking van alle bronnen die zij relevant en geëigend achten. Hieronder kunnen ook administratieve bronnen vallen, zoals bedrijfsregisters.

2.   Informatieplichtige natuurlijke en rechtspersonen leven bij de indiening van gegevens de tijdslimieten en definities na die zijn vastgesteld door de nationale instanties die in de lidstaten voor de verzameling van gegevens verantwoordelijk zijn in overeenstemming met deze verordening.

3.   Waar de vereiste gegevens niet tegen redelijke kosten kunnen worden verzameld, mogen optimale schattingen worden toegezonden (inclusief nulwaarden) .

Artikel 4

Kwaliteitscriteria en rapporten

1.   De lidstaten nemen alle redelijke maatregelen die zij nodig achten om de kwaliteit van de toegezonden gegevens volgens gemeenschappelijke kwaliteitsnormen te waarborgen.

2.   De lidstaten dienen bij de Commissie een rapport in over de kwaliteit van de toegezonden gegevens (hierna kwaliteitsrapporten genoemd).

3.   De gemeenschappelijke kwaliteitsnormen, alsmede de inhoud en de frequentie van de kwaliteitsrapporten, worden door het comité nader gespecificeerd in overeenstemming met de in artikel 11, lid 2, genoemde procedure , rekening houdend met de gevolgen voor de kosten van het verzamelen en samenstellen van de gegevens en belangrijke wijzigingen met betrekking tot de verzameling van gegevens.

De kwaliteit van de toegezonden gegevens wordt op grond van de kwaliteitsrapporten beoordeeld door de Commissie, bijgestaan door het Betalingsbalanscomité. Deze beoordeling door de Commissie wordt ter informatie aan het Europees Parlement toegezonden.

4.   De lidstaten brengen de Commissie op de hoogte van belangrijke methodische of andere veranderingen die de toegezonden gegevens kunnen beïnvloeden, en wel uiterlijk drie maanden na de inwerkingtreding van dergelijke veranderingen. De Commissie stelt het Europees Parlement en de overige lidstaten van dergelijke mededelingen in kennis.

Artikel 5

Gegevensstromen

De te produceren statistieken worden voor toezending aan de Commissie gegroepeerd overeenkomstig de volgende gegevensstromen:

a)

euro-indicatoren betalingsbalans;

b)

kwartaalstatistieken betalingsbalans;

c)

internationale handel in diensten;

d)

directe buitenlandse investeringsstromen (DBI)

e)

DBI-posities.

De gegevensstromen moeten aan de specificaties in bijlage I beantwoorden.

Artikel 6

Referentieperiode en frequentie

De lidstaten stellen de gegevensstromen samen volgens de relevante eerste referentieperiode en frequentie zoals gespecificeerd in bijlage I.

Artikel 7

Toezending van de gegevens

De lidstaten zenden aan de Commissie de krachtens deze verordening vereiste gegevens toe volgens een formaat en een procedure die door de Commissie overeenkomstig de in artikel 11, lid 2, genoemde procedure worden bepaald.

Artikel 8

Toezending en uitwisseling van vertrouwelijke gegevens

1.    Onverminderd het bepaalde in artikel 5, lid 4 van Verordening (Euratom, EEG) nr. 1588/90 kan de verzending van vertrouwelijke gegevens tussen Eurostat en de Europese Centrale Bank plaatsvinden voorzover deze verzending noodzakelijk is om de samenhang te waarborgen tussen de betalingsbalanscijfers van de Europese Unie en die van het economisch grondgebied van de lidstaten die de eenheidsmunt overeenkomstig het Verdrag hebben aangenomen.

De eerste alinea is van toepassing op voorwaarde dat de Europese Centrale Bank rekening houdt met de in artikel 10 van Verordening (EG) nr. 322/97 bepaalde beginselen en met het bepaalde in artikel 14 van dezelfde verordening .

2.   De uitwisseling van vertrouwelijke gegevens, zoals bepaald in artikel 13 van Verordening (EG) nr. 322/97, is toegestaan tussen lidstaten wanneer deze uitwisseling noodzakelijk is om de kwaliteit van de betalingsbalanscijfers van de Europese Unie te waarborgen.

De lidstaten die vertrouwelijke gegevens van andere lidstaten ontvangen, behandelen die informatie vertrouwelijk.

Artikel 9

Verspreiding

De Commissie verspreidt de krachtens deze verordening geproduceerde communautaire statistieken met een frequentie zoals gespecificeerd in bijlage I.

Artikel 10

Aanpassing aan de economische en technische vooruitgang

De maatregelen die vereist zijn om rekening te houden met economische en technische veranderingen worden vastgelegd overeenkomstig de in artikel 11, lid 2, genoemde procedure.

Dergelijke maatregelen hebben betrekking op:

a)

de bijwerking van de definities (bijlage II);

b)

de bijwerking van de gegevensvereisten, met inbegrip van indieningstermijnen en herzieningen, uitbreidingen en stopzettingen van de gegevensstromen (bijlage I).

Artikel 11

Comité

1.   De Commissie wordt bijgestaan door een Comité, het zogenoemde Betalingsbalanscomité.

2.   Indien naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 5 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, gelet op de bepalingen van artikel 8 van dat besluit.

De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG genoemde termijn bedraagt drie maanden.

3.   Het Comité stelt zijn reglement van orde vast.

4.   De Europese Centrale Bank kan de vergaderingen van het comité als waarnemer bijwonen.

Artikel 12

Uitvoeringsrapport

Binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze verordening legt de Commissie het Europees Parlement en de Raad een verslag voor over de uitvoering van de verordening,

waarin met name:

a)

de kwaliteit van de geproduceerde statistieken wordt beschreven;

b)

de voordelen voor de Gemeenschap, de lidstaten en de verstrekkers en de gebruikers van de geproduceerde statistieken worden beoordeeld in verhouding tot de kosten;

c)

gebieden worden aangegeven waar mogelijke verbeteringen en aanpassingen in het licht van de verkregen resultaten noodzakelijk worden geacht;

d)

de werking van het betalingsbalanscomité wordt beoordeeld en wordt aangegeven of het toepassingsgebied van de uitvoeringsmaatregelen opnieuw moet worden gedefinieerd.

Artikel 13

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te ..., op ...

Voor het Europees Parlement

De Voorzitter

Voor de Raad

De Voorzitter


(1)  PB C (...) van (...), blz. (...).

(2)  PB C (...) van (...), blz. (...).

(3)  Standpunt van het Europees Parlement van 30 maart 2004.

(4)  PB L 336 van 23.12.1994, blz. 191.

(5)  PB L 336 van 23.12.1994, blz. 214.

(6)  PB L 310 van 30.11.1996, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1267/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 180 van 18.7.2003, blz. 1 ).

(7)  PB L 14 van 17.1.1997, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1882/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 284 van 31.10.2003, blz. 1).

(8)  PB L 344 van 28.12.2001, blz. 13.

(9)  PB L 131 van 28.5.2003, blz. 20.

(10)  PB L 151 van 15.6.1990, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1882/2003.

(11)  PB L 318 van 27.11.1998, blz. 8.

(12)  PB L 52 van 22.2.1997, blz. 1. Gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1882/2003.

(13)  PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.

BIJLAGE I

GEGEVENSSTROMEN

1.   Euro-indicatoren betalingsbalans

BOP_EUR

euro-indicatoren

Termijn: T + 2 maanden

Frequentie: kwartaal

 

Credit

Debet

Netto

Lopende rekening

Extra-EU

Extra-EU

Extra-EU

Diensten

Extra-EU

Extra-EU

Extra-EU


2.   kwartaalstatistieken betalingsbalans

BOP_Q

kwartaalgegevens

Termijn: T + 3 maanden

Frequentie: kwartaal

 

Credit

Debet

Netto

I.

Lopende rekening

Niveau 1

Niveau 1

Niveau 1

Goederen

Niveau 1

Niveau 1

Niveau 1

Diensten

Niveau 1

Niveau 1

Niveau 1

Vervoer

Niveau 1

Niveau 1

Niveau 1

Reizen

Niveau 1

Niveau 1

Niveau 1

Communicatiediensten

Niveau 1

Niveau 1

Niveau 1

Bouwdiensten

Niveau 1

Niveau 1

Niveau 1

Verzekeringsdiensten

Niveau 1

Niveau 1

Niveau 1

Financiële diensten

Niveau 1

Niveau 1

Niveau 1

Computer- en informatiediensten

Niveau 1

Niveau 1

Niveau 1

Royalty's en licentierechten

Niveau 1

Niveau 1

Niveau 1

Overige zakelijke dienstverlening

Niveau 1

Niveau 1

Niveau 1

Persoonlijke, culturele en recreatiediensten

Niveau 1

Niveau 1

Niveau 1

Overheidsdiensten, n.e.g.

Niveau 1

Niveau 1

Niveau 1

Inkomens

Niveau 1

Niveau 1

Niveau 1

Beloning van werknemers

Niveau 1

Niveau 1

Niveau 1

Inkomen uit beleggingen en investeringen

 

 

 

— Directe investeringen

Niveau 1

Niveau 1

Niveau 1

— Effectenverkeer

Extra-EU

 

Wereld

— Overige investeringen

Extra-EU

Extra-EU

Extra-EU

Lopende overdrachten

Niveau 1

Niveau 1

Niveau 1

Algemene overheid

Extra-EU

Extra-EU

Extra-EU

Overige sectoren

Extra-EU

Extra-EU

Extra-EU

II.

Vermogensoverdrachtenrekening

Extra-EU

Extra-EU

Extra-EU

 

 

Netto activa

Netto passiva

Netto

III.

Financiële rekening

 

 

 

Directe investeringen

 

 

Niveau 1

In het buitenland

 

 

Niveau 1

— Vermogen

 

 

Niveau 1

— Geherinvesteerde winsten

 

 

Niveau 1

— Overige financiële activa

 

 

Niveau 1

In de rapporterende economie

 

 

Niveau 1

— Vermogen

 

 

Niveau 1

— Geherinvesteerde winsten

 

 

Niveau 1

— Overige financiële activa

 

 

Niveau 1

Effectenverkeer

Extra-EU

Wereld

 

Financiële derivaten

 

 

Wereld

Overige investeringen

Extra-EU

Extra-EU

Extra-EU


3.   Internationale handel in diensten

BOP_ITS

Internationale handel in diensten

Termijn: T + 9 maanden

Frequentie: jaarlijks

 

Credit

Debet

Netto

Totaal diensten

Niveau 3

Niveau 3

Niveau 3

Vervoer

Niveau 2

Niveau 2

Niveau 2

Vervoer over zee

Niveau 2

Niveau 2

Niveau 2

— Reizigers

Niveau 2

Niveau 2

Niveau 2

— Vracht

Niveau 2

Niveau 2

Niveau 2

— Overig

Niveau 2

Niveau 2

Niveau 2

Luchtvervoer

Niveau 2

Niveau 2

Niveau 2

— Reizigers

Niveau 2

Niveau 2

Niveau 2

— Vracht

Niveau 2

Niveau 2

Niveau 2

— Overig

Niveau 2

Niveau 2

Niveau 2

Overig vervoer

Niveau 2

Niveau 2

Niveau 2

— Reizigers

Niveau 2

Niveau 2

Niveau 2

— Vracht

Niveau 2

Niveau 2

Niveau 2

— Overig

Niveau 2

Niveau 2

Niveau 2

Uitgebreide classificatie van overig vervoer

Niveau 2

Niveau 2

Niveau 2

Ruimtevaart

Niveau 2

Niveau 2

Niveau 2

Vervoer per spoor

Niveau 2

Niveau 2

Niveau 2

— Reizigers

Niveau 2

Niveau 2

Niveau 2

— Vracht

Niveau 2

Niveau 2

Niveau 2

— Overig

Niveau 2

Niveau 2

Niveau 2

Vervoer over de weg

Niveau 2

Niveau 2

Niveau 2

— Reizigers

Niveau 2

Niveau 2

Niveau 2

— Vracht

Niveau 2

Niveau 2

Niveau 2

— Overig

Niveau 2

Niveau 2

Niveau 2

Vervoer per binnenvaart

Niveau 2

Niveau 2

Niveau 2

— Reizigers

Niveau 2

Niveau 2

Niveau 2

— Vracht

Niveau 2

Niveau 2

Niveau 2

— Overig

Niveau 2

Niveau 2

Niveau 2

Vervoer via pijpleidingen en transmissie van elektriciteit

Niveau 2

Niveau 2

Niveau 2

Overige vervoerondersteunende diensten

Niveau 2

Niveau 2

Niveau 2

Reizen

Niveau 2

Niveau 2

Niveau 2

Zakenreizen

Niveau 2

Niveau 2

Niveau 2

— Uitgaven door seizoen- en grensarbeiders

Niveau 2

Niveau 2

Niveau 2

— Overig

Niveau 2

Niveau 2

Niveau 2

Privé-reizen

Niveau 2

Niveau 2

Niveau 2

— Uitgaven voor gezondheid

Niveau 2

Niveau 2

Niveau 2

— Uitgaven voor onderwijs

Niveau 2

Niveau 2

Niveau 2

— Overig

Niveau 2

Niveau 2

Niveau 2

Communicatiediensten

Niveau 2

Niveau 2

Niveau 2

Post- en koeriersdiensten

Niveau 2

Niveau 2

Niveau 2

Telecommunicatiediensten

Niveau 2

Niveau 2

Niveau 2

Bouwdiensten

Niveau 2

Niveau 2

Niveau 2

Bouw in het buitenland

Niveau 2

Niveau 2

Niveau 2

Bouw in de binnenlandse economie

Niveau 2

Niveau 2

Niveau 2

Verzekeringsdiensten

Niveau 2

Niveau 2

Niveau 2

Levensverzekeringen en pensioenfondsen

Niveau 2

Niveau 2

Niveau 2

Vrachtverzekering

Niveau 2

Niveau 2

Niveau 2

Overige directe verzekeringen

Niveau 2

Niveau 2

Niveau 2

Herverzekering

Niveau 2

Niveau 2

Niveau 2

Ondersteunende diensten

Niveau 2

Niveau 2

Niveau 2

Financiële diensten

Niveau 2

Niveau 2

Niveau 2

Computer- en informatiediensten

Niveau 2

Niveau 2

Niveau 2

Computerdiensten

Niveau 2

Niveau 2

Niveau 2

Informatiediensten

Niveau 2

Niveau 2

Niveau 2

— Diensten van persagentschappen

Niveau 2

Niveau 2

Niveau 2

— Overige informatiediensten

Niveau 2

Niveau 2

Niveau 2

Royalty's en licentierechten

Niveau 2

Niveau 2

Niveau 2

Franchises en soortgelijke rechten

Niveau 2

Niveau 2

Niveau 2

Overige royalty's en licentierechten

Niveau 2

Niveau 2

Niveau 2

Overige zakelijke dienstverlening

Niveau 2

Niveau 2

Niveau 2

Transitohandel en overige diensten in verband met de handel

Niveau 2

Niveau 2

Niveau 2

— Transitohandel

Niveau 2

Niveau 2

Niveau 2

— Overige diensten in verband met de handel

Niveau 2

Niveau 2

Niveau 2

— Operationele-leasingdiensten

Niveau 2

Niveau 2

Niveau 2

Diverse zakelijke, professionele en technische diensten

Niveau 2

Niveau 2

Niveau 2

— Juridisch, boekhoudkundig en managementadvies en public relations

Niveau 2

Niveau 2

Niveau 2

— Juridische diensten

Niveau 2

Niveau 2

Niveau 2

— Accountancy-, audit-, boekhoudkundige en belastingadviesdiensten

Niveau 2

Niveau 2

Niveau 2

Diensten op het gebied van zakelijk en managementadvies en public relations

Niveau 2

Niveau 2

Niveau 2

— Reclamewezen, marktonderzoek en opinieonderzoek

Niveau 2

Niveau 2

Niveau 2

— Speurwerk en ontwikkeling

Niveau 2

Niveau 2

Niveau 2

— Architecten-, ingenieurs- en overige technische diensten

Niveau 2

Niveau 2

Niveau 2

— Landbouw, mijnbouw en verwerking ter plaatse

Niveau 2

Niveau 2

Niveau 2

— Afvalverwerking en verwijdering van verontreinigende stoffen

Niveau 2

Niveau 2

Niveau 2

— Landbouw, mijnbouw en overige verwerking ter plaatse

Niveau 2

Niveau 2

Niveau 2

— Overige zakelijke dienstverlening

Niveau 2

Niveau 2

Niveau 2

— Diensten tussen verwante ondernemingen, n.e.g.

Niveau 2

Niveau 2

Niveau 2

Persoonlijke, culturele en recreatiediensten

Niveau 2

Niveau 2

Niveau 2

Audiovisuele en aanverwante diensten

Niveau 2

Niveau 2

Niveau 2

Overige persoonlijke, culturele en recreatiediensten

Niveau 2

Niveau 2

Niveau 2

— Onderwijsdiensten

Niveau 2

Niveau 2

Niveau 2

— Gezondheidsdiensten

Niveau 2

Niveau 2

Niveau 2

— Overige

Niveau 2

Niveau 2

Niveau 2

Overheidsdiensten, n.e.g.

Niveau 2

Niveau 2

Niveau 2

Ambassades en consulaten

Niveau 2

Niveau 2

Niveau 2

Militaire eenheden en bureaus

Niveau 2

Niveau 2

Niveau 2

Overige overheidsdiensten

Niveau 2

Niveau 2

Niveau 2

Pro-memorieposten

 

 

 

Audiovisuele transacties

Niveau 1

Niveau 1

Niveau 1

Postdiensten

Niveau 1

Niveau 1

Niveau 1

Koeriersdiensten

Niveau 1

Niveau 1

Niveau 1

4.   Vragenlijsten door directe buitenlandse investeringsstromen (DBI)

BOP_FDI

Directe investeringsstromen (1)

Termijn: T + 9 maanden

Frequentie: jaarlijks

A

Geografische verdeling

Post

Type gegevens

Geografische verdeling

Indeling van activiteiten

 

Directe investeringen in het buitenland

 

 

 

510

Eigen vermogen

Netto

Niveau 2

Niet vereist

525

Geherinvesteerde winsten

Netto

Niveau 2

Niet vereist

530

Overige financiële activa

Netto

Niveau 2

Niet vereist

505

Directe investeringen in het buitenland: totaal

Netto

Niveau 3

Niet vereist

 

Directe investeringen in rapporterende economie

 

 

 

560

Eigen vermogen

Netto

Niveau 2

Niet vereist

575

Geherinvesteerde winsten

Netto

Niveau 2

Niet vereist

580

Overige financiële activa

Netto

Niveau 2

Niet vereist

555

Directe investeringen in rapporterende economie: totaal

Netto

Niveau 3

Niet vereist

 

Inkomens uit directe investeringen

 

 

 

332

Dividenden

Credit, debet, netto

Niveau 2

Niet vereist

333

Geherinvesteerde winsten en ingehouden filiaalwinsten

Credit, debet, netto

Niveau 2

Niet vereist

334

Rente op leningen

Credit, debet, netto

Niveau 2

Niet vereist

330

Inkomens uit directe investeringen: totaal

Credit, debet, netto

Niveau 3

Niet vereist


Betalingsbalans directe investeringsstromen

Directe investeringsstromen

Termijn: T + 21 maanden

Frequentie: jaarlijks

A

Geografische verdeling

Post

Type gegevens

Geografische indeling

Indeling van activiteiten

 

Directe investeringen in het buitenland

 

 

 

510

Eigen vermogen

Netto

Niveau 2

Niet vereist

525

Geherinvesteerde winsten

Netto

Niveau 2

Niet vereist

530

Overige financiële activa

Netto

Niveau 2

Niet vereist

505

Directe investeringen in het buitenland: totaal

Netto

Niveau 3

Niet vereist

 

Directe investeringen in rapporterende economie

 

 

 

560

Eigen vermogen

Netto

Niveau 2

Niet vereist

575

Geherinvesteerde winsten

Netto

Niveau 2

Niet vereist

580

Overige financiële activa

Netto

Niveau 2

Niet vereist

555

Directe investeringen in rapporterende economie: totaal

Netto

Niveau 3

Niet vereist

 

Inkomens uit directe investeringen

 

 

 

332

Dividenden

Credit, debet, netto

Niveau 2

Niet vereist

333

Geherinvesteerde winsten en ingehouden filiaalwinsten

Credit, debet, netto

Niveau 2

Niet vereist

334

Rente op leningen

Credit, debet, netto

Niveau 2

Niet vereist

330

Inkomens uit directe investeringen: totaal

Credit, debet, netto

Niveau 3

Niet vereist

B

Indeling van activiteiten

Post

Type gegevens

Geografische verdeling

Indeling van activiteiten

505

Directe investeringen in het buitenland: totaal

Netto

Niveau 1

Niveau 2

 

 

Netto

Niveau 2

Niveau 1

555

Directe investeringen in rapporterende economie: totaal

Netto

Niveau 1

Niveau 2

 

 

Netto

Niveau 2

Niveau 1

330

Inkomen uit directe investeringen: totaal

Credit, debet, netto

Niveau 1

Niveau 2

 

 

Credit, debet, netto

Niveau 2

Niveau 1

5.   Vragenlijsten door directe buitenlandse investeringsposities (DBI)

BOP_POS

Directe investeringsposities (2)

Termijn: T + 9 maanden

Frequentie: jaarlijks

A

Geografische verdeling

Post

Type gegevens

Geografische verdeling

Indeling van activiteiten

 

Activa in directe investeringen

 

 

 

506

Eigen vermogen en geherinvesteerde winsten

Nettoposities

Niveau 1

Niet vereist

530

Overige financiële activa

Nettoposities

Niveau 1

Niet vereist

505

Directe investeringen in het buitenland: totale activa, netto

Nettoposities

Niveau 2

Niet vereist

 

Passiva in directe investeringen

 

 

 

556

Eigen vermogen en geherinvesteerde winsten

Nettoposities

Niveau 1

Niet vereist

580

Overige financiële activa

Nettoposities

Niveau 1

Niet vereist

555

Directe investeringen in rapporterende economie: totaal passiva, netto

Nettoposities

Niveau 2

Niet vereist


BOP_POS

Directe investeringsposities

Termijn: T + 21 maanden

Frequentie: jaarlijks

A

Geografische verdeling

Post

Type gegevens

Geografische verdeling

Indeling van activiteiten

 

Activa in directe investeringen

 

 

 

506

Eigen vermogen en geherinvesteerde winsten

Nettoposities

Niveau 2

Niet vereist

530

Overige financiële activa

Nettoposities

Niveau 2

Niet vereist

505

Directe investeringen in het buitenland: totale activa, netto

Nettoposities

Niveau 3

Niet vereist

 

Passiva in directe investeringen

 

 

 

556

Eigen vermogen en geherinvesteerde winsten

Nettoposities

Niveau 2

Niet vereist

580

Overige financiële activa

Nettoposities

Niveau 2

Niet vereist

555

Directe investeringen in rapporterende economie: totaal passiva, netto

Nettoposities

Niveau 3

Niet vereist

B

Indeling van activiteiten

Post

Type gegevens

Geografische verdeling

Indeling van activiteiten

505

Directe investeringen in het buitenland: totale activa, netto

Nettoposities

Niveau 1

Niveau 2

 

 

 

Niveau 2

Niveau 1

555

Directe investeringen in rapporterende economie: totaal passiva, netto

Nettoposities

Niveau 1

Niveau 2

 

 

 

Niveau 2

Niveau 1

6.   Niveaus geografische verdeling

 

Niveau 1

 

Niveau 2

A1

Wereld (alle entiteiten)

A1

Wereld (alle entiteiten)

D2

EU15 (intra-EU15)

D2

EU15 (intra-EU15)

U4

Extra-eurozone

U4

Extra-eurozone

4A

EU-instellingen

4A

EU-instellingen

D4

Extra-EU15

D4

Extra-EU15

 

 

IS

IJsland

 

 

LI

Liechtenstein

 

 

NO

Noorwegen

CH

Zwitserland

CH

Zwitserland

 

 

BG

Bulgarije

 

 

HR

Kroatië

 

 

RO

Roemenië

 

 

RU

Russische Federatie

 

 

TR

Turkije

 

 

EG

Egypte

 

 

MA

Marokko

 

 

NG

Nigeria

 

 

ZA

Zuid-Afrika

CA

Canada

CA

Canada

US

Verenigde Staten van Amerika

US

Verenigde Staten

 

 

MX

Mexico

 

 

AR

Argentinië

 

 

BR

Brazilië

 

 

CL

Chili

 

 

UY

Uruguay

 

 

VE

Venezuela

 

 

IL

Israël

 

 

CN

China

 

 

HK

Hongkong

 

 

IN

India

 

 

ID

Indonesië

JP

Japan

JP

Japan

 

 

KR

Zuid-Korea

 

 

MY

Maleisië

 

 

PH

Filipijnen

 

 

SG

Singapore

 

 

TW

Taiwan

 

 

TH

Thailand

 

 

AU

Australië

 

 

NZ

Nieuw-Zeeland

Z8

Extra-EU15 niet toegewezen

Z8

Extra-EU15 niet toegewezen

C4

Financiële offshorecentra (3)

C4

Financiële offshorecentra (3)


Niveau 3

7Z

Internationale organisaties m.u.v. EU-instellingen

EG

Egypte

LK

Sri Lanka

SG

Singapore

AD

Andorra

ER

Eritrea

LR

Liberia

SH

Sint-Helena

AE

Verenigde Arabische Emiraten

ES

Spanje

LS

Lesotho

SI

Slovenië

AF

Afghanistan

ET

Ethiopië

LT

Litouwen

SK

Slowakije

AG

Antigua en Barbuda

FI

Finland

LU

Luxemburg

SL

Sierra Leone

AI

Anguilla

FJ

Fiji

LV

Letland

SM

San Marino

AL

Albanië

FK

Falklandeilanden (Malvinas)

LY

Libisch-Arabische Volks-Jamahiriyah

SN

Senegal

AM

Armenië

FM

Micronesië, Federale Staten van

MA

Marokko

SO

Somalië

AN

Nederlandse Antillen

FO

Faeröer

MD

Moldavië, Republiek

SR

Suriname

AO

Angola

FR

Frankrijk

MG

Madagaskar

ST

Sao Tome en Principe

AQ

Antarctica

GA

Gabon

MH

Marshalleilanden

SV

El Salvador

AR

Argentinië

GB

Verenigd Koninkrijk

MK (4)

Macedonië, Voormalige Joegoslavische Republiek

SY

Arabische Republiek Syrië

AS

Amerikaans-Samoa

GD

Grenada

ML

Mali

SZ

Swaziland

AT

Oostenrijk

GE

Georgië

MM

Myanmar

TC

Turks- en Caicoseilanden

AU

Australië

GG

Guernsey (geen officiële ISO 3166-1 landencode, uitzonderlijk codeelementen gereserveerd)

MN

Mongolië

TD

Tsjaad

AW

Aruba

GH

Ghana

MO

Macau

TG

Togo

AZ

Azerbeidzjan

GI

Gilbraltar

MP

Noordelijke Marianen

TH

Thailand

BA

Bosnië en Herzegovina

GL

Groenland

MQ

Martinique

TJ

Tadzjikistan

BB

Barbados

GM

Gambia

MR

Mauritanië

TK

Tokelau-eilanden

BD

Bangladesh

GN

Guinee

MS

Montserrat

TM

Turkmenistan

BE

België

GQ

Equatoriaal-Guinea

MT

Malta

TN

Tunesië

BF

Burkina Faso

GR

Griekenland

MU

Mauritius

TO

Tonga

BG

Bulgarije

GS

Zuid-Georgië en Zuidelijke Sandwicheilanden

MV

Maldiven

TP

Oost-Timor

BH

Bahrein

GT

Guatemala

MW

Malawi

TR

Turkije

BI

Burundi

GU

Guam

MX

Mexico

TT

Trinidad en Tobago

BJ

Benin

GW

Guinee-Bissau

MY

Maleisië

TV

Tuvalu

BM

Bermuda

GY

Guyana

MZ

Mozambique

TW

Taiwan, provincie van China

BN

Brunei Darussalam

HK

Hongkong

NA

Namibië

TZ

Tanzanië, Verenigde Republiek

BO

Bolivia

HM

Heard- en McDonaldeilanden

NC

Nieuw-Caledonië

UA

Oekraïne

BR

Brazilië

HN

Honduras

NE

Niger

UG

Uganda

BS

Bahama's

HR

Kroatië

NF

Norfolkeiland

UM

Amerikaanse ondergeschikte afgelegen eilanden

BT

Bhutan

HT

Haïti

NG

Nigeria

US

Verenigde Staten

BV

Bouveteiland

HU

Hongarije

NI

Nicaragua

UY

Uruguay

BW

Botswana

ID

Indonesië

NL

Nederland

UZ

Oezbekistan

BY

Belarus

IE

Ierland

NO

Noorwegen

VA

Heiligs Stoel (Vaticaanstad)

BZ

Belize

IL

Israël

NP

Nepal

VC

St Vincent and the Grenadines

CA

Canada

IM

Isle of Man (geen officiële ISO 3166-1 landencode, uitzonderlijk codeelementen gereserveerd)

NR

Nauru

VE

Venezuela

CC

Cocoseilanden

IN

India

NU

Niue

VG

Maagdeneilanden, Britse

CD

Congo, Democratische Republiek

IO

Brits Territorium in de Indische Oceaan

NZ

Nieuw-Zeeland

VI

Maagdeneilanden, Amerikaanse

CF

Centraal-Afrikaanse Republiek

IQ

Irak

OM

Oman

VN

Vietnam

CG

Congo

IR

Iran, Islamitische Republiek

PA

Panama

VU

Vanuatu

CH

Zwitserland

IS

IJsland

PE

Peru

WF

Wallis en Futuna

CI

Ivoorkust

IT

Italië

PF

Frans-Polinesië

WS

Samoa

CK

Cookeilanden

JE

Jersey (geen officiële ISO 3166-1 landencode, uitzonderlijk code-elementen gereserveerd)

PG

Papoea Nieuw-Guinea

YE

Jemen

CL

Chili

JM

Jamaica

PH

Filipijnen

YT

Mayotte

CM

Kameroen

JO

Jordanië

PK

Pakistan

YU

Joegoslavië

CN

China

JP

Japan

PL

Polen

ZA

Zuid-Afrika

CO

Colombia

KE

Kenia

PN

Pitcairn

ZM

Zambia

CR

Costa Rica

KG

Kirgizië

PR

Puerto Rico

ZW

Zimbabwe

CU

Cuba

KH

Cambodja

PS

Bezet Palestijns gebied

 

 

CV

Kaapverdië

KI

Kiribati

PT

Portugal

 

 

CX

Christmaseiland

KM

Comoren

PW

Palau

 

 

CY

Cyprus

KN

Saint Kitts en Nevis

PY

Paraguay

 

 

CZ

Tsjechië

KP

Korea, Democratische Volksrepubliek (Noord-Korea)

QA

Qatar

 

 

DE

Duitsland

KR

Korea, Republiek (Zuid-Korea)

RO

Roemenië

 

 

DJ

Djibouti

KW

Koeweit

RU

Russische Federatie

 

 

DK

Denemarken

KY

Caymaneilanden

RW

Rwanda

 

 

DM

Dominica

KZ

Kazachstan

SA

Saudi-Arabië

 

 

DO

Dominicaanse Republiek

LA

Democratische Volksrepubliek Laos

SB

Salomonseilanden

 

 

DZ

Algerije

LB

Libanon

SC

Seychellen

 

 

EC

Ecuador

LC

Saint Lucia

SD

Sudan

 

 

EE

Estland

LI

Liechtenstein

SE

Zweden

 

 

7.   Niveaus activiteitenindeling

Niveau 1

Niveau 2

 

ICFA

NACE rev. 1

 

LANDBOUW EN VISSERIJ

Sectie A, B

WINNING VAN DELFSTOFFEN

WINNING VAN DELFSTOFFEN

Sectie C

 

Waarvan:

 

 

Winning van aardolie en aardgas

Afd. 11

INDUSTRIE

INDUSTRIE

Sectie D

 

Voedings- en genotmiddelen

Subsectie DA

 

Textiel en textielproducten

Subsectie DB

 

Houtindustrie, uitgeverijen en drukkerijen

Subsecties DD & DE

 

TOTAAL activiteiten textiel en hout

 

 

Geraffineerde aardolieproducten en overige bewerkingen

Afd. 23

 

Vervaardiging van chemische producten

Afd. 24

 

Producten van rubber of kunststof

Afd. 25

Aardolie, chemische producten, rubber kunststof

TOTAAL aardolie, chemische producten, rubber en kunststof

 

 

Metaalproducten

Subsectie DJ

 

Machines, apparaten en werktuigen

Afd. 29

 

TOTAAL metaalproducten, machines, apparaten en werktuigen

 

 

Kantoormachines en computers

Afd. 30

 

Audio-, video- en telecommunicatieapparatuur

Afd. 32

Kantoormachines, computers, audio-, video- en telecommunicatieapparatuur

TOTAAL kantoormachines, computers, audio-, video- en telecommunicatieapparatuur

 

 

Motorvoertuigen

Afd. 34

 

Overige transportmiddelen

Afd. 35

Voertuigen, overige transportmiddelen

TOTAAL voertuigen + overige transportmiddelen

 

 

Industrie n.e.g.

 

ELEKTRICITEIT, GAS EN WATER

ELEKTRICITEIT, GAS EN WATER

Sectie E

BOUWNIJVERHEID

BOUWNIJVERHEID

Sectie F

TOTAAL DIENSTEN

TOTAAL DIENSTEN

 

HANDEL EN REPARATIE

HANDEL EN REPARATIE

Sectie G

 

Verkoop, onderhoud en reparatie van auto's en motorrijwielen; kleinhandel in motorbrandstoffen

Afd. 50

 

Groothandel en handelsbemiddeling, met uitzondering van de handel in auto's en motorrijwielen

Afd. 51

 

Kleinhandel, met uitzondering van de handel in auto's en motorrijwielen reparatie van consumentenartikelen

Afd. 52

HOTELS EN RESTAURANTS

HOTELS EN RESTAURANTS

Sectie H

VERVOER, OPSLAG EN COMMUNICATIE

VERVOER, OPSLAG EN COMMUNICATIE

Sectie I

 

Vervoer en opslag

Afd. 60, 61, 62, 63

 

Vervoer te land; vervoer via pijpleidingen

Afd. 60

 

Vervoer over water

Afd. 61

 

Luchtvervoer

Afd. 62

 

Vervoerondersteunende activiteiten; reisbureaus

Afd. 63

 

Post en telecommunicatie

Afd. 64

 

Posterijen en koeriers

Groep 64.1

 

Telecommunicatie

Groep 64.2

FINANCIËLE INSTELLINGEN

FINANCIËLE INSTELLINGEN

Sectie J

 

Financiële instellingen, exclusief verzekeringswezen en pensioenfondsen

Afd. 65

 

Verzekeringswezen en pensioenfondsen, exclusief verplichte sociale verzekeringen

Afd. 66

 

Ondersteunende activiteiten in verband met financiële instellingen

Afd. 67

 

EXPLOITATIE VAN EN HANDEL IN ONROEREND GOED

Sectie K, afd. 70

 

VERHUUR VAN MACHINES EN WERKTUIGEN ZONDER BEDIENINGSPERSONEEL EN VAN OVERIGE ROERENDE GOEDEREN

Sectie K, afd. 71

ACTIVITEITEN IN VERBAND MET COMPUTERS

ACTIVITEITEN IN VERBAND MET COMPUTERS

Sectie K, afd. 72

SPEUR- EN ONTWIKKELINGSWERK

SPEUR- EN ONTWIKKELINGSWERK

Sectie K, afd. 73

OVERIGE ZAKELIJKE DIENSTVERLENING

OVERIGE ZAKELIJKE DIENSTVERLENING

Sectie K, afd. 74

 

Rechtskundige dienstverlening; accountants, marktonderzoek, adviesbureaus

Groep 74.1

 

Rechtskundige dienstverlening

Klasse 74.11

 

Accountants, boekhouders en belastingconsulenten

Klasse 74.12

 

Markt- en opinieonderzoekbureaus

Klasse 74.13

 

Zakelijk en managementadvies

Klasse 74.14, 74.15

 

Architecten-, ingenieurs- en overige technische diensten

Groep 74.2

 

Reclamewezen

Groep 74.4

 

Zakelijke activiteiten n.e.g.

Groep 74.3, 74.5, 74.6, 74.7, 74.8

 

ONDERWIJS

Sectie M

 

GEZONDHEIDSZORG EN MAATSCHAPPELIJKE DIENSTVERLENING

Sectie N

 

INZAMELING EN VERWERKING VAN AFVALWATER EN AFVAL

Sectie O, afd. 90

 

VERENIGINGEN N.E.G.

Sectie O, afd. 91

CULTUUR, SPORT EN RECREATIE

CULTUUR, SPORT EN RECREATIE

Sectie O, afd. 92

 

Activiteiten op het gebied van film en video, radio en televisie en amusement

Groep 92.1, 92.2, 92.3

 

Persagentschappen

Groep 92.4

 

Bibliotheken, openbare archieven, musea en overige culturele activiteiten

Groep 92.5

 

Sport en overige recreatie

Groep 92.6, 92.7

 

OVERIGE DIENSTEN

Sectie O, afd. 93

 

Niet toegewezen

 


8.     Gegevensstromen

(Eerste referentieperioden)

Euro-indicatoren betalingsbalans

BOP_EUR

euro-indicatoren

Termijn: T + 2 maanden

Frequentie: kwartaal

Eerste referentieperiode: Q1 2006

Kwartaalstatistieken betalingsbalans

BOP_Q

kwartaalgegevens

Termijn: T + 3 maanden

Frequentie: kwartaal

Eerste referentieperiode: Q1 2006

Internationale handel in diensten

BOP_ITS

internationale handel in diensten

Termijn: T + 9 maanden

Frequentie: jaarlijks

Eerste referentieperiode: 2006

Vragenlijsten voor directe buitenlandse investeringsstromen (DBI)

BOP_DBI A

directe investeringsstromen

Termijn: T + 9 maanden

Frequentie: jaarlijks

Eerste referentieperiode: 2006

BOP_DBI A + B

directe investeringsstromen

Termijn: T + 21 maanden

Frequentie: jaarlijks

Eerste referentieperiode: 2006

Vragenlijsten voor directe buitenlandse investeringsposities (DBI)

BOP_POS A (5)

directe investeringsposities

Termijn: T + 9 maanden

Frequentie: jaarlijks

Eerste referentieperiode: 2006

BOP_POS A + B (6))

directe investeringsposities

Termijn: T + 21 maanden

Frequentie: jaarlijks

Eerste referentieperiode: 2006


(1)  Enkel de geografische verdeling.

(2)  Enkel de geografische verdeling.

(3)  Alleen voor BDI.

(4)  „Voorlopige code die geen invloed heeft op de definitieve naam van het land die zal worden vastgesteld na afloop van de lopende onderhandelingen in de Verenigde Naties.”.

(5)   DBI-posities per 31 december 2005 worden in september 2007 doorgegeven, overeenkomstig gemaakte „herenakkoorden”.

(6)   De herziene gegevens over DBI-posities per 31 december 2005 worden in september 2008 doorgegeven, overeenkomstig de bepalingen van deze verordening.

BIJLAGE II

DEFINITIES

GOEDEREN (code 100)

De goederenrekening van de lopende rekening van de betalingsbalans omvat roerende goederen die van eigenaar veranderen (tussen ingezetenen en niet-ingezetenen). Deze goederen moeten tegen marktwaarde op f.o.b.-basis worden gemeten. Uitzonderingen op de regel van de verandering van eigenaar (transacties in deze posten worden bij goederen geregistreerd) omvatten: goederen in financiële leasing, goederen die tussen een moederonderneming en een filiaal worden overgedragen en sommige goederen voor bewerking. Intra-EU-handel in goederen: het partnerland moet volgens het zendingsbeginsel worden bepaald.

Hieronder vallen: handelswaar in het algemeen, goederen voor bewerking, goederen voor reparatie, in havens aangekochte goederen en niet-monetair goud.

DIENSTEN (code 200)

Vervoer (code 205)

Omvat alle vervoerdiensten die ingezetenen van een economie voor ingezetenen van een andere economie verstrekken en die gepaard gaan met het vervoer van personen, het verkeer van goederen (vracht), huur (charter) van voertuigen met bemanning en bijbehorende ondersteunende diensten.

Zeevervoer (code 206)

Omvat alle zeevervoerdiensten. De volgende indeling moet worden gemaakt: Passagiersvervoer over zee (code 207), Vrachtvervoer over zee (code 208) en Overig zeevervoer (code 209).

Luchtvervoer (code 210)

Omvat alle luchtvervoerdiensten De volgende indeling moet worden gemaakt: Passagiersvervoer door de lucht (code 211), Vrachtvervoer door de lucht (code 212) en Overig luchtvervoer (code 213).

Overig vervoer (code 214)

Omvat alle vervoerdiensten behalve die over zee of door de lucht. De volgende indeling moet worden gemaakt: Reizigers op overig vervoer (code 215), Vracht op overig vervoer (code 216) en Overig op overig vervoer (code 217).

Een uitgebreide classificatie voor Overig vervoer (code 214) is vereist als volgt:

Ruimtevaart (code 218)

Omvat satellietlanceringen door commerciële bedrijven voor de eigenaren van de satellieten (zoals telecommunicatiebedrijven) en overige activiteiten van exploitanten van ruimtevaartapparatuur, zoals het vervoer van goederen en personen voor wetenschappelijke experimenten. Hieronder valt eveneens ruimtevaart met passagiers en de betalingen die een economie verricht om ervoor te zorgen dat haar ingezetenen in de ruimtevaartuigen van een andere economie worden meegenomen.

Spoorvervoer (code 219)

Omvat vervoer per trein. De volgende indeling moet worden gemaakt: Reizigersvervoer per spoor (code 220), Vrachtvervoer per spoor (code 221) en Overig spoorvervoer (code 222).

Vervoer over de weg (code 223)

Omvat vervoer per vrachtwagen, bus en touringcar. De volgende indeling moet worden gemaakt: Reizigersvervoer over de weg (code 224), Vrachtvervoer over de weg (code 225) en Overig vervoer over de weg (code 226)

Vervoer per binnenvaart (code 227)

Heeft betrekking op internationaal vervoer op rivieren, kanalen en meren. Hieronder vallen waterwegen die binnen één land verlopen en waterwegen die door twee of meer landen lopen. Er moet een verdere onderverdeling worden gemaakt tussen: Reizigersvervoer per binnenvaart (code 228), Vrachtvervoer per binnenvaart (code 229) en Overig vervoer per binnenvaart (code 230).

Vervoer via pijpleidingen en transmissie van elektriciteit (code 231)

Omvat internationaal vervoer van goederen via pijpleidingen. Omvat tevens kosten voor de transmissie van elektriciteit wanneer deze gescheiden is van het productie- en distributieproces. Hieronder vallen niet de elektriciteitsproductie zelf, de levering van aardolie en aanverwante producten, water en andere goederen via pijpleidingen. Hieronder vallen evenmin distributiediensten voor elektriciteit, water, gas en andere aardolieproducten (opgenomen onder Overige zakelijke dienstverlening (code 284)).

Overige vervoerondersteunende diensten (code 232)

Overige vervoerondersteunende diensten omvatten alle andere vervoerdiensten die niet onder een van de componenten van de bovengenoemde vervoerdiensten kunnen worden ondergebracht.

Reizen (code 236)

Diensten in verband met reizen omvatten hoofdzakelijk goederen en diensten die reizigers tijdens bezoeken van minder dan een jaar aan een economie aanschaffen. De goederen en diensten worden door of ten behoeve van reizigers gekocht of zonder tegenprestatie (m.a.w. als geschenk) verstrekt zodat de reizigers ze kunnen gebruiken of weggeven. Uitgezonderd zijn reizigersvervoer binnen de economieën die ze bezoeken, wanneer dat vervoer wordt verstrekt door vervoerders die geen ingezetene zijn van de bezochte economie en het internationaal reizigersvervoer, die beide onder vervoer — reizigersdiensten — vallen. Ook uitgezonderd zijn goederen die door reizigers worden gekocht voor wederverkoop in de economie van de reiziger of in een andere economie. Reizen is onderverdeeld in twee sub-componenten: Zakenreizen (code 237) en Privé-reizen (code 240).

Zakenreizen (237)

Zakenreizen omvatten de aankoop van goederen en diensten door zakenreizigers. Omvat tevens de aankoop van goederen en diensten voor persoonlijk gebruik door seizoen- en grensarbeiders en andere werknemers die geen ingezetene zijn in de economie waar zij werknemer zijn en wier werkgever in die economie ingezetene is. Zakenreizen zijn verder opgesplitst in Uitgaven door seizoen- en grensarbeiders (code 238) en Overige zakenreizen (code 239).

Uitgaven door seizoen- en grensarbeiders (code 238)

Omvat de aankoop van goederen en diensten voor persoonlijk gebruik door seizoen- en grensarbeiders en andere werknemers die geen ingezetene zijn in de economie waar zij werknemer zijn en wier werkgever in die economie ingezetene is.

Overige zakenreizen (code 239)

Omvat alle Overige zakenreizen (code 237) die niet vallen onder Uitgaven door seizoen- en grensarbeiders (code 238).

Privé-reizen (code 240)

Privé-reizen omvatten goederen een diensten die worden aangekocht door reizigers die naar het buitenland gaan om andere redenen dan voor zaken, zoals voor vakantie, deelneming aan culturele en vrijetijdsactiviteiten, bezoek aan vrienden en familie, bedevaart en voor onderwijs en gezondheid. Privé-reizen (code 240) is onderverdeeld in drie subcategorieën: Uitgaven voor gezondheid (code 241), Uitgaven voor onderwijs (code 242) en Overige privé-reizen (code 243).

Uitgaven voor gezondheid (code 241)

Wordt gedefinieerd als de totale uitgaven door personen die om medische redenen reizen.

Uitgaven voor onderwijs (code 242)

Wordt gedefinieerd als de totale uitgaven door studenten.

Overige privé-reizen (code 243)

Omvat alle Privé-reizen (code 240) die niet vallen onder Uitgaven voor gezondheid (code 241) of Uitgaven voor onderwijs (code 242).

Overige diensten (981)

Alle Diensten (code 200) die niet vallen onder Vervoer (code 205) of Reizen (code 236).

Communicatiediensten (code 245)

Deze omvatten Post- en koeriersdiensten (code 246) en Telecommunicatiediensten (code 247).

Post- en koeriersdiensten (code 246)

Omvat Postdiensten (958) en Koeriersdiensten (959).

Postdiensten (code 958)

Omvat poste-restantediensten, telegramdiensten en loketdiensten in postkantoren, zoals postzegelverkoop, betalingsmandaten enz. Postdiensten worden vaak, maar niet uitsluitend, door nationale postbedrijven verstrekt. Postdiensten zijn onderworpen aan internationale overeenkomsten en de stromen tussen exploitanten van verschillende economieën moeten op brutobasis worden geregistreerd.

Koeriersdiensten (code 959)

Koeriersdiensten zijn vooral gericht op spoedbestellingen en huis-aan-huisbezorging. Koeriers kunnen voor deze dienstverlening gebruikmaken van eigen vervoer, gedeeld privé-vervoer of openbaar vervoer. Hieronder vallen spoedbesteldiensten, die bijvoorbeeld afhaling op verzoek en bestelling op vaste tijden omvatten.

Telecommunicatiediensten (code 247)

Omvat de overbrenging van geluid, beelden of andere informatie per telefoon, telex, telegram, kabelradio en -televisie en omroep-, satelliet-, e-mail- en faxdiensten enz. met inbegrip van zakelijke netwerkdiensten, teleconferentiediensten en ondersteunende diensten. Het omvat niet de waarde van de overgebrachte informatie. Hieronder vallen ook gsm-diensten, internet-backbonediensten en on-linetoegangsdiensten, met inbegrip van verlening van internettoegang.

Bouwdiensten (code 249)

Omvat Bouw in het buitenland (code 250) en Bouw in de binnenlandse economie (code 251).

Bouw in het buitenland (code 250)

Bouw in het buitenland omvat bouwdiensten die worden verstrekt aan niet-ingezetenen door ondernemingen die ingezeten zijn in de binnenlandse economie (credit) en de goederen en diensten die in de gasteconomie door deze ondernemingen worden aangekocht (debet).

Bouw in de binnenlandse economie (code 251)

Omvat bouwdiensten die door niet-ingezeten bouwondernemingen worden verstrekt aan ingezetenen van de rapporterende economie (debet) en de goederen en diensten die in de rapporterende economie door deze niet-ingezeten ondernemingen worden aangekocht (credit).

Verzekeringsdiensten (code 253)

Omvat de verstrekking van diverse soorten verzekeringen aan niet-ingezetenen door ingezeten verzekeringsmaatschappijen en vice versa. Deze diensten worden geschat of gewaardeerd op basis van de administratiekosten die in de totale premies zijn inbegrepen en niet op basis van het totale premiebedrag. Zij omvatten Levensverzekeringen en pensioenfondsen (code 254), Vrachtverzekeringen (code 255), Overige directe verzekeringen (code 256), Herverzekeringen (code 257) en Ondersteunende diensten (code 258) voor verzekeringen.

Levensverzekeringen en pensioenfondsen (code 254)

Voor levensverzekeringspolissen, al dan niet op winstbasis, worden regelmatige betalingen aan een verzekeraar verricht (het kan om een enkele betaling gaan), in ruil waarvoor de verzekeraar de polishouder garandeert dat op een bepaalde datum of bij de dood van de polishouder, indien die zich eerder voordoet, een overeengekomen minimumbedrag of een jaarrente zal worden uitbetaald. Tijdelijke levensverzekeringen, waarbij uitkeringen worden gedaan in geval van overlijden maar onder geen andere omstandigheden, zijn een vorm van directe verzekering en vallen hier niet onder maar wel onder overige verzekeringen.

Pensioenfondsen zijn afzonderlijke fondsen die zijn opgezet om specifieke groepen werknemers bij pensionering een inkomen te bezorgen. Zij worden door particuliere of openbare werkgevers ofwel gezamenlijk door werkgevers en hun werknemers georganiseerd en geleid. Zij worden gefinancierd door bijdragen van de werkgever en/of de werknemers en door inkomen uit beleggingen en investeringen dat is voortgevloeid uit de activa van de fondsen, en zij verrichten voor eigen rekening ook financiële transacties. Zij omvatten geen socialezekerheidsstelsels die voor grote delen van de samenleving worden georganiseerd en die door de algemene overheid worden opgelegd, gecontroleerd of gefinancierd. Hieronder vallen beheersdiensten voor pensioenfondsen. In het geval van pensioenfondsen wordt in het algemeen van premies en uitkeringen gesproken.

Vrachtverzekering (code 255)

Vrachtverzekeringsdiensten hebben betrekking op verzekeringen die worden gesloten voor goederen die worden uitgevoerd of ingevoerd, op een grondslag die overeenstemt met de meting van goederen f.o.b. en vrachtvervoer.

Overige directe verzekeringen (code 256)

Overige directe verzekeringen omvatten alle andere soorten ongevallenverzekeringen. Hieronder vallen tijdelijke levensverzekeringen, ongevallen- en gezondheidsverzekeringen (tenzij deze onder socialeverzekeringsstelsels van de overheid vallen), scheepvaart-, luchtvaart- en andere vervoersverzekeringen, brand en andere materiële schade, verzekeringen tegen geldelijk verlies, algemene aansprakelijkheidsverzekeringen en overige verzekeringen, zoals reisverzekeringen en verzekeringen voor leningen en creditcards.

Herverzekering (code 257)

Herverzekering is de uitbesteding van delen van het verzekeringsrisico, vaak aan gespecialiseerde bedrijven, in ruil voor een evenredig gedeelte van de premieopbrengst. Herverzekeringstransacties kunnen verband houden met pakketten waarin diverse soorten risico's zijn gemengd.

Ondersteunende diensten (code 258)

Omvat transacties die nauw verband houden met activiteiten van verzekeringen en pensioenfondsen. Hieronder vallen makelaarscommissies, diensten van verzekeringsmakelaars, adviesdiensten voor verzekeringen en pensioenen, evaluatie- en aanpassingsdiensten, actuariële diensten, bergingsadministratiediensten en diensten voor schadeloosstellings- en verhaaldiensten.

Financiële diensten (code 260)

Financiële diensten omvatten financiële bemiddelingsdiensten en ondersteunende diensten, behalve wanneer die worden verstrekt door levensverzekeringsmaatschappijen en pensioenfondsen (die vallen onder levensverzekeringen en pensioenfondsen) en overige verzekeringsdiensten tussen ingezetenen en niet-ingezetenen. Dergelijke diensten kunnen worden verstrekt door banken, effectenbeurzen, factoringbedrijven, creditcardbedrijven en andere ondernemingen. Hieronder vallen diensten die worden verstrekt in verband met transacties in financiële instrumenten, alsmede andere diensten die verband houden met financiële activiteiten, zoals advies- en bewaringsdiensten en diensten voor activabeheer.

Computer- en informatiediensten (code 262)

Omvat Computerdiensten (code 263) en Informatiediensten (code 264).

Computerdiensten (code 263)

Bestaat in apparatuur- en programmatuurdiensten en gegevensverwerkingsdiensten. Dit omvat adviesen implementatiediensten voor apparatuur en programmatuur; onderhoud en reparatie van computers en randapparatuur; calamiteitenhersteldiensten, verstrekking van advies en bijstand inzake aangelegenheden in verband met het beheer van computervoorzieningen; analyse, ontwerp en programmering van gebruiksklare systemen (inclusief ontwikkeling en ontwerp van webpagina's), en technisch advies inzake programmatuur; ontwikkeling, productie, levering en documentatie van maatgesneden programmatuur, met inbegrip van besturingssystemen die op maat voor specifieke gebruikers zijn gemaakt; systeemonderhoud en andere ondersteunende diensten, zoals opleiding als onderdeel van advies; gegevensverwerkingsdiensten, zoals gegevensinvoer, tabulering en verwerking op basis van timesharing; webpaginahostingdiensten (m.a.w. de verstrekking van serverruimte op internet voor het hosten van client webpagina's); en beheer van computerfaciliteiten.

Informatiediensten (code 264)

Omvat Diensten van persagentschappen (code 889) en Overige informatiediensten (code 890).

Diensten van persagentschappen (code 889)

Diensten van persagentschappen omvatten de verstrekking van nieuws, foto's en feature-artikelen aan de media.

Overige informatiediensten (code 890)

Omvat databankdiensten — ontwerp van databanken, gegevensopslag en de verspreiding van gegevens en databanken (inclusief gidsen en verzendlijsten), zowel on line als via magnetische, optische of gedrukte media en internetzoekportalen (zoekmachinediensten die internetadressen zoeken voor klanten die trefwoordvragen invoeren). Hieronder vallen tevens directe abonnementen (geen bulkabonnementen) op kranten en tijdschriften per post, elektronisch of via andere middelen.

Royalty's en licentierechten (code 266)

Omvat Franchises en soortgelijke rechten (code 891) en Overige royalty's en licentierechten (code 892).

Franchises en soortgelijke rechten (code 891)

Omvat internationale betalingen en inningen van franchisevergoedingen en de royalty's die voor het gebruik van gedeponeerde handelsmerken worden betaald.

Overige royalty's en licentierechten (code 892)

Omvat internationale betalingen en inningen voor het toegestane gebruik van immateriële, niet-geproduceerde, niet-financiële activa en eigendomsrechten (zoals octrooien, auteursrechten en industriële procédés en designs) en voor het gebruik, door middel van licentieovereenkomsten, van geproduceerde originelen of prototypes (zoals manuscripten, computerprogramma's en cinematografische werken en geluidsopnamen).

Overige zakelijke dienstverlening (code 268)

Omvat Transitohandel en overige diensten in verband met de handel (code 269), Operationele-leasingdiensten (code 272) en Diverse zakelijke, professionele en technische diensten (code 273).

Transitohandel en overige diensten in verband met de handel (code 269)

Omvat Transitohandel (code 270) en Overige diensten in verband met de handel (code 271).

Transitohandel (code 270)

Transitohandel wordt gedefinieerd als de aankoop van een goed door een ingezetene van de binnenlandse economie van een niet-ingezetene, dat vervolgens weer aan een andere niet-ingezetene wordt verkocht.

Overige diensten in verband met de handel (code 271)

Omvat commissies op goederen- en dienstentransacties tussen

a)

ingezeten handelaren, makelaars op goederenbeurzen, effectenhandelaren en commissionairs en

b)

niet-ingezetenen.

Operationele-leasingdiensten (code 272)

Omvat leasing (huur) en charters door ingezetenen en niet-ingezetenen, zonder bestuurders, van schepen, luchtvaartuigen en vervoermaterieel, zoals goederenwagens, containers en boorplatforms, zonder bemanning.

Diverse zakelijke, professionele en technische diensten (code 273)

Omvat Juridisch, boekhoudkundig en managementadvies en public relations (code 274), Reclamewezen, marktonderzoek en opinieonderzoek (code 278), Speur- en ontwikkelingswerk (code 279), Architecten-, ingenieurs- en overige technische diensten (code 280), Landbouw, mijnbouw en andere verwerking ter plaatse (code 283), Overige zakelijke dienstverlening (code 284) en Diensten tussen verwante ondernemingen, n.e.g. (code 285).

Juridisch, boekhoudkundig en managementadvies en public relations (code 274)

Omvat Juridische diensten (code 275), Accountancy-, audit-, boekhoudkundige en belastingadviesdiensten (code 276) en Diensten op het gebied van zakelijk en managementadvies en public relations (code 277).

Juridische diensten (code 275)

Omvat diensten betreffende juridisch advies en juridische vertegenwoordiging in juridische, gerechtelijke en wettelijk voorgeschreven procedures; diensten voor het opstellen van juridische documenten en instrumenten; advies inzake certificatie; en borgstelling en opstelling van akten.

Accountancy-, audit-, boekhoudkundige en belastingadviesdiensten (code 276)

Omvat de registratie van handelstransacties onder meer voor ondernemingen; diensten voor het onderzoeken van boekhoudverslagen en financiële verklaringen; belastingplanning en -advies; en opstellen van belastingdocumenten.

Diensten op het gebied van zakelijk en managementadvies en public relations (code 277)

Omvat advies-, begeleidings- en operationele-bijstandsdiensten verleend aan het bedrijfsleven inzake ondernemingsbeleid en -strategie en de algehele planning, structurering en controle van een organisatie. Omvat management auditing; advies inzake marktbeheer, menselijk potentieel, productiebeheer en projectbeheer; en advies- begeleidings- en operationele diensten ter verbetering van het imago bij de klanten en de betrekkingen met het publiek en met andere instellingen.

Reclamewezen, marktonderzoek en opinieonderzoek (code 278)

Diensten die worden verhandeld tussen ingezeten en niet-ingezetenen omvatten ontwerp, verwezenlijking en marketing van advertenties door reclamebureaus; mediaplaatsing, inclusief de aan- en verkoop van advertentieruimte; tentoonstellingsdiensten verstrekt door handelsbeurzen; bevordering van producten in het buitenland; marktonderzoek; telemarketing; en opinieonderzoek over diverse onderwerpen.

Speurwerk en ontwikkeling (code 279)

Omvat de diensten die worden verhandeld tussen ingezeten en niet-ingezetenen en die gepaard gaan met fundamenteel onderzoek, toegepast onderzoek en experimentele ontwikkeling van nieuwe producten en procédés.

Architecten-, ingenieurs- en overige technische diensten (code 280)

Omvat transacties tussen ingezetenen en niet-ingezetenen in verband met architectuurontwerp van stedelijke en andere ontwikkelingsprojecten; planning en projectontwerp en toezicht op dammen, bruggen, luchthavens, kant-en-klaar opgeleverde projecten enz.; landmeten; cartografie; beproeving en certificatie van producten; en technische inspectiediensten.

Landbouw, mijnbouw en verwerking ter plaatse (code 281)

Omvat Afvalverwerking en verwijdering van verontreinigende stoffen (code 282) en Landbouw, mijnbouw en andere verwerking ter plaatse (code 283).

Afvalverwerking en verwijdering van verontreinigende stoffen (code 282)

Omvat de verwerking van radioactief en ander afval; afgraven van vervuilde grond; opruimen van verontreiniging, inclusief olievervuiling; sanering van mijnterreinen en decontaminatie- en saneringsdiensten. Hieronder vallen ook diensten die verband houden met het schoonmaken en saneren van het milieu.

Landbouw, mijnbouw en overige verwerking ter plaatse (code 283)

Omvat:

a)

incidentele landbouwdiensten, zoals de levering van landbouwmachines met bemanning, oogsten, gewasbehandeling, ongedierte- en ziektebestrijding, onderbrengen van dieren, verzorgen van dieren en fokdiensten. Hieronder vallen ook jacht, zetten van vallen, bosbouw en houthakken, en visserij;

b)

mijnbouwdiensten die worden verstrekt op olie- en gasvelden, inclusief boren, bouwen van boortorens, reparatie- en ontmantelingsdiensten en cementering van olie- en gasbronnen. Incidentele diensten voor prospectie en exploratie van ertsen, alsmede mijnbouwtechniek en geologische verkenning vallen hier ook onder;

c)

overige verwerkingsdiensten ter plaatse, waaronder verwerking van of werk aan goederen ter plaatse valt, die zonder verandering van eigenaar zijn ingevoerd en die worden verwerkt maar niet opnieuw uitgevoerd naar het land waaruit de goederen werden verzonden (maar in plaats daarvan in de verwerkende economie of aan een derde economie worden verkocht) of vice versa.

Overige zakelijke dienstverlening (code 284)

Omvat transacties tussen ingezetenen en niet-ingezetenen, zoals de tewerkstelling van personeel, veiligheids-en speurdiensten, vertaal- en tolkendiensten, fotografiediensten, schoonmaken van gebouwen, vastgoeddiensten aan het bedrijfsleven en overige zakelijke dienstverlening die niet onder de bovengenoemde zakelijke diensten kan worden ingedeeld.

Diensten tussen verwante ondernemingen, n.e.g. (code 285)

Dit is een restcategorie. Zij omvat betalingen tussen verwante bedrijven die niet specifiek bij een ander onderdeel kunnen worden ingedeeld. Hieronder vallen betalingen van filialen, dochterondernemingen en partnerondernemingen aan hun moederonderneming of aan andere verwante ondernemingen die een bijdrage vormen aan de algemene beheerskosten van de filialen, dochterondernemingen en partnerondernemingen (voor planning, organisatie en controle) en ook kostenvergoedingen die rechtstreeks door moederondernemingen worden verricht. Hieronder vallen ook transacties tussen moederondernemingen en hun filialen, dochterondernemingen en partnerondernemingen voor de dekking van algemene onkosten.

Persoonlijke, culturele en recreatiediensten (code 287)

Omvat Audiovisuele en aanverwante diensten (code 288) en Overige persoonlijke, culturele en recreatiediensten (code 289).

Audiovisuele en aanverwante diensten (code 288)

Omvat diensten en desbetreffende vergoedingen voor de productie van bewegende beelden (op film of video), van radio- en televisieprogramma's (live of op band) en van muziekopnamen. Hieronder vallen ontvangsten of betalingen voor huur; vergoedingen ontvangen door ingezeten acteurs, producenten enz. voor producties in het buitenland (of door niet-ingezetenen voor in de binnenlandse economie uitgevoerde werkzaamheden); vergoedingen voor distributierechten die aan de media worden verkocht voor een beperkt aantal vertoningen in gespecificeerde gebieden; en toegang tot geëncrypteerde televisiekanalen (zoals kabeldiensten). Vergoedingen voor acteurs, regisseurs en producenten die betrokken zijn bij theater- en muziekproducties, sportevenementen, circussen en andere soortgelijke evenementen en vergoedingen voor distributierechten (voor televisie, radio en film) voor deze activiteiten vallen hieronder.

Overige persoonlijke, culturele en recreatiediensten (code 289)

Omvat Onderwijsdiensten (code 895), Gezondheidsdiensten (code 896) en Overige onder Overige persoonlijke, culturele en recreatiediensten (code 897).

Onderwijsdiensten (code 895)

Omvat diensten die worden verstrekt tussen ingezetenen en niet-ingezetenen op onderwijsgebied, zoals correspondentiecursussen en onderwijs via televisie of internet en door leraren, enz. die rechtstreeks diensten in gasteconomieën verstrekken.

Gezondheidsdiensten (code 896)

Omvat diensten die worden verstrekt door artsen, verpleegkundigen en soortgelijk personeel, alsmede laboratoriumdiensten en soortgelijke diensten, zowel op afstand als ter plaatse verstrekt. Uitgezonderd zijn alle uitgaven door reizigers voor onderwijs en gezondheid (opgenomen onder reizen).

Overige onder Overige persoonlijke, culturele en recreatiediensten (code 897)

Dit is een restcategorie die Overige persoonlijke, culturele en recreatiediensten (code 289) omvat die niet vallen onder Onderwijsdiensten (895) en Gezondheidsdiensten (code 896).

Overheidsdiensten, n.e.g. (code 291)

Dit is een restcategorie voor overheidstransacties (inclusief die van internationale organisaties) die niet zijn opgenomen in andere componenten van de EBOPS (Extended Balance of Payments Services Classification) zoals hierboven gedefinieerd. Hieronder vallen alle transacties (zowel in goederen als in diensten) van ambassades, consulaten, militaire eenheden en defensiebureaus met ingezetenen van economieën waar de ambassades, consulaten, militaire eenheden en defensiebureaus zijn gevestigd en alle transacties met andere economieën. Uitgezonderd zijn transacties met ingezetenen van de thuiseconomieën die worden vertegenwoordigd door de ambassades, consulaten, militaire eenheden en defensiebureaus, en transacties in winkels en kantines voor militairen en deze ambassades en consulaten.

Een indeling van deze post in diensten die worden verhandeld door Ambassades en consulaten (code 292), diensten die worden verhandeld door Militaire eenheden en bureaus (code 293) en Overige overheidsdiensten n.e.g. (code 294) is vereist.

INKOMEN (code 300)

Inkomen omvat twee soorten transacties tussen ingezetenen en niet-ingezetenen:

i)

transacties waarbij werknemers een vergoeding ontvangen, die aan niet-ingezeten werknemers wordt betaald (bv. grens- en seizoenarbeiders en andere kortetermijnwerknemers), en

ii)

transacties die inkomens uit beleggingen en investeringen omvatten, namelijk ontvangsten en betalingen met betrekking tot externe financiële activa en passiva.

Beloning van werknemers (code 310)

Beloning van werknemers omvat lonen, salarissen en andere voordelen in cash of in natura, verdiend door personen — in andere economieën dan die waar zij ingezeten zijn — voor werk dat wordt uitgevoerd voor (en betaald door) ingezetenen van die economieën. Hieronder vallen werknemersbijdragen, ten behoeve van werknemers, aan socialezekerheidsregelingen of aan particuliere verzekeringsof pensioenfondsen (al dan niet gefinancierd) om voordelen voor de werknemers te verzekeren.

Inkomen uit beleggingen en investeringen (code 320)

Inkomen uit beleggingen en investeringen is inkomen dat voortvloeit uit eigendom van externe financiële activa en die ingezetenen van een economie aan ingezetenen van een andere economie moeten betalen. Inkomen uit beleggingen en investeringen omvat rente, dividenden, overmakingen van filiaalwinsten en aandelen van directe investeerders in de ingehouden winst van directe-nvesteringsondernemingen. Inkomen uit beleggingen en investeringen moet worden ingedeeld naar directe investeringen, effectenverkeer en overige investeringscomponenten.

Inkomen uit directe investeringen (code 330)

Inkomen uit directe investeringen, namelijk vermogensinkomen en rente op leningen, omvat inkomen dat toekomt aan een directe investeerder die in een economie ingezeten is en dat voortvloeit uit eigendom van kapitaal voor directe investeringen in een andere economie. Inkomen uit directe investeringen wordt op nettobasis gepresenteerd voor directe investeringen in het buitenland en in de rapporterende economie (m.a.w. telkens ontvangen vermogensinkomen en rente op leningen minus betalingen uit vermogensinkomen en rente op leningen). Vermogensinkomen is onderverdeeld in

i)

uitgekeerde winst (dividenden en uitgekeerde filiaalwinst) en

ii)

geherinvesteerde winsten en ingehouden filiaalwinsten. Rente op leningen bestaat uit rente die betaalbaar is — op schuld tussen ondernemingen — aan/van directe investeerders van/aan partnerondernemingen in het buitenland. Inkomen uit niet-participerende preferente aandelen wordt behandeld als inkomen uit rente eerder dan als inkomen uit dividenden, en wordt opgenomen als rente op leningen.

Dividenden en uitgekeerde filiaalwinsten (code 332)

Dividenden, inclusief dividenden uit aandelen, bestaan uit de uitkering van winst die voortvloeit uit aandelen en andere vormen van participatie in het kapitaal van particuliere ondernemingen met rechtspersoonlijkheid, coöperaties en overheidsbedrijven. Uitgekeerde winst kan de vorm aannemen van dividenden uit gewone of preferente aandelen die eigendom zijn van directe investeerders in partnerondernemingen in het buitenland, of vice versa.

Geherinvesteerde winsten en ingehouden filiaalwinsten (code 333)

Geherinvesteerde winsten omvatten het aandeel van directe investeerders — in verhouding tot het aandelenbezit — van

i)

winst die buitenlandse dochterondernemingen en partnerondernemingen niet als dividenden uitkeren en

ii)

winst die filialen en andere ondernemingen zonder rechtspersoonlijkheid niet aan directe investeerders overmaken. (Indien dat gedeelte van de winst niet geïdentificeerd is, wordt overeengekomen dat alle filiaalwinsten als uitgekeerd worden beschouwd).

Rente op leningen (code 334)

Rente op leningen bestaat uit rente die betaalbaar is — op schuld tussen ondernemingen — aan/van directe investeerders van/aan partnerondernemingen in het buitenland. Inkomen uit niet-participerende preferente aandelen wordt behandeld als inkomen uit rente en niet als inkomen uit dividenden, en wordt opgenomen als rente op leningen.

Eigen vermogen en geherinvesteerde winsten in het buitenland (code 506)

Eigen vermogen omvat aandelen in filialen, alle aandelen (al dan niet met stemrecht) in dochterondernemingen en partnerondernemingen (uitgezonderd niet-participerende preferente aandelen die als schuldbewijzen worden behandeld en worden opgenomen onder overig kapitaal voor directe investeringen) en overige kapitaalbijdragen. Geherinvesteerde winsten bestaan uit het aandeel van de directe investeerder (in verhouding tot de directe vermogensparticipatie) van de winsten die niet als dividenden zijn uitgekeerd door dochterondernemingen of partnerondernemingen en winst van filialen die niet aan de directe investeerder is overgemaakt.

Eigen vermogen en geherinvesteerde winsten in de rapporterende economie (code 556)

Eigen vermogen omvat aandelen in filialen, alle aandelen (al dan niet met stemrecht) in dochterondernemingen en partnerondernemingen (uitgezonderd niet-participerende preferente aandelen die als schuldbewijzen worden behandeld en worden opgenomen onder overig kapitaal voor directe investeringen) en overige kapitaalbijdragen. Geherinvesteerde winsten bestaan uit het aandeel van de directe investeerder (in verhouding tot de directe vermogensparticipatie) van de winst die niet als dividenden is uitgekeerd door dochterondernemingen of partnerondernemingen en winst van filialen die niet aan de directe investeerder is overgemaakt.

Inkomen uit effectenverkeer (code 339)

Inkomen uit effectenverkeer omvat inkomenstransacties tussen ingezetenen en niet-ingezetenen en vloeit voort uit het bezit van aandelen, obligaties, notes en geldmarktinstrumenten.

Overige inkomens uit investeringen (code 370)

Overige inkomens uit investeringen omvatten ontvangsten en betalingen uit rente op respectievelijk alle andere vorderingen (activa) op en schulden aan niet-ingezetenen. Deze categorie omvat tevens in beginsel aan huishoudens toegerekende inkomens uit voorzieningen pensioen- en levensverzekering. Rente op activa omvat rente op lange- en kortetermijnleningen, op deposito's, op andere commerciële en financiële vorderingen en op de crediteurpositie in het IMF. Rente op activa omvat rente op leningen, op deposito's en op andere vorderingen en rente in verband met het gebruik van IMF-krediet en leningen van het IMF. Hieronder valt ook aan het IMF betaalde rente op bijzondere trekkingsrechten (SDR's) op de algemene rekening.

Lopende overdrachten (code 379)

Lopende overdrachten zijn compensatieposten voor unilaterale transacties waarin één economische entiteit reële middelen of een krediet aan een andere entiteit verstrekt zonder daarvoor reële middelen of een krediet in ruil te ontvangen. Deze middelen worden onmiddellijk of kort na de overdracht verbruikt. Lopende overdrachten zijn alle overdrachten die geen kapitaal zijn. Lopende overdrachten zijn ingedeeld volgens de sector van de binnenlandse economie in de overheidssector in het algemeen en overige sectoren.

Lopende overdrachten van de algemene overheid (code 380)

Overdrachten van de algemene overheid omvatten lopende internationale samenwerking, die lopende overdrachten — in cash of in natura — tussen overheden van verschillende economieën of tussen overheden en internationale organisaties omvat.

Overige sectoren (code 390)

Lopende overdrachten tussen overige sectoren van een economie en niet-ingezetenen omvatten overdrachten tussen personen, tussen niet-gouvernementele instellingen of organisaties (of tussen beide groepen) of tussen niet-ingezeten gouvernementele instellingen en personen of niet-gouvernementele instellingen.

Vermogensoverdrachtenrekening (code 994)

De vermogensoverdrachtenrekening omvat alle transacties die de ontvangst of betaling van kapitaaloverdrachten en de verwerving/overdracht van niet-geproduceerde, niet-financiële activa inhouden.

Financiële rekening (code 995)

De financiële rekening omvat alle transacties die gepaard gaan met veranderingen van eigendom in de buitenlandse financiële activa en passiva van een economie. Dergelijke veranderingen omvatten het ontstaan of de vernietiging van vorderingen op of door de rest van de wereld. Alle componenten zijn ingedeeld naar soort investering of naar functionele onderverdeling (directe investering, effectenverkeer, financiële derivaten, overige investering, reservetegoeden).

DIRECTE INVESTERING (code 500)

Buitenlandse directe investeringen is de categorie van internationale investeringen die het doel weerspiegelt dat een ingezeten entiteit (directe investeerder) in een economie een duurzaam belang wil verwerven in een in een andere economie ingezeten entiteit (directe-investeringsonderneming). Er is sprake van duurzaam belang wanneer de betrekkingen tussen de directe investeerder en de onderneming langdurig zijn en de investeerder een aanzienlijke mate van invloed heeft op het management van de directe-investeringsonderneming. Directe investering omvat de initiële transactie tussen beide entiteiten — m.a.w. de transactie waardoor de directe-investeringsrelatie tot stand is gebracht — en alle daaropvolgende transacties tussen deze beide entiteiten en onder gelieerde ondernemingen, met en zonder rechtspersoonlijkheid.

Inkomen uit directe investeringen in het buitenland (code 505)

Directe investeringen worden in eerste instantie op „directionele” basis ingedeeld — niet-ingezeten investering in het buitenland en niet-ingezeten investering in de rapporterende economie.

Eigen vermogen (code 510)

Eigen vermogen omvat aandelen in filialen, alle aandelen (al dan niet met stemrecht) in dochterondernemingen en partnerondernemingen (uitgezonderd niet-participerende preferente aandelen die als schuldbewijzen worden behandeld en worden opgenomen onder overig kapitaal voor directe investeringen) en overige kapitaalbijdragen. Eigen vermogen omvat ook de verwerving door een directe-investeringsonderneming van aandelen bij haar directe investeerder.

Geherinvesteerde winsten (code 525)

Geherinvesteerde winsten bestaan uit het aandeel van de directe investeerder (in verhouding tot de directe vermogensparticipatie) van de winst die niet als dividenden is uitgekeerd door dochterondernemingen of partnerondernemingen en filiaalwinsten die niet aan de directe investeerder zijn overgemaakt. Deze geherinvesteerde winsten worden geregistreerd als inkomen met een compenserende kapitaaltransactie.

Overig kapitaal voor directe investeringen (code 530)

Overig kapitaal voor directe investeringen (of schuldtransacties tussen ondernemingen) omvat het lenen en ontlenen van financiële middelen — inclusief schuldbewijzen, leverancierskredieten en nietparticiperende preferente aandelen (die als schuldbewijzen worden behandeld) — tussen directe investeerders en dochterondernemingen, filialen en partnerondernemingen. Schuldvorderingen op de directe investeerder door de directe-investeringsonderneming worden eveneens als kapitaal voor directe investeringen geregistreerd.

Directe investeringen in de rapporterende economie (code 555)

Directe investeringen worden in eerste instantie op directionele basis ingedeeld — niet-ingezeten investeringen in het buitenland en niet-ingezeten investering in de rapporterende economie.

Eigen vermogen (code 560)

Eigen vermogen omvat vermogen in filialen, alle aandelen (al dan niet met stemrecht) in dochterondernemingen en partnerondernemingen (uitgezonderd niet-participerende preferente aandelen die als schuldbewijzen worden behandeld en worden opgenomen onder overig kapitaal voor directe investeringen) en overige kapitaalbijdragen. Eigen vermogen omvat ook de verwerving door een directeinvesteringsonderneming van aandelen bij haar directe investeerder.

Geherinvesteerde winsten (code 575)

Geherinvesteerde winsten bestaan uit het aandeel van de directe investeerder (in verhouding tot de directe vermogensparticipatie) van de winsten die niet als dividenden zijn uitgekeerd door dochterondernemingen of partnerondernemingen en filiaalwinsten die niet aan de directe investeerder zijn overgemaakt. Deze geherinvesteerde winsten worden geregistreerd als inkomen met een compenserende kapitaaltransactie.

Overig kapitaal voor directe investeringen (code 580)

Overig kapitaal voor directe investeringen (of schuldtransacties tussen ondernemingen) omvat het lenen en ontlenen van financiële middelen — inclusief schuldbewijzen, leverancierskredieten en nietparticiperende preferente aandelen (die als schuldbewijzen worden behandeld) — tussen directe investeerders en dochterondernemingen, filialen en partnerondernemingen. Schuldvorderingen op de directe investeerder door de directe-investeringsonderneming worden eveneens als kapitaal voor directe investeringen geregistreerd.

EFFECTENVERKEER (600)

Effectenverkeer omvat vermogenstransacties en transacties van schuldbewijzen. Schuldvorderingen worden onderverdeeld in obligaties en notes, geldmarktinstrumenten en financiële derivaten wanneer uit de derivaten financiële vorderingen en passiva voortvloeien. Anders worden zij ofwel als directe investeringen of als reservetegoeden ingedeeld.

Financiële derivaten (code 910)

Een financiële-derivatencontract is een financieel instrument dat verbonden is met een ander specifiek financieel instrument of indexcijfer of goed en door middel waarvan specifieke financiële risico's (zoals rentevoet-, wisselkoers-, vermogens-, goederenprijs- kredietrisico's enz.) zelfstandig op financiële markten kunnen worden verhandeld.

OVERIGE INVESTERINGEN (code 700)

De post overige investeringen is gedefinieerd als een restcategorie die alle financiële transacties omvat die niet vallen onder de rekeningen directe investeringen, effectenverkeer, financiële derivaten of reservetegoeden.

P5_TA(2004)0192

Financiële bijstand van de Gemeenschap op het gebied van trans-Europese netwerken *** II

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement betreffende het gemeenschappelijk standpunt, door de Raad vastgesteld met het oog op de aanneming van de verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2236/95 van de Raad tot vaststelling van de algemene regels voor het verlenen van financiële bijstand van de Gemeenschap op het gebied van trans-Europese netwerken (5633/1/2004 — C5-0095/2004 — 2001/0226(COD))

(Medebeslissingsprocedure: tweede lezing)

Het Europees Parlement,

gezien het gemeenschappelijk standpunt van de Raad (5633/1/2004 — C5-0095/2004),

gezien zijn in eerste lezing geformuleerde standpunt (1) inzake het gewijzigde voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2002) 134) (2),

gezien de gewijzigde voorstellen van de Commissie (COM(2003) 38 (3) en COM(2003) 561) (3),

gelet op artikel 251, lid 2 van het EG-Verdrag,

gelet op artikel 78 van zijn Reglement,

gezien de aanbeveling voor de tweede lezing van de Begrotingscommissie (A5-0134/2004),

1.

hecht zijn goedkeuring aan het gemeenschappelijk standpunt;

2.

constateert dat het besluit is vastgesteld overeenkomstig het gemeenschappelijk standpunt;

3.

verzoekt zijn Voorzitter het besluit samen met de voorzitter van de Raad overeenkomstig artikel 254, lid 1 van het EG-Verdrag te ondertekenen;

4.

verzoekt zijn secretaris-generaal in het kader van zijn bevoegdheden het besluit te ondertekenen en samen met de secretaris-generaal van de Raad zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

5.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie


(1)  PB C 271 E van 12.11.2003, blz. 163.

(2)  PB C 151 E van 25.6.2002, blz. 291.

(3)  Nog niet in het PB gepubliceerd.

P5_TA(2004)0193

Europese executoriale titel voor niet-betwiste schuldvorderingen *** II

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement betreffende het gemeenschappelijk standpunt, door de Raad vastgesteld met het oog op de aanneming van de verordening van het Europees Parlement en de Raad tot invoering van een Europese executoriale titel voor niet-betwiste schuldvorderingen (16041/1/2003 — C5-0067/2004 — 2002/0090(COD))

(Medebeslissingsprocedure: tweede lezing)

Het Europees Parlement,

gezien het gemeenschappelijk standpunt van de Raad (16041/1/2003 — C5-0067/2004) (1),

gezien zijn in eerste lezing geformuleerde standpunt (2) inzake het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2002) 159) (3) en inzake het gewijzigde voorstel (COM(2003) 61) (3),

gezien het gewijzigde voorstel van de Commissie (COM(2003) 341) (3),

gelet op artikel 251, lid 2 van het EG-Verdrag,

gelet op artikel 78 van zijn Reglement,

gezien de aanbeveling voor de tweede lezing van de Commissie juridische zaken en interne markt (A5-0187/2004),

1.

hecht zijn goedkeuring aan het gemeenschappelijk standpunt;

2.

constateert dat het besluit is vastgesteld overeenkomstig het gemeenschappelijk standpunt;

3.

verzoekt zijn Voorzitter het besluit samen met de voorzitter van de Raad overeenkomstig artikel 254, lid 1 van het EG-Verdrag te ondertekenen;

4.

verzoekt zijn secretaris-generaal in het kader van zijn bevoegdheden het besluit te ondertekenen en samen met de secretaris-generaal van de Raad zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

5.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.


(1)  Nog niet in het PB gepubliceerd.

(2)  PB C 64 E van 12.3.2004, blz. 79.

(3)  PB C 203 E van 27.8.2002, blz. 86.

P5_TA(2004)0194

Beperking van emissies van vluchtige organische stoffen *** II

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement betreffende het gemeenschappelijk standpunt, door de Raad vastgesteld met het oog op de aanneming van de richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake de beperking van emissies van vluchtige organische stoffen ten gevolge van het gebruik van organische oplosmiddelen in bepaalde verven en vernissen en producten voor het overspuiten van voertuigen, en tot wijziging van Richtlijn 1999/13/EG (14780/2/2003 — C5-0019/2004 — 2002/0301(COD))

(Medebeslissingsprocedure: tweede lezing)

Het Europees Parlement,

gezien het gemeenschappelijk standpunt van de Raad (14780/2/2003 — C5-0019/2004) (1),

gezien zijn in eerste lezing geformuleerde standpunt (2) inzake het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2002) 750) (3),

gelet op artikel 251, lid 2 van het EG-Verdrag,

gelet op artikel 78 van zijn Reglement,

gezien de aanbeveling voor de tweede lezing van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en consumentenbeleid (A5-0136/2004),

1.

hecht zijn goedkeuring aan het gemeenschappelijk standpunt;

2.

constateert dat het besluit is vastgesteld overeenkomstig het gemeenschappelijk standpunt;

3.

verzoekt zijn Voorzitter het besluit samen met de voorzitter van de Raad overeenkomstig artikel 254, lid 1 van het EG-Verdrag te ondertekenen;

4.

verzoekt zijn secretaris-generaal in het kader van zijn bevoegdheden het besluit te ondertekenen en samen met de secretaris-generaal van de Raad zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

5.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.


(1)  Nog niet in het PB gepubliceerd.

(2)  Aangenomen teksten van 25.09.2003, P5_TA(2003)0411.

P5_TA(2004)0195

Luchtdiensten tussen lidstaten en derde landen *** II

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement betreffende het gemeenschappelijk standpunt, door de Raad vastgesteld met het oog op de aanneming van de verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake onderhandelingen over en de uitvoering van overeenkomsten inzake luchtdiensten tussen lidstaten en derde landen (13732/1/2003 — C5-0013/2004 — 2003/0044(COD))

(Medebeslissingsprocedure: tweede lezing)

Het Europees Parlement,

gezien het gemeenschappelijk standpunt van de Raad (13732/1/2003 — C5-0013/2004) (1),

gezien zijn in eerste lezing geformuleerde standpunt (2) inzake het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2003) 94) (3),

gelet op artikel 251, lid 2 van het EG-Verdrag,

gelet op artikel 80 van zijn Reglement,

gezien de aanbeveling voor de tweede lezing van de Commissie regionaal beleid, vervoer en toerisme (A5-0179/2004),

1.

is van mening dat er bij de onderhandelingen over overeenkomsten over een open luchtvaartzone op moet worden gelet dat gestipuleerd wordt dat het verlenen van rechtstreekse en indirecte subsidies aan luchtvaartondernemingen verboden is, aangezien anders de markt ten nadele van de luchtvaartondernemingen van de lidstaten dan wel van de Gemeenschap wordt verstoord, en dat verder bilaterale luchtvaartovereenkomsten alleen door communautaire overeenkomsten mogen worden vervangen, wanneer het derde land ook over een geliberaliseerde markt beschikt, dan wel een communautaire overeenkomst met een derde land een meerwaarde voor de lidstaten zou opleveren;

2.

wijzigt het gemeenschappelijk standpunt als volgt;

3.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.


(1)  PB C 54 E van 2.3.2004, blz. 33.

(2)  Aangenomen teksten van 2.9.2003, P5_TA(2003)0356.

(3)  Nog niet in het PB gepubliceerd.

P5_TC2-COD(2003)0044

Standpunt van het Europees Parlement in tweede lezing vastgesteld op 30 maart 2004met het oog op de aanneming van Verordening (EG) nr. .../2004 van het Europees Parlement en de Raad inzake onderhandelingen over en de tenuitvoerlegging van overeenkomsten inzake luchtdiensten tussen lidstaten en derde landen

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 80, lid 2,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Handelend overeenkomstig de procedure van artikel 251 van het Verdrag (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De internationale betrekkingen op het gebied van de luchtvaart tussen lidstaten en derde landen worden traditioneel beheerst door bilaterale overeenkomsten inzake luchtdiensten tussen lidstaten en derde landen, de bijlagen daarbij en andere daarmee samenhangende bilaterale en multilaterale regelingen.

(2)

Volgens het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in de zaken C-466/98, C-467/98, C-468/98, C-469/98, C-471/98, C-472/98, C-475/98 en C-476/98 is de Gemeenschap als enige bevoegd inzake de diverse aspecten van dergelijke overeenkomsten.

(3)

Het Hof heeft ook verduidelijking gegeven over het recht van communautaire luchtvaartmaatschappijen op vestiging binnen de Gemeenschap, inclusief het recht op niet-discriminerende markttoegang.

(4)

Wanneer blijkt dat het onderwerp van een overeenkomst deels onder de bevoegdheid van de Gemeenschap en deels onder die van haar lidstaten valt, is nauwe samenwerking tussen de lidstaten en de instellingen van de Gemeenschap van essentieel belang, zowel bij de onderhandelingen over en de sluiting van de overeenkomst als bij het nakomen van de aangegane verplichtingen. De verplichting tot samenwerking vloeit voort uit de eis dat de Gemeenschap internationaal met één stem moet spreken. De instellingen van de Gemeenschap en de lidstaten ondernemen alle nodige stappen in dit verband om voor een optimale samenwerking te zorgen.

(5)

De samenwerkingsprocedure tussen de lidstaten en de Commissie volgens deze verordening raakt niet aan de verdeling van de bevoegdheden tussen de Gemeenschap en de lidstaten overeenkomstig het Gemeenschapsrecht, zoals uitgelegd door het Hof van Justitie.

(6)

Alle bestaande bilaterale overeenkomsten tussen lidstaten en derde landen die bepalingen bevatten die in strijd zijn met het Gemeenschapsrecht moeten worden gewijzigd of vervangen door nieuwe overeenkomsten die volledig verenigbaar zijn met het Gemeenschapsrecht.

(7)

Onverminderd het Verdrag, en met name artikel 300, mogen lidstaten desgewenst in bestaande overeenkomsten wijzigingen aanbrengen en maatregelen voor het beheer van de uitvoering daarvan treffen tot een door de Gemeenschap gesloten overeenkomst van kracht wordt.

(8)

Het is van essentieel belang ervoor te zorgen dat een lidstaat bij onderhandelingen rekening houdt met het Gemeenschapsrecht, de bredere communautaire belangen en de lopende onderhandelingen van de Gemeenschap.

(9)

Wanneer lidstaten luchtvaartmaatschappijen bij onderhandelingen willen betrekken, worden alle luchtvaartmaatschappijen met een vestiging op het grondgebied van de betrokken lidstaat gelijk behandeld.

(10)

Vestiging op het grondgebied van een lidstaat veronderstelt het daadwerkelijk uitoefenen van luchtvervoeractiviteiten middels regelingen voor een onbepaalde periode. De rechtsvorm van een dergelijke vestiging, of het nu gaat om een bijkantoor of om een dochteronderneming met rechtspersoonlijkheid, is daarbij niet doorslaggevend. Wanneer een onderneming gevestigd is op het grondgebied van verscheidene lidstaten, zoals gedefinieerd door het Verdrag, waarborgt deze, teneinde te voorkomen dat nationale voorschriften worden omzeild, dat elk van de vestigingen voldoet aan de verplichtingen die het nationale recht, overeenkomstig het Gemeenschapsrecht, aan de activiteiten stelt.

(11)

Teneinde ervoor te zorgen dat de rechten van communautaire luchtvaartmaatschappijen niet onrechtmatig worden ingeperkt, worden in bilaterale overeenkomsten inzake luchtdiensten geen nieuwe regelingen opgenomen die een beperking inhouden van het aantal communautaire luchtvaartmaatschappijen die kunnen worden aangewezen om op een bepaalde markt diensten te verstrekken.

(12)

De lidstaten stellen niet-discriminerende en transparante procedures vast voor de verdeling van verkeersrechten onder de communautaire luchtvaartmaatschappijen. Bij het volgen van deze procedures kunnen de lidstaten de noodzaak om te zorgen voor de continuïteit van de diensten naar behoren laten meewegen.

(13)

De voor de uitvoering van deze verordening vereiste maatregelen worden vastgesteld overeenkomstig artikel 2 van Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden (3).

(14)

Iedere lidstaat mag zich beroepen op de vertrouwelijkheid van de bepalingen in bilaterale overeenkomsten die hij heeft gesloten en de Commissie verzoeken de desbetreffende informatie niet aan andere lidstaten door te geven.

(15)

Op 2 december 1987 hebben het Koninkrijk Spanje en het Verenigd Koninkrijk in Londen in het kader van een gezamenlijke verklaring van de ministers van Buitenlandse Zaken van beide landen overeenstemming bereikt over regelingen voor meer samenwerking bij het gebruik van de luchthaven van Gibraltar. Die regelingen moeten evenwel nog in werking treden.

(16)

De doelstellingen van deze verordening, namelijk coördinatie van de onderhandelingen met derde landen over de sluiting van overeenkomsten inzake luchtdiensten, het garanderen van een geharmoniseerde aanpak bij de uitvoering en toepassing van die overeenkomsten, alsook controle op de verenigbaarheid van die overeenkomsten met het Gemeenschapsrecht, kunnen niet in voldoende mate door de lidstaten worden verwezenlijkt. Aangezien een verordening in de hele Gemeenschap van toepassing is, kunnen zij beter op communautair niveau worden verwezenlijkt. Overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel van artikel 5 van het Verdrag kan de Gemeenschap derhalve maatregelen treffen. Overeenkomstig het in dat artikel omschreven evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan hetgeen nodig is om de genoemde doelstellingen te bereiken,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Kennisgeving aan de Commissie

1.   Een lidstaat kan onverminderd de respectieve bevoegdheden van de Gemeenschap en haar lidstaten, met een derde land onderhandelingen openen over een nieuwe overeenkomst of over de wijziging van een bestaande overeenkomst inzake luchtdiensten, de bijlagen daarvan of enige andere daarmee samenhangende bilaterale of multilaterale regeling, wanneer die onderwerpen betreffen die gedeeltelijk onder de bevoegdheid van de Gemeenschap vallen, mits:

toepasselijke standaardbepalingen die door de lidstaten en de Commissie gezamenlijk zijn opgesteld en vastgelegd, in deze onderhandelingen worden opgenomen en

de kennisgevingsprocedure in de leden 2, 3 en 4 wordt gevolgd.

In voorkomend geval wordt de Commissie uitgenodigd om als waarnemer deel te nemen aan deze onderhandelingen.

2.   Indien een lidstaat voornemens is dergelijke onderhandelingen te openen, stelt hij de Commissie schriftelijk van zijn voornemen in kennis. Deze kennisgeving omvat een kopie van de bestaande overeenkomst, indien beschikbaar, en andere relevante documentatie en een opgave van de bepalingen waarover bij de onderhandelingen moet worden gesproken en van de onderhandelingsdoelstellingen, alsook alle andere relevante informatie. De Commissie stelt dergelijke kennisgevingen en, desgevraagd, de begeleidende documentatie beschikbaar voor de overige lidstaten, met inachtneming van de vereisten van vertrouwelijkheid.

De informatie wordt ten minste één kalendermaand vóór het beoogde begin van de formele onderhandelingen met het betrokken derde land toegezonden. Indien formele onderhandelingen tengevolge van uitzonderlijke omstandigheden op een kortere termijn dan een maand worden georganiseerd, zendt de lidstaat de informatie zo spoedig mogelijk toe.

3.   De lidstaten kunnen hun opmerkingen doen toekomen aan de lidstaat die overeenkomstig lid 2 zijn voornemens kenbaar heeft gemaakt. Die lidstaat houdt zoveel mogelijk rekening met die opmerkingen bij de onderhandelingen.

4.   Indien de Commissie binnen 15 werkdagen na ontvangst van de in lid 2 bedoelde kennisgeving tot de slotsom komt dat de onderhandelingen:

de doelstellingen van lopende communautaire onderhandelingen met dit derde land kunnen ondermijnen, en/of

kunnen leiden tot een overeenkomst die onverenigbaar is met het Gemeenschapsrecht

brengt zij de lidstaat daarvan op de hoogte.

Artikel 2

Raadpleging van belanghebbenden en deelname aan de onderhandelingen

Wanneer luchtvaartmaatschappijen en andere belanghebbenden bij de in artikel 1 bedoelde onderhandelingen worden betrokken, behandelen de lidstaten alle communautaire luchtvaartmaatschappijen met een vestiging op hun respectieve onder de toepassing van het Verdrag vallende grondgebieden op gelijke voet.

Artikel 3

Verbod op de invoering van restrictievere regelingen

Een lidstaat gaat geen nieuwe overeenkomst met een derde land aan die een vermindering inhoudt van het aantal communautaire luchtvaartmaatschappijen die volgens bestaande overeenkomsten kunnen worden aangewezen om diensten te verstrekken op routes tussen zijn grondgebied en het derde land, noch voor de hele markt van het luchtvervoer tussen beide partijen, noch voor specifieke stedenparen.

Artikel 4

Sluiting van overeenkomsten

1.   Na ondertekening van een overeenkomst brengt de betrokken lidstaat het resultaat van de onderhandelingen en alle relevante documenten ter kennis van de Commissie.

2.   Wanneer de onderhandelingen hebben geleid tot een overeenkomst waarin de in artikel 1, lid 1, bedoelde toepasselijke standaardbepalingen zijn opgenomen, is de lidstaat gemachtigd de overeenkomst te sluiten.

3.   Wanneer de onderhandelingen hebben geleid tot een overeenkomst waarin de in artikel 1, lid 1, bedoelde standaardbepalingen niet zijn opgenomen, wordt het de lidstaat volgens de procedure van artikel 7, lid 2, toegestaan de overeenkomst te sluiten, op voorwaarde dat deze sluiting geen schade berokkent aan het voorwerp en de doelstelling van het gemeenschappelijke vervoersbeleid van de Gemeenschap. De lidstaat mag de overeenkomst voorlopig toepassen in afwachting van het resultaat van deze procedure.

4.   Onverminderd de leden 2 en 3, mag het de lidstaat in kwestie volgens de procedure van artikel 7, lid 2, worden toegestaan de overeenkomst voorlopig toe te passen en/of te sluiten, indien de Commissie met hetzelfde derde land actief aan het onderhandelen is op basis van een specifiek mandaat voor dat land of op basis van Besluit 2003/.../EG van de Raad betreffende onderhandelingen tussen de Commissie en derde landen (4).

Artikel 5

Verdeling van verkeersrechten

Wanneer een lidstaat overeenstemming bereikt over een overeenkomst of wijzigingen in een overeenkomst of de bijlagen daarvan waarbij wordt voorzien in beperkingen van het gebruik van verkeersrechten of van het aantal communautaire luchtvaartmaatschappijen dat kan worden aangewezen als begunstigde van verkeersrechten, zorgt de betrokken lidstaat ervoor dat de verkeersrechten op niet-discriminerende wijze onder de daarvoor in aanmerking komende luchtvaartmaatschappijen van de Gemeenschap worden verdeeld volgens een transparante procedure.

Artikel 6

Bekendmaking van procedures

De lidstaten stellen de Commissie onverwijld in kennis van de procedures die zij voor de toepassing van artikel 5 en, in voorkomend geval, artikel 2 volgen. De Commissie draagt er zorg voor dat deze procedures binnen acht weken na ontvangst ter informatie in het Publicatieblad van de Europese Unie worden bekendgemaakt. Eventuele nieuwe procedures en latere wijzigingen van bestaande procedures worden uiterlijk acht weken vóór deze van kracht worden aan de Commissie medegedeeld, zodat de Commissie ervoor kan zorgen dat zij binnen die periode van acht weken in het Publicatieblad van de Europese Unie worden bekendgemaakt.

Artikel 7

Comité

1.   De Commissie wordt bijgestaan door het comité dat is ingesteld bij artikel 11 van Verordening (EEG) nr. 2408/92 van de Raad van 23 juli 1992 betreffende de toegang van communautaire luchtvaartmaatschappijen tot intracommunautaire luchtroutes (5).

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen zijn de artikelen 3 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 daarvan.

3.   Het comité stelt zijn reglement van orde vast.

Artikel 8

Vertrouwelijkheid

Bij de kennisgeving aan de Commissie van onderhandelingen en het resultaat daarvan, zoals bepaald in de artikelen 1 en 4, laten de lidstaten de Commissie duidelijk weten of in de kennisgeving opgenomen informatie als vertrouwelijk dient te worden beschouwd en of deze informatie aan andere lidstaten kan worden doorgegeven. De Commissie en de lidstaten dragen er zorg voor dat als vertrouwelijk aangemerkte informatie wordt behandeld overeenkomstig artikel 4, lid 1, onder a), van Verordening nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (6).

Artikel 9

Gibraltar

1.   De toepassing van deze verordening op de luchthaven van Gibraltar laat de respectieve rechtsopvattingen van het Koninkrijk Spanje en het Verenigd Koninkrijk betreffende het geschil inzake soevereiniteit over het grondgebied waarop de luchthaven gelegen is, onverlet.

2.   De toepassing van deze verordening op de luchthaven van Gibraltar wordt opgeschort tot de datum waarop de regelingen van de gezamenlijke verklaring van de ministers van Buitenlandse Zaken van het Koninkrijk Spanje en het Verenigd Koninkrijk van 2 december 1987 van toepassing worden. De regeringen van het Koninkrijk Spanje en het Verenigd Koninkrijk zullen de Raad van die datum in kennis stellen.

Artikel 10

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dertigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te ..., op ...

Voor het Europees Parlement

De Voorzitter

Voor de Raad

De Voorzitter


(1)  PB C 234 van 30.9.2003, blz. 21.

(2)  Standpunt van het Europees Parlement van 2.9.2003 (nog niet bekendgemaakt Publicatieblad), gemeenschappelijk standpunt van de Raad van 5.12.2003 (PB C 54 E van 2.3.2004, blz. 33) en standpunt van het Europees Parlement van 30.3.2004.

(3)  PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.

(4)  PBL ...

(5)  PB L 240 van 24.8.1992, blz. 8. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1882/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 284 van 31.10.2003, blz. 1).

(6)  PB L 145 van 31.5.2001, blz. 43.

P5_TA(2004)0196

Beschikbaarstelling van middelen uit het Solidariteitsfonds van de EU

Resolutie van het Europees Parlement over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Solidariteitsfonds van de Europese Unie overeenkomstig punt 3 van het Interinstitutioneel Akkoord van 7 november 2002 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie over de financiering van het Solidariteitsfonds van de Europese Unie ter aanvulling van het Interinstitutioneel Akkoord van 6 mei 1999 over de begrotingsdiscipline en de verbetering van de begrotingsprocedure (COM(2004) 168 — C5-0134/2004 — 2004/2025(ACI))

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie (COM(2004) 168 — C5-0134/2004),

gelet op het Interinstitutioneel Akkoord van 7 november 2002 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie over de financiering van het Solidariteitsfonds van de Europese Unie ter aanvulling van het Interinstitutioneel Akkoord van 6 mei 1999 over de begrotingsdiscipline en de verbetering van de begrotingsprocedure (1),

gelet op Verordening (EG) nr. 2012/2002 van de Raad van 11 november 2002 tot oprichting van het Solidariteitsfonds van de Europese Unie (2),

gezien de resultaten van de trialoog van 16 maart 2004,

gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A5-0195/2004),

A.

overwegende dat het dringend noodzakelijk is dat de Europese Unie de passende institutionele en begrotingsinstrumenten in het leven roept om de schade als gevolg van de bosbranden in Spanje (augustus 2003), de zware storm en de overstroming op Malta (15 september 2003) en de overstromingen in het zuiden van Frankrijk (december 2003) te kunnen vergoeden,

1.

hecht zijn goedkeuring aan het aan deze resolutie gehechte besluit betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Solidariteitsfonds van de Europese Unie;

2.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie, met inbegrip van de bijlage, te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.


(1)  PB C 283 van 20.11.2002, blz. 1.

(2)  PB L 311 van 14.11.2002, blz. 3.

BIJLAGE

BESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 30 maart 2004

betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Solidariteitsfonds van de EU overeenkomstig punt 3 van het Interinstitutioneel Akkoord van 7 november 2002 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie over de financiering van het Solidariteitsfonds van de Europese Unie ter aanvulling van het Interinstitutioneel Akkoord van 6 mei 1999 over de begrotingsdiscipline en de verbetering van de begrotingsprocedure

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Interinstitutioneel Akkoord van 7 november 2002 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie over de financiering van het Solidariteitsfonds van de Europese Unie ter aanvulling van het Interinstitutioneel Akkoord van 6 mei 1999 over de begrotingsdiscipline en de verbetering van de begrotingsprocedure (1), en met name op punt 3,

Gelet op Verordening (EG) nr. 2012/2002 van de Raad van 11 november 2002 tot oprichting van het Solidariteitsfonds van de Europese Unie (2),

Gezien het voorstel van de Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Europese Unie heeft een solidariteitsfonds van de Europese Unie („het fonds”) opgericht om solidariteit te tonen met de bevolking van door rampen getroffen regio's.

(2)

Malta heeft op 10 november 2003 een aanvraag tot beschikbaarstelling van middelen uit het fonds gedaan in verband met een storm en overstroming; Spanje heeft op 1 oktober 2003 een aanvraag gedaan in verband met een bosbranden; Frankrijk heeft op 26 januari 2004 een aanvraag ingediend in verband met een overstroming.

(3)

Het Interinstitutioneel Akkoord van 7 november 2002 staat uitgaven uit het fonds toe binnen het jaarlijkse maximum van 1 miljard EUR.

(4)

De storm- en overstromingsramp in Malta in september 2003, de bosbranden in Spanje in de zomer van 2003 en de overstromingen in Zuid-Frankrijk in december 2003 voldoen aan de voorwaarden waaronder middelen uit het fonds beschikbaar kunnen worden gesteld,

BESLUITEN:

Artikel 1

Voor de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2004 wordt op het Solidariteitsfonds van de Europese Unie een beroep gedaan voor een bedrag van 21 916 995 EUR aan vastleggingskredieten.

Artikel 2

Dit besluit wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Straatsburg, 30 maart 2004.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

Voor de Raad

De voorzitter


(1)  PB C 283 van 20.11.2002, blz. 1.

(2)  PB L 311 van 14.11.2002, blz. 3.

P5_TA(2004)0197

Gewijzigde begroting nr. 5/2004

Resolutie van het Europees Parlement over het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 5/2004 van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2004 (7684/2004 — C5-0166/2004 — 2004/2023 (BUD))

Het Europees Parlement,

gelet op artikel 272 van het EG-Verdrag en artikel 177 van het Euratom-Verdrag,

gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (1), en in het bijzonder de artikelen 37 en 38,

gelet op de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2004, definitief vastgesteld op 18 december 2003 (2),

gelet op het Interinstitutioneel Akkoord van 6 mei 1999 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie over de begrotingsdiscipline en de verbetering van de begrotingsprocedure (3),

gelet op het Interinstitutioneel Akkoord van 7 november 2002 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie over de financiering van het solidariteitsfonds van de Europese Unie ter aanvulling van het Interinstitutioneel Akkoord van 6 mei 1999 over de begrotingsdiscipline en de verbetering van de begrotingsprocedure (4),

gelet op de resultaten van de trialoog van 16 maart 2004, met inbegrip van het besluit van het Europees Parlement en de Raad tot mobilisering van het flexibiliteitsinstrument in verband met het Solidariteitsfonds van de Europese Unie, voor een bedrag van 21 916 995 EUR,

gezien het voorontwerp van gewijzigde begroting nr. 5/2004 van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2004, door de Commissie ingediend op 9 maart 2004 (SEC(2004) 269),

gezien het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 5/2004, door de Raad vastgesteld op 26 maart 2004 (7684/2004 — C5-0166/2004),

gelet op artikel 92 en bijlage IV van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A5-0203/2004),

A.

overwegende dat de Europese Unie moet tonen solidair te zijn met de bevolking van regio's van lidstaten en toetredingslanden die getroffen zijn door natuurrampen met ernstige gevolgen voor de leefomstandigheden, de natuurlijke omgeving of de economie,

B.

overwegende dat ten behoeve van de financiële bijstand van de Europese Unie voldoende begrotingsmiddelen zijn gemobiliseerd in overeenstemming met de bepalingen van het Solidariteitsfonds van de Europese Unie en het Interinstitutioneel Akkoord met betrekking tot de financiering ervan,

C.

overwegende dat op 17 maart 2004 vertegenwoordigers van de getroffen regio's en lidstaten en de toetredingslanden de gevolgen van de natuurrampen voor het Parlement hebben toegelicht,

D.

overwegende dat de gewijzigde begroting nr. 5/2004 tot doel heeft om deze begrotingsmiddelen formeel op te nemen in de begroting 2004,

1.

verwelkomt de gewijzigde begroting nr. 5/2004, die tot doel heeft om onverwijld de begrotingsmiddelen die zijn gemobiliseerd als deel van het Solidariteitsfonds van de Europese Unie op te nemen in de begroting 2004, zodat de slachtoffers van deze natuurrampen geholpen kunnen worden;

2.

benadrukt het feit dat de goedkeuring van de gewijzigde begroting nr. 5/2004 in een enkele lezing het mogelijk maakt dat bijstand van de communautaire begroting aan de betrokken landen en regio's zo snel mogelijk wordt verleend, na het indienen van aanvragen hiervoor;

3.

hecht zonder wijzigingen zijn goedkeuring aan het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 5/2004;

4.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.


(1)  PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.

(2)  PB L 53 van 23.2.2004.

(3)  PB C 172 van 18.6.1999, blz. 1. Akkoord gewijzigd bij Besluit 2003/429/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 147 van 14.6.2003, blz. 25).

(4)  PB C 283 van 20.11.2002, blz. 1.

P5_TA(2004)0198

Verzoeken aan agentschappen (wijziging Reglement)

Besluit van het Europees Parlement tot invoeging in het Reglement van het Europees Parlement van een nieuw artikel betreffende verzoeken aan Europese agentschappen (2004/2008(REG))

Het Europees Parlement,

gezien de brief van zijn Voorzitter d.d. 21 november 2003,

gelet op de artikelen 180 en 181 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie constitutionele zaken (A5-0152/2004),

1.

besluit onderstaande wijzigingen in zijn Reglement op te nemen;

2.

wijst erop dat deze wijzigingen op de eerste dag van de eerstvolgende vergaderperiode in werking treden;

3.

verzoekt zijn Voorzitter dit besluit ter informatie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

BESTAANDE TEKST

AMENDEMENTEN

Amendement 1

Hoofdstuk VI, titel

BETREKKINGEN MET DE ANDERE INSTELLINGEN

BETREKKINGEN MET DE ANDERE INSTELLINGEN EN ORGANEN

Amendement 2

Artikel 54 bis (nieuw)

 

Artikel 54 bis

Verzoeken aan Europese agentschappen

1. In gevallen waarin het Parlement het recht heeft een verzoek tot een Europees agentschap te richten, kan elk lid een dergelijk verzoek schriftelijk bij de Voorzitter van het Parlement indienen. Dergelijke verzoeken moeten betrekking hebben op aangelegenheden die tot de opdracht van het desbetreffende agentschap behoren en moeten vergezeld gaan van achtergrondinformatie over het probleem dat aan de orde is en over het belang dat een en ander voor de Gemeenschap heeft.

2. Na raadpleging van de bevoegde commissie zendt de Voorzitter het verzoek aan het agentschap door of neemt andere passende maatregelen. Het lid dat het verzoek heeft ingediend, wordt daarvan onverwijld in kennis gesteld. In elk door de Voorzitter aan een agentschap toegezonden verzoek wordt aangegeven binnen welke termijn het agentschap dient te reageren.

3. Indien het agentschap van oordeel is dat het niet aan het verzoek als geformuleerd kan voldoen of indien het een wijziging van het verzoek wenst, brengt het dit onverwijld ter kennis van de Voorzitter die, na raadpleging van de bevoegde commissie, passende maatregelen neemt.

P5_TA(2004)0199

Niet-financiële kwartaalrekeningen per institutionele sector *** I

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de opstelling van niet-financiële kwartaalrekeningen per institutionele sector (COM(2003) 789 — C5-0645/2003 — 2003/0296(COD))

(Medebeslissingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2003) 789) (1),

gelet op artikel 251, lid 2 en artikel 285 van het EG-Verdrag, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C5-0645/2003),

gelet op artikel 67 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Economische en Monetaire Commissie (A5-0151/2004),

1.

hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel, als geamendeerd door het Parlement;

2.

verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in dit voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.


(1)  Nog niet in het PB gepubliceerd.

P5_TC1-COD(2003)0296

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 30 maart 2004 met het oog op de aanneming van Verordening (EG) nr. .../2004 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de opstelling van niet-financiële kwartaalrekeningen per institutionele sector

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 285, lid 1,

Gezien het voorstel van de Commissie (1),

Na raadpleging van de Europese Centrale Bank overeenkomstig artikel 105, lid 4, van het Verdrag,

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In het Actieplan voor de statistische eisen van de Economische en Monetaire Unie (EMU), waaraan de ECOFIN-Raad in september 2000 zijn steun betuigde, wordt bepaald dat een beperkte hoeveelheid driemaandelijkse sectorrekeningen dringend noodzakelijk is en dat deze binnen 90 dagen na het eind van het betrokken kwartaal beschikbaar moeten zijn.

(2)

In het gezamenlijk verslag van de ECOFIN-Raad en de Commissie aan de Europese Raad over statistieken en indicatoren voor de eurozone, dat de ECOFIN-Raad op 18 februari 2003 heeft goedgekeurd, wordt er de nadruk op gelegd dat de op diverse gebieden te nemen maatregelen met een hoge prioriteit, en daar behoren ook de nationale kwartaalrekeningen per institutionele sector toe, uiterlijk in 2005 volledig ten uitvoer moeten zijn gelegd.

(3)

Voor de analyse van cyclische bewegingen in de economie van de Europese Unie en voor de uitvoering van het monetaire beleid in de Economische en Monetaire Unie zijn macro-economische statistieken over het economische gedrag van de institutionele sectoren en over hun onderlinge betrekkingen nodig, die bij gegevens voor de gehele economie verborgen blijven. Daarom zijn er kwartaalrekeningen per institutionele sector nodig, voor de gehele Europese Unie en voor de eurozone.

(4)

De productie van deze rekeningen maakt deel uit van de algemene doelstelling een systeem van jaaren kwartaalrekeningen voor de Europese Unie en de eurozone op te stellen. Het systeem omvat de belangrijkste macro-economische aggregaten en de financiële en niet-financiële rekeningen per institutionele sector. Hiermee wordt beoogd een samenhang tot stand te brengen tussen al deze rekeningen en, wat de rekeningen voor het buitenland betreft, tussen de betalingsbalans en de gegevens van de nationale rekeningen.

(5)

Voor de opstelling van Europese rekeningen per institutionele sector overeenkomstig de beginselen van het Europees systeem van nationale en regionale rekeningen in de Gemeenschap moeten de lidstaten driemaandelijkse nationale rekeningen per institutionele sector (3) verstrekken. De Europese rekeningen moeten evenwel de economie van Europa als geheel weerspiegelen, zodat ze kunnen afwijken van een eenvoudige aggregatie van de rekeningen van de lidstaten. Met name moet rekening worden gehouden met de transacties van de instellingen en organen van de Europese Unie in de rekeningen van het betrokken gebied (Europese Unie of eurozone, al naargelang het geval) .

(6)

De productie van specifieke communautaire statistieken wordt geregeld in Verordening (EG) nr. 322/97 van de Raad van de 17 februari 1997 betreffende communautaire statistieken (4).

(7)

Aangezien het doel van de maatregel, namelijk de opstelling van niet-financiële kwartaalrekeningen per institutionele sector voor de Europese Unie en de eurozone, niet op bevredigende wijze door de lidstaten kan worden bereikt en derhalve, gezien de omvang en de gevolgen van de maatregel, beter op communautaire niveau kan worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap maatregelen goedkeuren in overeenstemming met het subsidiariteitsbeginsel van artikel 5 van het Verdrag. In overeenstemming met het proportionaliteitsbeginsel van artikel 5 van het Verdrag gaat deze verordening niet verder dan nodig is om dat doel te bereiken. Met name hoeven lidstaten die een zeer kleine bijdrage aan de Europese totalen leveren, geen uitvoerige indeling van de gegevens te verstrekken.

(8)

De voor de uitvoering van deze verordening noodzakelijke maatregelen moeten worden vastgesteld in overeenstemming met Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden (5).

(9)

Het Comité statistisch programma en het Comité voor monetaire, financiële en betalingsbalansstatistiek zijn geraadpleegd,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Doel

Het doel van deze verordening is de verschaffing van een gemeenschappelijk kader voor de bijdragen van de lidstaten aan de opstelling van Europese niet-financiële kwartaalrekeningen per institutionele sector.

Artikel 2

Indiening van niet-financiële kwartaalstatistieken per institutionele sector

1.   De lidstaten verstrekken de Commissie niet-financiële kwartaalrekeningen per institutionele sector, als gespecificeerd in de bijlage, voorlopig met uitzondering van de posten P.1, P.2, D.42, D.43, D.44, D.45 en B.4G.

2.   Een tijdschema voor de indiening van de posten P.1, P.2, D.42, D.43, D.44, D.45 en B.4G respectievelijk en een eventueel besluit om een indeling van de in de bijlage opgenomen transacties naar partnersector te eisen, worden goedgekeurd volgens de procedure van artikel 8, lid 2.

3.   De in lid 1 bedoelde kwartaalgegevens worden uiterlijk 90 kalenderdagen na het eind van het desbetreffende kwartaal aan de Commissie geleverd. Tezelfdertijd worden de herziene gegevens voor eerdere kwartalen verstrekt.

4.   De in lid 3 genoemde indieningstermijn kan volgens de procedure van artikel 8, lid 2, met maximaal vijf dagen worden aangepast.

5.   De eerste kwartaalgegevens die worden verstrekt, hebben betrekking op het eerste kwartaal van 2005. De lidstaten leveren deze gegevens niet later dan 30 juni 2005. Dan worden ook retrospectieve gegevens voor de tijdvakken vanaf het eerste kwartaal van 1999 verstrekt.

Artikel 3

Verplichte melding

1.   Alle lidstaten verstrekken de in de bijlage beschreven gegevens voor de sectoren Buitenland (S.2) en Overheid (S.13). Indien het bruto binnenlands product van een lidstaat tegen lopende prijzen gewoonlijk meer dan 1% van het communautaire totaal uitmaakt, verstrekt het de in de bijlage beschreven gegevens voor alle institutionele sectoren.

2.   De Commissie berekent het aandeel in procenten dat het bruto binnenlands product van een lidstaat gewoonlijk in het communautaire totaal tegen lopende prijzen uitmaakt; zij baseert zich daarbij op het rekenkundig gemiddelde van de door de lidstaten ingediende jaargegevens over de laatste drie jaren.

3.   Het aandeel van 1 % in het communautaire totaal, genoemd in lid 1, kan volgens de procedure van artikel 8, lid 2, worden bijgesteld.

4.   De Commissie kan afwijkingen van deze verordening toestaan indien er belangrijke aanpassingen in de nationale statistische systemen nodig zijn. Deze afwijkingen mogen niet langer dan drie jaar duren, te rekenen vanaf de datum van inwerkingtreding van deze verordening of van die van de uitvoeringsmaatregelen die zijn goedgekeurd overeenkomstig de procedure van artikel 8, lid 2.

Artikel 4

Definities en normen

De normen, definities, classificaties en registratieregels voor de ten behoeve van deze verordening verstrekte gegevens zijn die welke zijn neergelegd in Verordening (EG) nr. 2223/96 (6) (hierna de „ESR-verordening” genoemd).

Artikel 5

Gegevensbronnen en vereisten in verband met de samenhang

1.   De lidstaten stellen de in deze verordening vereiste informatie samen met behulp van alle bronnen die zij relevant achten. Zij geven hierbij prioriteit aan rechtstreekse informatie zoals administratieve bronnen of enquêtes bij de ondernemingen en huishoudens.

Wanneer dergelijke rechtstreekse informatie niet kan worden verzameld, met name voor de retrospectieve gegevens die ingevolge artikel 2, lid 5, worden verlangd, kunnen zo goed mogelijke schattingen worden verstrekt.

2.   De door de lidstaten ten behoeve van deze verordening verstrekte gegevens zijn in overeenstemming met de niet-financiële kwartaalrekeningen van de overheid en de belangrijkste driemaandelijkse aggregaten van de gehele economie, die in het kader van het gegevensoverdrachtprogramma van de ESR-verordening aan de Commissie worden verstrekt.

3.   De ten behoeve van deze verordening door de lidstaten verstrekte kwartaalgegevens worden in overeenstemming gebracht met de overeenkomstige jaargegevens die in het kader van het gegevensoverdracht-programma van de ESR-verordening worden verstrekt.

Artikel 6

Kwaliteitsnormen en verslagen

1.   De lidstaten nemen alle maatregelen die nodig zijn om ervoor te zorgen dat de kwaliteit van de verstrekte gegevens in de loop van de tijd verbetert en in overeenstemming is met de gemeenschappelijke kwaliteitsnormen die volgens de procedure van artikel 8, lid 2, moeten worden vastgesteld.

2.   De lidstaten leveren de Commissie uiterlijk een jaar na de eerste indiening van gegevens een actuele beschrijving van de gebruikte bronnen, methoden en statistische behandelingen.

3.   De lidstaten brengen de Commissie uiterlijk drie maanden na de inwerkingtreding van belangrijke methodologische of andere wijzigingen die van invloed zijn op de verstrekte gegevens, op de hoogte van deze wijzigingen.

Artikel 7

Uitvoeringsmaatregelen

De uitvoeringsmaatregelen worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 8, lid 2. Tot deze maatregelen behoren:

a)

het vaststellen van het tijdschema voor de indiening van de posten P.1, P.2, D.42, D.43, D.44, D.45 en B.4G overeenkomstig artikel 2, lid 2;

b)

het eisen van een indeling van de in de bijlage vermelde transacties naar partnersector overeenkomstig artikel 2, lid 2;

c)

het herzien van het tijdschema voor de indiening van kwartaalgegevens overeenkomstig artikel 2, lid 4;

d)

het aanpassen van het aandeel (1 %) in het communautaire totaal om vast te stellen of gegevens voor alle institutionele sectoren moeten worden ingediend overeenkomstig artikel 3, lid 3;

e)

het vaststellen van kwaliteitsnormen voor de gegevens overeenkomstig artikel 6, lid 1.

Artikel 8

Comité

1.   De Commissie wordt bijgestaan door het Comité statistisch programma, dat is opgericht bij Besluit 89/382/EEG, Euratom van de Raad van 19 juni 1989  (7).

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 5 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.

De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bedoelde periode bedraagt drie maanden.

3.   Het Comité stelt zijn reglement van orde vast.

Artikel 9

Verslag over de uitvoering

Binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze verordening dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in over de uitvoering van deze verordening.

Dit verslag omvat met name:

a)

informatie over de kwaliteit van de geproduceerde statistieken;

b)

een beoordeling van de voordelen die de Gemeenschap, de lidstaten en de verstrekkers en gebruikers van statistische informatie van de geproduceerde statistieken hebben in relatie tot de kosten ervan;

c)

een overzicht van de gebieden waarop in het licht van de behaalde resultaten verbeteringen mogelijk zijn en wijzigingen noodzakelijk worden geacht.

Artikel 10

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt inwerking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te ..., op ...

Voor het Europees Parlement

De Voorzitter

Voor de Raad

De Voorzitter


(1)  PB C (...) van (...), blz.(...).

(2)  Standpunt van het Europees Parlement van 30 maart 2004.

(3)  Verordening (EG) nr. 2223/96 van de Raad van 25 juni 1996 (PB L 310 van 30.11.1996, blz. 1).

(4)  PB L 52 van 22.2.1997, blz. 1 , gewijzigd door Verordening (EG) nr. 1882/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 284 van 31.10.2003, blz. 1).

(5)  PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.

(6)   PB L 310 van 30.11.1996, blz. 1.

(7)  PB L 181 van 28.6.1989, blz. 47.

Bijlage

Indiening van de gegevens

 

BESTEDINGEN

MIDDELEN

 

S1

S1N

S11

S12

S13

S14_S15

S2

S1

S1N

S11

S12

S13

S14_S15

S2

 

 

 

 

 

 

 

 

Totale economie

Totale economie, niet gespecificeerd

Niet-financiële vennootschappen

Financiële instellingen

Overheid

Huishoudens en IZW's t.b.v. huishoudens

Buitenland

P.1

Output

 

 

 

 

 

 

 

X

 

X

X

X

X

 

P.2

Intermediair verbruik

X

 

X

X

X

X

 

 

 

 

 

 

 

 

P.3

Consumptieve bestedingen

X

 

 

 

X

X

 

 

 

 

 

 

 

 

P.31

Individuele consumptieve bestedingen

X

 

 

 

X

X

 

 

 

 

 

 

 

 

P.32

Collectieve consumptieve bestedingen

X

 

 

 

X

 

 

 

 

 

 

 

 

 

P.5

Investeringen (bruto)

X

 

X

X

X

X

 

 

 

 

 

 

 

 

P.51

Investeringen in vaste activa (bruto)

X

 

X

X

X

X

 

 

 

 

 

 

 

 

P.5N

Veranderingen in voorraden en saldo aan- en verkopen van kostbaarheden

X

 

X

X

X

X

 

 

 

 

 

 

 

 

P.6

Uitvoer van geoderen en diensten

 

 

 

 

 

 

X

 

 

 

 

 

 

 

P.7

Invoer van geoderen en diensten

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

X

D.1

Beloning van werknemers

X

 

X

X

X

X

X

X

 

 

 

 

X

X

D.2

Belastingen op productie en invoer

X

X

X

X

X

X

 

X

 

 

 

X

 

X

D.21

Productgebonden belastingen

X

X

 

 

 

 

 

X

 

 

 

X

 

X

D.29

Niet-productgebonden belastingen op productie

X

 

X

X

X

X

 

X

 

 

 

X

 

X

D.3

Subsidies

X

 

 

 

X

 

X

X

X

X

X

X

X

 

D.31

Productgebonden subsidies

X

 

 

 

X

 

X

X

X

 

 

 

 

 

D.39

Niet-productgebonden subsidies

X

 

 

 

X

 

X

X

 

X

X

X

X

 

D.21-D.31

Belastingen-subsidies (productgebonden)

 

 

 

 

 

 

 

X

X

 

 

 

 

 

D.4

Inkomen uit vermogen

X

 

X

X

X

X

X

X

 

X

X

X

X

X

D.41

Rente

X

 

X

X

X

X

X

X

 

X

X

X

X

X

D.4N

Inkomen uit vermogen m.u.v. rente

X

 

X

X

X

X

X

X

 

X

X

X

X

X

D.42

Winstuitkeringen

X

 

X

X

 

X

X

X

 

X

X

X

X

X

D.43

Ingehouden winsten op DBI

X

 

X

X

 

 

X

X

 

X

X

X

X

X

D.44

Inkomen uit vermogen toegerekend aan polishouders

X

 

X

X

 

 

X

X

 

X

X

X

X

X

D.45

Inkomen uit grond en minerale reserves

X

 

X

X

X

X

 

X

 

X

X

X

X

 

D.5

Belastingen op inkomen, vermogen enz.

X

 

X

X

X

X

X

X

 

 

 

X

 

X

D.6

Sociale premies en uitkeringe

X

 

X

X

X

X

X

X

 

X

X

X

X

X

D.61

Sociale premies

X

 

 

 

 

X

X

X

 

X

X

X

X

X

D.62

Sociale uitkeringen (excl. sociale overdrachten in natura)

X

 

X

X

X

X

X

X

 

 

 

 

X

X

D.63

Sociale overdrachten in natura

X

 

 

 

X

X

 

X

 

 

 

 

X

 

D.7

Overige inkomensoverdrachten

X

 

X

X

X

X

X

X

 

X

X

X

X

X

D.71

Schadeverzekeringspremies (netto)

X

 

X

X

X

X

X

X

 

 

X

X

 

X

D.72

Schadeverzekeringsuitkeringen

X

 

 

X

 

 

X

X

 

X

X

X

X

X

D.7N

Overige inkomensoverdrachten n.e.g.

X

 

X

X

X

X

X

X

 

X

X

X

X

X

D.8

Correctie voor mutaties in voorziening pensioenverzekering

X

 

X

X

X

X

X

X

 

 

 

 

X

X

D.9

Kapitaaloverdrachten

X

 

X

X

X

X

X

X

 

X

X

X

X

X

D.91

Vermogensheffingen

X

 

X

X

 

X

X

X

 

 

 

X

 

 

D.9N

Investeringsbijdragen en overige kapitaaloverdrachten

X

 

X

X

X

X

X

X

 

X

X

X

X

X

K.1

Verbruik van vaste activa

X

 

X

X

X

X

 

X

 

X

X

X

X

 

K.2

Saldo aan- en verkopen van niet-geproduceerde nietfinanciële activa

X

 

X

X

X

X

X

 

 

 

 

 

 

 


 

SALDI

 

S1

S1N

S11

S12

S13

S14_S15

S2

 

Totale economie

Totale economie, niet gespecificeerd

Niet-financiële vennootschappen

Financiële instellingen

Overheid

Huishoudens en IZW's t.b.v. huishoudens

Buitenland

B.1G

Toegevoegde waarde (bruto)

X

X

X

X

X

X

 

B.1N

Toegevoegde waard e (netto)

X

X

X

X

X

X

 

B.2G

Exploitatieoverschot (bruto)

X

 

X

X

X

X

 

B.3G

Gemengd inkomen ( bruto)

X

 

 

 

 

X

 

B.4G

Inkomen uit bedrijfsuitoef ening (bruto)

X

 

X

X

 

X

 

B.5G

Saldo primaire inkomens (bruto)

X

 

X

X

X

X

 

B.6G

Beschikbaar inkomen (br uto)

X

 

X

X

X

X

 

B.7G

Alternatief beschikbaar inkomen (bruto)

X

 

 

 

X

X

 

B.8G

Besparingen (bruto)

X

 

X

X

X

X

 

B.9

Vorderingenoverschot (+) c.q. -tekort (-)

X

 

X

X

X

X

X

B.11

Saldo goederen- en dienstentransacties van het buitenland

 

 

 

 

 

 

X

B.12

Saldo lopende transacties van het buitenland

 

 

 

 

 

 

X

P5_TA(2004)0200

Belastingniveaus voor energieproducten en elektriciteit *

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement over het voorstel voor een richtlijn van de Raad tot wijziging van Richtlijn 2003/96/EG teneinde bepaalde lidstaten toe te staan om vrijstellingen of verlagingen van de belastingniveaus toe te passen voor energieproducten en elektriciteit (COM(2004) 42 — C5-0090/2004 — 2004/0016(CNS))

(Raadplegingsprocedure)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan de Raad (COM(2004) 42) (1),

gelet op artikel 93 van het EG-Verdrag, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C5-0090/2004),

gelet op artikel 67 van zijn Reglement,

onder verwijzing naar zijn standpunt van 24 september 2003 over de ontwerprichtlijn van de Raad tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit (2),

gezien het verslag van de Economische en Monetaire Commissie (A5-0158/2004),

1.

hecht zijn goedkeuring aan het voorstel van de Commissie;

2.

verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

3.

wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in het voorstel van de Commissie;

4.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.


(1)  Nog niet in het PB gepubliceerd.

(2)  P5_TA(2003)0404.

P5_TA(2004)0201

Belastingheffing op inkomsten uit spaargelden in de vorm van rentebetaling *

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement over het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de sluiting van de Overeenkomst tussen de Zwitserse Bondsstaat en de Europese Gemeenschap waarbij wordt voorzien in maatregelen van gelijke strekking als die welke zijn vervat in Richtlijn 2003/48/EG van de Raad van 3 juni 2003 betreffende belastingheffing op inkomsten uit spaargelden in de vorm van rentebetaling, en van het bijbehorende Memorandum van Overeenstemming (COM(2004) 75 — C5-0103/2004 — 2004/0027(CNS))

(Raadplegingsprocedure)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel voor een besluit van de Raad (COM(2004) 75) (1),

gezien de ontwerpovereenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat waarbij wordt voorzien in maatregelen van gelijke strekking als die welke zijn vervat in Richtlijn 2003/48/EG van de Raad van 3 juni 2003 betreffende belastingheffing op inkomsten uit spaargelden in de vorm van rentebetaling, en van het bijbehorende Memorandum van Overeenstemming,

gelet op artikel 94 en artikel 300, lid 2, eerste alinea van het EG-Verdrag,

gelet op artikel 300, lid 3, eerste alinea van het EG-Verdrag op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C5-0103/2004),

gelet op artikel 67 en artikel 97, lid 7 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Economische en Monetaire Commissie (A5-0169/2004),

1.

hecht zijn goedkeuring aan het voorstel voor een besluit van de Raad, als geamendeerd door het Parlement, alsmede aan de sluiting van de overeenkomst;

2.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede de regeringen en parlementen van de lidstaten en de Zwitserse Bondsstaat.

DOOR DE COMMISSIE VOORGESTELDE TEKST

AMENDEMENTEN VAN HET PARLEMENT

Amendement 1

Overweging 4 bis (nieuw)

 

(4 bis) Het uiteindelijke doel is de mogelijkheid te scheppen dat opbrengsten van spaartegoeden in de vorm van rentebetalingen die plaatsvinden in een lidstaat en die bestemd zijn voor in een andere lidstaat gevestigde vruchtgebruikers en particulieren aan een doeltreffende belastingheffing worden onderworpen, hetgeen noodzakelijk is om een schadelijke concurrentie op fiscaal terrein te bestrijden en bij te dragen aan de verbetering van het functioneren van de interne markt door afschaffing van kunstmatige stimulansen voor een circulatie van kapitaal in de Europese Unie en over haar grenzen heen.

Amendement 2

Overweging 4 ter (nieuw)

 

(4 ter) Een rechtvaardige en doeltreffende fiscale behandeling van spaartegoeden in Europa betekent noodzakelijkerwijs dat de lidstaten het recht moeten hebben de in de gehele Europese Unie gegenereerde inkomsten van in hun land gevestigde personen volgens hun eigen binnenlandse belastingregels en -tarieven te belasten.

Amendement 3

Overweging 4 quater (nieuw)

 

(4 quater) Het beste middel voor een doeltreffende belastingheffing op spaartegoeden is een automatische uitwisseling van gegevens tussen de belastingdiensten.

Amendement 4

Overweging 4 quinquies (nieuw)

 

(4 quinquies) Zwitserland heeft, evenals sommige lidstaten, in het kader van Richtlijn 2003/48/EG gekozen voor een bronheffing en zal een gelijksoortige heffing invoeren op fondsen afkomstig van in de Europese Unie gevestigde personen, waarbij 75% van de opbrengst van deze bronheffing wordt overgemaakt aan de lidstaat waar de daadwerkelijke begunstigde is gevestigd.

Amendement 5

Overweging 4 sexies (nieuw)

 

(4 sexies) Niettemin moet rekening worden gehouden met de behoeften van de banksectoren van sommige lidstaten en hun structurele verschillen door een overgangsperiode toe te staan waarin zij tot heffing van een bronbelasting zullen overgaan tegen een tarief dat progressief tot 35% oploopt. Hierdoor zal een minimum niveau van daadwerkelijke belastingheffing gewaarborgd zijn totdat een situatie van volledige informatieuitwisseling is bereikt. Het grootste deel van deze belastingopbrengsten dient te worden overgemaakt naar de lidstaat waar de vruchtgebruiker van het spaartegoed is gevestigd.

Amendement 6

Overweging 4 septies (nieuw)

 

(4 septies) Ter voorkoming van kapitaalvlucht over de grenzen van de Europese Unie heen wordt aan de toepassing van deze overeenkomst de voorwaarde verbonden dat de van de lidstaten afhankelijke of ermee geassocieerde gebieden welke zijn vermeld in het besluit van de Europese Raad van Feira van 19 en 20 juni 2000, evenals respectievelijk door de Verenigde Staten van Amerika, Andorra, Liechtenstein, Monaco en San Marino, maatregelen vaststellen en uitvoeren die gelijk of gelijksoortig zijn aan die welke zijn vermeld in Richtlijn 2003/48/EG of in deze overeenkomst betreffende belastingheffing op inkomsten uit spaargelden in de vorm van rentebetaling.

Amendement 7

Overweging 4 octies (nieuw)

 

(4 octies) De sluiting van een overeenkomst met Zwitserland dient niet gekoppeld te worden aan lopende onderhandelingen met andere partijen.

Amendement 8

Overweging 4 nonies (nieuw)

 

(4 nonies) Het is van belang dat de onderhandelingen met bovenvermelde derde landen te gelegener tijd worden afgesloten. Er kan niet worden ingegaan op enig tegenverzoek van deze landen. De overeenkomsten met deze landen dienen dezelfde fundamentele elementen te bevatten als die welke in de overeenkomst met Zwitserland zijn vervat.

Amendement 9

Overweging 4 decies (nieuw)

 

(4 decies) Dezelfde maatregelen zijn van toepassing in de betrokken afhankelijke of geassocieerde gebieden (de Anglo-Normandische eilanden, het eiland Man alsmede de afhankelijke of geassocieerde Caraïbische gebieden),


(1)  Nog niet in het PB gepubliceerd.

P5_TA(2004)0202

Uitkeringen van interest en royalty's tussen verbonden ondernemingen van verschillende lidstaten *

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement over het voorstel voor een richtlijn van de Raad tot wijziging van Richtlijn 2003/49/EG betreffende een gemeenschappelijke belastingregeling inzake uitkeringen van interest en royalty's tussen verbonden ondernemingen van verschillende lidstaten (COM(2003) 841 — C5-0054/2004 — 2003/0331(CNS))

(Raadplegingsprocedure)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan de Raad (COM(2003) 841) (1),

gelet op artikel 94 van het EG-Verdrag, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C5-0054/2004),

gelet op artikel 67 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Economische en Monetaire Commissie (A5-0150/2004),

1.

hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel, als geamendeerd door het Parlement;

2.

verzoekt de Commissie haar voorstel krachtens artikel 250, lid 2 van het EG-Verdrag dienovereenkomstig te wijzigen;

3.

verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

4.

wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in het voorstel van de Commissie;

5.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

DOOR DE COMMISSIE VOORGESTELDE TEKST

AMENDEMENTEN VAN HET PARLEMENT

Amendement 3

Artikel 1, punt 1 a) (nieuw)

Artikel 3, letter a), punt i) (Richtlijn 2003/49/EG)

 

1 a) Artikel 3, letter (a), punt (i) wordt als volgt gewijzigd:

i)

die één van de op de lijst in de bijlage bij de Richtlijn 90/435/EEG van de Raad van 23 juli 1990 betreffende de gemeenschappelijk fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen uit verschillende lidstaten, genoemde rechtsvormen heeft (2); dan wel

Amendement 1

Artikel 1, punt 1 b) (nieuw)

Artikel 3, letter b), eerste alinea (Richtlijn 2003/49/EG)

 

1 b)

In artikel 3, letter (b) wordt de eerste alinea vervangen door:

b)

iedere onderneming die ten minste daardoor met een tweede onderneming verbonden is doordat:

i)

de eerste onderneming rechtstreeks een deelneming van ten minste 20% (met ingang van 1 januari 2007 ten minste 15% en met in gang van 1 januari 2009 ten minste 10 %) in het kapitaal van de tweede onderneming heeft, dan wel:

ii)

de tweede onderneming rechtstreeks een deelneming van ten minste 20% (met ingang van 1 januari 2007 ten minste 15% en met ingang van 1 januari 2009 ten minste 10 %) in het kapitaal van de eerste onderneming heeft, dan wel:

iii)

een derde onderneming rechtstreeks een deelneming van ten minste 20% (met ingang van 1 januari 2007 ten minste 15% en met ingang van 1 januari 2009 ten minste 10 %) in het kapitaal van zowel de eerste onderneming als de tweede onderneming heeft.

Amendement 2

Artikel 1, punt 2

Bijlage (Richtlijn 2003/49/EG)

2)

De bijlage wordt vervangen door de tekst in de bijlage bij deze richtlijn .

2) De bijlage wordt geschrapt .


(1)  Nog niet in het PB gepubliceerd.

(2)   PB L 225 van 20.8.1990, blz. 6. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2003/123/EG (PB L 7 van 13.1.2004, blz. 41).

P5_TA(2004)0203

Gerecht voor Europese ambtenarenzaken *

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement over het voorstel voor een besluit van de Raad tot instelling van een gerecht voor Europese ambtenarenzaken (COM(2003) 705 — C5-0581/2003 — 2003/0280(CNS))

(Raadplegingsprocedure)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan de Raad (COM(2003) 705) (1),

gelet op de artikelen 225 A en 245 van het EG-Verdrag en de artikelen 140 B en 160 van het EGAVerdrag, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C5-0581/2003),

gelet op artikel 67 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie juridische zaken en interne markt (A5-0181/2004),

1.

hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel, als geamendeerd door het Parlement;

2.

verzoekt de Commissie haar voorstel krachtens artikel 250, lid 2 van het EG-Verdrag en artikel 119, tweede alinea Euratom-Verdrag dienovereenkomstig te wijzigen;

3.

verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

4.

wenst dat de overlegprocedure als bedoeld in de gemeenschappelijke verklaring van 4 maart 1975 wordt ingeleid ingeval de Raad voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst;

5.

wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in het voorstel van de Commissie;

6.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

DOOR DE COMMISSIE VOORGESTELDE TEKST

AMENDEMENTEN VAN HET PARLEMENT

Amendement 1

Artikel 2, punt 1

Titel VI (Protocol betreffende het statuut van het Hof van Justitie)

1)

De volgende titel VI wordt toegevoegd:

Titel VI

RECHTERLIJKE KAMERS

Artikel 65

De bepalingen betreffende de bevoegdheid, samenstelling en organisatie van en de procedure voor de krachtens artikel 225 A van het EG-Verdrag en artikel 140 B van het EGA-Verdrag ingestelde rechterlijke kamers zijn in de aan dit statuut gehechte bijlagen opgenomen.

1)

De volgende titel IV bis wordt ingevoegd:

Titel IV bis

RECHTERLIJKE KAMERS

Artikel 62 bis

De bepalingen betreffende de bevoegdheid, samenstelling en organisatie van en de procedure voor de krachtens artikel 225 A van het EG-Verdrag en artikel 140 B van het EGA-Verdrag ingestelde rechterlijke kamers zijn in de aan dit statuut gehechte bijlagen opgenomen.

Amendement 2

BIJLAGE

Bijlage I, artikel 2, eerste alinea (Protocol betreffende het statuut van het Hof van Justitie)

Het gerecht voor ambtenarenzaken bestaat uit zes rechters die voor een periode van zes jaar door de Raad worden benoemd uit de door de lidstaten voorgedragen kandidaten, na raadpleging van het comité bedoeld in artikel 3.

Het gerecht voor ambtenarenzaken bestaat uit zes rechters die voor een periode van zes jaar door de Raad worden benoemd uit de kandidaten die na een open sollicitatieprocedure door het comité bedoeld in artikel 3 op een voordrachtslijst worden geplaatst. Dit comité geeft advies voorafgaand aan het besluit van de Raad.

Amendement 3

BIJLAGE

Bijlage I, artikel 3 (Protocol betreffende het statuut van het Hof van Justitie)

Er wordt een comité opgericht dat, voorafgaand aan het benoemingsbesluit, advies geeft over de geschiktheid van de kandidaten voor de uitoefening van het ambt van rechter in het gerecht voor ambtenarenzaken. Het comité kan bij dit advies een lijst van de kandidaten met de meest passende ervaring op hoog niveau voegen. Het aantal kandidaten op deze lijst dient het dubbele te bedragen van het aantal door de Raad te benoemen rechters.

Er wordt een comité opgericht dat, voorafgaand aan het benoemingsbesluit, advies geeft over de geschiktheid van de kandidaten voor de uitoefening van het ambt van rechter in het gerecht voor ambtenarenzaken. Het comité voegt bij dit advies een lijst van de kandidaten met de meest passende ervaring op hoog niveau. Het aantal kandidaten op deze lijst dient het dubbele te bedragen van het aantal door de Raad te benoemen rechters.

Het comité bestaat uit zeven leden, die voormalige leden van het Hof van Justitie en van het Gerecht van eerste aanleg zijn, of personen die bekend staan als kundige rechtsgeleerden. De Raad benoemt de leden van het comité en bepaalt de werkwijze ervan bij gekwalificeerde meerderheid van stemmen op aanbeveling van de president van het Hof van Justitie.

Het comité bestaat uit zeven leden, die voormalige leden van het Hof van Justitie en van het Gerecht van eerste aanleg zijn, of personen die bekend staan als kundige rechtsgeleerden, van wie er één wordt voorgedragen door het Europees Parlement . De Raad benoemt de leden van het comité en bepaalt de werkwijze ervan bij gekwalificeerde meerderheid van stemmen, na advies van het Europees Parlement, op aanbeveling van de president van het Hof van Justitie.

Amendement 4

BIJLAGE

Bijlage I, artikel 7, lid 2 (Protocol betreffende het statuut van het Hof van Justitie)

2. Onverminderd het bepaalde van artikel 40 van het statuut van het Hof omvat het schriftelijke gedeelte van de procedure de indiening van het verzoekschrift en van het verweerschrift, tenzij het gerecht voor ambtenarenzaken beslist dat een tweede schriftelijke memoriewisseling nodig is. Na de tweede memoriewisseling kan het gerecht voor ambtenarenzaken, de partijen gehoord, beslissen zonder mondelinge behandeling uitspraak te doen.

2. Onverminderd het bepaalde van artikel 40 van het statuut van het Hof omvat het schriftelijke gedeelte van de procedure de indiening van het verzoekschrift en van het verweerschrift, tenzij het gerecht voor ambtenarenzaken beslist dat een tweede schriftelijke memoriewisseling nodig is. Het gerecht voor ambtenarenzaken kan , de partijen gehoord, beslissen zonder mondelinge behandeling uitspraak te doen.

Amendement 5

BIJLAGE

Bijlage I, artikel 7, lid 3 (Protocol betreffende het statuut van het Hof van Justitie)

3. Het gerecht voor ambtenarenzaken onderzoekt in alle fasen van de procedure, en dit vanaf de indiening van het verzoekschrift, de mogelijkheden voor een minnelijke regeling van het geschil en zorgt voor de vergemakkelijking van een dergelijke regeling.

Schrappen.


(1)  Nog niet in het PB gepubliceerd.

P5_TA(2004)0204

Wijziging van het statuut van het Hof van Justitie *

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement over het voorstel voor een besluit van de Raad houdende wijziging van de artikelen 16 en 17 van het protocol betreffende het statuut van het Hof van Justitie (14617/2003 — C5-0579/2003 — 2003/0823(CNS))

(Raadplegingsprocedure)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel voor een besluit van de Raad (14617/2003) (1),

gelet op artikel 245, tweede alinea van het EG-Verdrag en artikel 160, tweede alinea, van het EGAVerdrag, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C5-0579/2003),

gelet op artikel 67 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie juridische zaken en interne markt (A5-0128/2004),

1.

hecht zijn goedkeuring aan het voorstel voor een besluit van de Raad;

2.

verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

3.

wenst dat de overlegprocedure als bedoeld in de gemeenschappelijke verklaring van 4 maart 1975 wordt ingeleid ingeval de Raad voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst;

4.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.


(1)  Nog niet in het PB gepubliceerd.

P5_TA(2004)0205

Wijziging van het reglement voor de procesvoering van het Hof van Justitie (regeling taalgebruik) *

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement over het ontwerpbesluit van de Raad houdende wijziging van het reglement voor de procesvoering van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen inzake de regeling van het taalgebruik (artikel 29) (15167/2003 — C5-0585/2003 2003/0824(CNS))

(Raadplegingsprocedure)

Het Europees Parlement,

gezien het ontwerpbesluit van de Raad (15167/2003) (1),

gezien het advies van de Commissie overeenkomstig artikel 245, tweede alinea, van het EG-Verdrag over de verzoeken tot wijziging van artikel 29 van het reglement voor de procesvoering van het Hof van Justitie en artikel 35 van het reglement voor de procesvoering van het Gerecht van eerste aanleg, die door het Hof en het Gerecht zijn ingediend overeenkomstig artikel 64 van het Statuut van het Hof van Justitie (SEC(2004) 223),

gelet op artikel 245, tweede alinea van het EG-Verdrag en artikel 160, tweede alinea van het EGAVerdrag, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C5-0585/2003),

gelet op artikel 67 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie juridische zaken en interne markt (A5-0127/2004),

1.

hecht zijn goedkeuring aan het ontwerpbesluit van de Raad;

2.

verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

3.

wenst dat de overlegprocedure als bedoeld in de gemeenschappelijke verklaring van 4 maart 1975 wordt ingeleid ingeval de Raad voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst;

4.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.


(1)  Nog niet in het PB gepubliceerd.

P5_TA(2004)0206

Wijziging van het reglement voor de procesvoering van het Gerecht van eerste aanleg *

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement over het ontwerpbesluit van de Raad tot wijziging van artikel 35 van het reglement voor de procesvoering van het Gerecht van eerste aanleg inzake het taalgebruik, met het oog op de nieuwe verdeling van de bevoegdheden voor de rechtstreekse beroepen en de uitbreiding van de Unie (15738/2003 — C5-0625/2003 — 2003/0825(CNS))

(Raadplegingsprocedure)

Het Europees Parlement,

gezien het ontwerpbesluit van de Raad (15738/2003) (1),

gezien het advies van de Commissie overeenkomstig artikel 245, tweede alinea, van het EG-Verdrag over de verzoeken tot wijziging van artikel 29 van het reglement voor de procesvoering van het Hof van Justitie en artikel 35 van het reglement voor de procesvoering van het Gerecht van eerste aanleg, die door het Hof en het Gerecht zijn ingediend overeenkomstig artikel 64 van het Statuut van het Hof van Justitie (SEC(2004) 223),

gelet op artikel 245, tweede alinea van het EG-Verdrag en artikel 160, tweede alinea van het EGAVerdrag, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C5-0625/2003),

gelet op artikel 67 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie juridische zaken en interne markt (A5-0126/2004),

1.

hecht zijn goedkeuring aan het ontwerpbesluit van de Raad;

2.

verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

3.

wenst dat de overlegprocedure als bedoeld in de gemeenschappelijke verklaring van 4 maart 1975 wordt ingeleid ingeval de Raad voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst;

4.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.


(1)  Nog niet in het PB gepubliceerd.

P5_TA(2004)0207

Invoer in de Gemeenschap van bepaalde levende hoefdieren *

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement over het voorstel voor een richtlijn van de Raad tot vaststelling van veterinairrechtelijke voorschriften voor de invoer in de Gemeenschap van bepaalde levende hoefdieren, en tot wijziging van de Richtlijnen 90/426/EEG en 92/65/EEG (COM(2003) 570 — C5-0483/2003 — 2003/0224(CNS))

(Raadplegingsprocedure)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan de Raad (COM(2003) 570) (1),

gelet op artikel 37 van het EG-Verdrag, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C5-0483/2003),

gelet op artikel 67 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en consumentenbeleid (A5-0186/2004),

1.

hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel, als geamendeerd door het Parlement;

2.

verzoekt de Commissie haar voorstel krachtens artikel 250, lid 2 van het EG-Verdrag dienovereenkomstig te wijzigen;

3.

verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

4.

wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in het voorstel van de Commissie;

5.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

DOOR DE COMMISSIE VOORGESTELDE TEKST

AMENDEMENTEN VAN HET PARLEMENT

Amendement 1

Artikel 1

Deze richtlijn stelt de veterinairrechtelijke voorschriften vast voor de invoer in de Gemeenschap van levende hoefdieren van de in bijlage I opgesomde diersoorten.

Deze richtlijn stelt de veterinairrechtelijke voorschriften vast voor de invoer of doorvoer in de Gemeenschap van levende hoefdieren van de in bijlage I opgesomde diersoorten.

(Dit amendement is van toepassing op de gehele tekst).

Amendement 2

Artikel 2, letter c bis) (nieuw)

 

c bis) „hoefdieren”: alle in Bijlage I genoemde dieren.

Amendement 3

Artikel 8, letter e)

e) hun eigenaars als gezelschapsdieren begeleiden, of

e)

hun eigenaars als gezelschapsdieren begeleiden, indien zij in deze richtlijn staan vermeld onder als gezelschapsdier geaccepteerde hoefdieren, en ondanks het feit dat zij niet in de veterinairrechtelijke voorschriften van Verordening (EG) nr. 998/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 inzake veterinairrechtelijke voorschriften voor het niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren en houdende wijziging van Richtlijn 92/65/EEG van de Raad (2) zijn vermeld, of

Amendement 4

Artikel 9

In afwijking van artikel 7, onder a), kunnen overeenkomstig de in artikel 14, lid 2, bedoelde procedure voorwaarden worden vastgesteld voor de invoer in de Gemeenschap van levende hoefdieren uit een geautoriseerd derde land waar bepaalde in bijlage II opgesomde ziekten voorkomen en/of ertegen gevaccineerd wordt.

In afwijking van artikel 7, onder a), kunnen overeenkomstig de in artikel 14, lid 2, bedoelde procedure voorwaarden worden vastgesteld voor de invoer in de Gemeenschap van levende hoefdieren uit een geautoriseerd derde land waar bepaalde in bijlage II opgesomde ziekten voorkomen en/of ertegen gevaccineerd wordt. Afwijkingen worden per geval vastgesteld.

Amendement 5

Artikel 17, punt 1 bis (NIEUW)

Artikel 19, punt iii bis) (nieuw) (Richtlijn 90/426/EEG)

 

1 bis)

Aan artikel 19 wordt het volgende punt toegevoegd:

iii bis)

kan een communautair referentielaboratorium aanwijzen voor een of meer van de in Bijlage A genoemde paardenziekten en kan de taken, plichten en procedures vaststellen voor samenwerking met laboratoria belast met het diagnosticeren van besmettelijke paardenziekten in de lidstaten.

(1)  Nog niet in het PB gepubliceerd.

(2)   PB L 146 van 13.6.2003, blz. 1.

P5_TA(2004)0208

Gegevens over de driemaandelijkse overheidsschuld *

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement over het voorstel voor een verordening van de Raad betreffende de berekening en indiening van gegevens over de driemaandelijkse overheidsschuld (COM(2003) 761 — C5-0649/2003 — 2003/0295(CNS))

(Raadplegingsprocedure)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan de Raad (COM(2003) 761) (1),

gelet op artikel 104 van het EG-Verdrag, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C5-0649/2003),

gelet op artikel 67 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Economische en Monetaire Commissie (A5-0170/2004),

1.

hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel, als geamendeerd door het Parlement;

2.

verzoekt de Commissie haar voorstel krachtens artikel 250, lid 2 van het EG-Verdrag dienovereenkomstig te wijzigen;

3.

verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

4.

wenst dat de overlegprocedure als bedoeld in de gemeenschappelijke verklaring van 4 maart 1975 wordt ingeleid ingeval de Raad voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst;

5.

wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in het voorstel van de Commissie;

6.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

DOOR DE COMMISSIE VOORGESTELDE TEKST

AMENDEMENTEN VAN HET PARLEMENT

Amendement 1

Artikel 4, lid 1

1. Ingeval de Raad overeenkomstig de bij het Verdrag vastgestelde bevoegdheids- en procedurevoorschriften beslist Verordening (EG) nr. 3605/93 te wijzigen, wijzigt hij gelijktijdig deze verordening, zodat de samenhang tussen de definitie van driemaandelijkse overheidsschuld en de definitie van aan het einde van het jaar uitstaande overheidsschuld bewaard blijft.

1. Ingeval de Raad overeenkomstig de bij het Verdrag vastgestelde bevoegdheids- en procedurevoorschriften beslist Verordening (EG) nr. 3605/93 te wijzigen, wijzigt hij gelijktijdig artikel 1 van deze verordening, zodat de samenhang tussen de definitie van driemaandelijkse overheidsschuld en de definitie van aan het einde van het jaar uitstaande overheidsschuld bewaard blijft.

Amendement 2

Artikel 4, lid 2

2. Ingeval de Commissie overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EG) nr. 3605/93 nieuwe verwijzingen naar het ESR 95 aanbrengt in artikel 1, lid 5, van genoemde verordening, brengt zij gelijktijdig dezelfde nieuwe verwijzingen in deze verordening aan, zodat de samenhang tussen de definitie van driemaandelijkse overheidsschuld en de definitie van aan het einde van het jaar uitstaande overheidsschuld bewaard blijft.

2. Ingeval de Commissie overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EG) nr. 3605/93 nieuwe verwijzingen naar het ESR 95 aanbrengt in artikel 1, lid 5, van genoemde verordening, brengt zij gelijktijdig dezelfde nieuwe verwijzingen in artikel 1 van deze verordening aan, zodat de samenhang tussen de definitie van driemaandelijkse overheidsschuld en de definitie van aan het einde van het jaar uitstaande overheidsschuld bewaard blijft.


(1)  Nog niet in het PB gepubliceerd.

P5_TA(2004)0209

Verdediging van de parlementaire immuniteit van Marco Pannella

Besluit van het Europees Parlement over het verzoek van Marco Pannella om verdediging van zijn parlementaire immuniteit (2003/2116(IMM))

Het Europees Parlement,

gezien het door Marco Pannella ingediende verzoek om verdediging van zijn parlementaire immuniteit na zijn veroordeling tot een gevangenisstraf — naderhand gewijzigd in een beperking van zijn bewegingsvrijheid — wegens feiten gepleegd in Italië, zoals ingediend door de heer Maurizio Turco op 29 april 2003 en ter kennis gegeven van het Europees Parlement in de plenaire vergadering van 4 juni 2003,

gelet op de artikelen 9 en 10 van het Protocol van 8 april 1965 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen, en op artikel 4, lid 2, van de Akte van 20 september 1976 betreffende de verkiezing van de vertegenwoordigers in het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen,

gelet op de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 12 mei 1964 en 10 juli 1986 (1),

gelet op de artikelen 6 en 6 bis van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie juridische zaken en interne markt (A5-0180/2004),

A.

overwegende dat artikel 10, punt (a) van het Protocol bepaalt dat de leden van het Europees Parlement in hun eigen lidstaat de immuniteiten tegen gerechtelijke vervolging genieten welke aan de leden van de volksvertegenwoordiging in hun land zijn verleend,

B.

overwegende dat Marco Pannella in Italië tot lid van het Europees Parlement is gekozen,

C.

overwegende dat Marco Pannella na een veroordeling op basis van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Italiaanse autoriteiten acht maanden lang in zijn vrijheid is beperkt naar aanleiding van zijn publieke acties ten gunste van de legalisering van verboden drugs,

D.

overwegende dat deze acties duidelijk deel uitmaakten van zijn te goeder trouw gevoerde politieke activiteiten, zoals collectieve acties waarbij op symbolische wijze de wet werd overtreden,

E.

overwegende dat leden van het Italiaans parlement in dergelijke gevallen naar het schijnt geen parlementaire immuniteit genieten,

F.

overwegende dat Marco Pannella op basis van de verstrekte bewijsstukken niet beschermd wordt door parlementaire immuniteit met betrekking tot de gerechtelijke procedures die onder de aandacht van de Voorzitter van het Europees Parlement zijn gebracht,

1.

besluit dat het niet gepast is enigerlei stappen te nemen bij de Italiaanse autoriteiten om nadere uitleg te vragen over de politieke activiteiten van de Marco Pannella.


(1)  Zaak 101/63, Wagner v. Fohrmann en Krier, Jurisprudentie 1964, blz. 407, en zaak 149/85 Wybot v. Faure Jurisprudentie 1986, blz. 2391.

P5_TA(2004)0210

Parlementaire immuniteit van Martin Schulz

Besluit van het Europees Parlement over het verzoek van Martin Schulz om verdediging van zijn parlementaire immuniteit en voorrechten (2004/2016(IMM))

Het Europees Parlement,

gezien het door Martin Schulz ingediende verzoek om verdediging van zijn parlementaire immuniteit en voorrechten in verband met een civiele procedure (kort geding en bodemprocedure) voor het Landgericht Hamburg, dat op 26 februari 2004 in de plenaire vergadering werd bekendgemaakt,

gelet op artikel 9 van het Protocol van 8 april 1965 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen, en op artikel 4, lid 2 van de Akte van 20 september 1976 betreffende de verkiezing van de vertegenwoordigers in het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen,

gelet op de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 12 mei 1964 en 10 juli 1986 (1),

gelet op de artikelen 6 en 6 bis van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie juridische zaken en interne markt (A5-0184/2004),

A.

overwegende dat Martin Schulz bij de vijfde rechtstreekse verkiezingen van 10 t/m 13 juni 1999 tot lid van het Europees Parlement is verkozen en dat het Europees Parlement op 15 december 1999 zijn geloofsbrieven heeft onderzocht (2),

B.

overwegende dat tegen de leden van het Europees Parlement geen opsporing kan plaatsvinden en dat zij niet aangehouden of vervolgd kunnen worden op grond van de mening of stem die zij in de uitoefening van hun ambt hebben uitgebracht (3),

C.

overwegende dat de civiele procedure die tegen Martin Schulz is ingesteld voor het Landgericht Hamburg betrekking heeft op meningen die deze heeft geuit in zijn persverklaring die rechtstreeks verband hield met een kwestie die op dat moment in het Parlement aan de orde was,

D.

overwegende dat de immuniteit voor juridische procedures die de leden van het Europees Parlement genieten, ook immuniteit voor civiele procedures omvat,

E.

overwegende dat deze bescherming alleen effectief kan zijn wanneer zij zowel het kort geding als de bodemprocedure omvat,

F.

overwegende dat de leden van het Europees Parlement tot taak hebben aan het politieke debat deel te nemen of persverklaringen uit te geven, en dat zij derhalve geacht moeten worden hun ambt uit te oefenen als lid van het Europees Parlement wanneer zij zulke verklaringen over controversiële onderwerpen uitgeven,

1.

besluit de parlementaire immuniteit en voorrechten van Martin Schulz te verdedigen;

2.

stelt uit hoofde van artikel 9 van bovengenoemd Protocol en met inachtneming van de procedures van de betrokken lidstaat voor, te verklaren dat de bewuste gerechtelijke procedure niet kan worden voortgezet en verzoekt de rechtbank hieruit de dienovereenkomstige conclusies te trekken;

3.

verzoekt de Commissie na te gaan of paragraaf 5, tweede volzin, van het Europaabgeordnetengesetz van de Bondsrepubliek Duitsland verenigbaar is met het Gemeenschapsrecht, met name artikel 9 van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen;

4.

verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en het verslag van de commissie te doen toekomen aan de Duitse autoriteiten, het Landgericht Hamburg en aan de Commissie.


(1)  1 Zaak 101/63, Wagner v. Fohrmann en Krier, Jurisprudentie 1964, blz. 407, en zaak 149/85, Wybot v. Faure, Jurisprudentie 1986, blz. 2391.

(2)  Besluit van het Europees Parlement over het onderzoek van de geloofsbrieven naar aanleiding van de vijfde rechtstreekse verkiezingen van het Europees Parlement van 10 t/m 13 juni 1999 (PB C 296 van 18.10.2000, blz. 93).

(3)  Artikel 9 van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen.

P5_TA(2004)0211

Parlementaire immuniteit van Klaus-Heiner Lehne

Besluit van het Europees Parlement over het verzoek van Klaus-Heiner Lehne om verdediging van zijn parlementaire immuniteit en voorrechten (2004/2015(IMM))

Het Europees Parlement,

gezien het door Klaus-Heiner Lehne ingediende verzoek om verdediging van zijn parlementaire immuniteit en voorrechten in verband met een civiele procedure (kort geding en bodemprocedure) voor het Landgericht Hamburg, dat op 26 februari 2004 in de plenaire vergadering werd bekendgemaakt,

gelet op artikel 9 van het Protocol van 8 april 1965 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen, en op artikel 4, lid 2 van de Akte van 20 september 1976 betreffende de verkiezing van de vertegenwoordigers in het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen,

gelet op de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 12 mei 1964 en 10 juli 1986 (1),

gelet op de artikelen 6 en 6 bis van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie juridische zaken en interne markt (A5-0185/2004),

A.

overwegende dat Klaus-Heiner Lehne bij de vijfde rechtstreekse verkiezingen van 10 t/m 13 juni 1999 tot lid van het Europees Parlement is verkozen en dat het Europees Parlement op 15 december 1999 zijn geloofsbrieven heeft onderzocht (2),

B.

overwegende dat tegen de leden van het Europees Parlement geen opsporing kan plaatsvinden en dat zij niet aangehouden of vervolgd kunnen worden op grond van de mening of stem die zij in de uitoefening van hun ambt hebben uitgebracht (3),

C.

overwegende dat de civiele procedure die tegen Klaus-Heiner Lehne is ingesteld voor het Landgericht Hamburg betrekking heeft op meningen die deze heeft geuit in zijn persverklaring die rechtstreeks verband hield met een kwestie die op dat moment in het Parlement aan de orde was,

D.

overwegende dat de immuniteit voor juridische procedures die de leden van het Europees Parlement genieten, ook immuniteit voor civiele procedures omvat,

E.

overwegende dat deze bescherming alleen effectief kan zijn wanneer zij zowel het kort geding als de bodemprocedure omvat,

F.

overwegende dat de leden van het Europees Parlement tot taak hebben aan het politieke debat deel te nemen of persverklaringen uit te geven, en dat zij derhalve geacht moeten worden hun ambt uit te oefenen als lid van het Europees Parlement wanneer zij zulke verklaringen over controversiële onderwerpen uitgeven,

1.

besluit de parlementaire immuniteit en voorrechten van Klaus-Heiner Lehne te verdedigen;

2.

stelt uit hoofde van artikel 9 van bovengenoemd Protocol en met inachtneming van de procedures van de betrokken lidstaat voor, te verklaren dat de bewuste gerechtelijke procedure niet kan worden voortgezet en verzoekt de rechtbank hieruit de dienovereenkomstige conclusies te trekken;

3.

verzoekt de Commissie na te gaan of paragraaf 5, tweede volzin, van het Europaabgeordnetengesetz van de Bondsrepubliek Duitsland verenigbaar is met het Gemeenschapsrecht, met name artikel 9 van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen;

4.

verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en het verslag van de commissie te doen toekomen aan de Duitse autoriteiten, het Landgericht Hamburg en aan de Commissie.


(1)  1 Zaak 101/63, Wagner v. Fohrmann en Krier, Jurisprudentie 1964, blz. 407, en zaak 149/85, Wybot v. Faure, Jurisprudentie 1986, blz. 2391.

(2)  Besluit van het Europees Parlement over het onderzoek van de geloofsbrieven naar aanleiding van de vijfde rechtstreekse verkiezingen van het Europees Parlement van 10 t/m 13 juni 1999 (PB C 296 van 18.10.2000, blz. 93).

(3)  Artikel 9 van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen.

P5_TA(2004)0212

Markten voor financiële instrumenten *** II

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement betreffende het gemeenschappelijk standpunt, door de Raad vastgesteld met het oog op de aanneming van de richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende markten voor financiële instrumenten, tot wijziging van de Richtlijnen 85/611/EEG en 93/6/EEG van de Raad en van Richtlijn 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad en houdende intrekking van Richtlijn 93/22/EEG van de Raad (13421/3/2003 — C5-0015/2004 — 2002/0269(COD))

(Medebeslissingsprocedure: tweede lezing)

Het Europees Parlement,

gezien het gemeenschappelijk standpunt van de Raad (13421/3/2003 — C5-0015/2004) (1),

gezien zijn in eerste lezing geformuleerde standpunt (2) inzake het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2002) 625) (3),

gelet op artikel 251, lid 2 van het EG-Verdrag,

gelet op artikel 80 van zijn Reglement,

gezien de aanbeveling voor de tweede lezing van de Economische en Monetaire Commissie (A5-0114/2004),

1.

wijzigt het gemeenschappelijk standpunt als volgt;

2.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.


(1)  Nog niet in het PB gepubliceerd.

(2)  Aangenomen teksten van 25.9.2003, P5_TA(2003)0410.

(3)  PB C 71 E van 25.3.2003, blz. 62.

P5_TC2-COD(2002)0269

Standpunt van het Europees Parlement in tweede lezing vastgesteld op 30 maart 2004 met het oog op de aanneming van Richtlijn 2004/.../EG van het Europees Parlement en de Raad van betreffende markten voor financiële instrumenten, tot wijziging van de Richtlijnen 85/611/EEG en 93/6/EEG van de Raad en van Richtlijn 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad en houdende intrekking van Richtlijn 93/22/EEG van de Raad

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 47, lid 2,

Gezien het voorstel van de Commissie (1),

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (2),

Gezien het advies van de Europese Centrale Bank (3),

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag (4),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Met Richtlijn 93/22/EEG van de Raad van 10 mei 1993 betreffende het verrichten van diensten op het gebied van beleggingen in effecten (5) werd ernaar gestreefd de voorwaarden te scheppen waaronder vergunninghoudende beleggingsondernemingen en banken in andere lidstaten specifieke diensten konden verrichten of bijkantoren konden vestigen op grond van een vergunning en onder het toezicht van de lidstaat van herkomst. Te dien einde beoogde de richtlijn de voorschriften voor de initiële vergunningverlening aan en de bedrijfsuitoefening van beleggingsondernemingen, met inbegrip van de gedragsregels, te harmoniseren. Zij harmoniseerde tevens een aantal voorwaarden betreffende de werking van gereglementeerde markten.

(2)

De afgelopen jaren zijn op de financiële markten steeds meer beleggers actief geworden, aan wie een ruim gamma alsmaar complexer wordende diensten en instrumenten wordt aangeboden. In het licht van deze ontwikkelingen is het van belang dat het communautair wettelijk kader het gehele gamma aan op de beleggers gerichte werkzaamheden bestrijkt. Om deze doelstelling te bereiken, moet een zodanige harmonisatie worden bewerkstelligd dat beleggers een hoog niveau van bescherming wordt geboden en dat beleggingsondernemingen in staat zijn overal in de Gemeenschap, die een een-gemaakte markt vormt, diensten te verrichten, op basis van toezicht door de lidstaat van herkomst. In het licht van het bovenstaande dient Richtlijn 93/22/EEG door een nieuwe richtlijn te worden vervangen.

(3)

Aangezien beleggers steeds meer op gepersonaliseerde aanbevelingen afgaan, wordt het aangewezen geacht de verstrekking van beleggingsadvies aan te merken als een beleggingsdienst voor het verrichten waarvan vergunning is vereist.

(4)

Het is aangewezen in de lijst van financiële instrumenten ook bepaalde van grondstoffen afgeleide instrumenten op te nemen alsmede andere instrumenten die zodanig zijn ontworpen en zodanig worden verhandeld dat zij regelgevingskwesties doen rijzen die vergelijkbaar zijn met die welke zich voordoen in verband met traditionele financiële instrumenten.

(5)

Er dient een allesomvattend regelgevingskader voor de uitvoering van transacties in financiële instrumenten — ongeacht de voor de uitvoering van deze transacties gehanteerde handelsmethoden — te worden vastgesteld om te garanderen dat de uitvoering van transacties van beleggers aan de hoogste normen beantwoordt en dat de integriteit en algemene efficiëntie van het financiële stelsel gehandhaafd blijft. Er moet een samenhangend en op de risico's afgestemd regelgevingskader tot stand worden gebracht voor de voornaamste soorten systemen die momenteel op de Europese financiële markt bestaan voor de uitvoering van orders. Er moet rekening mee worden gehouden dat er zich parallel met de gereglementeerde markten een nieuwe generatie georganiseerde handelssystemen aan het ontwikkelen is die moeten worden onderworpen aan verplichtingen waarmee wordt beoogd de goede en ordelijke werking van de financiële markten te waarborgen. Met het oog op de totstandbrenging van een evenredig regelgevingskader moet een nieuwe beleggingsdienst worden opgenomen, namelijk de exploitatie van MTF's.

(6)

Er dienen definities van gereglementeerde markt en MTF te worden vastgesteld en deze definities moeten nauw bij elkaar aansluiten om duidelijk te maken dat zij dezelfde georganiseerde-handelsfuncties bestrijken. Bilaterale systemen waarin een beleggingsonderneming handelstransacties voor eigen rekening uitvoert en niet als bemiddelaar tussen koper en verkoper, zonder zelf risico te dragen, mogen er niet onder vallen. De term „systeem” omvat alle markten die bestaan uit een geheel van regels en een handelsplatform, alsmede de markten die alleen op basis van een geheel van regels werken. Gereglementeerde markten en MTF's zijn niet verplicht een „technisch” systeem voor het matchen van orders te exploiteren. Een markt die alleen bestaat uit een geheel van regels betreffende aspecten die verband houden met lidmaatschap, toelating van instrumenten tot de handel, handel tussen leden, transactiemelding en — waar van toepassing — transparantieverplichtingen, is een gereglementeerde markt of een MTF in de zin van deze richtlijn, en volgens deze regels uitgevoerde transacties worden geacht te zijn verricht volgens de systemen van een gereglementeerde markt of een MTF. De term „koop- en verkoopintenties” moet in brede zin worden opgevat en omvat orders, koersen en blijken van belangstelling. Het vereiste dat de intenties in het systeem moeten worden samengebracht volgens niet-discretionaire regels die door de exploitant van het systeem zijn vastgesteld, betekent dat deze intenties volgens de regels, de protocollen of de interne werkingsprocedures (met inbegrip van IT-procedures) van het systeem moeten worden samengebracht. De uitdrukking „niet-discretionaire regels” houdt in dat deze regels de beleggingsonderneming die een MTF exploiteert, geen enkele mogelijkheid mogen laten om de interactie tussen de intenties te beïnvloeden. In de definities is bepaald dat de intenties op zodanige wijze moeten worden samengebracht dat er een overeenkomst uit voortvloeit, hetgeen betekent dat de uitvoering moet plaatsvinden volgens de regels, de protocollen of de interne exploitatieprocedures van het systeem.

(7)

Deze richtlijn is bedoeld voor ondernemingen waarvan het gewone beroep of bedrijf bestaat in het beroepsmatig verrichten van beleggingsdiensten en/of beleggingsactiviteiten. Bijgevolg moeten alle personen die een andere beroepswerkzaamheid hebben, van de werkingssfeer van de richtlijn worden uitgesloten.

(8)

Personen die hun eigen vermogen en ondernemingen beheren en geen beleggingsdiensten en/of beleggingsactiviteiten verrichten, anders dan handel voor eigen rekening, tenzij zij market makers zijn of voor eigen rekening frequent op georganiseerde en systematische wijze buiten een gereglementeerde markt of een MTF optreden door een voor derden toegankelijk systeem aan te bieden om met hen transacties te sluiten, vallen niet onder deze richtlijn

(9)

Waar in de tekst sprake is van personen moeten daaronder zowel natuurlijke als rechtspersonen worden begrepen.

(10)

De richtlijn dient niet van toepassing te zijn op verzekeringsondernemingen waarvan de werkzaamheden onder passend toezicht staan van voor de uitoefening van het bedrijfseconomisch toezicht bevoegde autoriteiten en die vallen onder Richtlijn 64/225/EEG van de Raad van 25 februari 1964 ter opheffing van de beperkingen van de vrijheid van vestiging en van het vrij verrichten van diensten, voor wat betreft herverzekering en retrocessie (6), Eerste Richtlijn 73/239/EEG van de Raad van 24 juli 1973 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toegang tot het directe verzekeringsbedrijf, met uitzondering van de levensverzekeringsbranche, en de uitoefening daarvan (7), en Richtlijn 2002/83/EG van de Raad van 5 november 2002 betreffende levensverzekering (8).

(11)

Personen die geen diensten voor derden verrichten, maar waarvan de activiteit bestaat in het uitsluitend voor hun moedermaatschappijen, hun dochterondernemingen of andere dochterondernemingen van hun moedermaatschappijen verrichten van beleggingsdiensten, dienen niet door deze richtlijn te worden bestreken.

(12)

De werkingssfeer van deze richtlijn dient zich ook niet uit te strekken tot personen die slechts incidenteel beleggingsdiensten verrichten in het kader van een beroepswerkzaamheid, mits die werkzaamheid aan regels is onderworpen en het incidenteel verrichten van beleggingsdiensten op grond van die regels niet is uitgesloten.

(13)

De bepalingen van deze richtlijn behoeven niet te gelden voor personen waarvan de beleggingsdiensten uitsluitend het beheren van een werknemersparticipatieplan behelzen, en die derhalve geen beleggingsdiensten voor derden verrichten.

(14)

Centrale banken en andere instellingen met een soortgelijke functie, alsmede overheidsinstellingen die belast zijn met het beheer van de overheidsschuld (waarmee ook de plaatsing ervan bedoeld wordt) of bij dat beheer betrokken zijn, dienen buiten de werkingssfeer van de richtlijn te worden gelaten, met uitzondering van instellingen met overheidskapitaal die een commerciële opdracht hebben of waarvan de opdracht verband houdt met het verwerven van deelnemingen.

(15)

Deze richtlijn dient evenmin van toepassing te zijn op instellingen voor collectieve belegging en pensioenfondsen, ongeacht of deze al dan niet op communautair niveau gecoördineerd zijn, en op de bewaarders en beheerders van zulke instellingen mits zij onderworpen zijn aan een specifieke regelgeving die direct op hun werkzaamheden is toegespitst.

(16)

Om voor de in deze richtlijn neergelegde vrijstellingen in aanmerking te komen, dient de betrokken persoon de voor die vrijstellingen gestelde voorwaarden doorlopend na te komen. Meer bepaald zal een persoon die beleggingsdiensten of beleggingsactiviteiten verricht en voor vrijstelling van deze richtlijn in aanmerking komt omdat die diensten of activiteiten, op groepsbasis beschouwd, een nevenactiviteit van hun hoofdbedrijf vormen, niet meer onder de vrijstelling in verband met nevenactiviteiten vallen wanneer het verrichten van die diensten of activiteiten niet langer een nevenactiviteit van hun hoofdbedrijf vormt.

(17)

De personen die door deze richtlijn bestreken beleggingsdiensten en/of beleggingsactiviteiten verrichten, moeten aan een door hun lidstaat van herkomst verleende vergunning onderworpen zijn ter bescherming van de beleggers en de stabiliteit van het financieel stelsel.

(18)

Kredietinstellingen waaraan vergunning is verleend overeenkomstig Richtlijn 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 maart 2000 betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen (9) hebben krachtens deze richtlijn geen andere vergunning nodig om beleggingsdiensten of -activiteiten te verrichten. Wanneer een kredietinstelling besluit om beleggingsdiensten of -activiteiten te verrichten dienen de bevoegde autoriteiten alvorens de vergunning te verlenen zich ervan te vergewissen dat de kredietinstelling voldoet aan de relevante bepalingen van deze richtlijn.

(19)

Ingeval een beleggingsonderneming op niet-regelmatige basis een of meer beleggingsdiensten of een of meer beleggingsactiviteiten verricht die niet door haar vergunning worden bestreken, heeft zij geen aanvullende vergunning krachtens deze richtlijn nodig.

(20)

Het ontvangen en doorgeven van orders behelst voor de toepassing van deze richtlijn ook het met elkaar in contact brengen van twee of meer beleggers waardoor tussen deze beleggers een transactie tot stand kan komen.

(21)

De lidstaten erkennen dat bij de aanstaande herziening van het kader voor de kapitaaltoereikendheid in Bazel II opnieuw moet worden nagegaan of beleggingsondernemingen die orders van cliënten uitvoeren door voor eigen rekening compenserende aan- en verkopen te verrichten, geacht moeten worden als opdrachtgever op te treden en daarom aan bijkomende kapitaalvereisten moeten worden onderworpen

(22)

De beginselen van wederzijdse erkenning en van toezicht door de lidstaat van herkomst vereisen dat de bevoegde autoriteiten van elke lidstaat een vergunning weigeren of intrekken wanneer uit bepaalde gegevens, zoals de inhoud van het programma van werkzaamheden, de geografische spreiding of de feitelijk uitgeoefende werkzaamheden, op ondubbelzinnige wijze blijkt dat een beleggingsonderneming het rechtsstelsel van een lidstaat heeft gekozen om zich te onttrekken aan de strengere normen van een andere lidstaat, waar zij het grootste deel van haar werkzaamheden uitoefent of voornemens is uit te oefenen. Aan een beleggingsonderneming die een rechtspersoon is, moet vergunning worden verleend in de lidstaat waar haar statutaire zetel is gelegen. Aan een beleggingsonderneming die geen rechtspersoon is, moet vergunning worden verleend in de lidstaat waar haar hoofdkantoor is gelegen. De lidstaten moeten tevens eisen dat het hoofdkantoor van een beleggingsonderneming zich steeds bevindt in haar lidstaat van herkomst en dat zij daar feitelijk werkzaam is.

(23)

Een beleggingsonderneming waaraan in haar lidstaat van herkomst vergunning is verleend, mag in de gehele Gemeenschap beleggingsdiensten of -activiteiten verrichten zonder te moeten verzoeken om een afzonderlijke vergunning van de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar zij die diensten of activiteiten wil verrichten.

(24)

Sommige beleggingsondernemingen die van bepaalde verplichtingen van Richtlijn 93/6/EEG van de Raad van 15 maart 1993 inzake de kapitaaltoereikendheid van beleggingsondernemingen en kredietinstellingen (10) vrijgesteld zijn, moeten ertoe worden verplicht in het bezit te zijn van een minimumbedrag aan aanvangskapitaal, een beroepsaansprakelijkheidsverzekering of een combinatie van beide. Bij de aanpassingen van de bedragen van die verzekering moet rekening worden gehouden met de aanpassingen die in het kader van Richtlijn 2002/92/EG van het Europees Parlement en de Raad van 9 december 2002 betreffende verzekeringsbemiddeling worden aangebracht (11). Deze bijzondere behandeling op het gebied van de kapitaaltoereikendheid mag geen gevolgen hebben voor eventuele beslissingen betreffende de passende behandeling van deze ondernemingen bij toekomstige wijzigingen in de communautaire wetgeving inzake kapitaaltoereikendheid.

(25)

Aangezien de reikwijdte van de prudentiële regelgeving moet worden beperkt tot de entiteiten die beroepsmatig een handelsportefeuille beheren en daardoor een bron van tegenpartijrisico voor andere marktdeelnemers vormen, dienen entiteiten die voor eigen rekening handelen in financiële instrumenten, inclusief van grondstoffen afgeleide instrumenten die onder deze richtlijn vallen, alsmede entiteiten die voor hun cliënten beleggingsdiensten in van grondstoffen afgeleide instrumenten verrichten als nevenactiviteit van hun hoofdbedrijf, wanneer deze op groepsbasis worden beschouwd en mits dit hoofdbedrijf niet het verrichten van beleggingsdiensten in de zin van deze richtlijn is, van het toepassingsgebied van deze richtlijn te worden uitgesloten.

(26)

Ter bescherming van de eigendomsrechten en andere soortgelijke rechten van de belegger op de waardepapieren, alsmede van zijn rechten op de aan een onderneming toevertrouwde gelden, moeten deze rechten van de rechten van de onderneming worden onderscheiden. Dit beginsel mag de onderneming evenwel niet beletten in eigen naam, maar voor rekening van de belegger, transacties uit te voeren wanneer de aard van de transactie zulks vereist en de belegger daarmee instemt, bijvoorbeeld in het geval van effectenleningen.

(27)

Wanneer een cliënt, overeenkomstig de communautaire wetgeving en met name Richtlijn 2002/47/EG van 6 juni 2002 van de Raad en het Europees Parlement betreffende financiëlezekerheidsovereenkomsten (12), de eigendom van/gerechtigdheid tot financiële instrumenten of gelden volledig overdraagt aan een beleggingsonderneming, teneinde de nakoming van huidige, toekomstige of voorwaardelijke verplichtingen te waarborgen of anderszins af te dekken, worden deze financiële instrumenten evenmin nog als eigendom van de cliënt beschouwd.

(28)

De procedures voor de vergunningverlening binnen de Gemeenschap aan bijkantoren van beleggingsondernemingen waaraan in derde landen vergunning is verleend, moeten op dergelijke ondernemingen van toepassing blijven. Deze bijkantoren mogen niet in aanmerking komen voor het vrij verrichten van diensten uit hoofde van artikel 49, tweede alinea, van het Verdrag en evenmin voor de vrijheid van vestiging in andere lidstaten dan die waar zij gevestigd zijn. Voor de gevallen waarin de Gemeenschap niet gehouden is aan bilaterale of multilaterale verplichtingen, is het aangewezen een procedure op te stellen die erop gericht is te waarborgen dat beleggingsondernemingen uit de Gemeenschap in de betrokken derde landen een op wederkerigheid berustende behandeling genieten.

(29)

Doordat tal van beleggingsondernemingen almaar meer verschillende werkzaamheden gelijktijdig uitoefenen, neemt de kans toe dat belangenconflicten ontstaan tussen deze verschillende werkzaamheden en het belang van hun cliënten. Daarom is het noodzakelijk regels vast te stellen om te voorkomen dat dergelijke conflicten de belangen van hun cliënten schaden.

(30)

Een dienst wordt geacht verricht te zijn op initiatief van een cliënt tenzij de cliënt om de dienst vraagt in antwoord op een gepersonaliseerde tot die bewuste cliënt gerichte mededeling van of namens de onderneming, die een uitnodiging behelst of bedoeld is om de cliënt te beïnvloeden met betrekking tot een specifiek financieel instrument of een specifieke transactie. Een dienst kan worden beschouwd als verricht op initiatief van de cliënt niettegenstaande dat de cliënt daarom vraagt op grond van enigerlei mededeling bevattende een promotie of aanbieding van financiële instrumenten met enig middel dat van algemene aard en tot het publiek of tot een brede groep of categorie cliënten of potentiële cliënten gericht is.

(31)

Deze richtlijn strekt onder meer tot bescherming van de beleggers. Maatregelen ter bescherming van de belegger dienen daarom te worden aangepast aan de bijzondere kenmerken van elke beleggerscategorie (niet-professionele beleggers, professionele beleggers en tegenpartijen).

(32)

In afwijking van het beginsel dat in het kader van de vestiging van bijkantoren de lidstaat van herkomst verantwoordelijk is voor de vergunningverlening, het toezicht en de handhaving van de verplichtingen, is het aangewezen dat de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst de verantwoordelijkheid op zich neemt voor de naleving van bepaalde, in deze richtlijn nader aangeduide verplichtingen met betrekking tot het zakendoen via een bijkantoor binnen het grondgebied waar het bijkantoor gevestigd is, aangezien deze autoriteit het dichtst bij het bijkantoor staat en derhalve in een betere positie verkeert om inbreuken op voor de werkzaamheden van het bijkantoor geldende regels op te sporen en aan te pakken.

(33)

Het is noodzakelijk een effectieve verplichting tot „optimale uitvoering” van orders op te leggen om te waarborgen dat beleggingsondernemingen orders van cliënten tegen de voor de cliënt voordeligste voorwaarden uitvoeren. Deze verplichting moet gelden voor de onderneming die contractuele verplichtingen of een zorgplicht jegens de cliënt heeft.

(34)

Vanuit het oogpunt van eerlijke concurrentie moeten marktdeelnemers en beleggers de prijzen kunnen vergelijken die handelsplatforms (gereglementeerde markten, MTF's en bemiddelaars) verplicht zijn te publiceren. Hiertoe wordt aanbevolen dat de lidstaten alle belemmeringen wegnemen voor de consolidatie op Europees niveau, van de relevante informatie en de publicatie daarvan.

(35)

Bij het regelen van de zakelijke betrekkingen met de cliënt kan de beleggingsonderneming de cliënt of de potentiële cliënt vragen tegelijkertijd in te stemmen met het orderuitvoeringsbeleid en ook met de mogelijkheid dat zijn orders buiten een gereglementeerde markt of een MTF worden uitgevoerd.

(36)

Met uitzondering van bepaalde vrijgestelde personen dienen personen die voor rekening van meer dan één beleggingsonderneming beleggingsdiensten verrichten, niet als verbonden agenten maar als beleggingsondernemingen te worden beschouwd wanneer zij onder de in deze richtlijn vastgestelde definitie vallen.

(37)

Deze richtlijn dient het recht van verbonden agenten onverlet te laten om, ook voor rekening van onderdelen van dezelfde financiële groep, onder andere richtlijnen vallende werkzaamheden uit te oefenen alsook aanverwante werkzaamheden met betrekking tot financiële diensten of producten die niet onder deze richtlijn vallen.

(38)

De voorwaarden om activiteiten buiten de bedrijfsruimten van de beleggingsonderneming (huis-aanhuis-verkopen) te ontplooien, hoeven niet onder deze richtlijn te vallen.

(39)

De bevoegde autoriteiten van elke lidstaat mogen geen registerinschrijving toekennen of moeten een registerinschrijving doorhalen wanneer uit de feitelijk uitgeoefende werkzaamheden op ondubbelzinnige wijze blijkt dat een verbonden agent het rechtsstelsel van een lidstaat heeft gekozen om zich te onttrekken aan de strengere voorschriften van een andere lidstaat, op het grondgebied waarvan hij het grootste deel van zijn werkzaamheden uitoefent of voornemens is uit te oefenen.

(40)

Voor de toepassing van deze richtlijn moeten in aanmerking komende tegenpartijen worden beschouwd als optredend als cliënten.

(41)

Om ervoor te zorgen dat de gedragsregels (met inbegrip van de regels inzake de optimale uitvoering van orders van cliënten) worden toegepast jegens de beleggers die deze vorm van bescherming het hardst nodig hebben, en in het licht van de algemeen gangbare marktpraktijken in de Gemeenschap, is het aangewezen duidelijk te stellen dat in het geval van transacties aangegaan door of tot stand gekomen tussen in aanmerking komende tegenpartijen van de toepassing van gedragsregels kan worden afgezien.

(42)

Bij tussen in aanmerking komende tegenpartijen uitgevoerde transacties, is de verplichting om limietorders van cliënten bekend te maken alleen van toepassing wanneer de tegenpartij een limietorder aan de beleggingsonderneming toezendt met de uitdrukkelijke bedoeling dat deze wordt uitgevoerd.

(43)

De lidstaten beschermen het recht op privacy van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens overeenkomstig Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (13).

(44)

In de dubbele optiek van beleggersbescherming en een goede werking van de effectenmarkten dient de transparantie van transacties te worden gewaarborgd en moeten de regels die met het oog daarop zijn vastgesteld, van toepassing zijn op beleggingsondernemingen wanneer zij op de markt activiteiten ontplooien. Teneinde beleggers of marktdeelnemers te allen tijde in staat te stellen de voorwaarden van een door hen overwogen aandelentransactie te beoordelen en achteraf te verifiëren onder welke voorwaarden deze transactie is uitgevoerd, moeten gemeenschappelijke regels worden vastgesteld voor de openbaarmaking van bijzonderheden over uitgevoerde aandelentransacties en voor de verstrekking van bijzonderheden over de op een gegeven moment bestaande handelsmogelijkheden. Deze regels zijn noodzakelijk om de effectieve integratie van de aandelenmarkten van de lidstaten te waarborgen, de efficiëntie van het algemene koersvormingsproces van eigen-vermogensinstrumenten te bevorderen en tot de effectieve nakoming van de verplichtingen inzake „optimale uitvoering” bij te dragen. Dit alles vereist een alomvattende transparantieregeling die geldt voor alle aandelentransacties, ongeacht of deze door een beleggingsonderneming op bilaterale basis, dan wel via een gereglementeerde markt of MTF worden uitgevoerd. De verplichtingen die beleggingsondernemingen op grond van deze richtlijn hebben tot het vermelden van een bied- en laatkoers en tot het uitvoeren van een order tegen de vermelde prijs, ontslaan een beleggingsonderneming niet van de verplichting een order om te leiden naar een andere plaats van uitvoering, wanneer een dergelijke interne afhandeling zou kunnen verhinderen dat de onderneming de verplichtingen inzake optimale uitvoering nakomt.

(45)

De lidstaten kunnen de verplichting om uitgevoerde transacties te melden ook toepassen op financiële instrumenten die niet tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten.

(46)

Een lidstaat kan besluiten de in deze richtlijn gestelde eisen inzake transparantie voor en na de handel toe te passen op andere financiële instrumenten dan aandelen. In dat geval gelden die eisen voor alle beleggingsondernemingen waarvoor die lidstaat de lidstaat van herkomst is voor hun werkzaamheden binnen het grondgebied van die lidstaat en voor de uit hoofde van het vrij verrichten van diensten ontplooide grensoverschrijdende werkzaamheden. Die eisen gelden eveneens voor de binnen het grondgebied van die lidstaat verrichte werkzaamheden van de op zijn grondgebied gevestigde bijkantoren van beleggingsondernemingen waaraan in een andere lidstaat vergunning is verleend.

(47)

Alle beleggingsondernemingen moeten over dezelfde mogelijkheden beschikken om lid te worden van alle gereglementeerde markten uit de gehele Gemeenschap of toegang te krijgen tot die markten. Ongeacht de wijze waarop transacties in de lidstaten momenteel georganiseerd zijn, is het van belang om de technische en juridische beperkingen op de toegang tot gereglementeerde markten af te schaffen.

(48)

Teneinde de afhandeling van grensoverschrijdende transacties te vergemakkelijken, is het aangewezen alle clearing- en afwikkelingssystemen uit de gehele Gemeenschap toegankelijk te maken voor beleggingsondernemingen, ongeacht of de transacties zijn uitgevoerd op gereglementeerde markten in de betrokken lidstaat. Van beleggingsondernemingen die rechtstreeks aan afwikkelingssystemen van andere lidstaten wensen deel te nemen, moet worden verlangd dat zij aan de toepasselijke operationele en zakelijke vereisten voor het lidmaatschap voldoen en zich voegen naar de prudentiële maatregelen om de goede en ordelijke werking van de financiële markten te waarborgen.

(49)

De vergunning om een gereglementeerde markt te exploiteren moet alle werkzaamheden bestrijken die rechtstreeks verband houden met de weergave, verwerking, uitvoering, bevestiging en kennisgeving van orders vanaf het tijdstip waarop deze orders door de gereglementeerde markt worden ontvangen tot het tijdstip waarop zij worden doorgegeven voor de afhandeling ervan, alsmede de werkzaamheden die verband houden met de toelating van financiële instrumenten tot de handel. Ook transacties die met tussenkomst van door de gereglementeerde markt aangewezen market makers volgens de systemen van die markt en overeenkomstig de regels van die systemen worden uitgevoerd, moeten onder die vergunning vallen. Niet alle door leden of deelnemers van de gereglementeerde markt of de MTF uitgevoerde transacties dienen te worden beschouwd als binnen de systemen van de gereglementeerde markt of de MTF uitgevoerde transacties. Door leden of deelnemers op bilaterale basis uitgevoerde transacties die niet voldoen aan de uit hoofde van deze richtlijn aan een gereglementeerde markt of een MTF gestelde eisen, dienen voor de toepassing van de definitie van onderneming met systematische interne afhandeling als buiten een gereglementeerde markt of een MTF uitgevoerde transacties te worden beschouwd. In dat geval is de verplichting voor beleggingsondernemingen om vaste koersen openbaar te maken van toepassing, indien aan de voorwaarden van de onderhavige richtlijn is voldaan.

(50)

Beleggingsondernemingen met systematische interne afhandeling kunnen besluiten toegang tot hun koersen te verlenen aan uitsluitend niet-professionele beleggers, uitsluitend professionele beleggers of aan beide categorieën cliënten. Binnen die categorieën cliënten mogen zij niet discrimineren.

(51)

Artikel 27 verplicht beleggingsondernemingen met systematische interne afhandeling er niet toe vaste koersen openbaar te maken voor transacties met een omvang die groter is dan de standaard marktomvang.

(52)

Wanneer een beleggingsonderneming zowel aandelen als andere financiële instrumenten systematisch intern afhandelt, dient de verplichting tot het openbaar maken van een koers, onverminderd overweging 45, uitsluitend te gelden voor aandelen.

(53)

Met deze richtlijn wordt niet beoogd de toepassing van regels inzake transparatie vóór de handel verplicht te stellen voor transacties op OTC-basis, waarvoor o.a. kenmerkend is dat zij ad hoc en onregelmatig plaatsvinden, met tegenpartijen in het wholesale-segment worden gesloten en deel uitmaken van een zakelijke relatie die weer wordt gekenmerkt door transacties die groter zijn dan de standaard marktomvang en worden uitgevoerd buiten de systemen waarvan de betrokken onderneming gewoonlijk gebruik maakt voor haar transacties als beleggingsonderneming met systematische interne afhandeling.

(54)

De standaard marktomvang voor een bepaalde aandelenklasse mag niet in een significante wanverhouding staan tot enig aandeel in die klasse

(55)

Bij de herziening van Richtlijn 93/6/EEG moeten de minimumkapitaalvereisten worden vastgesteld die gereglementeerde markten moeten naleven om een vergunning te krijgen, en daarbij dient rekening te worden gehouden met de specifieke aard van de risico's die met dergelijke markten verbonden zijn.

(56)

Exploitanten van een gereglementeerde markt moeten tevens een MTF kunnen exploiteren overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van deze richtlijn.

(57)

De bepalingen van deze richtlijn betreffende de toelating van instrumenten tot de handel volgens de door de gereglementeerde markt opgelegde regels dienen de toepassing onverlet te laten van Richtlijn 2001/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 mei 2001 betreffende de toelating van effecten tot de officiële notering aan een effectenbeurs en de informatie die over deze effecten moet worden gepubliceerd (14). Een gereglementeerde markt mag niet worden belet strengere dan de bij deze richtlijn opgelegde eisen te stellen aan uitgevende instellingen van effecten of instrumenten welke zij overweegt tot de handel toe te laten.

(58)

De lidstaten moeten verschillende bevoegde autoriteiten kunnen aanwijzen om de brede verplichtingen die in deze richtlijn zijn neergelegd, te doen nakomen. Deze autoriteiten moeten een publiek karakter hebben, zodat zij onafhankelijk zijn van economische actoren en belangenconflicten worden vermeden. In overeenstemming met de nationale wetgeving dienen de lidstaten te zorgen voor een adequate financiering van de bevoegde autoriteit. Het openbare karakter van de bevoegde autoriteiten mag niet uitsluiten dat taken worden gedelegeerd onder de verantwoordelijkheid van de bevoegde autoriteit.

(59)

Vertrouwelijke gegevens die het contactpunt van een lidstaat ontvangt via het contactpunt van een andere lidstaat mogen niet als louter binnenlandse gegevens worden beschouwd.

(60)

De convergentie van de bevoegdheden van de bevoegde autoriteiten moet in de hand worden gewerkt om ervoor te zorgen dat overal op de geïntegreerde financiële markt even intensief toezicht wordt gehouden op de naleving van de voorschriften. Een gemeenschappelijk minimumpakket van bevoegdheden in combinatie met voldoende middelen moet de doelmatigheid van het toezicht garanderen.

(61)

Ter bescherming van de cliënten en onverminderd hun recht om een gerechtelijke procedure in te leiden, is het aangewezen dat de lidstaten openbare of particuliere organen voor buitengerechtelijke geschillenbeslechting aanmoedigen samen te werken bij de oplossing van grensoverschrijdende geschillen, rekening houdend met Aanbeveling 98/257/EG van de Commissie van 30 maart 1998 betreffende de beginselen die van toepassing zijn op de organen die verantwoordelijk zijn voor de buitengerechtelijke beslechting van consumentengeschillen (15). De lidstaten worden ertoe aangemoedigd om bij de toepassing van de voorschriften betreffende klachten- en verhaalsprocedures voor buitengerechtelijke geschillenbeslechting gebruik te maken van bestaande grensoverschrijdende samenwerkingsregelingen, zoals met name het Verhaalsnetwerk voor geschillen over financiële diensten (Financial Services Complaints Network — FIN-Net).

(62)

Het uitwisselen of doorgeven van informatie tussen bevoegde autoriteiten, andere autoriteiten, instanties of personen dient in overeenstemming te zijn met de voorschriften betreffende het doorgeven van persoonsgegevens aan derde landen neergelegd in Richtlijn 95/46/EG.

(63)

Het is nodig om de bepalingen betreffende de gegevensuitwisseling tussen nationale bevoegde autoriteiten aan te scherpen en de bijstands- en medewerkingsplicht die zij jegens elkaar hebben, te versterken. Wegens de toenemende grensoverschrijdende activiteiten dienen de bevoegde autoriteiten elkaar alle gegevens te verschaffen die dienstig zijn voor de uitoefening van hun taken, teneinde een effectieve toepassing van deze richtlijn ook te garanderen in situaties waarin inbreuken of vermoedelijke inbreuken op de richtlijn autoriteiten in twee of meer lidstaten kunnen betreffen. Bij de uitwisseling van gegevens is een strikte inachtneming van het beroepsgeheim evenwel onontbeerlijk om een vlotte uitwisseling van deze informatie en de eerbiediging van de rechten van de betrokken personen te waarborgen.

(64)

Tijdens zijn zitting van 17 juli 2000 heeft de Raad het Comité van wijzen voor de regulering van de Europese effectenmarkten opgericht. In zijn eindverslag stelde dit Comité van wijzen voor om nieuwe wetgevingstechnieken in te voeren op basis van een aanpak op vier niveaus, te weten kaderbeginselen, uitvoeringsmaatregelen, samenwerking en toezicht op de naleving. Niveau 1, de richtlijn, dient beperkt te blijven tot globale, algemene kaderbeginselen, terwijl niveau 2 technische uitvoeringsmaatregelen dient te omvatten die door de Commissie moeten worden vastgesteld, hierin bijgestaan door een comité.

(65)

Op 23 maart 2001 heeft de Europese Raad van Stockholm in zijn resolutie het eindverslag van het Comité van wijzen goedgekeurd alsmede de voorgestelde aanpak op vier niveaus om het regelgevingsproces met betrekking tot de communautaire effectenwetgeving efficiënter en transparanter te maken.

(66)

Volgens de Europese Raad van Stockholm moeten de uitvoeringsmaatregelen van niveau 2 vaker worden gebruikt om ervoor te zorgen dat de technische bepalingen gelijke tred kunnen houden met de marktontwikkelingen en met de ontwikkelingen inzake toezicht, en moeten voor alle stadia van de werkzaamheden van niveau 2 termijnen worden gesteld.

(67)

Ook in de resolutie van het Europees Parlement van 5 februari 2002 over de tenuitvoerlegging van de financiële-dienstenwetgeving werd het verslag van het Comité van wijzen onderschreven, en wel op basis van de plechtige verklaring die op diezelfde dag door de Commissie voor het Parlement werd afgelegd en de brief van het voor de interne markt bevoegde Commissielid van 2 oktober 2001 aan de voorzitter van de Economische en Monetaire Commissie van het Parlement met betrekking tot de garanties die het Europees Parlement bij deze procedure zullen worden geboden.

(68)

De voor de uitvoering van deze richtlijn vereiste maatregelen moeten worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden (16).

(69)

Het Europees Parlement dient te beschikken over een termijn van drie maanden vanaf de eerste indiening van de ontwerp-uitvoeringsmaatregelen om deze te onderzoeken en er advies over uit te brengen. In dringende en naar behoren gemotiveerde gevallen kan deze termijn worden ingekort. Indien het Europees Parlement binnen deze termijn een resolutie heeft aangenomen, zal de Commissie de ontwerpmaatregelen opnieuw onderzoeken.

(70)

Teneinde met verdere ontwikkelingen op de financiële markten rekening te houden, dient de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad verslag uit te brengen over de toepassing van de bepalingen betreffende de beroepsaansprakelijkheidsverzekering, de reikwijdte van de transparantieregels en de eventuele verlening van een vergunning als beleggingsonderneming aan in van grondstoffen afgeleide instrumenten gespecialiseerde handelaren.

(71)

De verwezenlijking van de doelstelling om een geïntegreerde financiële markt tot stand te brengen waarop de beleggers afdoende bescherming genieten en de efficiëntie en integriteit van de markt als geheel gewaarborgd zijn, vereist de vaststelling van een gemeenschappelijke regelgeving die geldt voor alle beleggingsondernemingen, ongeacht in welke lidstaat zij een vergunning hebben verkregen, en die tevens de werking van gereglementeerde markten en andere handelssystemen regelt om te voorkomen dat de ondoorzichtigheid of verstoring van één markt de efficiënte werking van het gehele Europese financiële stelsel ondermijnt. Aangezien deze doelstelling beter door de Gemeenschap kan worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap maatregelen vaststellen overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag bedoelde subsidiariteitsbeginsel. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan hetgeen nodig is om deze doelstelling te bereiken,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

TITEL I

DEFINITIES EN WERKINGSSFEER

Artikel 1

Werkingssfeer

1.   Deze richtlijn is van toepassing op beleggingsondernemingen en gereglementeerde markten.

2.   De volgende bepalingen zijn tevens van toepassing op kredietinstellingen waaraan overeenkomstig Richtlijn 2000/12/EG vergunning is verleend, wanneer deze één of meer beleggingsdiensten en/of beleggingsactiviteiten verrichten:

artikel 2, lid 2 en de artikelen 11, 13 en 14 van Titel I,

Titel II, Hoofdstuk II, met uitzondering van artikel 23, lid 2, tweede alinea,

Titel II, Hoofdstuk III, met uitzondering van artikel 31, leden 2 tot en met 4, en artikel 32, leden 2 tot en met 6, artikel 32, leden 8 en 9;

Titel IV, de artikelen 48, 49, 50, 51, 52, 53, 57, 61 en 62, en

Titel V, artikel 71, lid 1.

Artikel 2

Vrijstellingen

1.   Deze richtlijn is niet van toepassing op:

a)

verzekeringsondernemingen in de zin van artikel 1 van Richtlijn 73/239/EEG, verzekeringsondernemingen als gedefinieerd in artikel 1 van Richtlijn 2002/83/EG of ondernemingen die de in Richtlijn 64/225/EEG bedoelde werkzaamheden van herverzekering en retrocessie uitoefenen;

b)

personen die uitsluitend beleggingsdiensten verrichten voor hun moederonderneming, hun dochterondernemingen of andere dochterondernemingen van hun moederonderneming;

c)

personen die een beleggingsdienst als incidentele activiteit verrichten in het kader van een beroepswerkzaamheid, indien deze werkzaamheid aan wettelijke of bestuursrechtelijke voorschriften of aan een beroepscode is onderworpen en het verrichten van de dienst op grond daarvan niet is uitgesloten;

d)

personen die geen beleggingsdiensten of beleggingsactiviteiten verrichten, anders dan handel voor eigen rekening, tenzij zij market makers zijn of voor eigen rekening frequent op georganiseerde en systematische wijze buiten een gereglementeerde markt of een MTF optreden door een voor derden toegankelijk systeem aan te bieden om met hen transacties te sluiten;

e)

personen waarvan de beleggingsdiensten uitsluitend bestaan in het beheer van een werknemersparticipatieplan;

f)

personen die beleggingsdiensten verrichten welke alleen betrekking hebben op zowel het beheer van een werknemersparticipatieplan als het verrichten van beleggingsdiensten uitsluitend voor hun moederonderneming, hun dochterondernemingen of andere dochterondernemingen van hun moederonderneming;

g)

leden van het Europees Stelsel van Centrale Banken en andere nationale instellingen met een soortgelijke functie, alsmede andere overheidsinstellingen die belast zijn met het beheer van de overheidsschuld of bij dat beheer betrokken zijn;

h)

instellingen voor collectieve belegging en pensioenfondsen, ongeacht of zij op communautair niveau gecoördineerd zijn, alsmede de bewaarders en beheerders van deze instellingen;

i)

personen die voor eigen rekening in financiële instrumenten handelen of beleggingsdiensten in van grondstoffen afgeleide instrumenten of derivatencontracten, als bedoeld in bijlage I, deel C, punt 10, verrichten voor de cliënten van hun hoofdbedrijf, mits dit op groepsniveau als een nevenactiviteit van hun hoofdbedrijf is aan te merken en mits dit hoofdbedrijf niet bestaat in het verrichten van beleggingsdiensten in de zin van deze richtlijn of bankdiensten in de zin van Richtlijn 2000/12/EG;

j)

personen die tijdens het uitoefenen van een andere, niet onder deze richtlijn vallende beroepsactiviteit beleggingsadvies verstrekken mits er niet specifiek voor deze adviesverstrekking wordt betaald;

k)

personen waarvan het hoofdbedrijf bestaat in het voor eigen rekening handelen in grondstoffen en/of van grondstoffen afgeleide instrumenten.

Deze uitzondering is niet van toepassing wanneer de personen die voor eigen rekening in grondstoffen en/of van grondstoffen afgeleide instrumenten handelen deel uitmaken van een groep waarvan het hoofdbedrijf bestaat in het verrichten van andere beleggingsdiensten in de zin van deze richtlijn of bankdiensten in de zin van Richtlijn 2000/12/EG;

l)

ondernemingen waarvan de beleggingsdiensten en/of beleggingsactiviteiten uitsluitend bestaan in het voor eigen rekening handelen op markten voor financiële futures of opties of op andere derivatenmarkten en op contante markten met als enig doel het afdekken van posities op derivatenmarkten, of die voor rekening van andere leden van deze zelfde markten handelen, of deze laatsten een prijs geven, en die door clearing members van deze markten worden gegarandeerd, waarbij de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de door deze ondernemingen gesloten contracten bij clearing members van deze zelfde markten berust;

m)

verenigingen die door Deense en Finse pensioenfondsen zijn opgericht met de uitsluitende bedoeling de activa van de deelnemende pensioenfondsen te beheren;

n)

„agenti di cambio” waarvan de activiteiten en de taken geregeld zijn bij artikel 201 van het Italiaanse wetgevingsdecreet nr. 58 van 24 februari 1998.

2.   De bij deze richtlijn verleende rechten gelden niet voor het verrichten van diensten waarbij als tegenpartij wordt opgetreden bij transacties uitgevoerd door overheidsinstellingen die zich met de overheidsschuld bezighouden of door leden van het Europees stelsel van centrale banken in het kader van de uitoefening van hun taken overeenkomstig het Verdrag en de Statuten van het Europees stelsel van centrale banken en van de Europese centrale bank dan wel in het kader van de uitoefening van vergelijkbare taken uit hoofde van nationale bepalingen.

3.   Om met de ontwikkelingen op de financiële markten rekening te houden en een uniforme toepassing van deze richtlijn te garanderen, kan de Commissie volgens de in artikel 64, lid 2, bedoelde procedure, met betrekking tot de vrijstellingen c, i, en k, de criteria bepalen aan de hand waarvan wordt vastgesteld wanneer een activiteit is aan te merken als een nevenactiviteit van het hoofdbedrijf op groepsniveau, en wanneer een dienst als incidentele activiteit wordt verricht.

Artikel 3

Facultatieve vrijstellingen

1.   De lidstaten kunnen besluiten deze richtlijn niet toe te passen op personen van wie zij de lidstaat van herkomst zijn en die:

geen aan hun cliënten toebehorende gelden en/of effecten mogen aanhouden en daarom jegens hun cliënten nooit in een debiteurspositie mogen verkeren, en

geen beleggingsdiensten mogen verrichten, met uitzondering van het ontvangen en doorgeven van orders in effecten en rechten van deelneming in een instelling voor collectieve belegging en het beleggingsadvies dat omtrent deze financiële instrumenten wordt verstrekt, en

tijdens het verrichten van die dienst alleen orders mogen doorgeven aan

i)

overeenkomstig deze richtlijn vergunninghoudende beleggingsondernemingen;

ii)

overeenkomstig Richtlijn 2000/12/EG vergunninghoudende kredietinstellingen;

iii)

bijkantoren van beleggingsondernemingen of van kredietinstellingen waaraan in een derde land vergunning is verleend en die onderworpen zijn en zich houden aan prudentiële regels welke door de bevoegde autoriteiten als minstens even streng worden beschouwd als de regels van deze richtlijn, Richtlijn 2000/12/EG of Richtlijn 93/6/EEG;

iv)

instellingen voor collectieve belegging die op grond van de wetgeving van een lidstaat rechten van deelneming bij het publiek mogen plaatsen en aan de beheerders van dergelijke instellingen;

v)

beleggingsmaatschappijen met vast kapitaal in de zin van artikel 15, lid 4, van de Tweede Richtlijn 77/91/EEG van de Raad van 13 december 1976, strekkende tot het coördineren van de waarborgen welke in de lidstaten worden verlangd van de vennootschappen in de zin van artikel 63, tweede alinea, van het Verdrag, om de belangen te beschermen zowel van de deelnemers in deze vennootschappen als van derden met betrekking tot de oprichting van de naamloze vennootschap, alsook de instandhouding en wijziging van haar kapitaal, zulks teneinde die waarborgen gelijkwaardig te maken (17), waarvan de effecten op een gereglementeerde markt van een lidstaat genoteerd zijn of verhandeld worden

mits de activiteiten van deze personen op nationaal niveau gereglementeerd zijn.

2.   Personen die krachtens lid 1 niet onder deze richtlijn vallen, komen niet in aanmerking voor het vrij verrichten van beleggingsdiensten en/of beleggingsactiviteiten overeenkomstig artikel 31 noch voor het vestigen van bijkantoren overeenkomstig artikel 32.

Artikel 4

Definities

1.   In de zin van deze richtlijn wordt verstaan onder:

1)

beleggingsonderneming: iedere rechtspersoon wiens gewone beroep of bedrijf bestaat in het beroepsmatig verrichten van een of meer beleggingsdiensten voor derden en/of het uitoefenen van een of meer beleggingsactiviteiten;

De lidstaten kunnen ook ondernemingen die geen rechtspersoon zijn onder de definitie van beleggingsonderneming laten vallen mits:

a)

het voor die ondernemingen geldende rechtssysteem aan derden een bescherming van hun belangen waarborgt die gelijkwaardig is aan die welke door een rechtspersoon wordt geboden, en

b)

die ondernemingen onderworpen zijn aan een gelijkwaardig prudentieel toezicht dat aan hun rechtsvorm aangepast is.

Wanneer een natuurlijke persoon echter diensten verricht die het aanhouden van aan derden toebehorende gelden of effecten met zich brengen, mag hij voor de toepassing van deze richtlijn alleen als een beleggingsonderneming worden beschouwd, indien hij, onverminderd de overige in deze richtlijn en in Richtlijn 93/6/EEG gestelde eisen, aan de volgende voorwaarden voldoet:

a)

de eigendomsrechten van derden ten aanzien van gelden en instrumenten moeten gewaarborgd zijn, met name in geval van insolventie van de onderneming of haar eigenaars, of van beslaglegging, schuldvergelijking of andere rechtsmiddelen, aangewend door de schuldeisers van de onderneming of van haar eigenaars;

b)

de onderneming moet onderworpen zijn aan regels die tot doel hebben toezicht te houden op de solvabiliteit van de onderneming en van haar eigenaars;

c)

de jaarrekening van de onderneming moet worden gecontroleerd door één of meer personen die krachtens de nationale wetgeving bevoegd zijn rekeningen te controleren;

d)

wanneer de onderneming slechts één eigenaar heeft, moet deze maatregelen nemen ter bescherming van de beleggers in geval van beëindiging van de activiteiten van de onderneming ten gevolge van zijn overlijden, onbekwaamheid of andere vergelijkbare omstandigheden.

2)

beleggingsdiensten en -activiteiten: iedere in deel A van bijlage I genoemde dienst of activiteit die betrekking heeft op één van de in deel C van bijlage I genoemde instrumenten;

De Commissie bepaalt volgens de in artikel 64, lid 2 vermelde procedure:

welke in bijlage I, deel C, punt 7 vermelde derivatencontracten de kenmerken van andere afgeleide financiële instrumenten bezitten, waarbij o.a. in aanmerking wordt genomen of de clearing en afwikkeling via erkende clearinghouses geschiedt en of er regelmatig sprake is van „margin calls” (verzoek om storting van extra zekerheden),

welke in bijlage I, deel C, punt 10 vermelde derivatencontracten de kenmerken van andere afgeleide financiële instrumenten bezitten, waarbij o.a. in aanmerking wordt genomen of zij op een gereglementeerde markt of een MTF worden verhandeld, of de clearing en afwikkeling via erkende clearinghouses geschiedt en of er regelmatig sprake is van „margin calls” (verzoek om storting van extra zekerheden);

3)

nevendienst: iedere in deel B van bijlage I genoemde dienst;

4)

beleggingsadvies: het doen van gepersonaliseerde aanbevelingen aan een cliënt, hetzij op diens verzoek hetzij op initiatief van de beleggingsonderneming, met betrekking tot één of meer transacties die met financiële instrumenten verband houden;

5)

uitvoering van orders voor rekening van cliënten: optreden om overeenkomsten te sluiten tot verkoop of aankoop van één of meer financiële instrumenten voor rekening van cliënten;

6)

handelen voor eigen rekening: met eigen kapitaal handelen in één of meer financiële instrumenten, hetgeen resulteert in het uitvoeren van transacties;

7)

beleggingsonderneming met systematische interne afhandeling: een beleggingsonderneming die frequent op georganiseerde, regelmatige en systematische wijze voor eigen rekening en buiten een gereglementeerde markt of een MTF transacties uitgevoerd door orders van cliënten uit te voeren;

8)

market maker: een persoon die op de financiële markten doorlopend blijk geeft van de bereidheid voor eigen rekening en met eigen kapitaal te handelen door financiële instrumenten tegen door hem vastgstelde prijzen te kopen en te verkopen;

9)

vermogensbeheer: het per cliënt op discretionaire basis beheren van portefeuilles op grond van een door de cliënten gegeven opdracht, voor zover die portefeuilles één of meer financiële instrumenten bevatten;

10)

cliënt: iedere natuurlijke of rechtspersoon voor wie een beleggingsonderneming beleggingsdiensten en/of nevendiensten verricht;

11)

professionele cliënt: een cliënt die voldoet aan de criteria vastgesteld in bijlage II;

12)

niet-professionele belegger: een niet-professionele cliënt;

13)

marktexploitant: een persoon of personen die het bedrijf van een gereglementeerde markt beheren en/of exploiteren; de gereglementeerde markt kan de marktexploitant zelf zijn;

14)

gereglementeerde markt: een door een marktexploitant geëxploiteerd en/of beheerd multilateraal systeem dat meerdere koop- en verkoopintenties van derden met betrekking tot financiële instrumenten — binnen dit systeem en volgens de niet-discretionaire regels van dit systeem — samenbrengt of het samenbrengen daarvan vergemakkelijkt op zodanige wijze dat er een overeenkomst uit voortvloeit met betrekking tot financiële instrumenten die volgens de regels en de systemen van de markt tot de handel zijn toegelaten, en waaraan vergunning is verleend en die regelmatig werkt, overeenkomstig het bepaalde in titel III;

15)

multilaterale handelsfaciliteit (Multilateral trading facility — MTF): een door een beleggingsonderneming of een marktexploitant geëxploiteerd multilateraal systeem dat meerdere koop- en verkoopintenties van derden met betrekking tot financiële instrumenten — binnen dit systeem en volgens niet-discretionaire regels — samenbrengt op zodanige wijze dat er een overeenkomst uit voortvloeit overeenkomstig het bepaalde in titel II;

16)

limietorder: een order om een financieel instrument tegen de opgegeven limietkoers of een betere koers en voor een gespecificeerde omvang te kopen of te verkopen;

17)

financieel instrument: alle instrumenten die zijn genoemd in deel C van bijlage I;

18)

effecten: alle categorieën op de kapitaalmarkt verhandelbare waardepapieren, betaalinstrumenten uitgezonderd, zoals:

a)

aandelen in vennootschappen en andere met aandelen in vennootschappen, partnerships of andere entiteiten gelijk te stellen waardepapieren, alsmede aandelencertificaten;

b)

obligaties en andere schuldinstrumenten, alsmede certificaten betreffende dergelijke effecten;

c)

alle andere waardepapieren die het recht verlenen die effecten te verwerven of te verkopen of die aanleiding geven tot een afwikkeling in contanten waarvan het bedrag wordt bepaald op grond van effecten, valuta's, rentevoeten of rendementen, grondstoffenprijzen of andere indexen of maatstaven;

19)

geldmarktinstrumenten: alle categorieën instrumenten die gewoonlijk op de geldmarkt worden verhandeld, zoals schatkistpapier, depositocertificaten en commercial papers, betaalinstrumenten uitgezonderd;

20)

lidstaat van herkomst:

a)

in het geval van een beleggingsonderneming:

i)

indien de beleggingsonderneming een natuurlijke persoon is, de lidstaat waar deze persoon zijn hoofdkantoor heeft;

ii)

indien de beleggingsonderneming een rechtspersoon is, de lidstaat waar haar statutaire zetel is gelegen;

iii)

indien de beleggingsonderneming overeenkomstig haar nationale wetgeving geen statutaire zetel heeft, de lidstaat waar haar hoofdkantoor is gelegen;

b)

in het geval van een gereglementeerde markt: de lidstaat waar de statutaire zetel van de gereglementeerde markt is gelegen of, indien deze overeenkomstig de wetgeving van deze lidstaat geen statutaire zetel heeft, de lidstaat waar het hoofdkantoor van de gereglementeerde markt is gelegen;

21)

lidstaat van ontvangst: de lidstaat die niet de lidstaat van herkomst is en waar de beleggingsonderneming een bijkantoor heeft of diensten en/of activiteiten verricht, of de lidstaat waar een gereglementeerde markt passende voorzieningen treft om de toegang tot de handel in zijn systeem voor in laatstgenoemde lidstaat gevestigde leden of deelnemers op afstand te faciliteren;

22)

bevoegde autoriteit: de autoriteit die elke lidstaat van herkomst overeenkomstig artikel 48 aanwijst, tenzij in deze richtlijn anders is gespecificeerd;

23)

kredietinstelling: een kredietinstelling in de zin van Richtlijn 2000/12/EG;

24)

icbe-beheermaatschappij: een beheermaatschappij in de zin van Richtlijn 85/611/EEG van de Raad van 20 december 1985 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe's) (18);

25)

verbonden agent: een natuurlijke of rechtspersoon die, onder de volledige en onvoorwaardelijke verantwoordelijkheid van slechts één beleggingsonderneming voor rekening waarvan hij optreedt de beleggings- en/of nevendiensten bij cliënten of potentiële cliënten promoot, instructies of orders van cliënten met betrekking tot beleggingsdiensten of financiële instrumenten ontvangt en doorgeeft, financiële instrumenten plaatst en/of advies verstrekt aan cliënten of potentiële cliënten met betrekking tot deze financiële instrumenten of diensten;

26)

bijkantoor: een bedrijfszetel die niet het hoofdkantoor is en die een onderdeel zonder rechtspersoonlijkheid vormt van een beleggingsonderneming en beleggingsdiensten en/of beleggingsactiviteiten verricht, en ook nevendiensten kan verrichten waarvoor de beleggingsonderneming een vergunning heeft gekregen; alle bedrijfszetels in eenzelfde lidstaat van een beleggingsonderneming met hoofdkantoor in een andere lidstaat worden als één enkel bijkantoor beschouwd;

27)

gekwalificeerde deelneming: het rechtstreeks of middellijk bezitten van een deelneming in een beleggingsonderneming van ten minste 10% van het kapitaal of van de stemrechten, als bedoeld in artikel 92 van Richtlijn 2001/34/EG betreffende de toelating van effecten tot de officiële notering aan een effectenbeurs en de informatie die over deze effecten moet worden gepubliceerd, dan wel van een deelneming die de mogelijkheid inhoudt een invloed van betekenis uit te oefenen op de bedrijfsvoering van de beleggingsonderneming waarin wordt deelgenomen;

28)

moederonderneming: een moederonderneming in de zin van de artikelen 1 en 2 van Richtlijn 83/349/EEG van de Raad betreffende de geconsolideerde jaarrekening (19);

29)

dochteronderneming: een dochteronderneming in de zin van de artikelen 1 en 2 van Richtlijn 83/349/EEG, met inbegrip van elke dochteronderneming van een dochteronderneming van een moederonderneming die aan het hoofd van deze ondernemingen staat;

30)

zeggenschap: zeggenschap in de zin van artikel 1 van Richtlijn 83/349/EEG;

31)

nauwe banden: een situatie waarin twee of meer natuurlijke of rechtspersonen verbonden zijn door:

a)

een deelneming, dat wil zeggen het rechtstreeks of door middel van een zeggenschapsband houden van ten minste 20% van de stemrechten of het kapitaal van een onderneming; of

b)

een zeggenschapsband, dat wil zeggen de band die bestaat tussen een moederonderneming en een dochteronderneming, in alle gevallen zoals bedoeld in artikel 1, leden 1 en 2, van Richtlijn 83/349/EEG, of een band van dezelfde aard tussen een natuurlijke of rechtspersoon en een onderneming; elke dochteronderneming van een dochteronderneming wordt ook beschouwd als een dochteronderneming van de moederonderneming die aan het hoofd van deze ondernemingen staat.

Als een nauwe band tussen twee of meer natuurlijke of rechtspersonen wordt tevens beschouwd een situatie waarin deze personen via een zeggenschapsband duurzaam verbonden zijn met eenzelfde persoon.

2.   Om met de ontwikkelingen op de financiële markten rekening te houden en een uniforme toepassing van deze richtlijn te garanderen, kan de Commissie volgens de in artikel 64, lid 2, bedoelde procedure de in lid 1 van dit artikel vervatte definities verduidelijken.

TITEL II

VOORWAARDEN VOOR DE VERGUNNINGVERLENING AAN EN DE BEDRIJFSUITOEFENING VAN BELEGGINGSONDERNEMINGEN

HOOFDSTUK I

VOORWAARDEN EN PROCEDURES VOOR DE VERGUNNINGVERLENING

Artikel 5

Vereiste van vergunning

1.   Elke lidstaat schrijft voor dat voor het als gewoon beroep of bedrijf beroepsmatig verrichten van beleggingsdiensten of -activiteiten vooraf een vergunning overeenkomstig het bepaalde in dit hoofdstuk moet zijn verleend. Deze vergunning wordt verleend door de door de lidstaat van herkomst overeenkomstig artikel 48 aangewezen bevoegde autoriteit.

2.   In afwijking van lid 1 staan de lidstaten elke marktexploitant toe een MTF te exploiteren, mits eerst is vastgesteld dat deze de bepalingen van dit hoofdstuk naleeft; de artikelen 11 en 15 zijn niet van toepassing.

3.   De lidstaten leggen een register van alle beleggingsondernemingen aan. Dit register is toegankelijk voor het publiek en bevat informatie over de diensten en/of activiteiten die de beleggingsonderneming op grond van haar vergunning mag verrichten. Het register wordt regelmatig bijgewerkt.

4.   Elke lidstaat schrijft voor dat:

een beleggingsonderneming die een rechtspersoon is, haar hoofdkantoor heeft in de lidstaat waar ze haar statutaire zetel heeft;

een beleggingsonderneming die geen rechtspersoon is, of een beleggingsonderneming die een rechtspersoon is maar overeenkomstig haar nationale wetgeving geen statutaire zetel heeft, haar hoofdkantoor heeft in de lidstaat waar zij haar activiteiten feitelijk ontplooit.

5.   In het geval van beleggingsondernemingen die uitsluitend beleggingsadvies verstrekken of orders ontvangen of doorgeven overeenkomstig artikel 3, kunnen de lidstaten toestaan dat de bevoegde autoriteit administratieve, voorbereidende of neventaken in verband met de vergunningverlening delegeert overeenkomstig de in artikel 48, lid 2, gestelde voorwaarden.

Artikel 6

Reikwijdte van de vergunning

1.   De lidstaat van herkomst draagt er zorg voor dat in de vergunning de beleggingsdiensten of -activiteiten worden vermeld die de beleggingsonderneming mag verrichten. De vergunning kan één of meer van de nevendiensten bedoeld in deel B van bijlage I bestrijken. Onder geen beding mag een vergunning worden verleend voor het uitsluitend verrichten van nevendiensten.

2.   Een beleggingsonderneming die haar werkzaamheden wenst uit te breiden tot andere beleggingsdiensten of -activiteiten of nevendiensten die niet door de initiële vergunning worden bestreken, is verplicht een verzoek tot uitbreiding van haar vergunning in te dienen.

3.   De vergunning is geldig in de gehele Gemeenschap en staat een beleggingsonderneming toe overal in de Gemeenschap de diensten of activiteiten te verrichten waarvoor haar vergunning is verleend, hetzij door middel van een bijkantoor, hetzij door middel van het vrij verrichten van diensten.

Artikel 7

Procedures voor de verlening en weigering van een vergunning

1.   De bevoegde autoriteit verleent geen vergunning voordat zij er volledig van overtuigd is dat de aanvrager voldoet aan alle vereisten die uit de overeenkomstig deze richtlijn vastgestelde voorschriften voortvloeien.

2.   De beleggingsonderneming verstrekt alle informatie — met inbegrip van een programma van werkzaamheden, waarin met name de aard van de beoogde activiteiten alsmede de organisatiestructuur worden vermeld — die nodig is opdat de bevoegde autoriteit zich ervan kan vergewissen dat de beleggingsonderneming ten tijde van de initiële vergunningverlening alle noodzakelijke regelingen heeft getroffen om te voldoen aan haar verplichtingen welke uit de bepalingen van dit hoofdstuk voortvloeien.

3.   De aanvrager wordt er binnen zes maanden na de indiening van een volledige aanvraag van in kennis gesteld of de vergunning toegekend dan wel geweigerd is.

Artikel 8

Intrekking van vergunningen

De bevoegde autoriteit mag de vergunning die aan een beleggingsonderneming is verleend, intrekken indien deze beleggingsonderneming:

a)

binnen een termijn van twaalf maanden geen gebruik maakt van de vergunning, uitdrukkelijk te kennen geeft geen gebruik van de vergunning te zullen maken of tijdens de zes voorafgaande maanden geen beleggingsdiensten of -activiteiten heeft verricht, tenzij de betrokken lidstaat voorschrijft dat in die gevallen de vergunning vervalt;

b)

de vergunning heeft verworven door middel van valse verklaringen of op enige andere onregelmatige wijze;

c)

niet meer voldoet aan de voorwaarden waarop de vergunning is verleend, zoals naleving van de in Richtlijn 93/6/EEG gestelde voorwaarden;

d)

de overeenkomstig deze richtlijn vastgestelde voorschriften betreffende de voorwaarden voor de bedrijfsuitoefening van beleggingsondernemingen op ernstige wijze en systematisch heeft overtreden;

e)

in één van de gevallen verkeert waarin nationale voorschriften ten aanzien van buiten het toepassingsgebied van deze richtlijn vallende aangelegenheden in intrekking voorzien.

Artikel 9

Personen die daadwerkelijk het beleid bepalen

1.   De lidstaten schrijven voor dat de personen die het beleid van de beleggingsonderneming werkelijk bepalen, als voldoende betrouwbaar bekend moeten staan en over de vereiste ervaring moeten beschikken teneinde de gezonde en prudente bedrijfsvoering van de beleggingsonderneming te garanderen.

Wanneer de marktexploitant die een vergunning tot exploitatie van een MTF aanvraagt en de personen die de MTF feitelijk leiden dezelfde personen zijn als degenen die feitelijk het bedrijf van de gereglementeerde markt leiden, worden die personen geacht te voldoen aan de vereisten van de eerste alinea.

2.   De lidstaten schrijven voor dat de beleggingsonderneming de bevoegde autoriteit in kennis moet stellen van eventuele wijzigingen in het bestuur ervan en tegelijkertijd alle informatie moet verschaffen die nodig is om te beoordelen of de nieuwe personen die zijn aangesteld om de onderneming te leiden, als voldoende betrouwbaar bekend staan en over voldoende ervaring beschikken.

3.   De bevoegde autoriteit verleent geen vergunning indien zij er niet van overtuigd is dat de personen die het bedrijf van de beleggingsonderneming feitelijk zullen leiden, als voldoende betrouwbaar bekend staan en over voldoende ervaring beschikken, dan wel indien er objectieve en aantoonbare redenen zijn om aan te nemen dat eventuele voorgenomen wijzigingen in het bestuur van de onderneming een bedreiging vormen voor de gezonde en prudente bedrijfsvoering ervan.

4.   De lidstaten schrijven voor dat een beleggingsonderneming wordt geleid door ten minste twee personen die aan de in lid 1 gestelde voorwaarden voldoen.

In afwijking van de eerste alinea mogen de lidstaten vergunning verlenen aan een beleggingsonderneming die een natuurlijke persoon is of aan een beleggingsonderneming die een rechtspersoon is en overeenkomstig haar statuten en nationale wetgeving door één natuurlijke persoon wordt geleid. De lidstaten schrijven evenwel voor dat er alternatieve regelingen moeten zijn getroffen om een gezonde en prudente bedrijfsvoering van dergelijke beleggingsondernemingen te garanderen.

Artikel 10

Aandeelhouders en vennoten met gekwalificeerde deelnemingen

1.   De bevoegde autoriteiten verlenen een beleggingsonderneming geen vergunning tot het verrichten van beleggingsdiensten of -activiteiten voordat zij in kennis zijn gesteld van de identiteit van de rechtstreekse of middellijke aandeelhouders of vennoten, natuurlijke of rechtspersonen, die daarin een gekwalificeerde deelneming bezitten, alsmede van het bedrag van die deelneming.

De bevoegde autoriteiten weigeren de vergunning indien zij, gelet op de noodzaak de gezonde en prudente bedrijfsvoering van een beleggingsonderneming te garanderen, niet overtuigd zijn van de geschiktheid van de aandeelhouders of vennoten die een gekwalificeerde deelneming bezitten.

Wanneer er nauwe banden bestaan tussen de beleggingsonderneming en andere natuurlijke of rechtspersonen, verleent de bevoegde autoriteit de vergunning slechts indien deze banden de juiste uitoefening van de toezichthoudende taak van de bevoegde autoriteit niet belemmeren.

2.   De bevoegde autoriteit weigert de vergunning indien de wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen van een derde land die van toepassing zijn op één of meer natuurlijke of rechtspersonen met wie de onderneming nauwe banden heeft, of moeilijkheden in verband met de toepassing van die bepalingen, een belemmering vormen voor de juiste uitoefening van haar toezichthoudende taken.

3.   De lidstaten schrijven voor dat iedere natuurlijke of rechtspersoon die het voornemen heeft om rechtstreeks of middellijk een gekwalificeerde deelneming in een beleggingsonderneming te verwerven of af te stoten, de bevoegde autoriteit daarvan eerst overeenkomstig de tweede alinea in kennis moet stellen onder vermelding van de omvang van de resulterende deelneming. Tot kennisgeving aan de bevoegde autoriteit is eveneens gehouden iedere natuurlijke of rechtspersoon die het voornemen heeft de omvang van zijn gekwalificeerde deelneming zodanig te vergroten of te verkleinen dat het percentage van zijn stemrechten of aandelen 20 %, 33% of 50% bereikt, onderschrijdt of overschrijdt, of dat de beleggingsonderneming zijn dochteronderneming wordt of niet meer zijn dochteronderneming is.

Onverminderd lid 4 beschikt de bevoegde autoriteit over een termijn van ten hoogste drie maanden, te rekenen vanaf de datum van de in de eerste alinea bedoelde kennisgeving van een voorgenomen verwerving, om zich tegen het voornemen te verzetten indien zij, gelet op de noodzaak een gezonde en prudente bedrijfsvoering van de beleggingsonderneming te garanderen, niet overtuigd is van de geschiktheid van de in de eerste alinea bedoelde persoon. Indien de bevoegde autoriteit geen bezwaar maakt, kan zij een maximumtermijn vaststellen voor de uitvoering van het in de eerste alinea bedoelde voornemen.

4.   Indien de verwerver van een in lid 3 bedoelde deelneming een beleggingsonderneming, een kredietinstelling, een verzekeringsonderneming of een icbe-beheermaatschappij is waaraan in een andere lidstaat vergunning is verleend, of een moederonderneming van een beleggingsonderneming, een kredietinstelling, een verzekeringsonderneming of een icbe-beheermaatschappij waaraan in een andere lidstaat vergunning is verleend, of een natuurlijke of rechtspersoon die zeggenschap heeft over een beleggingsonderneming, kredietinstelling, verzekeringsonderneming of icbe-beheermaatschappij waaraan in een andere lidstaat vergunning is verleend, en indien de onderneming daardoor een dochteronderneming van de verwerver wordt of onder zijn zeggenschap komt, vindt over de verwerving voorafgaand overleg plaats overeenkomstig artikel 60.

5.   De lidstaten schrijven voor dat zodra een beleggingsonderneming kennis krijgt van verwervingen of afstotingen van deelnemingen in haar kapitaal waardoor stijging tot boven of daling tot onder één van de drempels als bedoeld in de eerste alinea van lid 3 optreedt, zij de bevoegde autoriteit daarvan in kennis moet stellen.

Tevens stellen beleggingsondernemingen de bevoegde autoriteit ten minste eens per jaar in kennis van de namen van de aandeelhouders en vennoten die gekwalificeerde deelnemingen bezitten, alsmede van de omvang van de deelnemingen zoals deze met name blijken uit de gegevens die worden vastgelegd bij de jaarlijkse algemene vergadering van aandeelhouders of vennoten, of uit de informatie die is ontvangen uit hoofde van de voorschriften die van toepassing zijn op ondernemingen waarvan de effecten tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten.

6.   De lidstaten schrijven voor dat, indien de door de in de eerste alinea van lid 1 bedoelde personen uitgeoefende invloed een gezonde en prudente bedrijfsvoering van de beleggingsonderneming zou kunnen belemmeren, de bevoegde autoriteit passende maatregelen moet treffen om aan deze toestand een einde te maken.

Die maatregelen kunnen met name bestaan in het aanvragen van rechterlijke bevelen en/of het treffen van sancties tegen bestuurders en degenen die voor het bestuur verantwoordelijk zijn, dan wel het schorsen van de uitoefening van de stemrechten die verbonden zijn aan de aandelen welke door de betrokken aandeelhouders of vennoten worden gehouden.

Soortgelijke maatregelen worden genomen ten aanzien van natuurlijke of rechtspersonen die de verplichting inzake voorafgaande kennisgeving van de verwerving of vergroting van de gekwalificeerde deelneming niet naleven. Wanneer ondanks het bezwaar van de bevoegde autoriteit een deelneming wordt verworven, schrijven de lidstaten, onverminderd andere te treffen sancties, voor dat de uitoefening van de betrokken stemrechten wordt geschorst of dat de uitgebrachte stemmen nietig zijn of nietig verklaard kunnen worden.

Artikel 11

Lidmaatschap van een erkend beleggerscompensatiestelsel

De bevoegde autoriteit vergewist zich ervan dat elke entiteit die een vergunning als beleggingsonderneming aanvraagt, op het tijdstip waarop haar vergunning wordt verleend, aan haar verplichtingen uit hoofde van Richtlijn 97/9/EG van het Europees Parlement en de Raad van 3 maart 1997 inzake de beleggerscompen-satiestelsels (20) voldoet.

Artikel 12

Aanvangskapitaal

De lidstaten dragen er zorg voor dat de bevoegde autoriteiten slechts een vergunning verlenen indien de beleggingsonderneming, gelet op de aard van de betrokken beleggingsdienst of -activiteit, over voldoende aanvangskapitaal beschikt overeenkomstig Richtlijn 93/6/EEG.

Zolang Richtlijn 93/6/EEG niet is herzien, gelden voor de in artikel 67 bedoelde beleggingsondernemingen de in dat artikel vastgestelde kapitaalvereisten.

Artikel 13

Organisatorische eisen

1.   De lidstaat van herkomst schrijft voor dat beleggingsondernemingen voldoen aan de in de leden 2 tot en met 8 gestelde organisatorische eisen.

2.   Een beleggingsonderneming stelt adequate gedragsregels en afdoende procedures vast om te garanderen dat de onderneming, inclusief haar bestuurders, werknemers en verbonden agenten, de verplichtingen van deze richtlijn nakomen, alsmede passende regels voor persoonlijke transacties van die personen.

3.   Een beleggingsonderneming treft en handhaaft doeltreffende organisatorische en administratieve regelingen om alle redelijke maatregelen te kunnen nemen teneinde te voorkomen dat belangenconflicten als omschreven in artikel 18 de belangen van cliënten schaden.

4.   Een beleggingsonderneming treft redelijke maatregelen om continuïteit en regelmatigheid bij het verrichten van beleggingsdiensten en -activiteiten te waarborgen. Te dien einde maakt de beleggingsonderneming gebruik van passende en evenredige systemen, middelen en procedures.

5.   Een beleggingsonderneming neemt, wanneer zij een beroep doet op derden voor de uitvoering van operationele taken die van kritiek belang zijn voor een continue en bevredigende dienstverlening aan de cliënten en voor het verrichten van beleggingsactiviteiten op een continue en bevredigende basis, redelijke maatregelen om het operationeel risico niet onnodig te vergroten. Uitbesteding van belangrijke operationele taken mag niet wezenlijk afbreuk doen aan de kwaliteit van haar interne controle en aan het vermogen van de toezichthouder om te controleren of de onderneming alle verplichtingen nakomt.

Een beleggingsonderneming beschikt over een goede administratieve en boekhoudkundige organisatie, adequate interne controleprocedures, effectieve risicobeoordelingsprocedures en effectieve controle- en beveiligingsvoorzieningen voor informatieverwerkingssystemen.

6.   Een beleggingsonderneming zorgt ervoor dat gegevens over alle door haar verrichte diensten en transacties worden bijgehouden die voldoende zijn om de bevoegde autoriteit in staat te stellen na te gaan of de in deze richtlijn gestelde eisen worden nageleefd en met name of de onderneming alle verplichtingen jegens haar cliënten of potentiële cliënten is nagekomen.

7.   Wanneer een beleggingsonderneming financiële instrumenten aanhoudt die aan een cliënt toebehoren, treft zij adequate regelingen ter vrijwaring van de eigendomsrechten van de cliënt, met name in het geval van insolventie van de onderneming, en om te voorkomen dat instrumenten van een cliënt voor eigen rekening worden gebruikt, tenzij de cliënt daarmee uitdrukkelijk instemt.

8.   Wanneer een beleggingsonderneming gelden aanhoudt die aan een cliënt toebehoren, treft zij adequate regelingen ter vrijwaring van de rechten van de cliënt en om, behalve in het geval van kredietinstellingen, te voorkomen dat aan de cliënt toebehorende gelden voor eigen rekening worden gebruikt.

9.   In het geval van een bijkantoor van een beleggingsonderneming doet de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar het bijkantoor is gevestigd, de in lid 6 neergelegde verplichting nakomen met betrekking tot de door het bijkantoor uitgevoerde transacties, onverminderd de mogelijkheid van de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst van de beleggingsonderneming om rechtstreekse toegang te krijgen tot de desbetreffende gegevens.

10.   Om met de technische ontwikkelingen op de financiële markten rekening te houden en een uniforme toepassing van de leden 2 tot en met 9 te garanderen, stelt de Commissie volgens de in artikel 64, lid 2, bedoelde procedure uitvoeringsmaatregelen vast die de concrete organisatorische eisen specificeren welke moeten worden opgelegd aan beleggingsondernemingen die verschillende beleggingsdiensten en/of beleggingsactiviteiten en nevendiensten of combinaties daarvan verrichten.

Artikel 14

Handelsproces en afhandeling van transacties in een MTF

1.   De lidstaten schrijven voor dat beleggingsondernemingen of marktexploitanten die een MTF exploiteren, niet alleen de in artikel 13 gestelde eisen in acht moeten nemen, maar ook transparante en nietdiscretionaire regels en procedures moeten vaststellen die een billijke en ordelijke handel garanderen, alsmede objectieve criteria voor de efficiënte uitvoering van orders moeten vastleggen.

2.   De lidstaten schrijven voor dat beleggingsondernemingen of marktexploitanten die een MTF exploiteren transparante regels opstellen betreffende de criteria aan de hand waarvan wordt vastgesteld welke financiële instrumenten via hun systemen kunnen worden verhandeld.

De lidstaten schrijven voor dat, waar toepasselijk, beleggingsondernemingen of marktexploitanten die een MTF exploiteren, voorzien in of zorgen voor toegang tot voldoende voor het publiek beschikbare informatie opdat haar gebruikers zich een beleggingsoordeel kunnen vormen, rekening houdend met zowel de aard van de gebruikers als de categorieën verhandelde instrumenten.

3.   De lidstaten dragen er zorg voor dat de artikelen 19, 21 en 22 van deze richtlijn niet van toepassing zijn op de volgens de regels van een MTF tussen haar leden of deelnemers of tussen de MTF en haar leden of deelnemers uitgevoerde transacties met betrekking tot het gebruik van de MTF. De leden van of deelnemers aan een MTF voldoen evenwel aan de verplichtingen van de artikelen 19, 21 en 22 ten aanzien van hun cliënten wanneer zij in naam van hun cliënten de orders van die cliënten via de systemen van een MTF uitvoeren.

4.   De lidstaten schrijven voor dat beleggingsondernemingen of marktexploitanten die een MTF exploiteren op objectieve criteria gebaseerde transparante regels voor de toegang tot de faciliteit moeten vaststellen en handhaven. Deze regels moeten voldoen aan de voorwaarden die zijn vastgesteld in artikel 42, lid 3.

5.   De lidstaten schrijven voor dat beleggingsondernemingen of marktexploitanten die een MTF exploiteren, de gebruikers van een MTF terdege moeten inlichten over hun respectieve verantwoordelijkheden in het kader van de afwikkeling van de via deze faciliteit uitgevoerde transacties. De lidstaten schrijven voor dat beleggingsondernemingen of marktexploitanten die een MTF exploiteren de nodige voorzieningen moeten hebben getroffen om een efficiënte afwikkeling van de volgens de systemen van de MTF uitgevoerde transacties te bevorderen.

6.   Indien een effect dat tot de handel op een gereglementeerde markt is toegelaten, ook in een MTF wordt verhandeld zonder dat de emittent daarvoor toestemming heeft verleend, is deze emittent met betrekking tot deze MTF niet onderworpen aan enigerlei verplichting op het gebied van de initieel, doorlopend of ad hoc te verstrekken financiële informatie.

7.   De lidstaten schrijven voor dat elke beleggingsonderneming of marktexploitant die een MTF exploiteert, onmiddellijk gevolg moet geven aan gelijk welke instructie van haar bevoegde autoriteit op grond van artikel 50, lid 1, om de handel in een financieel instrument op te schorten of een financieel instrument van de handel uit te sluiten.

Artikel 15

Betrekkingen met derde landen

1.   De lidstaten stellen de Commissie in kennis van de algemene moeilijkheden die hun beleggingsondernemingen ondervinden bij vestiging of het verrichten van beleggingsdiensten of -activiteiten in derde landen.

2.   Indien de Commissie op grond van andere dan de in lid 1 bedoelde informatie vaststelt dat een derde land de beleggingsondernemingen uit de Gemeenschap geen daadwerkelijke toegang tot de markt verleent die vergelijkbaar is met die welke de Gemeenschap toekent aan beleggingsondernemingen uit dat derde land, kan zij aan de Raad voorstellen doen om een passend onderhandelingsmandaat te verkrijgen teneinde voor de beleggingsondernemingen uit de Gemeenschap vergelijkbare concurrentiemogelijkheden te verkrijgen. De Raad besluit met gekwalificeerde meerderheid van stemmen.

3.   Indien de Commissie op grond van de in lid 1 bedoelde informatie vaststelt dat in een derde land beleggingsondernemingen uit de Gemeenschap niet de nationale behandeling krijgen die dezelfde concurrentiemogelijkheden biedt als die welke aan binnenlandse beleggingsondernemingen worden geboden en dat de voorwaarden voor daadwerkelijke toegang tot de markt niet zijn vervuld, kan zij onderhandelingen openen om dit euvel te verhelpen.

In de in de eerste alinea bedoelde omstandigheden kan de Commissie ook, naast het openen van onderhandelingen, te allen tijde volgens de in artikel 64, lid 2, bedoelde procedure besluiten dat de bevoegde autoriteiten van de lidstaten hun beslissingen inzake reeds ingediende of toekomstige vergunningsaanvragen en het verwerven van deelnemingen door rechtstreekse of middellijke moederondernemingen die onder het recht van het betrokken derde land vallen, moeten beperken of opschorten. Een dergelijke beperking of opschorting geldt niet voor de oprichting van dochterondernemingen door beleggingsondernemingen die een vergunning hebben gekregen in de Gemeenschap, of door dochterondernemingen daarvan, en evenmin voor het verwerven van deelnemingen door dergelijke beleggingsondernemingen of dochterondernemingen in een beleggingsonderneming uit de Gemeenschap. De bedoelde maatregelen zijn ten hoogste drie maanden geldig.

Vóór het verstrijken van de in de tweede alinea bedoelde termijn van drie maanden en in het licht van de uitkomst van de onderhandelingen kan de Commissie volgens de in artikel 64, lid 2, bedoelde procedure besluiten deze maatregelen te verlengen.

4.   Indien de Commissie één van de in de leden 2 en 3 bedoelde situaties constateert, stellen de lidstaten haar desgevraagd in kennis van:

a)

elke vergunningsaanvraag door een rechtstreekse of middellijke dochteronderneming van een moederonderneming die onder het recht van het betrokken derde land valt;

b)

elk op grond van artikel 10, lid 3, door een dergelijke moederonderneming aan hen voorgelegd voornemen tot verwerving van een deelneming in een beleggingsonderneming uit de Gemeenschap, waardoor deze instelling haar dochteronderneming zou worden.

Deze kennisgevingsverplichting vervalt zodra met het betrokken derde land een overeenkomst wordt bereikt of wanneer de in lid 3, tweede en derde alinea, bedoelde maatregelen niet meer van toepassing zijn.

5.   De krachtens dit artikel genomen maatregelen zijn in overeenstemming met de verplichtingen die de Gemeenschap heeft uit hoofde van bilaterale of multilaterale internationale overeenkomsten inzake de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van beleggingsondernemingen.

HOOFDSTUK II

UITOEFENINGSVOORWAARDEN VOOR BELEGGINGSONDERNEMINGEN

AFDELING I

Algemene bepalingen

Artikel 16

Regelmatige toetsing van de voorwaarden voor initiële vergunningverlening

1.   De lidstaten schrijven voor dat beleggingsondernemingen waaraan op hun grondgebied vergunning is verleend te allen tijde moeten voldoen aan de voorwaarden voor de initiële vergunningsverlening in hoofdstuk I van deze titel.

2.   De lidstaten schrijven voor dat de bevoegde autoriteiten passende methoden moeten uitwerken om erop toe te zien dat beleggingsondernemingen voldoen aan hun verplichtingen uit hoofde van lid 1. Zij schrijven voor dat beleggingsondernemingen de bevoegde autoriteiten kennis moeten geven van elke materiële wijziging van de voorwaarden voor initiële vergunningverlening.

3.   In het geval van beleggingsondernemingen die uitsluitend beleggingsadvies verstrekken, kunnen de lidstaten toestaan dat de bevoegde autoriteit administratieve, voorbereidende en neventaken in verband met de toetsing van de voorwaarden voor initiële vergunningverlening delegeert overeenkomstig de in artikel 48, lid 2, gestelde voorwaarden.

Artikel 17

Algemene verplichtingen in verband met het doorlopend toezicht

1.   De lidstaten dragen er zorg voor dat de bevoegde autoriteiten de werkzaamheden van beleggingsondernemingen controleren om na te gaan of deze de in deze richtlijn vastgestelde voorwaarden voor de bedrijfsuitoefening in acht nemen. De lidstaten dragen er zorg voor dat passende maatregelen zijn getroffen opdat de bevoegde autoriteiten de informatie kunnen verkrijgen die nodig is om na te gaan of beleggingsondernemingen deze verplichtingen nakomen.

2.   In het geval van beleggingsondernemingen die uitsluitend beleggingsadvies verstrekken, kunnen de lidstaten toestaan dat de bevoegde autoriteit administratieve, voorbereidende en neventaken in verband met het toezicht op de uitoefeningsvoorwaarden delegeert overeenkomstig de in artikel 48, lid 2, gestelde voorwaarden.

Artikel 18

Belangenconflicten

1.   De lidstaten schrijven voor dat een beleggingsonderneming alle redelijke maatregelen moet nemen om belangenconflicten te onderkennen welke zich bij het verrichten van beleggingsdiensten en nevendiensten of combinaties daarvan voordoen tussen haarzelf, met inbegrip van haar bestuurders, werknemers en verbonden agenten of een persoon die rechtstreeks of onrechtstreeks met haar verbonden is door een zeggenschapsband en haar cliënten of tussen haar cliënten onderling.

2.   Indien de door een beleggingsonderneming overeenkomstig artikel 13, lid 3, getroffen organisatorische of administratieve regelingen voor het beheer van belangenconflicten ontoereikend zijn om redelijkerwijs te mogen aannemen dat het risico dat de belangen van de cliënt worden geschaad, zal worden voorkomen, maakt de beleggingsonderneming op heldere wijze de algemene aard en/of de bronnen van belangenconflicten bekend aan de cliënt alvorens voor zijn rekening zaken te doen.

3.   Om met de technische ontwikkelingen op de financiële markten rekening te houden en een uniforme toepassing van de leden 1 en 2 te garanderen, stelt de Commissie volgens de in artikel 64, lid 2, bedoelde procedure uitvoeringsmaatregelen vast om:

a)

de maatregelen te omschrijven welke redelijkerwijze van beleggingsondernemingen mogen worden verwacht om belangenconflicten bij het verrichten van de diverse beleggingsdiensten en nevendiensten of combinaties daarvan te onderkennen, te voorkomen, te beheren en/of openbaar te maken;

b)

deugdelijke criteria vast te stellen ter bepaling van de soorten belangenconflicten die de belangen van de cliënten of potentiële cliënten van de beleggingsonderneming zouden kunnen schaden.

AFDELING 2

Bepalingen ter bescherming van de belegger

Artikel 19

Bij het verrichten van beleggingsdiensten voor cliënten in acht te nemen gedragsregels

1.   De lidstaten schrijven voor dat een beleggingsonderneming zich bij het voor cliënten verrichten van beleggingsdiensten en/of, in voorkomend geval, nevendiensten, op loyale, billijke en professionele wijze inzet voor de belangen van haar cliënten en met name de in de leden 2 tot en met 8 neergelegde beginselen in acht neemt.

2.   Alle aan cliënten of potentiële cliënten verstrekte informatie, met inbegrip van publicitaire mededelingen, moet correct, duidelijk en niet misleidend zijn. Publicitaire mededelingen moeten duidelijk als zodanig herkenbaar zijn.

3.   In een voor de cliënten of potentiële cliënten begrijpelijke vorm wordt passende informatie verstrekt over:

de beleggingsonderneming en haar diensten;

financiële instrumenten en voorgestelde beleggingsstrategieën; hieronder vallen passende toelichting en waarschuwingen over de risico's verbonden aan beleggingen in deze instrumenten of aan bepaalde beleggingsstrategieën;

plaatsen van uitvoering en

kosten en bijbehorende lasten

zodat zij redelijkerwijs in staat zijn de aard en de risico's van de aangeboden beleggingsdienst en van de specifiek aangeboden categorie van financieel instrument te begrijpen en derhalve met kennis van zaken beleggingsbeslissingen te nemen. Deze informatie mag in gestandaardiseerde vorm worden verstrekt.

4.   Bij het verstrekken van beleggingsadvies of het verrichten van vermogensbeheer, wint de beleggingsonderneming de nodige informatie in, betreffende de kennis en ervaring van de cliënt of potentiële cliënt op beleggingsgebied met betrekking tot de specifieke soort product of dienst, zijn financiële situatie en zijn beleggingsdoelstellingen, teneinde de cliënt of potentiële cliënt de voor hem geschikte beleggingsdiensten en financiële instrumenten te kunnen aanbevelen.

5.   De lidstaten dragen er zorg voor dat een beleggingsonderneming, wanneer zij andere dan de in lid 4 bedoelde beleggingsdiensten verricht, bij de cliënt of de potentiële cliënt informatie inwint over zijn ervaring en kennis op beleggingsgebied met betrekking tot de specifieke soort van product of dienst die men voornemens is aan te bieden of die wordt verlangd, zodat de onderneming kan beoordelen of het aangeboden product of de te verrichten dienst passend is voor de cliënt.

Indien de beleggingsonderneming op grond van de uit hoofde van de voorgaande alinea ontvangen informatie oordeelt dat het product of de dienst voor de cliënt of de potentiële cliënt ongeschikt is, waarschuwt zij de cliënt of de potentiële cliënt. Deze waarschuwing mag in gestandaardiseerde vorm worden verstrekt.

Wanneer de cliënt of de potentiële cliënt ervoor kiest de in de eerste alinea bedoelde informatie over zijn ervaring en kennis niet te verstrekken of wanneer hij onvoldoende informatie verstrekt, waarschuwt de beleggingsonderneming de cliënt of de potentiële cliënt dat zij door diens beslissing niet kan vaststellen of de aangeboden beleggingsdienst of het aangeboden product voor hem geschikt is. Deze waarschuwing mag in gestandaardiseerde vorm worden verstrekt.

6.   De lidstaten staan beleggingsondernemingen wanneer zij beleggingsdiensten verrichten welke slechts bestaan in het uitvoeren van orders van cliënten en/of het ontvangen en doorgeven van deze orders, met of zonder nevendiensten, toe die beleggingsdiensten voor hun cliënten te verrichten zonder de in lid 5 bedoelde informatie te hoeven inwinnen of de aldaar bedoelde vaststelling te hoeven doen wanneer aan de hieronder vermelde voorwaarden wordt voldaan:

bovenbedoelde diensten houden verband met tot de handel op een gereglementeerde markt of op een gelijkwaardige markt van een derde land toegelaten aandelen, geldmarktinstrumenten, obligaties of andere schuldinstrumenten (met uitzondering van obligaties of andere schuldinstrumenten die een afgeleid instrument behelzen), icbe's en andere niet-complexe financiële instrumenten. De markt van een derde land wordt geacht gelijkwaardig aan een gereglementeerde markt te zijn als hij voldoet aan voorschriften die gelijkwaardig zijn aan de voorschriften in Titel III. De Commissie publiceert een lijst van de markten die als gelijkwaardig moeten worden aangemerkt. Deze lijst wordt periodiek bijgewerkt;

de dienst wordt verricht op initiatief van de cliënt of potentiële cliënt;

de cliënt of de potentiële cliënt is er duidelijk van in kennis gesteld dat de beleggingsonderneming bij het verrichten van deze dienst niet verplicht is de geschiktheid van de te verrichten of aangeboden dienst of het aangeboden instrument te beoordelen en dat hij derhalve niet de bescherming van de toepasselijke gedragsregels geniet; Deze waarschuwing mag in gestandaardiseerde vorm worden verstrekt;

de beleggingsonderneming komt haar verplichtingen uit hoofde van artikel 18 na.

7.   De beleggingsonderneming legt een dossier aan met de tussen de onderneming en de cliënt overeengekomen documenten waarin de rechten en plichten van beide partijen worden beschreven, alsmede de overige voorwaarden waarop de onderneming diensten voor de cliënt zal verrichten. De rechten en plichten van beide partijen bij de overeenkomst kunnen worden opgenomen door middel van verwijzing naar andere documenten of wetsteksten.

8.   De cliënt dient van de beleggingsonderneming deugdelijke verslagen over de voor haar cliënten verrichte diensten te ontvangen. In voorkomend geval bevatten deze verslagen de kosten van de transacties en de diensten die voor rekening van de cliënt werden verricht.

9.   Wanneer een beleggingsdienst wordt aangeboden als onderdeel van een financieel product dat reeds ressorteert onder andere bepalingen van de communautaire wetgeving of onder gemeenschappelijke Europese normen betreffende kredietinstellingen en consumentenkredieten ter zake van risicobeoordeling van cliënten en/of informatievereisten, zijn de verplichtingen van dit artikel niet eveneens van toepassing op deze dienst.

10.   Om beleggers afdoende bescherming te bieden en een uniforme toepassing van de leden 1 tot en met 8 te garanderen, stelt de Commissie volgens de in artikel 64, lid 2, bedoelde procedure uitvoeringsmaatregelen vast om ervoor te zorgen dat beleggingsondernemingen de in genoemde leden neergelegde beginselen in acht nemen wanneer zij beleggingsdiensten of nevendiensten voor hun cliënten verrichten. In deze uitvoeringsmaatregelen wordt rekening gehouden met het volgende:

a)

de aard van de dienst die aan de cliënt of potentiële cliënt wordt aangeboden of voor hem wordt verricht, rekening houdend met de soort, het voorwerp, de omvang en de frequentie van de transacties;

b)

de aard van de aangeboden of in overweging genomen financiële instrumenten;

c)

de aard van de cliënt of potentiële cliënt.

Artikel 20

Het verrichten van diensten via een andere beleggingsonderneming

De lidstaten staan toe dat een beleggingsonderneming die via een andere beleggingsonderneming een instructie krijgt om beleggingsdiensten of nevendiensten voor rekening van een cliënt te verrichten, afgaat op de cliëntgegevens die haar worden verstrekt door de onderneming die de instructie doorgeeft. De beleggingsonderneming die de instructie doorgeeft, blijft verantwoordelijk voor de volledigheid en juistheid van de verstrekte gegevens.

De beleggingsonderneming die op deze wijze een instructie krijgt om diensten voor rekening van een cliënt te verrichten, mag ook afgaan op eventuele aanbevelingen betreffende de dienst of transactie welke door een andere beleggingsonderneming aan de cliënt zijn gedaan. De beleggingsonderneming die de instructie doorgeeft, blijft verantwoordelijk voor de geschiktheid van de aan de cliënt verstrekte aanbevelingen of adviezen.

De beleggingsonderneming die via een andere beleggingsonderneming instructies of orders van een cliënt ontvangt, blijft verantwoordelijk voor het op basis van bovenbedoelde gegevens of aanbevelingen verrichten van de dienst of sluiten van de transactie in overeenstemming met de desbetreffende bepalingen van deze titel.

Artikel 21

Verplichting om orders tegen de voor de cliënt voordeligste voorwaarden uit te voeren

1.   De lidstaten schrijven voor dat beleggingsondernemingen bij het uitvoeren van orders alle redelijke maatregelen moeten nemen om het best mogelijke resultaat voor hun cliënten te behalen, rekening houdend met de prijs, de kosten, de snelheid, de waarschijnlijkheid van uitvoering en afwikkeling, de omvang, de aard en alle andere voor de uitvoering van de order relevante aspecten. In geval van een specifieke instructie van de cliënt is de beleggingsonderneming evenwel verplicht de order volgens die specifieke instructie uit te voeren.

2.   De lidstaten schrijven voor dat beleggingsondernemingen doeltreffende regelingen moeten vaststellen en handhaven om aan lid 1 te voldoen. De lidstaten schrijven met name voor dat beleggingsondernemingen een beleid inzake orderuitvoering vaststellen en toepassen dat de beleggingsondernemingen in staat stelt om voor de orders van hun cliënten het best mogelijke resultaat te behalen overeenkomstig het bepaalde in lid 1.

3.   Het orderuitvoeringsbeleid omvat voor elke klasse van instrumenten, informatie over de verschillende plaatsen waar de beleggingsonderneming de orders van haar cliënten uitvoert en de factoren die de keuze van de plaats van uitvoering beïnvloeden. Het omvat ten minste de plaatsen van uitvoering die de beleggingsonderneming in staat stellen om consistent het best mogelijke resultaat voor de uitvoering van orders van cliënten te behalen.

De lidstaten schrijven voor dat beleggingsondernemingen hun cliënten deugdelijke informatie over hun orderuitvoeringsbeleid moeten verstrekken. De lidstaten schrijven voor dat beleggingsondernemingen vooraf de instemming van hun cliënten met hun orderuitvoeringsbeleid moeten verkrijgen.

De lidstaten schrijven voor dat wanneer het orderuitvoeringsbeleid voorziet in de mogelijkheid om orders buiten een gereglementeerde markt of een MTF uit te voeren, de beleggingsondernemingen hun cliënten of potentiële cliënten met name van deze mogelijkheid op de hoogte moeten brengen. De lidstaten schrijven voor dat beleggingsondernemingen de uitdrukkelijke toestemming van hun cliënten moeten verkrijgen alvorens orders van cliënten buiten een gereglementeerde markt of een MTF uit te voeren. De beleggingsonderneming kan deze toestemming hetzij in de vorm van een algemene overeenkomst, hetzij met betrekking tot afzonderlijke transacties verkrijgen.

4.   De lidstaten schrijven voor dat beleggingsondernemingen toezicht moeten houden op de doeltreffendheid van hun regelingen en beleid voor orderuitvoering om in voorkomend geval mogelijke tekortkomingen te achterhalen en te corrigeren. Zij dienen met name op gezette tijden na te gaan of de in het orderuitvoeringsbeleid opgenomen plaatsen van uitvoering tot het best mogelijke resultaat voor de cliënt leiden dan wel of zij hun uitvoeringsregelingen moeten wijzigen. De lidstaten schrijven voor dat beleggingsondernemingen hun cliënten kennis moeten geven van wezenlijke wijzigingen in hun orderuitvoeringsregelingen of hun orderuitvoeringsbeleid.

5.   De lidstaten schrijven voor dat beleggingsondernemingen hun cliënten desgevraagd moeten kunnen aantonen dat zij hun orders hebben uitgevoerd in overeenstemming met het orderuitvoeringsbeleid van de onderneming.

6.   Om de beleggers afdoende bescherming te bieden, de goede en ordelijke werking van de markten te waarborgen en een uniforme toepassing van de leden 1, 3 en 4 te garanderen, stelt de Commissie volgens de in artikel 64, lid 2, bedoelde procedure uitvoeringsmaatregelen vast betreffende:

a)

de criteria ter bepaling van het relatieve gewicht van de verschillende factoren die overeenkomstig lid 1 in aanmerking kunnen worden genomen om het best mogelijke resultaat te bepalen, rekening houdend met de omvang en de soort van de order en met de vraag of de cliënt een niet-professionele belegger dan wel een professionele cliënt is;

b)

factoren die een beleggingsonderneming in aanmerking kan nemen bij de toetsing van haar uitvoeringsregelingen en van de omstandigheden waarin wijzigingen in die regelingen aangewezen zouden kunnen zijn; meer bepaald de factoren aan de hand waarvan kan worden vastgesteld welke plaatsen van uitvoering de beleggingsondernemingen in staat stellen om consistent het best mogelijke resultaat te bereiken bij de uitvoering van de orders van de cliënten;

c)

de aard en de omvang van de informatie over het orderuitvoeringsbeleid die overeenkomstig lid 3 aan de cliënten moet worden verstrekt.

Artikel 22

Regels voor de verwerking van orders van cliënten

1.   De lidstaten schrijven voor dat beleggingsondernemingen met een vergunning om orders voor rekening van cliënten uit te voeren, procedures en regelingen moeten toepassen die een onmiddellijke, billijke en vlotte uitvoering van orders van cliënten garanderen ten opzichte van orders van andere cliënten of de handelsposities van de beleggingsonderneming.

Deze procedures of regelingen moeten een beleggingsonderneming in staat stellen om overigens vergelijkbare orders van cliënten overeenkomstig het tijdstip van ontvangst uit te voeren.

2.   De lidstaten schrijven voor dat ingeval een limietorder van een cliënt inzake tot de handel op een gereglementeerde markt toegelaten aandelen die onder de heersende marktomstandigheden niet onmiddellijk wordt uitgevoerd, de beleggingsonderneming, tenzij de cliënt uitdrukkelijk andere instructies geeft, maatregelen moet nemen om tot een zo spoedig mogelijke uitvoering van die order bij te dragen door de bewuste limietorder van de cliënt onmiddellijk op zodanige wijze openbaar te maken dat andere marktdeelnemers daar makkelijk toegang toe kunnen krijgen. De lidstaten kunnen besluiten dat een beleggingsonderneming deze verplichting moet naleven door de limietorder van de cliënt aan een gereglementeerde markt en/of een MTF door te geven. De lidstaten bepalen dat de bevoegde autoriteiten ontheffing kunnen verlenen van de verplichting tot openbaarmaking van een limietorder die van aanzienlijke omvang is in verhouding tot de normale marktomvang overeenkomstig artikel 44, lid 2.

3.   Om te waarborgen dat in de maatregelen ter bescherming van de beleggers en van de billijke en ordelijke werking van de markten met de technische ontwikkelingen op de financiële markten rekening wordt gehouden en tevens een uniforme toepassing van de leden 1 en 2 te garanderen, stelt de Commissie volgens de in artikel 64, lid 2, bedoelde procedure uitvoeringsmaatregelen vast ter omschrijving van:

a)

de voorwaarden en aard van de procedures en regelingen die resulteren in een onmiddellijke, billijke en vlotte uitvoering van orders van cliënten en de situaties waarin of categorieën transacties waarvoor beleggingsondernemingen redelijkerwijs van onmiddellijke uitvoering van orders mogen afwijken teneinde voordeliger voorwaarden voor hun cliënt(en) te bedingen;

b)

de verschillende methoden die een beleggingsonderneming kan volgen om te voldoen aan haar verplichting om niet onmiddellijk uitvoerbare limietorders van cliënten op de markt bekend te maken.

Artikel 23

Verplichtingen van beleggingsondernemingen wanneer zij verbonden agenten aanwijzen

1.   De lidstaten kunnen besluiten een beleggingsonderneming toe te staan verbonden agenten aan te wijzen om de diensten van de beleggingsonderneming te promoten, diensten aan te bieden of orders van cliënten of potentiële cliënten te ontvangen en door te geven, financiële instrumenten te plaatsen en advies te verstrekken in verband met deze financiële instrumenten en diensten die door deze beleggingsonderneming worden aangeboden.

2.   De lidstaten schrijven voor dat ingeval een beleggingsonderneming besluit een verbonden agent aan te wijzen, die beleggingsonderneming volledig en onvoorwaardelijk verantwoordelijk moet blijven voor elke handeling of elk verzuim van de verbonden agent die voor rekening van de onderneming optreedt. De lidstaten schrijven voor dat de beleggingsonderneming erop moet toezien dat een verbonden agent kenbaar maakt in welke hoedanigheid hij optreedt en welke onderneming hij vertegenwoordigt wanneer hij contact opneemt of voordat hij zaken doet met een cliënt of potentiële cliënt.

De lidstaten kunnen in overeenstemming met artikel 13, leden 6, 7 en 8 toestaan dat verbonden agenten die op hun grondgebied in een register zijn ingeschreven met geld en/of financiële instrumenten van cliënten omgaan onder de volledige verantwoordelijkheid van de beleggingsonderneming waarvoor zij optreden binnen hun grondgebied of, in het geval van een grensoverschrijdende transactie, binnen het grondgebied van een lidstaat die toestaat dat een verbonden agent geld van cliënten hanteert.

De lidstaten schrijven voor dat beleggingsondernemingen de werkzaamheden van hun verbonden agenten moeten controleren om te waarborgen dat zij zich doorlopend aan deze richtlijn houden wanneer zij met verbonden agenten werken.

3.   De lidstaten die besluiten beleggingsondernemingen toe te staan om verbonden agenten aan te wijzen, leggen een openbaar register aan. Verbonden agenten worden ingeschreven in het openbaar register in de lidstaat waar zij gevestigd zijn.

Wanneer de lidstaat waar de verbonden agent is gevestigd overeenkomstig lid 1 heeft besloten beleggingsondernemingen waaraan door zijn bevoegde autoriteiten vergunning is verleend, niet toe te staan om verbonden agenten aan te wijzen, wordt die verbonden agent ingeschreven bij de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst van de beleggingsonderneming voor rekening waarvan de verbonden agent optreedt.

De lidstaten dragen er zorg voor dat de inschrijving van verbonden agenten in het openbaar register slechts mogelijk is wanneer is vastgesteld dat zij voldoende betrouwbaar zijn en dat zij over passende algemene, zakelijke en beroepskennis beschikken om in staat te zijn alle dienstige informatie betreffende de aangeboden dienst accuraat aan de cliënt of potentiële cliënt mede te delen.

De lidstaten kunnen besluiten dat beleggingsondernemingen kunnen nagaan of de door hen aangewezen verbonden agenten als voldoende betrouwbaar bekend staan en over de kennis beschikken als bedoeld in de derde alinea.

Dit register wordt regelmatig bijgewerkt. Het kan worden geraadpleegd door het publiek.

4.   De lidstaten schrijven voor dat beleggingsondernemingen die verbonden agenten aanwijzen afdoende maatregelen moeten treffen ter voorkoming van eventuele negatieve gevolgen die de niet onder deze richtlijn vallende werkzaamheden van de verbonden agent kunnen hebben voor de werkzaamheden die de verbonden agent voor rekening van de beleggingsonderneming verricht.

De lidstaten kunnen de bevoegde autoriteiten toestaan samen te werken met beleggingsondernemingen en kredietinstellingen, hun verenigingen en andere entiteiten bij de registerinschrijving van verbonden agenten en bij het toezien op de naleving van de in lid 3 gestelde eisen door de verbonden agenten. Meer bepaald kunnen verbonden agenten in het register worden ingeschreven door beleggingsondernemingen, kredietinstellingen of hun verenigingen en andere entiteiten onder het toezicht van de bevoegde autoriteit.

5.   De lidstaten schrijven voor dat beleggingsondernemingen uitsluitend verbonden agenten aanwijzen die in de in lid 3 bedoelde openbare registers moeten zijn ingeschreven.

6.   De lidstaten mogen de in dit artikel gestelde eisen aanscherpen of daaraan eisen toevoegen voor in hun rechtsgebied ingeschreven verbonden agenten.

Artikel 24

Transacties met in aanmerking komende tegenpartijen

1.   De lidstaten dragen er zorg voor dat beleggingsondernemingen met een vergunning om orders voor rekening van cliënten en/of voor eigen rekening uit te voeren en/of orders te ontvangen en door te geven, transacties met in aanmerking komende tegenpartijen mogen totstandbrengen of sluiten zonder dat zij ertoe gehouden zijn met betrekking tot deze transacties of met betrekking tot rechtstreeks met deze transacties verband houdende nevendiensten de verplichtingen van de artikelen 19 en 21 en van artikel 22, lid 1, van deze richtlijn na te komen.

2.   Voor de toepassing van dit artikel erkennen de lidstaten als in aanmerking komende tegenpartijen beleggingsondernemingen, kredietinstellingen, verzekeringsondernemingen, icbe's en de beheermaatschappijen daarvan, pensioenfondsen en de beheermaatschappijen daarvan, andere krachtens communautaire wetgeving of het nationale recht van een lidstaat vergunninghoudende of gereglementeerde financiële instellingen, uit hoofde van artikel 2, lid 1, onder k) en l), van de toepassing van deze richtlijn vrijgestelde ondernemingen, nationale regeringen en hun diensten, met inbegrip van de overheidsinstanties die bij het beheer van de overheidsschuld betrokken zijn, centrale banken en supranationale organisaties.

Classificatie als in aanmerking komende tegenpartij overeenkomstig de vorige alinea laat het recht van deze entiteiten onverlet om te verzoeken dat zij, in het algemeen dan wel per transactie, worden behandeld als cliënten waarvan de zakelijke betrekkingen met de beleggingsonderneming onderworpen zijn aan de artikelen 19, 21 en 22.

3.   Als in aanmerking komende tegenpartijen kunnen ook door de lidstaten worden erkend andere ondernemingen die voldoen aan welbepaalde evenredige vereisten, met inbegrip van kwantitatieve drempels. In geval van een transactie waarbij de potentiële tegenpartijen in verschillende rechtsgebieden gevestigd zijn, richt de beleggingsonderneming zich naar de status van de andere onderneming zoals deze is vastgelegd op grond van het recht of de maatregelen van de lidstaat waar deze onderneming gevestigd is.

De lidstaten zorgen ervoor dat een beleggingsonderneming die overeenkomstig lid 1 met dergelijke ondernemingen transacties sluit, van de potentiële tegenpartij de uitdrukkelijke bevestiging verkrijgt dat zij ermee instemt als in aanmerking komende tegenpartij te worden behandeld. De lidstaten staan beleggingsondernemingen toe deze bevestiging in het algemeen dan wel per transactie te verkrijgen.

4.   Als in aanmerking komende tegenpartijen kunnen ook door de lidstaten worden erkend entiteiten van derde landen die te vergelijken zijn met de in lid 2 genoemde categorieën van entiteiten.

Als in aanmerking komende tegenpartijen kunnen ook door de lidstaten worden erkend ondernemingen van derde landen als de in lid 3genoemde, onder dezelfde voorwaarden en vereisten als bepaald in lid 3.

5.   Om de uniforme toepassing van de leden 2, 3 en 4 in het licht van de veranderende marktpraktijken te garanderen en de goede werking van de interne markt te bevorderen, kan de Commissie volgens de in artikel 64, lid 2, bedoelde procedure uitvoeringsmaatregelen vaststellen ter omschrijving van:

a)

de procedures voor verzoeken om uit hoofde van lid 2 als cliënt te worden behandeld;

b)

de procedures voor het verkrijgen van de uitdrukkelijke instemming van potentiële tegenpartijen uit hoofde van lid 3;

c)

de vooraf bepaalde evenredige vereisten, met inbegrip van kwantitatieve drempels, die het mogelijk maken een onderneming als in aanmerking komende tegenpartij te beschouwen uit hoofde van lid 3.

AFDELING 3

Markttransparantie en -integriteit

Artikel 25

Verplichting om de integriteit van de markt in stand te houden, verrichte transacties te melden en gegevens dienaangaande bij te houden

1.   Onverminderd de verdeling van de verantwoordelijkheden voor het doen naleven van de bepalingen van Richtlijn 2003/6/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2003 inzake handel met voorwetenschap en marktmanipulatie (marktmisbruik) (21) zorgen de lidstaten ervoor dat passende maatregelen zijn getroffen om de bevoegde autoriteit in staat te stellen toe te zien op de werkzaamheden van beleggingsondernemingen om te garanderen dat deze optreden op loyale, billijke en professionele wijze en op een manier die bevorderlijk is voor de integriteit van de markt.

2.   De lidstaten schrijven voor dat beleggingsondernemingen alle relevante gegevens over de door hen verrichte transacties in financiële instrumenten gedurende ten minste vijf jaar ter beschikking van de bevoegde autoriteit moeten houden, ongeacht of deze transacties voor eigen rekening dan wel voor rekening van een cliënt zijn verricht. In het geval van transacties voor rekening van cliënten omvatten de bijgehouden gegevens alle informatie en bijzonderheden over de identiteit van de cliënt en alle informatie die moet worden verstrekt op grond van Richtlijn 91/308/EEG van de Raad van 10 juni 1991 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld (22).

3.   De lidstaten schrijven voor dat beleggingsondernemingen die transacties in tot de handel op een gereglementeerde markt toegelaten financiële instrumenten verrichten, zo spoedig mogelijk en uiterlijk aan het einde van de volgende werkdag bijzonderheden over deze transacties moeten melden aan de bevoegde autoriteit van hun lidstaat van herkomst. Deze verplichting is van toepassing ongeacht of deze transacties op een gereglementeerde markt hebben plaatsgevonden.

De bevoegde autoriteiten treffen overeenkomstig artikel 58 de nodige regelingen om ervoor te zorgen dat ook de bevoegde autoriteit van de in termen van liquiditeit voor deze financiële instrumenten meest relevante markt deze informatie ontvangt.

4.   De melding behelst met name de naam en het aantal van de gekochte of verkochte instrumenten, de hoeveelheid, de datum en het uur van de transactie, de prijs van de transactie, en een eventuele wijze van identificatie van de beleggingsonderneming.

5.   De lidstaten schrijven voor dat deze meldingen aan de bevoegde autoriteit moeten worden verricht door de beleggingsonderneming zelf, een namens haar optredende derde, een door de bevoegde autoriteit goedgekeurd systeem voor matching of melding van orders, de gereglementeerde markt of de MTF waarvan de systemen werden gebruikt om de transactie te sluiten. In de gevallen waarin transacties door een gereglementeerde markt, een MTF of een door de bevoegde autoriteit goedgekeurd systeem voor matching of melding van orders rechtstreeks aan de bevoegde autoriteit worden gemeld, kan de beleggingsonderneming worden ontheven van de in lid 3 neergelegde verplichting.

6.   Wanneer de in dit artikel bedoelde meldingen overeenkomstig artikel 32, lid 7, worden toegezonden aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat vanontvangst, wordt deze informatie toegezonden aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst van de beleggingsonderneming, tenzij deze besluiten dat zij die informatie niet wensen te ontvangen.

7.   Om ervoor te zorgen dat de maatregelen ter bescherming van de marktintegriteit worden aangepast om rekening te houden met de technische ontwikkelingen op de financiële markten en om de uniforme toepassing van de leden 1 tot en met 5 te garanderen, kan de Commissie volgens de in artikel 64, lid 2, bedoelde procedure uitvoeringsmaatregelen vaststellen ter omschrijving van de methoden en regelingen voor het melden van financiële transacties, de vorm en inhoud van deze meldingen, en de criteria aan de hand waarvan wordt vastgesteld of een markt relevant is in de zin van lid 3.

Artikel 26

Toezicht op de naleving van de regels van het MTF en van andere wettelijke verplichtingen

1.   De lidstaten schrijven voor dat beleggingsondernemingen en marktexploitanten die een MTF exploiteren voor de MTF doeltreffende regelingen en procedures vaststellen en handhaven om stelselmatig toe te zien op de naleving van de regels van die instelling door de gebruikers. Beleggingsondernemingen en marktexploitanten die een MTF exploiteren zien toe op de transacties die de gebruikers daarvan via hun systemen verrichten opdat inbreuken op deze regels, handelsvoorwaarden die de ordelijke werking van de markt verstoren of gedragingen die op marktmisbruik kunnen wijzen, kunnen worden onderkend.

2.   De lidstaten schrijven voor dat beleggingsondernemingen en marktexploitanten die een MTF exploiteren inbreuken op zijn regels, handelsvoorwaarden die de ordelijke werking van de markt verstoren of gedragingen die op marktmisbruik kunnen wijzen, aan de bevoegde autoriteit moeten melden. De lidstaten schrijven tevens voor dat beleggingsondernemingen en marktexploitanten die een MTF exploiteren de toepasselijke informatie onmiddellijk moeten verstrekken aan de voor het onderzoeken en vervolgen van gevallen van marktmisbruik bevoegde autoriteit en dat zij deze autoriteit hun volledige medewerking moeten verlenen bij het onderzoeken en vervolgen van gevallen van marktmisbruik welke zich in of via hun systemen hebben voorgedaan.

Artikel 27

Verplichting voor beleggingsondernemingen om vaste koersen openbaar te maken

1.   De lidstaten schrijven voor dat beleggingsondernemingen met systematische interne afhandeling van aandelen een vaste koers openbaar moeten maken in de tot de handel op een gereglementeerde markt toegelaten aandelen die zij systematisch intern afhandelen en waarvoor een liquide markt bestaat. In het geval van niet-liquide aandelen maken beleggingsondernemingen met systematische interne afhandeling koersen desgevraagd bekend aan hun cliënten.

De bepalingen van dit artikel gelden voor beleggingsondernemingen met systematische interne afhandeling bij een transactieomvang tot de standaard marktomvang. Zij gelden niet voor beleggingsondernemingen met systematische interne afhandeling die uitsluitend werken met een transactieomvang boven de standaard marktomvang

Beleggingsondernemingen met systematische interne afhandeling kunnen bepalen bij welke transactieomvang zij een koers vermelden. Voor een gegeven aandeel omvat elke koers een vaste bied- en/of laatprijs, resp. vaste bied- en laatprijzen voor een transactieomvang die maximaal de standaard marktomvang kan bedragen voor de aandelenklasse waartoe het aandeel behoort. De prijs/prijzen geeft/geven ook de heersende marktsituatie voor het aandeel in kwestie weer.

De aandelen worden in klassen samengevoegd op basis van de rekenkundige gemiddelde waarde van de orders die op de markt voor elk aandeel worden uitgevoerd. De standaard marktomvang voor elke aandelenklasse is een omvang die overeenkomt met de rekenkundige gemiddelde waarde van de orders die worden uitgevoerd op de markt voor de aandelen die van elke aandelenklasse deel uitmaken.

De markt voor elk aandeel bestaat uit alle orders die in de Europese Unie met betrekking tot dat aandeel worden uitgevoerd, met uitzondering van opdrachten van een omvang die in vergelijking met de normale marktomvang voor dat aandeel aanzienlijk is

2.   De bevoegde autoriteit van de in termen van liquiditeit voor elk aandeel meest relevante markt, zoals bepaald in artikel 25, bepaalt tenminste eenmaal per jaar, op basis van de rekenkundige gemiddelde waarde van de orders die op de markt voor dat aandeel zijn uitgevoerd, tot welke aandelenklasse het behoort. Deze informatie wordt voor alle marktdeelnemers openbaar gemaakt

3.   Beleggingsondernemingen met systematische interne afhandeling maken hun koersen regelmatig en doorlopend openbaar gedurende de normale handelstijd. Zij mogen hun koersen te allen tijde aanpassen. Zij mogen hun koersen onder uitzonderlijke marktomstandigheden ook intrekken.

De notering wordt onmiddellijk tegen redelijke commerciële voorwaarden openbaar gemaakt op zodanige wijze dat zij gemakkelijk toegankelijk is voor andere marktdeelnemers.

Beleggingsondernemingen met systematische interne afhandeling voeren met inachtneming van de bepalingen van artikel 21 de orders die zij van hun niet-professionele cliënten ontvangen met betrekking tot de aandelen die zij systematisch intern afhandelen, uit tegen de op het tijdstip van ontvangst van de order afgegeven prijzen.

Beleggingsondernemingen met systematische interne afhandeling voeren de orders die zij van hun professionele cliënten ontvangen met betrekking tot de aandelen die zij systematisch intern afhandelen, uit tegen de op het tijdstip van ontvangst van de order afgegeven prijzen. Zij mogen die orders evenwel in gerechtvaardigde gevallen uitvoeren tegen betere prijzen, mits deze prijs valt binnen een openbaar gemaakt prijsbereik dat de marktsituatie benadert, en mits de orders een grotere omvang hebben dan de gebruikelijke orderomvang van een niet-professionele belegger.

Bovendien mogen beleggingsondernemingen met systematische interne afhandeling orders die zij van hun professionele cliënten ontvangen, uitvoeren tegen andere dan hun afgegeven prijzen, zonder de in de vierde alinea gestelde voorwaarden te hoeven naleven met betrekking tot transacties waarbij uitvoering in verscheidene effecten onderdeel van één transactie is, of met betrekking tot orders waaraan andere voorwaarden dan een prijs verbonden zijn.

Wanneer een beleggingsonderneming met systematische interne afhandeling die slechts één koers openbaar maakt of waarvan de hoogste koers lager is dan de standaard marktomvang, van een cliënt een order ontvangt met een omvang die groter is dan de noteringsomvang, maar kleiner dan de standaard marktomvang, kan zij besluiten het gedeelte van de order dat de noteringsomvang te boven gaat, uit te voeren, mits dit tegen de afgegeven prijs gebeurt, behalve wanneer de voorschriften in de twee voorgaande alinea's iets anders toestaan. Wanneer een beleggingsonderneming met systematische interne afhandeling koersen voor verschillende transactievolumina openbaar maakt en een order met een omvang tussen die volumina ontvangt, die zij besluit uit te voeren, doet zij dit overeenkomstig artikel 22 tegen een van de afgegeven prijzen, behalve wanneer de voorschriften in de twee voorgaande alinea's iets anders toestaan.

4.   De bevoegde autoriteiten vergewissen zich ervan:

a)

dat de beleggingsondernemingen de overeenkomstig lid 1 openbaar gemaakte bied- en/of laatprijzen regelmatig actualiseren en prijzen handhaven die de heersende marktsituatie weergeven,

b)

dat de beleggingsondernemingen voldoen aan de in lid 3, vierde alinea vermelde voorwaarden voor prijsverbetering

5.   Beleggingsondernemingen met systematische interne afhandeling mogen op basis van hun commerciële beleid en op objectieve, niet-discriminerende wijze bepalen aan welke beleggers zij toegang tot hun koersen verlenen. Daartoe moeten zij beschikken over duidelijke normen inzake de toegang tot hun koersen. Op basis van commerciële overwegingen zoals de kredietwaardigheid van de belegger, het tegenpartijrisico en de definitieve afwikkeling van de transactie kunnen beleggingsondernemingen met systematische interne afhandeling weigeren om met beleggers zakelijke betrekkingen aan te gaan of deze betrekkingen verbreken.

6.   Om het risico van veelvuldige transacties met dezelfde cliënt te beperken mogen beleggingsondernemingen met systematische interne afhandeling het aantal transacties dat zij bereid zijn met die cliënt tegen de openbaar gemaakte voorwaarden te verrichten, op niet-discriminerende wijze beperken. Ook mogen zij op niet-discriminerende wijze en overeenkomstig de bepalingen van artikel 22 het totale aantal transacties met verschillende cliënten op hetzelfde tijdstip beperken, maar uitsluitend wanneer het aantal en/of het volume van de door cliënten gewenste orders de norm aanzienlijk overschrijdt.

7.   Om te garanderen dat de leden 1 tot en met 6 uniform worden toegepast op een manier die bevorderlijk is voor de efficiënte waardebepaling van aandelen en die beleggingsondernemingen de beste kansen biedt om de voordeligste voorwaarden voor hun cliënten te bedingen, stelt de Commissie volgens de in artikel 64, lid 2, bedoelde procedure uitvoeringsmaatregelen vast die:

a)

de criteria specificeren voor de toepassing van de leden 1 en 2,

b)

de criteria specificeren om te bepalen wanneer een koers regelmatig en doorlopend openbaar wordt gemaakt en gemakkelijk toegankelijk is, alsmede met behulp van welke middelen beleggingsondernemingen de verplichting om hun koersen openbaar te maken kunnen nakomen, waarbij onder meer de volgende mogelijkheden worden geboden:

i)

door middel van de voorzieningen van eender welke gereglementeerde markt die het desbetreffende instrument tot de handel heeft toegelaten;

ii)

door de diensten van een derde; of

iii)

door middel van eigen regelingen;

c)

de algemene criteria specificeren voor het bepalen van de transacties waarbij uitvoering in verscheidene effecten onderdeel van één transactie is, of van de orders waaraan andere voorwaarden dan de courante marktprijs verbonden zijn;

d)

de algemene criteria specificeren om te bepalen wat kan worden beschouwd als buitengewone marktomstandigheden waaronder koersen mogen worden ingetrokken, alsmede om de voorwaarden vast te stellen voor het aanpassen van koersen;

e)

in afwijking van punt b) de criteria specificeren volgens welke kan worden vastgesteld welke orderomvang gebruikelijk is voor een niet-professionele belegger.

f)

de criteria specificeren om vast te stellen wanneer de norm aanzienlijk wordt overschreden, als bedoeld in lid 6;

g)

de criteria specificeren om vast te stellen wanneer prijzen vallen binnen een openbaar gemaakt prijsbereik dat de marktsituatie benadert.

Artikel 28

Informatieverstrekking na de handel door beleggingsondernemingen

1.   De lidstaten schrijven ten minste voor dat beleggingsondernemingen die, buiten een gereglementeerde markt of een MTF, hetzij voor eigen rekening, hetzij voor rekening van cliënten, transacties verrichten in aandelen die tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten, de omvang en prijs van deze transacties openbaar moeten maken, alsook het tijdstip waarop deze zijn uitgevoerd. Deze informatie wordt binnen een tijdsspanne die real time zo dicht mogelijk benadert, tegen redelijke commerciële voorwaarden openbaar gemaakt op zodanige wijze dat zij gemakkelijk toegankelijk is voor andere marktdeelnemers.

2.   De lidstaten schrijven voor dat de overeenkomstig lid 1 openbaar gemaakte informatie en de termijnen voor de openbaarmaking ervan moeten voldoen aan de voorschriften die zijn vastgesteld krachtens artikel 45. Wanneer de krachtens artikel 45 vastgestelde maatregelen voor sommige categorieën aandelentransacties in een langere meldingstermijn voorzien, is deze termijn van overeenkomstige toepassing voor soortgelijke transacties die buiten gereglementeerde markten of MTF's zijn verricht.

3.   Om de transparante en ordelijke werking van de markten en de uniforme toepassing van lid 1 te garanderen, stelt de Commissie volgens de in artikel 64, lid 2, bedoelde procedure uitvoeringsmaatregelen vast die:

a)

specificeren met behulp van welke middelen beleggingsondernemingen hun verplichtingen uit hoofde van lid 1 kunnen nakomen, waarbij onder meer de volgende mogelijkheden worden geboden:

i)

door middel van de voorzieningen van gelijk welke gereglementeerde markt die het desbetreffende instrument tot de handel heeft toegelaten of door middel van de voorzieningen van een MTF waar het betrokken aandeel wordt verhandeld;

ii)

door de diensten van een derde; of

iii)

door middel van eigen regelingen.

b)

verduidelijken hoe de verplichting uit hoofde van lid 1 moet worden toegepast op transacties waarbij aandelen worden gebruikt voor zekerheids-, lenings- of andere doeleinden, wanneer de aandelenruil door andere factoren wordt beïnvloed dan door de actuele marktwaarde van het aandeel.

Artikel 29

Transparantie voor de handel voor MTF's

1.   De lidstaten schrijven ten minste voor dat beleggingsondernemingen en marktexploitanten die een MTF exploiteren, de via hun systemen medegedeelde actuele bied- en laatprijzen en de diepte van de markt tegen deze prijzen voor aandelen die tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten, openbaar moeten maken. De lidstaten bepalen dat deze informatie tegen redelijke commerciële voorwaarden en tijdens de normale handelstijden doorlopend beschikbaar moet zijn voor het publiek.

2.   De lidstaten bepalen dat de bevoegde autoriteiten beleggingsondernemingen of marktexploitanten die een MTF exploiteren op basis van het marktmodel of de soort en de omvang van de orders in de overeenkomstig lid 3 bepaalde gevallen kunnen ontheffen van de verplichting om de in lid 1 bedoelde informatie openbaar te maken. De bevoegde autoriteiten kunnen met name ontheffing verlenen van de verplichting wanneer het gaat om transacties waarvan de omvang aanzienlijk is in vergelijking met de normale omvang van de markt voor het aandeel of de aandelencategorie in kwestie.

3.   Om een uniforme toepassing van de leden 1 en 2 te garanderen, stelt de Commissie volgens de in artikel 64, lid 2, bedoelde procedure uitvoeringsmaatregelen vast betreffende:

a)

het bereik van de bied- en laatprijzen of de koersen van aangewezen market makers en de diepte van de markt tegen die prijzen, welke openbaar moeten worden gemaakt;

b)

de omvang of de soort van orders waarvoor krachtens lid 2 ontheffing mag worden verleend van de verplichting tot informatieverstrekking vooraf;

c)

het marktmodel waarvoor krachtens lid 2 ontheffing mag worden verleend van de verplichting tot informatieverstrekking vooraf, en meer bepaald de toepassing van de verplichting op de handelsmethoden die worden gehanteerd door een MTF die volgens haar regels transacties sluit op basis van koersen welke buiten de systemen van de MTF of door middel van periodieke veilingen tot stand zijn gekomen.

Tenzij de specifieke aard van de MTF anderszins rechtvaardigt, is de inhoud van die uitvoeringsmaatregelen dezelfde als de inhoud van de in artikel 44 bedoelde uitvoeringsmaatregelen voor gereglementeerde markten.

Artikel 30

Vereisten voor transparantie na de handel voor MTF's

1.   De lidstaten schrijven ten minste voor dat beleggingsondernemingen en marktexploitanten die een MTF exploiteren, de prijs, de omvang en het tijdstip openbaar moeten maken van de volgens de systemen van de MTF uitgevoerde transacties in aandelen die tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten. De lidstaten schrijven voor dat de bijzonderheden van al deze transacties openbaar moeten worden gemaakt tegen redelijke commerciële voorwaarden en binnen een tijdsspanne die real time zo dicht mogelijk benadert. Dit vereiste geldt niet ten aanzien van de bijzonderheden van handelstransacties op een MTF die volgens de systemen van een gereglementeerde markt openbaar worden gemaakt.

2.   De lidstaten bepalen dat de bevoegde autoriteit beleggingsondernemingen of marktexploitanten die een MTF exploiteren mag toestaan de openbaarmaking van de bijzonderheden van de transacties uit te stellen op basis van de soort of de omvang van de transactie. De bevoegde autoriteiten moeten uitgestelde openbaarmaking met name kunnen toestaan wanneer het gaat om transacties waarvan de omvang aanzienlijk is in verhouding tot de normale omvang van de markt voor het aandeel of de aandelencategorie in kwestie. De lidstaten schrijven voor dat MTF's vooraf van de bevoegde autoriteit de goedkeuring moeten verkrijgen van de voorgenomen regelingen voor de uitgestelde openbaarmaking van handelstransacties, en dat duidelijke informatie over deze regelingen aan de marktdeelnemers en het beleggerspubliek wordt verstrekt.

3.   Om de goede en ordelijke werking van de financiële markten te waarborgen en een uniforme toepassing van de leden 1 en 2 te garanderen, stelt de Commissie volgens de in artikel 64, lid 2, bedoelde procedure uitvoeringsmaatregelen vast betreffende:

a)

de draagwijdte en inhoud van de informatie die beschikbaar moet zijn voor het publiek;

b)

de voorwaarden waaronder een beleggingsondernemingen of marktexploitanten die een MTF exploiteren de openbaarmaking van handelstransacties mag uitstellen en de te hanteren criteria om te bepalen voor welke transacties uitgestelde openbaarmaking is toegestaan op grond van hun omvang of de betrokken categorie van aandelen.

Tenzij de specifieke aard van de MTF anderszins rechtvaardigt, is de inhoud van die uitvoeringsmaatregelen dezelfde als de inhoud van de in artikel 45 bedoelde uitvoeringsmaatregelen voor gereglementeerde markten.

HOOFDSTUK III

RECHTEN VAN BELEGGINGSONDERNEMINGEN

Artikel 31

Vrij verrichten van beleggingsdiensten en -activiteiten

1.   De lidstaten dragen er zorg voor dat een beleggingsonderneming waaraan door de bevoegde autoriteiten van een andere lidstaat vergunning is verleend en waarop door deze autoriteiten toezicht wordt uitgeoefend overeenkomstig het bepaalde in deze richtlijn, en met betrekking tot kredietinstellingen overeenkomstig het bepaalde in Richtlijn 2000/12/EG, op hun grondgebied vrij beleggingsdiensten en/of beleggingsactiviteiten alsmede nevendiensten kunnen verrichten, mits deze diensten en activiteiten onder de vergunning vallen. Nevendiensten mogen alleen tezamen met een beleggingsdienst en/of een beleggingsactiviteit worden verricht.

De lidstaten mogen aan een dergelijke beleggingsonderneming of kredietinstelling geen aanvullende verplichtingen opleggen in verband met de aangelegenheden die door deze richtlijn worden bestreken.

2.   Elke beleggingsonderneming die voor de eerste maal diensten of activiteiten op het grondgebied van een andere lidstaat wil verrichten of die het assortiment aldaar verrichte diensten of activiteiten wenst uit te breiden, verstrekt de bevoegde autoriteiten van haar lidstaat van herkomst de volgende informatie:

a)

de lidstaat waarin zij voornemens is werkzaamheden uit te oefenen;

b)

een programma van werkzaamheden waarin met name wordt aangegeven welke beleggingsdiensten en/of beleggingsactiviteiten alsmede nevendiensten zij voornemens is te verrichten, alsook of zij van plan is om gebruik te maken van verbonden agenten op het grondgebied van de lidstaat waar zij voornemens is diensten te verrichten.

Ingeval de beleggingsonderneming voornemens is gebruik te maken van verbonden agenten deelt de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst van de beleggingsonderneming, op verzoek van de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst, binnen een redelijke termijn de identiteitsgegevens mee van de verbonden agenten die de beleggingsonderneming voornemens is in die lidstaat te gebruiken. De lidstaat van ontvangst kan die informatie openbaar maken.

3.   De bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst doet deze informatie binnen een maand na de ontvangst ervan toekomen aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst die overeenkomstig artikel 56, lid 1, als contactpunt is aangewezen, waarna de beleggingsonderneming kan aanvangen met het verrichten van de betrokken beleggingsdienst(en) in de lidstaat van ontvangst.

4.   In geval van wijziging van de overeenkomstig lid 2 verstrekte gegevens stelt de beleggingsonderneming de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst schriftelijk van de desbetreffende wijziging in kennis, zulks ten minste een maand voordat de wijziging plaatsvindt. De bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst doet de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst mededeling van die wijziging.

5.   Zonder aanvullende wettelijke of bestuursrechtelijke eisen te stellen, staan de lidstaten beleggingsondernemingen en marktexploitanten met MTF's uit andere lidstaten toe om op hun grondgebied passende voorzieningen te installeren waardoor op hun grondgebied gevestigde gebruikers of deelnemers op afstand toegang krijgen tot en gebruik kunnen maken van de systemen van deze MTF's.

6.   De beleggingsonderneming of de marktexploitant die een MTF exploiteert deelt aan de bevoegde autoriteit van zijn lidstaat van herkomst mee in welke lidstaat zij voornemens is dergelijke voorzieningen te treffen. De bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst van de MTF deelt deze informatie binnen een maand mee aan de lidstaat waar de MTF voornemens is dergelijke voorzieningen te treffen.

De bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst van de MTF deelt, op verzoek van de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst van de MTF, binnen een redelijke termijn de identiteitsgegevens mee van de leden of deelnemers van de in die lidstaat gevestigde MTF.

Artikel 32

Vestiging van een bijkantoor

1.   De lidstaten dragen er zorg voor dat beleggingsdiensten en/of beleggingsactiviteiten alsmede nevendiensten overeenkomstig deze richtlijn en Richtlijn 2000/12/EG op hun grondgebied mogen worden verricht door middel van de vestiging van een bijkantoor, mits deze diensten en activiteiten onder de vergunning vallen die in de lidstaat van herkomst aan de beleggingsonderneming of de kredietinstelling is verleend. Nevendiensten mogen alleen tezamen met een beleggingsdienst en/of een beleggingsactiviteit worden verricht.

De lidstaten mogen, met uitzondering van krachtens lid 7 toegestane eisen, geen aanvullende eisen inzake de organisatie en exploitatie van het bijkantoor stellen met betrekking tot de aangelegenheden die door deze richtlijn worden bestreken.

2.   De lidstaten verlangen dat een beleggingsonderneming die een bijkantoor op het grondgebied van een andere lidstaat wenst te vestigen, eerst de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst daarvan in kennis stelt en deze autoriteit de volgende gegevens verstrekt:

a)

de lidstaten op het grondgebied waarvan zij voornemens is een bijkantoor te vestigen;

b)

een programma van werkzaamheden waarin onder meer de aangeboden beleggingsdiensten en/of beleggingsactiviteiten alsmede nevendiensten en de organisatiestructuur van het bijkantoor worden vermeld en wordt aangegeven of het bijkantoor voornemens is gebruik te maken van verbonden agenten;

c)

het adres in de lidstaat van ontvangst waar documenten kunnen worden opgevraagd;

d)

de namen van de bestuurders van het bijkantoor.

Ingeval een beleggingsonderneming buiten haar lidstaat van herkomst gebruik maakt van een in een lidstaat gevestigde verbonden agent, wordt die verbonden agent gelijkgesteld aan het bijkantoor en onderworpen aan de in deze richtlijn opgenomen bepalingen betreffende bijkantoren.

3.   Tenzij de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst, gelet op de voorgenomen werkzaamheden, redenen heeft om te twijfelen aan de deugdelijkheid van de administratieve structuur of van de financiële positie van een beleggingsonderneming, doet zij binnen drie maanden na ontvangst van alle gegevens, mededeling van deze gegevens aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst die overeenkomstig artikel 56, lid 1, als contactpunt is aangewezen en stelt zij de betrokken beleggingsonderneming hiervan in kennis.

4.   Afgezien van de in lid 2 bedoelde gegevens doet de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst mededeling van de gegevens over het erkende compensatiestelsel waarvan de beleggingsonderneming lid is overeenkomstig Richtlijn 97/9/EG. Eventuele wijzigingen in de gegevens worden door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst gemeld.

5.   Wanneer de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst weigert de gegevens aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst te verstrekken, deelt zij de redenen van deze weigering binnen drie maanden na ontvangst van alle gegevens mede aan de betrokken beleggingsonderneming.

6.   Zodra een mededeling van de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst is binnengekomen of wanneer deze binnen een termijn van ten hoogste twee maanden, te rekenen vanaf de datum van toezending van de mededeling door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst, niet reageert, kan het bijkantoor gevestigd worden en met zijn werkzaamheden aanvangen.

7.   De bevoegde autoriteit van de lidstaat waar het bijkantoor gevestigd is neemt de verantwoordelijkheid op zich om ervoor te zorgen dat de door het op zijn grondgebied gevestigde bijkantoor verrichte diensten voldoen aan de eisen die in de artikelen 19, 21, 22, 25, 27 en 28, alsmede in de op grond van die bepalingen genomen maatregelen worden gesteld.

De bevoegde autoriteit van de lidstaat waar het bijkantoor is gevestigd heeft het recht om de door het bijkantoor getroffen regelingen aan een onderzoek te onderwerpen en de wijzigingen te verlangen die absoluut noodzakelijk zijn om de bevoegde autoriteit in staat stellen de verplichtingen die in de artikelen 19, 21, 22, 25, 27 en 28, alsmede in de op grond van die bepalingen genomen maatregelen zijn neergelegd, te doen nakomen met betrekking tot de op het grondgebied van die lidstaat door het bijkantoor verrichte diensten en/of activiteiten.

8.   Elke lidstaat draagt er zorg voor dat, wanneer een beleggingsonderneming waaraan in een andere lidstaat vergunning is verleend, op zijn grondgebied een bijkantoor heeft gevestigd, de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst van de beleggingsonderneming, in het kader van de uitoefening van haar verantwoordelijkheden en na de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst daarvan in kennis te hebben gesteld, zelf in dat bijkantoor inspecties ter plaatse kan verrichten.

9.   In geval van wijziging van de overeenkomstig lid 2 verstrekte gegevens stelt de beleggingsonderneming ten minste één maand vóór de doorvoering van de wijziging de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst schriftelijk van deze wijziging in kennis. Ook de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst wordt door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst van deze wijziging in kennis gesteld.

Artikel 33

Toegang tot gereglementeerde markten

1.   De lidstaten schrijven voor dat beleggingsondernemingen uit andere lidstaten die een vergunning hebben gekregen om orders van cliënten uit te voeren of voor eigen rekening te handelen, het recht hebben om lid te worden van of toegang hebben tot de op hun grondgebied gevestigde gereglementeerde markten door middel van één van de volgende regelingen:

a)

rechtstreeks, door in de lidstaten van ontvangst een bijkantoor te vestigen;

b)

door lid op afstand te worden van of toegang op afstand te hebben tot de gereglementeerde markt zonder dat het nodig is in de lidstaat van herkomst van de gereglementeerde markt gevestigd te zijn, indien de handelsprocedures en -systemen van de desbetreffende markt geen fysieke aanwezigheid vergen voor het sluiten van transacties op de markt.

2.   De lidstaten leggen beleggingsondernemingen die van het uit hoofde van lid 1 verleende recht gebruik maken, geen aanvullende regelgevende of administratieve verplichtingen op in verband met de aangelegenheden die door deze richtlijn worden bestreken.

Artikel 34

Toegang tot centraletegenpartij-, clearing- en afwikkelingsfaciliteiten en het recht om een afwikkelingssysteem aan te wijzen

1.   De lidstaten schrijven voor dat beleggingsondernemingen uit andere lidstaten het recht moeten hebben toegang te krijgen tot centraletegenpartij-, clearing- en afwikkelingssystemen op hun grondgebied voor de afhandeling van transacties in financiële instrumenten of het treffen van regelingen daarvoor.

De lidstaten schrijven voor dat de toegang van deze beleggingsondernemingen tot dergelijke systemen onderworpen is aan dezelfde niet-discriminerende, transparante en objectieve zakelijke criteria als die welke voor lokale deelnemers gelden. De lidstaten beperken het gebruik van deze systemen niet tot de clearing en afwikkeling van transacties in financiële instrumenten die op een gereglementeerde markt of MTF op hun grondgebied zijn uitgevoerd.

2.   De lidstaten schrijven voor dat een gereglementeerde markt op hun grondgebied alle leden of deelnemers het recht moet verlenen het systeem aan te wijzen voor de afwikkeling van de op de betrokken gereglementeerde markt verrichte transacties in financiële instrumenten, mits:

a)

er zodanige koppelingen en voorzieningen tussen het aangewezen afwikkelingssysteem en enigerlei andere systemen en faciliteiten bestaan dat de efficiënte en economische afwikkeling van de transactie in kwestie gegarandeerd is; en

b)

de voor het toezicht op de gereglementeerde markt bevoegde autoriteit bevestigt dat de technische voorwaarden voor de afwikkeling van op de betrokken gereglementeerde markt uitgevoerde transacties via een ander afwikkelingssysteem dan datgene dat door de gereglementeerde markt is aangewezen, een goede en ordelijke werking van de financiële markten mogelijk maken.

Deze beoordeling door de bevoegde autoriteit van de gereglementeerde markt doet niet af aan de bevoegdheden van de nationale centrale banken als toezichthouders op afwikkelingssystemen of van andere op zulke systemen toezichthoudende autoriteiten. De bevoegde autoriteit zal met het reeds bestaande toezicht van deze instellingen rekening houden om ongegronde dubbele controle te voorkomen;

3.   De in de leden 1 en 2 bedoelde rechten van beleggingsondernemingen doen niet af aan het recht van exploitanten van centraletegenpartij-, clearing- of effectenafwikkelingssystemen om op gewettigde zakelijke gronden te weigeren de verlangde diensten beschikbaar te stellen.

Artikel 35

Bepalingen betreffende centraletegenpartij-, clearing- en afwikkelingsregelingen ten aanzien van MTF's

1.   De lidstaten verhinderen beleggingsondernemingen en marktexploitanten die een MTF exploiteren niet passende afspraken met een centrale tegenpartij of clearinginstelling en een afwikkelingssysteem uit een andere lidstaat te maken met het oog op clearing en/of afwikkeling van sommige of alle handelstransacties die marktdeelnemers via hun systemen hebben uitgevoerd.

2.   De voor beleggingsondernemingen en marktexploitanten die een MTF exploiteren bevoegde autoriteit mag de gebruikmaking van centraletegenpartijsystemen, clearinginstellingen en/of afwikkelingssystemen in andere lidstaten niet verbieden, tenzij kan worden aangetoond dat zulks noodzakelijk is om de ordelijke werking van die MTF te handhaven, rekening houdend met de in artikel 34, lid 2, bepaalde voorwaarden voor afwikkelingssystemen.

Om ongegronde dubbele controle te voorkomen houdt de bevoegde autoriteit rekening met het reeds bestaande toezicht op het clearing- en afwikkelingssysteem dat reeds wordt uitgeoefend door van de nationale centrale banken als toezichthouders op clearing- en afwikkelingssystemen of van andere voor dergelijke systemen bevoegde toezichthoudende autoriteiten.

TITEL III

GEREGLEMENTEERDE MARKTEN

Artikel 36

Vergunningverlening en toepasselijk recht

1.   De lidstaten verlenen alleen een vergunning als gereglementeerde markt aan de systemen die aan het bepaalde in deze titel voldoen.

Er wordt pas een vergunning als gereglementeerde markt verleend wanneer de bevoegde autoriteit ervan overtuigd is dat zowel de marktexploitant als de systemen van de gereglementeerde markt ten minste voldoen aan de in deze titel vastgelegde voorschriften.

In het geval van een gereglementeerde markt die een rechtspersoon is en beheerd of geëxploiteerd wordt door een marktexploitant die niet de gereglementeerde markt zelf is, stellen de lidstaten vast hoe de verschillende bij deze richtlijn aan de marktexploitant opgelegde verplichtingen worden verdeeld over de gereglementeerde markt en de marktexploitant.

De exploitant van de gereglementeerde markt verstrekt alle informatie — met inbegrip van een programma van werkzaamheden, waarin met name de aard van de beoogde activiteiten alsmede de organisatiestructuur worden vermeld — die nodig is opdat de bevoegde autoriteit zich ervan kan vergewissen dat de gereglementeerde markt ten tijde van de initiële vergunningverlening alle noodzakelijke regelingen heeft getroffen om haar verplichtingen uit hoofde van het bepaalde in deze titel na te komen.

2.   De lidstaten schrijven voor dat de exploitant van de gereglementeerde markt de taken die met de organisatie en exploitatie van de gereglementeerde markt verband houden, onder het toezicht van de bevoegde autoriteit vervult. De lidstaten dragen er zorg voor dat de bevoegde autoriteit regelmatig toeziet op de naleving door de gereglementeerde markten van het bepaalde in deze titel. Zij dragen er tevens zorg voor dat de bevoegde autoriteiten erop toezien dat gereglementeerde markten te allen tijde voldoen aan de voorwaarden voor de initiële vergunningverlening in deze titel.

3.   De lidstaten dragen er zorg voor dat de marktexploitant er verantwoordelijk voor is dat de door hem beheerde gereglementeerde markt aan alle in deze titel vastgelegde voorschriften voldoet.

De lidstaten dragen er tevens zorg voor dat de marktexploitant de rechten kan uitoefenen die uit hoofde van deze richtlijn toekomen aan de gereglementeerde markt die hij beheert.

4.   Onverminderd eventuele toepasselijke bepalingen van Richtlijn 2003/6/EG wordt de handel die plaatsvindt volgens de systemen van de gereglementeerde markt beheerst door het publiek recht van de lidstaat van herkomst van de gereglementeerde markt.

5.   De bevoegde autoriteit mag de vergunning die aan een gereglementeerde markt is verleend, intrekken indien deze:

a)

binnen een termijn van twaalf maanden geen gebruik maakt van de vergunning, uitdrukkelijk te kennen geeft geen gebruik van de vergunning te zullen maken of tijdens de zes voorafgaande maanden niet is geëxploiteerd, tenzij de betrokken lidstaat voorschrijft dat in die gevallen de vergunning vervalt;

b)

de vergunning heeft verworven door middel van valse verklaringen of op enige andere onregelmatige wijze;

c)

niet meer voldoet aan de voorwaarden waarop de vergunning is verleend;

d)

de bij deze richtlijn vastgestelde bepalingen in ernstige mate en systematisch heeft overtreden;

e)

in een van de overige gevallen verkeert waarvoor de nationale voorschriften in intrekking voorzien.

Artikel 37

Eisen voor de bedrijfsvoering van de gereglementeerde markt

1.   De lidstaten schrijven voor dat de personen die het bedrijf en de werking van de gereglementeerde markt feitelijk leiden, als voldoende betrouwbaar bekend moeten staan en over voldoende ervaring moeten beschikken teneinde de gezonde en prudente bedrijfsvoering en exploitatie van de gereglementeerde markt te garanderen. De lidstaten schrijven tevens voor dat de exploitant van de gereglementeerde markt de bevoegde autoriteit in kennis moet stellen van de identiteitsgegevens van de personen die het bedrijf en de werkzaamheden van de gereglementeerde markt feitelijk leiden, alsmede van eventuele latere wijzigingen.

De bevoegde autoriteit weigert voorgenomen wijzigingen goed te keuren wanneer er objectieve en aantoonbare redenen zijn om aan te nemen dat deze wijzigingen een concrete bedreiging vormen voor de gezonde en prudente bedrijfsvoering en exploitatie van de gereglementeerde markt.

2.   De lidstaten dragen er zorg voor dat, bij de vergunningverlening aan een gereglementeerde markt, de persoon of de personen die feitelijk het bedrijf en de werkzaamheden leiden van een gereglementeerde markt waaraan reeds overeenkomstig de voorwaarden van deze richtlijn vergunning is verleend geacht worden aan de vereisten van lid 1 te voldoen.

Artikel 38

Eisen die worden gesteld aan personen die invloed van betekenis uitoefenen op het beheer van een gereglementeerde markt

1.   De lidstaten schrijven voor dat personen die in een positie verkeren om rechtstreeks of middellijk invloed van betekenis op het beheer van een gereglementeerde markt uit te oefenen, geschikt moeten zijn.

2.   De lidstaten schrijven voor dat een exploitant van een gereglementeerde markt:

a)

informatie moet verstrekken en openbaar maken betreffende de eigendomsstructuur van de gereglementeerde markt en/of de marktexploitant, en meer bepaald over de identiteit en de omvang van de belangen van partijen die in een positie verkeren om invloed van betekenis op de bedrijfsvoering van de gereglementeerde markt uit te oefenen, en

b)

elke eigendomsoverdracht die aanleiding geeft tot een wijziging in de kring van de personen die invloed van betekenis op de exploitatie van de gereglementeerde markt uitoefenen ter kennis moet brengen van de bevoegde autoriteit en openbaar maakt.

3.   De bevoegde autoriteit weigert de voorgenomen wijzigingen in de zeggenschap over de gereglementeerde markt en/of de marktexploitant goed te keuren wanneer er objectieve en aantoonbare redenen zijn om aan te nemen dat deze wijzigingen een bedreiging vormen voor de gezonde en prudente bedrijfsvoering van de gereglementeerde markt.

Artikel 39

Organisatorische eisen

De lidstaten schrijven voor dat een gereglementeerde markt:

a)

regelingen moet hebben getroffen voor het duidelijk onderkennen en aanpakken van potentiële negatieve gevolgen voor de exploitatie van de gereglementeerde markt of voor de marktdeelnemers van elk conflict tussen de belangen van de gereglementeerde markt, de eigenaars of de exploitant ervan, en de goede werking van de gereglementeerde markt, in het bijzonder wanneer dergelijke belangenconflicten afbreuk kunnen doen aan de vervulling van enigerlei taken die door de bevoegde autoriteit aan de gereglementeerde markt zijn gedelegeerd;

b)

adequaat toegerust moet zijn voor het beheer van de risico's waaraan zij blootgesteld is, in passende regelingen en systemen moet voorzien om alle risico's van betekenis voor de exploitatie te onderkennen, en doeltreffende maatregelen moet treffen om deze risico's te beperken;

c)

regelingen moet hebben getroffen voor een gezond beheer van de technische werking van het systeem en onder meer doeltreffende voorzorgsmaatregelen moet hebben genomen om met systeemstoringen verband houdende risico's te ondervangen;

d)

transparante en niet-discretionaire regels en procedures moet hebben vastgesteld die een billijke en ordelijke handel garanderen, alsmede objectieve criteria voor de efficiënte uitvoering van orders;

e)

doeltreffende regelingen moet hebben getroffen voor een efficiënte en tijdige afhandeling van volgens haar systemen uitgevoerde transacties,

f)

op het tijdstip van de vergunningverlening en doorlopend over voldoende financiële middelen moet beschikken om een ordelijke werking te bevorderen, gelet op de aard en omvang van de op de markt uitgevoerde transacties en het gamma en de graad van de risico's waaraan zij is blootgesteld.

Artikel 40

Toelating van financiële instrumenten tot de handel

1.   De lidstaten schrijven voor dat gereglementeerde markten duidelijke en transparante regels moeten hebben vastgesteld betreffende de toelating van financiële instrumenten tot de handel.

Deze regels zorgen ervoor dat alle financiële instrumenten die tot de handel op een gereglementeerde markt worden toegelaten, op billijke, ordelijke en efficiënte wijze kunnen worden verhandeld en dat zij, in het geval van effecten, vrij verhandelbaar zijn.

2.   In het geval van derivaten zorgen de regels er met name voor dat de vorm van het derivatencontract verenigbaar is met een ordelijke koersvorming en met doeltreffende afwikkelingsvoorwaarden.

3.   Benevens de in de leden 1 en 2 neergelegde verplichtingen schrijven de lidstaten voor dat de gereglementeerde markt doeltreffende regelingen moet treffen en handhaven om te verifiëren of effectenuitgevende instellingen die tot de handel op de gereglementeerde markt worden toegelaten, hun uit het Gemeenschapsrecht voortvloeiende verplichtingen betreffende de initiële, doorlopende of incidentele informatieverstrekking nakomen.

De lidstaten dragen er zorg voor dat de gereglementeerde markt regelingen treft die de toegang van haar leden of deelnemers tot overeenkomstig het Gemeenschapsrecht openbaar gemaakte informatie vergemakkelijken.

4.   De lidstaten dragen er zorg voor dat gereglementeerde markten de nodige regelingen hebben getroffen om regelmatig te verifiëren of de door hen tot de handel toegelaten financiële instrumenten aan de toelatingsvoorwaarden voldoen.

5.   Een tot de handel op een gereglementeerde markt toegelaten effect kan vervolgens tot de handel op andere gereglementeerde markten worden toegelaten, zelfs zonder de toestemming van de uitgevende instelling, mits de toepasselijke bepalingen van Richtlijn 2003/71/EGvan het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende het prospectus dat gepubliceerd moet worden wanneer effecten aan het publiek worden aangeboden of tot de handel worden toegelaten en tot wijziging van Richtlijn 2001/34/EG (23) worden nageleefd. De uitgevende instelling wordt door de betrokken gereglementeerde markt in kennis gesteld van het feit dat haar effecten op deze gereglementeerde markt worden verhandeld. De uitgevende instelling is geenszins verplicht de krachtens lid 3 te verstrekken informatie rechtstreeks mede te delen aan enigerlei gereglementeerde markt die haar effecten zonder zijn toestemming tot de handel heeft toegelaten.

6.   Om een uniforme toepassing van de leden 1, 2, 3, 4 en 5 te garanderen, stelt de Commissie volgens de in artikel 64, lid 2, bedoelde procedure uitvoeringsmaatregelen vast:

a)

tot specificatie van de kenmerken van de verschillende categorieën instrumenten die door de gereglementeerde markt in aanmerking dienen te worden genomen bij de beoordeling of een instrument uitgegeven is op een manier die beantwoordt aan de in de tweede alinea van lid 1 gestelde voorwaarden voor de toelating tot de handel op de onderscheiden marktsegmenten die de gereglementeerde markt exploiteert;

b)

tot verduidelijking van de regelingen die de gereglementeerde markt moet treffen opdat deze geacht wordt te hebben voldaan aan haar verplichting om te verifiëren of de emittent van een effect zijn uit het Gemeenschapsrecht voortvloeiende verplichtingen betreffende de initiële, doorlopende of incidentele informatieverstrekking nakomt;

c)

tot verduidelijking van de regelingen die de gereglementeerde markt uit hoofde van lid 3 moet treffen om de toegang van haar leden of deelnemers tot overeenkomstig het Gemeenschapsrecht openbaar gemaakte informatie te vergemakkelijken.

Artikel 41

Opschorting van de handel en uitsluiting van instrumenten van de handel

1.   Onverminderd het krachtens artikel 50, lid 2, onder j) en k), aan de bevoegde autoriteit verleende recht om de opschorting van de handel in een instrument of de uitsluiting van een instrument van de handel te eisen, mag de exploitant van de gereglementeerde markt de handel in een financieel instrument opschorten of een financieel instrument van de handel uitsluiten wanneer dit instrument niet langer aan de regels van de gereglementeerde markt voldoet, tenzij een dergelijke maatregel de belangen van de beleggers of de ordelijke werking van de markt aanzienlijk zou kunnen schaden.

Onverminderd de mogelijkheid voor exploitanten van gereglementeerde markten om de exploitanten van andere gereglementeerde markten rechtstreeks te informeren, schrijven de lidstaten voor dat de exploitant van een gereglementeerde markt die de handel in een financieel instrument opschort of een financieel instrument van de handel uitsluit, deze beslissing openbaar maakt en de bevoegde autoriteit in kennis stelt van de terzake dienende informatie. De bevoegde autoriteit stelt de bevoegde autoriteiten van de overige lidstaten daarvan in kennis.

2.   Een bevoegde autoriteit die de opschorting van de handel in een financieel instrument of de uitsluiting van een financieel instrument van de handel op één of meer gereglementeerde markten eist, maakt haar beslissing onmiddellijk openbaar en stelt de bevoegde autoriteiten van de overige lidstaten daarvan in kennis. Tenzij zulks de belangen van de beleggers of de ordelijke werking van de markt aanzienlijk zou kunnen schaden, eisen de bevoegde autoriteiten van de overige lidstaten de opschorting van de handel in een financieel instrument of de uitsluiting van een financieel instrument van de handel op één of meer onder hen ressorterende gereglementeerde markten en MTF's.

Artikel 42

Toegang tot een gereglementeerde markt

1.   De lidstaten schrijven voor dat een gereglementeerde markt op objectieve criteria gebaseerde, transparante en niet-discriminerende regels moet vaststellen en handhaven die de toegang tot of het lidmaatschap van de gereglementeerde markt regelen.

2.   In deze regels worden alle door de leden of deelnemers in acht te nemen verplichtingen gespecificeerd die voortvloeien uit:

a)

de oprichting en het beheer van de gereglementeerde markt;

b)

de regels inzake transacties op de markt;

c)

de beroepsnormen die gelden voor het personeel van de op de markt opererende beleggingsondernemingen of kredietinstellingen;

d)

de overeenkomstig lid 3 vastgestelde voorwaarden voor leden of deelnemers die geen beleggingsondernemingen of kredietinstellingen zijn;

e)

de regels en procedures voor de clearing en afwikkeling van transacties die op de gereglementeerde markt zijn uitgevoerd.

3.   Als leden of deelnemers kunnen door de gereglementeerde markten worden toegelaten beleggingsondernemingen, uit hoofde van Richtlijn 2000/12/EG vergunninghoudende kredietinstellingen en andere personen die:

a)

deskundig en betrouwbaar zijn;

b)

over toereikende bekwaamheden en bevoegdheden voor de handel beschikken;

c)

waar van toepassing adequate organisatorische regelingen hebben getroffen;

d)

over voldoende middelen beschikken voor de rol die zij moeten vervullen, rekening houdend met de verschillende financiële regelingen die de gereglementeerde markt eventueel heeft vastgesteld om de adequate afwikkeling van transacties te garanderen.

4.   De lidstaten dragen er zorg voor dat leden en deelnemers voor op een gereglementeerde markt uitgevoerde transacties onderling niet de verplichtingen van de artikelen 19, 21 en 22 van deze richtlijn hoeven na te komen. De leden van of deelnemers aan een gereglementeerde markt passen evenwel de verplichtingen van de artikelen 19, 21 en 22 toe jegens hun cliënten wanneer zij in naam van hun cliënten de orders van die cliënten op een gereglementeerde markt uitvoeren.

5.   De lidstaten dragen er zorg voor dat de regels inzake de toegang tot of het lidmaatschap van een gereglementeerde markt, rechtstreekse deelneming of deelneming op afstand van beleggingsondernemingen en kredietinstellingen mogelijk maken.

6.   Zonder aanvullende wettelijke of bestuursrechtelijke eisen te stellen, staan de lidstaten gereglementeerde markten uit andere lidstaten toe om passende voorzieningen op hun grondgebied te treffen waardoor leden of deelnemers op afstand die op hun grondgebied gevestigd zijn, beter in staat zijn toegang te krijgen tot deze markten en erop te handelen.

De gereglementeerde markt deelt aan de bevoegde autoriteit van zijn lidstaat van herkomst mee in welke lidstaat zij voornemens is dergelijke voorzieningen te treffen. De bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst deelt deze informatie binnen een maand mee aan de lidstaat waar de gereglementeerde markt voornemens is dergelijke voorzieningen te treffen.

De bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst van de gereglementeerde markt deelt op verzoek van de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst binnen een redelijke termijn de namen mee van de leden of deelnemers van de in die lidstaat gevestigde gereglementeerde markt.

7.   De lidstaten schrijven voor dat de exploitant van de gereglementeerde markt de lijst van de leden en deelnemers van de gereglementeerde markt periodiek aan de bevoegde autoriteit van de gereglementeerde markt moet mededelen.

Artikel 43

Toezicht op de naleving van de regels van de gereglementeerde markt en van andere wettelijke verplichtingen

1.   De lidstaten schrijven voor dat gereglementeerde markten effectieve regelingen en procedures moeten vaststellen en in stand houden om er regelmatig op toe te zien of hun leden en deelnemers hun regels doorlopend naleven. De gereglementeerde markten waken over de door hun leden of deelnemers volgens hun systemen verrichte transacties opdat inbreuken op deze regels, handelsvoorwaarden die de ordelijke werking van de markt verstoren of gedragingen die op marktmisbruik kunnen wijzen, kunnen worden onderkend.

2.   De lidstaten schrijven voor dat exploitanten van gereglementeerde markten aanzienlijke inbreuken op hun regels of handelsvoorwaarden die de ordelijke werking van de markt verstoren of gedragingen die op marktmisbruik kunnen wijzen, aan de bevoegde autoriteit moeten melden. De lidstaten schrijven tevens voor dat de exploitant van de gereglementeerde markt de toepasselijke informatie onmiddellijk moet verstrekken aan de voor het onderzoeken en vervolgen van gevallen van misbruik op de gereglementeerde markt bevoegde autoriteit en dat zij deze autoriteit hun volledige medewerking moeten verlenen bij het onderzoeken en vervolgen van gevallen van marktmisbruik welke zich in of via de systemen van de gereglementeerde markt hebben voorgedaan.

Artikel 44

Transparantie vooraf voor gereglementeerde markten

1.   De lidstaten schrijven ten minste voor dat gereglementeerde markten de via hun systemen afgegeven actuele bied- en laatprijzen en de diepte van de markt tegen deze prijzen voor tot de handel toegelaten aandelen openbaar moeten maken. De lidstaten bepalen dat deze informatie tegen redelijke commerciële voorwaarden en tijdens de normale handelstijden doorlopend beschikbaar moet zijn voor het publiek.

Gereglementeerde markten kunnen tegen redelijke commerciële voorwaarden en op niet-discriminerende basis toegang verlenen tot de voorzieningen die zij gebruiken om de in de eerste alinea bedoelde informatie openbaar te maken aan beleggingsondernemingen die krachtens artikel 27 hun koersen in aandelen openbaar moeten maken.

2.   De lidstaten bepalen dat de bevoegde autoriteiten gereglementeerde markten op basis van het marktmodel of de soort en de omvang van de orders in de overeenkomstig lid 3 bepaalde gevallen kunnen ontheffen van de verplichting om de in lid 1 bedoelde informatie openbaar te maken. De bevoegde autoriteiten kunnen met name ontheffing verlenen van de verplichting wanneer het gaat om transacties waarvan de omvang aanzienlijk is in vergelijking met de normale omvang van de markt voor het aandeel of de aandelencategorie in kwestie.

3.   Om een uniforme toepassing van de leden 1 en 2 te garanderen, stelt de Commissie volgens de in artikel 64, lid 2, bedoelde procedure uitvoeringsmaatregelen vast betreffende:

a)

het bereik van de bied- en laatprijzen of de koersen van aangewezen market makers en de diepte van de markt tegen die prijzen, welke openbaar moeten worden gemaakt;

b)

de omvang of de soort van orders waarvoor krachtens lid 2 ontheffing mag worden verleend van de verplichting tot informatieverstrekking vooraf;

c)

het marktmodel waarvoor krachtens lid 2 ontheffing mag worden verleend van de verplichting tot informatieverstrekking vooraf, en meer bepaald de toepassing van de verplichting op de handelsmethoden die worden gehanteerd door gereglementeerde markten die volgens hun regels transacties sluiten op basis van koersen welke buiten de gereglementeerde markt of door middel van periodieke veilingen tot stand zijn gekomen.

Artikel 45

Transparantie na de handel voor gereglementeerde markten

1.   De lidstaten schrijven ten minste voor dat gereglementeerde markten de prijs, de omvang en het tijdstip van de uitgevoerde transacties in tot de handel toegelaten aandelen openbaar moeten maken. De lidstaten schrijven voor dat de bijzonderheden van al deze transacties openbaar moeten worden gemaakt tegen redelijke commerciële voorwaarden en binnen een tijdsspanne die real time zo dicht mogelijk benadert.

Gereglementeerde markten kunnen tegen redelijke commerciële voorwaarden en op niet-discriminerende basis toegang verlenen tot de voorzieningen die zij gebruiken om de in lid 1 bedoelde informatie openbaar te maken aan beleggingsondernemingen die krachtens artikel 28 de bijzonderheden van hun aandelentransacties openbaar moeten maken.

2.   De lidstaten bepalen dat de bevoegde autoriteit gereglementeerde markten mag toestaan de openbaarmaking van de bijzonderheden van de transacties uit te stellen op basis van de soort of de omvang van de transactie. De bevoegde autoriteiten moeten uitgestelde openbaarmaking met name kunnen toestaan wanneer het gaat om transacties waarvan de omvang aanzienlijk is in verhouding tot de normale omvang van de markt voor het aandeel of de aandelencategorie in kwestie. De lidstaten schrijven voor dat gereglementeerde markten vooraf van de bevoegde autoriteit de goedkeuring moeten verkrijgen van de voorgenomen voorzieningen voor de uitgestelde openbaarmaking van handelstransacties, en dat duidelijke informatie over deze regelingen aan de marktdeelnemers en het beleggerspubliek wordt verstrekt.

3.   Om de goede en ordelijke werking van de financiële markten te waarborgen en een uniforme toepassing van de leden 1 en 2 te garanderen, stelt de Commissie volgens de in artikel 64, lid 2, bedoelde procedure uitvoeringsmaatregelen vast betreffende:

a)

de draagwijdte en inhoud van de informatie die beschikbaar moet zijn voor het publiek;

b)

de voorwaarden waaronder een gereglementeerde markt de openbaarmaking van handelstransacties mag uitstellen en de te hanteren criteria om te bepalen voor welke transacties openbaarmaking is toegestaan op grond van hun omvang of de betrokken categorie van aandelen.

Artikel 46

Voorschriften inzake centraletegenpartij-, clearing- en afwikkelingsregelingen

1.   De lidstaten verhinderen gereglementeerde markten niet passende afspraken met een centrale tegenpartij of clearinginstelling en een afwikkelingssysteem uit een andere lidstaat te maken met het oog op clearing en/of afwikkeling van sommige of alle handelstransacties die marktdeelnemers via hun systemen hebben uitgevoerd.

2.   De voor een gereglementeerde markt bevoegde autoriteit mag de gebruikmaking van centrale tegenpartijen, clearinginstellingen en/of afwikkelingssystemen uit andere lidstaten niet verbieden, tenzij kan worden aangetoond dat zulks noodzakelijk is om de ordelijke werking van de gereglementeerde markt te handhaven, rekening houdend met de in artikel 34, lid 2, bepaalde voorwaarden voor afwikkelingssystemen.

Om ongegronde dubbele controle te voorkomen houdt de bevoegde autoriteit rekening met het toezicht op het clearing- en afwikkelingssysteem dat reeds wordt uitgeoefend door de nationale centrale banken als toezichthouders op clearing- en afwikkelingssystemen of door andere voor dergelijke systemen bevoegde toezichthoudende autoriteiten.

Artikel 47

Lijst van gereglementeerde markten

Elke lidstaat stelt de lijst op van de gereglementeerde markten waarvan hij de lidstaat van herkomst is en deelt deze lijst mede aan de overige lidstaten en aan de Commissie. Elke wijziging van deze lijst wordt op dezelfde wijze medegedeeld. De Commissie maakt de lijst van alle gereglementeerde markten bekend in het Publicatieblad van de Europese Unie en werkt deze lijst ten minste eens per jaar bij. De Commissie maakt deze lijst tevens bekend en werkt haar bij op haar website telkens wanneer de lidstaten wijzigingen van hun lijsten meedelen.

TITEL IV

BEVOEGDE AUTORITEITEN

HOOFDSTUK I

AANWIJZING, BEVOEGDHEDEN EN VERHAALSPROCEDURES

Artikel 48

Aanwijzing van bevoegde autoriteiten

1.   Elke lidstaat wijst de bevoegde autoriteiten aan die de in de onderscheiden bepalingen van deze richtlijn omschreven taken moeten vervullen. De lidstaten delen de Commissie en de bevoegde autoriteiten van de andere lidstaten mee welke bevoegde autoriteit verantwoordelijk is voor de vervulling van elk van deze taken, met vermelding van eventuele splitsingen van taken.

2.   De in lid 1 bedoelde autoriteiten zijn openbare autoriteiten, onverminderd de mogelijkheid om taken aan andere entiteiten te delegeren zoals uitdrukkelijk bepaald in artikel 5, lid 5, artikel 16, lid 3, artikel 17, lid 2, en artikel 23, lid 4, van deze richtlijn.

Een delegatie van taken aan andere entiteiten dan de in lid 1 bedoelde autoriteiten mag geen betrekking hebben op de uitoefening van openbaar gezag of het gebruik van discretionaire beoordelingsbevoegdheden. De lidstaten schrijven voor dat, alvorens tot delegatie wordt overgegaan, de bevoegde autoriteiten alle redelijke maatregelen moeten nemen om ervoor te zorgen dat de entiteit waaraan taken zullen worden gedelegeerd, in staat is en over de middelen beschikt om alle taken effectief uit te voeren en dat delegatie alleen plaatsvindt indien er een duidelijk afgebakend en goed gedocumenteerd kader voor het vervullen van de gedelegeerde taken tot stand is gebracht waarin de uit te voeren taken en de voorwaarden voor de uitvoering daarvan vermeld zijn. In deze voorwaarden is een bepaling opgenomen die de entiteit in kwestie ertoe verplicht zodanig op te treden en zich zodanig te organiseren dat belangenconflicten worden vermeden en dat in het kader van de uitoefening van de gedelegeerde taken verkregen informatie niet onrechtmatig wordt gebruikt en evenmin wordt aangewend om de mededinging te verhinderen. De eindverantwoordelijkheid voor het toezicht op de naleving van deze richtlijn en haar uitvoeringsmaatregelen berust bij de overeenkomstig lid 1 aangewezen bevoegde autoriteit of autoriteiten.

De lidstaten stellen de Commissie en de bevoegde autoriteiten van de andere lidstaten in kennis van alle met het oog op de delegatie van taken getroffen regelingen, inclusief de precieze voorwaarden ter regeling van die delegatie.

3.   De Commissie maakt ten minste eenmaal per jaar de lijst van de in de leden 1 en 2 bedoelde bevoegde autoriteiten bekend in het Publicatieblad van de Europese Unie en werkt deze lijst doorlopend op haar website bij.

Artikel 49

Samenwerking tussen de autoriteiten in eenzelfde lidstaat

Ingeval een lidstaat meer dan één bevoegde autoriteit aanwijst voor het doen naleven van een bepaling van deze richtlijn, worden hun respectieve taken duidelijk omschreven en werken zij nauw samen.

Elke lidstaat schrijft voor dat een dergelijke samenwerking ook plaatsvindt tussen de bevoegde autoriteiten in de zin van deze richtlijn en de bevoegde autoriteiten die in de betrokken lidstaat verantwoordelijk zijn voor het toezicht op kredietinstellingen, andere financiële instellingen, pensioenfondsen, icbe's, verzekerings-en herverzekeringstussenpersonen en verzekeringsondernemingen.

De lidstaten schrijven voor dat bevoegde autoriteiten alle informatie moeten uitwisselen die essentieel of dienstig is voor de uitoefening van hun functies en taken.

Artikel 50

Aan de bevoegde autoriteiten te verlenen bevoegdheden

1.   Aan de bevoegde autoriteiten worden alle controle- en onderzoekbevoegdheden verleend die nodig zijn voor de vervulling van hun taken. Binnen de beperkingen die door de nationale wetgeving worden opgelegd oefenen zij deze bevoegdheden uit:

a)

rechtstreeks, of

b)

in samenwerking met andere autoriteiten, of

c)

op hun verantwoordelijkheid middels delegatie aan entiteiten waaraan taken zijn gedelegeerd overeenkomstig artikel 48, lid 2, of

d)

middels een verzoek aan de bevoegde rechterlijke instanties.

2.   Onverminderd het bepaalde in lid 1 worden deze bevoegdheden uitgeoefend in overeenstemming met de nationale wetgeving, en omvatten ze ten minste het recht om:

a)

toegang te verkrijgen tot ieder document, in enigerlei vorm, en een afschrift hiervan te ontvangen;

b)

aanvullende inlichtingen te verlangen van iedere persoon en zo nodig een persoon op te roepen en te ondervragen om inlichtingen te verkrijgen;

c)

inspecties ter plaatse te verrichten;

d)

bestaande overzichten van telefoon- en dataverkeer te verlangen;

e)

te verlangen dat elke praktijk die in strijd is met de ter uitvoering van deze richtlijn vastgestelde bepalingen, wordt beëindigd;

f)

om bevriezing van en/of beslaglegging op activa te verzoeken;

g)

om een tijdelijk verbod op beroepsuitoefening te verzoeken;

h)

informatie te verlangen van vergunninghoudende beleggingsondernemingen en accountants van gereglementeerde markten;

i)

elke maatregel te nemen om ervoor te zorgen dat beleggingsondernemingen en gereglementeerde markten zich aan de wettelijke voorschriften blijven houden;

j)

de opschorting van de handel in een financieel instrument te verlangen;

k)

te verlangen dat een financieel instrument van de handel op een gereglementeerde markt of op een ander handelsplatform wordt uitgesloten;

l)

strafrechtelijke vervolgingsprocedures in te leiden;

m)

toe te staan dat verificatie en onderzoek wordt verricht door een accountant of deskundige.

Artikel 51

Administratieve sancties

1.   Onverminderd de voor de intrekking van de vergunning geldende procedures en onverminderd het recht van de lidstaten tot het opleggen van strafrechtelijke sancties dragen de lidstaten er zorg voor dat overeenkomstig hun nationale wetgeving passende administratieve maatregelen of administratieve sancties kunnen worden opgelegd aan de verantwoordelijke personen indien de ter uitvoering van deze richtlijn vastgestelde bepalingen niet worden nageleefd. De lidstaten zien erop toe dat deze maatregelen doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.

2.   De lidstaten stellen de sancties vast die moeten worden toegepast indien geen medewerking wordt verleend bij een onderzoek als bedoeld in artikel 50.

3.   De lidstaten bepalen dat de bevoegde autoriteit iedere maatregel of sanctie die wordt opgelegd voor schending van de bij deze richtlijn aangenomen bepalingen openbaar mag maken, tenzij deze openbaarmaking de financiële markten ernstig in gevaar zou brengen of onevenredige schade zou toebrengen aan de betrokken partijen.

Artikel 52

Rechtsmiddelen

1.   De lidstaten dragen er zorg voor dat elk besluit dat is genomen op grond van wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen die overeenkomstig deze richtlijn zijn vastgesteld, naar behoren gemotiveerd is en dat daarentegen beroep openstaat bij de rechter. Beroep op de rechter is ook mogelijk wanneer er binnen zes maanden na indiening van een vergunningsaanvraag die alle vereiste gegevens bevat geen beslissing dienaangaande is genomen.

2.   De lidstaten bepalen dat één of meer van onderstaande, naar nationaal recht bepaalde instanties zich in het belang van de consument en overeenkomstig het nationale recht tot rechter of de bevoegde administratieve instanties kunnen wenden om de toepassing van de nationale bepalingen ter uitvoering van deze richtlijn af te dwingen:

a)

overheidsinstanties of de vertegenwoordigers ervan;

b)

consumentenorganisaties die een rechtmatig belang hebben bij de bescherming van de consument;

c)

beroepsorganisaties die een rechtmatig belang hebben bij een optreden ter bescherming van de consument.

Artikel 53

Buitengerechtelijke procedure voor de regeling van klachten van beleggers

1.   De lidstaten stimuleren de inrichting van efficiënte en doeltreffende klachten- en verhaalsprocedures voor de buitengerechtelijke beslechting van consumentengeschillen betreffende het verrichten door beleggingsondernemingen van beleggingsdiensten en nevendiensten, waarbij in voorkomend geval van bestaande organen gebruik wordt gemaakt.

2.   De lidstaten dragen er zorg voor dat de doeltreffende samenwerking tussen deze organen bij de beslechting van grensoverschrijdende geschillen niet wordt gehinderd door wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen.

Artikel 54

Beroepsgeheim

1.   De lidstaten dragen er zorg voor dat de bevoegde autoriteiten, alle personen die werkzaam zijn of zijn geweest voor de bevoegde autoriteiten of voor entiteiten waaraan overeenkomstig artikel 48, lid 2, taken zijn gedelegeerd, alsmede accountants of deskundigen die in opdracht van de bevoegde autoriteiten handelen, aan het beroepsgeheim gebonden zijn. De vertrouwelijke gegevens waarvan deze personen beroepshalve kennis krijgen, mogen aan geen enkele persoon of autoriteit bekend worden gemaakt, behalve in een samengevatte of geaggregeerde vorm, zodat individuele beleggingsondernemingen, marktexploitanten, gereglementeerde markten of andere personen niet herkenbaar zijn, onverminderd de gevallen die onder het strafrecht of onder de overige bepalingen van deze richtlijn vallen.

2.   Indien een beleggingsonderneming, marktexploitant of gereglementeerde markt failliet is verklaard of op grond van een rechterlijke uitspraak moet worden geliquideerd, mogen vertrouwelijke gegevens die geen betrekking hebben op derden, in het kader van civiele of handelsrechtelijke procedures openbaar worden gemaakt indien dat nodig is voor de afwikkeling van de procedure.

3.   Onverminderd zaken die onder het strafrecht vallen mogen de bevoegde autoriteiten, of instanties of natuurlijke of rechtspersonen, anders dan de bevoegde autoriteiten, die uit hoofde van deze richtlijn vertrouwelijke informatie ontvangen, deze uitsluitend gebruiken bij de uitoefening van hun taken en voor de uitoefening van hun functies (in het geval van de bevoegde autoriteiten) binnen de werkingssfeer van deze richtlijn of (in het geval van andere autoriteiten, instanties of natuurlijke of rechtspersonen voor het doel waarvoor die informatie aan hen verstrekt was en/of in het kader van bestuursrechtelijke of gerechtelijke procedures die specifiek met de uitoefening van deze functies verband houden. Wanneer de bevoegde autoriteit of andere autoriteit, instantie of persoon die de gegevens heeft verstrekt daarin toestemt, mag de ontvangende autoriteit de gegevens evenwel voor andere doeleinden gebruiken.

4.   Alle uit hoofde van deze richtlijn ontvangen, uitgewisselde of doorgegeven vertrouwelijke informatie valt onder het in dit artikel bedoelde beroepsgeheim. Dit artikel belet evenwel niet dat de bevoegde autoriteiten vertrouwelijke gegevens uitwisselen of doorgeven, in overeenstemming met deze richtlijn en andere op beleggingsondernemingen, kredietinstellingen, pensioenfondsen, icbe's, verzekerings- en herverzekeringstussenpersonen en verzekeringsondernemingen, gereglementeerde markten of marktexploitanten toepasselijke richtlijnen, dan wel met instemming van de bevoegde autoriteit of een andere autoriteit of instantie of natuurlijke of rechtspersoon die deze gegevens heeft meegedeeld.

5.   Dit artikel belet niet dat de bevoegde autoriteiten overeenkomstig het nationale recht vertrouwelijke gegevens uitwisselen of doorgeven die niet van een bevoegde autoriteit van een andere lidstaat zijn ontvangen.

Artikel 55

Betrekkingen met accountants

1.   De lidstaten schrijven ten minste voor dat iedere persoon die is toegelaten in de zin van Richtlijn 84/253/EEG van de Raad van 10 april 1984 inzake de toelating van personen, belast met de wettelijke controle van boekhoudbescheiden (24), en die bij een beleggingsonderneming de taak verricht zoals bedoeld in artikel 51 van de Vierde Richtlijn 78/660/EEG van de Raad van 25 juli 1978 betreffende de jaarrekening van bepaalde vennootschapsvormen (25), artikel 37 van Richtlijn 83/349/EEG of artikel 31 van Richtlijn 85/611/EEG, dan wel een andere wettelijke taak, de verplichting heeft aan de bevoegde autoriteiten snel melding te doen van elk feit of besluit met betrekking tot deze onderneming, waarvan hij bij de uitvoering van die taken kennis heeft gekregen en dat van dien aard is:

a)

dat het een inbreuk ten gronde inhoudt op de wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen die de voorwaarden voor de vergunningverlening vaststellen of specifiek de uitoefening van de werkzaamheden van beleggingsondernemingen regelen;

b)

dat het de bedrijfscontinuïteit van de beleggingsonderneming aantast;

c)

dat het leidt tot weigering van de goedkeuring van de jaarrekening of tot het uiten van voorbehouden.

Deze persoon heeft tevens de verplichting melding te doen van feiten en besluiten waarvan hij kennis heeft gekregen bij de uitvoering van één van de taken als beschreven in de eerste alinea bij een onderneming die nauwe banden heeft met de beleggingsonderneming waar deze persoon bovengenoemde taak uitvoert.

2.   Melding te goeder trouw aan de bevoegde autoriteiten door de personen die zijn toegelaten in de zin van Richtlijn 84/253/EEG van de in lid 1 bedoelde feiten of besluiten vormt geen inbreuk op ongeacht welke op grond van een contract of van een wettelijke bepaling opgelegde beperking inzake de openbaarmaking van informatie, en leidt voor de betrokken persoon tot geen enkele vorm van aansprakelijkheid.

HOOFDSTUK II

SAMENWERKING TUSSEN BEVOEGDE AUTORITEITEN VAN VERSCHILLENDE LIDSTATEN

Artikel 56

Verplichting tot samenwerking

1.   De bevoegde autoriteiten van de verschillende lidstaten werken onderling samen wanneer dat voor de vervulling van hun taken uit hoofde van deze richtlijn nodig is, waartoe zij gebruik maken van de bevoegdheden waarover zij hetzij uit hoofde van deze richtlijn, hetzij ingevolge nationale wetgeving beschikken.

De bevoegde autoriteiten verlenen assistentie aan de bevoegde autoriteiten van andere lidstaten. Zij wisselen met name informatie uit en werken samen bij onderzoek- of toezichtactiviteiten.

Om de samenwerking en met name de uitwisseling van informatie te vergemakkelijken en te versnellen, wijzen de lidstaten één bevoegde autoriteit aan als contactpunt voor de toepassing van deze richtlijn. De lidstaten delen de Commissie en de overige lidstaten de namen mede van de autoriteiten die zijn aangewezen om uit hoofde van dit lid verzoeken om uitwisseling van gegevens of verzoeken om samenwerking in ontvangst te nemen.

2.   Wanneer, gelet op de toestand van de effectenmarkten in de lidstaat van ontvangst, de werkzaamheden van een gereglementeerde markt die in een lidstaat van ontvangst voorzieningen heeft geïnstalleerd, van aanzienlijk belang zijn geworden voor de werking van de effectenmarkten en de bescherming van de beleggers in die lidstaat van ontvangst, treffen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst en de lidstaat van ontvangst evenredige samenwerkingsregelingen.

3.   De lidstaten nemen de nodige administratieve en organisatorische maatregelen om de in lid 1 bedoelde assistentieverlening te vergemakkelijken.

De bevoegde autoriteiten kunnen hun bevoegdheden ten behoeve van de samenwerking aanwenden, zelfs in de gevallen waarin de onderzochte gedraging niet strijdig is met in de betrokken lidstaat van kracht zijnde regelgeving.

4.   Wanneer een bevoegde autoriteit ervan overtuigd is dat er door niet onder haar toezicht staande entiteiten op het grondgebied van een andere lidstaat handelingen worden of zijn uitgevoerd die strijdig zijn met de bepalingen van deze richtlijn, geeft zij hiervan zo specifiek mogelijk kennis aan de bevoegde autoriteit van de andere lidstaat. Laatstgenoemde autoriteit neemt de nodige maatregelen en stelt de kennisgevende bevoegde autoriteit van het resultaat van de maatregelen in kennis, alsmede, voor zover mogelijk, van belangrijke tussentijdse ontwikkelingen. Dit lid laat de bevoegdheden van de bevoegde autoriteit die de informatie heeft doorgegeven onverlet.

5.   Om een uniforme toepassing van lid 2 te garanderen, kan de Commissie volgens de in artikel 64, lid 2, bedoelde procedure uitvoeringsmaatregelen vaststellen om de criteria te bepalen op grond waarvan de werkzaamheden van een gereglementeerde markt in een lidstaat van ontvangst kunnen worden beschouwd als zijnde van aanzienlijk belang voor de werking van de effectenmarkten en de bescherming van de beleggers in die lidstaat van ontvangst.

Artikel 57

Samenwerking bij toezicht, verificatie ter plaatse of onderzoek

Een bevoegde autoriteit van een lidstaat kan om de medewerking van de bevoegde autoriteit van een andere lidstaat verzoeken bij toezichtactiviteiten of voor verificatie ter plaatse of bij een onderzoek. In het geval van beleggingsondernemingen die leden op afstand van een gereglementeerde markt zijn, kan de voor het toezicht op de gereglementeerde markt bevoegde autoriteit verkiezen die leden op afstand rechtstreeks te contacteren; zij moet de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst van het lid op afstand daarvan kennis geven.

Wanneer de bevoegde autoriteit een verzoek met betrekking tot een verificatie ter plaatse of bij een onderzoek ontvangt, zal zij:

a)

de verificatie of het onderzoek zelf verrichten, of

b)

de verzoekende autoriteiten toestemming verlenen om de verificatie of het onderzoek te verrichten, of

c)

toestaan dat de verificatie of het onderzoek wordt verricht door een accountant of deskundige.

Artikel 58

Uitwisseling van gegevens

1.   De bevoegde autoriteiten van de lidstaten die voor de toepassing van deze richtlijn overeenkomstig artikel 56, lid 1, als contactpunten zijn aangewezen, voorzien elkaar onmiddellijk van alle gegevens die nodig zijn voor de uitoefening van de taken, vermeld in de uit hoofde van deze richtlijn vastgestelde bepalingen, van de bevoegde autoriteiten die overeenkomstig artikel 48, lid 1, zijn aangewezen.

Bevoegde autoriteiten die uit hoofde van deze richtlijn gegevens uitwisselen met andere bevoegde autoriteiten kunnen op het ogenblik dat deze gegevens worden meegedeeld aangeven dat die gegevens alleen mogen worden doorgegeven met hun uitdrukkelijke instemming, en in dat geval mogen die gegevens alleen worden uitgewisseld voor de doeleinden waarmee die autoriteiten hebben ingestemd.

2.   De als contactpunt aangegeven bevoegde autoriteit mag de uit hoofde van lid 1 en van de artikelen 55 en 63 ontvangen gegevens doorgeven aan de autoriteiten waarnaar wordt verwezen in artikel 49. Zij geven de gegevens niet door aan andere instanties of natuurlijke of rechtspersonen zonder de uitdrukkelijke toestemming van de bevoegde autoriteiten die de gegevens hebben verstrekt, en dan alleen voor de doeleinden waarmee deze autoriteiten hebben ingestemd, behalve in naar behoren gemotiveerde omstandigheden. In dit laatste geval verwittigt het contactpunt terstond het contactpunt dat de gegevens heeft toegezonden.

3.   De bevoegde autoriteiten waarnaar wordt verwezen in artikel 49 alsmede andere instanties of natuurlijke of rechtspersonen die uit hoofde van lid 1 of de artikelen 55 en 63 vertrouwelijke gegevens ontvangen, mogen deze uitsluitend gebruiken voor de uitoefening van hun taken, met name:

a)

om te onderzoeken of wordt voldaan aan de voorwaarden voor de toegang tot de werkzaamheden van beleggingsondernemingen en ter vergemakkelijking van het toezicht, op individuele of op geconsolideerde basis, op de voorwaarden waaronder de werkzaamheden worden uitgeoefend, in het bijzonder ten aanzien van de in Richtlijn 93/6/EEG gestelde vereisten inzake kapitaaltoereikendheid, de administratieve en boekhoudkundige organisatie en de interne controle;

b)

voor het toezicht op de goede werking van de handelsplatforms;

c)

voor het opleggen van sancties;

d)

in het kader van een administratief beroep tegen een besluit van de bevoegde autoriteit;

e)

bij rechtszaken die aanhangig zijn gemaakt uit hoofde van artikel 52; of

f)

in het kader van het in artikel 53 bedoelde buitengerechtelijke mechanisme voor de regeling van klachten van beleggers.

4.   Volgens de in artikel 64, lid 2, bedoelde procedure kan de Commissie uitvoeringsmaatregelen vaststellen betreffende de procedures voor de uitwisseling van gegevens tussen bevoegde autoriteiten.

5.   De artikelen 54, en 63 vormen geen belemmering voor een bevoegde autoriteit om aan centrale banken, het Europees Stelsel van Centrale Banken en de Europese Centrale Bank in hun hoedanigheid van monetaire autoriteit, alsook, in voorkomend geval, aan andere overheidsinstanties die met het toezicht op betalings- en afwikkelingssystemen belast zijn, voor de uitoefening van hun taak dienstige vertrouwelijke gegevens mede te delen; evenzo wordt het deze autoriteiten of organen niet belet om aan de bevoegde autoriteiten de informatie te doen toekomen die deze voor het vervullen van de hun bij deze richtlijn opgelegde taken nodig kunnen hebben.

Artikel 59

Weigering van samenwerking

Een bevoegde autoriteit kan een verzoek om samenwerking bij het verrichten van een onderzoek, een verificatie ter plaatse of een toezichtactiviteit als bedoeld in artikel 57, of om uitwisseling van gegevens als bedoeld in artikel 58 alleen van de hand wijzen:

a)

wanneer dit onderzoek of deze verificatie ter plaatse, toezichtactiviteit of mededeling van gegevens gevaar zou kunnen opleveren voor de soevereiniteit, de veiligheid of de openbare orde van de aangezochte lidstaat;

b)

indien voor dezelfde feiten en tegen dezelfde personen reeds een gerechtelijke procedure is ingeleid bij de autoriteiten van de aangezochte lidstaat;

c)

indien tegen dezelfde personen en voor dezelfde feiten in de aangezochte lidstaat reeds een onherroepelijke uitspraak is gedaan.

In geval van een dergelijke weigering stelt de bevoegde autoriteit de verzoekende bevoegde autoriteit daarvan in kennis, waarbij zij zo gedetailleerd mogelijke informatie verstrekt.

Artikel 60

Overleg tussen de autoriteiten voordat een vergunning wordt verleend

1.   De bevoegde autoriteiten van de andere betrokken lidstaat worden geraadpleegd voordat een vergunning wordt verleend aan een beleggingsonderneming die:

a)

een dochteronderneming is van een beleggingsonderneming of van een kredietinstelling waaraan in een andere lidstaat vergunning is verleend, of

b)

een dochteronderneming is van de moederonderneming van een beleggingsonderneming of kredietinstelling waaraan in een andere lidstaat vergunning is verleend, of

c)

onder de zeggenschap staat van dezelfde natuurlijke of rechtspersonen die zeggenschap uitoefenen over een beleggingsonderneming of kredietinstelling waaraan in een andere lidstaat vergunning is verleend.

2.   De bevoegde autoriteit van de lidstaat die verantwoordelijk is voor het toezicht op kredietinstellingen of verzekeringsondernemingen, wordt geraadpleegd alvorens een vergunning wordt verleend aan een beleggingsonderneming die:

a)

een dochteronderneming is van een kredietinstelling of verzekeringsonderneming waaraan in de Gemeenschap vergunning is verleend, of

b)

een dochteronderneming is van de moederonderneming van een kredietinstelling of verzekeringsonderneming waaraan in de Gemeenschap vergunning is verleend, of

c)

onder zeggenschap staat van dezelfde natuurlijke of rechtspersoon die zeggenschap uitoefent over een kredietinstelling of verzekeringsonderneming waaraan in de Gemeenschap vergunning is verleend.

3.   De relevante in de leden 1 en 2 bedoelde bevoegde autoriteiten raadplegen elkaar in het bijzonder bij de beoordeling van de geschiktheid van de aandeelhouders of de leden en de reputatie en ervaring van de personen die het bedrijf van de beleggingsonderneming feitelijk leiden bij en betrokken zijn bij het bestuur van een andere entiteit van dezelfde groep. Zij wisselen alle informatie uit betreffende de geschiktheid van de aandeelhouders of de leden en de reputatie en ervaring van de personen die het bedrijf van de beleggingsonderneming feitelijk leiden welke van belang is voor de andere betrokken bevoegde autoriteiten, voor het verlenen van een vergunning, alsook voor de doorlopende toetsing van de naleving van de voorwaarden voor de bedrijfsuitoefening.

Artikel 61

Bevoegdheden van de lidstaten van ontvangst

1.   De lidstaten van ontvangst kunnen voor statistische doeleinden verlangen dat elke beleggingsonderneming die een bijkantoor op hun grondgebied heeft, hun een periodiek verslag over de werkzaamheden van dit bijkantoor zendt.

2.   In het kader van de uitoefening van de krachtens deze richtlijn op hem rustende verantwoordelijkheden mag een lidstaat van ontvangst, voor de in artikel 32, lid 7, bedoelde gevallen, voorschrijven dat bijkantoren van beleggingsondernemingen hem alle gegevens moeten verstrekken die nodig zijn om toezicht uit te oefenen op de naleving door deze bijkantoren van de door hem vastgestelde normen die op hen van toepassing zijn. Die verplichtingen mogen echter niet strenger zijn dan die welke dezelfde lidstaat aan op zijn grondgebied gevestigde ondernemingen oplegt voor het toezicht op de naleving van diezelfde normen door deze ondernemingen.

Artikel 62

Bevoegdheid van de lidstaten van ontvangst tot het nemen van conservatoire maatregelen

1.   Indien de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst duidelijke en aantoonbare redenen heeft om aan te nemen dat een beleggingsonderneming die op haar grondgebied door middel van het vrij verrichten van diensten werkzaamheden uitoefent, de verplichtingen schendt die uit de ter uitvoering van deze richtlijn vastgestelde bepalingen voortvloeien, of dat een beleggingsonderneming met een bijkantoor op haar grondgebied de verplichtingen schendt die voortvloeien uit de ter uitvoering van deze richtlijn vastgestelde bepalingen waarbij aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst geen bevoegdheden worden verleend, stelt zij de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst van deze bevindingen in kennis.

Indien de beleggingsonderneming, in weerwil van de aldus door de lidstaat van herkomst getroffen maatregelen, of omdat deze maatregelen ontoereikend zijn, blijft handelen op een wijze die de belangen van beleggers in de lidstaat van ontvangst of de ordelijke werking van de markten kennelijk schaadt, neemt de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst, na de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst daarvan in kennis te hebben gesteld, de nodige maatregelen om de beleggers en de goede werking van de markten te beschermen. Met name kunnen zij een inbreukplegende beleggingsonderneming beletten nieuwe transacties op hun grondgebied te verrichten. De Commissie wordt onverwijld van deze maatregelen in kennis gesteld.

2.   Indien de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst constateren dat een beleggingsonderneming die op het grondgebied van hun lidstaat een bijkantoor heeft niet de wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen naleeft welke in die lidstaat zijn vastgesteld ter uitvoering van de bepalingen van deze richtlijn die een bevoegdheid van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst inhouden, eisen zij dat de betrokken beleggingsonderneming een eind maakt aan deze onregelmatige situatie.

Indien de betrokken beleggingsonderneming niet het nodige doet, nemen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de betrokken beleggingsonderneming een eind maakt aan deze onregelmatige situatie. Van de strekking van deze maatregelen wordt mededeling gedaan aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst.

Indien de beleggingsonderneming, in weerwil van de aldus door de lidstaat van ontvangst getroffen maatregelen, inbreuk blijft plegen op de in lid 1 bedoelde, in de lidstaat van ontvangst geldende wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen, kan de lidstaat van ontvangst, na de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst daarvan in kennis te hebben gesteld, passende maatregelen treffen om verdere onregelmatigheden te voorkomen of te bestraffen; zo nodig kan hij deze beleggingsonderneming beletten op zijn grondgebied nieuwe transacties te verrichten. De Commissie wordt onverwijld van deze maatregelen in kennis gesteld.

3.   Indien de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst van een gereglementeerde markt of een MTF duidelijke en aantoonbare redenen heeft om aan te nemen dat deze gereglementeerde markt of deze MTF niet voldoet aan de verplichtingen die uit de ter uitvoering van deze richtlijn vastgestelde bepalingen voortvloeien, stelt zij de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst van de gereglementeerde markt of de MTF van deze bevindingen in kennis.

Indien de gereglementeerde markt of de MTF, in weerwil van de aldus door de lidstaat van herkomst getroffen maatregelen, of omdat deze maatregelen ontoereikend zijn, blijft handelen op een wijze die de belangen van beleggers in de lidstaat van ontvangst of de ordelijke werking van de markten kennelijk schaadt, neemt de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst, na de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst daarvan in kennis te hebben gesteld, de nodige maatregelen om de beleggers en de goede werking van de markten te beschermen. Daartoe behoort de mogelijkheid om de gereglementeerde markt of de MTF te beletten hun voorzieningen beschikbaar te stellen voor in de lidstaat van ontvangst gevestigde leden of deelnemers op afstand. De Commissie wordt onverwijld van deze maatregelen in kennis gesteld.

4.   Elke ter uitvoering van de leden 1, 2 of 3 genomen maatregel die sancties of beperkingen van de werkzaamheden van een beleggingsonderneming of een gereglementeerde markt behelst, moet naar behoren met redenen worden omkleed en aan de betrokken beleggingsonderneming of gereglementeerde markt worden medegedeeld.

HOOFDSTUK III

SAMENWERKING MET DERDE LANDEN

Artikel 63

Uitwisseling van gegevens met derde landen

1.   De lidstaten mogen met de bevoegde autoriteiten van derde landen alleen dan samenwerkingsovereenkomsten voor de uitwisseling van gegevens sluiten als met betrekking tot de verstrekte gegevens ten minste gelijkwaardige waarborgen inzake het beroepsgeheim gelden als de in artikel 54 bedoelde. Een dergelijke uitwisseling van gegevens moet bestemd zijn voor de vervulling van de taken van die bevoegde autoriteiten.

De lidstaten mogen persoonsgegevens doorgeven aan een derde land in overeenstemming met hoofdstuk IV van Richtlijn 95/46/EG.

Ook mogen de lidstaten met de bevoegde autoriteiten of instanties van derde landen of met natuurlijke of rechtspersonen die belast zijn met:

i)

het toezicht op kredietinstellingen, andere financiële instellingen en verzekeringsondernemingen en het toezicht op de financiële markten;

ii)

de liquidatie en het faillissement van beleggingsondernemingen en andere soortgelijke procedures;

iii)

de wettelijke controle van de jaarrekening van beleggingsondernemingen en andere financiële instellingen, kredietinstellingen en verzekeringsondernemingen, bij de uitoefening van hun toezichttaken, of met het beheer van compensatiestelsels, bij de uitoefening van hun taken;

iv)

het toezicht op de instanties die betrokken zijn bij de liquidatie en het faillissement van beleggingsondernemingen en andere soortgelijke procedures;

v)

het toezicht op personen die belast zijn met de wettelijke controle van de jaarrekening van verzekeringsondernemingen, kredietinstellingen, beleggingsondernemingen en andere financiële instellingen,

alleen dan samenwerkingsovereenkomsten voor de uitwisseling van gegevens sluiten als met betrekking tot de verstrekte gegevens ten minste gelijkwaardige waarborgen inzake het beroepsgeheim gelden als de in artikel 54 verlangde waarborgen. Een dergelijke uitwisseling van gegevens moet bestemd zijn voor de vervulling van de taken van die autoriteiten of instanties of natuurlijke of rechtspersonen.

2.   Gegevens die afkomstig zijn van een andere lidstaat mogen alleen worden doorgegeven met de uitdrukkelijke toestemming van de bevoegde autoriteiten die de gegevens hebben medegedeeld en in voorkomend geval alleen worden gebruikt voor de doeleinden waarmee deze autoriteiten hebben ingestemd. Die bepaling geldt ook voor gegevens die door de bevoegde autoriteiten van derde landen worden verstrekt.

TITEL V

SLOTBEPALINGEN

Artikel 64

Comité

1.   De Commissie wordt bijgestaan door het bij Besluit 2001/528/EG (26) van de Commissie ingestelde Europees Comité voor het effectenbedrijf („het comité”).

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 5 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit, met dien verstande dat de volgens deze procedure vastgestelde uitvoeringsmaatregelen de essentiële bepalingen van deze richtlijn niet mogen wijzigen.

De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt op drie maanden vastgesteld.

3.   Onverminderd de reeds vastgestelde uitvoeringsmaatregelen wordt na het verstrijken van een periode van vier jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn, de toepassing van de bepalingen ervan waarvoor volgens de in lid 2 bedoelde procedure technische voorschriften en besluiten moeten worden vastgesteld, opgeschort. Op voorstel van de Commissie kunnen het Europees Parlement en de Raad de desbetreffende bepalingen volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag verlengen, waartoe zij die bepalingen vóór het verstrijken van die periode opnieuw bezien.

Artikel 65

Verslagen en herziening

1.   Uiterlijk ... (27) brengt de Commissie op basis van een openbare raadpleging en na overleg met de bevoegde autoriteiten aan het Europees Parlement en de Raad verslag uit over de mogelijke uitbreiding van de reikwijdte van de in deze richtlijn vervatte bepalingen betreffende de verplichtingen inzake de transparantie vooraf en achteraf tot andere categorieën financiële instrumenten dan aandelen.

2.   Uiterlijk ... (28) legt de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad een verslag voor over de toepassing van artikel 27. Op basis van dat verslag kan de Commissie voorstellen voor daarmee verband houdende wijzigingen van deze richtlijn indienen.

3.   Uiterlijk ... (29) brengt de Commissie op basis van een openbare raadpleging en na overleg met de bevoegde autoriteiten aan het Europees Parlement en de Raad verslag uit over:

a)

de wenselijkheid van verdere vrijstelling van de toepassing van deze richtlijn uit hoofde van artikel 2, lid 1, onder k), voor ondernemingen waarvan het hoofdbedrijf bestaat in het voor eigen rekening handelen in van grondstoffen afgeleide instrumenten;

b)

de inhoud en vorm van evenredige vereisten voor de vergunningverlening aan en het toezicht op dergelijke ondernemingen als beleggingsondernemingen in de zin van deze richtlijn;

c)

de wenselijkheid van regels inzake de aanwijzing van verbonden agenten voor het uitvoeren van beleggingsdiensten en/of -activiteiten, met name wat betreft het toezicht op die verbonden agenten;

d)

de vraag of de vrijstelling in artikel 2, lid 1, onder i), nog steeds dienstig is.

4.   Uiterlijk ... (29) dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in over de vorderingen bij het wegwerken van de hindernissen die de consolidatie op Europees niveau van informatie die handelsplatforms verplicht zijn te publiceren in de weg kunnen staan.

5.   Op grond van de in de leden 1 tot en met 4 bedoelde verslagen kan de Commissie voorstellen indienen om de richtlijn in verband daarmee te wijzigen.

6.   Uiterlijk ... (30) brengt de Commissie op basis van overleg met de bevoegde autoriteiten aan het Europees Parlement en de Raad verslag uit over de vraag of de krachtens het Gemeenschapsrecht aan tussenpersonen gestelde eisen inzake beroepsaansprakelijkheidsverzekering nog steeds dienstig zijn.

Artikel 66

Wijziging van Richtlijn 85/611/EEG

Artikel 5, lid 4, van Richtlijn 85/611/EEG wordt vervangen door:

„4.   Artikel 2, lid 2, en de artikelen 12, 13, en 19 van Richtlijn 2004/39/EG/.../EG van het Europees Parlement en de Raad van ... (31) betreffende markten voor financiële instrumenten (32) zijn van toepassing op het verrichten van de in lid 3 van dit artikel bedoelde diensten door beheermaatschappijen.

Artikel 67

Wijziging van Richtlijn 93/6/EEG

Richtlijn 93/6/EEG wordt als volgt gewijzigd:

1)

artikel 2, punt 2, wordt vervangen door:

„2.   beleggingsonderneming: alle instellingen die voldoen aan de definitie in artikel 4, lid 1, van Richtlijn 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad van ... (33) betreffende markten voor financiële instrumenten (34) en waarop de vereisten uit hoofde van diezelfde richtlijn van toepassing zijn, met uitzondering van

a)

kredietinstellingen;

b)

plaatselijke ondernemingen als omschreven in punt 20, en

c)

ondernemingen die alleen een vergunning hebben om de dienst beleggingsadvies te verrichten en/of orders van beleggers te ontvangen en door te geven, in beide gevallen zonder dat zij aan hun cliënten toebehorende gelden en/of effecten aanhouden, waardoor zij jegens hun cliënten nooit in een debiteurspositie kunnen verkeren.

(34)  PB L ...”"

2)

artikel 3, lid 4, wordt vervangen door:

„4.   De ondernemingen bedoeld in artikel 2, punt 2, onder b, moeten een aanvangskapitaal van 50 000 EUR voorzover zij vrijheid van vestiging genieten of diensten verrichten uit hoofde van artikel 31 of 32 van Richtlijn 2004/39/EG.”

3)

in artikel 3 wordt het volgende ingevoegd:

„4 bis.   In afwachting van een herziening van Richtlijn 93/6/EEG, moeten de in artikel 2, punt 2, onder c), bedoelde ondernemingen beschikken over:

a)

een aanvangskapitaal van 50 000 EUR; of

b)

een beroepsaansprakelijkheidsverzekering die het volledige grondgebied van de Gemeenschap bestrijkt of een andere vergelijkbare waarborg tegen aansprakelijkheid als gevolg van beroepsnalatigheid, voor een bedrag van ten minste 1 000 000 EUR, van toepassing per schadevordering, en in het totaal 1 500 000 EUR per jaar voor alle schadevorderingen, of

c)

een combinatie van aanvangskapitaal en beroepsaansprakelijkheidsverzekering die resulteert in een dekking die gelijkwaardig is aan die van de punten a) of b) hierboven.

De in dit lid bedoelde bedragen worden periodiek door de Commissie aangepast aan de veranderingen in het door Eurostat bekendgemaakte Europees indexcijfer van de consumentenprijzen, waarbij de aanpassingen in de lijn liggen van en tegelijkertijd plaatsvinden met die welke overeenkomstig artikel 4, lid 7, van Richtlijn 2002/92/EG van het Europees Parlement en de Raad van 9 december 2002 van het Europees Parlement en de Raad betreffende verzekeringsbemiddeling (35) worden verricht.

4 ter.   Wanneer een beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 2, punt 2, onder c, tevens in een register of in registers is ingeschreven uit hoofde van Richtlijn 2002/92/EG, dan moet deze onderneming voldoen aan de voorschriften van artikel 4, lid 3, van die richtlijn en bovendien beschikken over:

a)

een aanvangskapitaal van 25 000 EUR; of

b)

een beroepsaansprakelijkheidsverzekering die het volledige grondgebied van de Gemeenschap bestrijkt of een andere vergelijkbare waarborg tegen aansprakelijkheid als gevolg van beroepsnalatigheid, voor een bedrag van ten minste 500 000 EUR, van toepassing per schadevordering, en in het totaal 750 000 EUR per jaar voor alle schadevorderingen, of

c)

een combinatie van aanvangskapitaal en beroepsaansprakelijkheidsverzekering die resulteert in een dekking die gelijkwaardig is aan die van de punten a) of b) hierboven.

(35)  PB L 9 van 15.1.2003, blz. 3.”"

Artikel 68

Wijziging van Richtlijn 2000/12/EG

Bijlage I bij Richtlijn 2000/12/EG wordt als volgt gewijzigd:

Aan het eind van Bijlage I wordt de volgende zin toegevoegd:

„Wanneer wordt verwezen naar de financiële instrumenten genoemd in Deel C van Bijlage I van Richtlijn 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad van ... (36) betreffende markten voor financiële instrumenten (37) vallen de diensten en activiteiten genoemd in Deel A en Deel B van Bijlage I van die richtlijn onder de wederzijdse erkenning overeenkomstig die richtlijn.

Artikel 69

Intrekking van Richtlijn 93/22/EEG

Richtlijn 93/22/EEG wordt ingetrokken met ingang van ... (38). Verwijzingen naar Richtlijn 93/22/EEG worden gelezen als verwijzingen naar de onderhavige richtlijn.

Verwijzingen naar begrippen die worden omschreven in, dan wel artikelen van Richtlijn 93/22/EEG worden gelezen als verwijzingen naar het overeenkomstige begrip omschreven in, dan wel het artikel van deze richtlijn.

Artikel 70

Omzetting

De lidstaten stellen uiterlijk ... (38) de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast om aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

Wanneer de lidstaten deze bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

Artikel 71

Overgangsbepalingen

1.   Beleggingsondernemingen die reeds vóór ... (38) in hun lidstaat van herkomst over een vergunning beschikten om beleggingsdiensten te verrichten, worden geacht over een vergunning in de zin van deze richtlijn te beschikken wanneer volgens de in deze lidstaat vigerende wetgeving de toegang tot die werkzaamheden onderworpen is aan voorwaarden die gelijkwaardig zijn aan die welke in de artikelen 9 en 14 zijn omschreven.

2.   Een gereglementeerde markt of een marktexploitant die reeds voor ... (38) in zijn lidstaat van herkomst over een vergunning beschikte, wordt geacht over een vergunning in de zin van deze richtlijn te beschikken wanneer de gereglementeerde markt, of de marktexploitant (al naargelang het geval) volgens de in deze lidstaat vigerende wetgeving moet voldoen aan voorwaarden die gelijkwaardig zijn aan die welke bij Titel III worden opgelegd.

3.   Verbonden agenten die reeds voor ... (39) in een openbaar register waren ingeschreven, worden geacht in de zin van deze richtlijn in een openbaar register te zijn ingeschreven indien verbonden agenten volgens de in deze lidstaat vigerende wetgeving moeten voldoen aan voorwaarden die gelijkwaardig zijn aan die welke bij artikel 23 worden opgelegd.

4.   Voor de datum van ... (39). doorgegeven informatie voor de toepassing van de artikelen 17, 18 of 30 van Richtlijn 93/22/EEG wordt geacht te zijn doorgegeven voor de toepassing van de artikelen 31 en 32 van deze richtlijn.

5.   Een bestaand systeem dat valt onder de definitie van een MTF en wordt geëxploiteerd door een marktexploitant van een gereglementeerde markt, ontvangt op verzoek van de marktexploitant van de gereglementeerde markt een vergunning als MTF, mits het voldoet aan voorschriften die gelijkwaardig zijn aan de voorschriften in deze richtlijn voor de vergunningverlening en exploitatie van MTF's en mits het desbetreffende verzoek voor ... (40) wordt ingediend.

6.   Een beleggingsonderneming mag een bestaande professionele cliënt als zodanig blijven beschouwen, mits de beleggingsonderneming deze cliënt in deze categorie heeft ingedeeld op basis van een adequate beoordeling van de deskundigheid, ervaring en kennis van de cliënt, die gezien de aard van de beoogde transacties of diensten een redelijke waarborg biedt dat de cliënt zijn eigen beleggingsbeslissingen kan nemen en de daarmee verbonden risico's begrijpt. De beleggingsonderneming stelt haar cliënten op de hoogte van de in de richtlijn gestelde voorwaarden met betrekking tot de categorie-indeling van cliënten.

Artikel 72

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 73

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Straatsburg, op ...

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

Voor de Raad

De voorzitter


(1)  PB C 71 E van 25.3.2003, blz. 62.

(2)  PB C 220 van 16.9.2003, blz. 1.

(3)  PB C 144 van 20.6.2003, blz. 6.

(4)  Advies van het Europees Parlement van 25 september 2003 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad), gemeenschappelijk standpunt van de Raad van 8 december 2003 (PB C 60 E van 9.3.2004, blz. 1) en standpunt van het Europees Parlement van 30 maart 2004.

(5)  PB L 141 van 11.06.1993, blz. 27. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2002/87/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 35 van 11.2.2003, blz. 1).

(6)  PB 56 van 4.4.1964, blz. 878/64. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij de Akte van toetreding van 1992.

(7)  PB L 228 van 16.08.1973, blz. 3. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2002/87/EG.

(8)  PB L 345 van 19.12.2002, blz. 1.

(9)  PB L 126 van 26.05.2000, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2002/87/EG.

(10)  PB L 141 van 11.6.1993, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2002/87/EG.

(11)  PB L 9 van 15.1.2003, blz. 3.

(12)  PB L 168 van 27.6.2002, blz. 43.

(13)  PB L 281 van 23.11.1995, blz. 31.

(14)  PB L 184 van 6.7.2001, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2003/71/EG (PB L 345 van 31.12.2003, blz. 64).

(15)  PB L 115 van 17.4.1998, blz. 31.

(16)  PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.

(17)  PB L 26 van 31.1.1977, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij de Akte van toetreding van 1994.

(18)  PB L 375 van 31.12.1985, blz. 3. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2001/108/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 41 van 13.2.2002, blz. 35).

(19)  PB L 193 van 18.7.1983, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2003/51/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 178 van 17.7.2003, blz. 16).

(20)  PB L 84 van 26.3.1997, blz. 22.

(21)  PB L 96 van 12.4.2003, blz. 16.

(22)  PB L 166 van 28.6.1991, blz. 77. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2001/97/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 344 van 28.12.2001, blz. 76).

(23)  PB L 345 van 31.12.2003, blz. 64.

(24)  PB L 126 van 12.5.1984, blz. 20.

(25)  PB L 222 van 14.8.1978, blz. 11. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2003/51/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 178 van 17.7.2002, blz. 16).

(26)  PB L 191 van 13.7.2001, blz. 45.

(27)  2 jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn.

(28)  3 jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn.

(29)  30 maanden na de inwerkingtreding van deze richtlijn.

(30)  1 jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn.

(31)  Datum van de onderhavige richtlijn in te voegen door het Publicatieblad.

(33)  Nog niet gepubliceerd.

(36)  Datum van de onderhavige richtlijn in te vullen door het Publicatiebureau.

(38)  24 maanden na de inwerkingtreding van deze richtlijn.

(39)  24 maanden nadat de richtlijn van kracht wordt.

(40)  42 maanden nadat de richtlijn van kracht wordt.

BIJLAGE I

LIJST VAN DIENSTEN EN ACTIVITEITEN EN VAN FINANCIËLE INSTRUMENTEN

Deel A: Beleggingsdiensten en -activiteiten.

(1)

Het ontvangen en doorgeven van orders met betrekking tot één of meer financiële instrumenten.

(2)

Het uitvoeren van orders voor rekening van cliënten.

(3)

Het handelen voor eigen rekening.

(4)

Vermogensbeheer.

(5)

Beleggingsadvies.

(6)

Het overnemen van financiële instrumenten en/of plaatsen van financiële instrumenten met plaatsingsgarantie.

(7)

Het plaatsen van financiële instrumenten zonder plaatsingsgarantie.

(8)

Het exploiteren van multilaterale handelsfaciliteiten.

Deel B: Nevendiensten

(1)

Bewaring en beheer van financiële instrumenten voor rekening van cliënten, met inbegrip van bewaarneming en daarmee samenhangende diensten zoals contanten- en/of zekerhedenbeheer.

(2)

Het verstrekken van kredieten of leningen aan een belegger om deze in staat te stellen een transactie in één of meer financiële instrumenten te verrichten, bij welke transactie de onderneming die het krediet of de lening verstrekt, als partij optreedt.

(3)

Advisering aan ondernemingen inzake kapitaalstructuur, bedrijfsstrategie en daarmee samenhangende aangelegenheden, alsmede advisering en dienstverrichting op het gebied van fusies en overnames van ondernemingen.

(4)

Valutawisseldiensten voorzover deze samenhangen met het verrichten van beleggingsdiensten.

(5)

Onderzoek op beleggingsgebied en financiële analyse of andere vormen van algemene aanbevelingen in verband met transacties in financiële instrumenten.

(6)

Diensten in verband met het overnemen van financiële instrumenten.

(7)

Beleggingsdiensten en -activiteiten alsmede nevendiensten van het type vermeld in deel A of B van bijlage I die verband houden met de onderliggende waarde van de derivaten, als bedoeld in de punten 5, 6, 7 en 10 van deel C, voorzover deze in verband staan met de verlening van beleggingsof nevendiensten

Deel C: Financiële instrumenten

(1)

Effecten.

(2)

Geldmarktinstrumenten.

(3)

Rechten van deelneming in instellingen voor collectieve belegging.

(4)

Opties, futures, swaps, rentetermijncontracten en andere derivatencontracten die betrekking hebben op effecten, valuta, rentevoeten of rendementen, of andere afgeleide instrumenten, indexen of maatstaven en die kunnen worden afgewikkeld door middel van materiële aflevering of in contanten.

(5)

Opties, futures, swaps, rentetermijncontracten en andere derivatencontracten die betrekking hebben op grondstoffen en in contanten moeten of mogen worden afgewikkeld naar keuze van een van de partijen (tenzij de reden het in gebreke blijven is of een andere gebeurtenis die beëindiging van het contract tot gevolg heeft).

(6)

Opties, futures, swaps en andere derivatencontracten die betrekking hebben op grondstoffen en alleen kunnen worden afgewikkeld door middel van materiële levering, mits zij worden verhandeld op een gereglementeerde markt en/of een MTF.

(7)

Andere, niet in punt 6 vermelde opties, futures, swaps, termijncontracten en andere derivatencontracten die betrekking hebben op grondstoffen, kunnen worden afgewikkeld door middel van materiële levering en niet voor commerciële doeleinden bestemd zijn, en die de kenmerken van andere afgeleide financiële instrumenten hebben, waarbij o.a. in aanmerking wordt genomen of de clearing en afwikkeling via erkende clearinghouses geschiedt en of er regelmatig sprake is van „margin calls” (verzoek om storting van extra zekerheden).

(8)

Afgeleide instrumenten voor de overdracht van het kredietrisico.

(9)

Financiële contracten ter verrekening van verschillen („contracts for differences”).

(10)

Opties, futures, swaps, termijncontracten en andere derivatencontracten met betrekking tot klimaatvariabelen, vrachttarieven, emissievergunningen, inflatiepercentages of andere officiële economische statistieken, en die contant moeten, of, op verzoek van één der partijen, kunnen worden afgewikkeld (anderszins dan op grond van een verzuim of een ander ontbindend element), alsmede andere derivatencontracten met betrekking tot activa, rechten, verbintenissen, indices en maatregelen dan die vermeld in Deel C en die de kenmerken van andere afgeleide financiële instrumenten bezitten, waarbij o.a. in aanmerking wordt genomen of zij op een gereguleerde markt of MTF worden verhandeld of via erkende clearinghouses, en tevens of er regelmatig sprake is van „margin calls” (verzoek om storting van extra zekerheden).

BIJLAGE II

PROFESSIONELE CLIËNTEN IN DE ZIN VAN DEZE RICHTLIJN

Onder professionele cliënt wordt verstaan een cliënt die de nodige ervaring, kennis en deskundigheid bezit om zelf beleggingsbeslissingen te nemen en de door hem gelopen risico's adequaat in te schatten. Om als professionele cliënt te worden aangemerkt, moet de cliënt aan de onderstaande criteria voldoen.

I.   Categorieën cliënten die als professioneel worden aangemerkt

Voor de toepassing van deze richtlijn moeten alle onderstaande entiteiten als professionele cliënten op het gebied van beleggingsdiensten en -activiteiten en financiële instrumenten worden aangemerkt.

(1)

Entiteiten die een vergunning moeten hebben of gereglementeerd moeten zijn om op financiële markten actief te mogen zijn. Onderstaande lijst moet worden gezien als een lijst van alle vergunninghoudende entiteiten die de karakteristieke werkzaamheden van de genoemde entiteiten uitoefenen: entiteiten waaraan een lidstaat op grond van een richtlijn vergunning heeft verleend, entiteiten waaraan een lidstaat vergunning heeft verleend of die door een lidstaat gereglementeerd zijn, zonder dat zulks op grond van een richtlijn geschiedt, en entiteiten waaraan een derde land vergunning heeft verleend of die door een derde land gereglementeerd zijn:

a)

kredietinstellingen;

b)

beleggingsondernemingen;

c)

andere vergunninghoudende of gereglementeerde financiële instellingen;

d)

verzekeringsondernemingen;

e)

instellingen voor collectieve belegging en de beheermaatschappijen daarvan;

f)

pensioenfondsen en de beheermaatschappijen daarvan;

g)

handelaren in grondstoffen en van grondstoffen afgeleide instrumenten;

h)

plaatselijke ondernemingen;

i)

andere institutionele beleggers.

(2)

grote ondernemingen die op individueel niveau aan twee van de onderstaande omvangvereisten voldoen:

balanstotaal: 20 000 000 EUR,

netto-omzet: 40 000 000 EUR,

eigen vermogen: 2 000 000 EUR.

(3)

Nationale en regionale overheden, overheidsorganen die de overheidsschuld beheren, centrale banken, internationale en supranationale instellingen zoals de Wereldbank, het IMF, de ECB, de EIB en andere vergelijkbare internationale organisaties.

(4)

Andere institutionele beleggers wier belangrijkste activiteit bestaat uit het beleggen in financiële instrumenten, inclusief instanties die zich bezig houden met de omwisseling van vermogen in effecten of andere financiële transacties

Bovenstaande entiteiten worden als professionele cliënten beschouwd. Zij moeten echter om behandeling als niet-professionele cliënt kunnen verzoeken, en beleggingsondernemingen kunnen ermee instemmen hen een hoger beschermingsniveau te bieden. Wanneer de cliënt van een beleggingsonderneming een onderneming is als hierboven bedoeld, moet de beleggingsonderneming, alvorens enigerlei diensten te verrichten, de cliënt ervan in kennis stellen dat hij op grond van de informatie waarover de beleggingsonderneming beschikt, als professionele cliënt wordt beschouwd en derhalve als zodanig zal worden behandeld, tenzij de beleggingsonderneming en de cliënt anders overeenkomen. De beleggingsonderneming moet de cliënt er tevens van in kennis stellen dat deze om een wijziging van de voorwaarden van de overeenkomst kan verzoeken teneinde een hoger beschermingsniveau te genieten.

Het is de verantwoordelijkheid van de cliënt die als professionele cliënt wordt beschouwd om een hoger beschermingsniveau te verzoeken wanneer hij zichzelf niet in staat acht de gelopen risico's adequaat in te schatten of te beheren.

Dit hoger beschermingsniveau zal worden geboden wanneer een cliënt die als professionele cliënt wordt beschouwd, met een beleggingsonderneming een schriftelijke overeenkomst aangaat om voor de toepassing van de geldende gedragsregels niet als professionele cliënt te worden behandeld. In deze overeenkomst moet worden aangegeven of deze behandeling voor één of meer specifieke diensten of transacties, dan wel voor één of meer soorten producten of transacties geldt.

II.   Cliënten die op verzoek als professionele cliënt kunnen worden behandeld

II.1.   Criteria aan de hand waarvan wordt bepaald of een cliënt als professioneel aan te merken is

Ook aan andere cliënten dan diegenen die in deel I zijn vermeld — onder meer overheidsinstellingen en niet-professionele particuliere beleggers —, kan worden toegestaan afstand te doen van een deel van de bescherming die hun door de gedragsregels wordt geboden.

Het moet beleggingsondernemingen derhalve toegestaan zijn bovenbedoelde cliënten als professionele cliënt te behandelen, mits aan de onderstaande toepasselijke criteria is voldaan en de hieronder beschreven procedure wordt gevolgd. Er mag evenwel niet worden aangenomen dat de marktkennis en -ervaring van deze cliënten vergelijkbaar is met die van de in deel I genoemde categorieën professionele cliënten.

Er kan slechts op geldige wijze van de door de gedragsregels geboden bescherming afstand worden gedaan wanneer een door de beleggingsonderneming verrichte adequate beoordeling van de deskundigheid, ervaring en kennis van de cliënt in het licht van de aard van de beoogde transacties of diensten redelijke zekerheid oplevert dat de cliënt in staat is zelf zijn beleggingsbeslissingen te nemen en de daaraan verbonden risico's in te schatten.

De toetsing van de geschiktheid van managers en bestuurders van entiteiten waaraan op grond van richtlijnen op financieel gebied vergunning is verleend, kan als voorbeeld dienen voor de beoordeling van de deskundigheid en kennis.

Bij kleine entiteiten moet de persoon die aan bovenbedoelde beoordeling wordt onderworpen, de persoon zijn die gemachtigd is om transacties voor rekening van de entiteit te verrichten.

In het kader van bovenbedoelde beoordeling moet blijken dat ten minste aan twee van de volgende criteria is voldaan:

tijdens de voorafgaande vier kwartalen heeft de cliënt op de desbetreffende markt per kwartaal gemiddeld 10 transacties van significante omvang verricht;

de omvang van de portefeuille financiële instrumenten van de cliënt, welke zowel deposito's in contanten als financiële instrumenten omvat, is groter dan 500 000 EUR;

de cliënt is gedurende ten minste een jaar werkzaam of werkzaam geweest in de financiële sector, waar hij een beroepsbezigheid uitoefent of heeft uitgeoefend waarbij kennis van de beoogde transacties of diensten vereist is of was.

II.2.   Procedure

De hierboven omschreven cliënten kunnen slechts van de bescherming door de toepassing van de gedragsregels afstand doen mits de volgende procedure wordt gevolgd:

zij moeten de beleggingsonderneming schriftelijk laten weten dat zij als professionele cliënt wensen te worden behandeld, hetzij in het algemeen, hetzij met betrekking tot een specifieke beleggingsdienst of transactie, dan wel een categorie transacties of producten;

de beleggingsonderneming moet hen aan de hand van een duidelijke schriftelijke waarschuwing in kennis stellen van de bescherming en beleggerscompensatierechten die zij kunnen verliezen;

zij moeten in een document dat los staat van de overeenkomst schriftelijk bevestigen dat zij zich bewust zijn van de gevolgen die aan het verlies van deze bescherming verbonden zijn.

Voordat een beleggingsonderneming een verzoek om afstand te doen van de toepassing van de gedragsregels mag inwilligen, is zij gehouden alle redelijke maatregelen te nemen om zich ervan te vergewissen dat een cliënt die om behandeling als professionele cliënt verzoekt, aan de in deel II.1, gestelde toepasselijke voorwaarden voldoet.

Het is echter niet de bedoeling dat de betrekkingen tussen beleggingsondernemingen en cliënten die reeds op grond van soortgelijke parameters en procedures als die welke hierboven zijn beschreven als professioneel zijn aangemerkt, worden beïnvloed door eventuele nieuwe voorschriften die uit hoofde van deze bijlage worden vastgesteld.

De beleggingsondernemingen moeten passende, op schrift gestelde interne gedragsregels en procedures toepassen om cliënten in categorieën onder te brengen. Het is de verantwoordelijkheid van de professionele cliënten om de beleggingsonderneming in kennis te stellen van elke wijziging die van invloed kan zijn op hun actuele categorie-indeling. Indien de beleggingsonderneming evenwel tot de bevinding komt dat de cliënt niet langer voldoet aan de initiële voorwaarden op grond waarvan hij voor behandeling als professionele cliënt in aanmerking kwam, dan moet zij passende actie ondernemen.

P5_TA(2004)0213

Blootstelling van werknemers aan de risico's van fysische agentia (elektromagnetische velden) *** II

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement betreffende het gemeenschappelijk standpunt, door de Raad vastgesteld met het oog op de aanneming van de richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de minimumvoorschriften inzake gezondheid en veiligheid met betrekking tot de blootstelling van werknemers aan de risico's van fysische agentia (elektromagnetische velden) (18de bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 89/391/EEG) (13599/1/2003 — C5-0016/2004 — 1992/0499C(COD))

(Medebeslissingsprocedure: tweede lezing)

Het Europees Parlement,

gezien het gemeenschappelijk standpunt van de Raad (13599/1/2003 — C5-0016/2004) (1),

gezien zijn in eerste lezing geformuleerde standpunt (2) inzake het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(1992) 560) (3),

gezien het gewijzigde voorstel van de Commissie (COM(1994) 284) (4),

gelet op artikel 251, lid 2 van het EG-Verdrag,

gelet op artikel 80 van zijn Reglement,

gezien de aanbeveling voor de tweede lezing van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A5-0196/2004),

1.

wijzigt het gemeenschappelijk standpunt als volgt;

2.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.


(1)  PB C 66 E van 16.3.2004, blz. 1.

(2)  PB C 128 van 9.5.1994, blz. 146.

(3)  PB C 77 van 18.3.1993, blz. 12.

(4)  PB C 230 van 19.8.1994, blz. 3.

P5_TC2-COD(1992)0449

Standpunt van het Europees Parlement in tweede lezing vastgesteld op 30 maart 2004 met het oog op de aanneming van Richtlijn 2004/.../EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de minimumvoorschriften inzake gezondheid en veiligheid met betrekking tot de blootstelling van werknemers aan de risico's van fysische agentia (elektromagnetische velden) (18de bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 89/391/EEG)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, met name artikel 137, lid 2,

Gezien het voorstel van de Commissie (1), ingediend na raadpleging van het Raadgevend Comité voor de veiligheid, de hygiëne en de gezondheidsbescherming op de arbeidsplaats,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (2),

Na raadpleging van het Comité van de Regio's,

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag (3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Ingevolge het Verdrag kan de Raad door middel van richtlijnen minimumvoorschriften vaststellen om de verbetering van met name het arbeidsmilieu te bevorderen, teneinde een betere bescherming van de gezondheid en de veiligheid van werknemers te waarborgen. Administratieve, financiële en juridische verplichtingen die de oprichting en ontwikkeling van kleine en middelgrote ondernemingen zouden kunnen hinderen moeten in die richtlijnen vermeden worden.

(2)

In de mededeling van de Commissie over haar actieprogramma tot uitvoering van het Gemeenschapshandvest van de sociale grondrechten van de werknemers worden minimumvoorschriften inzake gezondheid en veiligheid met betrekking tot de blootstelling van werknemers aan de risico's van fysische agentia in het vooruitzicht gesteld. In september 1990 heeft het Europees Parlement een resolutie over dat actieprogramma (4) aangenomen, waarin de Commissie in het bijzonder wordt verzocht voor met lawaai, trillingen en andere fysische agentia op de arbeidsplaats verbonden risico's een specifieke richtlijn op te stellen.

(3)

Als eerste stap hebben het Europees Parlement en de Raad op 25 juni 2002 Richtlijn 2002/44/EG betreffende de minimumvoorschriften inzake gezondheid en veiligheid met betrekking tot de blootstelling van werknemers aan de risico's van fysische agentia (trillingen) (zestiende bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 89/391/EEG) (5) aangenomen. Vervolgens hebben het Europees Parlement en de Raad op 6 februari 2003 Richtlijn 2003/10/EG betreffende de minimumvoorschriften inzake gezondheid en veiligheid met betrekking tot de blootstelling van werknemers aan de risico's van fysische agentia (lawaai) (zeventiende bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 89/391/EEG) (6) aangenomen.

(4)

Het wordt nu noodzakelijk geacht maatregelen in te voeren ter bescherming van werknemers tegen de risico's die verbonden zijn aan elektromagnetische velden door de effecten daarvan op de gezondheid en de veiligheid van werknemers. De effecten op de lange termijn, waaronder mogelijke kankerverwekkende gevolgen tengevolge van de blootstelling aan tijdsafhankelijke elektrische, magnetische en elektromagnetische velden waarvoor geen sluitend wetenschappelijk bewijs bestaat dat er een causaal verband bestaat, komen in deze richtlijn echter niet aan de orde. Met deze maatregelen wordt niet alleen beoogd de gezondheid en de veiligheid van elke werknemer afzonderlijk te waarborgen, maar ook om alle werknemers van de Gemeenschap een als minimum te beschouwen basisbescherming te bieden, waarmee eventuele concurrentievervalsing wordt vermeden.

(5)

Deze richtlijn stelt minimumvoorschriften vast en laat de lidstaten daarmee de keuze gunstiger bepalingen voor de bescherming van werknemers te handhaven of aan te nemen, met name waar het de vaststelling betreft van lagere waarden voor de actiewaarden of de grenswaarden voor blootstelling aan elektromagnetische velden; de uitvoering van deze richtlijn mag niet dienen als rechtvaardiging voor enigerlei achteruitgang ten opzichte van de in de lidstaten reeds bestaande situatie.

(6)

Een systeem ter bescherming tegen elektromagnetische velden moet beperkt blijven tot een omschrijving, zonder overbodige details, van de te bereiken doeleinden, de in acht te nemen beginselen en de te gebruiken basisgrootheden, teneinde de lidstaten in staat te stellen de minimumvoorschriften op equivalente wijze toe te passen.

(7)

De blootstelling aan elektromagnetische velden kan doeltreffender worden verminderd door reeds bij het ontwerpen van werkplekken voor preventie te zorgen en arbeidsmiddelen, -procédés en -methoden zodanig te kiezen dat risico's bij voorrang aan de bron worden bestreden. Maatregelen met betrekking tot arbeidsmiddelen en -methoden leveren derhalve een bijdrage aan de bescherming van de betrokken werknemers.

(8)

Het is van belang dat werkgevers zich aanpassen aan de technische vooruitgang en de wetenschappelijke kennis inzake risico's in verband met blootstelling aan elektromagnetische velden teneinde de bescherming van de veiligheid en de gezondheid van werknemers te verbeteren.

(9)

De onderhavige richtlijn is een bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 89/391/EEG van de Raad van 12 juni 1989 betreffende de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers op het werk (7). Richtlijn 89/391/EEG is derhalve onverminderd meer stringente en/of meer specifieke bepalingen in deze richtlijn onverkort van toepassing op het gebied van de blootstelling van werknemers aan elektromagnetische velden.

(10)

Deze richtlijn vormt een concrete bijdrage tot de verwezenlijking van de sociale dimensie van de interne markt.

(11)

De voor de uitvoering van deze richtlijn vereiste maatregelen dienen te worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden (8).

(12)

Inachtneming van de grenswaarden voor blootstelling en de actiewaarden dient een hoog beschermingsniveau ten aanzien van de bewezen gezondheidseffecten van blootstelling aan elektromagnetische straling te bieden, maar storingen van of effecten op het functioneren van medische hulpmiddelen, zoals metalen prothesen, pacemakers en defibrillators, cochlea-implantaten en andere implantaten, kunnen daardoor niet zonder meer worden vermeden; met name storingen met pacemakers kunnen optreden bij niveaus onder de actiewaarden en hiervoor moeten passende voorzorgen en beschermende maatregelen worden genomen,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

AFDELING I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Doel en toepassingsgebied

1.   Bij deze richtlijn, die de 18de bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 89/391/EEG is, worden minimumvoorschriften vastgesteld voor de bescherming van werknemers tegen risico's voor hun gezondheid en veiligheid die zich voordoen of kunnen voordoen door blootstelling aan elektromagnetische velden (0 Hz — 300 GHz) tijdens het werk.

2.   Deze richtlijn heeft betrekking op de risico's voor de gezondheid en de veiligheid van werknemers door bekende negatieve effecten op korte termijn, veroorzaakt door het circuleren van geïnduceerde stroom in het menselijk lichaam en door energieabsorptie, alsmede door contactstroom.

3.   Deze richtlijn betreft niet de veronderstelde effecten op lange termijn.

4.   Deze richtlijn betreft niet de risico's die verbonden zijn aan het contact met stroomvoerende geleiders.

5.   Richtlijn 89/391/EEG is onverkort van toepassing op het gehele gebied, bedoeld in lid 1, onverminderd meer stringente en/of meer specifieke bepalingen van deze richtlijn.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze richtlijn gelden onderstaande definities:

a)

„elektromagnetische velden”: statische magnetische en tijdsafhankelijke elektrische, magnetische en elektromagnetische velden met frequenties tot 300 GHz;

b)

„grenswaarden voor blootstelling”: grenzen aan de blootstelling aan elektromagnetische velden, die direct gebaseerd zijn op bewezen gezondheidseffecten en biologische gegevens. Inachtneming van deze grenzen waarborgt dat aan elektromagnetische velden blootgestelde werknemers worden beschermd tegen alle bekende negatieve gevolgen voor de gezondheid;

c)

„actiewaarden”: de grootte van rechtstreeks meetbare parameters, uitgedrukt als elektrische veldsterkte (E), magnetische veldsterkte (H), magnetische fluxdichtheid (B) en vermogensdichtheid (S), bij het bereiken waarvan een of meer van de gespecificeerde metingen van deze richtlijn moeten worden uitgevoerd. Naleving van deze waarden waarborgt dat de toepasselijke grenswaarden voor blootstelling niet worden overschreden.

Artikel 3

Grenswaarden en actiewaarden voor de blootstelling

1.   De grenswaarden voor blootstelling zijn vermeld in de bijlage, tabel 1.

2.   De actiewaarden zijn vermeld in de bijlage, tabel 2.

3.   Voor de beoordeling, de meting en/of de berekening van de blootstelling van een werknemer aan elektromagnetische velden mogen de lidstaten gebruik maken van andere wetenschappelijke normen of richtsnoeren totdat er geharmoniseerde Europese normen van het Europees Comité voor elektrotechnische normalisatie beschikbaar zijn voor alle situaties die moeten worden beoordeeld, gemeten en berekend. De lidstaten kunnen andere wetenschappelijke normen of richtsnoeren gebruiken.

AFDELING II

VERPLICHTINGEN VAN DE WERKGEVER

Artikel 4

Bepaling van de blootstelling en beoordeling van de risico's

1.   Bij de uitvoering van de voorschriften van artikel 6, lid 3, en artikel 9, lid 1, van Richtlijn 89/391/EEG beoordeelt en, indien nodig, meet en berekent de werkgever de niveaus van de elektromagnetische velden waaraan de werknemers zijn blootgesteld. Beoordeling, meting en berekening kunnen geschieden overeenkomstig de in artikel 3 bedoelde wetenschappelijke normen en richtsnoeren totdat er geharmoniseerde Europese normen van het Europees Comité voor elektrotechnische normalisatie beschikbaar zijn voor alle situaties die moeten worden beoordeeld, gemeten en berekend en, in voorkomend geval, met inachtneming van de door de producent van de arbeidsmiddelen opgegeven emissieniveaus, wanneer die arbeidsmiddelen onder de desbetreffende communautaire richtlijnen vallen.

2.   Indien de in artikel 3 bedoelde actiewaarden overschreden zijn, bepaalt en, zo nodig, berekent de werkgever op basis van de beoordeling van de niveaus van de elektromagnetische velden overeenkomstig lid 1 of de grenswaarden voor blootstelling overschreden worden.

3.   De in de leden 1 en 2 bedoelde beoordeling, meting en/of berekening behoeven niet te gebeuren voor een voor het publiek toegankelijke arbeidsplaats mits reeds een evaluatie is verricht overeenkomstig Aanbeveling 1999/519/EG van de Raad van 12 juli 1999 betreffende de beperking van blootstelling van de bevolking aan elektromagnetische velden van OHz — 300 GHz  (9), en met inachtneming van de daarin bepaalde restricties voor werknemers en met uitsluiting van veiligheidsrisico's.

4.   De in lid 1 en lid 2 bedoelde beoordeling, meting en/of berekening worden op deskundige wijze gepland en met passende frequentie uitgevoerd door deskundige bevoegde diensten of personen, met name rekening houdend met het bepaalde in artikel 7 en artikel 11 van Richtlijn 89/391/EEG inzake de vereiste deskundige diensten of personen en de raadpleging en deelneming van werknemers). De gegevens die door middel van de beoordeling, meting en/of berekening van het niveau van blootstelling zijn verkregen, worden in een passende vorm bewaard om latere raadpleging mogelijk te maken.

5.   Overeenkomstig artikel 6, lid 3, van Richtlijn 89/391/EEG besteedt de werkgever bij de risicobeoordeling met name aandacht aan:

a)

het niveau, het frequentiespectrum, de duur en de aard van de blootstelling;

b)

de in artikel 3 van deze richtlijn bedoelde grenswaarden voor blootstelling en actiewaarden;

c)

de mogelijke gevolgen voor de gezondheid en veiligheid van werknemers die een bijzonder risico lopen;

d)

indirecte effecten zoals

i)

interferentie met medische elektronische apparatuur en hulpmiddelen (inclusief pacemakers en andere implantaten);

ii)

het risico van rondvliegend ferromagnetisch materiaal in een statisch magnetisch veld met een magnetische fluxdichtheid van meer dan 3 mT;

iii)

de activering van elektrische ontstekingsmiddelen (detonatoren);

iv)

branden en explosies ingevolge de ontbranding van ontvlambaar materiaal door vonken tengevolge van inductievelden, contactstroom of vonkontladingen;

e)

het bestaan van vervangende arbeidsmiddelen die ontworpen zijn om de niveaus van blootstelling aan elektromagnetische velden te verminderen;

f)

via het gezondheidstoezicht verkregen relevante informatie, met inbegrip van gepubliceerde informatie, voorzover dat mogelijk is;

g)

blootstelling aan verscheidene bronnen;

h)

gelijktijdige blootstelling aan velden van verschillende frequentie.

6.   De werkgever is in het bezit van een risicobeoordeling, overeenkomstig artikel 9, lid 1, punt a), van Richtlijn 89/391/EEG, en vermeldt welke maatregelen overeenkomstig de artikelen 5 en 6 van de onderhavige richtlijn moeten worden getroffen. De risicobeoordeling wordt op een geschikte drager vastgelegd, overeenkomstig de nationale wetgeving en praktijk; de werkgever kan daarbij argumenten aandragen om aan te tonen dat de aard en de omvang van de aan elektromagnetische velden verbonden risico's een meer uitvoerige beoordeling overbodig maken. De risicobeoordeling wordt regelmatig bijgewerkt, met name indien ingrijpende veranderingen hebben plaatsgevonden waardoor zij achterhaald is, of wanneer uit de resultaten van het medisch toezicht blijkt dat aanpassing nodig is.

Artikel 5

Maatregelen ter voorkoming of vermindering van risico's

1.   De risico's van blootstelling aan elektromagnetische velden worden geëlimineerd of tot een minimum beperkt, waarbij rekening wordt gehouden met de technische vooruitgang en de mogelijkheid om maatregelen te nemen om het risico aan de bron te beheersen.

De verkleining van risico's van blootstelling aan elektromagnetische velden geschiedt met inachtneming van de in artikel 6, lid 2, van Richtlijn 89/391/EEG vermelde algemene preventieprincipes.

2.   Tenzij de in artikel 4, lid 2, bedoelde beoordeling blijkt dat de grenswaarden voor blootstelling niet zijn overschreden en dat veiligheidsrisico's kunnen worden uitgesloten gaat de werkgever, bij overschrijding van de in artikel 3 bedoelde actiewaarden, op basis van de in artikel 4 bedoelde risicobeoordeling over tot de opstelling en uitvoering van een actieplan dat technische en/of organisatorische maatregelen omvat om blootstelling die de grenswaarden voor blootstelling overschrijdt, te voorkomen, met inachtneming van met name:

a)

alternatieve werkmethoden die leiden tot minder blootstelling aan elektromagnetische velden;

b)

de keuze van arbeidsmiddelen die minder elektromagnetische velden uitzenden, rekening houdend met het te verrichten werk;

c)

technische maatregelen om de emissie van elektromagnetische velden te beperken, waar nodig ook door het gebruik van blokkering, afscherming of soortgelijke mechanismen ter bescherming van de gezondheid;

d)

passende onderhoudsprogramma's voor de arbeidsmiddelen, de werkplek en de systemen op de arbeidsplaats;

e)

het ontwerp en de indeling van de werkplek en de arbeidsplaats;

f)

beperking van de duur en intensiteit van de blootstelling;

g)

de beschikbaarheid van passende persoonlijke beschermingsmiddelen.

3.   Op basis van de risicobeoordeling bedoeld in artikel 4 worden werkplekken waar werknemers zouden kunnen worden blootgesteld aan elektromagnetische velden die de actiewaarden overschrijden, overeenkomstig Richtlijn 92/58/EEG van de Raad van 24 juni 1992 betreffende de minimumvoorschriften voor de veiligheids- en/of gezondheidssignalering op het werk (negende bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 89/391/EEG) (10) aangegeven door middel van passende signaleringen, tenzij uit de in artikel 4, lid 2, bedoelde beoordeling blijkt dat de grenswaarden voor blootstelling niet zijn overschreden en dat veiligheidsrisico's kunnen worden uitgesloten. De betrokken zones worden afgebakend en de toegang ertoe wordt beperkt indien dit technisch mogelijk is en indien het risico bestaat dat de grenswaarden voor blootstelling worden overschreden.

4.   Werknemers worden in geen geval blootgesteld aan elektromagnetische velden boven de grenswaarden voor blootstelling.

Worden de grenswaarden voor blootstelling overschreden ondanks de maatregelen die de werkgever uit hoofde van deze richtlijn heeft genomen, dan neemt de werkgever onmiddellijk maatregelen om de blootstelling terug te brengen tot onder de grenswaarden. Hij gaat na waarom de grenswaarden zijn overschreden en past de beschermings- en preventiemaatregelen dienovereenkomstig aan om te voorkomen dat overschrijding opnieuw plaatsvindt.

5.   Overeenkomstig artikel 15 van Richtlijn 89/391/EEG stemt de werkgever de in dit artikel bedoelde maatregelen af op de vereisten voor werknemers die een bijzonder risico lopen.

Artikel 6

Voorlichting en opleiding van de werknemers

Onverminderd de artikelen 10 en 12 van Richtlijn 89/391/EEG zorgt de werkgever ervoor dat werknemers die aan risico's in verband met elektromagnetische velden op het werk worden blootgesteld, en/of hun vertegenwoordigers, alle noodzakelijke voorlichting en opleiding ontvangen in verband met het resultaat van de in artikel 4, lid 1, van deze richtlijn bedoelde risicobeoordeling, in het bijzonder betreffende:

a)

maatregelen die ter uitvoering van deze richtlijn zijn genomen;

b)

de waarden en concepten van de grenswaarden voor blootstelling en actiewaarden en de gerelateerde potentiële gevaren;

c)

de resultaten van de overeenkomstig artikel 4 van deze richtlijn verrichte beoordeling, meting en/of berekening van de mate van blootstelling aan elektromagnetische velden;

d)

de wijze waarop schadelijke effecten van de blootstelling op de gezondheid moeten worden opgespoord en gemeld;

e)

de omstandigheden waarin werknemers recht hebben op gezondheidstoezicht;

f)

veilige werkmethoden om de risico's van blootstelling tot een minimum te beperken.

Artikel 7

Raadpleging en deelneming van de werknemers

Bij de behandeling van de onderwerpen die onder deze richtlijn vallen, wordt overeenkomstig artikel 11 van Richtlijn 89/391/EEG voorzien in raadpleging en deelneming van werknemers en/of hun vertegenwoordigers.

AFDELING III

DIVERSE BEPALINGEN

Artikel 8

Gezondheidstoezicht

1.   Ter preventie en voor een vroege diagnose van eventuele nadelige effecten voor de gezondheid van blootstelling aan elektromagnetische velden wordt voorzien in een passend gezondheidstoezicht overeenkomstig het bepaalde in artikel 14 van Richtlijn 89/391/EEG.

Voor elk geval waarin blootstelling van een werknemer boven de grenswaarden wordt geconstateerd, wordt aan de betrokken werknemer(s) een medisch onderzoek overeenkomstig de nationale wetgeving en gebruiken beschikbaar gesteld. Indien schade aan de gezondheid wordt geconstateerd wordt door de werkgever overeenkomstig artikel 4 een nieuwe risico-evaluatie uitgevoerd.

2.   De werkgever neemt passende maatregelen om te waarborgen dat de arts en/of de voor de medische controle verantwoordelijke medische instantie toegang heeft tot de resultaten van de risico-evaluatie als bedoeld in artikel 4.

3.   De resultaten van de medische controle blijven in een geschikte vorm bewaard om latere raadpleging mogelijk te maken, waarbij met de vereisten inzake het vertrouwelijke karakter ervan rekening gehouden wordt. De individuele werknemers hebben desgevraagd toegang tot hun persoonlijke medische gegevens.

Artikel 9

Sancties

De lidstaten voorzien in adequate sancties op inbreuken op de ingevolge deze richtlijn vastgestelde nationale wetgeving. De sancties zijn doeltreffend, evenredig en afschrikwekkend.

Artikel 10

Technische wijzigingen

1.   Wijzigingen van de grenswaarden voor blootstelling en de actiewaarden van de bijlage worden door het Europees Parlement en de Raad gewijzigd volgens de procedure van artikel 137, lid 2, van het Verdrag.

2.   Zuiver technische wijzigingen van de bijlage in verband met

a)

de vaststelling van richtlijnen op het gebied van de technische harmonisatie en normalisatie met betrekking tot het ontwerp, de bouw, de vervaardiging of de constructie van arbeidsmiddelen en/of werkplekken; of

b)

de technische vooruitgang, wijzigingen in de meest toepasselijke geharmoniseerde Europese normen of specificaties, en nieuwe wetenschappelijke inzichten op het gebied van elektromagnetische velden

worden vastgesteld volgens de regelgevingsprocedure van artikel 11, lid 2.

Artikel 11

Comité

1.   De Commissie wordt bijgestaan door het in artikel 17 van Richtlijn 89/391/EEG bedoelde comité.

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 5 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van het bepaalde in artikel 8 van dat besluit.

De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op drie maanden.

3.   Het comité stelt zijn reglement van orde vast.

AFDELING IV

SLOTBEPALINGEN

Artikel 12

Verslagen

De lidstaten brengen om de vijf jaar aan de Commissie verslag uit over de praktische toepassing van deze richtlijn, met vermelding van de standpunten van de sociale partners.

De Commissie stelt om de vijf jaar het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Raadgevend Comité voor veiligheid en gezondheid op de arbeidsplaats in kennis van de inhoud van deze verslagen, alsmede van haar evaluatie van de ontwikkelingen terzake en van initiatieven, met name inzake blootstelling aan statische magnetische velden, die in het licht van de nieuwe wetenschappelijke kennis gerechtvaardigd kunnen zijn.

Artikel 13

Omzetting

1.   De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk ... (11) aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in de bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.   De lidstaten delen de Commissie de bepalingen van intern recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen of reeds hebben vastgesteld.

Artikel 14

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 15

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te ..., op ...

Voor het Europees Parlement

De Voorzitter

Voor de Raad

De Voorzitter


(1)  PB C 77 van 18.3.1993, blz. 12 en PB C 230 van 19.8.1994, blz. 3.

(2)  PB C 249 van 13.9.1993, blz. 28.

(3)  Standpunt van het Europees Parlement van 20 april 1994 (PB C 128 van 9.5.1994, blz. 146), bevestigd op 16 september 1999 (PB C 54 van 25.2.2000, blz. 75), gemeenschappelijk standpunt van de Raad van 18 december 2003 (PB C 66 E van 16.3.2004, blz. 1) en standpunt van het Europees Parlement van 30 maart 2004.

(4)  PB C 260 van 15.10.1990, blz. 167.

(5)  PB L 177 van 6.7.2002, blz. 13.

(6)  PB L 42 van 15.2.2003, blz. 38.

(7)  PB L 183 van 29.6.1989, blz. 1. Richtlijn gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1882/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 284 van 31.10.2003, blz. 1).

(8)  PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.

(9)  PB L 199 van 30.7.1999, blz. 59.

(10)  PB L 245 van 26.8.1992, blz. 23.

(11)  4 jaar na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn.

BIJLAGE

GRENSWAARDEN VOOR BLOOTSTELLING EN ACTIEWAARDEN VOOR ELEKTROMAGNETISCHE VELDEN

De volgende fysische grootheden worden gebruikt als beschrijving van de blootstelling aan elektromagnetische velden:

De contactstroom (Ic) tussen een persoon en een voorwerp wordt uitgedrukt in ampère (A). Een geleidend voorwerp in een elektrisch veld kan door dat veld worden geladen.

De stroomdichtheid (J) is de stroom die in een geleidend lichaam, zoals het menselijk lichaam of een deel daarvan, door een eenheidsdoorsnede loopt welke loodrecht op de stroomrichting staat; zij wordt uitgedrukt in ampère per vierkante meter (A/m2).

De elektrische veldsterkte is een vectorgrootheid (E), die overeenkomt met de kracht die op een geladen deeltje, ongeacht de beweging daarvan in de ruimte, wordt uitgeoefend. Zij wordt uitgedrukt in volt per meter (V/m).

De magnetische veldsterkte is een vectorgrootheid (H) die, samen met de magnetische fluxdichtheid, een magnetisch veld beschrijft op elk punt in de ruimte. Zij wordt uitgedrukt in ampère per meter (A/m).

De magnetische fluxdichtheid is een vectorgrootheid (B), die een op bewegende ladingen inwerkende kracht veroorzaakt; zij wordt uitgedrukt in tesla (T). In de lege ruimte en in biologische materialen kunnen de magnetische fluxdichtheid en de magnetische veldsterkte in elkaar worden omgerekend met de equivalentie 1 A/m = 4π 10-7 T.

De vermogensdichtheid (S) is de passende grootheid voor gebruik bij zeer hoge frequenties, wanneer de doordringdiepte in het lichaam gering is. Zij is de loodrecht op een oppervlak vallende energiestroom, gedeeld door de grootte van het oppervlak; zij wordt uitgedrukt in watt per vierkante meter (W/m2).

De specifieke energieabsorptie (SA) is de energie die wordt geabsorbeerd per massaeenheid biologisch weefsel, uitgedrukt in joule per kilogram (J/kg). In deze richtlijn wordt deze grootheid gebruikt voor het beperken van de niet-thermische effecten van gepulseerde microgolfstraling.

Het specifieke energieabsorptietempo (SAR) gemiddeld over het gehele lichaam of over lichaamsdelen, is het tempo waarin de energie per massaeenheid lichaamsweefsel wordt geabsorbeerd; het wordt uitgedrukt in watt per kilogram (W/kg). Het lichaams-SAR is een algemeen aanvaarde maatstaf voor het relateren van schadelijke thermische effecten door de blootstelling aan radiofrequentie (RF). Naast het gemiddelde lichaams-SAR zijn lokale SAR-waarden noodzakelijk voor het evalueren en beperken van te grote energieconcentraties in kleine delen van het lichaam als gevolg van bijzondere blootstellingomstandigheden. Voorbeelden van dergelijke omstandigheden zijn: geaarde personen die aan RF in het lage MHz-gebied worden blootgesteld en personen die aan het nabije veld van een antenne worden blootgesteld.

Van deze grootheden kunnen de magnetische fluxdichtheid, de contactstroom, de elektrische en magnetische veldsterkte en de vermogensdichtheid direct worden gemeten.

A.   GRENSWAARDEN VOOR BLOOTSTELLING

Afhankelijk van de frequentie worden de volgende fysische grootheden gebruikt om de grenswaarden voor blootstelling aan elektromagnetische velden te specificeren:

Er worden grenswaarden voor blootstelling gegeven voor de stroomdichtheid voor tijdsafhankelijke velden tot 1 Hz, teneinde gevolgen voor het cardiovasculaire systeem en het centrale zenuwstelsel te voorkomen.

Tussen 1 Hz en 10 MHz worden grenswaarden voor blootstelling gegeven voor de stroomdichtheid om gevolgen voor functies van het zenuwstelsel te voorkomen.

Tussen 100 kHz en 10 GHz worden grenswaarden voor blootstelling gegeven voor het SAR om thermische belasting van het gehele lichaam en excessieve plaatselijke verwarming van weefsels te voorkomen. In het gebied van 100 kHz tot 10 MHz worden grenswaarden voor blootstelling voor zowel de stroomdichtheid als het SAR gegeven.

Tussen 10 GHz en 300 GHz wordt een grenswaarde voor blootstelling voor de vermogensdichtheid gegeven om bovenmatige verwarming van weefsel aan of bij het lichaamsoppervlak te voorkomen.

Tabel 1: Grenswaarden voor blootstelling (artikel 3, lid 1) (aan alle voorwaarden moet worden voldaan)

Frequentiegebied

Stroomdichtheid voor hoofd en romp J (mA/m2) (rms)

Lichaams-SAR (W/kg)

Plaatselijk SAR (hoofd en romp) (W/kg)

Plaatselijk SAR (extremiteiten) (W/kg)

Vermogensdichtheid (W/m2)

tot 1 Hz

40

1-4 Hz

40/f

4-1000 Hz

10

1000 Hz-100 kHz

f/100

100 kHz-10 MHz

f/100

0.4

10

20

10 MHz-10 GHz

0.4

10

20

10 GHz-300 GHz

50

Opmerkingen:

1.

f is de frequentie in hertz.

2.

De grenswaarden voor blootstelling voor de stroomdichtheid zijn bedoeld om te beschermen tegen acute blootstellingeffecten op weefsel van het centraal zenuwstelsel in hoofd en romp. De grenswaarden voor blootstelling in het frequentiegebied 1 Hz tot 10 MHz zijn gebaseerd op vastgestelde schadelijke effecten op het centrale zenuwstelsel. Dergelijke acute effecten treden in wezen onmiddellijk op en er zijn geen wetenschappelijke redenen om de grenswaarden voor blootstellingen van korte duur te wijzigen. Aangezien de grenswaarden voor blootstelling betrekking hebben op schadelijke effecten op het centrale zenuwstelsel, kunnen evenwel hogere stroomdichtheden in ander lichaamsweefsel dan het centrale zenuwstelsel onder dezelfde blootstellingomstandigheden worden toegestaan.

3.

Vanwege de elektrische inhomogeniteit van het lichaam dienen de waarden van de stroomdichtheid te worden berekend als gemiddelden over een doorsnee van 1 cm2 loodrecht op de stroomrichting.

4.

Voor frequenties tot 100 kHz kunnen de piekwaarden voor de stroomdichtheid worden verkregen door de rms-waarden met (2) Formula te vermenigvuldigen.

5.

Voor frequenties tot 100 kHz en voor gepulseerde magnetische velden kan de maximale stroomdichtheid als gevolg van de pulsen worden berekend uit de stijg-/valtijden en de maximale veranderingssnelheid van de magnetische fluxdichtheid. De inductiestroomdichtheid kan dan worden vergeleken met de bijbehorende grenswaarde voor blootstelling. Voor pulsen met een duur van tp dient de equivalente frequentie die in de grenswaarden moet worden toegepast, te worden berekend als f = 1/(2tp).

6.

Alle SAR-waarden moeten worden berekend als gemiddelden over een periode van zes minuten.

7.

De plaatselijke SAR-middelingsmassa is 10 g aangrenzend weefsel; het aldus verkregen maximale SAR dient de waarde te zijn die voor de raming van de blootstelling wordt gebruikt. Met deze 10 g weefsel wordt een massa van 10 g aangrenzend weefsel met vrijwel homogene elektrische eigenschappen bedoeld. Hierbij valt op te merken dat een massa aangrenzend weefsel te gebruiken is in de computer-dosimetrie, maar moeilijkheden kan opleveren bij directe fysieke metingen. Er kan een eenvoudige geometrische vorm zoals een kubusvormige weefselmassa worden gebruikt, op voorwaarde dat de berekende dosimetrische hoeveelheden waarden hebben die ten opzichte van de blootstellingrichtsnoeren aan de veilige kant zijn.

8.

Voor gepulseerde blootstellingen in het frequentiegebied van 0,3-10 GHz en voor plaatselijke blootstelling van het hoofd, ter vermijding en beperking van effecten op het gehoor die veroorzaakt worden door thermo-elastische uitzetting, wordt een aanvullende grenswaarde aanbevolen. De SA mag niet meer dan 10 mJ/kg gemiddeld over 10 g weefsel bedragen.

9.

Vermogensdichtheden moeten worden gemiddeld over 20cm2 van het blootgestelde oppervlak en over een willekeurige periode van 68/f 1,05 min (f in GHz), ter compensatie van de geleidelijk kortere penetratiediepte naarmate de frequentie stijgt. Ruimtelijke maximale vermogensdichtheden, herleid tot een gemiddelde over 1 cm2, mogen niet meer bedragen dan 20 maal de waarde van 50 W/m2.

10.

Met betrekking tot gepulseerde of transiënte elektromagnetische velden, of in het algemeen gelijktijdige blootstelling aan velden van verschillende frequentie moeten passende beoordelings-, metingsen/of berekeningsmethoden worden toegepast, die het mogelijk maken de kenmerken van de golfvormen en de aard van de biologische wisselwerking te analyseren, met inachtneming van de geharmoniseerde Europese normen van het Europees Comité voor elektrotechnische normalisatie.

B.   ACTIEWAARDEN

De in tabel 2 bedoelde actiewaarden worden verkregen volgens de methode die de International Commission on Non-Ionizing Radiation Protection (ICNIRP) gebruikt in zijn richtsnoeren betreffende de beperking van de blootstelling aan niet-ioniserende straling (ICNIRP 7/99).

Tabel 2: Actiewaarden (artikel 3, lid 2) (ongestoorde middelbare waarden)

Frequentiegebied

Elektrische veldsterkte E (V/m)

Magnetische veldsterkte H (A/m)

Magnetische fluxdichtheid B (μT)

Equivalente vermogensdichtheid vlakke golf, Seq (W/m2)

Contactstroom IC (m/A)

Extremiteitenstroom IL (mA)

0-1Hz

 

1,63 x 105

2 x 105

1.0

1-8 Hz

20000

1,63 x 105/f2

2 x 105/f2

1.0

8-25 Hz

20000

2 x 104/f

2,5 x 104/f

1.0

0.025-0.82 kHz

500/f

20/f

25/f

1.0

0,82-2,5 kHz

610

24,4

30,7

1,0

2,5-65 kHz

610

24,4

30,7

0,4f

65-100 kHz

610

1600/f

2000/f

0,4f

0,1-1 MHz

610

1,6/f

2/f

40

1-10 MHz

610/f

1,6/f

20/f

40

10-110 MHz

61

0,16

0,2

10

40

100

110-400 MHz

61

0,16

0,2

10

400-2000 MHz

3f Formula

0,008f Formula

0,01f Formula

f/40

2-300 GHz

137

0,36

0,45

50

Opmerkingen:

1.

f is de frequentie die wordt aangewend in de onderverdelingen van de kolom frequentiegebied.

2.

Voor frequenties tussen 100 kHz en 10 GHz moeten Seq, E2, H2, B2 en IL 2 berekend worden als gemiddelden over een periode van zes minuten.

3.

Voor frequenties boven 10 GHz moeten Seq, E2, H2 en B2 berekend worden als gemiddelden over een periode van 68/f1,05 minuten (f in GHz).

4.

Voor frequenties tot 100 kHz kunnen de piekactiewaarden voor de veldsterktes worden verkregen door de rms-waarde met (2) Formula te vermenigvuldigen. Voor pulsen met een duur van tp dient de equivalente frequentie die met betrekking tot de actiewaarden moet worden toegepast, te worden berekend als f = 1/(2tp).

Voor frequenties tussen 100 kHz en 10 MHz worden de piekactiewaarden voor de veldsterktes berekend door de desbetreffende rms-waarden te vermenigvuldigen met 10a, waarin a = (0,665 log (f/105) + 0,176), f in Hz.

Voor frequenties tussen 10 MHz en 300 GHz worden de piekactiewaarden berekend door de desbetreffende rms-waarden te vermenigvuldigen met 32 wat de veldsterktes betreft en met 1000 wat de equivalente vermogensdichtheid van de vlakke golf betreft.

5.

Met betrekking tot gepulseerde of transiënte elektromagnetische velden, of in het algemeen met betrekking tot gelijktijdige blootstelling aan velden van verschillende frequentie moeten passende beoordelings-, metings- en/of berekeningsmethoden worden toegepast, die het mogelijk maken de kenmerken van de golfvormen en de aard van de biologische wisselwerking te analyseren, met inachtneming van de geharmoniseerde Europese normen van het Europees Comité voor elektrotechnische normalisatie.

6.

Wat de piekwaarden van gepulseerde gemoduleerde elektromagnetische velden betreft, wordt tevens voorgesteld om voor draaggolven van meer dan 10 MHz de Seq als gemiddeld over de pulsbreedte niet meer te laten bedragen dan 1000 maal de Seq-actiewaarden of de veldsterktes niet groter te laten zijn dan 32 maal de actiewaarden voor de draaggolven.

P5_TA(2004)0214

Organisaties actief op het gebied van gelijkheid van mannen en vrouwen *** II

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement betreffende het gemeenschappelijk standpunt, door de Raad vastgesteld met het oog op de aanneming van het besluit van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een communautair actieprogramma ter bevordering van organisaties die op Europees niveau op het gebied van de gelijkheid van mannen en vrouwen actief zijn (16185/1/2003 — C5-0068/2004 — 2003/0109(COD))

(Medebeslissingsprocedure: tweede lezing)

Het Europees Parlement,

gezien het gemeenschappelijk standpunt van de Raad (16185/1/2003 — C5-0068/2004) (1),

gezien zijn in eerste lezing geformuleerde standpunt (2) inzake het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2003) 279) (1)

gezien het gewijzigde voorstel van de Commissie (COM(2004) 17) (1),

gelet op artikel 251, lid 2 van het EG-Verdrag,

gelet op artikel 80 van zijn Reglement,

gezien de aanbeveling voor de tweede lezing van de Commissie rechten van de vrouw en gelijke kansen (A5-0161/2004),

1.

wijzigt het gemeenschappelijk standpunt als volgt;

2.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.


(1)  Nog niet in het PB gepubliceerd.

(2)  Aangenomen teksten van 20.11.2003, P5_TA(2003)0511.

P5_TC2-COD(2003)0109

Standpunt van het Europees Parlement in tweede lezing vastgesteld op 30 maart 2004 met het oog op de aanneming van Besluit nr. .../2004/EG van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een communautair actieprogrammater bevordering van organisaties die op Europees niveau op het gebied van de gelijkheid van mannen en vrouwen actief zijn

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 13, lid 2,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1)

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Het beginsel van gelijkheid van mannen en vrouwen is, krachtens artikel 2 en artikel 3, lid 2 van het Verdrag een basisbeginsel van het Gemeenschapsrecht dat in de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen nader is uitgewerkt. Volgens het Verdrag is de bevordering van de gelijkheid van mannen en vrouwen een bijzondere „taak” en een doelstelling van de Gemeenschap. De Gemeenschap is verplicht om deze gelijkheid in het kader van al haar acties actief te bevorderen.

(2)

Krachtens artikel 13, lid 1 van het Verdrag kan de Raad alle passende maatregelen nemen om elke vorm van discriminatie, ook op grond van geslacht, te bestrijden. Artikel 13, lid 2 van het Verdrag bepaalt dat wanneer de Raad communautaire stimuleringsmaatregelen — harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten uitgezonderd — vaststelt ter ondersteuning van de maatregelen die de lidstaten nemen om bij te dragen tot de verwezenlijking van deze doelstelling, dit een besluit vormt overeenkomstig de procedure van artikel 251 van het Verdrag.

(3)

Artikel 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie verbiedt elke vorm van discriminatie op grond van geslacht en artikel 23 waarborgt het beginsel van gelijkheid van mannen en vrouwen op alle gebieden.

(4)

De ervaring op communautair niveau leert dat voor de bevordering van de gelijkheid van mannen en vrouwen in de praktijk een combinatie van maatregelen, en vooral juridische instrumenten en concrete acties, nodig is die elkaar wederzijds versterken.

(5)

Het witboek van de Commissie inzake Europees bestuur pleit ervoor de burgers inspraak te geven in de vorming en de uitvoering van het beleid, het maatschappelijk middenveld en de organisaties waaruit het is samengesteld bij het beleid te betrekken en op een meer efficiënte en transparante manier met de belanghebbende partijen te overleggen.

(6)

De vierde wereldvrouwenconferentie in Peking op 15 september 19411 heeft een verklaring en een „Platform for Action” goedgekeurd waarin de regeringen, de internationale gemeenschap en het maatschappelijk middenveld worden opgeroepen strategische maatregelen te nemen om vrouwendiscriminatie en obstakels voor de gelijkheid van mannen en vrouwen uit de weg te ruimen.

(7)

De Raad heeft bij Beschikking 2001/51/EG (3) een communautair actieprogramma in verband met de communautaire kaderstrategie inzake de gelijkheid van mannen en vrouwen vastgesteld. Het programma zou moeten worden aangevuld met ondersteunende maatregelen op de betrokken gebieden.

(8)

Doel van de begrotingsonderdelen A-3037 (nr. ABB 040501) en A-3046 (nr. ABB 040503) van de algemene begroting van de Europese Unie in het begrotingsjaar 2003 (en in de voorgaande begrotingsjaren) was steun te verlenen aan de Europese Vrouwenlobby en vrouwenorganisaties die zich voor de gelijkheid van mannen en vrouwen inzetten.

(9)

Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (4) („het financieel reglement”) bepaalt dat hetvoor de bestaande steunmaatregelen nodig is een basisbesluit aan te nemen dat strookt met de bepalingen van het reglement.

(10)

De activiteiten van bepaalde organisaties helpen de gelijkheid van mannen vrouwen te bevorderen, met name wanneer het gaat om communautaire acties die specifiek op vrouwen gericht zijn.

(11)

Vooral de Europese Vrouwenlobby, waarvan de meeste vrouwenorganisaties in de vijftien lidstaten deel uitmaken en die meer dan drieduizend leden telt, speelt een essentiële rol bij de promotie, het monitoren en het verbreiden van kennis inzake communautaire maatregelen die, met het oog op het bereiken van de gelijkheid van mannen en vrouwen, op vrouwen gericht zijn. De activiteiten van de Europese Vrouwenlobby zijn van algemeen Europees belang.

(12)

Bijgevolg zou een gestructureerd programma moeten worden vastgesteld om financiële steun te verlenen aan dergelijke organisaties in de vorm van een subsidie voor huishoudelijke uitgaven voor activiteiten met doelstellingen van algemeen Europees belang op het gebied van de gelijkheid van mannen en vrouwen, of met een doelstelling die deel uitmaakt van het beleid van de Europese Unie op dit gebied, en in de vorm van bepaalde subsidies voor acties.

(13)

Dit programma bestrijkt een groot geografisch gebied doordat het nieuwe toetredingsverdrag op 16 april 2003 werd ondertekend en doordat in de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (EER-overeenkomst) op het gebied van de gelijkheid van mannen en vrouwen een ruimere samenwerking is opgenomen tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de landen van de Europese Vrijhandelsassociatie (EVA), anderzijds. In de EER-overeenkomst zijn de procedures vastgesteld, op grond waarvan tot de EER behorende EVA-landen aan communautaire programma's op dit gebied kunnen deelnemen. Ook Roemenië en Bulgarije zouden, overeenkomstig de voorwaarden van hun Europa-Overeenkomsten, de aanvullende protocollen ervan en de besluiten van de respectieve associatieraden, aan het programma moeten kunnen deelnemen, evenals Turkije, overeenkomstig de voorwaarden van de kaderovereenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek Turkije inzake de algemene beginselen voor de deelname van de Republiek Turkije aan communautaire programma's (5).

(14)

Het is zaak bij het vaststellen van de procedures voor het verlenen van steun rekening te houden met de bijzondere aard van de organisaties die op Europees niveau op het gebied van de bevordering van de gelijkheid van mannen en vrouwen actief zijn.

(15)

Dit besluit stelt voor de gehele duur van het programma een financieel kader vast dat gedurende de jaarlijkse begrotingsprocedure voor de begrotingsautoriteit het voornaamste referentiepunt vormt in de zin van punt 33 van het Interinstitutioneel Akkoord van 6 mei 1999 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie over de begrotingsdiscipline en de verbetering van de begrotingsprocedure (6).

(16)

De Gemeenschappelijke verklaring van 24 november 2003 van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie over de basisbesluiten voor subsidies voorziet in de mogelijkheid bij wijze van uitzondering overgangsbepalingen voor het tijdvak van subsidiëring in dit programma op te nemen,

BESLUITEN:

Artikel 1

Doelstelling van het programma

1.   Bij dit besluit wordt een communautair actieprogramma vastgesteld (hierna: „het programma” te noemen) om organisaties die op Europees niveau op het gebied van de gelijkheid van mannen en vrouwen actief zijn, te stimuleren.

2.   De algemene doelstelling van het programma bestaat erin steun te verlenen aan de activiteiten van deze organisaties, waarvan het lopende werkprogramma of een specifieke actie een algemeen Europees belang op het gebied van de gelijkheid van mannen en vrouwen dient, of een doelstelling nastreeft die in het beleid van de Europese Unie op dit gebied past.

3.   Het programma loopt van 1 januari 2004 tot en met 31 december 2005.

Artikel 2

Toegang tot het programma

1.   Om voor een subsidie in aanmerking te komen moet een organisatie die op Europees niveau op het gebied van de gelijkheid van mannen en vrouwen actief is, voldoen aan de bepalingen van de bijlage en:

a)

bijdragen tot de ontwikkeling en de uitvoering van communautaire acties ter bevordering van de gelijkheid van mannen en vrouwen;

b)

stroken met de beginselen en de wettelijke bepalingen die ten grondslag liggen aan de communautaire actie op het beleidsgebied van de gelijkheid van mannen en vrouwen;

c)

een potentiële transnationale uitstraling hebben.

2.   De betrokken organisatie moet sinds ten minste één jaar tevoren overeenkomstig de wet zijn opgericht, en alleen of in verschillende gecoördineerde verbanden optreden.

Artikel 3

Deelname van landen buiten de Gemeenschap

Behalve voor de organisaties in de lidstaten staat het programma open voor organisaties die op Europees niveau op het gebied van de gelijkheid van mannen en vrouwen actief zijn, en die gevestigd zijn in:

a)

de toetredende staten die op 16 april 2003 het toetredingsverdrag hebben ondertekend;

b)

de EVA/EER-landen, overeenkomstig de voorwaarden van de EER-Overeenkomst;

c)

Roemenië en Bulgarije, waarbij de deelnemingsvoorwaarden worden bepaald overeenkomstig de Europa-Overeenkomsten, de aanvullende protocollen ervan en de besluiten van de respectieve associatieraden;

d)

Turkije, waarbij de deelnemingsvoorwaarden worden bepaald overeenkomstig de kaderovereenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek Turkije inzake de algemene beginselen voor de deelname van de Republiek Turkije aan communautaire programma's.

Artikel 4

Selectie van begunstigden

1.   De in punt 2.1. van de bijlage vermelde begunstigden ontvangen rechtstreeks subsidies voor huishoudelijke uitgaven.

2.   Bij het verlenen van een subsidie voor huishoudelijke uitgaven uit hoofde van het lopende werkprogramma of het verlenen van een subsidie voor een gerichte actie aan een organisatie die een doel van algemeen Europees belang op het gebied van de gelijkheid van mannen en vrouwen nastreeft dat in het beleid van de Europese Unie op dit gebied past, moeten de in de bijlage gepreciseerde algemene criteria in acht worden genomen. De organisaties waaraan subsidies uit hoofde van de punten 2.2 en 2.3 van de bijlage worden verleend, worden op basis van een oproep tot het indienen van voorstellen geselecteerd.

Artikel 5

Verlenen van een subsidie

1.   Subsidies voor huishoudelijke uitgaven uit hoofde van de punten 2.1 en 2.2. van de bijlage aan organisaties die op Europees niveau op het gebied van de gelijkheid van mannen en vrouwen actief zijn, financieren ten hoogste 80% van alle subsidiabele kosten van de organisatie tijdens het kalenderjaar waarvoor de subsidie wordt verleend.

2.   Overeenkomstig artikel 113, lid 2, van het financiëel reglement, en gezien de aard van de onder dit besluit vallende organisaties, wordt bij de toekenning van de subsidies uit hoofde van het programma van het degressiviteitsbeginsel afgeweken.

Artikel 6

Financiering

1.   Het financiële kader voor de uitvoering van het programma voor de periode 2004-2005 wordt vastgesteld op 2,2 miljoen EUR.

2.   De jaarlijkse kredieten worden door de begrotingsautoriteit toegestaan binnen de grenzen van de financiële vooruitzichten.

Artikel 7

Overgangsbepalingen

Voor de in 2004 toegekende subsidies kan het tijdvak voor subsidiëring op 1 januari 2004 van start gaan mits de desbetreffende uitgaven noch vóór de datum van indiening van de subsidieaanvraag, noch vóór het begin van het boekjaar van de begunstigde gedaan zijn.

In 2004 kan worden afgeweken van de verplichting dat de ondertekening van de subsidieovereenkomst uiterlijk binnen de eerste vier maanden na het begin van het boekjaar van de begunstigde moet plaatsvinden als bedoeld in artikel 112, lid 2 van het Financieel Reglement voor begunstigden wier boekjaar vóór 1 maart van het lopende jaar begint. In dit geval dient de subsidieovereenkomst uiterlijk op 30 juni 2004 worden te ondertekend.

Artikel 8

Monitoring en evaluatie

De Commissie dient uiterlijk 31 december 2006 bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in over de verwezenlijking van de doelstellingen van het programma. Het verslag is gebaseerd op de door de begunstigden behaalde resultaten en evalueert met name hun effectiviteit bij de verwezenlijking van de in artikel 1 en de bijlage vastgestelde doelstellingen.

Artikel 9

Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking de dag na de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Het is van toepassing met ingang van 1 januari 2004.

Gedaan te ..., op ...

Voor het Europees Parlement

De Voorzitter

Voor de Raad

De Voorzitter


(1)  PB C 80 van 30.3.2004, blz. 115.

(2)  Advies van het Europees Parlement van 20 november 2003 (nog niet in het PB bekendgemaakt), gemeenschappelijk standpunt van de Raad van 6 februari 2004 (PB C 411 E van 20.4.2004, blz. 1), standpunt van het Europees Parlement van 30 maart 2004.

(3)  PB L 17 van 19.1.2001, blz. 22.

(4)  PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.

(5)  PB L 61 van 2.3.2002, blz. 29.

(6)  PB C 172 van 18.6.1999, blz. 1. Akkoord gewijzigd bij Besluit 2003/429/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 147 van 14.6.2003, blz. 25).

BIJLAGE

1.   Gesteunde activiteiten

De algemene doelstelling (zie artikel 1) bestaat erin de communautaire actie op het gebied van de gelijkheid van mannen en vrouwen te versterken en de doeltreffendheid van deze actie te vergroten door financiële steun te verlenen aan organisaties, waaronder de Europese Vrouwenlobby, die op Europees niveau op het gebied van de gelijkheid van mannen en vrouwen actief zijn.

1.1.

De organisaties die op het gebied van de bevordering van de gelijkheid van mannen en vrouwen actief zijn, zullen onder andere de volgende activiteiten die een bijdrage kunnen leveren tot de versterking en de vergroting van de doeltreffendheid van de communautaire actie ontplooien:

de vertegenwoordiging van belanghebbende partijen op communautair vlak;

voorlichtingsactiviteiten (met name studies, campagnes, seminars) ter bevordering van de gelijkheid van mannen en vrouwen;

de verspreiding van informatie over de communautaire actie ter bevordering van de gelijkheid van mannen en vrouwen;

acties ter bevordering van onder andere het combineren van beroeps- en gezinsleven, de participatie van vrouwen aan de besluitvorming en de bestrijding van aan het geslacht gerelateerd geweld, stereotypen in verband met het geslacht en discriminatie op het werk;

acties ter bevordering van de samenwerking met vrouwenorganisaties in derde landen en om mensen bewuster te maken van de situatie van vrouwen in de wereld.

1.2.

De Europese Vrouwenlobby zal onder andere de volgende activiteiten ontplooien ter vervulling van haar taken op het gebied van de vertegenwoordiging en coördinatie van niet-gouvernementele vrouwenorganisaties en het doorgeven van informatie over vrouwen aan de Europese instellingen en nietgouvernementele organisaties:

follow-up van de uitvoering van het „Beijing Platform for Action” (Verenigde Naties);

ijveren voor een betere Europese wetgeving inzake gelijkheid van mannen en vrouwen en voor integratie van vrouwen op alle beleidsgebieden;

deelname aan vergaderingen en conferenties over gelijkheid van mannen en vrouwen;

actie om ervoor te zorgen dat de standpunten en belangen van vrouwen in het nationale en Europese beleid worden geïntegreerd, met name vrouwen stimuleren om aan de besluitvorming deel te nemen;

meer aandacht vestigen, in het kader van de uitbreiding van de Europese Unie, op de gelijkheid van mannen en vrouwen, en samenwerking te ontwikkelenmet de vrouwenorganisaties in de nieuwe lidstaten.

2.   Uitvoering van de te steunen activiteiten

De activiteiten van organisaties die uit hoofde van het programma in aanmerking komen voor communautaire subsidiëring, vallen onder een van de volgende onderdelen:

2.1.

Deel 1: lopende activiteiten van de Europese Vrouwenlobby — waarvan de leden onder meer vrouwenorganisaties in de lidstaten van de Europese Unie zijn — waarbij de volgende beginselen in acht worden genomen:

de onafhankelijkheid van de Europese Vrouwenlobby bij de selectie van haar leden;

een ruime autonomie voor de Europese Vrouwenlobby bij haar activiteiten met inachtneming van punt 1.2. van de bijlage.

2.2.

Deel 2: lopende activiteiten van een organisatie die een doelstelling van algemeen Europees belang op het gebied van de gelijkheid van mannen en vrouwen nastreeft, of een doelstelling die in het beleid van de Europese Unie op dit gebied past.

Overeenkomstig artikel 2 betreft dit non-profitorganisaties waarvan de activiteiten uitsluitend op de gelijkheid van mannen en vrouwen gericht zijn, of organisaties die een ruimere doelstelling nastreven maar waarvan een deel van de activiteiten uitsluitend op de bevordering van de gelijkheid van mannen en vrouwen gericht is.

Er kan een jaarlijkse subsidie voor huishoudelijke uitgaven worden toegekend om de uitvoering van het lopende werkprogramma van een dergelijke organisatie te ondersteunen.

2.3.

Deel 3: specifieke acties van een organisatie die een doelstelling van algemeen Europees belang op het gebied van de gelijkheid van mannen en vrouwen nastreeft, of een doelstelling die in het beleid van de Europese Unie op dit gebied past.

3.   Selectie van begunstigden

3.1.

De Europese Vrouwenlobby kan rechtstreeks uit hoofde van deel 1 van het programma een subsidie voor huishoudelijke uitgaven ontvangen, na goedkeuring van een passend werkplan en een begroting.

3.2.

Organisaties die een subsidie voor huishoudelijke uitgaven ontvangen uit hoofde van deel 2 van het programma, worden op basis van oproepen tot het indienen van voorstellen geselecteerd.

3.3.

Organisaties die een subsidie voor een specifieke actie ontvangen uit hoofde van deel 3 van het programma, worden op basis van oproepen tot het indienen van voorstellen geselecteerd.

4.   Controles en audits

4.1.

De begunstigde van een subsidie voor huishoudelijke uitgaven houdt alle bewijsstukken van uitgaven tijdens het jaar waarvoor de subsidie is verleend (met inbegrip van het gecontroleerde financiële overzicht), gedurende vijf jaar na de laatste betaling ter beschikking van de Commissie. De begunstigde van een subsidie zorgt ervoor dat eventuele bewijsstukken in het bezit van partners of leden van de organisatie ter beschikking van de Commissie worden gesteld.

4.2.

De Commissie heeft het recht om de aanwending van de subsidie aan een audit te onderwerpen via haar eigen personeel of via een bevoegde externe instantie naar keuze. Deze audits kunnen worden uitgevoerd tijdens de volledige looptijd van de overeenkomst, en gedurende een periode van vijf jaar vanaf de datum waarop het saldo van de subsidie is betaald. De auditresultaten kunnen er eventueel toe leiden dat de Commissie besluiten tot terugvordering neemt.

4.3.

Het personeel van de Commissie en de door de Commissie gemachtigde externe personen hebben op passende wijze toegang tot met name de kantoren van de begunstigde, evenals tot alle noodzakelijke gegevens, ook in elektronische vorm, om deze audits tot een goed einde te brengen.

4.4.

De Europese Rekenkamer en het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) hebben dezelfde rechten als de Commissie, en met name het recht van toegang.

4.5.

Om de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen tegen fraude en andere onregelmatigheden te beschermen is de Commissie krachtens Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad (1) gemachtigd ter plaatse controles en verificaties in het kader van het programma uit te voeren. Eventueel voert het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) onderzoek uit overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad (2).


(1)  PB L 292 van 15.11.1996, blz. 2.

(2)  PB L 136 van 31.5.1999, blz. 1.

P5_TA(2004)0215

Bevordering van gendergelijkheid in de ontwikkelingssamenwerking *** II

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement betreffende het gemeenschappelijk standpunt, door de Raad vastgesteld met het oog op de aanneming van de verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bevordering van gendergelijkheid in de ontwikkelingssamenwerking (5402/1/2004 — C5-0093/2004 — 2003/0176(COD))

(Medebeslissingsprocedure: tweede lezing)

Het Europees Parlement,

gezien het gemeenschappelijk standpunt van de Raad (5402/1/2004 — C5-0093/2004) (1),

gezien zijn in eerste lezing geformuleerde standpunt (2) inzake het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2003) 465) (1),

gelet op artikel 251, lid 2 van het EG-Verdrag,

gelet op artikel 78 van zijn Reglement,

gezien de aanbeveling voor de tweede lezing van de Commissie rechten van de vrouw en gelijke kansen (A5-0160/2004),

1.

hecht zijn goedkeuring aan het gemeenschappelijk standpunt;

2.

constateert dat het besluit is vastgesteld overeenkomstig het gemeenschappelijk standpunt;

3.

verzoekt zijn Voorzitter het besluit samen met de voorzitter van de Raad overeenkomstig artikel 254, lid 1 van het EG-Verdrag te ondertekenen;

4.

verzoekt zijn secretaris-generaal in het kader van zijn bevoegdheden het besluit te ondertekenen en samen met de secretaris-generaal van de Raad zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

5.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.


(1)  Nog niet in het PB gepubliceerd.

(2)  Aangenomen teksten van 18.12.2003, P5_TA(2003)0596.

P5_TA(2004)0216

Levensmiddelenhygiëne *** II

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement betreffende het gemeenschappelijk standpunt, door de Raad vastgesteld met het oog op de aanneming van de verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake levensmiddelenhygiëne (10543/2/2002 — C5-0008/2004 — 2000/0178(COD))

(Medebeslissingsprocedure: tweede lezing)

Het Europees Parlement,

gezien het gemeenschappelijk standpunt van de Raad (10543/2/2002 — C5-0008/2004) (1),

gezien zijn in eerste lezing geformuleerde standpunt (2) inzake het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2000) 438) (3),

gezien het gewijzigde voorstel van de Commissie (COM(2003) 33) (4),

gelet op artikel 251, lid 2 van het EG-Verdrag,

gelet op artikel 80 van zijn Reglement,

gezien de aanbeveling voor de tweede lezing van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en consumentenbeleid (A5-0131/2004),

1.

wijzigt het gemeenschappelijk standpunt als volgt;

2.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.


(1)  PB C 48 van 24.2.2004, blz. 1.

(2)  PB C 180 E van 31.7.2003, blz. 267.

(3)  PB C 365 van 19.12.2000, blz. 43.

(4)  Nog niet in het PB gepubliceerd.

P5_TC2-COD(2000)0178

Standpunt van het Europees Parlement in tweede lezing vastgesteld op 30 maart 2004 met het oog op de aanneming van Verordening (EG) nr. .../2004 van het Europees Parlement en de Raad inzake levensmiddelenhygiëne

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 95 EG en artikel 152 EG, lid 4, onder b,

Gezien het voorstel van de Commissie (1),

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (2),

Na raadpleging van het Comité van de Regio's,

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag (3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Het streven naar een hoog beschermingsniveau van het menselijk leven en de volksgezondheid is een van de fundamentele doelstellingen van de levensmiddelenwetgeving, zoals is bepaald in Verordening (EG) nr. 178/2002 (4). In die verordening zijn ook andere gemeenschappelijke beginselen en definities voor de nationale en communautaire levensmiddelenwetgeving vastgelegd, waaronder de doelstelling om het vrij verkeer van levensmiddelen in de Gemeenschap tot stand te brengen.

(2)

Richtlijn 93/43/EEG van de Raad van 14 juni 1993 inzake levensmiddelenhygiëne (5) behelst de algemene controle op de naleving van deze voorschriften.

(3)

Gebleken is dat bovenstaande voorschriften en procedures een degelijke basis vormen om de voedselveiligheid te garanderen. In het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid is een groot aantal richtlijnen vastgesteld die specifieke gezondheidsvoorschriften bevatten voor de productie en het op de markt brengen van de producten van bijlage I van het Verdrag. Deze gezondheidsvoorschriften hebben de handelsbelemmeringen voor de betrokken producten verminderd en bijgedragen aan het totstandkomen van de interne markt waarbij tevens een hoog niveau van bescherming van de volksgezondheid is gewaarborgd.

(4)

Wat de volksgezondheid betreft, bevatten deze voorschriften en procedures gemeenschappelijke beginselen. Zo stellen zij met name soortgelijke regels vast met betrekking tot de verantwoordelijkheden van fabrikanten en bevoegde autoriteiten, de structurele, operationele en hygiënevoorschriften waaraan inrichtingen moeten voldoen, de procedures voor de erkenning van inrichtingen, en de voorwaarden voor opslag en vervoer en keurmerken.

(5)

Deze beginselen vormen een gemeenschappelijke basis voor de hygiënische productie van alle levensmiddelen, inclusief producten van dierlijke oorsprong die zijn vermeld in bijlage I bij het Verdrag.

(6)

Naast deze gemeenschappelijke basis zijn er voor bepaalde voedingsmiddelen specifieke hygiënevoorschriften nodig. Deze voorschriften zijn opgenomen in Verordening (EG) nr. .../2004 van het Europees Parlement en de Raad van ... houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong (6).

(7)

De nieuwe algemene en specifieke hygiënevoorschriften hebben in hoofdzaak ten doel een hoog niveau van consumentenbescherming op het vlak van de voedselveiligheid te garanderen.

(8)

Om de voedselveiligheid te garanderen vanaf de primaire productie tot en met het in de handel brengen of de uitvoer is een geïntegreerde aanpak noodzakelijk. Alle exploitanten van levensmiddelenbedrijven in de voedselketen moeten ervoor zorgen dat de voedselveiligheid niet in het gedrang wordt gebracht.

(9)

Communautaire voorschriften dienen niet van toepassing te zijn op de primaire productie voor particulier huishoudelijk gebruik, noch op de huishoudelijke bereiding, hantering en opslag van levensmiddelen voor particulier huishoudelijk verbruik. Bovendien zijn communautaire voorschriften alleen van toepassing op ondernemingen, hetgeen een bepaalde continuïteit van de activiteiten en een bepaalde organisatiegraad veronderstelt.

(10)

De in het stadium van de primaire productie aanwezige gevaren voor de voedselveiligheid moeten worden geïdentificeerd en onder controle worden gehouden om te waarborgen dat de doelstellingen van deze verordening worden verwezenlijkt. In het geval van de rechtstreekse levering van kleine hoeveelheden primaire producten aan eindverbruikers of een plaatselijke detailhandelszaak door de levensmiddelenbedrijfexploitant die die producten produceert dient de volksgezondheid echter door het nationale recht te worden beschermd, met name vanwege de nauwe relatie tussen de producent en de consument.

(11)

Het is nog niet algemeen haalbaar de HACCP-beginselen toe te passen op de primaire productie. Door middel van gidsen voor goede praktijken moet het gebruik van passende hygiënepraktijken op boerderijen echter gestimuleerd worden. Zo nodig moeten deze gidsen worden aangevuld met specifieke hygiënevoorschriften voor de primaire productie. Het is passend dat de hygiënevoorschriften voor de primaire productie en de daarmee verband houdende bewerkingen afwijken van die voor andere bewerkingen.

(12)

Voedselveiligheid is het resultaat van diverse elementen. De wetgeving dient minimumeisen op het gebied van hygiëne vast te stellen. Er moeten officiële controles worden ingesteld om na te gaan of exploitanten van levensmiddelenbedrijven de voorschriften naleven. Daarnaast moeten de exploitanten van levensmiddelenbedrijven op de HACCP-beginselen gebaseerde voedselveiligheidsprogramma's en -procedures vaststellen en deze toepassen.

(13)

Voor een geslaagde uitvoering van de procedures gebaseerd op het HACCP-systeem is de volledige medewerking en inzet van werknemers in de voedselindustrie vereist. Met het oog daarop dienen werknemers te worden opgeleid. Het HACCP-systeem is een instrument om exploitanten van levensmiddelenbedrijven te helpen een hogere voedselveiligheidsstandaard te bereiken. Het HACCP-systeem dient niet beschouwd te worden als een zelfreguleringsmechanisme en is geen vervanging voor officiële controles.

(14)

Ofschoon de vereiste om op de HACCP-beginselen gebaseerde procedures op te stellen in eerste instantie niet moet gelden voor de primaire productie, is de eventuele haalbaarheid van een uitbreiding van deze eis evenwel een onderdeel van de evaluatie die de Commissie na de toepassing van de verordening zal uitvoeren. Het is evenwel zinvol dat de lidstaten de exploitanten stimuleren om op het niveau van de primaire productie deze beginselen zo veel mogelijk toe te passen.

(15)

In de voorschriften voor een HACCP-systeem moet rekening worden gehouden met de beginselen die zijn vastgelegd in de Codex Alimentarius. Zij moeten de nodige soepelheid bieden om het systeem overal te kunnen toepassen, ook in kleine bedrijven. Met name dient te worden onderkend dat in bepaalde levensmiddelenbedrijven geen kritische controlepunten kunnen worden bepaald en dat in sommige gevallen goede hygiënepraktijken een alternatief kunnen zijn voor het controleren op kritische controlepunten. Evenmin betekent de eis om „kritische grenswaarden” vast te stellen dat er voor elk geval een getalsmatige grenswaarde moet worden vastgesteld. De eis om documenten te bewaren moet soepel zijn om te voorkomen dat zeer kleine bedrijven te zwaar belast worden.

(16)

Flexibiliteit is ook wenselijk om het voortgezet gebruik van traditionele methoden in alle stadia van de productie, verwerking en distributie van levensmiddelen mogelijk te maken alsook in verband met de structurele vereisten voor inrichtingen. Flexibiliteit is met name belangrijk voor regio's met bijzondere geografische beperkingen, met inbegrip van de in artikel 299, lid 2, van het Verdrag genoemde ultraperifere gebieden. Deze flexibiliteit mag echter de doelstellingen inzake levensmiddelenhygiëne niet in het gedrang brengen. Aangezien alle overeenkomstig de hygiënevoorschriften geproduceerde levensmiddelen vrij in de Gemeenschap zullen circuleren, moet de procedure op grond waarvan lidstaten flexibiliteit kunnen hanteren bovendien volledig transparant zijn. De procedure moet indien nodig voorzien in overleg met het bij Verordening (EG) nr. 178/2002 ingestelde Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid om zo nodig meningsverschillen op te lossen.

(17)

Voor de toepassing van de hygiënevoorschriften kunnen doelstellingen worden vastgelegd, bijvoorbeeld de verlaging van de pathogenen of de vaststelling van prestatienormen. Er moet dus in de daarvoor vereiste procedures worden voorzien. Deze doelstellingen kunnen een aanvulling vormen op de bestaande levensmiddelenwetgeving, zoals Verordening (EEG) nr. 315/93 van de Raad van 8 februari 1993 tot vaststelling van communautaire procedures inzake verontreinigingen in levensmiddelen (7), op grond waarvan grenswaarden voor specifieke contaminanten kunnen worden vastgesteld, en Verordening (EG) nr. 178/2002, die het in de handel brengen van onveilige levensmiddelen verbiedt en een uniforme basis biedt voor de toepassing van het voorzorgsbeginsel.

(18)

Teneinde rekening te houden met de vooruitgang op technisch en wetenschappelijk gebied, dient nauwe en doeltreffende samenwerking tussen de Commissie en de lidstaten te worden gewaarborgd in het kader van het bij Verordening (EG) nr. 178/2002 ingestelde Permanent Comité. Deze verordening houdt rekening met de internationale verplichtingen die zijn vastgelegd in de WTO-overeenkomst inzake sanitaire en fytosanitaire maatregelen en de internationale voedselveiligheidsnormen in de Codex Alimentarius.

(19)

Voor een efficiënte uitvoering van de officiële controles door de bevoegde autoriteiten is het nodig dat de instellingen geregistreerd worden en dat de exploitanten van levensmiddelenbedrijven samenwerken.

(20)

De traceerbaarheid van levensmiddelen en levensmiddeleningrediënten in de gehele voedselketen is essentieel voor de voedselveiligheid. Verordening (EG) nr. 178/2002 bevat regels inzake de traceerbaarheid van levensmiddelen en levensmiddeleningrediënten alsmede een procedure voor de aanneming van uitvoeringsbepalingen om die beginselen in specifieke sectoren toe te passen.

(21)

In de Gemeenschap ingevoerde levensmiddelen moeten voldoen aan de algemene eisen van Verordening (EG) nr. 178/2002 of voldoen aan veiligheidseisen die gelijkwaardig zijn aan communautaire voorschriften. De onderhavige verordening geeft bepaalde specifieke hygiënevoorschriften voor in de Gemeenschap ingevoerd voedsel.

(22)

Uit de Gemeenschap naar derde landen uitgevoerd voedsel moet voldoen aan de algemene voorschriften van Verordening (EG) nr. 178/2002. De onderhavige verordening geeft bepaalde specifieke hygiënevoorschriften voor uit de Gemeenschap uitgevoerd voedsel.

(23)

De communautaire wetgeving inzake levensmiddelenhygiëne moet gebaseerd zijn op wetenschappelijk advies. Daartoe dient indien nodig de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid te worden geraadpleegd.

(24)

Aangezien de onderhavige verordening Richtlijn 93/43/EEG vervangt dient deze richtlijn te worden ingetrokken.

(25)

De voorschriften van deze verordening zijn niet van toepassing totdat alle delen van de nieuwe wetgeving inzake levensmiddelenhygiëne in werking zijn getreden. Voorts dient te worden voorzien in een periode van ten minste 18 maanden tussen de inwerkingtreding en de toepassing van de nieuwe regels om de betrokken sectoren tijd te geven om zich aan te passen.

(26)

De voor de uitvoering van deze verordening vereiste maatregelen dienen te worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden (8),

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Werkingssfeer

1.   In deze verordening worden de algemene hygiënevoorschriften op het gebied van levensmiddelen voor exploitanten van levensmiddelenbedrijven vastgesteld, waarbij met name rekening wordt gehouden met de volgende beginselen:

a)

de verantwoordelijkheid voor de voedselveiligheid berust in eerste instantie bij de exploitant van het levensmiddelenbedrijf;

b)

de voedselveiligheid moet in de gehele voedselketen gewaarborgd zijn, te beginnen bij de primaire productie;

c)

voor levensmiddelen die niet op een veilige manier bij omgevingstemperatuur kunnen worden opgeslagen, met name bevroren levensmiddelen, is het belangrijk de koudeketen in stand te houden;

d)

algemene toepassing van procedures die gebaseerd zijn op de beginselen van het HACCP-systeem, wat, samen met goede hygiënepraktijken, resulteert in een grotere verantwoordelijkheid voor de exploitanten van levensmiddelenbedrijven;

e)

gidsen voor goede praktijken zijn een zeer handzaam instrument om exploitanten van een levensmiddelenbedrijf wegwijs te maken in de naleving van de voorschriften inzake levensmiddelenhygiëne in alle stadia van de voedselketen, alsmede in de toepassing van de HACCP-beginselen;

f)

er dienen microbiologische criteria en voorschriften inzake temperatuurbeheersing te worden vastgesteld op basis van een wetenschappelijke risico-evaluatie;

g)

er moet op worden toegezien dat ingevoerde levensmiddelen voldoen aan dezelfde of aan gelijkwaardige gezondheidsnormen als levensmiddelen van communautaire oorsprong.

Zij is van toepassing op alle stadia van de productie, verwerking en distributie van levensmiddelen, alsmede op de uitvoer. Zij laat meer specifieke voorschriften inzake voedselhygiëne onverlet.

2.   Deze verordening is niet van toepassing op:

a)

de primaire productie voor particulier huishoudelijk gebruik;

b)

de huishoudelijke bereiding, het hanteren of de opslag van levensmiddelen voor particulier huishoudelijk verbruik;

c)

de rechtstreekse levering, door de producent, van kleine hoeveelheden primaire producten aan de eindverbruiker of de plaatselijke detailhandel die rechtstreeks aan de eindverbruiker levert,

d)

verzamelcentra en leerlooierijen die alleen onder de definitie van levensmiddelenbedrijf vallen omdat zij grondstoffen hanteren voor de vervaardiging van gelatine of collageen.

3.   De lidstaten stellen regels vast inzake de in lid 2, onder c, bedoelde activiteiten. Dergelijke nationale regels waarborgen de verwezenlijking van de doelstellingen van de verordening.

Artikel 2

Definities

1.   Voor de uitvoering van deze verordening gelden de volgende definities:

a)

„levensmiddelenhygiëne”, hierna „hygiëne” te noemen: de maatregelen en voorschriften die nodig zijn om de aan een levensmiddel verbonden gevaren tegen te gaan en de geschiktheid van een levensmiddel voor menselijke consumptie te waarborgen, met inachtneming van het beoogde gebruik;

b)

„basisproducten”: producten van de primaire productie, met inbegrip van producten van de grond, de veehouderij, de jacht en de visserij;

c)

„inrichting”: elke eenheid van een levensmiddelenbedrijf;

d)

„bevoegde autoriteit”: de centrale autoriteit van een lidstaat die bevoegd is om ervoor te zorgen dat aan de vereisten van deze verordening wordt voldaan, elke andere autoriteit waaraan die centrale autoriteit haar bevoegdheid heeft gedelegeerd, of de overeenkomstige autoriteit van een derde land;

e)

„gelijkwaardig”: de mogelijkheid om met verschillende methoden of regelingen dezelfde doelstellingen te bereiken;

f)

„verontreiniging”: de aanwezigheid of de introductie van een gevaar;

g)

„drinkwater”: water dat voldoet aan de minimumvereisten inzake voor menselijke consumptie bestemd water die zijn vastgesteld bij Richtlijn 98/83/EG van 3 november 1998 betreffende de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water (9);

h)

„schoon zeewater”: natuurlijk of gezuiverd zee- of brakwater dat geen micro-organismen, schadelijke stoffen of giftig zeeplankton bevat in een hoeveelheid die direct of indirect invloed kan hebben op de gezondheidskwaliteit van levensmiddelen;

i)

„schoon water”: schoon zeewater en zoet water van een vergelijkbare kwaliteit;

j)

„onmiddellijke verpakking”: het plaatsen van een levensmiddel in een omhulsel of een bergingsmiddel dat rechtstreeks in contact komt met het betrokken levensmiddel, alsmede het omhulsel of het bergingsmiddel zelf;

k)

„verpakking”: het plaatsen van een of meer van een onmiddellijke verpakking voorziene levensmiddelen in een tweede bergingsmiddel, alsmede het tweede bergingsmiddel zelf;

l)

„hermetisch gesloten recipiënt”: een recipiënt die zo ontworpen en vervaardigd is dat hij volledig afgesloten is voor gevaren;

m)

„verwerking”: handeling die het oorspronkelijke product ingrijpend wijzigt, onder meer door middel van verhitten, roken, zouten, rijpen, drogen, marineren, extraheren of extruderen, of een combinatie van dergelijke behandelingen;

n)

„onverwerkte producten”: levensmiddelen die geen behandeling hebben ondergaan, met inbegrip van producten die zijn verdeeld, in partjes, plakken of stukken gesneden, uitgebeend, gehakt, van de huid ontdaan, gemalen, versneden, gereinigd, bijgesneden, gepeld, geplet, gekoeld, bevroren, diepgevroren of ontdooid;

o)

„verwerkte producten”: levensmiddelen die zijn ontstaan door de verwerking van onverwerkte producten; deze producten kunnen ingrediënten bevatten die nodig zijn voor de vervaardiging ervan of om ze specifieke kenmerken te geven.

2.   De definities die zijn vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 178/2002 gelden eveneens.

3.   In de bijlagen wordt verstaan onder „indien nodig”, „indien geschikt”, „passend” en „voldoende” respectievelijk indien nodig, indien geschikt, passend en voldoende om de doelstellingen van deze verordening te verwezenlijken.

HOOFDSTUK II

VERPLICHTINGEN VAN DE EXPLOITANTEN VAN LEVENSMIDDELENBEDRIJVEN

Artikel 3

Algemene verplichting

Exploitanten van levensmiddelenbedrijven zorgen ervoor dat alle stadia van de productie, verwerking en distributie van levensmiddelen die zij onder hun beheer hebben, voldoen aan de bij onderhavige verordening vastgestelde toepasselijke hygiënevoorschriften.

Artikel 4

Algemene en specifieke hygiënevoorschriften

1.   Exploitanten van levensmiddelenbedrijven die zich bezighouden met primaire productie en de in bijlage I bedoelde, daarmee verband houdende bewerkingen, houden zich aan de algemene hygiënevoorschriften van deel A van bijlage I, alsmede aan alle andere specifieke voorschriften van Verordening (EG) nr. .../2004 (10).

2.   Exploitanten van levensmiddelenbedrijven die zich bezighouden met enigerlei stadium van de productie, verwerking en distributie van levensmiddelen dat volgt op de stadia waarop lid 1 van toepassing is, houden zich aan de algemene hygiënevoorschriften van bijlage II, alsmede aan alle specifieke voorschriften van Verordening (EG) nr. .../2004 (10).

3.   Exploitanten van levensmiddelenbedrijven moeten voorzover van toepassing, de volgende specifieke hygiënemaatregelen treffen::

a)

voldoen aan de microbiologische criteria voor levensmiddelen;

b)

procedures om de doelstellingen van deze verordening te bereiken;

c)

voldoen aan de vereisten inzake temperatuurbeheersing voor levensmiddelen;

d)

handhaving van het koelcircuit;

e)

steekproeven en analyses.

4.   De in lid 3 bedoelde criteriavereisten en doelstellingen worden volgens de in artikel 14, lid 2, bedoelde procedure vastgesteld.

De bijbehorende bemonsterings- en analysemethoden worden volgens dezelfde procedure vastgesteld.

5.   Wanneer in deze verordening, in Verordening (EG) nr. .../2004 (10) en in de uitvoeringsbepalingen daarvan geen bemonsterings- of analysemethoden zijn gespecificeerd, mogen exploitanten van levensmiddelenbedrijven passende, in andere communautaire wetgeving of in de nationale wetgeving vastgelegde methoden hanteren of, bij gebreke daarvan, methoden die resultaten opleveren welke gelijkwaardig zijn met de resultaten die bij gebruik van de referentiemethode worden verkregen, als die methoden wetenschappelijk gevalideerd zijn overeenkomstig de internationaal erkende regels of protocollen.

6.   6 Exploitanten van levensmiddelenbedrijven mogen de in de artikelen 7 tot en met 9 bedoelde gidsen als hulpmiddel gebruiken om aan hun verplichtingen ingevolge deze verordening te voldoen.

Artikel 5

Risicoanalyse en kritische controlepunten

1.   Exploitanten van levensmiddelenbedrijven dragen zorg voor de invoering, de uitvoering en de handhaving van een of meer permanente procedures die gebaseerd zijn op de HACCP-beginselen.

2.   De in lid 1 bedoelde HACCP-beginselen betreffen:

a)

het onderkennen van elk gevaar dat voorkomen, geëlimineerd of tot een aanvaardbaar niveau gereduceerd moet worden;

b)

het identificeren van de kritische controlepunten in het stadium of de stadia waarin controle essentieel is om een gevaar te voorkomen of te elimineren dan wel tot een aanvaardbaar niveau te reduceren;

c)

het vaststellen van kritische grenswaarden voor de kritische controlepunten teneinde te kunnen bepalen wat aanvaardbaar en wat niet aanvaardbaar is op het vlak van preventie, eliminatie of reductie van een onderkend gevaar;

d)

het vaststellen en toepassen van efficiënte bewakingsprocedures op de kritische controlepunten;

e)

het vaststellen van corrigerende maatregelen wanneer uit de bewaking zou blijken dat een kritisch controlepunt niet volledig onder controle is;

f)

het vaststellen van procedures om na te gaan of de in de punten a) tot en met e) bedoelde maatregelen naar behoren functioneren, waarbij regelmatig verificatieprocedures worden uitgevoerd; en

g)

het opstellen van aan de aard en de omvang van het levensmiddelenbedrijf aangepaste documenten en registers, teneinde aan te tonen dat de in de punten a) tot en met f) omschreven maatregelen daadwerkelijk worden toegepast.

Ingeval het product, de verwerking of een stadium daarvan enige wijziging ondergaat, dient de exploitant van het levensmiddelenbedrijf de procedure te herzien en waar nodig aan te passen.

3.   Lid 1 is alleen van toepassing op exploitanten van levensmiddelenbedrijven die zich bezighouden met een op de primaire productie volgende fase van de productie, de verwerking en de distributie van levensmiddelen en de in bijlage I bedoelde, daarmee verband houdende handelingen.

4.   Exploitanten van levensmiddelenbedrijven:

a)

dienen tegenover de bevoegde autoriteit aan te tonen dat zij de bepaling van lid 1 op zodanige wijze naleven als de bevoegde autoriteit verlangt, rekening houdend met de aard en de omvang van het levensmiddelenbedrijf;

b)

zorgen ervoor dat alle documenten met de beschrijving van de overeenkomstig dit artikel ontwikkelde procedures altijd geactualiseerd zijn;

c)

bewaren alle overige documenten en verslagen gedurende een passende periode.

5.   Nadere bepalingen ter uitvoering van dit artikel kunnen worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 14, lid 2. Dergelijke bepalingen kunnen voor bepaalde exploitanten van levensmiddelenbedrijven de toepassing van dit artikel vergemakkelijken, in het bijzonder door te voorzien in het gebruik van procedures omschreven in de gidsen voor de toepassing van de HACCP-beginselen, om zodoende aan de eisen van lid 1 te voldoen. In deze bepalingen kan ook gespecificeerd worden hoe lang exploitanten van levensmiddelenbedrijven de documenten en verslagen overeenkomstig artikel 4, onder c, dienen te bewaren.

Artikel 6

Officiële controles, registratie en erkenning

1.   Exploitanten van levensmiddelenbedrijven dienen met de bevoegde autoriteiten samen te werken overeenkomstig andere toepasselijke communautaire wetgeving of, bij gebreke daarvan, nationale wetgeving.

2.   In het bijzonder stelt elke exploitant van een levensmiddelenbedrijf de bevoegde autoriteit op de door haar met het oog op registratie voorgeschreven wijze op de hoogte van elke inrichting die onder zijn beheer enigerlei activiteit in de stadia van de productie, verwerking en distributie van levensmiddelen uitvoert.

Exploitanten van levensmiddelenbedrijven zorgen er tevens voor dat de bevoegde autoriteit altijd over actuele informatie over de inrichtingen beschikt, onder meer door elke wezenlijke wijziging van de activiteiten en elke sluiting van een bestaande inrichting te melden.

3.   Exploitanten van levensmiddelenbedrijven zien er evenwel op toe dat alle inrichtingen, na ten minste één bezoek ter plaatse, erkend worden door de bevoegde autoriteit, voorzover erkenning vereist is krachtens

a)

de nationale wetgeving van de lidstaat waar de inrichting gevestigd is;

b)

Verordening (EG) nr. .../2004 (11); of

c)

een volgens de procedure van artikel 14, lid 2, aangenomen besluit.

Lidstaten die verlangen dat bepaalde inrichtingen op hun grondgebied krachtens het nationale recht erkend zijn overeenkomstig het onder a) bepaalde, brengen de Commissie en de andere lidstaten op de hoogte van de toepasselijke nationale regels.

HOOFDSTUK III

GIDSEN VOOR GOEDE PRAKTIJKEN

Artikel 7

Opstelling, verspreiding en gebruik van de gidsen

De lidstaten stimuleren de opstelling van nationale gidsen voor goede praktijken inzake hygiëne en de toepassing van de HACCP-beginselen, overeenkomstig artikel 8. Communautaire gidsen worden opgesteld overeenkomstig artikel 9.

De verspreiding en het gebruik van de nationale en de communautaire gidsen worden gestimuleerd. De exploitanten van levensmiddelenbedrijven mogen die gidsen echter op vrijwillige basis gebruiken.

Artikel 8

Nationale gidsen

1.   Worden nationale gidsen voor goede praktijen opgesteld, dan dient de levensmiddelenbranche deze op te stellen en te verspreiden:

a)

in overleg met vertegenwoordigers van belanghebbende partijen welker belangen wezenlijk in het geding kunnen zijn, zoals bij voorbeeld bevoegde instanties en consumentengroeperingen,

b)

rekening houdend met de desbetreffende richtlijnen voor de praktijk van de Codex Alimentarius; en

c)

wanneer zij betrekking hebben op de primaire productie en de in bijlage I bedoelde, daarmee verband houdende bewerkingen, rekening houdend met de aanbevelingen in deel B van bijlage I.

2.   De nationale gidsen kunnen worden opgesteld onder auspiciën van een nationale normalisatie-instelling als bedoeld in bijlage II bij Richtlijn 98/34/EG (12).

3.   De lidstaten beoordelen de nationale gidsen om ervoor te zorgen dat:

a)

zij in overeenstemming met lid 1 opgesteld zijn;

b)

de inhoud van de gidsen bruikbaar is voor de sectoren waarop ze betrekking hebben; en

c)

zij als leidraad kunnen dienen voor de naleving van de artikelen 3, 4 en 5 in de betrokken sectoren en/of voor de betrokken levensmiddelen.

4.   De lidstaten zenden de Commissie de nationale gidsen die aan lid 3 voldoen. De Commissie creëert een systeem voor de registratie van die gidsen dat zij bijwerkt en ter beschikking stelt van de lidstaten.

5.   De overeenkomstig Richtlijn 93/43/EEG opgestelde gidsen voor goede praktijken blijven van toepassing na de inwerkingtreding van deze verordening, mits zij met de doelstellingen hiervan stroken.

Artikel 9

Communautaire gidsen

1.   Voordat communautaire gidsen voor goede praktijken inzake hygiëne of de toepassing van de HACCP-beginselen worden opgesteld, raadpleegt de Commissie het in artikel 14 bedoelde comité. Deze raadpleging heeft ten doel na te gaan of de gidsen nodig zijn en zo ja, het toepassingsgebied en het onderwerp ervan te bepalen.

2.   Wanneer er communautaire gidsen worden opgesteld ziet de Commissie erop toe dat zij worden opgesteld en verspreid:

a)

door of in overleg met vertegenwoordigers van de verschillende sectoren van de Europese levensmiddelenbranche, inclusief het midden- en kleinbedrijf, en van andere belanghebbende partijen, zoals consumentengroeperingen;

b)

in samenwerking met de partijen waarvan de belangen wezenlijk kunnen worden geraakt, met inbegrip van de bevoegde autoriteiten;

c)

rekening houdend met de desbetreffende richtlijnen voor de praktijk van de Codex Alimentarius; en

d)

wanneer zij betrekking hebben op de primaire productie en de in bijlage I bedoelde, daarmee verband houdende bewerkingen, rekening houdend met de aanbevelingen in deel B van bijlage I.

3.   Het in artikel 14 bedoelde comité beoordeelt het ontwerp van de communautaire gidsen om ervoor te zorgen dat:

a)

zij in overeenstemming met lid 2 zijn opgesteld;

b)

de inhoud van de gidsen in de gehele Gemeenschap bruikbaar is voor de sectoren waarop zij betrekking hebben; en

c)

als leidraad kunnen dienen voor de naleving van de artikelen 3, 4 en 5 in de betrokken sectoren en/of voor de betrokken levensmiddelen.

4.   De Commissie zal het in artikel 14 bedoelde comité verzoeken om overeenkomstig onderhavig artikel opgestelde gidsen regelmatig in samenwerking met de in lid 2 vermelde organen te herzien.

Het doel van deze herziening is ervoor te zorgen dat de gidsen praktisch uitvoerbaar blijven en aansluiten op de technologische en wetenschappelijke ontwikkelingen.

5.   De titels en referenties van de volgens dit artikel opgestelde communautaire gidsen worden bekendgemaakt in de C-reeks van het Publicatieblad van de Europese Unie.

HOOFDSTUK IV

INVOER EN UITVOER

Artikel 10

Invoer

De voor de hygiëne van ingevoerde levensmiddelen toepasselijke voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, bedoeld in artikel 11 van Verordening (EG) nr. 178/2002, omvatten ook de in de artikelen 3 tot en met 6 van deze verordening vastgestelde voorschriften.

Artikel 11

Uitvoer

De voor de hygiëne van uitgevoerde of wederuitgevoerde levensmiddelen toepasselijke voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, bedoeld in artikel 12 van Verordening (EG) nr. 178/2002, omvatten ook de in de artikelen 3 tot en met 6 van deze verordening vastgestelde voorschriften.

HOOFDSTUK V

SLOTBEPALINGEN

Artikel 12

Uitvoeringsbepalingen en overgangsmaatregelen

Uitvoeringsbepalingen en overgangsmaatregelen kunnen worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 14, lid 2.

Artikel 13

Wijziging en aanpassing van de bijlagen I en II

1.   De bepalingen in de bijlagen I en II kunnen worden aangepast of geactualiseerd volgens de in artikel 14, lid 2, bedoelde procedure, waarbij rekening gehouden wordt met:

a)

de noodzaak tot herziening van de aanbevelingen als vermeld in bijlage I, deel B, punt 2;

b)

de ervaring die is opgedaan met de toepassing van HACCP-systemen overeenkomstig artikel 5;

c)

de technische ontwikkelingen en de praktische gevolgen ervan en de verwachtingen van de consument ten aanzien van de samenstelling van de levensmiddelen;

d)

het wetenschappelijk advies, met name nieuwe risicobeoordelingen; of

e)

de microbiologische en temperatuurcriteria voor levensmiddelen.

2.   Uitzonderingen op het bepaalde in de bijlagen I en II kunnen worden toegestaan, met name om de tenuitvoerlegging van artikel 5 voor kleine ondernemingen te vereenvoudigen, volgens de in artikel 14, lid 2, bedoelde procedure, daarbij rekening houdend met de relevante risicofactoren, voorzover deze uitzonderingen geen gevolgen hebben voor het bereiken van de bij deze verordening vastgestelde doeleinden.

3.   De lidstaten mogen, zonder daarbij de doelstellingen van deze verordening in het gedrang te brengen, overeenkomstig de leden 4 tot en met 7, nationale maatregelen treffen om de in bijlage II vastgestelde voorschriften aan te passen.

4.

a)

De in lid 3 bedoelde nationale maatregelen zijn bedoeld:

i)

om het voortgezet gebruik van traditionele methoden in alle stadia van de productie, verwerking en distributie van levensmiddelen mogelijk te maken; of

ii)

om door middel van aanpassingen tegemoet te komen aan de behoeften van levensmiddelenbedrijven die gelegen zijn in een gebied met bijzondere geografische beperkingen;

b)

In andere omstandigheden hebben zij alleen betrekking op de bouw, de indeling en de uitrusting van inrichtingen.

5.   Lidstaten die nationale maatregelen als bedoeld in lid 3 willen aannemen, stellen de Commissie en de andere lidstaten daarvan in kennis. De kennisgeving omvat:

a)

een gedetailleerde beschrijving van de voorschriften die volgens die lidstaat aangepast moeten worden en de aard van de gewenste aanpassing;

b)

een beschrijving van de betrokken levensmiddelen en inrichtingen;

c)

de motivering van de aanpassing (waaronder, zo nodig, een samenvatting van de risicoanalyse en van de maatregelen die genomen moeten worden om ervoor te zorgen dat de aanpassing de doelstellingen van deze verordening niet in het gedrang brengt); en

d)

alle andere relevante informatie.

6.   De andere lidstaten hebben na ontvangst van de kennisgeving als bedoeld in lid 5 drie maanden de tijd om schriftelijke opmerkingen aan de Commissie toe te zenden. Ingeval van aanpassingen als bedoeld in lid 4, onder b, wordt deze termijn op verzoek van een lidstaat tot vier maanden verlengd. De Commissie kan de lidstaten raadplegen in het in artikel 14 bedoelde comité en is gehouden deze mogelijkheid te gebruiken wanneer zij schriftelijke opmerkingen van één of meer lidstaten ontvangt. De Commissie kan volgens de in artikel 14, lid 2, bedoelde procedure besluiten of de voorgenomen maatregelen, zo nodig na passende wijzigingen, kunnen worden toegepast. In voorkomend geval kan de Commissie overeenkomstig lid 1 of lid 2 van dit artikel algemene maatregelen voorstellen.

7.   Lidstaten kunnen nationale maatregelen tot wijziging van de voorschriften in bijlage II uitsluitend aannemen,

a)

op grond van een overeenkomstig lid 6 aangenomen besluit; of

b)

indien de Commissie een maand na afloop van de in lid 6 bedoelde termijn de lidstaten nog niet heeft meegedeeld dat zij schriftelijke opmerkingen heeft ontvangen of dat zij voornemens is overeenkomstig lid 6 de aanneming van een besluit voor te stellen.

Artikel 14

Procedure van het Permanent Comité

1.   De Commissie wordt bijgestaan door het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid, ingesteld bij Verordening (EG) nr. 178/2002.

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 5 en 7 van Besluit 1999/468/EG, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit, van toepassing.

De in artikel 5, lid 6, van dat besluit bedoelde termijn bedraagt drie maanden.

3.   Het Comité stelt zijn reglement van orde vast.

Artikel 15

Raadpleging van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid

De Commissie raadpleegt de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid over elke aangelegenheid binnen de werkingssfeer van onderhavige verordening die wezenlijke gevolgen kan hebben voor de volksgezondheid, met name alvorens criteria, vereisten of doelstellingen overeenkomstig artikel 4, lid 4, voor te stellen.

Artikel 16

Verslag aan het Europees Parlement en de Raad

1.   Uiterlijk ... (13) brengt de Commissie bij het Europees Parlement en bij de Raad verslag uit.

2.   In het verslag wordt in het bijzonder de bij de toepassing van deze verordening opgedane ervaring geëvalueerd en nagegaan of het wenselijk en uitvoerbaar is de in artikel 5 bedoelde voorschriften uit te breiden tot exploitanten van levensmiddelenbedrijven die zich bezighouden met primaire productie en de in bijlage I vermelde, daarmee verband houdende bewerkingen.

3.   De Commissie laat dit verslag zo nodig vergezeld gaan van passende voorstellen.

Artikel 17

Intrekking

1.   Richtlijn 93/43/EEG wordt ingetrokken met ingang van de datum van toepassing van deze verordening.

2.   Verwijzingen naar de ingetrokken richtlijn gelden als verwijzingen naar de onderhavige richtlijn.

3.   Op basis van de artikelen 3, lid 3, en 10 van die richtlijn aangenomen besluiten blijven echter van kracht totdat zij worden vervangen door bepalingen die op basis van deze verordening of Verordening (EG) nr. 178/2002 zijn aangenomen. Zolang de in artikel 4, lid 3, onder a) tot en met e), bedoelde criteria of vereisten niet zijn vastgesteld, mogen de lidstaten hun overeenkomstig Richtlijn 93/43/EEG vastgestelde nationale regels voor de bepaling van dergelijke criteria handhaven.

4.   In afwachting van de toepassing van nieuwe communautaire wetgeving met voorschriften voor officiële levensmiddelencontrole nemen de lidstaten alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat zij voldoen aan de verplichtingen die in of krachtens onderhavige verordening zijn vastgelegd.

Artikel 18

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing 18 maanden na de datum waarop alle volgende besluiten in werking zijn getreden:

a)

Verordening (EG) nr. .../2004 (14),

b)

Verordening (EG) nr. .../2004 van het Europees parlement en van de Raad van ... houdende vaststelling van specifieke voorschriften voor de organisatie van de officiële controles van voor menselijke consumptie bestemde producten van dierlijke oorsprong (14); en

c)

Richtlijn 2004/41/EG van het Europees Parlement en de Raad van ... houdende intrekking van bepaalde richtlijnen inzake levensmiddelenhygiëne en tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften voor de productie en het in de handel brengen van bepaalde voor menselijke consumptie bestemde producten van dierlijke oorsprong (14).

Zij is evenwel niet vóór 1 januari 2006 van toepassing.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te ..., op ...

Voor het Europees Parlement

De Voorzitter

Voor de Raad

De Voorzitter


(1)  PB C 365 E van 19.12.2000, blz. 43.

(2)  PB C 155 van 29.5.2001, blz. 39.

(3)  Advies van het Europees Parlement van 15 mei 2002 (PB C 180 E van 31.7.2003, blz. 267), gemeenschappelijk standpunt van de Raad van 27 oktober 2003 (PB C 48 E van 24.2.2004, blz. 1) en standpunt van het Europees Parlement van 30 maart 2004.

(4)  Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1). Verordening zoals gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1642/2003 (PB L 245 van 29.9.2003, blz. 4).

(5)  PB L 175 van 19.7.1993, blz. 1. Richtlijn gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1882/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 284 van 31.10.2003, blz. 1).

(6)  Nog niet in het PB gepubliceerd.

(7)  PB L 37 van 13.2.1993, blz. 1. Verordening zoals gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1882/2003.

(8)  PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.

(9)  PB L 330 van 5.12.1998, blz. 32. Richtlijn zoals gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1882/2003.

(10)  Nog niet in het PB gepubliceerd.

(11)  Nog niet in het PB gepubliceerd.

(12)  Richtlijn 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften (PB L 204 van 21.7.1998, blz. 37). Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 98/48/EG (PB L 217 van 5.8.1998, blz. 18).

(13)  Vijf jaar na de inwerkingtreding van deze verordening.

(14)  Nog niet in het PB gepubliceerd.

BIJLAGE I

PRIMAIRE PRODUCTIE

DEEL A: ALGEMENE HYGIËNEVOORSCHRIFTEN VOOR DE PRIMAIRE PRODUCTIE EN DAARMEE VERBAND HOUDENDE BEWERKINGEN

I.   WERKINGSSFEER

1. Deze bijlage is van toepassing op de primaire productie en de volgende daarmee verband houdende bewerkingen:

a)

het vervoer, de opslag en het hanteren van primaire producten op de plaats van productie, voorzover hun aard hierdoor niet ingrijpend wordt gewijzigd;

b)

het vervoer van levende dieren, indien dit noodzakelijk is om de doelstellingen van deze verordening te verwezenlijken; en

c)

in het geval van producten van plantaardige oorsprong, visserijproducten en vrij wild, vervoershandelingen met het doel om producten waarvan de aard niet wezenlijk is veranderd, van de plaats van productie aan een inrichting te leveren.

II.   HYGIËNEVOORSCHRIFTEN

2. Exploitanten van levensmiddelenbedrijven zien er in de mate van het mogelijke op toe dat primaire producten beschermd worden tegen verontreiniging met betrekking tot elke verdere verwerking van primaire producten.

3. Onverminderd de in punt 2 bedoelde algemene verplichting moeten exploitanten van levensmiddelenbedrijven voldoen aan de toepasselijke communautaire en nationale wettelijke bepalingen betreffende het onder controle houden van gevaren voor de primaire productie en daarmee verband houdende bewerkingen, met inbegrip van:

a)

maatregelen voor het onder controle houden van verontreiniging door lucht, bodem, water, diervoeder, meststoffen, geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik, gewasbeschermingsmiddelen en biociden, en de opslag, het hanteren en verwijderen van afvalstoffen en

b)

maatregelen die verband houden met de gezondheid en het welzijn van dieren en de gezondheid van planten en die gevolgen hebben voor de gezondheid van de mens, inclusief programma's voor bewaking en bestrijding van zoönosen en zoönoseverwekkers.

4. Exploitanten van levensmiddelenbedrijven die dieren fokken, oogsten of bejagen, of primaire producten van dierlijke oorsprong produceren, nemen afdoende maatregelen om, indien nodig:

a)

alle infrastructuur die voor primaire productie en daarmee verband houdende bewerkingen gebruikt worden, inclusief infrastructuur voor de opslag en hantering van diervoeder, schoon te maken en die indien nodig na het schoonmaken op passende wijze te ontsmetten;

b)

uitrusting, recipiënten, kratten, voertuigen en vaartuigen, schoon te houden en indien nodig na het schoonmaken op passende wijze te ontsmetten;

c)

in de mate van het mogelijke toe te zien op de reinheid van slachtdieren en indien nodig van productiedieren;

d)

altijd drinkwater of schoon water te gebruiken, wanneer zulks noodzakelijk is om verontreiniging te voorkomen;

e)

erop toe te zien dat personeel dat levensmiddelen hanteert in goede gezondheid verkeert en onderricht wordt in gezondheidsrisico's;

f)

voor zover mogelijk te voorkomen dat dieren en schadelijke organismen verontreiniging veroorzaken;

g)

afval en gevaarlijke stoffen zo op te slaan en te hanteren dat verontreiniging voorkomen wordt;

h)

de insleep en verspreiding van besmettelijke, via levensmiddelen op de mens overdraagbare ziekten te voorkomen, onder meer door voorzorgsmaatregelen te nemen wanneer nieuwe dieren worden binnengebracht en verdachte haarden van dit soort ziekten aan de bevoegde autoriteit te melden;

i)

rekening te houden met de voor de volksgezondheid relevante analyses van bij dieren genomen monsters of van andere monsters; en

j)

toevoegingsmiddelen voor diervoeders en geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik correct toe te passen overeenkomstig de toepasselijke wetgeving.

5. Exploitanten van levensmiddelenbedrijven die plantaardige producten produceren of oogsten, nemen afdoende maatregelen om, indien van toepassing:

a)

voorzieningen, uitrusting, recipiënten, kratten, voertuigen en vaartuigen schoon te houden en indien nodig na het schoonmaken op passende wijze te ontsmetten;

b)

zo nodig te zorgen voor hygiënische productie, vervoers- en opslagomstandigheden voor, en de reinheid van plantaardige producten;

c)

altijd drinkwater of schoon water te gebruiken, wanneer zulks noodzakelijk is om verontreiniging te voorkomen;

d)

erop toe te zien dat personeel dat levensmiddelen hanteert in goede gezondheid verkeert en onderricht wordt in gezondheidsrisico's;

e)

voor zover mogelijk te voorkomen dat dieren en schadelijke organismen verontreiniging veroorzaken;

f)

afval en gevaarlijke stoffen zo op te slaan en te hanteren dat verontreiniging voorkomen wordt;

g)

rekening te houden met de voor de volksgezondheid relevante analyses van bij planten genomen monsters of van andere monsters; en

h)

gewasbeschermingsmiddelen en biociden correct toe te passen overeenkomstig de toepasselijke wetgeving.

6. Exploitanten van levensmiddelenbedrijven moeten passende herstelmaatregelen nemen wanneer zij in kennis worden gesteld van tijdens de officiële controles vastgestelde problemen.

III.   HET BIJHOUDEN VAN REGISTERS

7. Exploitanten van levensmiddelenbedrijven moeten registers inzake maatregelen ter beheersing van gevaren voor levensmiddelen bijhouden en bewaren, zulks op een passende wijze en gedurende een passende termijn die afgestemd is op de aard en de omvang van het levensmiddelenbedrijf. Zij moeten de relevante informatie in deze registers desgevraagd ter beschikking stellen van de bevoegde autoriteit en van de ontvangende exploitanten van levensmiddelenbedrijven.

8. Exploitanten van levensmiddelenbedrijven die dieren fokken of primaire producten van dierlijke oorsprong produceren, moeten in het bijzonder registers bijhouden over:

a)

de aard en de oorsprong van aan de dieren gevoerde diervoeders;

b)

de toegediende geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik of andere behandelingen die de dieren hebben ondergaan, data van toediening of behandeling en wachttijden;

c)

de aanwezigheid van ziekten die de veiligheid van producten van dierlijke oorsprong in het gedrang kunnen brengen;

d)

de voor de volksgezondheid belangrijke resultaten van analyses van bij de dieren genomen monsters of van andere monsters voor diagnosedoeleinden; en

e)

alle toepasselijke controles van dieren of producten van dierlijke oorsprong.

9. Exploitanten van levensmiddelenbedrijven die plantaardige producten produceren of oogsten moeten in het bijzonder registers bijhouden over:

a)

elk gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en biociden;

b)

elke aanwezigheid van schadelijke organismen of ziekten die de veiligheid van producten van plantaardige oorsprong in het gedrang kunnen brengen; en

c)

de resultaten van voor de volksgezondheid relevante analyses van bij planten genomen monsters of van andere monsters.

10. Andere personen zoals dierenartsen, agronomen en landbouwtechnici mogen de exploitanten van levensmiddelenbedrijven bijstaan bij het bijhouden van de registers.

DEEL B: AANBEVELINGEN VOOR GIDSEN VOOR GOEDE HYGIËNISCHE PRAKTIJKEN

1. De in de artikelen 7 tot en met 9 van deze verordening bedoelde nationale en communautaire gidsen bevatten richtsnoeren voor goede hygiënische praktijken met het oog op het onder controle houden van gevaren voor de primaire productie en daarmee verband houdende bewerkingen.

2. De gidsen voor goede praktijken inzake hygiëne bevatten passende informatie over mogelijke gevaren tijdens de primaire productie en daarmee verband houdende bewerkingen en over maatregelen om gevaren onder controle te houden, met inbegrip van relevante maatregelen die vervat zijn in communautaire en nationale wetgeving, of nationale en communautaire programma's. Voorbeelden van dergelijke gevaren en maatregelen:

a)

het onder controle houden van verontreiniging door mycotoxines, zware metalen en radioactief materiaal;

b)

het gebruik van water, organisch afval en meststoffen;

c)

het correcte en adequate gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en biociden en de traceerbaarheid ervan;

d)

het correcte en adequate gebruik van geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik en toevoegingsmiddelen voor diervoeders en de traceerbaarheid ervan;

e)

de bereiding, de opslag, het gebruik en de traceerbaarheid van diervoeders;

f)

de correcte verwijdering van dode dieren, afval en stromest;

g)

beschermende maatregelen om de insleep van besmettelijke, via levensmiddelen op de mens overdraagbare ziekten te voorkomen, en de verplichting om de bevoegde autoriteiten daarvan in kennis te stellen;

h)

procedures, praktijken en methoden om te waarborgen dat levensmiddelen worden geproduceerd, gehanteerd, verpakt, opgeslagen en vervoerd onder passende hygiënische omstandigheden, met inbegrip van doeltreffende reiniging en bestrijding van schadelijke organismen;

i)

maatregelen om te zorgen dat slacht- en productiedieren schoon zijn;

j)

maatregelen met betrekking tot het bijhouden van registers.

BIJLAGE II

ALGEMENE HYGIËNEVOORSCHRIFTEN VOOR ALLE EXPLOITANTEN VAN LEVENSMIDDELENBEDRIJVEN (TENZIJ BIJLAGE I VAN TOEPASSING IS)

INLEIDING

De hoofdstukken V tot en met XII zijn van toepassing op alle stadia van de productie, verwerking en distributie van levensmiddelen, en zijn de overige hoofdstukken als volgt van toepassing:

hoofdstuk I is van toepassing op alle bedrijfsruimten voor levensmiddelen, behalve de ruimten waarop hoofdstuk III van toepassing is;

hoofdstuk II is van toepassing op alle ruimten waar levensmiddelen worden bereid, behandeld of verwerkt, behalve restauratieruimten en de ruimten waarop hoofdstuk III van toepassing is;

hoofdstuk III is van toepassing op de ruimten die worden opgesomd in de titel van het hoofdstuk;

hoofdstuk IV is van toepassing op alle vormen van vervoer.

HOOFDSTUK I

ALGEMENE EISEN VOOR BEDRIJFSRUIMTEN VOOR LEVENSMIDDELEN

(ANDERE DAN VERMELD IN HOOFDSTUK III)

1. Bedrijfsruimten voor levensmiddelen moeten schoon zijn en goed worden onderhouden.

2. De indeling, het ontwerp, de constructie, de ligging en de afmetingen van ruimtes voor levensmiddelen moeten zodanig zijn dat:

a)

onderhoud, reiniging en/of ontsmetting op adequate wijze kunnen worden uitgevoerd, verontreiniging door de lucht zoveel mogelijk wordt voorkomen en voldoende werkruimte beschikbaar is om alle bewerkingen op bevredigende wijze te kunnen uitvoeren;

b)

de ophoping van vuil, het contact met toxische materialen, het terechtkomen van deeltjes in levensmiddelen en de vorming van condens of ongewenste schimmel op oppervlakken worden voorkomen;

c)

goede hygiënische praktijken mogelijk zijn, onder andere door bescherming tegen verontreiniging, en met name bestrijding van schadelijke organismen; en

d)

voorzover dit nodig is, passende hanteringsomstandigheden en voldoende opslagruimte aanwezig zijn met een zodanige temperatuurregeling dat de levensmiddelen op de vereiste temperatuur kunnen worden gehouden, en met de nodige voorzieningen om de temperatuur te bewaken en zo nodig te registreren.

3. Er moet een voldoende aantal toiletten met spoeling aanwezig zijn die aangesloten zijn op een adequaat afvoersysteem. Toiletruimten mogen niet rechtstreeks uitkomen in ruimten waar voedsel wordt gehanteerd.

4. Er moet een voldoende aantal goed geplaatste en gemarkeerde wasbakken voor het reinigen van de handen aanwezig zijn. De wasbakken voor het reinigen van de handen moeten voorzien zijn van warm en koud stromend water en van middelen voor het reinigen en hygiënisch drogen van de handen. Voor zover dat nodig is moeten de voorzieningen voor het wassen van de levensmiddelen gescheiden zijn van de wasbakken voor het reinigen van de handen.

5. Er moeten voldoende en aangepaste mechanische, dan wel natuurlijke ventilatievoorzieningen aanwezig zijn. Door mechanische ventilatie veroorzaakte luchtstromen van besmette naar schone ruimten moeten worden vermeden. De ventilatiesystemen moeten zodanig zijn geconstrueerd dat filters en andere onderdelen die regelmatig schoongemaakt of vervangen moeten worden, gemakkelijk toegankelijk zijn.

6. Alle sanitaire installaties moeten voorzien zijn van adequate natuurlijke of mechanische ventilatie.

7. Inrichtingen moeten voldoende door daglicht en/of kunstlicht worden verlicht.

8. Afvoervoorzieningen moeten geschikt zijn voor het beoogde doel. Zij moeten zo zijn ontworpen en geconstrueerd dat elk risico van verontreiniging wordt voorkomen. Wanneer afvoerkanalen geheel of gedeeltelijk open zijn, moeten zij zo zijn ontworpen dat het afval niet van een verontreinigde zone kan stromen naar een schone zone, met name niet naar een zone waar wordt omgegaan met levensmiddelen die een aanzienlijk risico kunnen inhouden voor de consument.

9. Indien nodig moet worden gezorgd voor de adequate voorzieningen waar het personeel zich kan omkleden.

10. Reinigings- en ontsmettingsmiddelen mogen niet worden opgeslagen in een ruimte waar levensmiddelen worden gehanteerd.

HOOFDSTUK II

SPECIFIEKE VOORSCHRIFTEN IN RUIMTEN WAAR LEVENSMIDDELEN WORDEN BEREID, BEHANDELD OF VERWERKT

(MET UITZONDERING VAN RESTAURATIERUIMTEN EN DE IN HOOFDSTUK III GENOEMDE RUIMTEN)

In ruimten waar levensmiddelen worden bereid, behandeld of verwerkt (met uitzondering van restauratieruimten en de in de titel van hoofdstuk III genoemde ruimten, maar met inbegrip van ruimten in vervoermiddelen), dienen het ontwerp en de inrichting zodanig te zijn dat goede levensmiddelenhygiënepraktijken kunnen worden toegepast en dat met name verontreiniging tussen en tijdens de diverse verrichtingen kan worden voorkomen. Met name geldt het volgende:

a)

vloeroppervlakken moeten goed worden onderhouden en moeten gemakkelijk kunnen worden schoongemaakt en, indien nodig, ontsmet. Dit houdt in dat ondoordringbaar, niet-absorberend, afwasbaar en niet-toxisch materiaal moet worden gebruikt, tenzij de exploitanten van levensmiddelenbedrijven ten genoegen van de bevoegde autoriteit kunnen aantonen dat andere gebruikte materialen voldoen. Waar passend moeten vloeren een goede afvoer via het vloeroppervlak mogelijk maken;

b)

muuroppervlakken moeten goed worden onderhouden en moeten gemakkelijk kunnen worden schoongemaakt en, indien nodig, ontsmet. Dit houdt in dat ondoordringbaar, niet-absorberend, afwasbaar en niet-toxisch materiaal moet worden gebruikt en dat een glad oppervlak tot op een aan de werkzaamheden aangepaste hoogte vereist is, tenzij de exploitanten van levensmiddelenbedrijven ten genoegen van de bevoegde autoriteit kunnen aantonen dat andere gebruikte materialen voldoen;

c)

plafonds (of waar plafonds ontbreken, de binnenkant van het dak) en voorzieningen aan het plafond moeten zo zijn ontworpen en uitgevoerd dat zich geen vuil kan ophopen en dat condens, ongewenste schimmelvorming en het loskomen van deeltjes worden beperkt;

d)

ramen en andere openingen moeten zo zijn geconstrueerd dat zich geen vuil kan ophopen. Die welke toegang kunnen geven tot de buitenlucht moeten worden voorzien van horren die gemakkelijk kunnen worden verwijderd om te worden schoongemaakt. Indien open ramen zouden leiden tot verontreiniging, moeten die ramen tijdens de productie gesloten en vergrendeld blijven;

e)

deuren moeten gemakkelijk kunnen worden schoongemaakt en, indien nodig, ontsmet. Dit houdt in dat gladde en niet-absorberende oppervlakken moeten worden gebruikt, tenzij de exploitanten van levensmiddelenbedrijven ten genoegen van de bevoegde autoriteit kunnen aantonen dat andere gebruikte materialen voldoen; en

f)

oppervlakken (met inbegrip van oppervlakken van apparatuur) in zones waar levensmiddelen worden gehanteerd en vooral oppervlakken die in aanraking komen met levensmiddelen, moeten goed worden onderhouden en moeten gemakkelijk kunnen worden schoongemaakt en, indien nodig, ontsmet. Dit houdt in dat glad, afwasbaar, corrosiebestendig en niet-toxisch materiaal moet worden gebruikt, tenzij de exploitanten van levensmiddelenbedrijven ten genoegen van de bevoegde autoriteit kunnen aantonen dat andere gebruikte materialen voldoen.

2. Indien nodig moet worden gezorgd voor de adequate voorzieningen voor het schoonmaken, ontsmetten en opslaan van gereedschap en apparatuur. Deze voorzieningen moeten vervaardigd zijn van roestvrij materiaal, gemakkelijk schoon te maken zijn en een voldoende toevoer van warm en koud water hebben.

3. Indien nodig moet worden gezorgd voor de nodige voorzieningen om de levensmiddelen te kunnen wassen. Elke spoelbak of vergelijkbare inrichting, bestemd voor het wassen van levensmiddelen, moet voorzien zijn van voldoende warm en/of koud drinkwater overeenkomstig de voorschriften van hoofdstuk VII en moet worden schoongehouden en, indien nodig, ontsmet.

HOOFDSTUK III

VOORSCHRIFTEN VOOR MOBIELE EN/OF TIJDELIJKE BEDRIJFSRUIMTEN (B.V. TENTEN, MARKTKRAMEN, WINKELWAGENS), RUIMTEN DIE VOORNAMELIJK ALS PARTICULIERE WONING WORDEN GEBRUIKT MAAR WAAR REGELMATIG LEVENSMIDDELEN WORDEN BEREID VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN, EN AUTOMATEN.

1. Bedrijfsruimten en automaten moeten voor zover dit redelijkerwijs haalbaar is, zo zijn gelegen, ontworpen en geconstrueerd en zo worden schoongehouden en onderhouden dat de risico's in verband met verontreiniging van levensmiddelen door dieren en schadelijke organismen zoveel mogelijk worden voorkomen.

2. Meer in het bijzonder moet, indien nodig, aan de onderstaande voorschriften worden voldaan:

a)

er moeten passende voorzieningen aanwezig zijn voor een voldoende persoonlijke hygiëne (waaronder voorzieningen voor het hygiënisch wassen en drogen van de handen, hygiënische sanitaire voorzieningen en kleedruimtes);

b)

oppervlakken die in aanraking komen met levensmiddelen, moeten goed worden onderhouden en moeten gemakkelijk kunnen worden schoongemaakt en, indien nodig, ontsmet. Dit houdt in dat glad, afwasbaar, corrosiebestendig en niet-toxisch materiaal moet worden gebruikt, tenzij de exploitanten van levensmiddelenbedrijven ten genoegen van de bevoegde autoriteit kunnen aantonen dat andere gebruikte materialen voldoen;

c)

indien nodig moeten passende voorzieningen voor het schoonmaken en ontsmetten van gereedschap en apparatuur voorhanden zijn;

d)

wanneer het schoonmaken van levensmiddelen tot de normale activiteiten van een levensmiddelenbedrijf behoort, moeten passende voorzieningen aanwezig zijn om dat hygiënisch te laten verlopen;

e)

er moet voldoende warm en/of koud drinkbaar water beschikbaar zijn;

f)

er moeten adequate regelingen zijn getroffen en/of voorzieningen aanwezig zijn voor de hygiënische opslag en verwijdering van gevaarlijke en/of oneetbare stoffen en afval (zowel vast als vloeibaar);

g)

er moeten adequate regelingen zijn getroffen en/of voorzieningen aanwezig zijn voor het handhaven en bewaken van passende voedseltemperaturen;

h)

de levensmiddelen moeten zo geplaatst zijn dat de risico's in verband met verontreiniging zoveel mogelijk worden voorkomen.

HOOFDSTUK IV

VERVOER

1. Vervoermiddelen en/of recipiënten die worden gebruikt voor het vervoer van levensmiddelen, moeten schoon zijn en goed worden onderhouden om de levensmiddelen tegen verontreiniging te beschermen en moeten, indien nodig, zo zijn ontworpen en geconstrueerd dat zij goed kunnen worden schoongemaakt en/of ontsmet.

2. Ruimten in voertuigen en/of containers mogen niet voor het vervoer van andere goederen dan levensmiddelen worden gebruikt indien zulks tot verontreiniging kan leiden.

3. In vervoermiddelen en/of recipiënten die terzelfder tijd worden gebruikt voor het vervoer van andere producten dan levensmiddelen of voor het vervoer van verschillende levensmiddelen tegelijk, moeten de producten, indien nodig, afdoende van elkaar gescheiden zijn.

4. Levensmiddelen in bulk in vloeibare, gegranuleerde of poedervormige staat moeten worden vervoerd in ruimten en/of containers/tanks die uitsluitend voor het vervoer van levensmiddelen worden gebruikt. Op de containers moet een duidelijk leesbare, onuitwisbare vermelding worden aangebracht in een of meer talen van de Gemeenschap, waaruit blijkt dat zij voor het vervoer van levensmiddelen worden gebruikt, of zij moeten de vermelding „uitsluitend voor levensmiddelen” dragen.

5. Vervoermiddelen en/of recipiënten die worden gebruikt voor het vervoer van andere producten dan levensmiddelen of voor het vervoer van verschillende levensmiddelen, moeten tussen de verschillende vrachten afdoende worden schoongemaakt om verontreiniging te vermijden.

6. Levensmiddelen in vervoermiddelen en/of recipiënten moeten zo worden geplaatst en beschermd dat het risico van verontreiniging tot een minimum wordt beperkt.

7. Indien nodig moeten vervoermiddelen en/of recipiënten die worden gebruikt voor het vervoer van levensmiddelen, die levensmiddelen op de vereiste temperatuur kunnen houden en de mogelijkheid bieden om die temperatuur te bewaken.

HOOFDSTUK V

VOORSCHRIFTEN INZAKE DE UITRUSTING

1. Alle artikelen, uitrustingsstukken en apparatuur die met voedsel in aanraking komen moeten:

a)

afdoende worden schoongemaakt en zo nodig ontsmet. Het schoonmaken en ontsmetten moeten zo frequent plaatsvinden dat elk gevaar van verontreiniging wordt vermeden;

b)

zodanig zijn geconstrueerd, van zodanige materialen zijn vervaardigd en zodanig worden onderhouden en gerepareerd dat het risico van verontreiniging tot een minimum wordt beperkt;

c)

met uitzondering van wegwerprecipiënten en -verpakkingen, zodanig zijn geconstrueerd, van zodanige materialen zijn vervaardigd en zodanig worden onderhouden en gerepareerd dat zij schoon gehouden kunnen worden en indien nodig kunnen worden ontsmet en

d)

op zodanige wijze worden geïnstalleerd dat de apparatuur en de omringende ruimte goed kunnen worden schoongemaakt.

2. De apparatuur moet indien nodig voorzien zijn van passende controlemiddelen om ervoor te zorgen dat de doelstellingen van deze verordening bereikt worden.

3. Indien chemische toevoegingsmiddelen moeten worden gebruikt ter bestrijding van corrosie van de uitrusting en de recipiënten, moeten deze toevoegingsmiddelen in overeenstemming met de goede praktijken worden gebruikt.

HOOFDSTUK VI

LEVENSMIDDELENAFVAL

1. Levensmiddelenafval, niet-eetbare bijproducten en andere afvallen moeten zo snel mogelijk uit ruimten met levensmiddelen worden verwijderd om een ophoping ervan te vermijden.

2. Levensmiddelenafval, niet-eetbare bijproducten en andere afvallen moeten worden gedeponeerd in afsluitbare containers, tenzij de exploitant van het levensmiddelenbedrijf ten genoegen van de bevoegde autoriteit kan aantonen dat andere soorten containers of andere afvoersystemen voldoen. De containers moeten van een adequate constructie zijn, moeten goed worden onderhouden en moeten gemakkelijk te reinigen en, indien nodig, te ontsmetten zijn.

3. De nodige voorzieningen moeten worden getroffen voor de opslag en verwijdering van levensmiddelenafval, niet-eetbare bijproducten en andere afvallen. Afvalopslagplaatsen moeten zo worden ontworpen en beheerd dat zij schoon en indien nodig vrij van dieren en schadelijke organismen kunnen worden gehouden.

4. Alle afval moet hygiënisch en op milieuvriendelijke wijze worden afgevoerd overeenkomstig de communautaire regelgeving ter zake en mag, rechtstreeks noch onrechtstreeks, een bron zijn van verontreiniging.

HOOFDSTUK VII

WATERVOORZIENING

a)

Drinkwater moet in voldoende hoeveelheden voor handen zijn en worden gebruikt wanneer moet worden gewaarborgd dat de levensmiddelen niet worden verontreinigd.

b)

Voor visserijproducten in gehele staat mag gebruik worden gemaakt van schoon water. Voor levende tweekleppige weekdieren, stekelhuidigen, manteldieren en mariene buikpotigen mag gebruik worden gemaakt van schoon zeewater. Ook voor uitwendig wassen mag schoon water worden gebruikt. Wanneer dit water wordt gebruikt dienen er toereikende faciliteiten voor de aanvoer ervan beschikbaar te zijn.

2. Wanneer niet-drinkbaar water wordt gebruikt voor bijvoorbeeld brandbestrijding, stoomopwekking, koeling of andere soortgelijke toepassingen, moet het worden getransporteerd via aparte leidingen die gemakkelijk kunnen worden geïdentificeerd. De leidingen voor niet-drinkbaar water mogen niet verbonden zijn met de drinkwaterleidingen en water uit die leidingen mag niet in het drinkwatersysteem terecht kunnen komen.

3. Gerecycleerd water dat wordt gebruikt bij de verwerking of als ingrediënt, mag geen enkel risico van verontreiniging inhouden. Het moet voldoen aan dezelfde normen als drinkwater, tenzij de bevoegde autoriteiten hebben geconstateerd dat de kwaliteit van het water geen nadelige gevolgen kan hebben voor de deugdelijkheid van het levensmiddel als eindproduct.

4. IJs dat in contact komt met levensmiddelen of dat levensmiddelen zou kunnen verontreinigen moet worden gemaakt met drinkwater of, voor het koelen van visserijproducten in gehele staat, schoon water. Het moet op zodanige wijze worden gemaakt, gehanteerd en opgeslagen dat het tegen verontreiniging wordt beschermd.

5. Stoom die rechtstreeks in contact komt met levensmiddelen, mag geen stoffen bevatten die een gevaar vormen voor de gezondheid of waardoor het levensmiddel kan worden verontreinigd.

6. Wanneer warmtehandeling wordt toegepast bij levensmiddelen in hermetisch gesloten recipiënten, moet erop worden toegezien dat het voor de koeling van de recipiënten na verhitting gebruikte water geen bron is van verontreiniging van het levensmiddel.

HOOFDSTUK VIII

PERSOONLIJKE HYGIËNE

1. Eenieder die werkzaam is in een ruimte waar producten worden gehanteerd, dient een zeer goede persoonlijke hygiëne in acht te nemen en dient passende, schone en, voor zover dat nodig is, beschermende kleding te dragen.

2. Personen die lijden aan of drager zijn van een ziekte die via voedsel kan worden overgedragen, of die bijvoorbeeld geïnfecteerde wonden, huidinfecties, huidaandoeningen of diarree hebben, mogen geen levensmiddelen hanteren of, in welke hoedanigheid ook, ruimten betreden waar levensmiddelen worden gehanteerd, indien er kans bestaat op rechtstreekse of onrechtstreekse verontreiniging. Wanneer dergelijke personen in een levensmiddelenbedrijf werken, dienen zij hun ziekte of de symptomen en indien mogelijk de oorzaken ervan onmiddellijk kenbaar te maken aan de exploitant van het levensmiddelenbedrijf.

HOOFDSTUK IX

BEPALINGEN VAN TOEPASSING OP LEVENSMIDDELEN

1. Een exploitant van een levensmiddelenbedrijf mag geen grondstoffen of ingrediënten andere dan levende dieren, of andere voor verwerking van producten aangewende materialen accepteren waarvan bekend is of waarvan redelijkerwijs mag worden aangenomen dat zij zodanig verontreinigd zijn met parasieten, pathogene micro-organismen of toxische, in ontbinding verkerende of vreemde substanties dat zij, na het normale sorteer- en/of voorbereidings- of verwerkingsproces dat door de exploitant van het levensmiddelenbedrijf hygiënisch wordt toegepast, nog steeds ongeschikt zouden zijn voor menselijke consumptie.

2. Grondstoffen en alle ingrediënten die in het bedrijf zijn opgeslagen, moeten worden bewaard in adequate omstandigheden die erop gericht zijn bederf te voorkomen en verontreiniging tegen te gaan.

3. In alle stadia van de productie, verwerking en distributie moeten levensmiddelen worden beschermd tegen elke vorm van verontreiniging waardoor de levensmiddelen ongeschikt kunnen worden voor menselijke consumptie, schadelijk worden voor de gezondheid, dan wel op zodanige wijze kunnen worden verontreinigd dat zij redelijkerwijze niet meer in die staat kunnen worden geconsumeerd.

4. Adequate maatregelen moeten worden getroffen om schadelijke organismen te bestrijden. Er moeten ook adequate maatregelen worden getroffen om te voorkomen dat huisdieren op plaatsen kunnen komen waar levensmiddelen worden bewerkt, gehanteerd of opgeslagen (of, indien de bevoegde autoriteiten zulks in speciale gevallen toestaan, om te voorkomen dat huisdieren die daar wel komen verontreiniging van de levensmiddelen veroorzaken).

5. Grondstoffen, ingrediënten, halffabrikaten en eindproducten die een voedingsbodem kunnen vormen voor pathogene micro-organismen of voor toxines, mogen niet worden bewaard bij temperaturen die risico's inhouden voor de gezondheid. De koudeketen mag niet worden verbroken. Gedurende korte tijd mag evenwel van temperatuurbeheersing worden afgezien wanneer dit nodig is in verband met de hantering bij de bereiding, het vervoer, de opslag, de uitstalling en de levering van levensmiddelen, voor zover dat geen risico's inhoudt voor de gezondheid. In levensmiddelenbedrijven waar verwerkte levensmiddelen worden vervaardigd, gehanteerd en verpakt, dienen adequate ruimten aanwezig te zijn die groot genoeg zijn voor de aparte opslag van grondstoffen en verwerkt materiaal, met voldoende aparte gekoelde opslagruimten.

6. Wanneer levensmiddelen koel moeten worden bewaard of opgediend, moeten zij zo snel mogelijk na de warmtebehandeling, dan wel na de laatste fase van de bereiding wanneer geen warmtebehandeling wordt toegepast, worden gekoeld tot een temperatuur die geen risico's voor de gezondheid oplevert.

7. Levensmiddelen moeten zo worden ontdooid dat het gevaar voor de groei van pathogene microorganismen of de vorming van toxines in de levensmiddelen zo gering mogelijk is. Het ontdooien van de levensmiddelen dient plaats te vinden bij een temperatuur die geen risico's inhoudt voor de gezondheid. Indien de tijdens het ontdooien uitlekkende vloeistoffen een gezondheidsrisico kunnen inhouden, moeten zij op adequate wijze worden afgevoerd. Na het ontdooien moeten de levensmiddelen zo worden behandeld dat het gevaar voor de groei van pathogene micro-organismen en de vorming van toxines zoveel mogelijk worden uitgesloten.

8. Gevaarlijke en/of oneetbare substanties, met inbegrip van diervoeders, moeten op adequate wijze worden geëtiketteerd en opgeslagen in aparte en veilige containers.

HOOFDSTUK X

VOORSCHRIFTEN INZAKE ONMIDDELLIJKE VERPAKKING EN VERPAKKING VAN LEVENSMIDDELEN

1. Het materiaal waaruit de onmiddellijke verpakking en de verpakking bestaan, mag geen bron van verontreiniging zijn.

2. De onmiddellijke verpakkingen moeten op zodanige wijze worden opgeslagen dat zij niet kunnen worden verontreinigd.

3. De verrichtingen van onmiddellijke verpakking en verpakking moeten zo geschieden dat verontreiniging van producten wordt voorkomen. Indien nodig, en vooral wanneer het gaat om blikken en glazen recipiënten, moet ervoor worden gezorgd dat het recipiënt intact en schoon is.

4. Onmiddellijke verpakkingen en verpakkingen die opnieuw worden gebruikt voor levensmiddelen, moeten makkelijk kunnen worden gereinigd en indien nodig makkelijk kunnen worden ontsmet.

HOOFDSTUK XI

WARMTEBEHANDELING

De volgende voorschriften gelden alleen voor levensmiddelen die in hermetisch gesloten recipiënten in de handel zijn gebracht.

1. Elk warmtebehandelingsproces bij de verwerking van een onverwerkt product of de verdere verwerking van een verwerkt product moet aan de volgende eisen voldoen:

a)

elk deel van het behandelde product moet gedurende een bepaalde tijd op een bepaalde temperatuur worden gebracht; en

b)

besmetting van het product tijdens het proces moet worden voorkomen.

2. Om het toegepaste proces aan de doelstellingen te laten voldoen, moeten exploitanten van levensmiddelenbedrijven regelmatig de voornaamste toepasselijke parameters (in het bijzonder temperatuur, druk, sluiting en microbiologie) controleren, ook door middel van automatische apparatuur.

3. Het toegepaste proces moet voldoen aan een internationaal erkende norm (b.v. pasteurisatie, ultrahoge temperatuur of sterilisatie).

HOOFDSTUK XII

OPLEIDING

Exploitanten van levensmiddelenbedrijven moeten erop toezien:

1.

dat al wie met levensmiddelen omgaat, wordt gecontroleerd en opgeleid en/of gevormd op het gebied van de hygiëne, naargelang van hun beroepsactiviteit;

2.

dat al wie verantwoordelijk is voor de ontwikkeling en het onderhoud van de in artikel 5, lid 1, bedoelde procedure of voor de toepassing van de desbetreffende gidsen, de nodige opleiding inzake de beginselen van HACCP heeft gekregen;

3.

dat wordt voldaan aan de nationale voorschriften inzake de opleidingseisen voor personen die werkzaam zijn in bepaalde levensmiddelensectoren.

P5_TA(2004)0217

Hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong *** II

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement betreffende het gemeenschappelijk standpunt, door de Raad vastgesteld met het oog op de aanneming van de verordening van het Europees Parlement en de Raad houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong (5420/2/2003 — C5-0009/2004 — 2000/0179(COD))

(Medebeslissingsprocedure: tweede lezing)

Het Europees Parlement,

gezien het gemeenschappelijk standpunt van de Raad (5420/2/2003 — C5-0009/2004) (1),

gezien zijn in eerste lezing geformuleerde standpunt (2) inzake het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2000) 438) (3),

gezien het gewijzigde voorstel van de Commissie (COM(2003) 33) (4),

gelet op artikel 251, lid 2 van het EG-Verdrag,

gelet op artikel 80 van zijn Reglement,

gezien de aanbeveling voor de tweede lezing van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en consumentenbeleid (A5-0129/2004),

1.

wijzigt het gemeenschappelijk standpunt als volgt;

2.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.


(1)  PB C 48 E van 24.2.2004, blz. 23.

(2)  PB C 180 E van 31.7.2003, blz. 288.

(3)  PB C 365 van 19.12.2000, blz. 58.

(4)  Nog niet in het PB gepubliceerd.

P5_TC2-COD(2000)0179

Standpunt van het Europees Parlement in tweede lezing vastgesteld op 30 maart 2004 met het oog op de aanneming van Verordening (EG) nr. .../2004 van het Europees Parlement en de Raad houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid op artikel 152, lid 4, onder b),

Gezien het voorstel van de Commissie (1),

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (2),

Na raadpleging van het Comité van de Regio's,

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag (3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In Verordening (EG) nr. .../2004 (4) hebben het Europees Parlement en de Raad de algemene hygiënevoorschriften op het gebied van levensmiddelen voor exploitanten van levensmiddelenbedrijven vastgesteld.

(2)

Bepaalde levensmiddelen kunnen specifieke gevaren inhouden voor de volksgezondheid, zodat specifieke hygiënevoorschriften moeten worden vastgesteld. Dat geldt met name voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong waarbij herhaaldelijk microbiologische en chemische gevaren zijn gemeld.

(3)

In het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid is een groot aantal richtlijnen vastgesteld die specifieke gezondheidsvoorschriften bevatten voor de productie en het op de markt brengen van de producten van bijlage I van het Verdrag. Deze gezondheidsvoorschriften hebben de handelsbelemmeringen voor de betrokken producten verminderd en bijgedragen aan het totstandkomen van de interne markt waarbij tevens een hoog niveau van bescherming van de volksgezondheid is gewaarborgd.

(4)

Wat de volksgezondheid betreft, bevatten deze voorschriften gemeenschappelijke beginselen. Zo stellen zij met name soortgelijke regels vast met betrekking tot de verantwoordelijkheden van fabrikanten en bevoegde autoriteiten, de structurele, operationele en hygiënevoorschriften waaraan inrichtingen moeten voldoen, de procedures voor de erkenning van inrichtingen, en de voorwaarden voor opslag en vervoer, en keurmerken.

(5)

Deze beginselen vormen een gemeenschappelijke basis voor de hygiënische productie van levensmiddelen van dierlijke oorsprong, die het mogelijk maakt de bestaande richtlijnen te vereenvoudigen.

(6)

Het is wenselijk de regelgeving verder te vereenvoudigen door waar mogelijk op alle producten van dierlijke oorsprong dezelfde regels toe te passen.

(7)

Ook de eis van Verordening (EG) nr. .../2004 (4) dat exploitanten van een levensmiddelenbedrijf die zich bezighouden met een op de primaire productie volgende fase van de productie, de verwerking en de distributie van levensmiddelen en de daarmee verband houdende handelingen, dienen te zorgen voor de invoering, de uitvoering en de handhaving van procedures die gebaseerd zijn op risicoanalyse en de HACCP-beginselen, maakt vereenvoudiging mogelijk.

(8)

Al deze elementen tezamen rechtvaardigen een herziening van de specifieke hygiënevoorschriften van de bestaande richtlijnen.

(9)

De herziening heeft hoofdzakelijk ten doel om, met betrekking tot voedselveiligheid, een hoog niveau van bescherming van de consument te garanderen, met name door alle exploitanten van levensmiddelenbedrijven in de gehele Gemeenschap aan dezelfde regels te onderwerpen, en de goede werking van de interne markt met betrekking tot producten van dierlijke oorsprong te waarborgen, en aldus bij te dragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid.

(10)

Er dienen uitvoerige hygiënevoorschriften voor producten van dierlijke oorsprong te worden gehandhaafd en deze moeten eventueel worden aangescherpt, voorzover dat nodig is voor de bescherming van de consument.

(11)

Communautaire voorschriften dienen niet van toepassing te zijn op de primaire productie voor particulier huishoudelijk gebruik, noch op de huishoudelijke bereiding, hantering en opslag van levensmiddelen voor particulier huishoudelijk verbruik. Voorts dient, in het geval van de rechtstreekse levering van kleine hoeveelheden primaire producten of van bepaalde vleessoorten aan eindverbruikers of een plaatselijke detailhandelszaak door de levensmiddelenbedrijfexploitant die die producten produceert, de volksgezondheid door het nationale recht te worden beschermd, met name vanwege de nauwe relatie tussen de producent en de consument.

(12)

Het bepaalde in Verordening (EG) nr. .../2004 (5) is over het algemeen toereikend om de voedselveiligheid te garanderen in handelszaken die levensmiddelen van dierlijke oorsprong rechtstreeks verkopen of leveren aan de eindverbruiker. Onderhavige verordening zou in het algemeen van toepassing moeten zijn op groothandelsactiviteiten (d.w.z. door handelszaken verrichte handelingen met het oog op de levering van levensmiddelen van dierlijke oorsprong aan andere bedrijven). Met uitzondering van de specifieke temperatuurvoorschriften die in onderhavige verordening zijn vastgelegd, zou het bepaalde in Verordening (EG) nr. .../2004 (5) echter moeten volstaan voor groothandelsactiviteiten die uitsluitend opslag of transport behelzen.

(13)

De lidstaten zouden tot op zekere hoogte zelf moeten kunnen bepalen of zij de toepassing van deze verordening uitbreiden of beperken tot handelsactiviteiten die onder hun nationale wetgeving vallen. Zij mogen de toepassing echter alleen beperken indien zij van oordeel zijn dat de voorschriften van Verordening (EG) nr. .../2004 (5) volstaan om de doelstellingen inzake levensmiddelenhygiëne te verwezenlijken en wanneer de levering van levensmiddelen van dierlijke oorsprong van een handelszaak aan een ander bedrijf een marginale, lokale en beperkte activiteit is. In dat geval mag de levering slechts een klein deel uitmaken van de activiteiten van de handelszaak; de bedrijven die de leveringen ontvangen, moeten in de onmiddellijke nabijheid gelegen zijn; en de levering mag slechts bepaalde soorten producten of bedrijven betreffen.

(14)

Overeenkomstig artikel 10 van het Verdrag zijn de lidstaten verplicht alle maatregelen te treffen die geschikt zijn om de naleving van de in deze verordening vervatte verplichtingen door de exploitanten van levensmiddelenbedrijven te garanderen.

(15)

De traceerbaarheid van levensmiddelen is essentieel voor de voedselveiligheid. Exploitanten van levensmiddelenbedrijven die verantwoordelijk zijn voor inrichtingen die overeenkomstig deze verordening erkend moeten worden, moeten niet alleen aan de algemene voorschriften van Verordening (EG) nr. 178/2002 (6) voldoen, maar er tevens voor zorgen dat op alle producten van dierlijke oorsprong die zij in de handel brengen een keurmerk of een identificatiemerk is aangebracht.

(16)

In de Gemeenschap ingevoerde levensmiddelen moeten voldoen aan de algemene eisen van Verordening (EG) nr. 178/2002 of voldoen aan veiligheidseisen die gelijkwaardig zijn aan de communautaire voorschriften. De onderhavige verordening bevat specifieke hygiënevoorschriften voor in de Gemeenschap ingevoerde producten van dierlijke oorsprong.

(17)

Vaststelling van deze verordening mag niet leiden tot een verlaging van het beschermingsniveau dat geboden wordt door de aanvullende garanties die voor Finland en Zweden bij hun toetreding tot de Gemeenschap overeengekomen zijn en bekrachtigd zijn bij de Beschikkingen 94/968/EG (7), 95/50/EG (8), 95/160/EG (9), 95/161/EG (10), 95/168/EG (11), 95/409/EG (12), 95/410/EG (13) en 95/411/EG (14). De verordening moet voorzien in het voor een overgangsperiode verlenen van garanties aan lidstaten die, wat de betrokken levensmiddelen van dierlijke oorsprong betreft, een nationaal controleprogramma hebben dat is goedgekeurd als zijnde gelijkwaardig met het programma dat voor Finland en Zweden is goedgekeurd. Verordening (EG) nr. 2160/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 17 november 2003 inzake de bestrijding van salmonella en andere door voedsel overgedragen zoönoseverwekkers (15) voorziet in een vergelijkbare procedure ten aanzien van levende dieren en broedeieren.

(18)

Het is dienstig dat de structurele en hygiënevoorschriften van deze verordening van toepassing zijn op alle soorten inrichtingen, inclusief kleine bedrijven en mobiele slachthuizen.

(19)

Flexibiliteit is wenselijk om voortgezet gebruik van traditionele methoden in alle stadia van de productie, verwerking en distributie van levensmiddelen mogelijk te maken, alsook in verband met de structurele vereisten voor inrichtingen. Flexibiliteit is met name belangrijk voor regio's met bijzondere geografische beperkingen, met inbegrip van de in artikel 299, lid 2, van het Verdrag genoemde ultraperifere gebieden. Deze flexibiliteit mag echter de doelstellingen inzake levensmiddelenhygiëne niet in het gedrang brengen. Aangezien alle overeenkomstig de hygiënevoorschriften geproduceerde levensmiddelen normaliter vrij in de Gemeenschap zullen circuleren, moet de procedure op grond waarvan lidstaten flexibiliteit kunnen hanteren bovendien volledig transparant zijn. De procedure moet voorzien in overleg met het bij Verordening (EG) nr. 178/2002 ingestelde Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid om, zo nodig, meningsverschillen op te lossen en de Commissie in staat te stellen het proces te coördineren en passende maatregelen te nemen.

(20)

De definitie van separatorvlees moet een algemene definitie zijn die alle mechanische separatiemethoden omvat. In verband met de snelle technologische ontwikkelingen op dit gebied moet de definitie ook flexibel zijn. De technische voorschriften voor separatorvlees moeten echter verschillen naar gelang van de risicobeoordeling van het product dat via de verschillende methoden verkregen wordt.

(21)

In alle stadia van productie, verwerking en distributie is er sprake van een wisselwerking tussen de exploitanten van levensmiddelenbedrijven, inclusief de diervoedersector, en zijn diergezondheid, dierenwelzijn en volksgezondheid met elkaar verweven. Daarom is een adequate communicatie tussen alle betrokkenen in de hele voedselketen, van de primaire productie tot de detailhandel, vereist.

(22)

Opdat gejaagd wild dat op de communautaire markt wordt aangeboden behoorlijk gekeurd wordt, moeten de kadavers van gejaagde dieren mét de ingewanden voor een officiële postmortemkeuring bij een wildbewerkingsinrichting worden aangeboden. Om bepaalde jachttradities te behouden zonder de voedselveiligheid in gevaar te brengen, moet worden voorzien in een opleiding voor jagers die vrij wild voor menselijke consumptie in de handel brengen. Dit zou jagers in staat stellen vrij wild ter plekke aan een eerste onderzoek te onderwerpen. Opgeleide jagers hoeven niet alle ingewanden voor een postmortemkeuring aan de wildbewerkingsinrichting te bezorgen, wanneer zij dit eerste onderzoek zelf verrichten en geen afwijkingen of gevaren vaststellen. Evenwel zouden de lidstaten strengere voorschriften moeten kunnen vaststellen om rekening te houden met specifieke risico's.

(23)

Deze verordening dient nieuwe criteria voor rauwe melk vast te stellen, in afwachting van de aanneming van nieuwe voorschriften voor het in de handel brengen van dit product. Deze criteria dienen drempelwaarden te zijn, hetgeen betekent dat, indien zij worden overschreden, de exploitanten van levensmiddelenbedrijven corrigerende maatregelen moeten nemen en de bevoegde autoriteit daarvan in kennis moeten stellen. De criteria dienen geen maximumcijfers te zijn waarboven rauwe melk niet in de handel mag worden gebracht. Dit impliceert dat, onder bepaalde omstandigheden, rauwe melk die niet aan alle criteria voldoet, veilig voor menselijke consumptie kan worden gebruikt indien passende maatregelen worden genomen. Voor rauwe melk of rauwe room bestemd voor rechtstreekse menselijke consumptie dient elke lidstaat passende gezondheidsmaatregelen te kunnen handhaven of vast te stellen om ervoor te zorgen dat de doelstellingen van deze verordeing op zijn grondgebied worden bereikt.

(24)

Het criterium voor rauwe melk die gebruikt wordt voor de vervaardiging van zuivelproducten dient driemaal hoger te zijn dan het criterium voor op de boerderij opgehaalde rauwe melk. Het criterium voor melk die gebruikt wordt bij de vervaardiging van verwerkte zuivelproducten is namelijk een absolute waarde, terwijl die voor op de boerderij opgehaalde rauwe melk een gemiddelde is. Naleving van de temperatuurvoorschriften van deze verordening betekent niet dat elke bacteriële groei tijdens het vervoer en de opslag is uitgesloten.

(25)

Als gevolg van deze herziening kunnen de bestaande hygiënevoorschriften worden ingetrokken. Dit gebeurt middels Richtlijn 2004/.../EG van het Europees Parlement en de Raad van ... houdende intrekking van bepaalde richtlijnen inzake levensmiddelenhygiëne en tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften voor de productie en het in de handel brengen van bepaalde voor menselijke consumptie bestemde producten van dierlijke oorsprong (16).

(26)

Voorts komen de bepalingen van deze verordening met betrekking tot eieren in de plaats van de bepalingen van Beschikking 94/371/EG van de Raad van 20 juni 1994 tot vaststelling van specifieke gezondheidsvoorschriften voor het in de handel brengen van bepaalde soorten eieren (17), die door de intrekking van bijlage II van Richtlijn 92/118/EEG (18) komen te vervallen.

(27)

De communautaire wetgeving inzake levensmiddelenhygiëne moet gebaseerd zijn op wetenschappelijk advies. Daartoe dient, indien nodig, de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid te worden geraadpleegd.

(28)

Teneinde rekening te houden met de vooruitgang op technisch en wetenschappelijk gebied, dient een nauwe, doeltreffende samenwerking tussen de Commissie en de lidstaten te worden gewaarborgd in het kader van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid.

(29)

De voorschriften van de onderhavige verordening dienen pas van toepassing te worden als alle onderdelen van de nieuwe wetgeving inzake levensmiddelenhygiëne in werking zijn getreden. Ook past het om tussen de inwerkingtreding en de toepassing van de nieuwe regels te voorzien in een termijn van ten minste 18 maanden, teneinde de betrokken sectoren tijd te geven om zich aan te passen.

(30)

De voor de uitvoering van deze verordening vereiste maatregelen dienen te worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden (19),

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Werkingssfeer

1.   In deze verordening worden voor exploitanten van levensmiddelenbedrijven specifieke hygiënevoorschriften op het gebied van levensmiddelen van dierlijke oorsprong vastgesteld. Deze voorschriften zijn een aanvulling op Verordening (EG) nr. .../2004 (20). Zij hebben betrekking op onverwerkte en verwerkte producten van dierlijke oorsprong.

2.   Tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, is deze verordening is niet van toepassing op levensmiddelen die zowel producten van plantaardige oorsprong als verwerkte producten van dierlijke oorsprong bevatten. Verwerkte producten van dierlijke oorsprong die worden gebruikt bij de bereiding van dergelijke levensmiddelen moeten evenwel worden verkregen en gehanteerd overeenkomstig de voorschriften van deze verordening.

3.   Deze verordening is niet van toepassing met betrekking tot:

a)

de primaire productie voor particulier huishoudelijk gebruik;

b)

de huishoudelijke bereiding, het hanteren of de opslag van levensmiddelen voor particulier huishoudelijk verbruik;

c)

de rechtstreekse levering, door de producent, van kleine hoeveelheden primaire producten aan de eindverbruiker of de plaatselijke detailhandel die rechtstreeks aan de eindverbruiker levert;

d)

de rechtstreekse levering, door de producent, van kleine hoeveelheden vlees van op het bedrijf geslacht(e) pluimvee en lagomorfen aan de eindverbruiker of aan de plaatselijke detailhandel die dergelijk vlees rechtstreeks als vers vlees aan de eindverbruiker levert;

e)

jagers die kleine hoeveelheden vrij wild of vlees van vrij wild rechtstreeks leveren aan de eindverbruiker of aan de plaatselijke detailhandel die rechtstreeks aan de eindverbruiker levert.

4.   De lidstaten stellen overeenkomstig het nationale recht regels vast inzake de in lid 3, onder de punten c), d) en e), genoemde activiteiten en personen. Dergelijke nationale regels waarborgen de verwezenlijking van de doelstellingen van deze verordening.

5.

a)

Tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, is deze verordening niet van toepassing op de detailhandel.

b)

Deze verordening is wel van toepassing op de kleinhandel wanneer handelingen worden verricht met het oog op de levering van producten van dierlijke oorsprong aan andere detailhandelszaken, tenzij:

i)

de handelingen uitsluitend bestaan in opslag of transport, in welk geval niettemin de specifieke temperatuurvoorschriften van bijlage III van toepassing zijn; of

ii)

de producten van dierlijke oorsprong door de detailhandelszaak alleen aan andere detailhandelszaken worden geleverd, en die levering overeenkomstig het nationaal recht een marginale, plaatselijke en beperkte activiteit is.

c)

De lidstaten mogen nationale maatregelen treffen om de voorschriften van deze verordening toe te passen op de op hun grondgebied gelegen kleinhandelszaken waarop deze verordening op grond van punt a) of punt b) niet van toepassing zou zijn.

6.   Deze verordening geldt onverminderd:

a)

de relevante veterinairrechtelijke en volksgezondheidsvoorschriften, met inbegrip van stringentere voorschriften die zijn vastgesteld met het oog op preventie, bestrijding en uitroeiing van bepaalde overdraagbare spongiforme encefalopathieën;

b)

de vereisten inzake welzijn van dieren; en

c)

de vereisten inzake de identificatie van dieren en de traceerbaarheid van producten van dierlijke oorsprong.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening gelden de volgende definities:

1)

de definities in Verordening (EG) nr. 178/2002;

2)

de definities in Verordening (EG) nr. .../2004 (21);

3)

de definities in bijlage I; en

4)

alle in de bijlagen II en III opgenomen technische definities.

HOOFDSTUK II

VERPLICHTINGEN VAN DE EXPLOITANTEN VAN LEVENSMIDDELENBEDRIJVEN

Artikel 3

Algemene verplichtingen

1.   Exploitanten van levensmiddelenbedrijven dienen te voldoen aan de toepasselijke bepalingen van de bijlagen II en III.

2.   Exploitanten van levensmiddelenbedrijven gebruiken geen andere stoffen dan drinkwater — of, indien Verordening (EG) nr. .../2004 (22) of de onderhavige verordening het gebruik daarvan toestaat, schoon water — om de buitenkant van producten van dierlijke oorsprong te reinigen, tenzij het gebruik van de stof is goedgekeurd overeenkomstig de procedure van artikel 12, lid 2. Exploitanten van levensmiddelenbedrijven dienen tevens te voldoen aan alle voorschriften die volgens dezelfde procedure vastgesteld worden. Het gebruik van een goedgekeurde stof doet niets af aan de plicht van de exploitant van het levensmiddelenbedrijf om te voldoen aan de voorschriften van deze verordening.

Artikel 4

Registratie en erkenning van inrichtingen

1.   Exploitanten van levensmiddelenbedrijven brengen alleen in de Gemeenschap vervaardigde producten van dierlijke oorsprong in de handel, indien ze uitsluitend bewerkt en gehanteerd zijn in inrichtingen:

a)

die voldoen aan de toepasselijke voorschriften van Verordening (EG) nr. .../2004 (22), van de bijlagen II en III bij deze verordening en andere toepasselijke voorschriften van de levensmiddelenwetgeving; en

b)

die door de bevoegde autoriteit geregistreerd of, indien lid 2 zulks vereist, erkend zijn.

2.   Onverminderd artikel 6, lid 3, van Verordening (EG) nr. .../2004 (22), mogen inrichtingen waar de producten van dierlijke oorsprong worden gehanteerd waarvoor bijlage III voorschriften bevat, niet in bedrijf zijn, tenzij de bevoegde autoriteit ze overeenkomstig lid 3 heeft erkend, met uitzondering van inrichtingen waarin uitsluitend handelingen worden verricht met betrekking tot:

a)

primaire productie;

b)

vervoer;

c)

de opslag van producten waarvoor geen opslag met geconditioneerde temperatuur vereist is; of

d)

kleinhandel, met uitzondering van de verrichtingen waarop deze verordening overeenkomstig artikel 1, lid 5, onder b), van toepassing is.

3.   Een inrichting die aan de in lid 2 bedoelde erkenning is onderworpen, mag niet in bedrijf zijn, tenzij de bevoegde autoriteit, overeenkomstig Verordening (EG) nr. .../2004 van het Europees Parlement en de Raad van ... houdende vaststelling van specifieke voorschriften voor de organisatie van de officiële controles van voor menselijke consumptie bestemde producten van dierlijke oorsprong (22):

a)

de inrichting erkend heeft na een inspectiebezoek ter plaatse; of

b)

de inrichting voorwaardelijk erkend heeft.

4.   Exploitanten van levensmiddelenbedrijven werken samen met de bevoegde autoriteiten overeenkomstig Verordening (EG) nr. .../2004 (22). Exploitanten van levensmiddelenbedrijven zorgen er met name voor dat een inrichting ophoudt in bedrijf te zijn wanneer de bevoegde autoriteit de erkenning intrekt of, in geval van voorwaardelijke erkenning, nalaat deze te verlengen of een volwaardige erkenning te verlenen.

5.   Dit artikel belet een inrichting niet om tussen de datum van toepassing van deze verordening en de eerstvolgende inspectie door de bevoegde autoriteit, levensmiddelen op de markt te brengen, indien de inrichting:

a)

onderworpen is aan de in lid 2 bedoelde erkenning en vlak vóór de toepassing van deze verordening producten van dierlijke oorsprong op de markt bracht overeenkomstig de communautaire wetgeving; of

b)

behoort tot een categorie waarvoor vóór de toepassing van deze verordening geen erkenningseis gold.

Artikel 5

Gezondheids- en identificatiemerken

1.   Exploitanten van levensmiddelenbedrijven brengen producten van dierlijke oorsprong die gehanteerd zijn in een inrichting die overeenkomstig artikel 4, lid 2, moet worden erkend, alleen in de handel met

a)

een gezondheidsmerk aangebracht overeenkomstig Verordening (EG) nr. .../2004 (23); of

b)

wanneer genoemde verordening niet in het aanbrengen van een gezondheidsmerk voorziet, een identificatiemerk aangebracht overeenkomstig bijlage II, sectie I, van deze verordening.

2.   Exploitanten van levensmiddelenbedrijven mogen alleen een identificatiemerk op een product van dierlijke oorsprong aanbrengen indien dat product in overeenstemming met deze verordening is vervaardigd in inrichtingen die voldoen aan de voorschriften van artikel 4.

3.   Exploitanten van levensmiddelenbedrijven mogen een gezondheidsmerk dat is aangebracht overeenkomstig Verordening (EG) nr. .../2004 niet van het vlees verwijderen, tenzij zij dat vlees uitsnijden of verwerken dan wel op een andere manier bewerken.

Artikel 6

Producten van dierlijke oorsprong van buiten de Gemeenschap

1.   Exploitanten van levensmiddelenbedrijven die producten van dierlijke oorsprong invoeren uit derde landen, zorgen ervoor dat die invoer uitsluitend geschiedt indien:

a)

het derde land van verzending voorkomt op een overeenkomstig artikel 11 van Verordening (EG) nr. .../2004 (23) opgestelde lijst van derde landen waaruit invoer van dat product is toegestaan;

b)

i)

de inrichting van verzending en de inrichting waar het product verkregen of bereid is, voorkomt op een overeenkomstig artikel 12 van Verordening (EG) nr. .../2004 (23) opgestelde lijst van inrichtingen waaruit invoer van dat product is toegestaan, indien van toepassing;

ii)

in geval van vers vlees, gehakt vlees, vleesbereidingen, vleesproducten en separatorvlees, het product werd bereid van vlees uit slachthuizen of uitsnijderijen die voorkomen op lijsten die worden opgesteld en bijgehouden overeenkomstig artikel 12 van Verordening (EG) nr. .../2004 (23) of in uit een goedgekeurde communautaire inrichting;

iii)

in geval van levende tweekleppige weekdieren, stekelhuidigen, manteldieren en mariene buikpotigen, het productiegebied voorkomt op een lijst die is opgesteld overeenkomstig artikel 13 van die verordening, indien van toepassing;

c)

het product voldoet aan:

i)

de voorschriften van deze verordening, met inbegrip van de voorschriften van artikel 5 betreffende gezondheids- en identificatiemerken;

ii)

de voorschriften van Verordening (EG) nr. .../2004 (23) en

iii)

de invoervoorwaarden die zijn vastgesteld overeenkomstig de communautaire wetgeving inzake de invoercontroles op levensmiddelen van dierlijke oorsprong, en

d)

aan de in artikel 14 van Verordening (EG) nr. .../2004 (23) vastgestelde voorschriften inzake certificaten en documenten is voldaan, indien van toepassing.

2.   Bij wijze van uitzondering op lid 1 kan de invoer van visserijproducten ook plaatsvinden overeenkomstig de speciale bepalingen van artikel 15 van Verordening (EG) nr. .../2004 (23).

3.   Exploitanten van levensmiddelenbedrijven die producten van dierlijke oorsprong invoeren, zorgen ervoor dat:

a)

de producten voor een invoercontrole worden aangeboden overeenkomstig Richtlijn 97/78/EG (24);

b)

de invoer voldoet aan de voorschriften van Richtlijn 2002/99/EG (25); en

c)

handelingen die na de invoer onder hun controle plaatsvinden, verricht worden overeenkomstig bijlage III.

4.   Exploitanten van levensmiddelenbedrijven die levensmiddelen invoeren welke zowel producten van plantaardige oorsprong als verwerkte producten van dierlijke oorsprong bevatten, zorgen ervoor dat de verwerkte producten van dierlijke oorsprong die in die levensmiddelen verwerkt zijn, voldoen aan de voorschriften van de leden 1 tot en met 3. Zij moeten kunnen aantonen dit te hebben gedaan (bijvoorbeeld door middel van passende documenten of certificaten, die niet noodzakelijkerwijs het in lid 1, onder d), gespecificeerde model hoeven volgen).

HOOFDSTUK III

HANDEL

Artikel 7

Documenten

1.   Indien vereist overeenkomstig bijlage II of III, zorgen de exploitanten van levensmiddelenbedrijven ervoor dat de zendingen producten van dierlijke oorsprong vergezeld gaan van certificaten of andere documenten.

2.   Overeenkomstig de in artikel 12, lid 2, genoemde procedure:

a)

kunnen er modeldocumenten worden vastgesteld; en

b)

kan er worden voorzien in het gebruik van elektronische documenten.

Artikel 8

Bijzondere waarborgen

1.   Exploitanten van levensmiddelenbedrijven die voornemens zijn de volgende producten van dierlijke oorsprong in Zweden of Finland in de handel te brengen, moeten voldoen aan de voorschriften van lid 2 met betrekking tot salmonella:

a)

vlees van runderen en varkens, inclusief gehakt vlees, maar met uitzondering van vleesbereidingen en separatorvlees;

b)

vlees van pluimvee van de volgende diersoorten: kippen, kalkoenen, parelhoenders, eenden en ganzen, inclusief gehakt vlees, doch met uitzondering van vleesbereidingen en separatorvlees; en

c)

eieren.

2.

a)

Bij vlees van runderen en varkens alsmede vlees van pluimvee worden in de inrichting van verzending monsters van de partij genomen, die overeenkomstig de Gemeenschapswetgeving een microbiologische test hebben ondergaan met negatief resultaat.

b)

Bij eieren geeft het pakstation de garantie dat de zendingen afkomstig zijn van koppels die overeenkomstig de Gemeenschapswetgeving een microbiologische test hebben ondergaan met negatief resultaat.

c)

Vlees van runderen en varkens hoeft de onder a) bedoelde test niet te ondergaan wanneer de partij bestemd is voor een inrichting om daar te worden gepasteuriseerd of gesteriliseerd, dan wel een behandeling met een soortgelijke werking te ondergaan. Eieren hoeven de onder b) bedoelde test niet te ondergaan wanneer de partij bestemd is voor de vervaardiging van verwerkte producten volgens een procédé waarbij de uitschakeling van salmonella gegarandeerd is.

d)

De onder a) en b) bedoelde tests hoeven niet te worden verricht wanneer de levensmiddelen komen uit een inrichting waar een controleprogramma wordt toegepast dat, wat de betrokken producten van dierlijke oorsprong betreft, volgens de in artikel 12, lid 2, bedoelde procedure is erkend als gelijkwaardig met het voor Zweden en Finland goedgekeurde programma.

e)

Vlees van runderen en varkens alsmede van pluimvee gaat vergezeld van een handelsdocument of een certificaat dat voldoet aan een in de Gemeenschapswetgeving vastgelegd model, waarin wordt verklaard dat:

i)

de onder a) bedoelde controles zijn uitgevoerd met negatief resultaat; of

ii)

het vlees bestemd is voor een van de onder c) bedoelde doeleinden; of

iii)

het vlees afkomstig is van een inrichting waarop punt d) van toepassing is.

f)

Partijen eieren gaan vergezeld van een certificaat waarin wordt verklaard dat de onder b) bedoelde tests zijn verricht met negatief resultaat, of dat de eieren voor gebruik volgens het onder c) bedoelde procédé zijn bestemd.

3.   Overeenkomstig de in artikel 12, lid 2, genoemde procedure:

a)

kunnen de in de leden 1 en 2 vastgestelde voorschriften worden bijgewerkt, zodat met name rekening kan worden gehouden met eventuele wijzigingen in de programma's van de lidstaten of met de aanneming van microbiologische criteria overeenkomstig Verordening (EG) nr. .../2004 (26); en

b)

kunnen de voorschriften van lid 2 met betrekking tot alle in lid 1 bedoelde levensmiddelen, volledig of gedeeltelijk worden uitgebreid tot elke lidstaat of elk gebied van een lidstaat met een controleprogramma dat is erkend als gelijkwaardig met het voor Zweden en Finland goedgekeurde programma wat betreft de betrokken levensmiddelen van dierlijke oorsprong.

4.   Voor de toepassing van dit artikel wordt met „controleprogramma” een controleprogramma bedoeld dat is goedgekeurd overeenkomstig Verordening (EG) nr. 2160/2003.

HOOFDSTUK IV

SLOTBEPALINGEN

Artikel 9

Uitvoeringsbepalingen en overgangsmaatregelen

Uitvoeringsbepalingen en overgangsmaatregelen kunnen worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 12, lid 2.

Artikel 10

Wijziging en aanpassing van de bijlagen II en III

1.   De bepalingen in de bijlagen II en III kunnen aangepast of geactualiseerd worden volgens de in artikel 12, lid 2, bedoelde procedure, waarbij rekening dient te worden gehouden met:

a)

de ontwikkeling van codes van goede praktijken;

b)

de ervaring die is opgedaan met de uitvoering van op HACCP gebaseerde systemen uit hoofde van artikel 5 van Verordening nr. .../2004 (26);

c)

de technische ontwikkelingen, de praktische gevolgen daarvan en de verwachtingen van de consument ten aanzien van de samenstelling van voedsel;

d)

het wetenschappelijk advies, met name nieuwe risicobeoordelingen;

e)

de microbiologische en temperatuurscriteria voor voedingsmiddelen;

f)

de veranderingen in consumptiepatronen.

2.   Vrijstellingen van de bepalingen van de bijlagen II en III kunnen in overeenstemming met de in artikel 12, lid 2, bedoelde procedure worden verleend, mits dergelijke vrijstellingen geen afbreuk doen aan de verwezenlijking van de doelstellingen van deze verordening.

3.   De lidstaten mogen, zonder daarbij de doelstellingen van deze verordening in het gedrang te brengen, overeenkomstig de leden 4 tot en met 8, nationale maatregelen treffen om de in bijlage III vastgestelde voorschriften aan te passen.

4.

a)

De in lid 3 bedoelde nationale maatregelen zijn bedoeld:

i)

om het voortgezet gebruik van traditionele methoden in alle stadia van de productie, verwerking en distributie van levensmiddelen mogelijk te maken; of

ii)

om tegemoet te komen aan de behoeften van levensmiddelenbedrijven die gelegen zijn in gebieden die met bijzondere, geografisch bepaalde beperkingen te kampen hebben, of

b)

In andere omstandigheden zijn zij uitsluitend van toepassing op de bouw, de indeling en de uitrusting van inrichtingen.

5.   Lidstaten die overeenkomstig lid 3 nationale maatregelen willen aannemen stellen de Commissie en de andere lidstaten daarvan in kennis. Elke kennisgeving omvat:

a)

een gedetailleerde beschrijving van de voorschriften die volgens die lidstaat aangepast moeten worden en de aard van de gewenste aanpassing;

b)

een beschrijving van de betrokken levensmiddelen en inrichtingen;

c)

de motivering van de aanpassing (waaronder, zo nodig, een samenvatting van de risicoanalyse en van de maatregelen die ervoor zorgen dat de aanpassing de doelstellingen van deze verordening niet in het gedrang brengt); en

d)

alle andere relevante informatie.

6.   De andere lidstaten hebben na ontvangst van de kennisgeving als bedoeld in lid 5 drie maanden de tijd om schriftelijke opmerkingen aan de Commissie toe te zenden. In geval van aanpassingen als bedoeld in lid 4, onder b), wordt deze termijn op verzoek van een lidstaat tot vier maanden verlengd. De Commissie kan de lidstaten raadplegen in het in artikel 12, lid 1, genoemde comité en is gehouden deze mogelijkheid te gebruiken wanneer zij schriftelijke opmerkingen van één of meer lidstaten ontvangt. De Commissie kan volgens de in artikel 12, lid 2, bedoelde procedure besluiten of de voorgenomen maatregelen, zo nodig na passende wijzigingen, kunnen worden toegepast. In voorkomend geval kan de Commissie overeenkomstig lid 1 of 2 van dit artikel algemene maatregelen voorstellen.

7.   Lidstaten kunnen nationale maatregelen tot wijziging van de voorschriften in bijlage III uitsluitend aannemen,

a)

op grond van een overeenkomstig lid 6 aangenomen besluit;

b)

indien de Commissie een maand na afloop van de in lid 6 bedoelde termijn de lidstaten nog niet heeft meegedeeld dat zij schriftelijke opmerkingen heeft ontvangen of dat zij voornemens is overeenkomstig lid 6 de aanneming van een besluit voor te stellen, of

c)

overeenkomstig lid 8.

8.   Een lidstaat mag op eigen initiatief, onder voorbehoud van de algemene bepalingen van het Verdrag, nationale voorschriften handhaven of vaststellen die:

a)

het in de handel brengen op zijn grondgebied van rauwe melk of rauwe room, bestemd voor rechtstreekse menselijke consumptie, verbieden of beperken; of

b)

met toestemming van de bevoegde autoriteit, toestaan dat rauwe melk die niet voldoet aan de in bijlage III, sectie IX, vastgelegde criteria wat betreft het kiemgetal en het aantal somatische cellen wordt gebruikt voor de vervaardiging van kaas met een rijpingstijd van ten minste 60 dagen, en bij de vervaardiging van dergelijke kaas verkregen zuivelproducten, op voorwaarde dat daardoor de verwezenlijking van de doelstellingen van deze verordening niet wordt gehinderd.

Artikel 11

Specifieke besluiten

Onverminderd de algemene strekking van artikel 9 en artikel 10, lid 1, kunnen volgens de in artikel 12, lid 2, bedoelde procedure uitvoeringsbepalingen worden vastgesteld of wijzigingen op bijlage II of III worden aangenomen teneinde:

1)

regels vast te stellen voor het vervoer van vlees terwijl het nog warm is;

2)

met betrekking tot separatorvlees, te specificeren welk calciumgehalte niet aanzienlijk hoger is dan dat van gehakt vlees;

3)

andere behandelingen vast te stellen die in een verwerkingsinstallatie mogen worden toegepast op levende tweekleppige weekdieren van klasse B- of klasse C-productiegebieden die niet gezuiverd of heruitgezet zijn;

4)

erkende testmethodes voor mariene biotoxines te specificeren;

5)

aanvullende gezondheidsnormen vast te stellen voor levende tweekleppige weekdieren, in samenwerking met het betrokken communautair referentielaboratorium, waaronder:

a)

grenswaarden en analysemethodes voor andere mariene biotoxines,

b)

procedures voor het opsporen van virussen, alsmede virologische normen, en

c)

bemonsteringsschema's, analysemethoden en -toleranties om na te gaan of aan de gezondheidsnormen wordt voldaan;

6)

gezondheidsnormen of -controles vast te stellen wanneer wetenschappelijk is aangetoond dat die nodig zijn om de volksgezondheid te beschermen;

7)

bijlage III, sectie VII, hoofdstuk IX, uit te breiden tot andere levende tweekleppige weekdieren dan pectinidae;

8)

criteria vast te stellen aan de hand waarvan wordt bepaald uit welke epizoötiologische gegevens blijkt dat een visgrond, wat de aanwezigheid van parasieten betreft, geen gevaar voor de gezondheid oplevert en de bevoegde autoriteit exploitanten van levensmiddelenbedrijven bijgevolg mag toestaan visserijproducten niet in te vriezen, als bepaald in bijlage III, sectie VIII, hoofdstuk III, punt D;

9)

versheidscriteria en grenswaarden vast te stellen inzake histamine en de totale vluchtige-basestikstof voor visserijproducten;

10)

het gebruik toe te staan van rauwe melk die niet voldoet aan de in bijlage III, sectie IX, vastgelegde criteria met betrekking tot het kiemgetal en het aantal somatische cellen, voor de vervaardiging van bepaalde zuivelproducten;

11)

onverminderd het bepaalde in Richtlijn 96/23/EG (27), een maximum toegestane waarde voor het gecombineerde totaal van antibioticaresiduen in rauwe melk vast te stellen; en

12)

gelijkwaardige processen voor de productie van gelatine of collageen goed te keuren.

Artikel 12

Comitéprocedure

1.   De Commissie wordt bijgestaan door het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid.

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 5 en 7 van Besluit 1999/468/EG, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit, van toepassing.

De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op drie maanden.

3.   Het Comité stelt zijn reglement van orde vast.

Artikel 13

Raadpleging van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid

De Commissie raadpleegt de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid over elke aangelegenheid binnen de werkingssfeer van deze verordening die wezenlijke gevolgen kan hebben voor de volksgezondheid, met name alvorens de uitbreiding van bijlage III, sectie III, tot andere diersoorten voor te stellen.

Artikel 14

Verslag aan het Europees Parlement en de Raad

1.   Uiterlijk ... (28) brengt de Commissie bij het Europees Parlement en bij de Raad verslag uit over de met de toepassing van deze verordening opgedane ervaring.

2.   De Commissie laat dit verslag, zo nodig, vergezeld gaan van passende voorstellen.

Artikel 15

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing 18 maanden na de datum waarop alle volgende besluiten in werking zijn getreden:

a)

Verordening (EG) nr. .../2004 (29);

b)

Verordening (EG) nr. .../2004 (29); en

c)

Richtlijn 2004/.../EG (29).

Zij is evenwel niet vóór 1 januari 2006 van toepassing.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te ..., op ...

Voor het Europees Parlement

De Voorzitter

Voor de Raad

De Voorzitter


(1)  PB C 365 E van 19.12.2000, blz. 58.

(2)  PB C 155 van 29.5.2001, blz. 39.

(3)  Standpunt van het Europees Parlement van 15 mei 2002 (PB C 180 E van 31.7.2003, blz. 288), gemeenschappelijk standpunt van de Raad van 27 oktober 2003 (PB C 48 E van 24.2.2004, blz. 23) en standpunt van het Europees Parlement van 30 maart 2004.

(4)  Nog niet in het PB gepubliceerd.

(5)  Nog niet in het PB gepubliceerd.

(6)  Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1). Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1642/2003 (PB L 245 van 29.9.2003, blz. 4).

(7)  PB L 371 van 31.12.1994, blz. 36.

(8)  PB L 53 van 9.3.1995, blz. 31.

(9)  PB L 105 van 9.5.1995, blz. 40.

(10)  PB L 105 van 9.5.1995, blz. 44.

(11)  PB L 109 van 16.5.1995, blz. 44.

(12)  PB L 243 van 11.10.1995, blz. 21.

(13)  PB L 243 van 11.10.1995, blz. 25.

(14)  PB L 243 van 11.10.1995, blz. 29.

(15)  PB L 325 van 12.12.2003, blz. 1.

(16)  Nog niet in het PB gepubliceerd.

(17)  PB L 168 van 2.7.1994, blz. 34.

(18)  Richtlijn 92/118/EEG van de Raad van 17 december 1992 tot vaststelling van de veterinairrechtelijke en de gezondheidsvoorschriften voor het handelsverkeer en de invoer in de Gemeenschap van producten waarvoor ten aanzien van deze voorschriften geen specifieke communautaire regelgeving geldt als bedoeld in bijlage A, hoofdstuk I, van Richtlijn 89/662/EEG, en, wat ziekteverwekkers betreft, van Richtlijn 90/425/EEG.PB L 62 van 15.3.1993, blz. 49. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 445/2004 van de Commissie (PB L 72 van 11.3.2004, blz. 60).

(19)  PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.

(20)  Nog niet in het PB gepubliceerd.

(21)  Nog niet in het PB gepubliceerd.

(22)  Nog niet in het PB gepubliceerd.

(23)  Nog niet in het PB gepubliceerd.

(24)  Richtlijn 97/78/EG van de Raad van 18 december 1997 tot vaststelling van de beginselen voor de organisatie van de veterinaire controles voor producten die uit derde landen in de Gemeenschap worden binnengebracht (PB L 24 van 30.1.1998, blz. 9). Richtlijn gewijzigd bij de Toetredingsakte van 2003.

(25)  Richtlijn 2002/99/EG van de Raad van 16 december 2002 houdende vaststelling van voorschriften in verband met de gezondheid van dieren voor de productie, de afzet en de invoer van voor menselijke consumptie bestemde producten van dierlijke oorsprong (PB L 18 van 23.1.2003, blz. 11).

(26)  Nog niet in het PB gepubliceerd.

(27)  Richtlijn 96/23/EG van de Raad van 29 april 1996 inzake controlemaatregelen ten aanzien van bepaalde stoffen en residuen daarvan in levende dieren en in producten daarvan (PB L 125 van 23.5.1996, blz. 10). Richtlijn gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 806/2003 (PB L 122 van 16.5.2003, blz. 1).

(28)  Vijf jaar na de inwerkingtreding van deze verordening.

(29)  Nog niet in het PB gepubliceerd.

BIJLAGE I

DEFINITIES

Voor de toepassing van deze verordening gelden de volgende definities:

1.   VLEES

1.1.   Vlees: eetbare delen van de in de punten 1.2 tot en met 1.8 bedoelde dieren, inclusief het bloed.

1.2.   Als landbouwhuisdier gehouden hoefdieren: als landbouwhuisdier gehouden runderen (met inbegrip van de soorten Bubalus en Bison), varkens, schapen, geiten en eenhoevigen.

1.3.   Pluimvee: gekweekte vogels, met inbegrip van vogels die niet als landbouwhuisdier worden beschouwd, maar wel als landbouwhuisdier worden gekweekt, met uitzondering van loopvogels.

1.4.   Lagomorfen: konijnen, hazen en knaagdieren.

1.5.   Vrij wild:

wilde hoefdieren en lagomorfen, evenals andere landzoogdieren die voor menselijke consumptie bejaagd worden en die krachtens de in de betrokken lidstaten geldende wetgeving als vrij wild beschouwd worden, met inbegrip van zoogdieren die in een gesloten gebied leven met eenzelfde vrijheid als vrij wild; en

voor menselijke consumptie bejaagde niet-gedomesticeerde vogels.

1.6.   Gekweekt wild: gekweekte loopvogels en andere gekweekte landzoogdieren dan die bedoeld in punt 1.2.

1.7.   Klein vrij wild: vrij vederwild en in vrijheid levende lagomorfen.

1.8.   Grof vrij wild: in vrijheid levende landzoogdieren die niet onder de definitie van klein vrij wild vallen.

1.9.   Karkas: het hele slachtdier na slachting en uitslachting.

1.10.   Vers vlees: vlees dat, buiten de koel- of vriesbehandeling, geen enkele behandeling heeft ondergaan om de houdbaarheid te bevorderen, met inbegrip van vacuümverpakt vlees of vlees in CA-verpakking (gecontroleerde atmosfeer).

1.11.   Slachtafval: vers vlees dat geen deel uitmaakt van het karkas, inclusief ingewanden en bloed.

1.12.   Ingewanden: de organen uit de borst-, buik- en bekkenholte, evenals de luchtpijp en de slokdarm, en, bij vogels, de krop.

1.13.   Gehakt vlees: vlees zonder been, dat in kleine stukken is gehakt en minder dan 1% zout bevat.

1.14.   Separatorvlees: het product dat wordt verkregen door vlees dat na het uitbenen nog aan de beenderen vastzit of vlees van de pluimveekarkassen daarvan mechanisch te scheiden, waardoor de spierweefselstructuur verloren gaat of verandert.

1.15.   Vleesbereidingen: vers vlees, met inbegrip van vlees dat in kleine stukken is gehakt, waaraan levensmiddelen, kruiderijen of additieven zijn toegevoegd of dat een verwerking heeft ondergaan die niet volstaat om de inwendige spierweefselstructuur van het vlees te veranderen en daardoor de kenmerken van vers vlees te doen verdwijnen.

1.16.   Slachthuis: een inrichting voor het slachten en uitslachten van dieren waarvan het vlees bestemd is voor menselijke consumptie.

1.17.   Uitsnijderij: een inrichting voor het uitbenen en/of uitsnijden van vlees.

1.18.   Wildbewerkingsinrichting: een inrichting waar het wild en het vlees van wild dat is verkregen na de jacht geprepareerd worden om in de handel gebracht te worden.

2.   LEVENDE TWEEKLEPPIGE WEEKDIEREN

2.1.   Tweekleppige weekdieren: plaatkieuwige weekdieren (lamellibranchiata).

2.2.   Mariene biotoxines: giftige stoffen die door tweekleppige weekdieren worden opgenomen, in het bijzonder door het eten van plankton dat toxines bevat.

2.3.   Verwatering: de behandeling waarbij levende tweekleppige weekdieren die komen uit productiegebieden van klasse A, zuiveringscentra of verzendingscentra, worden opgeslagen in bassins of andere installaties met schoon zeewater, dan wel op natuurlijke gronden ten einde zand, slik of slijm te verwijderen en organoleptische eigenschappen te behouden of te verbeteren, en om ervoor te zorgen dat zij in goede staat van vitaliteit verkeren voordat de onmiddellijke verpakking of verpakking wordt aangebracht.

2.4.   Producent: iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die op enigerlei wijze levende tweekleppige weekdieren verzamelt in een productiegebied om deze te hanteren en in de handel te brengen.

2.5.   Productiegebied: een gebied in zee, in een lagune of in een estuarium waarin zich hetzij natuurlijke gronden voor tweekleppige weekdieren, hetzij voor de kweek van tweekleppige weekdieren gebruikte gebieden bevinden en waar levende tweekleppige weekdieren worden verzameld.

2.6.   Heruitzettingsgebied: gebied in zee, in een lagune of in een estuarium dat duidelijk is afgebakend en is aangegeven door boeien, palen of andere verankerde materialen en dat uitsluitend bestemd is voor de natuurlijke zuivering van levende tweekleppige weekdieren.

2.7.   Verzendingscentrum: op het land gevestigde of drijvende inrichting, die is bedoeld voor ontvangst, verwatering, wassen, reiniging, sortering, onmiddellijke verpakking, en verpakking van levende tweekleppige weekdieren die geschikt zijn voor menselijke consumptie.

2.8.   Zuiveringscentrum: inrichting die over waterbekkens beschikt die van schoon zeewater worden voorzien en waarin levende tweekleppige weekdieren worden gehouden gedurende de tijd die nodig is om de verontreiniging te verminderen, zodat zij geschikt worden voor menselijke consumptie.

2.9.   Heruitzetting: het overbrengen van levende tweekleppige weekdieren naar gebieden in zee, in een lagune of in een estuarium voor de tijd die nodig is om de verontreiniging te verminderen, zodat zij geschikt worden voor menselijke consumptie. Het overbrengen van tweekleppige weekdieren naar gebieden die beter geschikt zijn voor de verdere groei of gewichtstoename, is hier niet onder begrepen.

3.   VISSERIJPRODUCTEN

3.1.   Visserijproducten: alle vrije of gekweekte zee- of zoetwaterdieren (met uitzondering van levende tweekleppige weekdieren, levende stekelhuidigen, levende manteldieren en levende mariene buikpotigen, en alle zoogdieren, reptielen en kikkers), alle eetbare vormen, delen en producten van deze dieren daaronder begrepen.

3.2.   Fabrieksvaartuig: vaartuig aan boord waarvan visserijproducten één of meer van de volgende behandelingen ondergaan en nadien van een onmiddellijke verpakking worden voorzien en indien nodig worden gekoeld of ingevroren: fileren, in moten verdelen, stropen, schalen en schelpen verwijderen, hakken, verwerken.

3.3.   Vriesvaartuig: vaartuig aan boord waarvan visserijproducten worden ingevroren, eventueel na het verrichten van voorbereidende werkzaamheden zoals verbloeden, koppen, strippen en verwijderen van de vinnen. Deze behandelingen worden zo nodig gevolgd door het aanbrengen van een onmiddellijke verpakking of een verpakking.

3.4.   Mechanisch verwijderd vlees van visserijproducten: het product dat wordt verkregen door het vlees van visserijproducten mechanisch te verwijderen, waardoor de vleesstructuur verloren gaat of verandert.

3.5.   Verse visserijproducten: onverwerkte visserijproducten, in gehele staat of na bewerking, daaronder begrepen vacuüm of onder een gewijzigde atmosfeer verpakte producten die geen andere op conservering gerichte behandeling hebben ondergaan dan koeling.

3.6.   Bewerkte visserijproducten: onverwerkte visserijproducten die een behandeling hebben ondergaan waardoor hun anatomische toestand is gewijzigd, zoals strippen, koppen, in moten verdelen, fileren, en hakken.

4.   MELK

4.1.   Rauwe melk: melk afgescheiden door de melkklier van een of meer landbouwhuisdieren, die niet is verhit tot meer dan 40 °C en evenmin een behandeling met een gelijkwaardig effect heeft ondergaan.

4.2.   Melkproductiebedrijf: een inrichting met een of meer landbouwhuisdieren voor de melkproductie, waarbij het oogmerk is deze melk als levensmiddel in de handel te brengen.

5.   EIEREN

5.1.   Eieren: door gekweekte vogels gelegde eieren in de schaal die geschikt zijn voor rechtstreekse menselijke consumptie of voor de bereiding van eiproducten, met uitzondering van gebroken eieren, bebroede eieren en gekookte eieren.

5.2.   Vloeibaar ei: de niet-verwerkte ei-inhoud na verwijdering van de schaal.

5.3.   Gebarsten eieren: eieren waarvan de schaal beschadigd is, en waarvan de eivliezen geen breuken vertonen.

5.4.   Pakstation: een inrichting waar eieren volgens kwaliteits- en gewichtsklassen worden gesorteerd.

6.   KIKKERBILLETJES EN SLAKKEN

6.1.   Kikkerbilletjes: het achterste gedeelte van tot de soorten Rana (familie Ranidae) behorende dieren, transversaal doorgesneden achter de voorste ledematen, gestript en gevild.

6.2.   Slakken: terrestrische buikpotigen van de soorten Helix pomatia L., Helix aspersa Muller en Helix lucorum en tot de Achatinidae behorende soorten.

7.   VERWERKTE PRODUCTEN

7.1.   Vleesproducten: verwerkte producten die zijn verkregen door verwerking van vlees of door verdere verwerking van zulke verwerkte producten, zodat op het snijvlak geconstateerd kan worden dat de kenmerken van vers vlees verdwenen zijn.

7.2.   Zuivelproducten: verwerkte producten die zijn verkregen door verwerking van rauwe melk of door verdere verwerking van zulke verwerkte producten.

7.3.   Eiproducten: verwerkte producten die verkregen worden door de verwerking van eieren, bestanddelen of mengsels van eieren, of door verdere verwerking van verwerkte producten.

7.4.   Verwerkte visserijproducten: verwerkte producten die zijn verkregen door verwerking van visserijproducten of door verdere verwerking van zulke verwerkte producten.

7.5.   Gesmolten dierlijke vetten: voor menselijke consumptie bestemde vetten die afkomstig zijn van het smelten van vlees, met inbegrip van de beenderen.

7.6.   Kanen: het eiwithoudende residu van het smeltproces, na gedeeltelijke afscheiding van vet en water.

7.7.   Gelatine: natuurlijk, oplosbaar eiwit, gelerend of niet-gelerend, verkregen door gedeeltelijke hydrolyse van collageen uit beenderen, huiden, ligamenten en pezen van dieren.

7.8.   Collageen: product op basis van eiwitten, dat afkomstig is van dierlijke beenderen, huiden en pezen en geproduceerd is overeenkomstig de desbetreffende voorschriften van deze verordening.

7.9.   Behandelde magen, blazen en darmen: magen, blazen en darmen die, nadat zij zijn gereinigd, een behandeling hebben ondergaan (b.v. zouten, verhitten, drogen).

8.   ANDERE DEFINITIES

8.1.   Producten van dierlijke oorsprong

levensmiddelen van dierlijke oorsprong, inclusief honing en bloed;

levendige tweekleppige weekdieren, levende stekelhuidigen, levende manteldieren en levende mariene buikpotigen bestemd voor menselijke consumptie; en

andere dieren bestemd om bereid te worden teneinde levend aan de eindverbruiker te worden geleverd.

8.2.   Groothandelsmarkt: een levensmiddelenbedrijf dat verschillende afzonderlijke eenheden omvat, met gemeenschappelijke installaties en afdelingen waar levensmiddelen aan exploitanten van levensmiddelenbedrijven worden verkocht.

BIJLAGE II

VOORSCHRIFTEN BETREFFENDE VERSCHEIDENE PRODUCTEN VAN DIERLIJKE OORSPRONG

SECTIE I

IDENTIFICATIEMERKEN

Wanneer zulks overeenkomstig de artikelen 5 en 6 vereist is, moeten, onverminderd het bepaalde in bijlage III, exploitanten van levensmiddelenbedrijven ervoor zorgen dat producten van dierlijke oorsprong een identificatiemerk dragen in overeenstemming met de onderstaande bepalingen.

A.   AANBRENGEN VAN HET IDENTIFICATIEMERK

1.

Het identificatiemerk wordt aangebracht voordat het product de inrichting verlaat.

2.

Er hoeft evenwel geen nieuw merk op een product worden aangebracht, tenzij de verpakking en/of de onmiddellijke verpakking ervan wordt verwijderd, dan wel het product verder wordt verwerkt in een andere inrichting; in dat geval moet het nieuwe merk het erkenningsnummer vermelden van de inrichting waar deze bewerkingen plaatsvinden.

3.

Een identificatiemerk is niet nodig voor eieren waarvoor in Verordening (EEG) nr. 1907/90 (1) voorschriften inzake etikettering of identificatiemerken zijn vastgelegd.

4.

Exploitanten van levensmiddelenbedrijven moeten, overeenkomstig artikel 18 van Verordening (EG) nr. 178/2002, beschikken over systemen en procedures om de exploitanten van levensmiddelenbedrijven van wie zij producten van dierlijke oorsprong hebben ontvangen of aan wie zij dergelijke producten hebben geleverd, te identificeren.

B.   VORM VAN HET IDENTIFICATIEMERK

5.

Het merk moet leesbaar en onuitwisbaar en in duidelijke cijfer- en lettertekens worden aangebracht. Het moet duidelijk zichtbaar zijn voor de bevoegde autoriteiten.

6.

Het merk moet de naam van het land vermelden waar de inrichting gevestigd is, voluit geschreven of aangegeven met een uit twee letters bestaande code overeenkomstig de desbetreffende ISO-norm.

Voor de lidstaten luiden deze codes evenwel als volgt: AT, BE, DE, DK, ES, FI, FR, GR, IE, IT, LU, NL, PT, SE en UK.

Exploitanten van levensmiddelenbedrijven mogen de voorraden en uitrusting die zij vóór de inwerkingtreding van deze verordening hadden besteld, blijven gebruiken totdat deze uitgeput zijn of aan vervanging toe zijn.

7.

Het merk moet het erkenningsnummer van de inrichting vermelden. Indien een inrichting zowel levensmiddelen waarop deze verordening van toepassing is, als levensmiddelen waarvoor dat niet het geval is, produceert, kan de exploitant van het levensmiddelenbedrijf hetzelfde identificatiemerk op beide soorten levensmiddelen aanbrengen.

8.

Wanneer het merk in een in de Gemeenschap gevestigde inrichting wordt aangebracht, moet het ovaal zijn en de afkorting CE, EC, EF, EG, EK of EY bevatten.

C.   METHODE VOOR HET AANBRENGEN VAN DE MERKEN

9.

Het merk mag, naargelang van de aanbiedingsvorm van de verschillende producten van dierlijke oorsprong, worden aangebracht op het product zelf, op de onmiddellijke verpakking of op de verpakking, dan wel worden gedrukt op een etiket dat wordt aangebracht op het product, op de onmiddellijke verpakking of op de verpakking. Het merk mag ook een plaatje van duurzaam materiaal zijn dat niet kan worden verwijderd.

10.

In geval van een verpakking die uitgesneden vlees of slachtafval bevat, moet het merk worden aangebracht op een etiket dat op de verpakking is bevestigd, dan wel op de verpakking worden gedrukt, en wel zodanig dat het bij het openen van de verpakking wordt vernietigd. Dit is evenwel niet vereist wanneer door het openen de verpakking wordt vernietigd. Wanneer een onmiddellijke verpakking dezelfde bescherming biedt als een verpakking, mag het etiket op de onmiddellijke verpakking worden bevestigd.

11.

Voor producten van dierlijke oorsprong die in vervoerscontainers of grote verpakkingen zijn geplaatst en bestemd zijn voor verdere hantering, verwerking, onmiddellijke verpakking of verpakking in een andere inrichting, mag het merk worden aangebracht op de buitenkant van de container of de verpakking.

12.

Voor vloeibare, korrelvormige en poedervormige producten van dierlijke oorsprong die in bulk worden vervoerd, en voor visserijproducten die in bulk worden vervoerd, is een identificatiemerk niet vereist indien de begeleidende documenten de in de punten 6, 7 en, zo nodig, 8 bedoelde gegevens bevatten.

13.

Wanneer producten van dierlijke oorsprong zich bevinden in een verpakking bedoeld voor rechtstreekse levering aan de eindverbruiker, hoeft het merk alleen op de buitenkant van die verpakking te worden aangebracht.

14.

Als het merk rechtstreeks wordt aangebracht op producten van dierlijke oorsprong, mogen slechts die kleuren worden gebruikt die zijn toegestaan op grond van de communautaire voorschriften inzake het gebruik van kleurstoffen in levensmiddelen.

SECTIE II

DOELSTELLINGEN VAN DE OP HACCP GEBASEERDE PROCEDURES

1.

Exploitanten van een levensmiddelenbedrijf die een slachthuis beheren, zorgen ervoor dat de procedures die zij hebben ingevoerd in overeenstemming met de algemene eisen van artikel 5 van Verordening (EG) nr. .../2004 (2) voldoen aan de eisen die blijkens de risico-analyse noodzakelijk zijn, alsook aan de specifieke eisen vermeld onder punt 2.

2.

De procedures moeten garanderen dat elk dier c.q. elke groep dieren dat c.q. die op het terrein van het slachthuis wordt aanvaard, aan de volgende eisen voldoet:

a)

de dieren zijn naar behoren geïdentificeerd;

b)

de relevantie informatie van het in sectie III bedoelde bedrijf van herkomst is bij het binnenbrengen van de dieren aanwezig;

c)

de dieren komen niet van een bedrijf of een gebied waarvoor met het oog op de gezondheid van mens en dier een verplaatsingsverbod dan wel een andere beperking geldt, tenzij de bevoegde autoriteit daarvoor toestemming gegeven heeft;

d)

de dieren zijn schoon;

e)

de dieren zijn gezond, voorzover dit door de exploitant van het levensmiddelenbedrijf kan worden beoordeeld; en

f)

het welzijn van de dieren bij aankomst in het slachthuis is bevredigend.

3.

Wanneer een van de onder punt 2 genoemde eisen niet kan worden nageleefd, moet de exploitant van het levensmiddelenbedrijf de officiële dierenarts daarvan in kennis stellen en passende maatregelen treffen.

SECTIE III

INFORMATIE OVER DE VOEDSELKETEN

Exploitanten van een levensmiddelenbedrijf die een slachthuis beheren, moeten de in deze sectie bedoelde informatie over de voedselketen aangaande alle andere dieren dan vrij wild die naar het slachthuis worden gebracht of daarvoor bestemd zijn, naar gelang van het geval, opvragen, ontvangen, controleren en er actief gebruik van maken.

1.

Exploitanten van slachthuizen mogen geen dieren tot het terrein van het slachthuis toelaten zonder dat zij de relevante informatie inzake voedselveiligheid, die overeenkomstig Verordening (EG) nr. .../2004 (3) bijgehouden wordt in de registers van het bedrijf van herkomst, hebben opgevraagd en ontvangen.

2.

Slachthuisexploitanten moeten ten minste 24 uur voordat de dieren bij het slachthuis aankomen, in het bezit zijn van de informatie, behalve in de in punt 7 genoemde omstandigheden.

3.

De in punt 1 bedoelde relevante informatie over de voedselketen dient betrekking te hebben op het volgende:

a)

de status van het bedrijf van herkomst of de regionale gezondheidsstatus van de dieren;

b)

de gezondheidsstatus van de dieren;

c)

de toegediende geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik of andere behandelingen die de dieren binnen een relevante periode hebben ondergaan, tezamen met de data van toediening of behandeling en wachttijden, wanneer er een wachttijd is;

d)

de aanwezigheid van ziekten die de veiligheid van het vlees in het gedrang kunnen brengen;

e)

indien relevant voor de bescherming van de volksgezondheid, de resultaten van de analyses van de bij de dieren genomen monsters of van andere voor het diagnosticeren van ziekten die de veiligheid van vlees in het gedrang brengen, genomen monsters, met inbegrip van monsters die in het kader van de bewaking en de bestrijding van zoönoses en residuen worden genomen;

f)

de relevante verslagen van slachthuizen over de resultaten van eerdere antemortem- en postmortemkeuringen van dieren van hetzelfde bedrijf van herkomst, met name verslagen van de officiële dierenarts;

g)

de productiegegevens, wanneer die ziekten aan het licht kunnen brengen; en

h)

naam en adres van de dierenarts die normaliter het bedrijf van herkomst diensten verleent.

4.

a)

Slachthuisexploitanten hoeven echter niet in kennis te worden gesteld van:

i)

de informatie bedoeld in punt 3 a), b), f) en h), indien de exploitant al over deze informatie beschikt (bv. via een lopende overeenkomst of een kwaliteitsborgingssysteem); of

ii)

de informatie bedoeld in punt 3 a), b), f) en g), indien de producent verklaart dat er geen relevante informatie te melden valt.

b)

De verstrekte informatie hoeft geen woordelijk afschrift van de registers van het bedrijf van herkomst te zijn. De informatie mag elektronisch of in de vorm van een door de producent ondertekende standaardverklaring worden verstrekt.

5.

Exploitanten van een levensmiddelenbedrijf die na de beoordeling van de relevante gegevens over de voedselketen besluiten op het terrein van het slachthuis dieren toe te laten, moeten de gegevens onmiddellijk en ten minste 24 uur voordat de dieren of de groep dieren bij het slachthuis aankomen/aankomt (uitgezonderd in de in punt 7 genoemde omstandigheden) ter beschikking stellen van de officiële dierenarts. Exploitanten van een levensmiddelenbedrijf dienen voorafgaand aan de antemortemkeuring van het betrokken dier de officiële dierenarts in kennis te stellen van alle informatie die kan duiden op een gezondheidsprobleem.

6.

Wanneer een dier bij het slachthuis aankomt zonder gegevens over de voedselketen, dient de exploitant onmiddellijk de officiële dierenarts daarvan in kennis te stellen. Het dier mag niet worden geslacht zolang de officiële dierenarts daarvoor geen toestemming heeft gegeven.

7.

Indien de bevoegde autoriteit dit toestaat, mogen in de volgende gevallen de gegevens over de voedselketen de dieren vergezellen, en hoeven ze niet uiterlijk 24 uur van tevoren te worden verstrekt:

a)

varkens, pluimvee of gekweekt wild die in het bedrijf van herkomst een antemortem-keuring hebben ondergaan, mits zij vergezeld gaan van een door de dierenarts ondertekend certificaat waarin deze verklaart dat hij de dieren op het bedrijf van herkomst heeft onderzocht en gezond heeft bevonden;

b)

eenhoevige landbouwhuisdieren;

c)

dieren waarbij een noodslachting is uitgevoerd, mits zij vergezeld gaan van een door de dierenarts ondertekende verklaring dat het resultaat van de antemortemkeuring bevredigend was; en

d)

dieren die niet rechtstreeks van het bedrijf van herkomst aan het slachthuis geleverd worden.

De exploitanten van slachthuizen dienen de betrokken informatie te beoordelen. Indien zij de dieren voor slachting aanvaarden, dienen zij de in de punten a) en c) genoemde documenten aan de officiële dierenarts te overhandigen. De dieren mogen niet geslacht of verder behandeld worden zolang de officiële dierenarts daarvoor geen toestemming heeft gegeven.

8.

Exploitanten van een levensmiddelenbedrijf dienen de paspoorten van eenhoevige landbouwhuisdieren te controleren om zich ervan te vergewissen dat het dier bestemd is om te worden geslacht voor menselijke consumptie. Indien zij het dier voor slachting aanvaarden, dienen zij het paspoort aan de officiële dierenarts te overhandigen.


(1)  Verordening (EEG) nr. 1907/90 van de Raad van 26 juni 1990 betreffende bepaalde handelsnormen voor eieren (PB L 173 van 6.7.1990, blz. 5). Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2052/2003 (PB L 305 van 22.11.2003, blz. 1).

(2)  Nog niet in het PB gepubliceerd.

(3)  Nog niet in het PB gepubliceerd.

BIJLAGE III

SPECIFIEKE VOORSCHRIFTEN

SECTIE I

VLEES VAN ALS LANDBOUWHUISDIER GEHOUDEN HOEFDIEREN

HOOFDSTUK I: VERVOER VAN LEVENDE DIEREN NAAR HET SLACHTHUIS

Exploitanten van levensmiddelenbedrijven die levende dieren naar slachthuizen vervoeren, moeten ervoor zorgen dat wordt voldaan aan de volgende voorschriften.

1.

Bij het verzamelen en tijdens het vervoer moet met de dieren voorzichtig worden omgegaan, zonder onnodig leed te veroorzaken.

2.

Dieren die ziektesymptomen vertonen, of afkomstig zijn uit beslagen waarvan bekend is dat zij zijn besmet met agentia die relevant zijn voor de volksgezondheid, mogen alleen naar het slachthuis worden vervoerd wanneer de bevoegde autoriteit dit toestaat.

HOOFDSTUK II: VOORSCHRIFTEN VOOR SLACHTHUIZEN

Exploitanten van levensmiddelenbedrijven moeten ervoor zorgen dat de bouw, de indeling en de uitrusting van slachthuizen waar als huisdier gehouden hoefdieren worden geslacht, aan de volgende eisen voldoen.

1.

a)

Slachthuizen moeten beschikken over adequate en hygiënische stallen of, voorzover het weer dat mogelijk maakt, over omheinde terreinen die gemakkelijk kunnen worden schoongemaakt en ontsmet. De nodige voorzieningen moeten aanwezig zijn om de dieren te drenken en, zo nodig, te voederen. De afvoer van het afvalwater mag de voedselveiligheid niet in het gedrang brengen.

b)

Zij moeten ook beschikken over afzonderlijke afsluitbare stallen of, voorzover het weer dat mogelijk maakt, over omheinde terreinen voor zieke of verdachte dieren, met een afzonderlijk waterafvoersysteem en zo gelegen dat verontreiniging van andere dieren wordt vermeden, tenzij de bevoegde autoriteit zulke faciliteiten niet nodig acht.

c)

De stallen moeten ruim genoeg zijn om het welzijn van de dieren te kunnen garanderen. Zij moeten zo ontworpen zijn dat de antemortemkeuringen, inclusief de identificatie van de dieren of groepen dieren, gemakkelijk kunnen plaatsvinden.

2.

Om verontreiniging van het vlees te vermijden, moeten zij:

a)

beschikken over een voldoende aantal lokalen die geschikt zijn om er de nodige bewerkingen uit te voeren;

b)

beschikken over een afzonderlijk lokaal voor het ledigen en schoonmaken van magen en darmen, tenzij de bevoegde autoriteit per geval toestaat dat deze bewerkingen in een bepaald slachthuis in tijd worden gescheiden;

c)

zorgen voor een scheiding in lokaal of tijd tussen de volgende bewerkingen:

i)

het bedwelmen en verbloeden;

ii)

in het geval van varkens, het broeien, het ontharen, het afschrapen en het schroeien;

iii)

het verwijderen van de ingewanden en verdere behandeling;

iv)

het verwerken van schoongemaakte magen en darmen;

v)

het bereiden en schoonmaken van andere slachtafvallen, in het bijzonder het hanteren van van de huid ontdane koppen indien deze bewerking niet aan de slachtlijn plaatsvindt;

vi)

het verpakken van slachtafval; en

vii)

het verzenden van het vlees;

d)

de nodige voorzieningen hebben om te vermijden dat het vlees in contact komt met vloeren, muren of installaties; en

e)

(indien van toepassing) beschikken over slachtlijnen die zo zijn ontworpen dat het slachtproces niet wordt onderbroken en dat kruisverontreiniging tussen de verschillende onderdelen van de slachtlijn wordt vermeden. Indien in hetzelfde lokaal meer dan één slachtlijn wordt gebruikt, dient tussen deze lijnen een adequate scheiding te zijn aangebracht om kruisverontreiniging te voorkomen.

3.

Zij moeten beschikken over de nodige voorzieningen om gereedschap te ontsmetten met heet water van ten minste 82 °C of over een alternatief systeem met een gelijkwaardig effect.

4.

Voorzieningen voor het wassen van de handen, die worden gebruikt door personeel dat omgaat met onverpakt vlees, moeten uitgerust zijn met kranen die zo zijn ontworpen dat de verspreiding van verontreiniging wordt voorkomen.

5.

Er moeten afsluitbare voorzieningen zijn voor de gekoelde opslag van voor nadere keuring aangehouden vlees, en aparte afsluitbare voorzieningen voor de opslag van voor menselijke consumptie ongeschikt verklaard vlees.

6.

Er moet een apart lokaal zijn met de nodige voorzieningen voor het reinigen, wassen en ontsmetten van de veetransportmiddelen. Slachthuizen zijn evenwel niet verplicht over dit soort lokalen en voorzieningen te beschikken indien de bevoegde autoriteit dit toestaat en in de directe omgeving officieel erkende lokalen en voorzieningen beschikbaar zijn.

7.

Er moeten afsluitbare voorzieningen zijn voor het slachten van zieke en verdachte dieren. Een dergelijke afsluitbare voorziening is niet absoluut noodzakelijk indien de betrokken dieren worden geslacht in andere daartoe door de bevoegde autoriteit erkende inrichtingen, of na beëindiging van de normale slachtwerkzaamheden.

8.

Indien in het slachthuis mest en de inhoud van het spijsverteringskanaal worden opgeslagen, moet een speciaal daarvoor bestemde plaats of lokaal beschikbaar zijn.

9.

Er moet een afsluitbare voorziening of, waar nodig, een apart lokaal zijn met een adequate uitrusting die uitsluitend door de veterinaire dienst gebruikt mag worden.

HOOFDSTUK III: VOORSCHRIFTEN VOOR UITSNIJDERIJEN

Exploitanten van levensmiddelenbedrijven moeten ervoor zorgen dat uitsnijderijen waar vlees van als landbouwhuisdier gehouden hoefdieren wordt bewerkt:

1)

zo gebouwd zijn dat verontreiniging van het vlees voorkomen wordt, in het bijzonder door:

a)

het mogelijk te maken dat de diverse bewerkingen elkaar zonder onderbreking kunnen opvolgen, of

b)

ervoor te zorgen dat twee opeenvolgende productiepartijen van elkaar gescheiden blijven;

2)

beschikken over lokalen om verpakt en onverpakt vlees gescheiden op te slaan, tenzij verpakt en onverpakt vlees nooit tegelijk worden opgeslagen of zodanig dat het verpakkingsmateriaal en de wijze van opslag geen bron van verontreiniging van het vlees kunnen zijn;

3)

uitsnijlokalen hebben met de nodige voorzieningen om ervoor te zorgen dat de eisen van hoofdstuk V nageleefd worden;

4)

voor het personeel dat met onverpakt vlees omgaat voorzieningen hebben voor het wassen van de handen, uitgerust met kranen die zo zijn ontworpen dat de verspreiding van verontreiniging wordt voorkomen; en

5)

beschikken over voorzieningen om gereedschap te ontsmetten met heet water van ten minste 82 °C, of over een alternatief systeem dat een gelijkwaardig effect heeft.

HOOFDSTUK IV: HYGIËNE BIJ HET SLACHTEN

Exploitanten van levensmiddelenbedrijven die een slachthuis beheren waar als landbouwhuisdier gehouden hoefdieren worden geslacht, moeten ervoor zorgen dat aan de volgende voorschriften wordt voldaan.

1.

Als de dieren in het slachthuis zijn aangekomen, mag het slachten niet onnodig worden uitgesteld. Wanneer dat om welzijnsredenen vereist is, moeten de dieren evenwel kunnen rusten vóórdat ze worden geslacht.

2.

a)

Vlees van andere dan de onder b) en c) vermelde dieren mag niet voor menselijke consumptie worden gebruikt indien zij op een andere manier sterven dan door slachting in het slachthuis.

b)

In de slachtinrichting mogen alleen voor de slacht bestemde levende dieren worden binnengebracht, met uitzondering van:

i)

dieren waarbij overeenkomstig hoofdstuk VI een noodslachting is uitgevoerd buiten het slachthuis,

ii)

dieren die overeenkomstig sectie III op de productieplaats zijn geslacht; en

iii)

vrij wild, als bedoeld in sectie IV, hoofdstuk II.

c)

Vlees van dieren die worden geslacht na een ongeval in een slachthuis mag voor menselijke consumptie worden gebruikt als bij inspectie geen andere ernstige laesies zijn gevonden dan die welke bij het ongeval opgelopen zijn.

3.

Naar het slachthuis verzonden dieren of partijen dieren, moeten zo worden geïdentificeerd dat hun oorsprong kan worden getraceerd.

4.

De dieren moeten schoon zijn.

5.

Exploitanten van een slachthuis dienen de instructies van de door de bevoegde autoriteit overeenkomstig Verordening (EG) nr. .../2004 (1) aangewezen dierenarts te volgen om te garanderen dat de antemortemkeuring van ieder te slachten dier onder adequate omstandigheden wordt uitgevoerd.

6.

Dieren die in de slachtlokaal zijn binnengebracht, moeten onverwijld worden geslacht.

7.

Het bedwelmen, het verbloeden, het villen of plukken, het verwijderen van de ingewanden en andere vormen van uitslachten moeten zo spoedig mogelijk plaatsvinden en op zodanige wijze dat verontreiniging van het vlees wordt voorkomen. In het bijzonder geldt het volgende:

a)

de luchtpijp en de slokdarm moeten tijdens het verbloeden intact blijven, behalve bij rituele slachtingen;

b)

tijdens het verwijderen van huiden en vachten:

i)

mag de buitenkant daarvan niet in aanraking komen met het karkas, en

ii)

mogen personeelsleden en apparatuur die met de buitenkant van huiden en vachten in contact zijn geweest, niet meer in aanraking komen met het vlees;

c)

er worden maatregelen genomen om te voorkomen dat bij en na het verwijderen van de ingewanden de inhoud van maag en darmen wordt gemorst en om het verwijderen van de ingewanden zo snel mogelijk na het bedwelmen te voltooien; en

d)

het verwijderen van de uier mag niet leiden tot verontreiniging van het karkas met melk of colostrum.

8.

Het karkas van de dieren en de andere, voor menselijke consumptie bestemde delen moeten volledig worden gevild, behalve wat betreft varkens, de koppen en poten van schapen en geiten en kalveren. Koppen en poten moeten zo worden gehanteerd dat elke verontreiniging van vlees wordt voorkomen.

9.

Wanneer varkens niet worden gevild, moeten de haren onmiddellijk worden verwijderd. Het risico van verontreiniging van het vlees met broeiwater moet zo klein mogelijk zijn. Hierbij mogen alleen erkende additieven worden gebruikt. Nadien moeten de varkens grondig met drinkwater worden afgespoeld.

10.

Karkassen mogen niet zichtbaar met uitwerpselen verontreinigd zijn. Elke zichtbare verontreiniging moet onmiddellijk worden verwijderd door bijsnijden of door een andere behandeling met een gelijkwaardig effect.

11.

Karkassen en slachtafval mogen niet in contact komen met vloeren, wanden of werktafels.

12.

Exploitanten van een slachthuis dienen de instructies van de bevoegde autoriteit te volgen om te garanderen dat de postmortemkeuring van alle geslachte dieren onder adequate omstandigheden wordt uitgevoerd overeenkomstig Verordening (EG) nr. .../2004 (1).

13.

Zolang de postmortemkeuring niet is voltooid, moet van de delen van een geslacht dier dat aan die keuring wordt onderworpen:

a)

op elk moment kunnen worden bepaald bij welk karkas zij horen; en

b)

mag geen van die delen in aanraking komen met een ander karkas, met slachtafval of met ingewanden, met inbegrip van die waarop al een postmortemkeuring is uitgevoerd.

De penis mag evenwel onmiddellijk worden weggegooid, tenzij er sprake is van door een ziekte veroorzaakte laesies.

14.

Beide nieren moeten van alle aanhangend vet worden ontdaan. Bij runderen, varkens en eenhoevigen moet ook het nierkapsel worden verwijderd.

15.

Wanneer het bloed of ander slachtafval van verschillende dieren in dezelfde recipiënt worden verzameld vóórdat de postmortemkeuring is voltooid, wordt de volledige inhoud ongeschikt voor menselijke consumptie verklaard indien het karkas van één of meer van de betrokken dieren ongeschikt voor menselijke consumptie is verklaard.

16.

Na de postmortemkeuring:

a)

moeten bij runderen en eenhoevigen de amandelen op hygiënische wijze worden verwijderd;

b)

moeten de niet voor menselijke consumptie geschikte delen zo spoedig mogelijk uit de schone afdeling van de inrichting worden verwijderd;

c)

mogen voor nadere keuring aangehouden vlees, vlees dat ongeschikt voor menselijke consumptie is verklaard en niet voor consumptie geschikte bijproducten niet in contact komen met vlees dat geschikt is verklaard voor menselijke consumptie; en

d)

moeten ingewanden of delen van ingewanden die in het karkas blijven, met uitzondering van nieren, in hun geheel en zo spoedig mogelijk worden verwijderd, tenzij de bevoegde autoriteit anders toestaat.

17.

Na het slachten en de postmortemkeuring moet het vlees overeenkomstig hoofdstuk VII worden opgeslagen.

18.

Wanneer zij bestemd zijn voor verdere verwerking, moeten:

a)

magen worden gebroeid of schoongemaakt;

b)

darmen worden geledigd en schoongemaakt; en

c)

koppen en poten worden gevild of gebroeid en onthaard worden.

19.

Als inrichtingen zijn erkend voor het slachten van verschillende diersoorten of voor het hanteren van karkassen van gekweekt wild en vrij wild, zijn er voorzorgsmaatregelen nodig om kruisverontreiniging te voorkomen; de werkzaamheden bij de verschillende diersoorten worden ook op verschillende tijdstippen of plaatsen verricht. Er moeten aparte voorzieningen zijn voor de ontvangst en de opslag van niet gevilde karkassen van op het bedrijf geslacht gekweekt wild en voor vrij wild.

20.

Indien het slachthuis niet over afsluitbare voorzieningen voor het slachten van zieke of verdachte dieren beschikt, dienen de voorzieningen voor het slachten van deze dieren onder officieel toezicht te worden gereinigd, gewassen en ontsmet, vóórdat het slachten van andere dieren wordt hervat.

HOOFDSTUK V: HYGIËNE BIJ HET UITSNIJDEN EN HET UITBENEN

Exploitanten van levensmiddelenbedrijven moeten ervoor zorgen dat het uitsnijden en uitbenen van vlees van als landbouwhuisdier gehouden hoefdieren geschiedt volgens de volgende eisen:

1.

Karkassen van als huisdier gehouden hoefdieren mogen in slachthuizen worden verdeeld in halve karkassen of in kwartieren, en halve karkassen in ten hoogste drie voor de groothandel bestemde deelstukken. Het verder uitsnijden en uitbenen moeten plaatsvinden in een uitsnijderij.

2.

De bewerkingen van het vlees moeten zo worden georganiseerd dat verontreiniging wordt voorkomen of tot een minimum wordt beperkt. Daartoe moeten exploitanten van levensmiddelenbedrijven er in het bijzonder voor zorgen dat:

a)

voor uitsnijding bestemd vlees slechts naar gelang van de behoefte in de uitsnijlokalen wordt binnengebracht;

b)

tijdens het uitsnijden, het uitbenen, het schoonsnijden, het in plakken snijden, het in dobbelstenen snijden, het aanbrengen van een onmiddellijke verpakking en het verpakken, het vlees op ten hoogste 3 °C voor slachtafvallen en 7 °C voor ander vlees wordt gehouden, door middel van een omgevingstemperatuur van ten hoogste 12 °C of een alternatief systeem met een gelijkwaardig effect; en

c)

als een uitsnijderij is erkend voor het uitsnijden van vlees van verschillende diersoorten, voorzorgen worden genomen om kruisverontreiniging te voorkomen, indien nodig door de werkzaamheden naar gelang van de diersoort op een andere plaats of op een ander tijdstip uit te voeren.

3.

Vlees mag evenwel uitgebeend en uitgesneden worden voordat het de in punt 2, onder b), genoemde temperatuur heeft bereikt overeenkomstig hoofdstuk VII, punt 3.

4.

Vlees mag eveneens uitgebeend en uitgesneden worden voordat het de in punt 2, onder b), genoemde temperatuur heeft bereikt indien het uitsnijlokaal zich op dezelfde locatie bevindt als het slachtlokaal. In dat geval wordt het vlees rechtstreeks van het slachtlokaal naar het uitsnijlokaal, dan wel na een wachttijd naar een koel- of vrieslokaal gebracht. Zodra het is uitgesneden en, waar nodig, verpakt, moet het worden gekoeld tot de in punt 2, onder b), genoemde temperatuur.

HOOFDSTUK VI: NOODSLACHTINGEN BUITEN HET SLACHTHUIS

Exploitanten van levensmiddelenbedrijven moeten erop toezien dat vlees van als landbouwhuisdier gehouden hoefdieren waarbij een noodslachting buiten het slachthuis is uitgevoerd, alleen voor menselijke consumptie kan worden aangewend indien aan de volgende voorwaarden voldaan is.

1.

Een voor het overige gezond dier moet een ongeval gehad hebben waardoor het om welzijnsredenen niet naar het slachthuis kon worden vervoerd.

2.

Een dierenarts dient een antemortemkeuring van het dier te verrichten.

3.

Het geslachte en verbloede dier is zonder nodeloos uitstel onder hygiënische omstandigheden naar het slachthuis vervoerd. Maag en darmen mogen ter plaatse onder toezicht van de dierenarts worden verwijderd, evenwel zonder verdere uitslachting. Verwijderde ingewanden moeten het geslachte dier naar het slachthuis vergezellen, en worden aangeduid als afkomstig van dat dier.

4.

Indien er tussen de slacht en de aankomst bij het slachthuis meer dan twee uur verstrijkt, moet het dier gekoeld worden. Actieve koeling is niet nodig wanneer de weersomstandigheden dit toelaten.

5.

Een verklaring van de exploitant van het levensmiddelenbedrijf die het dier heeft gefokt, waarin de identiteit van het dier, de toegediende geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik of andere behandelingen die het dier heeft ondergaan, de data van toediening of behandeling en wachttijden zijn vermeld, dient het naar het slachthuis gebrachte geslachte dier te vergezellen.

6.

Een verklaring van de dierenarts waarin het gunstige resultaat van de antemortemkeuring, de datum en het tijdstip van en de reden voor de noodslachting, naast de aard van de door de dierenarts op het dier toegepaste behandeling zijn vermeld, dient het naar het slachthuis gebrachte geslachte dier te vergezellen.

7.

Het geslachte dier dient geschikt te zijn bevonden voor menselijke consumptie na een overeenkomstig Verordening (EG) nr. .../2004 (2) in het slachthuis verrichte postmortemkeuring, inclusief eventuele extra tests in geval van een noodslachting.

8.

Exploitanten van levensmiddelenbedrijven dienen eventuele instructies van de officiële dierenarts na de postmortemkeuring over het gebruik van het vlees op te volgen.

9.

Exploitanten van levensmiddelenbedrijven mogen vlees van dieren waarbij een noodslachting is uitgevoerd, niet op de markt brengen tenzij het een speciaal gezondheidsmerk draagt, dat niet verward kan worden met het gezondheidsmerk aangebracht overeenkomstig Verordening (EG) nr. .../2004 (2) of het identificatiemerk als bedoeld in bijlage II, sectie I, van deze verordening. Zulk vlees mag alleen op de markt worden gebracht in de lidstaat waar de slacht plaatsvindt en met inachtneming van de nationale wetgeving.

HOOFDSTUK VII: OPSLAG EN VERVOER

Exploitanten van levensmiddelenbedrijven moeten ervoor zorgen dat de opslag en het vervoer van vlees van als landbouwhuisdier gehouden hoefdieren geschiedt volgens de volgende eisen:

1.

a)

Tenzij andere specifieke bepalingen in een andere regeling voorzien, moet de postmortemkeuring onmiddellijk worden gevolgd door koeling in het slachthuis om via een continue daling van de temperatuur overal in het vlees een temperatuur van niet meer dan 3 °C voor slachtafvallen en 7 °C voor ander vlees te verzekeren. Vlees mag evenwel overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk V, punt 4, tijdens het koelen worden versneden en uitgebeend.

b)

Tijdens het koelen dient voldoende ventilatie aanwezig te zijn om condensvorming aan de oppervlakte van het vlees te voorkomen.

2.

Vlees moet de in punt 1 bedoelde temperatuur hebben bereikt en moet die temperatuur behouden tijdens de opslag.

3.

Vlees moet de in punt 1 bedoelde temperatuur hebben bereikt alvorens het kan worden vervoerd, en moet die temperatuur tijdens het vervoer behouden. Vlees mag evenwel ook worden vervoerd indien de bevoegde autoriteit zulks toestaat om de bereiding van specifieke producten mogelijk te maken, op voorwaarde dat:

a)

een dergelijk transport verloopt in overeenstemming met de voorwaarden die de bevoegde autoriteiten vaststelt met betrekking tot het vervoer tussen bepaalde inrichtingen; en

b)

het vlees onmiddellijk het slachthuis of een zich aldaar bevindende uitsnijderij verlaat en het vervoer niet meer dan twee uur duurt.

4.

Vlees dat bestemd is om te worden ingevroren, moet onverwijld worden ingevroren, zo nodig na een stabilisatieperiode.

5.

Onverpakt vlees mag niet samen met verpakt vlees worden opgeslagen en vervoerd, tenzij de opslag of het vervoer in verschillende periodes plaatsvindt of op een dergelijke wijze dat het verpakkingsmateriaal en de wijze van opslag of vervoer geen bron van verontreiniging van het vlees kunnen zijn.

SECTIE II

VLEES VAN PLUIMVEE EN LAGOMORFEN

HOOFDSTUK I: VERVOER VAN LEVENDE DIEREN NAAR HET SLACHTHUIS

Exploitanten van levensmiddelenbedrijven die levende dieren naar slachthuizen vervoeren, moeten ervoor zorgen dat wordt voldaan aan de volgende voorschriften.

1.

Bij het verzamelen en tijdens het vervoer moet met de dieren voorzichtig worden omgegaan, zonder onnodig leed te veroorzaken.

2.

Dieren die ziektesymptomen vertonen, of afkomstig zijn uit beslagen waarvan bekend is dat zij zijn besmet met agentia die relevant zijn voor de volksgezondheid, mogen alleen naar het slachthuis worden vervoerd wanneer dat is toegestaan door de bevoegde autoriteit.

3.

Kratten voor de levering van dieren aan het slachthuis en modules, zo die worden gebruikt, moeten zijn vervaardigd uit niet-corrosief materiaal dat gemakkelijk kan worden schoongemaakt en ontsmet. Alle materieel dat is gebruikt om levende dieren te verzamelen en af te leveren, moet onmiddellijk na lediging en, indien van toepassing, vóór hergebruik worden gereinigd, gewassen en ontsmet.

HOOFDSTUK II: VOORSCHRIFTEN VOOR SLACHTHUIZEN

Exploitanten van levensmiddelenbedrijven moeten ervoor zorgen dat de bouw, de indeling en de uitrusting van slachthuizen waar pluimvee of lagomorfen worden geslacht, aan de volgende eisen voldoen:

1.

Zij moeten beschikken over een lokaal of overdekt lokaal om de dieren te verzamelen en vóór het slachten te keuren.

2.

Om verontreiniging van het vlees te vermijden, moeten zij:

a)

beschikken over een voldoende aantal lokalen die geschikt zijn om er de nodige bewerkingen uit te voeren;

b)

beschikken over een afzonderlijk lokaal voor het verwijderen van ingewanden en verder bewerken, waaronder de toevoeging van kruiderijen aan pluimveekarkassen, tenzij de bevoegde autoriteit per geval toestaat dat deze bewerkingen in een bepaald slachthuis in tijd worden gescheiden;

c)

zorgen voor een scheiding in lokaal of tijd tussen de volgende bewerkingen:

i)

het bedwelmen en verbloeden;

ii)

het plukken of onthuiden en het broeien; en

iii)

het verzenden van het vlees;

d)

de nodige voorzieningen hebben om te vermijden dat het vlees in contact komt met vloeren, muren of installaties; en

e)

(indien van toepassing) beschikken over slachtlijnen die zo zijn ontworpen dat het slachtproces niet wordt onderbroken en dat kruisverontreiniging tussen de verschillende onderdelen van de slachtlijn wordt vermeden. Indien in dezelfde lokaal meer dan één slachtlijn wordt gebruikt, dient tussen deze lijnen een adequate scheiding te zijn aangebracht om kruisverontreiniging te voorkomen.

3.

Zij moeten beschikken over de nodige voorzieningen om gereedschap te ontsmetten met heet water van ten minste 82 °C of over een alternatief systeem met een gelijkwaardig effect.

4.

De voorzieningen voor het wassen van de handen, die worden gebruikt door personeel dat omgaat met onverpakt vlees, moeten uitgerust zijn met kranen die zo zijn ontworpen dat de verspreiding van verontreiniging wordt voorkomen.

5.

Zij moeten beschikken over afsluitbare voorzieningen voor de gekoelde opslag van voor nadere keuring aangehouden vlees, en aparte afsluitbare voorzieningen voor de opslag van voor menselijke consumptie ongeschikt verklaard vlees.

6.

Zij moeten beschikken over een apart lokaal met de nodige voorzieningen voor het reinigen, wassen en ontsmetten van:

a)

bij het transport gebruikte voorzieningen, bijvoorbeeld kratten; en

b)

vervoermiddelen.

Deze lokalen en voorzieningen zijn niet vereist voor b) wanneer in de directe omgeving officieel erkende lokalen en voorzieningen beschikbaar zijn.

7.

Zij moeten beschikken over een afsluitbare voorziening of, waar nodig, een apart lokaal met een adequate uitrusting die uitsluitend door de veterinaire dienst gebruikt mag worden.

HOOFDSTUK III: VOORSCHRIFTEN VOOR UITSNIJDERIJEN

1.

Exploitanten van levensmiddelenbedrijven moeten ervoor zorgen dat uitsnijderijen waar vlees van pluimvee of lagomorfen wordt bewerkt:

a)

zo gebouwd zijn dat verontreiniging van het vlees voorkomen wordt, in het bijzonder door:

i)

het mogelijk te maken dat de diverse bewerkingen elkaar zonder onderbreking kunnen opvolgen, of

ii)

ervoor te zorgen dat twee opeenvolgende productiepartijen van elkaar gescheiden blijven;

b)

beschikken over lokalen om verpakt en onverpakt vlees gescheiden op te slaan, tenzij verpakt en onverpakt vlees nooit tegelijk worden opgeslagen of zodanig dat het verpakkingsmateriaal en de wijze van opslag geen bron van verontreiniging van het vlees kunnen zijn;

c)

uitsnijlokalen hebben met de nodige voorzieningen om ervoor te zorgen dat de eisen van hoofdstuk V nageleefd worden;

d)

voor het personeel dat met onverpakt vlees omgaat, beschikken over voorzieningen voor het wassen van de handen, uitgerust met kranen die zo zijn ontworpen dat de verspreiding van verontreiniging wordt voorkomen; en

e)

beschikken over voorzieningen om gereedschap te ontsmetten met heet water van ten minste 82 °C, of over een alternatief systeem dat een gelijkwaardig effect heeft.

2.

Voorzover de onderstaande bewerkingen in de uitsnijderij plaatsvinden:

a)

het verwijderen van de ingewanden van ganzen en eenden die voor de productie van „foie gras” zijn gehouden en die op het mestbedrijf bedwelmd en na verbloeding geplukt zijn, of

b)

het verwijderen van de ingewanden van pluimvee waarvan de verwijdering van de ingewanden uitgesteld is,

moeten exploitanten van levensmiddelenbedrijven ervoor zorgen dat daarvoor afzonderlijke lokalen beschikbaar zijn.

HOOFDSTUK IV: HYGIËNE BIJ HET SLACHTEN

Exploitanten van levensmiddelenbedrijven die een slachthuis beheren waarin pluimvee of lagomorfen worden geslacht, moeten ervoor zorgen dat aan de volgende voorschriften wordt voldaan:

1.

a)

Vlees van andere dan de onder b) vermelde dieren mag niet voor menselijke consumptie gebruikt worden indien zij op een andere manier gestorven zijn dan door slachting in het slachthuis.

b)

In de slachtinrichting mogen alleen voor de slacht bestemde levende dieren worden binnengebracht, met uitzondering van:

i)

pluimvee waarvan de verwijdering van de ingewanden uitgesteld is, ganzen en eenden die voor de productie van „foie gras” zijn gehouden en vogels die niet als landbouwhuisdier worden beschouwd, maar wel als landbouwhuisdier worden gekweekt, indien zij overeenkomstig hoofdstuk VI op het bedrijf geslacht zijn;

ii)

gekweekt wild dat op de productieplaats overeenkomstig sectie III is geslacht; en

iii)

klein vrij wild, als bedoeld in sectie IV, hoofdstuk III.

2.

Exploitanten van een slachthuis dienen de instructies van de bevoegde autoriteit te volgen om te garanderen dat de antemortemkeuring onder adequate omstandigheden wordt uitgevoerd.

3.

Als inrichtingen zijn erkend voor het slachten van verschillende diersoorten of voor het bewerken van gekweekte loopvogels en klein vrij wild, moeten voorzorgen worden genomen om kruisverontreiniging te voorkomen, door ervoor te zorgen dat de werkzaamheden bij de verschillende diersoorten worden verricht op een ander tijdstip of op een andere plaats. Er moeten aparte voorzieningen zijn voor de ontvangst en de opslag van karkassen van op het bedrijf geslachte gekweekte loopvogels en voor vrij wild.

4.

Dieren die in het slachtlokaal worden gebracht, moeten zonder onnodig uitstel worden geslacht.

5.

Het bedwelmen, het verbloeden, het villen of plukken, het verwijderen van de ingewanden en andere vormen van uitslachten moeten zonder onnodig uitstel plaatsvinden op zodanige wijze dat verontreiniging van het vlees wordt voorkomen. Met name moeten maatregelen worden getroffen om te voorkomen dat bij het uitnemen van de ingewanden de inhoud van maag en darmen wordt gemorst.

6.

Exploitanten van een slachthuis dienen de instructies van de bevoegde autoriteit te volgen om te garanderen dat de verplichte postmortemkeuring onder adequate omstandigheden kan worden uitgevoerd; zij zien er met name op toe dat geslachte dieren naar behoren kunnen worden gekeurd.

7.

Na de postmortemkeuring:

a)

moeten de niet voor menselijke consumptie geschikte delen zo spoedig mogelijk uit de reine afdeling van de inrichting worden verwijderd;

b)

mogen voor nadere keuring aangehouden vlees, vlees dat ongeschikt voor menselijke consumptie is verklaard en niet voor consumptie geschikte bijproducten niet in contact komen met vlees dat geschikt is verklaard voor menselijke consumptie; en

c)

moeten ingewanden of delen van ingewanden die in het karkas blijven, met uitzondering van nieren, indien mogelijk in hun geheel, zo spoedig mogelijk worden verwijderd, tenzij door de bevoegde autoriteit anders is toegestaan.

8.

Na keuring en verwijdering van de ingewanden moeten geslachte dieren zo spoedig mogelijk worden schoongemaakt en gekoeld tot een temperatuur van ten hoogste 4 °C, tenzij het vlees warm wordt uitgesneden.

9.

Voor karkassen die door onderdompeling worden gekoeld, dient rekening te worden gehouden met de onderstaande voorschriften.

a)

De nodige voorzorgen moeten worden genomen om verontreiniging van de karkassen te voorkomen, rekening houdend met factoren als karkasgewicht, watertemperatuur, volume en stroomrichting van het water, en koeltijd.

b)

De apparatuur moet telkens als dat nodig is en ten minste eenmaal per dag, volledig worden leeggemaakt, gereinigd en ontsmet.

10.

Zieke of verdachte dieren en dieren die worden geslacht in het kader van een programma voor de bestrijding en de uitroeiing van een dierziekte mogen niet in de inrichting worden geslacht, tenzij de bevoegde autoriteit daarvoor toestemming heeft gegeven. In dat geval moet het slachten onder officieel toezicht plaatsvinden en moeten er maatregelen worden genomen om verontreiniging te voorkomen. De gebouwen moeten worden gereinigd en ontsmet voordat zij opnieuw worden gebruikt.

HOOFDSTUK V: HYGIËNE TIJDENS EN NA HET UITSNIJDEN EN HET UITBENEN

Exploitanten van levensmiddelenbedrijven moeten ervoor zorgen dat het uitsnijden en uitbenen van het vlees van pluimvee en lagomorfen geschiedt volgens de volgende eisen:

1.

De bewerkingen van het vlees moeten zo worden georganiseerd dat verontreiniging wordt voorkomen of tot een minimum wordt beperkt. Daartoe moeten exploitanten van levensmiddelenbedrijven er in het bijzonder voor zorgen dat:

a)

voor uitsnijding bestemd vlees slechts naar gelang van de behoefte in de uitsnijlokalen wordt binnengebracht;

b)

tijdens het uitsnijden, het uitbenen, het trimmen, het in plakken snijden, het in dobbelstenen snijden, het aanbrengen van een onmiddellijke verpakking en het verpakken, het vlees op ten hoogste 4 °C wordt gehouden door middel van een omgevingstemperatuur van 12 °C of een alternatief systeem met een gelijkwaardig effect, en

c)

als een uitsnijderij is erkend voor het uitsnijden van vlees van verschillende diersoorten, voorzorgen worden genomen om kruisverontreiniging te voorkomen, indien nodig door de werkzaamheden naar gelang van de diersoort op een andere plaats of op een ander tijdstip uit te voeren.

2.

Vlees mag evenwel uitgebeend en uitgesneden worden voordat het de in punt 1, onder b), genoemde temperatuur heeft bereikt, indien het uitsnijlokaal zich op dezelfde locatie als het slachtlokaal bevindt en het vlees:

a)

rechtstreeks van het slachtlokaal naar het uitsnijlokaal worden gebracht; of

b)

na een wachttijd naar een koel- of vrieslokaal wordt gebracht.

3.

Zodra het is uitgesneden en, waar nodig, verpakt, moet het worden gekoeld tot de in punt 1, onder b), genoemde temperatuur.

4.

Onverpakt vlees mag niet samen met verpakt vlees worden opgeslagen en vervoerd, tenzij de opslag of het vervoer in verschillende periodes plaatsvindt of op een dergelijke wijze dat het verpakkingsmateriaal en de wijze van opslag of vervoer geen bron van verontreiniging van het vlees kunnen zijn.

HOOFDSTUK VI: SLACHTING OP HET BEDRIJF

Exploitanten van levensmiddelenbedrijven mogen het in hoofdstuk IV, punt 1, onder b), i), bedoelde pluimvee alleen op het bedrijf slachten met toestemming van de bevoegde autoriteit en mits aan de onderstaande voorwaarden wordt voldaan:

1.

Op het bedrijf worden regelmatig veterinaire inspecties verricht.

2.

De exploitant van het levensmiddelenbedrijf stelt de bevoegde autoriteit vooraf in kennis van de datum en het tijdstip waarop de dieren worden geslacht.

3.

Het bedrijf beschikt over voorzieningen voor het bijeenbrengen van de dieren teneinde bij de groep een antemortemkeuring te verrichten.

4.

Het bedrijf beschikt over de nodige lokalen om de dieren hygiënisch te slachten en verder uit te slachten.

5.

Aan alle eisen betreffende het welzijn van de dieren is voldaan.

6.

De naar het slachthuis gebrachte geslachte vogels gaan vergezeld van een verklaring van de exploitant van het levensmiddelenbedrijf die het dier heeft gekweekt, waarin de toegediende diergeneesmiddelen of andere behandelingen die het dier heeft ondergaan, de data van toediening of behandeling en de wachttijden, alsook de datum en het tijdstip van de slachting zijn vermeld.

7.

De naar het slachthuis gebrachte geslachte vogels gaan vergezeld van een door de officiële of erkende dierenarts overeenkomstig Verordening (EG) nr. .../2004 (3) afgegeven certificaat.

8.

In het geval van pluimvee dat is gekweekt voor de productie van „foie gras” worden de niet van de ingewanden ontdane dieren onmiddellijk, en zo nodig gekoeld, naar een pluimveeslachterij of een uitsnijderij vervoerd. Zij worden binnen 24 uur na het slachten onder toezicht van de bevoegde autoriteit van de ingewanden ontdaan.

9.

Pluimvee waarvan de verwijdering van de ingewanden is uitgesteld en dat is verkregen op het bedrijf van herkomst, kan tot 15 dagen worden bewaard bij een temperatuur van ten hoogste 4 °C. Vervolgens wordt het van de ingewanden ontdaan in een pluimveeslachthuis of een uitsnijderij die gelegen is in dezelfde lidstaat als het productiebedrijf.

SECTIE III

VLEES VAN GEKWEEKT WILD

1.

De bepalingen van sectie I zijn van toepassing op de productie en het in de handel brengen van vlees van evenhoevige gekweekte wilde zoogdieren (Cervidae en Suidae), tenzij deze door de bevoegde autoriteit ongeschikt worden geacht.

2.

De bepalingen van sectie II zijn van toepassing op de productie en het in de handel brengen van vlees van loopvogels. De bepalingen van sectie I zijn evenwel van toepassing indien de bevoegde autoriteit deze dienstig acht. De voorzieningen moeten aangepast zijn aan de grootte van de dieren.

3.

Onverminderd de punten 1 en 2, mogen exploitanten van levensmiddelenbedrijven met toestemming van de bevoegde autoriteit de in punt 1 bedoelde gekweekte loopvogels en gekweekte hoefdieren op de plaats van oorsprong slachten, indien:

a)

de dieren niet vervoerd kunnen worden vanwege een mogelijk risico voor de personen die met de dieren in contact komen of om het welzijn van de dieren te beschermen;

b)

op het beslag regelmatig veterinaire inspecties verricht worden;

c)

de eigenaar van de dieren een verzoek indient;

d)

de bevoegde autoriteit vooraf in kennis wordt gesteld van de datum en het tijdstip waarop de dieren worden geslacht;

e)

het bedrijf beschikt over procedures voor het bijeenbrengen van de dieren, teneinde bij de groep een antemortemkeuring te verrichten;

f)

het bedrijf beschikt over de nodige voorzieningen voor het slachten, het verbloeden en, indien loopvogels geplukt moeten worden, het plukken van de dieren;

g)

aan de eisen betreffende het welzijn van de dieren wordt voldaan;

h)

geslachte en verbloede dieren zonder nodeloos uitstel onder hygiënische voorwaarden naar het slachthuis worden vervoerd. Indien het vervoer meer dan twee uur duurt, worden de dieren zo nodig gekoeld. De ingewanden mogen ter plaatse onder toezicht van de dierenarts worden verwijderd;

i)

naar het slachthuis gebrachte geslachte dieren vergezeld gaan van een verklaring van de exploitant van het levensmiddelenbedrijf die de dieren heeft gekweekt, waarin de identiteit van de dieren, alsmede de toegediende diergeneesmiddelen of andere behandelingen die het dier heeft ondergaan, de data van toediening of behandeling en de wachttijden zijn vermeld; en

j)

tijdens het vervoer naar de erkende inrichting geslachte dieren vergezeld gaan van een door de officiële of erkende dierenarts afgegeven en ondertekend certificaat waarmee het gunstige resultaat van de antemortemkeuring alsmede een correcte slachting en bloeding en datum en tijdstip van de slachting worden gestaafd.

4.

Exploitanten van levensmiddelenbedrijven mogen in uitzonderlijke omstandigheden onder naleving van het bepaalde in punt 3 ook bizons op het bedrijf slachten.

SECTIE IV

VLEES VAN VRIJ WILD

HOOFDSTUK I: OPLEIDING VAN JAGERS OP HET GEBIED VAN GEZONDHEID EN HYGIËNE

1.

Personen die op vrij wild jagen om dat wild voor menselijke consumptie in de handel te brengen, moeten over voldoende kennis van de pathologie van vrij wild en van de productie en het hanteren van vrij wild en vlees van vrij wild na de jacht beschikken om dat wild ter plaatse aan een eerste onderzoek te kunnen onderwerpen.

2.

Het is echter voldoende als ten minste één persoon per jachtgezelschap over de in lid 1 bedoelde kennisbeschikt. In deze sectie wordt met „gekwalificeerd persoon” naar die persoon verwezen.

3.

De gekwalificeerde persoon zou ook de wildbeheerder of de jachtopziener kunnen zijn, indien deze tot het jachtgezelschap behoort of zich in de onmiddellijke nabijheid van het jachtterrein bevindt. In het laatste geval moet de jager het wild aan de wildbeheerder of de jachtopziener tonen en hem meedelen of hij vóór het doden ongewoon gedrag heeft waargenomen.

4.

Er dient ten genoegen van de bevoegde autoriteit een opleiding te worden verstrekt om jagers tot gekwalificeerde personen op te leiden. Daarin komen ten minste de volgende onderwerpen aan bod.

a)

normale anatomie, fysiologie en gedrag van vrij wild;

b)

abnormaal gedrag en pathologische veranderingen bij vrij wild als gevolg van ziekten, milieuverontreiniging of andere factoren die negatieve gevolgen kunnen hebben voor de gezondheid van de mens als het vlees wordt geconsumeerd;

c)

hygiënevoorschriften en adequate technieken om vrij wild na het doden te hanteren, te vervoeren, van de ingewanden te ontdoen, enz.; en

d)

wetgeving, voorschriften en administratieve bepalingen op het gebied van gezondheid en hygiëne van dier en mens, waaraan moet worden voldaan om vrij wild in de handel te mogen brengen.

5.

De bevoegde autoriteit moedigt de jagersverenigingen aan om in een dergelijke opleiding te voorzien.

HOOFDSTUK II: HANTEREN VAN GROF VRIJ WILD

1.

Grof vrij wild moet na het doden zo snel mogelijk van maag en darmen worden ontdaan en zo nodig worden verbloed.

2.

De gekwalificeerde persoon moet het gedode dier en de weggehaalde ingewanden onderzoeken om na te gaan of er kenmerken zijn die erop kunnen wijzen dat het vlees een risico voor de gezondheid vormt. Het onderzoek moet zo spoedig mogelijk na het doden worden uitgevoerd.

3.

Vlees van grof vrij wild kan alleen in de handel worden gebracht indien het gedode dier na het in punt 2 bedoelde onderzoek zo spoedig mogelijk naar een wildbewerkingsinrichting wordt gebracht. De ingewanden moeten het gedode dier vergezellen, zoals nader bepaald in punt 4. Er moet kunnen worden vastgesteld van welk dier de ingewanden afkomstig zijn.

4.

a)

Wanneer tijdens het in lid 2 bedoelde onderzoek geen abnormale kenmerken worden vastgesteld, er vóór het doden geen abnormaal gedrag is geconstateerd en er geen effecten van milieuverontreiniging worden vermoed, moet de gekwalificeerde persoon een genummerde verklaring waarin dit wordt gestaafd aan het gedode dier bevestigen. In die verklaring moeten ook datum, tijdstip en plaats van het doden worden vermeld. In dat geval hoeven de kop en de ingewanden het dode dier niet te vergezellen, tenzij bij voor Trichinella spiralis vatbare soorten (varkens, eenhoevigen en andere dieren), waarvan de kop (behalve de slagtanden) en het middenrif het dode dier moeten vergezellen. Jagers dienen evenwel te voldoen aan alle aanvullende eisen die in de lidstaten waar de jacht plaatsvindt worden opgelegd, met name om overeenkomstig Richtlijn 96/23/EG de controle van bepaalde residuen en stoffen te kunnen uitvoeren.

b)

In de andere gevallen dienen de kop (behalve de slagtanden, geweien en horens) en alle ingewanden, met uitzondering van maag en darmen, het gedode dier te vergezellen. De gekwalificeerde persoon die het onderzoek heeft verricht moet de bevoegde autoriteit in kennis stellen van de abnormale kenmerken, het abnormale gedrag of het vermoeden van effecten van milieuverontreiniging die hem of haar ervan weerhouden heeft een verklaring conform punt a) op te stellen.

c)

Indien in een specifiek geval geen gekwalificeerd persoon beschikbaar is om het in lid 2 bedoelde onderzoek te verrichten, moeten de kop (behalve de slagtanden, geweien en horens) en alle ingewanden behalve maag en darmen het lichaam vergezellen.

5.

Na het doden moet binnen een redelijke tijd met koeling worden begonnen en moet er gekoeld worden tot een temperatuur die overal in het vlees ten hoogste 7 °C bedraagt. Actieve koeling is niet nodig wanneer de weersomstandigheden dit toelaten.

6.

Tijdens het vervoer naar de wildbewerkingsinrichting moet stapelen worden vermeden.

7.

Grof vrij wild dat aan een wildbewerkingsinrichting wordt afgeleverd moet aan de bevoegde autoriteit ter keuring worden aangeboden.

8.

Bovendien mag niet-onthuid grof vrij wild alleen worden gevild en in de handel worden gebracht wanneer:

a)

het vóór het villen tijdens de opslag en de hantering gescheiden wordt gehouden van andere levensmiddelen en niet wordt ingevroren, en

b)

het na het villen een eindkeuring ondergaat overeenkomstig Verordening (EG) nr. .../2004 (4).

9.

De voorschriften van sectie I, hoofdstuk V, zijn van toepassing op het uitsnijden en uitbenen van grof vrij wild.

HOOFDSTUK III: HANTEREN VAN KLEIN VRIJ WILD

1.

De gekwalificeerde persoon moet onderzoeken of er kenmerken zijn die erop kunnen wijzen dat het vlees een risico voor de gezondheid vormt. Het onderzoek moet zo spoedig mogelijk na het doden worden uitgevoerd.

2.

Wanneer tijdens het onderzoek abnormale kenmerken worden vastgesteld, vóór het doden abnormaal gedrag werd geconstateerd of effecten van milieuverontreiniging worden vermoed, moet de gekwalificeerde persoon de bevoegde autoriteit daarvan in kennis stellen.

3.

Vlees van klein vrij wild mag uitsluitend in de handel gebracht worden indien het gedode dier zo spoedig mogelijk na het in punt 1 bedoelde onderzoek naar een wildbewerkingsinrichting wordt gebracht.

4.

Na het doden moet binnen een redelijke tijd met koeling worden begonnen en moet er gekoeld worden tot een temperatuur die overal in het vlees ten hoogste 4 °C bedraagt. Actieve koeling is niet nodig wanneer de weersomstandigheden dit toelaten.

5.

Bij aankomst in de wildbewerkingsinrichting worden zonder onnodig uitstel de ingewanden verwijderd of wordt de verwijdering ervan afgerond, tenzij de bevoegde autoriteit anders toestaat.

6.

Klein vrij wild dat aan een wildbewerkingsinrichting wordt afgeleverd moet aan de bevoegde autoriteit ter keuring worden aangeboden.

7.

De voorschriften van sectie II, hoofdstuk V, zijn van toepassing op het uitsnijden en uitbenen van klein vrij wild.

SECTIE V

GEHAKT VLEES, VLEESBEREIDINGEN EN SEPARATORVLEES

HOOFDSTUK I: VOORSCHRIFTEN VOOR PRODUCTIE-INRICHTINGEN

Exploitanten van levensmiddelenbedrijven die inrichtingen beheren waar gehakt vlees, vleesbereidingen en separatorvlees worden geproduceerd, moeten erop toezien dat deze:

1)

zo gebouwd zijn dat verontreiniging van vlees en producten voorkomen wordt, in het bijzonder door:

a)

het mogelijk te maken dat de diverse bewerkingen elkaar zonder onderbreking kunnen opvolgen, of

b)

ervoor te zorgen dat twee opeenvolgende productiepartijen van elkaar gescheiden blijven;

2)

beschikken over lokalen om verpakt en onverpakt vlees en verpakte en onverpakte producten gescheiden op te slaan, tenzij verpakt en onverpakt vlees of verpakte en onverpakte producten nooit tegelijk worden opgeslagen of zodanig dat het verpakkingsmateriaal en de wijze van opslag geen bron van verontreiniging van het vlees of de producten kunnen zijn;

3)

over lokalen met de nodige voorzieningen beschikken om te kunnen garanderen dat wordt voldaan aan de eisen inzake temperatuur van hoofdstuk III;

4)

voor het personeel dat met onverpakt vlees en onverpakte producten omgaat, beschikken over voorzieningen voor het wassen van de handen, uitgerust met kranen die zo zijn ontworpen dat de verspreiding van verontreiniging wordt voorkomen; en

5)

beschikken over voorzieningen om gereedschap te ontsmetten met heet water van ten minste 82 °C, of over een alternatief systeem dat een gelijkwaardig effect heeft.

HOOFDSTUK II: VOORSCHRIFTEN MET BETREKKING TOT DE GRONDSTOFFEN

Exploitanten van levensmiddelenbedrijven waar gehakt vlees, vleesbereidingen en separatorvlees worden geproduceerd, moeten erop toezien dat de gebruikte grondstoffen aan onderstaande eisen voldoen:

1.

De grondstoffen die worden gebruikt bij de vervaardiging van gehakt vlees moeten aan onderstaande eisen voldoen.

a)

Zij moeten voldoen aan de voorschriften voor vers vlees.

b)

Zij moeten afkomstig zijn van skeletspieren (met inbegrip van het aanhangend vetweefsel).

c)

Zij mogen niet afkomstig zijn van:

i)

snijresten of afsnijdsels (met uitzondering van volledige spieren);

ii)

separatorvlees;

iii)

vlees met beensplinters of huid; of

iv)

hoofdvlees (behalve de kauwspieren), het niet-musculaire deel van de linea alba, vlees uit de omgeving van het voorkniegewricht en het spronggewricht, en vleesresten die van de beenderen zijn geschraapt, en de spieren van het middenrif (tenzij het sereus vlies is weggenomen).

2.

De volgende grondstoffen mogen bij de productie van vleesbereidingen worden gebruikt:

a)

vers vlees;

b)

vlees dat voldoet aan de in punt 1 genoemde voorwaarden; en

c)

indien de vleesbereiding duidelijk niet bestemd is om te worden geconsumeerd zonder eerst een hittebehandeling te hebben ondergaan:

i)

vlees, verkregen door het hakken of vermalen van vlees dat voldoet aan de in punt 1 genoemde voorwaarden, met uitzondering van die van punt 1, onder c), i), en

ii)

separatorvlees dat voldoet aan de in hoofdstuk III, punt 3, onder d), genoemde voorwaarden.

3.

De grondstoffen die worden gebruikt bij de bereiding van separatorvlees moeten aan onderstaande eisen voldoen.

a)

Zij moeten voldoen aan de voorschriften voor vers vlees.

b)

De volgende grondstoffen mogen bij de productie van separatorvlees niet worden gebruikt:

i)

bij pluimvee: poten, nekvel en kop; en

ii)

bij andere dieren: de beenderen van de kop, de poten, de staart, de beenderen femur, tibia, fibula, humerus, radius en ulna.

HOOFDSTUK III: HYGIËNEVOORSCHRIFTEN TIJDENS EN NA DE PRODUCTIE

Exploitanten van levensmiddelenbedrijven waar gehakt vlees, vleesbereidingen en separatorvlees worden geproduceerd, moeten ervoor zorgen dat aan de onderstaande eisen wordt voldaan:

1.

De bewerkingen van het vlees moeten zo worden georganiseerd dat verontreiniging wordt voorkomen of tot een minimum wordt beperkt. Daartoe moeten exploitanten van levensmiddelenbedrijven er in het bijzonder voor zorgen dat vlees wordt gebruikt:

a)

met een temperatuur van ten hoogste 4 °C voor pluimvee, 3 °C voor slachtafval en 7 °C voor ander vlees; en

b)

slechts naar gelang van de behoefte in het productielokaal wordt gebracht.

2.

De volgende voorschriften zijn van toepassing op de productie van gehakt vlees en vleesbereidingen:

a)

tenzij de bevoegde autoriteit toestaat dat er onmiddellijk vóór het hakken wordt uitgebeend, moet bevroren of diepgevroren vlees dat voor de bereiding van gehakt vlees of vleesbereidingen is bestemd, vóór het invriezen zijn uitgebeend. Het vlees mag slechts gedurende een beperkte tijd worden opgeslagen;

b)

indien het is bereid met gekoeld vlees, moet het gehakt vlees worden bereid:

i)

in het geval van pluimvee, ten hoogste 3 dagen nadat de dieren zijn geslacht;

ii)

in het geval van andere dieren dan pluimvee, ten hoogste 6 dagen nadat de dieren zijn geslacht; of

iii)

ten hoogste 15 dagen nadat de dieren zijn geslacht, wanneer het gaat om uitgebeend en vacuümverpakt rund- en kalfsvlees.

c)

Onmiddellijk na de productie moet gehakt vlees van een onmiddellijke verpakking en/of een verpakking worden voorzien en

i)

gekoeld worden tot een inwendige temperatuur van ten hoogste 2 °C voor gehakt vlees en 4 °C voor vleesbereidingen; of

ii)

ingevroren worden tot een inwendige temperatuur van ten hoogste -18 °C.

Deze temperaturen moeten tijdens de opslag en het vervoer worden aangehouden.

3.

De volgende voorwaarden zijn van toepassing op de productie en het gebruik van separatorvlees dat geproduceerd is met technieken die de structuur van de voor de productie van het separatorvlees gebruikte beenderen niet wijzigen en waarvan het calciumgehalte niet aanzienlijk hoger is dan dat van gehakt vlees.

a)

Grondstoffen die voor uitbening bestemd zijn en afkomstig zijn van een ter plaatste gevestigd slachthuis, mogen niet ouder zijn dan zeven dagen; andere voor uitbening bestemde grondstoffen mogen niet ouder zijn dan vijf dagen. Pluimveekarkassen mogen echter niet ouder zijn dan 3 dagen.

b)

Het separatorvlees moet onmiddellijk na het uitbenen zijn verkregen.

c)

Wanneer separatorvlees niet onmiddellijk na de productie gebruikt wordt, moet het van een onmiddellijke verpakking of een verpakking voorzien worden en vervolgens gekoeld worden tot een temperatuur van ten hoogste 2 °C of bevroren worden tot een inwendige temperatuur van ten hoogste -18 °C. Deze voorschriften betreffende de temperatuur moeten ook tijdens de opslag en het vervoer nageleefd worden.

d)

Wanneer de exploitant van een levensmiddelenbedrijf analyses heeft uitgevoerd waaruit blijkt dat het separatorvlees voldoet aan de microbiologische criteria voor gehakt vlees van Verordening (EG) nr. .../2004 (5), mag het gebruikt worden in vleesbereidingen die duidelijk niet bestemd zijn om te worden geconsumeerd zonder eerst een hittebehandeling te hebben ondergaan, en in vleesproducten.

e)

Separatorvlees waarvoor niet is aangetoond dat het aan de in punt d) bedoelde criteria voldoet, mag alleen gebruikt worden voor de productie van hittebehandelde vleesproducten in inrichtingen die overeenkomstig deze verordening erkend zijn.

4.

De volgende voorschriften zijn van toepassing op de productie en het gebruik van separatorvlees dat geproduceerd is met andere dan de in punt 3 genoemde technieken.

a)

Grondstoffen die voor uitbening bestemd zijn en afkomstig zijn van een ter plaatste gevestigd slachthuis, mogen niet ouder zijn dan zeven dagen; andere voor uitbening bestemde grondstoffen mogen niet ouder zijn dan vijf dagen. Pluimveekarkassen mogen echter niet ouder zijn dan 3 dagen.

b)

Wanneer het separatorvlees niet onmiddellijk na het uitbenen wordt verkregen, moeten de beenderen met het restvlees opgeslagen en vervoerd worden bij een temperatuur van ten hoogste 2 °C of indien bevroren, bij een temperatuur van ten hoogste -18 °C.

c)

Beenderen met restvlees die van bevroren karkassen afkomstig zijn, mogen niet opnieuw worden ingevroren.

d)

Als het separatorvlees niet binnen één uur nadat het is verkregen wordt gebruikt, moet het onmiddellijk worden gekoeld tot een temperatuur van ten hoogste 2 °C.

e)

Indien het separatorvlees na koeling niet binnen 24 uur gebruikt wordt, moet het binnen 12 uur na de productie worden bevroren en binnen zes uur een inwendige temperatuur van ten hoogste -18 °C bereiken.

f)

Ingevroren separatorvlees moet vóór opslag of vervoer van een onmiddellijke verpakking of een verpakking worden voorzien, mag niet langer dan drie maanden worden opgeslagen en moet tijdens de opslag en het vervoer op een temperatuur van ten hoogste -18 °C worden gehouden.

g)

Separatorvlees mag alleen worden gebruik voor de productie van hittebehandelde vleesproducten in inrichtingen die overeenkomstig deze verordening erkend zijn.

5.

Gehakt vlees, vleesbereidingen en separatorvlees mogen na ontdooien niet opnieuw worden ingevroren.

HOOFDSTUK IV: ETIKETTERING

1.

Naast de voorschriften van Richtlijn 2000/13/EG (6) moeten exploitanten van levensmiddelenbedrijven ervoor zorgen dat zij voldoen aan het voorschrift van punt twee, indien en voorzover de nationale regels van de lidstaat op het grondgebied waarvan het product in de handel wordt gebracht dit voorschrijven.

2.

Pakketten die bestemd zijn voor de eindgebruiker en die gehakt vlees bevatten van gevogelte of eenhoevigen, of vleesbereidingen die separatorvlees bevatten, moeten een opschrift dragen waarop staat dat dergelijke producten vóór consumptie gekookt moeten worden.

SECTIE VI

VLEESPRODUCTEN

1.

Exploitanten van levensmiddelenbedrijven moeten ervoor zorgen dat de volgende producten niet worden gebruikt voor de bereiding van vleesproducten:

a)

de voortplantingsorganen van zowel vrouwelijke als mannelijke dieren, met uitzondering van de testikels;

b)

de organen van het urinaire apparaat, met uitzondering van de nieren en de blaas;

c)

het kraakbeen van het strottenhoofd, de luchtpijp en de extralobulaire bronchiën;

d)

de ogen en de oogleden;

e)

de externe gehoorgang;

f)

het hoornachtige weefsel; en

g)

bij pluimvee, de kop — met uitzondering van de kam en de oorschelpen, de lellen en de caruncula —, de slokdarm, de krop, de darmen en de voortplantingsorganen.

2.

Al het vlees, inclusief gehakt vlees en vleesbereidingen, dat wordt gebruikt voor de vervaardiging van vleesproducten, moet voldoen aan de voorschriften voor vers vlees. Gehakt vlees en vleesbereidingen die bestemd zijn voor de productie van vleesproducten behoeven evenwel niet te voldoen aan andere specifieke voorschriften van sectie V.

SECTIE VII

LEVENDE TWEEKLEPPIGE WEEKDIEREN

1.

Deze sectie is van toepassing op levende tweekleppige weekdieren. Behoudens de bepalingen inzake zuivering, is deze sectie ook van toepassing op levende stekelhuidigen, manteldieren en mariene buikpotigen.

2.

De hoofdstukken I tot en met VIII zijn van toepassing op dieren die verzameld worden in productiegebieden die door de bevoegde autoriteit zijn ingedeeld overeenkomstig Verordening (EG) nr. .../2004 (7). Hoofdstuk IX is van toepassing op pectinidae die buiten die gebieden worden verzameld.

De hoofdstukken V, VI, VIII en IX en punt 3 van hoofdstuk VII zijn van toepassing op de kleinhandel.

3.

De voorschriften van deze sectie zijn een aanvulling op Verordening (EG) nr. .../2004 (7).

a)

Voor handelingen die plaatsvinden voordat levende tweekleppige dieren in een verzendings- of zuiveringscentrum aankomen, vormen zij een aanvulling op de voorschriften van bijlage I bij die verordening.

b)

Voor andere handelingen vormen zij een aanvulling op de voorschriften van bijlage II bij die verordening.

HOOFDSTUK I: ALGEMENE VOORSCHRIFTEN VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN VAN LEVENDE TWEEKLEPPIGE WEEKDIEREN

1.

Levende tweekleppige weekdieren mogen alleen voor detailverkoop in de handel worden gebracht via een verzendingscentrum waar een identificatiemerk moet worden aangebracht overeenkomstig hoofdstuk VII.

2.

Exploitanten van levensmiddelenbedrijven mogen een partij levende tweekleppige weekdieren alleen aanvaarden indien aan de documentatievereisten van de punten 3 tot en met 7 is voldaan.

3.

Wanneer een exploitant van een levensmiddelenbedrijf een partij levende tweekleppige weekdieren van één inrichting naar een andere verplaatst, moet die partij tot en met de aankomst in het verzendingscentrum of de verwerkingsinstallatie vergezeld gaan van een registratiedocument.

4.

Het registratiedocument moet zijn opgesteld in ten minste één officiële taal van de lidstaat waar de ontvangende inrichting is gevestigd, en ten minste de hieronder vermelde gegevens bevatten.

a)

Wanneer een partij levende tweekleppige weekdieren vanuit een productiegebied wordt verstuurd, bevat het registratiedocument ten minste de volgende gegevens:

i)

identiteit en adres van de producent;

ii)

datum van verzameling;

iii)

ligging van het productiegebied, zo nauwkeurig mogelijk beschreven dan wel aangegeven door een codenummer;

iv)

gezondheidsstatus van het productiegebied;

v)

soort weekdier en de hoeveelheid; en

vi)

bestemming van de partij.

b)

Wanneer een partij levende tweekleppige weekdieren vanuit een heruitzettingsgebied wordt verstuurd, bevat het registratiedocument ten minste de in punt a) bedoelde gegevens alsook de volgende gegevens:

i)

de ligging van het heruitzettingsgebied; en

ii)

de duur van de heruitzetting.

c)

Wanneer een partij levende tweekleppige weekdieren vanuit een zuiveringscentrum wordt verstuurd, bevat het registratiedocument ten minste de in punt a) bedoelde gegevens alsook de volgende gegevens:

i)

het adres van het zuiveringscentrum;

ii)

de duur van de zuivering; en

iii)

de data waarop de partij weekdieren het zuiveringscentrum is binnengekomen en weer heeft verlaten.

5.

Exploitanten van levensmiddelenbedrijven die partijen levende tweekleppige weekdieren verzenden, moeten de desbetreffende onderdelen van het registratiedocument zo invullen dat ze gemakkelijk leesbaar zijn en niet gewijzigd kunnen worden. De exploitanten van de levensmiddelenbedrijven die de partijen ontvangen, moeten het document bij ontvangst van de partij van een datumstempel voorzien, of de ontvangstdatum op een andere wijze registreren.

6.

Exploitanten van levensmiddelenbedrijven moeten een afschrift van het registratiedocument bewaren gedurende ten minste twaalf maanden na de verzending of de ontvangst van de partij (of zoveel langer als de bevoegde autoriteit vaststelt).

7.

Indien echter:

a)

het personeel voor het verzamelen van levende tweekleppige weekdieren, tevens is belast met het beheer van het verzendingscentrum, het zuiveringscentrum, het heruitzettingsgebied of de verwerkingsinrichting van ontvangst van de levende tweekleppige weekdieren; en

b)

één enkele bevoegde autoriteit toezicht houdt op alle betrokken inrichtingen,

zijn er geen registratiedocumenten vereist, op voorwaarde dat de betrokken autoriteit met het achterwege blijven van deze documenten instemt.

HOOFDSTUK II: HYGIËNEVOORSCHRIFTEN VOOR DE PRODUCTIE EN HET VERZAMELEN VAN LEVENDE TWEEKLEPPIGE WEEKDIEREN

A.   VOORSCHRIFTEN VOOR PRODUCTIEGEBIEDEN

1.

Producenten mogen levende tweekleppige weekdieren alleen verzamelen in productiegebieden met een vaste ligging en vaste grenzen die door de bevoegde autoriteit, waar nodig in samenwerking met de exploitanten van levensmiddelenbedrijven, overeenkomstig Verordening (EG) nr. .../2004 (8) in klasse A, klasse B of klasse C zijn ingedeeld.

2.

Exploitanten van levensmiddelenbedrijven mogen levende tweekleppige weekdieren die in een klasse Aproductiegebied zijn verzameld voor menselijke consumptie in de handel brengen als zij aan de voorschriften van hoofdstuk V voldoen.

3.

Exploitanten van levensmiddelenbedrijven mogen levende tweekleppige weekdieren die in een klasse Bproductiegebied zijn verzameld alleen na behandeling in een zuiveringscentrum of na heruitzetting voor menselijke consumptie in de handel brengen.

4.

Exploitanten van levensmiddelenbedrijven mogen levende tweekleppige weekdieren die in een klasse Cproductiegebied zijn verzameld alleen na een ruime heruitzettingsperiode overeenkomstig punt C van dit hoofdstuk voor menselijke consumptie in de handel brengen.

5.

Na zuivering of heruitzetting moeten levende tweekleppige weekdieren uit de productiegebieden van klasse B en klasse C aan de voorschriften van hoofdstuk V voldoen. Uit dergelijke gebieden afkomstige levende tweekleppige weekdieren die niet gezuiverd of heruitgezet zijn, mogen evenwel naar een verwerkende inrichting worden verzonden, waar zij een behandeling ondergaan om pathogene microorganismen te elimineren (in voorkomend geval, na verwijdering van zand, slik of slijm in dezelfde of een andere inrichting). De toegestane behandelingsmethoden zijn de volgende:

a)

sterilisatie in hermetisch afgesloten recipiënten; en

b)

warmtebehandelingen:

i)

onderdompeling in kokend water zolang als nodig is om ervoor te zorgen dat de kerntemperatuur van het vlees van de weekdieren ten minste 90° bedraagt, en handhaving van deze minimale kerntemperatuur gedurende ten minste 90 seconden,

ii)

koken gedurende 3 tot 5 minuten in een gesloten recipiënt waarin de temperatuur tussen 120 en 160 °C en de druk tussen 2 en 5 kg/cm2 ligt, gevolgd door verwijdering van de schelpen en vriezen van het vlees tot een kerntemperatuur van -20 °C,

iii)

koken met stoom onder druk in een gesloten recipiënt waarbij ten minste wordt voldaan aan de onder i) bedoelde eisen inzake kooktijd en kerntemperatuur van het vlees van de weekdieren. Er moet een gevalideerde methode worden gebruikt. Er moeten procedures worden ingevoerd die gebaseerd zijn op de HACCP-beginselen, om er zeker van te zijn dat de warmte gelijkmatig wordt verdeeld.

6.

Exploitanten van levensmiddelenbedrijven mogen geen levende tweekleppige weekdieren produceren of verzamelen in gebieden die niet door de bevoegde autoriteit ingedeeld zijn of om gezondheidsredenen ongeschikt zijn. Zij moeten rekening houden met alle informatie over de geschiktheid van gebieden voor productie en verzameling, waaronder informatie uit eigen onderzoek en van de bevoegde autoriteit. Zij moeten die informatie, met name informatie over milieutechnische en meteorologische omstandigheden, gebruiken om te bepalen welke behandeling het best op de verzamelde partijen kan worden toegepast.

B.   VOORSCHRIFTEN VOOR HET VERZAMELEN EN HANTEREN NA HET VERZAMELEN

Exploitanten van levensmiddelenbedrijven die levende tweekleppige weekdieren verzamelen of onmiddellijk na het verzamelen, hanteren, moeten ervoor zorgen dat aan de volgende voorschriften wordt voldaan.

1.

De verzameltechnieken en de verdere behandeling mogen niet resulteren in extra verontreiniging of te sterke beschadiging van de schelpen of de weefsels van de levende tweekleppige weekdieren, en mogen niet leiden tot andere wijzigingen die ernstig afbreuk doen aan de mogelijkheid om de weekdieren te zuiveren, te verwerken of opnieuw uit te zetten. De exploitanten van levensmiddelenbedrijven

a)

moeten de levende tweekleppige weekdieren op adequate wijze beschermen tegen overdreven druk, schuring of trilling;

b)

mogen de levende tweekleppige weekdieren niet blootstellen aan extreme temperaturen;

c)

mogen de levende tweekleppige weekdieren niet opnieuw onderdompelen in water dat de oorzaak kan zijn van extra verontreiniging; en

d)

moeten, wanneer de verwatering op natuurlijke gronden plaatsvindt, alleen gebieden gebruiken die de bevoegde autoriteit heeft ingedeeld als gebied van klasse A.

2.

De vervoermiddelen moeten een adequate waterafvoer mogelijk maken en zo uitgerust zijn dat de dieren maximale overlevingskansen hebben en verontreiniging wordt voorkomen.

C.   VOORSCHRIFTEN VOOR HET HERUITZETTEN VAN LEVENDE TWEEKLEPPIGE WEEKDIEREN

Exploitanten van levensmiddelenbedrijven die levende tweekleppige weekdieren heruitzetten, moeten ervoor zorgen dat aan de volgende voorschriften wordt voldaan.

1.

Zij mogen alleen gebieden gebruiken die door de bevoegde autoriteit voor heruitzetting van levende tweekleppige weekdieren zijn erkend. Deze gebieden moeten duidelijk zijn afgebakend met boeien, palen en andere verankerde materialen. Tussen heruitzettingsgebieden onderling en tussen heruitzettingsgebieden en productiegebieden moet een minimumafstand in acht genomen worden om ervoor te zorgen dat het risico van verspreiding van een verontreiniging zo klein mogelijk is.

2.

Bij het heruitzetten toegepaste technieken moeten optimale zuiveringsomstandigheden garanderen. Exploitanten van levensmiddelenbedrijven

a)

moeten bij het hanteren van levende tweekleppige weekdieren die bestemd zijn om weer te worden uitgezet technieken gebruiken die hervatting van de voedselopname via filtrering na onderdompeling in natuurlijk water mogelijk maken;

b)

mogen levende tweekleppige weekdieren niet in een zodanige concentratie uitzetten dat zuivering onmogelijk wordt;

c)

moeten levende tweekleppige weekdieren in het heruitzettingsgebied in zeewater onderdompelen gedurende een passende periode die wordt vastgesteld naar gelang van de temperatuur van het water, doch die ten minste twee maanden moet bedragen, tenzij de bevoegde autoriteit op basis van de risicoanalyse van de exploitant van het levensmiddelenbedrijf instemt met een kortere periode; en

d)

moeten ervoor zorgen dat gebieden met een heruitzettingsgebied voldoende van elkaar gescheiden worden zodat vermenging van partijen voorkomen wordt; het „all in, all out”-systeem moet worden gebruikt zodat een nieuwe partij niet binnengebracht kan worden voordat de vorige partij helemaal verwijderd is.

3.

Exploitanten van heruitzettingsgebieden dienen permanent de gegevens te registreren die betrekking hebben op de oorsprong van de levende tweekleppige weekdieren, de periode waarin de weekdieren in het heruitzettingsgebied blijven, het heruitzettingsgebied en de verdere bestemming van de partij, zodat deze gegevens door de bevoegde autoriteit kunnen worden gecontroleerd.

HOOFDSTUK III: STRUCTURELE VOORSCHRIFTEN VOOR VERZENDINGSCENTRA EN ZUIVERINGSCENTRA

1.

De gebouwen aan de wal moeten zo gelegen zijn dat zij niet kunnen overstromen bij gewone vloed, noch door water uit omliggende gebieden.

2.

Bassins en watercontainers moeten aan de volgende eisen voldoen:

a)

de inwendige oppervlakken moeten glad, hard en ondoordringbaar zijn en gemakkelijk gereinigd kunnen worden;

b)

zij moeten zo gebouwd zijn dat alle water kan worden afgevoerd;

c)

elk punt voor watertoevoer moet zo gelegen zijn dat verontreiniging van het water voorkomen wordt.

3.

Bovendien moeten zuiveringsbassins van zuiveringscentra geschikt zijn voor de hoeveelheid die en het soort producten dat gezuiverd moet worden.

HOOFDSTUK IV: HYGIËNEVOORSCHRIFTEN VOOR VERZENDINGSCENTRA EN ZUIVERINGSCENTRA

A.   VOORSCHRIFTEN VOOR ZUIVERINGSCENTRA

Exploitanten van levensmiddelenbedrijven die levende tweekleppige weekdieren zuiveren moeten ervoor zorgen dat aan de volgende voorschriften wordt voldaan.

1.

Voordat met de zuivering wordt begonnen, worden de levende tweekleppige weekdieren met schoon water van slik en andere vervuiling ontdaan.

2.

De zuiveringsinstallatie moet zo werken dat de levende tweekleppige weekdieren snel weer voedsel kunnen (blijven) opnemen via filtrering, residuaire verontreiniging kunnen elimineren, niet opnieuw kunnen worden verontreinigd en na zuivering in goede omstandigheden in leven kunnen blijven met het oog op onmiddellijke verpakking, opslag en vervoer voordat zij in de handel worden gebracht.

3.

De te zuiveren hoeveelheid levende tweekleppige weekdieren mag de capaciteit van het zuiveringscentrum niet overschrijden. Levende tweekleppige weekdieren moeten continu worden gezuiverd gedurende een periode die lang genoeg is om ze te laten voldoen aan de gezondheidsnormen van hoofdstuk V en aan de overeenkomstig Verordening (EG) nr. .../2004 (9) aangenomen microbiologische normen.

4.

Indien een zuiveringsbassin verscheidene partijen levende tweekleppige weekdieren bevat, moeten deze van dezelfde soort zijn en moet de duur van de behandeling gebaseerd zijn op de tijd die nodig is voor de partij die het langste zuiveringsproces behoeft.

5.

De containers voor levende tweekleppige weekdieren in zuiveringsinstallaties moeten zo gebouwd zijn dat er schoon zeewater doorheen kan stromen. De levende tweekleppige weekdieren mogen niet in te dikke lagen worden gestapeld, zodat de schelpen zich tijdens het zuiveringsproces ongehinderd kunnen openen.

6.

In de zuiveringsbassins mogen op het moment waarop levende tweekleppige weekdieren er een zuiveringsproces ondergaan, geen schaaldieren, vissen of andere mariene diersoorten aanwezig zijn.

7.

Elke verpakking met gezuiverde levende tweekleppige weekdieren die naar een verzendingscentrum wordt gezonden, moet worden voorzien van een etiket waaruit blijkt dat de weekdieren zijn gezuiverd.

B.   VOORSCHRIFTEN VOOR VERZENDINGSCENTRA

Exploitanten van levensmiddelenbedrijven die een verzendingscentrum exploiteren moeten aan de volgende voorschriften voldoen.

1.

Het hanteren van levende tweekleppige weekdieren, met name verwatering, groottesortering, onmiddellijke verpakking en verpakking, mag geen verontreiniging van het product veroorzaken, noch de houdbaarheid van de weekdieren aantasten.

2.

Vóór verzending moeten de schelpen van levende tweekleppige weekdieren grondig gewassen worden met schoon water.

3.

Levende tweekleppige weekdieren moeten afkomstig zijn van

a)

een productiegebied van klasse A;

b)

een heruitzettingsgebied;

c)

een zuiveringscentrum; of

d)

een ander verzendingscentrum.

4.

De voorschriften van de punten 1 en 2 zijn ook van toepassing op verzendingscentra aan boord van schepen. Weekdieren die in zulke centra gehanteerd worden moeten afkomstig zijn van een productiegebied van klasse A of een heruitzettingsgebied.

HOOFDSTUK V: GEZONDHEIDSNORMEN VOOR LEVENDE TWEEKLEPPIGE WEEKDIEREN

Exploitanten van levensmiddelenbedrijven moeten ervoor zorgen dat levende tweekleppige weekdieren die in de handel worden gebracht voor menselijke consumptie niet alleen voldoen aan de overeenkomstig Verordening (EG) nr. .../2004 (10) aangenomen microbiologische criteria, maar ook aan de normen van dit hoofdstuk.

1.

De weekdieren moeten de organoleptische kenmerken vertonen die in verband worden gebracht met versheid en houdbaarheid, de schelpen moeten vrij zijn van vuil, de dieren moeten adequaat reageren op beklopping en moeten een normale hoeveelheid lichaamsvocht bevatten.

2.

Zij mogen geen mariene biotoxines bevatten die in totale hoeveelheden (gemeten in het hele dier of elk afzonderlijk eetbaar deel) de volgende maximumwaarden overschrijden:

a)

voor PSP („Paralytic Shellfish Poison”), 800 microgram per kilogram;

b)

voor ASP („Amnesic Shellfish Poison”), 20 milligram „saxitoxine” per kilogram;

c)

voor „okadaic acid”, dinophysistoxines en pectenotoxines tezamen, 160 microgram „okadaic acid”-equivalent per kilogram;

d)

voor yessotoxines, 1 milligram yessotoxine-equivalent per kilogram; en

e)

voor azaspiracides, 160 microgram azaspiracide-equivalent per kilogram.

HOOFDSTUK VI: ONMIDDELLIJKE VERPAKKING EN VERPAKKING VAN LEVENDE TWEEKLEPPIGE WEEKDIEREN

1.

Oesters moeten met de holle kant naar beneden in de onmiddellijke verpakking worden geplaatst.

2.

Individuele consumentenverpakkingen van levende tweekleppige weekdieren moeten in het verzendingscentrum worden gesloten en moeten na verzending uit het verzendingscentrum gesloten blijven totdat zij voor verkoop aan de eindverbruiker worden gepresenteerd.

HOOFDSTUK VII: AANBRENGEN VAN EEN IDENTIFICATIEMERK EN ETIKETTERING

1.

Het etiket, met inbegrip van het identificatiemerk, moet waterbestendig zijn.

2.

Onverminderd de in bijlage II, sectie I, vermelde algemene voorschriften voor identificatiemerken, moet het etiket de volgende gegevens bevatten:

a)

de soort tweekleppige weekdieren (gebruikelijke naam en wetenschappelijke naam), en

b)

de datum van verpakking, met vermelding van ten minste de dag en de maand.

In afwijking van Richtlijn 2000/13/EG mag de datum van minimale houdbaarheid worden vervangen door de vermelding „Deze dieren moeten bij verkoop levend zijn”.

3.

Het op de verpakking van levende tweekleppige weekdieren die niet in individuele consumentenverpakking zijn verpakt, aangebrachte etiket moet door de detailhandelaar worden bewaard gedurende ten minste 60 dagen nadat hij de inhoud van de zending heeft gesplitst.

HOOFDSTUK VIII: ANDERE VOORSCHIFTEN

1.

Exploitanten van levensmiddelenbedrijven die levende tweekleppige weekdieren opslaan en vervoeren zorgen ervoor dat deze bewaard worden bij een temperatuur die de voedselveiligheid en de houdbaarheid van de weekdieren niet aantast.

2.

Levende tweekleppige weekdieren mogen niet opnieuw in water worden ondergedompeld of met water worden besproeid nadat zij verpakt zijn voor de detailverkoop en het verzendingscentrum hebben verlaten.

HOOFDSTUK IX: SPECIFIEKE VOORSCHRIFTEN VOOR PECTINIDAE DIE BUITEN INGEDEELDE PRODUCTIEGEBIEDEN VERZAMELD ZIJN

Exploitanten van levensmiddelenbedrijven die pectinidae buiten de ingedeelde productiegebieden verzamelen of zulke pectinidae hanteren moeten aan de volgende voorschriften voldoen.

1.

Pectinidae mogen niet in de handel gebracht worden, tenzij zij overeenkomstig hoofdstuk II, punt B verzameld en gehanteerd zijn, en gestaafd door een systeem van interne controles voldoen aan de normen van hoofdstuk V.

2.

Wanneer de bevoegde autoriteit op grond van gegevens uit officiële toezichtsprogramma's visgronden kan indelen, zo nodig in samenwerking met de exploitanten van levensmiddelenbedrijven, zijn de bepalingen van hoofdstuk II, punt A ook van toepassing op pectinidae.

3.

Pectinidae mogen alleen via een visveiling, een verzendingscentrum of een verwerkingsbedrijf voor menselijke consumptie in de handel worden gebracht. Exploitanten van levensmiddelenbedrijven die zulke inrichtingen beheren moeten de bevoegde autoriteit ervan in kennis stellen dat zij ook pectinidae hanteren, en wat verzendingscentra betreft, aan de desbetreffende eisen van de hoofdstukken III en IV voldoen.

4.

De exploitanten van levensmiddelenbedrijven die pectinidae hanteren, moeten voldoen,

a)

aan de in hoofdstuk I, punten 3 tot en met 7, bedoelde documentenvereisten, indien deze van toepassing zijn. In dat geval moet in het registratiedocument duidelijk vermeld worden waar de pectinidae verzameld zijn; of

b)

wat betreft verpakte pectinidae en pectinidae in een onmiddellijke verpakking die een gelijkwaardige bescherming biedt als een verpakking, aan de voorschriften van hoofdstuk VII betreffende het aanbrengen van een identificatiemerk en etikettering.

SECTIE VIII

VISSERIJPRODUCTEN

1.

Deze sectie is niet van toepassing op levend in de handel gebrachte tweekleppige weekdieren, stekelhuidigen, manteldieren en mariene buikpotigen. Uitgezonderd de hoofdstukken I en II, is zij van toepassing op deze dieren wanneer die niet levend in de handel worden gebracht, in welk geval zij verkregen moeten zijn overeenkomstig het bepaalde in sectie VII.

2.

Hoofdstuk III, punten A, C en D, hoofdstuk IV en hoofdstuk V zijn van toepassing op de detailhandel.

3.

De voorschriften van deze sectie zijn een aanvulling op Verordening (EG) nr. .../2004 (11).

a)

Voor inrichtingen, inclusief vaartuigen, die worden gebruikt voor de primaire productie en de daarmee samenhangende bewerkingen vormen zij een aanvulling op de voorschriften van bijlage I bij die verordening.

b)

Voor andere inrichtingen, inclusief vaartuigen, vormen zij een aanvulling op de voorschriften van bijlage II bij die verordening.

4.

Wat betreft visserijproducten:

a)

heeft primaire productie betrekking op het kweken, vangen en verzamelen van levende visserijproducten met als doel deze op de markt te brengen; en

b)

hebben daarmee samenhangende bewerkingen betrekking op de volgende handelingen indien zij aan boord van het vaartuig worden uitgevoerd: doden, verbloeden, koppen, strippen, verwijderen van de vinnen, koelen en het aanbrengen van de onmiddellijke verpakking; zij hebben ook betrekking op:

i)

het vervoer en de opslag van visserijproducten waarvan de aard niet wezenlijk is veranderd, inclusief levende visserijproducten, in viskwekerijen te land, en

ii)

het vervoer van visserijproducten waarvan de aard niet wezenlijk is veranderd, inclusief levende visserijproducten, van de plaats van productie naar de eerste inrichting van bestemming.

HOOFDSTUK I: VOORSCHRIFTEN VOOR VAARTUIGEN

Exploitanten van levensmiddelenbedrijven zorgen ervoor dat:

1.

vaartuigen die gebruikt worden om visserijproducten in hun natuurlijk milieu te verzamelen, dan wel deze producten na het verzamelen te hanteren of te verwerken, voldoen aan de structurele en uitrustingsvoorschriften van deel I van dit hoofdstuk; en

2.

de bewerkingen aan boord van vaartuigen plaatsvinden in overeenstemming met de voorschriften in deel II.

I.   STRUCTURELE EN UITRUSTINGSVOORSCHRIFTEN

A. Voorschriften voor alle vaartuigen

1.

De vaartuigen moeten zodanig ontworpen en gebouwd zijn dat de producten niet verontreinigd kunnen worden door lenswater, afvalwater, rook, brandstof, olie, vet of andere schadelijke stoffen.

2.

De oppervlakken waarmee visserijproducten in aanraking komen, moeten bestaan uit adequaat, corrosiebestendig materiaal dat glad is en gemakkelijk kan worden schoongemaakt. Beschermlagen moeten duurzaam en niet-toxisch zijn.

3.

Uitrusting en gereedschap voor bewerking van visserijproducten moeten bestaan uit corrosiebestendig materiaal dat gemakkelijk kan worden schoongemaakt en ontsmet.

4.

Wanneer vaartuigen een punt voor watervang hebben voor water dat met visserijproducten wordt gebruikt, moet die zo gelegen zijn dat verontreiniging van het water voorkomen wordt.

B. Voorschriften voor vaartuigen die zodanig ontworpen en uitgerust zijn dat verse visserijproducten gedurende meer dan 24 uur aan boord kunnen worden bewaard

1.

Vaartuigen die zodanig ontworpen en uitgerust zijn dat visserijproducten gedurende meer dan 24 uur aan boord kunnen worden bewaard, moeten uitgerust zijn met ruimen, tanks of containers waarin de visserijproducten kunnen worden opgeslagen bij de in hoofdstuk VII voorgeschreven temperaturen.

2.

Deze ruimen moeten van de machinekamer en van de voor de bemanning bestemde lokalen gescheiden zijn door wanden die een voldoende hermetische afsluiting vormen om verontreiniging van de opgeslagen visserijproducten te voorkomen. De lokalen en recipiënten die worden gebruikt voor de opslag van de visserijproducten, moeten van dien aard zijn dat de producten onder bevredigende hygiënische omstandigheden kunnen worden bewaard en dat, waar nodig, het smeltwater niet in contact blijft met de producten.

3.

Aan boord van vaartuigen die uitgerust zijn om visserijproducten te koelen in gekoeld schoon zeewater moeten de tanks uitgerust zijn met een systeem dat een homogene temperatuur in de tanks garandeert. De met de hulp van dit systeem bereikte koeling moet waarborgen dat het mengsel van vis en schoon zeewater uiterlijk 6 uur na het vullen tot 3 °C en uiterlijk 16 uur na het vullen tot 0 °C daalt, en de bewaking en, indien nodig, de registratie van de temperatuur mogelijk maken.

C. Voorschriften voor vriesvaartuigen

Vriesvaartuigen moeten:

1.

een vriesinstallatie hebben die krachtig genoeg is om de temperatuur van de producten snel te doen dalen tot een kerntemperatuur van ten hoogste -18 °C;

2.

een koelinstallatie hebben die krachtig genoeg is om visserijproducten in de opslagruimen te bewaren bij ten hoogste -18 °C. De opslagruimen moeten voorzien zijn van een thermograaf die gemakkelijk kan worden afgelezen. De sonde moet zich bevinden in het gedeelte van het ruim waar de temperatuur het hoogste is, en

3.

voldoen aan de in punt B, onder 2, vermelde eisen voor vaartuigen die zodanig ontworpen en uitgerust zijn dat de verse visserijproducten gedurende meer dan 24 uur aan boord kunnen worden bewaard.

D. Voorschriften voor fabrieksvaartuigen

1.

Fabrieksvaartuigen moeten ten minste beschikken over:

a)

een ontvangstzone die uitsluitend bestemd is om visserijproducten aan boord te nemen en die zo ontworpen is dat elke aan boord genomen hoeveelheid producten van de volgende hoeveelheid kan worden gescheiden. Deze zone moet gemakkelijk kunnen worden gereinigd en zodanig ontworpen zijn dat de producten beschermd zijn tegen zon en slecht weer en tegen elke bron van verontreiniging;

b)

een hygiënisch systeem voor het vervoer van de visserijproducten van de ontvangstzone naar de werkplaats;

c)

werkplaatsen die groot genoeg zijn om de bewerking en de verwerking van visserijproducten onder hygiënische omstandigheden te laten verlopen, die gemakkelijk kunnen worden gereinigd en ontsmet en die zodanig ontworpen en ingedeeld zijn dat verontreiniging van de producten wordt voorkomen;

d)

opslagplaatsen voor de eindproducten die groot genoeg zijn en die zodanig ontworpen zijn dat zij gemakkelijk kunnen worden gereinigd. Als aan boord van het vaartuig een installatie voor de behandeling van afval in bedrijf is, moet het afval in een afzonderlijk, speciaal daarvoor bestemd ruim worden opgeslagen;

e)

een opslaglokaal voor het verpakkingsmateriaal die gescheiden is van de lokalen voor de bewerking en de verwerking van de producten;

f)

speciale voorzieningen om afval en niet voor menselijke consumptie geschikte visserijproducten rechtstreeks in zee of, als de omstandigheden dat vereisen, in een uitsluitend daarvoor bestemde waterdichte tank te verwijderen. Als afval met het oog op zuivering aan boord worden opgeslagen en behandeld, moeten daarvoor aparte lokalen worden gebruikt;

g)

een watervang die zich op een zodanige plaats bevindt dat verontreiniging van de watervoorraad voorkomen wordt; en

h)

een voorziening voor het handenwassen voor het personeel dat blootgestelde visserijproducten bewerkt, met kranen die zodanig ontworpen zijn dat de verspreiding van verontreiniging wordt voorkomen.

2.

Fabrieksvaartuigen aan boord waarvan schaal- en schelpdieren en weekdieren worden gekookt, gekoeld en in een onmiddellijke verpakking worden geplaatst, behoeven evenwel niet aan de voorschriften van punt 1 te voldoen indien geen enkele andere vorm van hanteren of verwerking aan boord van die vaartuigen plaatsvindt.

3.

Fabrieksvaartuigen waar visserijproducten worden ingevroren, moeten beschikken over uitrusting die aan de in punt C, onder 1 en 2, vermelde eisen voor vriesvaartuigen voldoet.

II.   HYGIËNEVOORSCHRIFTEN

1.

De gedeelten van vaartuigen of recipiënten die bestemd zijn voor de opslag van visserijproducten dienen, wanneer zij worden gebruikt, schoon te zijn en goed te worden onderhouden. Zij mogen met name niet verontreinigd worden door brandstof of lenswater.

2.

Zodra de visserijproducten aan boord zijn, moeten zij zo snel mogelijk worden beschermd tegen verontreiniging en tegen de inwerking van de zon of andere warmtebronnen. Als de producten worden gewassen, moet daarvoor gebruik worden gemaakt van drinkwater of, in elk geval, van schoon water.

3.

De visserijproducten moeten zodanig worden gehanteerd en opgeslagen dat beschadiging wordt voorkomen. Degenen die de producten hanteren, mogen gebruik maken van gepunt gereedschap om grote vissen of vissen waaraan zij zich kunnen verwonden te verplaatsen, mits het vlees van de producten niet wordt beschadigd.

4.

De visserijproducten moeten, tenzij zij levend worden bewaard, zo snel mogelijk na het aan boord brengen worden gekoeld. Als de visserijproducten niet kunnen worden gekoeld, moeten zij zo snel mogelijk aan land worden gebracht.

5.

Het ijs dat gebruikt wordt voor het koelen van visserijproducten moet afkomstig zijn van drinkwater of schoon water.

6.

Wanneer de vis aan boord wordt ontkopt en/of gestript, moeten die bewerkingen zo snel mogelijk na het vangen onder hygiënische omstandigheden worden uitgevoerd en moeten de producten onmiddellijk en grondig met drinkwater of schoon water worden afgespoeld. De ingewanden en de delen van de vis die een gevaar kunnen vormen voor de volksgezondheid moeten in dat geval zo spoedig mogelijk worden verwijderd en gescheiden worden gehouden van de voor menselijke consumptie bestemde producten. Voor menselijke consumptie bestemde levers, kuit en hom moeten onder ijs worden bewaard bij de temperatuur welke die van smeltend ijs benadert, of worden ingevroren.

7.

Wanneer de hele vis die bestemd is voor de bereiding van conserven, wordt ingevroren in pekel, moet het product op een temperatuur van ten hoogste -9 °C worden gebracht. De pekel mag voor de vis geen bron van verontreiniging zijn.

HOOFDSTUK II: VOORSCHRIFTEN BIJ EN NA HET AANLANDEN

1.

Exploitanten van levensmiddelenbedrijven die verantwoordelijk zijn voor het lossen en het aanlanden van visserijproducten moeten:

a)

erop toezien dat de voorzieningen voor het lossen en aanlanden die in contact komen met de visserijproducten bestaan uit materiaal dat gemakkelijk kan worden gereinigd en ontsmet en dat deze voorzieningen in een goede staat van onderhoud verkeren en schoon zijn; en

b)

verontreiniging van visserijproducten bij het lossen en aanlanden voorkomen, met name door:

i)

ervoor te zorgen dat het lossen en het aanlanden snel geschieden;

ii)

de visserijproducten onverwijld in een beschermde omgeving onder te brengen bij de in hoofdstuk VII gespecificeerde temperatuur; en

iii)

geen voorzieningen te gebruiken en geen behandelingen uit te voeren die de eetbare delen van de visserijproducten onnodig kunnen aantasten.

2.

Exploitanten van levensmiddelenbedrijven die verantwoordelijk zijn voor afslagen en groothandelsmarkten, of gedeelten daarvan, waar visserijproducten met het oog op verkoop worden uitgestald, moeten ervoor zorgen dat aan de volgende voorschriften voldaan wordt:

a)

i)

Zij moeten beschikken over afsluitbare voorzieningen voor de gekoelde opslag van aangehouden visserijproducten, en aparte afsluitbare voorzieningen voor de opslag van voor menselijke consumptie ongeschikt verklaarde visserijproducten.

ii)

Indien de bevoegde autoriteit dit verlangt, moet er een afsluitbare voorziening of, waar nodig, een apart lokaal met een adequate uitrusting beschikbaar zijn die uitsluitend door de bevoegde autoriteit mag worden gebruikt.

b)

wanneer er visserijproducten worden uitgestald of opgeslagen:

i)

mogen de lokalen niet voor andere doeleinden worden gebruikt;

ii)

mogen voertuigen waarvan de uitlaatgassen een negatieve invloed kunnen hebben op de kwaliteit van de visserijproducten geen toegang hebben tot de lokalen;

iii)

mogen personen die toegang hebben tot de lokalen geen andere dieren binnenbrengen; en

iv)

moeten de lokalen goed verlicht zijn om officiële controles te vergemakkelijken.

3.

Wanneer koeling aan boord van het vaartuig niet mogelijk is, moeten verse visserijproducten, tenzij zij levend worden bewaard, zo snel mogelijk na het aanlanden worden gekoeld en worden opgeslagen bij een temperatuur welke die van smeltend ijs benadert.

4.

Exploitanten van levensmiddelenbedrijven werken samen met de relevante bevoegde autoriteiten, zodat deze overeenkomstig Verordening (EG) nr. .../2004 (12) de officiële controles kunnen uitvoeren, in het bijzonder wat betreft de procedures voor de kennisgeving van het aanlanden van visserijproducten die nodig worden geacht door de bevoegde autoriteit van de lidstaat waarvan het vissersvaartuig de vlag voert of door de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar de visserijproducten aan land worden gebracht.

HOOFDSTUK III: VOORSCHRIFTEN VOOR INRICHTINGEN, INCLUSIEF VAARTUIGEN, WAAR VISSERIJPRODUCTEN WORDEN GEHANTEERD

Exploitanten van levensmiddelenbedrijven moeten ervoor zorgen dat in inrichtingen waar visserijproducten worden gehanteerd wordt voldaan aan de volgende voorschriften, voorzover die toepasselijk zijn.

A.   VOORSCHRIFTEN VOOR VERSE VISSERIJPRODUCTEN

1.

Wanneer gekoelde, onverpakte producten niet onmiddellijk na aankomst in een inrichting aan land worden gedistribueerd, verzonden, bewerkt of verwerkt, moeten zij in een passend lokaal onder ijs worden opgeslagen. Het ijs moet zo vaak als nodig worden vervangen. Verpakte verse visserijproducten moeten worden gekoeld tot een temperatuur welke die van smeltend ijs benadert.

2.

Bij bewerkingen zoals koppen en strippen moet de nodige hygiëne in acht worden genomen. Wanneer strippen vanuit technisch en commercieel oogpunt mogelijk is, moet dit zo snel mogelijk na het vangen of het lossen geschieden. De producten moeten onmiddellijk na de bewerking grondig worden gewassen met drinkwater of, aan boord van vaartuigen, schoon water.

3.

Bewerkingen zoals fileren en in moten verdelen dienen op zodanige wijze te worden uitgevoerd dat verontreiniging of bevuiling van de filets en de moten wordt voorkomen. Filets en moten mogen niet langer op de werktafel blijven dan nodig is voor de bewerking. Filets en moten moeten in een onmiddellijke verpakking worden geplaatst en, indien nodig, worden verpakt, en moeten zo spoedig mogelijk na de bewerking worden gekoeld.

4.

De voor de verzending of opslag van onverpakte bewerkte verse, onder ijs bewaarde visserijproducten gebruikte recipiënten moeten op zodanige wijze vervaardigd zijn dat gewaarborgd is dat het smeltwater niet in contact met de producten blijft.

5.

Hele en gestripte verse visserijproducten mogen aan boord van het vaartuig in gekoeld water vervoerd en opgeslagen worden. Zij mogen ook na het aanlanden in gekoeld water verder vervoerd worden, ook vanaf aquacultuurbedrijven, tot aan de eerste inrichting op het vasteland waar een andere activiteit dan vervoer of sorteren wordt verricht.

B.   VOORSCHRIFTEN VOOR INGEVROREN PRODUCTEN

Inrichtingen op het vasteland die visserijproducten invriezen, moeten beschikken over vriesinstallaties die in overeenstemming zijn met de voorschriften voor vriesvaartuigen in hoofdstuk I, deel I.C, punten 1 en 2.

C.   VOORSCHRIFTEN VOOR MECHANISCH GESCHEIDEN VISSERIJPRODUCTEN

Exploitanten van levensmiddelenbedrijven die mechanisch gescheiden visserijproducten vervaardigen, moeten ervoor zorgen dat wordt voldaan aan de volgende voorschriften.

1.

De gebruikte grondstoffen moeten voldoen aan de volgende voorschriften.

a)

Voor de productie van mechanisch gescheiden visserijproducten mogen alleen hele vissen en de na het fileren overblijvende graten worden gebruikt.

b)

De grondstoffen mogen geen ingewanden bevatten.

2.

Het vervaardigingsprocédé moet voldoen aan de volgende voorschriften.

a)

Het mechanisch van de graten scheiden moet zo snel mogelijk na het fileren plaatsvinden.

b)

Indien de hele vis wordt gebruikt, moet die vooraf worden gestript en gewassen.

c)

De mechanisch gescheiden visserijproducten moeten zo spoedig mogelijk na de productie worden ingevroren of worden verwerkt in een product dat bestemd is om te worden ingevroren of een stabiliserende behandeling te ondergaan.

D.   VOORSCHRIFTEN MET BETREKKING TOT PARASIETEN

1.

De volgende visserijproducten moeten gedurende ten minste 24 uur worden ingevroren bij een temperatuur van ten hoogste -20 °C in alle delen van het product; deze behandeling moet worden toegepast op het rauwe product of op het eindproduct:

a)

visserijproducten bestemd om rauw of vrijwel rauw te worden verbruikt;

b)

visserijproducten van de volgende soorten, als zij een koud rookproces moeten ondergaan waarbij de inwendige temperatuur van het visserijproduct niet meer dan 60 °C bedraagt:

i)

haring,

ii)

makreel,

iii)

sprot,

iv)

(wilde) Atlantische en Pacifische zalm; en

c)

gemarineerde en/of gezouten visserijproducten indien de toegepaste bewerking niet volstaat om de larven van nematoden te vernietigen.

2.

Exploitanten van levensmiddelenbedrijven behoeven de krachtens punt 1 vereiste bewerking niet uit te voeren indien:

a)

uit de beschikbare epizoötiologische gegevens blijkt dat de visgronden van oorsprong geen gevaar voor de gezondheid opleveren wat de aanwezigheid van parasieten betreft; en

b)

de bevoegde autoriteit zulks toestaat.

3.

Behalve bij levering aan de eindverbruiker moeten de in punt 1 bedoelde visserijproducten, wanneer zij in de handel worden gebracht, vergezeld gaan van een door de fabrikant afgegeven document waarin is aangegeven welke behandeling is toegepast.

HOOFDSTUK IV: VOORSCHRIFTEN VOOR VERWERKTE VISSERIJPRODUCTEN

Exploitanten van levensmiddelenbedrijven die schaal- en weekdieren koken, moeten aan de volgende voorschriften voldoen.

1.

Na het koken moeten de producten snel worden afgekoeld. Hiervoor moet drinkwater of, aan boord van schepen, schoon water worden gebruikt. Als geen andere conserveringsmethoden worden gebruikt, moet de afkoeling worden voortgezet totdat een temperatuur is bereikt welke die van smeltend ijs benadert.

2.

De schalen en schelpen moeten op hygiënische wijze worden verwijderd, waarbij verontreiniging van het product moet worden voorkomen. Als dit met de hand gebeurt, moet het personeel de handen zeer zorgvuldig wassen.

3.

Na het verwijderen van schalen of schelpen moeten de gekookte producten onmiddellijk worden ingevroren, of zo snel mogelijk worden gekoeld tot de in hoofdstuk VII vermelde temperatuur.

HOOFDSTUK V: GEZONDHEIDSNORMEN VOOR VISSERIJPRODUCTEN

Exploitanten van levensmiddelenbedrijven moeten ervoor zorgen dat visserijproducten die voor menselijke consumptie in de handel worden gebracht, naargelang van de aard van het product of de soort, niet alleen voldoen aan de overeenkomstig Verordening (EG) nr. .../2004 (13) aangenomen microbiologische criteria, maar ook aan de normen van dit hoofdstuk.

A.   ORGANOLEPTISCHE EIGENSCHAPPEN VAN VISSERIJPRODUCTEN

Exploitanten van levensmiddelenbedrijven moeten een organoleptisch onderzoek van de visserijproducten uitvoeren. Daarbij moet er met name op worden toegezien dat de visserijproducten voldoen aan alle versheidsnormen.

B.   HISTAMINE

Exploitanten van levensmiddelenbedrijven moeten ervoor zorgen dat de grenswaarden voor histamine niet worden overschreden.

C.   TOTALE VLUCHTIGE BASESTIKSTOF

Onverwerkte visserijproducten mogen niet in de handel worden gebracht indien uit chemische tests is gebleken dat de maximumwaarden voor TVB-N of TMA-N zijn overschreden.

D.   PARASIETEN

Exploitanten van levensmiddelenbedrijven moeten ervoor zorgen dat vis en visserijproducten, voordat zij in de handel worden gebracht, zijn onderworpen aan een visuele controle ter opsporing van zichtbare parasieten. Duidelijk met parasieten verontreinigde visserijproducten mogen zij niet in de handel brengen voor menselijke consumptie.

E.   VOOR DE VOLKSGEZONDHEID SCHADELIJKE TOXINES

1.

Visserijproducten afkomstig van giftige vis van de volgende families mogen niet in de handel worden gebracht: Tetraodontidae, Molidae, Diodontidae en Canthigasteridae.

2.

Visserijproducten die biotoxines, zoals ciguatoxine of spierverlammende toxines bevatten, mogen niet in de handel worden gebracht. Visserijproducten op basis van tweekleppige weekdieren, stekelhuidigen, manteldieren en mariene buikpotigen mogen wel in de handel worden gebracht, indien zij geproduceerd zijn overeenkomstig sectie VII en voldoen aan de in hoofdstuk V, punt 2, van die sectie vastgestelde normen.

HOOFDSTUK VI: ONMIDDELLIJKE VERPAKKING EN VERPAKKING VAN VISSERIJPRODUCTEN

1.

De recipiënten waarin verse visserijproducten onder ijs worden bewaard, moeten waterbestendig zijn en zodanig geconstrueerd zijn dat het smeltwater niet in contact met de producten blijft.

2.

Bevroren blokken die geproduceerd zijn aan boord van vaartuigen moeten van een adequate onmiddellijke verpakking worden voorzien voordat zij aan land worden gebracht.

3.

Wanneer visserijproducten aan boord van het vaartuig van een onmiddellijke verpakking worden voorzien, zien de exploitanten van levensmiddelenbedrijven erop toe dat het materiaal voor onmiddellijke verpakking:

a)

geen bron van besmetting vormt;

b)

op zodanige wijze wordt opgeslagen dat het niet kan worden verontreinigd;

c)

indien het bestemd is voor hergebruik, gemakkelijk kan worden schoongemaakt en, indien nodig, ontsmet.

HOOFDSTUK VII: OPSLAG VAN VISSERIJPRODUCTEN

Exploitanten van levensmiddelenbedrijven die visserijproducten opslaan, moeten ervoor zorgen dat wordt voldaan aan de volgende voorschriften.

1.

Verse visserijproducten, ontdooide onverwerkte visserijproducten en gekookte en gekoelde producten van schaal- en weekdieren moeten op een temperatuur welke die van smeltend ijs benadert, worden gehouden.

2.

Ingevroren visserijproducten moeten op een temperatuur van ten hoogste -18 °C in alle delen van het product worden gehouden; hele in pekel ingevroren vissen die voor de vervaardiging van conserven bestemd zijn, mogen worden bewaard bij een temperatuur van ten hoogste -9 °C.

3.

Levend bewaarde visserijproducten moeten worden bewaard bij een temperatuur en op een manier die de voedselveiligheid of de houdbaarheid ervan niet aantast.

HOOFDSTUK VIII: VERVOER VAN VISSERIJPRODUCTEN

Exploitanten van levensmiddelenbedrijven die visserijproducten vervoeren, moeten ervoor zorgen dat wordt voldaan aan de volgende voorschriften.

1.

Visserijproducten moeten tijdens het vervoer op de vereiste temperatuur worden gehouden. In het bijzonder geldt het volgende:

a)

verse visserijproducten, ontdooide onverwerkte visserijproducten en gekookte en gekoelde producten van schaal- en weekdieren moeten op een temperatuur welke die van smeltend ijs benadert, worden gehouden;

b)

ingevroren visserijproducten, met uitzondering van in pekel ingevroren vis die voor de vervaardiging van conserven bestemd is, moeten tijdens het vervoer op een constante temperatuur van ten hoogste -18 °C in alle delen van het product worden gehouden met eventuele korte schommelingen naar boven van maximaal 3 °C.

2.

Exploitanten van levensmiddelenbedrijven behoeven niet aan punt 1, onder b), te voldoen wanneer ingevroren visserijproducten van een koelhuis naar een erkende inrichting worden gevoerd om er bij aankomst te worden ontdooid met het oog op een bewerking en/of verwerking, indien de reisduur kort is en de bevoegde autoriteit zulks toestaat.

3.

Indien de visserijproducten onder ijs worden bewaard, moet ervoor worden gezorgd dat het smeltwater niet in contact blijft met de producten.

4.

Visserijproducten die bestemd zijn om levend in de handel te worden gebracht, moeten onder zodanige omstandigheden worden vervoerd dat de voedselveiligheid of de houdbaarheid ervan niet worden aangetast.

SECTIE IX

RAUWE MELK EN ZUIVELPRODUCTEN

HOOFDSTUK I: RAUWE MELK — PRIMAIRE PRODUCTIE

Exploitanten van levensmiddelenbedrijven die rauwe melk produceren dan wel ophalen, moeten ervoor zorgen dat aan de voorschriften van dit hoofdstuk is voldaan.

I.   GEZONDHEIDSVOORSCHRIFTEN VOOR DE PRODUCTIE VAN RAUWE MELK

1.

Rauwe melk moet afkomstig zijn van dieren:

a)

die geen symptomen vertonen van een besmettelijke ziekte die via melk op de mens kan worden overgebracht;

b)

die in een goede algemene gezondheidstoestand verkeren, geen ziekteverschijnselen vertonen die zouden kunnen resulteren in besmetting van de melk en, in het bijzonder, niet lijden aan aandoeningen van de voortplantingsorganen waarbij afscheiding plaatsvindt, aan darmontsteking waarbij diarree en koorts optreden of aan een zichtbare uierontsteking;

c)

die geen uierlesies vertonen waardoor de melk kan worden aangetast;

d)

waaraan geen verboden stoffen of producten zijn toegediend of dieren die geen illegale behandeling in de zin van Richtlijn 96/23/EG hebben ondergaan; en

e)

waarvoor in het geval van toediening van toegestane stoffen of producten de daarvoor voorgeschreven wachttijd in acht is genomen.

2.

a)

Met name geldt met betrekking tot brucellose dat rauwe melk afkomstig moet zijn van:

i)

koeien of buffelkoeien die behoren tot een beslag dat in de zin van Richtlijn 64/432/EEG (14) brucellosevrij of officieel brucellosevrij is,

ii)

schapen of geiten die behoren tot een officieel brucellosevrij of brucellosevrij bedrijf in de zin van Richtlijn 91/68/EEG (15), of

iii)

vrouwelijke dieren van andere soorten die, wanneer het gaat om soorten die vatbaar zijn voor brucellose, behoren tot beslagen die regelmatig op deze ziekte worden gecontroleerd in het kader van een door de bevoegde autoriteit erkend controleprogramma.

b)

Met betrekking tot tuberculose geldt dat rauwe melk afkomstig moet zijn van:

i)

koeien of buffelkoeien die behoren tot een beslag dat in de zin van Richtlijn 64/432/EEG officieel tuberculosevrij is, of

ii)

vrouwelijke dieren van andere soorten die, wanneer het gaat om soorten die vatbaar zijn voor tuberculose, behoren tot beslagen die regelmatig op deze ziekte worden gecontroleerd in het kader van een door de bevoegde autoriteit erkend controleprogramma.

c)

Als op een bedrijf naast runderen ook geiten worden gehouden, moeten ook de geiten op tuberculose worden onderzocht en getest.

3.

Rauwe melk van dieren die niet voldoen aan de voorschriften van punt 2, kan evenwel met toestemming van de bevoegde autoriteit worden gebruikt:

a)

in het geval van koeien of buffelkoeien die niet positief hebben gereageerd op een tuberculose- of een brucellosetest en geen symptomen van die ziekten vertonen, nadat de melk een warmtebehandeling heeft ondergaan die volstaat om een negatieve reactie te veroorzaken op een fosfatasetest;

b)

in het geval van schapen of geiten die niet positief hebben gereageerd op een brucellosetest of die in het kader van een goedgekeurd uitroeiingsprogramma tegen brucellose zijn gevaccineerd, en geen symptomen van die ziekte vertonen, hetzij:

i)

voor de vervaardiging van kaas met een rijpingsperiode van ten minste twee maanden, of

ii)

nadat de melk een warmtebehandeling heeft ondergaan die volstaat om een negatieve reactie te veroorzaken op een fosfatasetest; en

c)

in het geval van vrouwelijke dieren van andere soorten die niet positief hebben gereageerd op een tuberculose- of een brucellosetest en geen symptomen van die ziekten vertonen, maar behoren tot een beslag waarbij brucellose of tuberculose is geconstateerd bij de in punt 2, littera a), onder iii), of punt 2, littera b), onder ii), bedoelde controles, mits de melk is behandeld om de veiligheid ervan te garanderen.

4.

Rauwe melk van dieren die niet voldoen aan de voorschriften van de punten 1 tot en met 3, in het bijzonder dieren die individueel positief hebben gereageerd op de preventieve test op tuberculose of op brucellose bedoeld in Richtlijn 64/432/EEG en Richtlijn 91/68/EEG, mag niet voor menselijke consumptie worden gebruikt.

5.

Dieren die besmet zijn of waarvan vermoed wordt dat zij besmet zijn met een van de in de punten 1 en 2 vermelde ziekten, moeten op doeltreffende wijze worden geïsoleerd om negatieve gevolgen voor de melk van andere dieren te vermijden.

II.   HYGIËNE OP MELKPRODUCTIEBEDRIJVEN

A.   Voorschriften inzake lokalen en uitrusting

1.

Melkinstallaties en de lokalen waar de melk wordt opgeslagen, gehanteerd of gekoeld, moeten zo zijn gelegen en gebouwd dat het gevaar voor verontreiniging van de melk zoveel mogelijk wordt beperkt.

2.

De lokalen waar de melk wordt opgeslagen, moeten beschermd zijn tegen ongedierte, goed zijn afgescheiden van de lokalen waar de dieren worden gehuisvest en, indien nodig om te kunnen voldoen aan de voorschriften van punt B, voorzien zijn van adequate koelapparatuur.

3.

Oppervlakken van materieel die bestemd zijn om met melk in contact te komen (gereedschappen, recipiënten, tanks enz. die bestemd zijn voor melken, ophalen of vervoer) moeten gemakkelijk te reinigen en zo nodig te ontsmetten zijn en goed worden onderhouden. Dat houdt in dat glad, afwasbaar en niet-toxisch materiaal wordt gebruikt.

4.

Na gebruik moeten dergelijke oppervlakken gereinigd en, zo nodig, ontsmet worden. Na elke rit, of na elke serie ritten wanneer het tijdsverloop tussen lossen en opnieuw laden zeer kort is, maar in elk geval ten minste éénmaal per dag, moeten recipiënten en tanks die worden gebruikt voor het vervoer van rauwe melk worden gereinigd en op passende wijze ontsmet alvorens opnieuw te worden gebruikt.

B.   Hygiëne bij het melken, het ophalen en het vervoer

1.

Het melken moet onder hygiënische omstandigheden worden verricht, en er moet in het bijzonder op worden toegezien dat:

a)

voordat met het melken wordt begonnen, de tepels, de uier en de nabijgelegen delen schoon zijn,

b)

de melk van elk dier op de aanwezigheid van abnormale organoleptische of fysisch-chemische eigenschappen wordt gecontroleerd, hetzij door de melker, hetzij op een wijze die gelijkwaardige resultaten oplevert, en dat melk met dergelijke eigenschappen niet voor menselijke consumptie wordt gebruikt,

c)

melk van dieren met klinische symptomen van een uierziekte niet voor menselijke consumptie wordt gebruikt, behoudens in overeenstemming met de instructies van een dierenarts,

d)

dieren die een behandeling hebben ondergaan waardoor residuen van geneesmiddelen in de melk kunnen terechtkomen, kunnen worden opgespoord, en dat van zulke dieren verkregen melk vóór het verstrijken van de voorgeschreven wachttijd niet voor menselijke consumptie wordt gebruikt, en

e)

er uitsluitend gebruik wordt gemaakt van speendippers of sprays die door de bevoegde autoriteit zijn erkend en zo worden gebruikt dat ze geen onaanvaardbare gehalten aan residuen achterlaten in de melk.

2.

Na het melken moet de melk onmiddellijk worden opgeslagen in een schoon lokaal die is ontworpen en uitgerust om verontreiniging te voorkomen. De melk moet onmiddellijk tot ten hoogste 8 °C worden gekoeld wanneer de melk dagelijks wordt opgehaald, en tot ten hoogste 6 °C wanneer dat niet het geval is.

3.

Tijdens het vervoer moet de koudeketen in stand worden gehouden en bij aankomst in de inrichting van bestemming mag de temperatuur van de melk niet meer bedragen dan 10 °C.

4.

Exploitanten van levensmiddelenbedrijven behoeven niet te voldoen aan de temperatuurvoorschriften in de punten 2 en 3 indien de melk voldoet aan de in deel III vastgestelde criteria, en indien:

a)

de melk binnen twee uur na het melken wordt verwerkt; of

b)

een hogere temperatuur noodzakelijk is om technologische redenen in verband met de vervaardiging van sommige zuivelproducten en de bevoegde autoriteit zulks toestaat.

C.   Hygiëne van het personeel

1.

Personen die betrokken zijn bij het melken en/of het hanteren van rauwe melk, moeten geschikte schone kleding dragen.

2.

Personen die betrokken zijn bij het melken, moeten een zeer goede persoonlijke hygiëne in acht nemen. Dicht bij de melkplaats moeten geschikte voorzieningen aanwezig zijn om degenen die betrokken zijn bij het melken en bij het hanteren van rauwe melk de gelegenheid te geven handen en armen te wassen.

III.   CRITERIA VOOR RAUWE MELK

1.

Voor rauwe melk gelden de volgende criteria in afwachting van de vaststelling van normen in het kader van een meer specifieke regelgeving inzake de kwaliteit van melk en zuivelproducten.

2.

Een representatief aantal steekproefsgewijs genomen monsters van bij melkproductiebedrijven opgehaalde rauwe melk moet worden gecontroleerd om na te gaan of de melk aan de punten 3 en 4 voldoet. De controles kunnen worden uitgevoerd door of namens:

a)

de exploitant van het levensmiddelenbedrijf dat de melk produceert,

b)

de exploitant van het levensmiddelenbedrijf dat de melk ophaalt of verwerkt,

c)

een groep exploitanten van levensmiddelenbedrijven, of

d)

in het kader van de nationale of regionale controleregeling.

3.

a)

Exploitanten van levensmiddelenbedrijven moeten procedures op gang brengen om ervoor te zorgen dat rauwe melk voldoet aan de volgende criteria:

i)

met betrekking tot rauwe koemelk:

Kiemgetal bij 30 °C (per ml)

≤ 100 000 (16)

Aantal somatische cellen (per ml)

≤ 400 000 (17)

ii)

met betrekking tot rauwe melk van andere diersoorten:

Kiemgetal bij 30 °C (per ml)

≤ 1 500 000 (16)

b)

Indien rauwe melk van andere dieren dan koeien bestemd is voor de vervaardiging van producten met rauwe melk door middel van een procédé waarbij geen warmtebehandeling plaatsvindt, moeten exploitanten van levensmiddelenbedrijven de nodige maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat de gebruikte rauwe melk aan het volgende criterium voldoet:

Kiemgetal bij 30 °C (per ml)

≤ 500 000 (16)

4.

Onverminderd het bepaalde in Richtlijn 96/23/EG, moeten exploitanten van levensmiddelenbedrijven procedures op gang brengen om ervoor te zorgen dat rauwe melk niet in de handel wordt gebracht indien:

a)

de rauwe melk een gehalte aan antibioticaresiduen bevat dat de op grond van Verordening (EEG) nr. 2377/90 (18) toegestane gehalten voor één van de in de bijlagen I en III bij die verordening genoemde stoffen overschrijdt; of

b)

het gecombineerde totaal van antibioticaresiduen hoger is dan enige toegestane maximumwaarde.

5.

Wanneer rauwe melk niet in overeenstemming is met punt 3 of 4 moeten exploitanten van levensmiddelenbedrijven de bevoegde autoriteit daarvan in kennis stellen en corrigerende maatregelen treffen.

HOOFDSTUK II: VOORSCHRIFTEN INZAKE ZUIVELPRODUCTEN

I.   TEMPERATUURVOORSCHRIFTEN

1.

Exploitanten van levensmiddelenbedrijven moeten ervoor zorgen dat de melk, na ontvangst in een verwerkende inrichting, snel wordt gekoeld tot ten hoogste 6 graden en bij die temperatuur wordt bewaard tot ze is verwerkt.

2.

Exploitanten van levensmiddelenbedrijven mogen evenwel melk bij een hogere temperatuur bewaren indien:

a)

met de verwerking wordt begonnen onmiddellijk na het melken, of binnen vier uur na ontvangst in de verwerkende inrichting; of

b)

de bevoegde autoriteit een hogere temperatuur toestaat om technische redenen die betrekking hebben op de vervaardiging van bepaalde zuivelproducten.

II.   VOORSCHRIFTEN VOOR WARMTEBEHANDELING

1.

Wanneer rauwe melk of zuivelproducten een warmtebehandeling ondergaan, moeten exploitanten van levensmiddelenbedrijven erop toezien dat daarbij wordt voldaan aan het bepaalde in bijlage II, hoofdstuk XI, van Verordening (EG) nr. .../2004 (19).

2.

Wanneer overwogen wordt rauwe melk aan een warmtebehandeling te onderwerpen, moeten exploitanten van levensmiddelenbedrijven:

a)

rekening houden met de procedures die zijn ontwikkeld volgens de HACCP-beginselen overeenkomstig Verordening (EG) nr. .../2004 (19); en

b)

voldoen aan alle voorschriften die de bevoegde autoriteit in dit verband kan opleggen bij de erkenning van inrichtingen of de uitvoering van controles overeenkomstig Verordening (EG) .../2004 (19).

III.   CRITERIA VOOR RAUWE KOEMELK

1.

Exploitanten van levensmiddelenbedrijven die zuivelproducten vervaardigen, moeten procedures op gang brengen om ervoor te zorgen dat, onmiddellijk voor verwerking:

a)

rauwe koemelk die gebruikt wordt bij de bereiding van zuivelproducten een kiemgetal bij 30 °C heeft van minder dan 300 000 per ml, en

b)

verwerkte koemelk die gebruikt wordt bij de bereiding van zuivelproducten een kiemgetal bij 30 °C heeft van minder dan 100 000 per ml.

2.

Indien melk niet voldoet aan de criteria van punt 1, moet de exploitant van het levensmiddelenbedrijf de bevoegde autoriteit daarvan in kennis stellen en corrigerende maatregelen treffen.

HOOFDSTUK III: ONMIDDELLIJKE VERPAKKING EN VERPAKKING

Het sluiten van de consumentenverpakkingen moet onmiddellijk na het vullen plaatsvinden in de inrichting waar de laatste warmtebehandeling van vloeibare verwerkte zuivelproducten plaatsvindt, door middel van een sluiting die besmetting voorkomt. Het sluitingssysteem moet zo zijn ontworpen dat na opening het bewijs van opening duidelijk aanwezig en gemakkelijk controleerbaar blijft.

HOOFDSTUK IV: ETIKETTERING

1.

Naast de vermelding van de voorschriften van Richtlijn 2000/13/EG moeten, uitgezonderd in de in artikel 13, leden 4 en 5, van die richtlijn bedoelde gevallen, op het etiket duidelijk voorkomen:

a)

in het geval van rauwe melk bestemd voor rechtstreekse menselijke consumptie, de vermelding „rauwe melk”;

b)

in het geval van met rauwe melk bereide producten, waarvan het fabricageprocédé geen warmtebehandeling noch een fysische of chemische behandeling omvat, de vermelding „bereid met rauwe melk”.

2.

De voorschriften van punt 1 zijn van toepassing op producten bestemd voor de detailhandel. De term „etikettering” omvat verpakkingen, documenten, borden, etiketten, wikkels of manchetten die bij het product zijn gevoegd of ernaar verwijzen.

HOOFDSTUK V: HET AANBRENGEN VAN IDENTIFICATIEMERKEN

In afwijking van de voorschriften van bijlage II, sectie I,

1.

mag het identificatiemerk, in plaats van een vermelding van het erkenningsnummer van de inrichting, een verwijzing bevatten naar de plaats op de onmiddellijke verpakking of de verpakking waar het erkenningsnummer van de inrichting is aangegeven;

2.

mag het identificatiemerk van flessen die kunnen worden hergebruikt, slechts de initialen van het verzendende land en het erkenningsnummer van de inrichting vermelden.

SECTIE X

EIEREN EN EIPRODUCTEN

HOOFDSTUK I: EIEREN

1.

Eieren moeten op het bedrijf van de producent en tot op het moment van verkoop aan de consument schoon, droog en vrij van vreemde geuren worden gehouden, en op afdoende wijze worden beschermd tegen schokken en rechtstreeks zonlicht.

2.

De eieren moeten worden opgeslagen en vervoerd bij een bij voorkeur constante temperatuur die de meeste garanties biedt voor het behoud van hun hygiënische kwaliteit.

3.

De eieren moeten uiterlijk 21 dagen na de legdatum aan de consument worden geleverd.

HOOFDSTUK II: EIPRODUCTEN

I.   VOORSCHRIFTEN VOOR INRICHTINGEN

Exploitanten van levensmiddelenbedrijven dienen ervoor te zorgen dat inrichtingen voor de bereiding van eiproducten zo worden gebouwd, ingedeeld en uitgerust dat de volgende handelingen van elkaar gescheiden blijven:

1)

het wassen, drogen en ontsmetten van vuile eieren, indien dit wordt uitgevoerd;

2)

het breken en opvangen van de inhoud van eieren, alsmede het verwijderen van de delen van schalen en vliezen; en

3)

andere dan de in de punten 1 en 2 bedoelde handelingen.

II.   GRONDSTOFFEN VOOR DE BEREIDING VAN EIPRODUCTEN

Exploitanten van levensmiddelenbedrijven dienen ervoor te zorgen dat grondstoffen voor de bereiding van eiproducten aan de volgende voorschriften voldoen.

1.

De schaal van voor de bereiding van eiproducten gebruikte eieren moet volledig ontwikkeld zijn en mag geen gebreken vertonen. Gebarsten eieren mogen echter voor de bereiding van eiproducten worden gebruikt, indien de productie-inrichting of het pakstation de eieren rechtstreeks aan een verwerkingsinrichting levert, waar zij zo snel mogelijk moeten worden gebroken.

2.

Vloeibaar ei, verkregen in een daartoe erkende inrichting, mag als grondstof worden gebruikt. Vloeibaar ei moet worden verkregen met inachtneming van de in de punten 1, 2, 3, 4 en 7 van deel III vastgestelde voorschriften.

III.   BIJZONDERE HYGIËNEVOORSCHRIFTEN VOOR DE BEREIDING VAN EIPRODUCTEN

Exploitanten van levensmiddelenbedrijven dienen ervoor te zorgen dat alle handelingen zo worden uitgevoerd dat elke vorm van verontreiniging tijdens de productie, behandeling en opslag van eiproducten wordt voorkomen, met name door ervoor te zorgen dat aan de onderstaande voorschriften wordt voldaan.

1.

Eieren mogen niet gebroken worden, tenzij ze schoon en droog zijn.

2.

Het breken van de eieren moet zo geschieden dat verontreiniging tot een minimum wordt beperkt, met name door het breken afdoende van de andere handelingen te scheiden. Gebarsten eieren moeten zo spoedig mogelijk worden verwerkt.

3.

Andere eieren dan die van kippen, kalkoenen en parelhoenders, moeten afzonderlijk worden behandeld en verwerkt. Alle voorzieningen moeten worden schoongemaakt en ontsmet voordat weer met de verwerking van eieren van kippen, kalkoenen of parelhoenders wordt begonnen.

4.

Ei-inhoud mag niet worden verkregen door centrifugering of persing van de eieren, noch door centrifugering van de lege schalen om het resterende eiwit eruit te halen met het oog op menselijke consumptie.

5.

Na het breken moeten alle delen van de eiproducten zo spoedig mogelijk worden verwerkt om elk microbiologisch risico uit te sluiten of tot een aanvaardbaar niveau te beperken. Een partij die niet op afdoende wijze is verwerkt, mag onverwijld een nieuwe verwerking ondergaan in dezelfde inrichting, op voorwaarde dat deze verwerking de partij geschikt maakt voor menselijke consumptie. Indien geconstateerd wordt dat een partij niet geschikt is voor menselijke consumptie, moet ze worden gedenatureerd zodat ze niet voor menselijke consumptie kan worden gebruikt.

6.

Voor eiwit dat bestemd is voor de bereiding van gedroogde of gekristalliseerde albumine die vervolgens een warmtebehandeling dient te ondergaan, is geen verwerking vereist.

7.

Indien de ei-inhoud niet onmiddellijk na het breken wordt verwerkt, moet het vloeibaar ei bevroren worden of bewaard worden bij een temperatuur van ten hoogste 4°C. Bewaring bij 4°C vóór verwerking mag niet langer dan 48 uur duren. Deze voorschriften gelden evenwel niet voor producten die ontsuikerd moeten worden, op voorwaarde dat de ontsuikering zo spoedig mogelijk plaatsvindt.

8.

Producten die niet zijn gestabiliseerd om bij kamertemperatuur te worden bewaard, moeten worden afgekoeld tot een temperatuur van ten hoogste 4 °C. Wanneer producten moeten worden bevroren, dient zulks onmiddellijk na verwerking te gebeuren.

IV.   ANALYTISCHE EISEN

1.

Het gehalte aan 3 OH-boterzuur mag niet hoger zijn dan 10 mg/kg niet-gemodificeerd eiproduct, berekend op de droge stof.

2.

Het melkzuurgehalte van grondstoffen voor de productie van eiproducten mag niet hoger zijn dan 1 g/kg, berekend op de droge stof. Voor gefermenteerde producten moet evenwel worden uitgegaan van de waarde die is gemeten vóór het fermentatieproces.

3.

De hoeveelheid resten van schalen, vliezen en eventuele andere deeltjes in het eiproduct mag niet groter zijn dan 100 mg per kg eiproduct.

V.   ETIKETTERING EN HET AANBRENGEN VAN EEN IDENTIFICATIEMERK

1.

Naast de in bijlage II, sectie I, vastgestelde algemene voorschriften inzake identificatiemerken moeten partijen eiproducten die niet voor de kleinhandel zijn bestemd, maar als ingrediënt voor de bereiding van een ander product worden gebruikt, voorzien zijn van een etiket waarop is aangegeven bij welke temperatuur de eiproducten moeten worden bewaard en hoe lang ze bij die temperatuur houdbaar zijn.

2.

Voor vloeibaar ei moet op het in punt 1 bedoelde etiket ook het volgende staan: „niet-gepasteuriseerd eiproduct — te behandelen op de plaats van bestemming” en moeten de datum en het tijdstip van het breken worden vermeld.

SECTIE XI

KIKKERBILLETJES EN SLAKKEN

Exploitanten van levensmiddelenbedrijven die kikkerbilletjes of slakken bereiden voor menselijke consumptie moeten ervoor zorgen dat aan de volgende voorschriften wordt voldaan.

1.

Kikkers en slakken moeten worden gedood in een inrichting die voor dat doel gebouwd, ingedeeld en uitgerust is.

2.

Een inrichting waarin kikkerbilletjes worden bereid, moet beschikken over een afzonderlijk lokaal voor de opslag en het wassen van de levende kikkers en voor het slachten en het uitbloeden daarvan. Dit lokaal moet fysiek gescheiden zijn van het bereidingslokaal.

3.

Kikkers en slakken die anders gestorven zijn dan door doding in de inrichting, mogen niet voor menselijke consumptie worden gebruikt.

4.

Kikkers en slakken moeten steekproefsgewijs organoleptisch worden onderzocht. Indien bij dat onderzoek blijkt dat zij een risico opleveren, mogen zij niet voor menselijke consumptie worden gebruikt.

5.

Kikkerbilletjes moeten na de bereiding onmiddellijk overvloedig met stromend drinkwater worden gewassen en onmiddellijk worden gekoeld tot de temperatuur welke die van smeltend ijs benadert, ofwel worden bevroren tot een temperatuur van ten hoogste -18 °C, ofwel worden verwerkt.

6.

De hepatopancreas van slakken moet, indien hij een risico kan opleveren, na de slacht worden verwijderd en mag niet voor menselijke consumptie worden gebruikt.

SECTIE XII

GESMOLTEN DIERLIJKE VETTEN EN KANEN

HOOFDSTUK I: VOORSCHRIFTEN VOOR INRICHTINGEN DIE GRONDSTOFFEN VERZAMELEN OF VERWERKEN

Exploitanten van levensmiddelenbedrijven moeten ervoor zorgen dat inrichtingen die grondstoffen verzamelen of verwerken voor de productie van gesmolten dierlijke vetten en kanen voldoen aan de volgende voorschriften.

1.

Centra voor het verzamelen van grondstoffen en het verdere transport daarvan naar verwerkingsinrichtingen moeten beschikken over voorzieningen voor de opslag van grondstoffen bij een temperatuur van ten hoogste 7 °C.

2.

Elke verwerkingsinrichting moet beschikken over:

a)

koelvoorzieningen;

b)

een verzendingslokaal, tenzij de inrichting gesmolten dierlijke vetten alleen als stortgoed verzendt; en

c)

indien nodig, adequate apparatuur voor de bereiding van producten bestaande uit gesmolten dierlijke vetten, vermengd met andere levensmiddelen en/of kruiderijen.

3.

De onder de punten 1 en 2, onder a), vereiste koelvoorzieningen zijn evenwel niet nodig indien de levering van grondstoffen zo is geregeld dat zij nooit zonder actieve koeling worden opgeslagen of vervoerd, behoudens het bepaalde in hoofdstuk II, punt 1, onder d).

HOOFDSTUK II: HYGIËNEVOORSCHRIFTEN VOOR DE BEREIDING VAN GESMOLTEN DIERLIJKE VETTEN EN KANEN

Exploitanten van levensmiddelenbedrijven die gesmolten dierlijke vetten en kanen bereiden, moeten ervoor zorgen dat voldaan is aan de volgende voorschriften.

1.

De grondstoffen moeten:

a)

afkomstig zijn van dieren die geslacht zijn in een slachthuis en die op grond van een keuring vóór en na het slachten geschikt voor menselijke consumptie zijn bevonden;

b)

bestaan uit vetweefsel of beenderen die zo weinig mogelijk bloed en onzuiverheden bevatten;

c)

afkomstig zijn van inrichtingen die erkend of geregistreerd zijn op grond van Verordening (EG) nr. .../2004 (20) of op grond van deze verordening; en

d)

in goede hygiënische omstandigheden en bij een inwendige temperatuur van ten hoogste 7 °C worden vervoerd en opgeslagen tot met het smelten wordt begonnen. Grondstoffen mogen evenwel zonder actieve koeling worden opgeslagen en vervoerd indien zij worden gesmolten binnen 12 uur na de dag waarop zij zijn verkregen.

2.

Tijdens het smelten is het gebruik van oplosmiddelen verboden.

3.

Wanneer het voor raffinage bestemde vet voldoet aan de normen van punt 4 mogen gesmolten dierlijke vetten die overeenkomstig de punten 1 en 2 zijn bereid, in dezelfde inrichting of in een andere inrichting worden geraffineerd om de fysisch-chemische kwaliteiten ervan te verbeteren.

4.

Gesmolten dierlijke vetten moeten, naar gelang van het type, aan de volgende normen voldoen:

 

Herkauwers

Varkens

Andere dierlijke vetten

Eetbare talg

Talg voor raffinage

Eetbare vetten

Reuzel en andere vetten voor raffinage

Eetbare vetten

Vetten voor raffinage

Premier jus (21)

Diversen

Reuzel (22)

Diversen

FFA (m/m% oliezuur) maximaal

0,75

1,25

3,0

0,75

1,25

2,0

1,25

3,0

Peroxidegetal maximaal

4 meq/kg

4 meq/kg

6 meq/kg

4 meq/kg

4 meq/kg

6 meq/kg

4 meq/kg

10 meq/kg

Totaal aan onoplosbare onzuiverheden

maximaal 0,15%

maximaal 0,5%

Geur, smaak, kleur

normaal

5.

Voor menselijke consumptie bestemde kanen moeten worden opgeslagen overeenkomstig de volgende temperatuurvoorschriften.

a)

Wanneer kanen zijn verkregen bij een temperatuur van ten hoogste 70 °C, moeten zij worden opgeslagen:

i)

bij een temperatuur van ten hoogste 7 °C gedurende ten hoogste 24 uur, of

ii)

bij een temperatuur van ten hoogste -18 °C.

b)

Wanneer kanen zijn verkregen bij een temperatuur van meer dan 70 °C en ten minste 10% (m/m) vocht bevatten, moeten zij worden opgeslagen:

i)

bij een temperatuur van ten hoogste 7 °C gedurende ten hoogste 48 uur of bij een andere tijd/temperatuurcombinatie die een gelijkwaardige garantie biedt, ofwel

ii)

bij een temperatuur van ten hoogste -18 °C.

c)

Wanneer kanen zijn verkregen bij een temperatuur van meer dan 70 °C en minder dan 10 % (m/m) vocht bevatten zijn er geen specifieke voorschriften van toepassing.

SECTIE XIII

BEHANDELDE MAGEN, BLAZEN EN DARMEN

Exploitanten van levensmiddelenbedrijven die magen, blazen en darmen behandelen, moeten ervoor zorgen dat voldaan is aan de volgende voorschriften.

1.

Dierlijke darmen, blazen en magen mogen alleen op de markt worden gebracht indien:

a)

zij afkomstig zijn van dieren die geslacht zijn in een slachthuis en die op grond van een keuring vóór en na het slachten geschikt voor menselijke consumptie zijn bevonden;

b)

zij gezouten, verhit of gedroogd zijn; en

c)

na de onder b) bedoelde behandeling, doeltreffende maatregelen zijn getroffen om nieuwe verontreiniging te voorkomen.

2.

Behandelde magen, blazen en darmen die niet bij omgevingstemperatuur mogen worden bewaard, moeten tot het moment van verzending worden opgeslagen en gekoeld met behulp van voorzieningen die voor dat doel zijn bestemd. In het bijzonder moeten niet-gezouten of niet-gedroogde producten bij een temperatuur van ten hoogste 3 °C worden bewaard.

SECTIE XIV

GELATINE

1.

Exploitanten van levensmiddelenbedrijven die gelatine vervaardigen, moeten ervoor zorgen dat wordt voldaan aan de voorschriften van deze sectie.

2.

In deze sectie wordt onder looiing verstaan: het verharden van huiden door middel van plantaardige looimiddelen, chroomzouten of andere stoffen als aluminiumzouten, ferrizouten, kiezelzouten, aldehyden en chinonen of andere synthetische verhardingsstoffen.

HOOFDSTUK I: VOORSCHRIFTEN VOOR GRONDSTOFFEN

1.

Voor de vervaardiging van voor gebruik in levensmiddelen bestemde gelatine mogen de volgende grondstoffen worden gebruikt:

a)

beenderen;

b)

huiden van als landbouwhuisdier gehouden herkauwers;

c)

varkenshuiden;

d)

huid van pluimvee;

e)

ligamenten en pezen;

f)

huiden van vrij wild; en

g)

huiden en graten van vis.

2.

Het gebruik van huiden die een looiprocédé hebben ondergaan is verboden, ongeacht of dit procédé is voltooid.

3.

Onder punt 1, a) tot en met e), vermelde grondstoffen moeten afkomstig zijn van dieren die in een slachthuis zijn geslacht en die op grond van een keuring vóór en na het slachten geschikt voor menselijke consumptie zijn bevonden; de huiden van vrij wild moeten afkomstig zijn van vrij wild dat voor menselijke consumptie geschikt is bevonden.

4.

Grondstoffen moeten afkomstig zijn van inrichtingen die erkend of geregistreerd zijn op grond van Verordening (EG) nr. .../2004 (23) of op grond van deze verordening.

5.

Verzamelcentra en leerlooierijen mogen ook grondstoffen voor de vervaardiging van voor menselijke consumptie bestemde gelatine leveren indien zij daarvoor door de bevoegde autoriteit specifiek worden gemachtigd en zij voldoen aan de volgende voorschriften.

a)

Zij moeten beschikken over opslaglokaal met een harde vloer en gladde muren die gemakkelijk gereinigd en ontsmet kunnen worden en waar, indien nodig, in een koelsysteem is voorzien.

b)

De opslaglokalen moeten schoon worden gehouden en goed worden onderhouden zodat zij geen bron van verontreiniging zijn voor de grondstoffen.

c)

Wanneer grondstoffen die niet aan de in dit hoofdstuk vastgestelde voorschriften voldoen, in deze gebouwen worden opgeslagen en/of verwerkt, moeten zij in elk stadium van ontvangst, opslag, verwerking en verzending gescheiden worden gehouden van grondstoffen die wel aan de voorschriften van dit hoofdstuk voldoen.

HOOFDSTUK II: VERVOER EN OPSLAG VAN GRONDSTOFFEN

1.

Grondstoffen die worden afgeleverd bij een verzamelcentrum of leerlooierij of bij de gelatineverwerkende inrichting, moeten vergezeld gaan van een document dat de inrichting van herkomst vermeldt en de in het aanhangsel bij deze bijlage vermelde gegevens bevat, zulks in plaats van het in bijlage II, sectie I, vastgestelde identificatiemerk.

2.

Grondstoffen moeten gekoeld of bevroren worden vervoerd en opgeslagen, tenzij zij binnen 24 uur na verzending worden verwerkt. Ontvette en gedroogde beenderen of beenderlijm, gezouten, gedroogde en gekalkte huiden, en met een base of een zuur behandelde huiden mogen evenwel bij omgevingstemperatuur worden vervoerd en opgeslagen.

HOOFDSTUK III: EISEN MET BETREKKING TOT DE VERVAARDIGING VAN GELATINE

1.

Bij de productie van gelatine moet erop worden toegezien dat:

a)

alle beendermateriaal van herkauwers dat afkomstig is van dieren die zijn geboren, gehouden of geslacht in landen of regio's die op grond van communautaire wetgeving als land of regio met een lage BSE-incidentie zijn aangemerkt, wordt onderworpen aan een procédé waarbij het beendermateriaal eerst wordt fijngemalen, met heet water wordt ontvet en gedurende ten minste twee dagen met verdund zoutzuur (minimumconcentratie 4 % en pH < 1,5) wordt behandeld, en vervolgens gedurende ten minste 20 dagen een behandeling ondergaat met een basische verzadigde kalkoplossing (pH > 12,5), in de loop waarvan het materiaal wordt gesteriliseerd bij 138-140 °C gedurende 4 seconden, of aan een gelijkwaardig erkend procédé; en

b)

andere grondstoffen worden behandeld met een zuur of een base en vervolgens één of meer keren worden gespoeld. Daarna wordt de pH aangepast. De gelatine wordt geëxtraheerd door de grondstoffen één of verschillende keren na elkaar te verhitten; het extract wordt dan gezuiverd door middel van filtrering en sterilisatie.

2.

Indien een levensmiddelenbedrijf voor alle gelatine dat het vervaardigt voldoet aan de voorschriften inzake voor menselijke consumptie bestemde gelatine, mag het bedrijf niet voor menselijke consumptie bestemde gelatine in dezelfde inrichting vervaardigen en opslaan.

HOOFDSTUK IV: VOORSCHRIFTEN VOOR EINDPRODUCTEN

Exploitanten van levensmiddelenbedrijven moeten waarborgen dat gelatine voldoet aan de grenswaarden in onderstaande tabel.

Residu

Grenswaarde

As

1,00 ppm

Pb

5,00 ppm

Cd

0,5 ppm

Hg

0,15 ppm

Cr

10,00 ppm

Cu

30,00 ppm

Zn

50,00 ppm

SO2 (Reith Williams)

50,00 ppm

H2O2 (Europese Pharmacopee 1986 (V2O2))

10,00 ppm

SECTIE XV

COLLAGEEN

1.

Exploitanten van levensmiddelenbedrijven die collageen vervaardigen, moeten ervoor zorgen dat wordt voldaan aan de voorschriften van deze sectie.

2.

In deze sectie wordt onder looiing verstaan: het verharden van huiden door middel van plantaardige looimiddelen, chroomzouten of andere stoffen als aluminiumzouten, ferrizouten, kiezelzouten, aldehyden en chinonen of andere synthetische verhardingsstoffen.

HOOFDSTUK I: VOORSCHRIFTEN VOOR GRONDSTOFFEN

1.

Voor de vervaardiging van voor gebruik in levensmiddelen bestemd collageen mogen de volgende grondstoffen worden gebruikt:

a)

huiden van als landbouwhuisdier gehouden herkauwers;

b)

huiden en beenderen van varkens;

c)

huiden en beenderen van pluimvee;

d)

pezen;

e)

huiden van vrij wild; en

f)

huiden en graten van vis.

2.

Het gebruik van huiden die een looiprocédé hebben ondergaan is verboden, ongeacht of dit procédé is voltooid.

3.

Onder punt 1, a) tot en met d), vermelde grondstoffen moeten afkomstig zijn van dieren die in een slachthuis zijn geslacht en waarvan de karkassen op grond van een antemortem en een postmortem keuring geschikt voor menselijke consumptie bevonden zijn; de huiden van vrij wild moeten afkomstig zijn van vrij wild dat voor menselijke consumptie geschikt is bevonden.

4.

Grondstoffen moeten afkomstig zijn van inrichtingen die erkend of geregistreerd zijn op grond van Verordening (EG) nr. .../2004 (24) of op grond van deze verordening.

5.

Verzamelcentra en leerlooierijen mogen ook grondstoffen voor de vervaardiging van voor menselijke consumptie bestemd collageen leveren, indien zij daarvoor door de bevoegde autoriteit specifiek zijn gemachtigd en zij aan de volgende voorschriften voldoen.

a)

Zij moeten beschikken over opslaglokaal met een harde vloer en gladde muren die gemakkelijk gereinigd en ontsmet kunnen worden en waar, indien nodig, in een koelsysteem is voorzien.

b)

De opslaglokalen moeten schoon worden gehouden en goed worden onderhouden zodat zij geen bron van verontreiniging zijn voor de grondstoffen.

c)

Wanneer grondstoffen die niet aan de in dit hoofdstuk vastgestelde voorschriften voldoen, in deze gebouwen worden opgeslagen en/of verwerkt, moeten zij in elk stadium van ontvangst, opslag, verwerking en verzending gescheiden worden gehouden van grondstoffen die wel aan de voorschriften van dit hoofdstuk voldoen.

HOOFDSTUK II: VERVOER EN OPSLAG VAN GRONDSTOFFEN

1.

Grondstoffen die worden afgeleverd bij een verzamelcentrum of leerlooierij of bij de collageenverwerkende inrichting, moeten vergezeld gaan van een document dat de inrichting van herkomst vermeldt en de in het aanhangsel bij deze bijlage vermelde gegevens bevat, zulks in plaats van het in bijlage II, sectie I, vastgestelde identificatiemerk.

2.

Grondstoffen moeten gekoeld of bevroren worden vervoerd en opgeslagen, tenzij zij binnen 24 uur na verzending worden verwerkt. Ontvette en gedroogde beenderen of beenderlijm, gezouten, gedroogde en gekalkte huiden, en met een base of een zuur behandelde huiden mogen evenwel bij omgevingstemperatuur worden vervoerd en opgeslagen.

HOOFDSTUK III: voorschriften voor de productie van collageen

1.

Collageen moet worden vervaardigd via een procédé waarbij de grondstof gewassen wordt, de pH-waarde met een zuur of een base aangepast wordt en vervolgens één of meer keren gespoeld, gefilterd en geëxtrudeerd wordt, dan wel via een erkend gelijkwaardig procédé.

2.

Na de bij lid 1 bedoelde bewerkingen, kan het collageen gedroogd worden.

3.

Indien een exploitant van een levensmiddelenbedrijf voor alle collageen dat hij vervaardigt, voldoet aan de voorschriften inzake voor menselijke consumptie bestemd collageen, mag hij in dezelfde inrichting ook collageen vervaardigen en opslaan dat niet voor menselijke consumptie bestemd is.

HOOFDSTUK IV: VOORSCHRIFTEN VOOR EINDPRODUCTEN

Exploitanten van een levensmiddelenbedrijf moeten waarborgen dat collageen voldoet aan de grenswaarden in onderstaande tabel.

Residu

Grenswaarde

As

1,00 ppm

Pb

5,00 ppm

Cd

0,5 ppm

Hg

0,15 ppm

Cr

10,00 ppm

Cu

30,00 ppm

Zn

50,00 ppm

SO2 (Reith Williams)

50,00 ppm

H2O2 (Europese Pharmacopee 1986 (V2O2))

10,00 ppm

HOOFDSTUK V: ETIKETTERING

Op de onmiddellijke verpakking en de verpakking van collageen moet „Voor menselijke consumptie geschikt collageen” vermeld staan, alsmede de bereidingsdatum.


(1)  Nog niet in het PB gepubliceerd.

(2)  Nog niet in het PB gepubliceerd.

(3)  Nog niet in het PB gepubliceerd.

(4)  Nog niet in het PB gepubliceerd.

(5)  Nog niet in het PB gepubliceerd.

(6)  Richtlijn 2000/13/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 maart 2000 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgeving der lidstaten inzake de etikettering en presentatie van levensmiddelen alsmede inzake de daarvoor gemaakte reclame (PB L 109 van 6.5.2000, blz. 29). Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2003/89/EG (PB L 308 van 25.11.2003, blz. 15).

(7)  Nog niet in het PB gepubliceerd.

(8)  Nog niet in het PB gepubliceerd.

(9)  Nog niet in het PB gepubliceerd.

(10)  Nog niet in het PB gepubliceerd.

(11)  Nog niet in het PB gepubliceerd.

(12)  Nog niet in het PB gepubliceerd.

(13)  Nog niet in het PB gepubliceerd.

(14)  Richtlijn 64/432/EEG van de Raad van 26 juni 1964 inzake veterinairrechtelijke vraagstukken op het gebied van het intracommunautaire handelsverkeer in runderen en varkens (PB 121 van 29.7.1964, blz. 1977/64). Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij de Toetredingsakte van 2003.

(15)  Richtlijn 91/68/EEG van de Raad van 28 januari 1991 inzake veterinairrechtelijke voorschriften voor het intracommunautaire handelsverkeer in schapen en geiten (PB L 46 van 19.2.1991, blz. 19). Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 806/2003 (PB L 122 van 16.5.2003, blz. 1).

(16)  Voortschrijdend meetkundig gemiddelde over een periode van twee maanden, met ten minste twee monsternemingen per maand.

(17)  Voortschrijdend meetkundig gemiddelde over een periode van drie maanden, met ten minste één monsterneming per maand, tenzij de bevoegde autoriteit een andere methode voorschrijft om seizoensschommelingen in de productie te verdisconteren.

(18)  Verordening (EEG) nr. 2377/90 van de Raad van 26 juni 1990 houdende een communautaire procedure tot vaststelling van maximumwaarden voor residuen van geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik in levensmiddelen van dierlijke oorsprong (PB L 224 van 18.8.1990, blz. 1). Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 324/2004 van de Commissie (PB L 58 van 26.2.2004, blz. 16).

(19)  Nog niet in het PB gepubliceerd.

(20)  Nog niet in het PB gepubliceerd.

(21)  Gesmolten dierlijke vetten die zijn verkregen door vers vet van hart, darmvlies, nieren en darmscheil van runderen bij lage temperatuur te smelten, alsmede vetten afkomstig uit uitsnijderijen.

(22)  Gesmolten dierlijke vetten die zijn verkregen uit het vetweefsel van varkens.

(23)  Nog niet in het PB gepubliceerd.

(24)  Nog niet in het PB gepubliceerd.

Aanhangsel bij BIJLAGE III

MODEL VAN HET BEGELEIDEND DOCUMENT VOOR GRONDSTOFFEN DIE BESTEMD ZIJN VOOR DE PRODUCTIE VAN GELATINE OF COLLAGEEN

I.   Identificatie van de grondstoffen

Type producten: ...

Productiedatum: ...

Type verpakking: ...

Aantal colli: ...

Gegarandeerde bewaringstijd: ...

Nettogewicht (kg): ...

II.   Herkomst van de grondstoffen

Adres(sen) en registratienummer(s) van de erkende productie-inrichting(en): ...

III.   Bestemming van de grondstoffen

De grondstoffen worden verzonden:

van: ...

(plaats van lading)

aan: ...

(land en plaats van bestemming)

met het volgende vervoermiddel: ...

Naam en adres van de afzender: ...

Naam en adres van de geadresseerde: ...

P5_TA(2004)0218

Gezondheidsvoorschriften voor productie en in handel brengen van voor menselijke consumptie bestemde producten van dierlijke oorsprong *** II

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement betreffende het gemeenschappelijk standpunt, door de Raad vastgesteld met het oog op de aanneming van de richtlijn van het Europees Parlement en de Raad houdende intrekking van bepaalde richtlijnen inzake levensmiddelenhygiëne en tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften voor de productie en het in de handel brengen van bepaalde voor menselijke consumptie bestemde producten van dierlijke oorsprong, en tot wijziging van de Richtlijnen 89/662/EEG en 92/118/EEG van de Raad en van Beschikking 95/408/EG van de Raad (11584/1/2003 — C5-0010/2004 — 2000/0182(COD))

(Medebeslissingsprocedure: tweede lezing)

Het Europees Parlement,

gezien het gemeenschappelijk standpunt van de Raad (11584/1/2003 — C5-0010/2004) (1),

gezien zijn in eerste lezing geformuleerde standpunt (2) inzake het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2000) 438) (3),

gezien het gewijzigde voorstel van de Commissie (COM(2003) 455) (4),

gelet op artikel 251, lid 2 van het EG-Verdrag,

gelet op artikel 78 van zijn Reglement,

gezien de aanbeveling voor de tweede lezing van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en consumentenbeleid (A5-0130/2004),

1.

hecht zijn goedkeuring aan het gemeenschappelijk standpunt;

2.

constateert dat het besluit is vastgesteld overeenkomstig het gemeenschappelijk standpunt;

3.

verzoekt zijn Voorzitter het besluit samen met de voorzitter van de Raad overeenkomstig artikel 254, lid 1 van het EG-Verdrag te ondertekenen;

4.

verzoekt zijn secretaris-generaal in het kader van zijn bevoegdheden het besluit te ondertekenen en samen met de secretaris-generaal van de Raad zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

5.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.


(1)  PB C 48 E van 24.2.2004, blz. 131.

(2)  Aangenomen teksten van 3.6.2003, P5_TA(2003)0228.

(3)  PB C 365 E van 19.12.2000, blz. 132.

(4)  Nog niet in het PB gepubliceerd.

P5_TA(2004)0219

Officiële controles van voor menselijke consumptie bestemde producten van dierlijke oorsprong *** II

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement betreffende het gemeenschappelijk standpunt, door de Raad vastgesteld met het oog op de aanneming van de verordening van het Europees Parlement en de Raad houdende vaststelling van specifieke voorschriften voor de organisatie van de officiële controles van voor menselijke consumptie bestemde producten van dierlijke oorsprong (11583/1/2003 — C5-0011/2004 — 2002/0141(COD))

(Medebeslissingsprocedure: tweede lezing)

Het Europees Parlement,

gezien het gemeenschappelijk standpunt van de Raad (11583/1/2003 — C5-0011/2004) (1),

gezien zijn in eerste lezing geformuleerde standpunt (2) inzake het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2002) 377) (3),

gezien het gewijzigde voorstel van de Commissie (COM(2003) 577) (4),

gelet op artikel 251, lid 2 van het EG-Verdrag,

gelet op artikel 80 van zijn Reglement,

gezien de aanbeveling voor de tweede lezing van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en consumentenbeleid (A5-0138/2004),

1.

wijzigt het gemeenschappelijk standpunt als volgt;

2.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.


(1)  PB C 48 E van 24.2.2004, blz. 82.

(2)  Aangenomen teksten van 5.6.2003, P5_TA(2003)0254.

(3)  PB C 262 E van 29.10.2002, blz. 449.

(4)  Nog niet in het PB gepubliceerd.

P5_TC2-COD(2002)0141

Standpunt van het Europees Parlement in tweede vastgesteld op 30 maart 2004met het oog op de aanneming van Verordening (EG) nr. .../2004 van het Europees Parlement en de Raad houdende vaststelling van specifieke voorschriften voor de organisatie van de officiële controles van voor menselijke consumptie bestemde producten van dierlijke oorsprong

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 152, lid 4, onder b),

Gezien het voorstel van de Commissie (1),

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (2),

Na raadpleging van het Comité van de Regio's,

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag, (3)

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In Verordening (EG) nr. .../2004 van het Europees Parlement en de Raad (4) zijn algemene hygiënevoorschriften vastgelegd die gelden voor alle levensmiddelen, en in Verordening (EG) nr. .../2004 van het Europees Parlement en de Raad (4) zijn specifieke hygiënevoorschriften voor producten van dierlijke oorsprong vastgelegd.

(2)

Er zijn specifieke voorschriften nodig voor de officiële controles van producten van dierlijke oorsprong, om rekening te kunnen houden met specifieke aspecten van dergelijke producten.

(3)

De werkingssfeer van de specifieke controlevoorschriften moet die van de specifieke hygiënevoorschriften voor exploitanten van levensmiddelenbedrijven, zoals vastgesteld in Verordening (EG) nr. .../2004 (4), weerspiegelen. De lidstaten moeten echter ook officiële controles uitvoeren om de overeenkomstig artikel 1, lid 4, van de genoemde verordening vastgestelde nationale voorschriften ten uitvoer te leggen. Zij kunnen daartoe de beginselen van deze verordening uitbreiden tot dergelijke nationale voorschriften.

(4)

De officiële controles van producten van dierlijke oorsprong dienen alle aspecten te bestrijken die van belang zijn voor de bescherming van de volksgezondheid en, indien nodig, de gezondheid en het welzijn van dieren. Deze voorschriften dienen gebaseerd te zijn op de meest recente informatie en zullen dus aangepast moeten kunnen worden naarmate er nieuwe gegevens beschikbaar komen.

(5)

De communautaire regelgeving betreffende voedselveiligheid dient te berusten op een degelijke wetenschappelijke basis. Met het oog daarop dient de Europese Autoriteit voor de Voedselveiligheid geraadpleegd te worden telkens wanneer dat noodzakelijk is.

(6)

De aard en de intensiteit van de officiële controles dienen gebaseerd te zijn op een beoordeling van, waar passend, de risico's voor de volksgezondheid, de diergezondheid en het dierenwelzijn en het type en de productie van het proces dat wordt uitgevoerd en de desbetreffende exploitant van het levensmiddelenbedrijf.

(7)

Het is dienstig om via de transparante procedure van Verordening (EG) nr. .../2004 (4) en Verordening (EG) nr. .../2004 (4), te voorzien in de aanpassing van bepaalde controleregels, om rekening te kunnen houden met de specifieke behoeften van bedrijven die traditionele methoden gebruiken, die een lage omzet hebben of gevestigd zijn in regio's met specifieke geografische beperkingen. De procedure moet ook ruimte bieden om middels proefprojecten een nieuwe benadering van de hygiënecontroles op vlees te testen. De aldus geboden soepelheid mag de doelstellingen van de levensmiddelenhygiëne evenwel niet in het gedrang brengen.

(8)

Er zijn officiële controles van de productie van vlees nodig om na te gaan of de exploitanten van levensmiddelenbedrijven de hygiënevoorschriften naleven en voldoen aan de in de communautaire wetgeving vastgelegde criteria en doelstellingen. Deze officiële controles dienen te bestaan uit audits van de activiteiten van de exploitanten, en uit inspectie-activiteiten, waaronder het toezicht op de eigen controles van de exploitanten van de levensmiddelenbedrijven.

(9)

Gelet op hun specifieke deskundigheid, zijn officiële dierenartsen de aangewezen personen om controles en inspecties van slachthuizen, wildverwerkingsinrichtingen, en bepaalde snij-inrichtingen uit te voeren. De lidstaten moeten vrij kunnen beslissen welk personeel het meest geschikt is voor het uitvoeren van controles en inspecties van andere soorten inrichtingen.

(10)

Er zijn officiële controles van de productie van levende tweekleppige weekdieren en visserijproducten nodig om na te gaan of aan de in de communautaire wetgeving vastgelegde criteria en doelstellingen wordt voldaan. Officiële controles van de productie van levende tweekleppige weekdieren dienen vooral gericht te zijn op heruitzettings- en productiegebieden voor levende tweekleppige weekdieren, en op het eindproduct.

(11)

Er zijn officiële controles van de productie van rauwe melk nodig om na te gaan of aan de in de communautaire wetgeving vastgelegde criteria en doelstellingen wordt voldaan. Die officiële controles dienen vooral gericht te zijn op de melkproducerende bedrijven, en op rauwe melk bij de inzameling.

(12)

De voorschriften van deze verordening zijn niet van toepassing totdat alle delen van de nieuwe wetgeving inzake levensmiddelenhygiëne in werking zijn getreden. Voorts dient te worden voorzien in een periode van ten minste 18 maanden tussen de inwerkingtreding en de toepassing van de nieuwe regels om de bevoegde autoriteiten en de betrokken sectoren tijd te geven om zich aan te passen.

(13)

De voor de uitvoering van deze verordening vereiste maatregelen dienen te worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden (5),

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Toepassingsgebied

1.   Deze verordening bevat specifieke voorschriften voor de organisatie van de officiële controles van producten van dierlijke oorsprong.

2.   Deze verordening is alleen van toepassing op activiteiten en personen waarop Verordening (EG) nr. .../2004 (6) van toepassing is.

3.   De officiële controles overeenkomstig deze verordening doen geen afbreuk aan de primaire wettelijke verantwoordelijkheid van de exploitanten van levensmiddelenbedrijven voor de voedselveiligheid zoals neergelegd in Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (7), noch aan de burgerlijke of strafrechtelijke aansprakelijkheid die voortvloeit uit het niet nakomen van hun verplichtingen.

Artikel 2

Definities

1.   Voor de doeleinden van deze verordening zijn de volgende definities van toepassing:

a)

„officiële controle”: elke vorm van controle door de bevoegde autoriteit om te verzekeren dat de wetgeving inzake levensmiddelen wordt nageleefd, inclusief de regelgeving inzake diergezondheid en dierenwelzijn;

b)

„verificatie”: nagaan, na onderzoek en het verstrekken van objectief bewijsmateriaal of aan specifieke vereisten is voldaan;

c)

„bevoegde autoriteit”: de voor het verrichten van veterinaire controles bevoegde centrale autoriteit van een lidstaat of een autoriteit waaraan zij deze bevoegdheid heeft overgedragen;

d)

„audit”: een systematisch en onafhankelijk onderzoek om te bepalen of activiteiten en de resultaten daarvan aansluiten bij de gemaakte plannen en of deze plannen op een doeltreffende manier worden uitgevoerd en geschikt zijn om de gestelde doelen te bereiken;

e)

„inspectie”: het onderzoeken, met het oog op hun conformiteit met de wettelijke vereisten, van inrichtingen, dieren en levensmiddelen, van hun verwerking, van levensmiddelenbedrijven en hun bestuursen productiesystemen, met inbegrip van documenten, tests van eindproducten en voederregime, en van de oorsprong en bestemming van productie-inputs en -outputs;

f)

„officiële dierenarts”: een dierenarts die, overeenkomstig deze verordening, gekwalificeerd is om als zodanig op te treden en door de bevoegde autoriteit is aangesteld;

g)

„erkende dierenarts”: een dierenarts die door de bevoegde autoriteit is aangewezen om op bedrijven namens die autoriteit specifieke officiële controles uit te voeren;

h)

„officiële assistent”: een persoon die, overeenkomstig deze verordening, gekwalificeerd is om als zodanig op te treden, die door de bevoegde autoriteit is aangesteld en die werkt onder het gezag en de verantwoordelijkheid van een officiële dierenarts; en

i)

„gezondheidsmerk”: een merk dat aangeeft dat, voordat het werd aangebracht, er overeenkomstig deze verordening officiële controles zijn uitgevoerd.

2.   De in de volgende verordeningen vastgelegde definities zijn van overeenkomstige toepassing:

a)

Verordening (EG) nr. 178/2002;

b)

de definities van „dierlijke bijproducten”, „TSE” (overdraagbare spongiforme encefalopathieën) en „gespecificeerd risicomateriaal” van Verordening (EG) nr. 1774/2002 (8) van het Europees Parlement en de Raad van 3 oktober 2002 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten;

c)

Verordening (EG) nr. .../2004 (9), behalve wat de definitie van „bevoegde autoriteit” betreft; en

d)

Verordening (EG) nr. .../2004 (9).

HOOFDSTUK II

OFFICIËLE CONTROLES IN VERBAND MET COMMUNAUTAIRE INRICHTINGEN

Artikel 3

Erkenning van inrichtingen

1.

a)

Telkens wanneer de communautaire regelgeving erkenning van inrichtingen voorschrijft, legt de bevoegde autoriteit een bezoek ter plaatse af. Zij verleent een inrichting alleen dan een erkenning voor bepaalde activiteiten wanneer de exploitant van het levensmiddelenbedrijf heeft aangetoond dat is voldaan aan de relevante vereistenvan Verordening (EG) nr. .../2004 (9), Verordening (EG) nr. .../2004 (9) en de overige relevante voorschriften van de levensmiddelenwetgeving.

b)

De bevoegde autoriteit kan een voorlopige erkenning geven wanneer bij het bezoek ter plaatse blijkt dat de inrichting voldoet aan alle eisen inzake infrastructuur en uitrusting. Een definitieve erkenning verleent zij alleen wanneer bij een herhaald bezoek, af te leggen binnen drie maanden na de voorlopige erkenning, blijkt dat de inrichting ook aan de overige onder a) bedoelde vereisten voldoet. Indien er veel vooruitgang is geboekt, maar de inrichting nog niet aan al die vereisten voldoet, kan de bevoegde autoriteit de voorlopige erkenning verlengen. De totale geldigheidsduur van de voorlopige erkenning mag niet meer dan zes maanden bedragen.

2.   Voor fabrieks- en vriesvaartuigen die de vlag van een lidstaat voeren kunnen de maximale perioden van drie en zes maanden die gelden voor de voorlopige erkenning van andere inrichtingen zo nodig verlengd worden. De totale geldigheidsduur van een voorlopige erkenning mag niet meer dan twaalf maanden bedragen. De inspecties van die vaartuigen worden overeenkomstig bijlage III uitgevoerd.

3.   De bevoegde autoriteit geeft elke erkende en voorlopig erkende inrichting een erkenningsnummer, eventueel aangevuld met codes om de geproduceerde typen producten van dierlijke oorsprong aan te geven. Voor de groothandel kan het erkenningsnummer worden aangevuld met een tweede nummer dat de eenheden of groepen eenheden aangeeft die producten van dierlijke oorsprong verkopen of produceren.

4.

a)

De bevoegde autoriteit toetst de erkenning van de inrichting wanneer zij overeenkomstig de artikelen 4 tot en met 8 officiële controles verricht.

b)

Wanneer zij in een inrichting herhaaldelijk ernstige tekortkomingen vaststelt of de productie meermalen dient stil te leggen, en de exploitant niet voldoende garanties kan bieden met betrekking tot de toekomstige productie, start de bevoegde autoriteit de procedures om de erkenning van de inrichting in te trekken. De bevoegde autoriteit kan evenwel de erkenning van een inrichting schorsen, indien de exploitant van een levensmiddelenbedrijf kan garanderen de gebreken binnen een redelijke termijn te zullen verhelpen.

c)

Ten aanzien van groothandelsmarkten kan de bevoegde autoriteit de erkenning van bepaalde eenheden of groepen van eenheden intrekken of schorsen.

5.   De leden 1, 2 en 3 zijn van toepassing op:

a)

inrichtingen die op of na de datum van toepassing van deze verordening producten van dierlijke oorsprong op de markt beginnen te brengen; en

b)

inrichtingen die reeds producten van dierlijke oorsprong op de markt brengen, maar waarvoor tot dusver geen erkenning was vereist. In dat laatste geval moet het uit hoofde van lid 1 vereiste bezoek ter plaatse van de bevoegde autoriteit zo snel mogelijk plaatsvinden.

Lid 4 is tevens van toepassing op erkende inrichtingen die vóór de toepassing van deze verordening in overeenstemming met de communautaire wetgeving producten van dierlijke oorsprong op de markt hebben gebracht.

6.   De lidstaten houden lijsten bij van erkende inrichtingen, met hun respectieve nationale erkenningsnummers en andere relevante informatie en stellen deze ter beschikking van de overige lidstaten en het publiek op een wijze die kan worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 19, lid 2.

Artikel 4

Algemene beginselen voor officiële controles van alle producten van dierlijke oorsprong die onder deze verordening vallen

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat exploitanten van een bedrijf de bevoegde autoriteit alle nodige assistentie verlenen bij de uitvoering van de officiële controles.

Met name:

verlenen zij toegang tot alle gebouwen, voorzieningen, installaties en andere infrastructuurvoorzieningen;

stellen zij alle documentatie en registers beschikbaar die in het kader van deze verordening zijn voorgeschreven of door de bevoegde autoriteit noodzakelijk worden geacht om de situatie te kunnen beoordelen.

2.   De bevoegde autoriteit voert officiële controles uit om na te gaan of de exploitanten van levensmiddelenbedrijven voldoen aan de voorschriften van:

a)

Verordening (EG) nr. .../2004 (10),

b)

Verordening (EG) nr. .../2004 (10) en

c)

Verordening (EG) nr. 1774/2002.

3.   De in lid 1 bedoelde officiële controles betreffen:

a)

de audit van de goede hygiënepraktijken en de op HACCP (Hazard Analysis Critical Control Point (risicoanalyse en kritisch controlepunt)) gebaseerde procedures;

b)

de in de artikelen 5, 6, 7 en 8 gespecificeerde officiële controles; en

c)

de in de bijlagen bij deze verordening genoemde specifieke audittaken.

4.   Bij de audits van de goede hygiënepraktijken wordt nagegaan of de procedures van de exploitanten van levensmiddelenbedrijven voortdurend worden nageleefd ten minste met betrekking tot:

a)

controle van de informatie over de voedselketen;

b)

het ontwerp en het onderhoud van de gebouwen en de uitrusting;

c)

de hygiëne vóór, tijdens en na het productieproces;

d)

persoonlijke hygiëne;

e)

de opleidingen rond de thema's „hygiëne” en „werkmethoden”;

f)

ongediertebestrijding;

g)

de waterkwaliteit;

h)

de temperatuurbeheersing; en

i)

controles van de levensmiddelen die de inrichting worden binnengebracht of verlaten, en de bijbehorende documentatie.

5.   Bij de audits van de op de HACCP gebaseerde procedures wordt nagegaan of de exploitanten van levensmiddelenbedrijven deze procedures voortdurend en naar behoren toepassen, waarbij er vooral voor gezorgd wordt dat de procedures de garanties bieden die gespecificeerd worden in sectie II van bijlage II bij Verordening (EG) nr. .../2004 (10). Meer in het bijzonder wordt nagegaan of de procedures, voorzover mogelijk, de garantie bieden dat producten van dierlijke oorsprong:

a)

voldoen aan de microbiologische criteria van de communautaire regelgeving;

b)

voldoen aan de communautaire regelgeving inzake residuen, contaminanten en verboden stoffen; en

c)

geen sporen van fysische risico's zoals vreemde lichamen vertonen.

Als een exploitant van een levensmiddelenbedrijf overeenkomstig artikel 5 van Verordening (EG) nr. .../2004 (10) gebruik maakt van procedures uit gidsen voor de toepassing van HACCP-beginselen in plaats van zijn eigen specifieke procedures, wordt gecontroleerd of die gidsen correct gebruikt worden.

6.   De toetsing aan de eisen van Verordening (EG) nr. .../2004 (11) met betrekking tot het aanbrengen van identificatiemerken vindt in alle overeenkomstig die verordening erkende inrichtingen plaats, als aanvulling op de toetsing aan andere eisen inzake traceerbaarheid.

7.   In het geval van slachthuizen, wildverwerkingsinrichtingen en uitsnijderijen die vers vlees in de handel brengen, voert de officiële dierenarts de in de leden 3 en 4 bedoelde audittaken uit.

8.   Wanneer audittaken worden uitgevoerd, zorgt de bevoegde autoriteit er vooral voor dat:

a)

wordt nagegaan of het personeel en de werkzaamheden van het personeel van de inrichting gedurende het gehele productieproces voldoen aan de in lid 1, onder a) en b) genoemde verordeningen. De bevoegde autoriteit kan, als aanvulling op de audits, prestatietests uitvoeren, om zich ervan te vergewissen dat de prestaties van het personeel aan de specifieke parameters voldoen;

b)

de relevante registers van de exploitant van het levensmiddelenbedrijf worden geverifieerd;

c)

indien nodig, monsters worden genomen voor laboratoriumonderzoek; en

d)

de onderzochte elementen en de bevindingen van de controle worden gedocumenteerd.

9.   De aard en de intensiteit van de audittaken met betrekking tot individuele inrichtingen hangen af van het beoordeelde risico. De bevoegde autoriteit beoordeelt daartoe regelmatig:

a)

de risico's voor de volksgezondheid en, indien van toepassing de diergezondheid;

b)

voor slachthuizen, de aspecten in verband met het dierenwelzijn;

c)

het type en de productie van het proces dat uitgevoerd is; en

d)

de voorgeschiedenis van de exploitant van het levensmiddelenbedrijf met betrekking tot de naleving van de levensmiddelenwetgeving.

Artikel 5

Vers vlees

De lidstaten zorgen ervoor dat de officiële controles van vers vlees overeenkomstig bijlage I worden uitgevoerd.

1.

De officiële dierenarts voert in slachthuizen, wildverwerkingsinrichtingen en uitsnijderijen die vers vlees in de handel brengen inspecties uit overeenkomstig de algemene voorschriften van bijlage I, sectie I, hoofdstuk II, en de specifieke voorschriften van sectie IV, met name met betrekking tot:

a)

voedselketeninformatie;

b)

antemortemkeuring;

c)

dierenwelzijn; en

d)

postmortemkeuring;

e)

gespecificeerd risicomateriaal en andere dierlijke bijproducten; en

f)

laboratoriumtests;

2.

Het aanbrengen van het gezondheidsmerk op karkassen van als landbouwhuisdier gehouden hoefdieren, andere gekweekte wilde zoogdieren dan lagomorfen, en groot wild, op halve karkassen, in vieren gedeelde karkassen en stukken die het resultaat zijn van het snijden van halve karkassen tot drie voor de groothandel bestemde stukken geschiedt in slachthuizen en wildverwerkingsinrichtingen overeenkomstig bijlage I, sectie I, hoofdstuk III. Gezondheidsmerken worden door of onder de verantwoordelijkheid van de officiële dierenarts aangebracht, wanneer bij officiële controles geen gebreken aan het licht zijn gekomen die het vlees ongeschikt voor menselijke consumptie maken;

3.

Na de in de punten 1) en 2) bedoelde controles neemt de officiële dierenarts passende maatregelen als bedoeld in bijlage I, sectie II, met name wat betreft:

a)

de mededeling van de keuringsresultaten;

b)

de beslissingen met betrekking tot de informatie over de voedselketen;

c)

de beslissingen met betrekking tot levende dieren;

d)

de beslissingen met betrekking tot het dierenwelzijn; en

e)

de beslissingen met betrekking tot het vlees;

4.

Officiële assistenten kunnen de officiële dierenarts bijstaan bij de in de bijlage I, secties I en II bedoelde officiële controles als gespecificeerd in sectie III, hoofdstuk I. Zij maken dan deel uit van een onafhankelijk team;

5.

a)

De lidstaten zorgen ervoor dat zij over voldoende officieel personeel beschikken om de uit hoofde van bijlage I vereiste controles met de in sectie III, hoofdstuk II voorgeschreven frequentie te verrichten.

b)

Aan de hand van een op het risico gebaseerde aanpak wordt bepaald hoeveel leden van het officiële personeelsbestand bij de slachtlijn van een slachthuis aanwezig moeten zijn. Het aantal aanwezige personeelsleden wordt door de bevoegde autoriteit vastgelegd en wel zo, dat aan alle voorschriften van deze verordeningkan worden voldaan;

6.

a)

De lidstaten kunnen het personeel van een slachthuis toestaan om bijstand te verlenen bij de officiële controles, door onder toezicht van de officiële dierenarts bepaalde specifieke taken uit te voeren in verband met de productie van vlees van pluimvee en lagomorfen overeenkomstig bijlage I, sectie III, hoofdstuk III, punt A. In dat geval zorgen zij ervoor dat het personeel dat die taken uitvoert,

i)

gekwalificeerd is en overeenkomstig die bepalingen wordt opgeleid;

ii)

onafhankelijk werkt van het bij de productie ingezette personeel; en

iii)

elke tekortkoming aan de officiële dierenarts meldt.

b)

De lidstaten kunnen het personeel van een slachthuis ook toestaan specifieke taken uit te voeren in verband met bemonstering en proeven overeenkomstig bijlage I, sectie III, hoofdstuk III, deel B;

7.

De lidstaten zorgen ervoor dat de officiële dierenartsen en de officiële assistenten gekwalificeerd zijn en de in bijlage I, sectie III, hoofdstuk IV bedoelde opleiding volgen.

Artikel 6

Levende tweekleppige weekdieren

De lidstaten zorgen ervoor dat de productie en het in de handel brengen van levende tweekleppige weekdieren, levende stekelhuidigen, levende manteldieren en levende mariene buikpotigen de in bijlage II bedoelde officiële controles ondergaat.

Artikel 7

Visserijproducten

De lidstaten zorgen ervoor dat de officiële controles van visserijproducten overeenkomstig bijlage III worden uitgevoerd.

Artikel 8

Rauwe melk en zuivelproducten

De lidstaten zorgen ervoor dat de officiële controles van rauwe melk- en zuivelproducten overeenkomstig bijlage IV worden uitgevoerd.

Artikel 9

Actie bij gevallen van niet-naleving

1.   Wanneer de bevoegde autoriteit vaststelt dat de in artikel 4, lid 1, onder a) en b), bedoelde verordeningen niet nageleefd worden, treft zij maatregelen om ervoor te zorgen dat de exploitant van het levensmiddelenbedrijf de situatie regulariseert. Bij haar besluit over de te treffen maatregelen, houdt de bevoegde autoriteit rekening met de aard van de niet-naleving en met de staat van dienst van de exploitant van het levensmiddelenbedrijf ten aanzien van niet-naleving.

2.   Deze maatregelen behelzen, indien passend, het volgende:

a)

het voorschrijven van hygiëneprocedures of andere noodzakelijk geachte corrigerende actie om de veiligheid van producten van dierlijke oorsprong, of de naleving van de desbetreffende wettelijke voorschriften, te garanderen;

b)

het beperken of verbieden van het in de handel brengen, invoeren of uitvoeren van producten van dierlijke oorsprong;

c)

het toezicht op of, zo nodig, het bevel tot het terugroepen, uit de handel nemen, en/of vernietigen van producten van dierlijke oorsprong;

d)

de toelating om producten van dierlijke oorsprong voor andere dan de aanvankelijke doeleinden aan te wenden;

e)

het schorsen of sluiten, geheel of gedeeltelijk, van het betrokken levensmiddelenbedrijf voor een bepaalde periode;

f)

het schorsen of intrekken van de erkenning van inrichtingen;

g)

inbeslagneming gevolgd door vernietiging of terugsturen van zendingen uit derde landen;

h)

andere door de bevoegde autoriteit noodzakelijk geachte maatregelen.

3.   De bevoegde autoriteit verstrekt de betrokken exploitant van een levensmiddelenbedrijf of zijn vertegenwoordiger:

a)

een schriftelijke mededeling van het in overeenstemming met lid 1 te nemen besluit alsmede van de motivering daarvan, en

b)

informatie over de rechtsmiddelen die voor hem openstaan, de toepasselijke procedure en termijnen.

Indien passend stelt de bevoegde autoriteit ook de bevoegde autoriteit van de lidstaat van verzending van haar besluit in kennis.

HOOFDSTUK III

INVOERPROCEDURES

Artikel 10

Algemene beginselen en voorwaarden

Met het oog op een uniforme toepassing van de beginselen en voorwaarden van artikel 11 van Verordening (EG) nr. 178/2002, zijn de in dit hoofdstuk vastgestelde procedures van toepassing.

Artikel 11

Lijst van derde landen of delen van derde landen waaruit invoer van gespecificeerde producten van dierlijke oorsprong is toegestaan

1.   Producten van dierlijke oorsprong mogen alleen worden ingevoerd uit een derde land of een deel van een derde land dat staat op een volgens de procedure van artikel 19, lid 2, opgestelde en bijgehouden lijst.

2.   Een derde land wordt alleen op een dergelijke lijst geplaatst als er een communautaire controle in dat land heeft plaatsgevonden, die uitwijst dat de bevoegde autoriteit passende garanties biedt als gespecificeerd in lid 4. Een derde land kan echter op een dergelijke lijst geplaatst worden zonder dat er een communautaire controle plaatsgevonden heeft, indien:

a)

het overeenkomstig artikel 18, punt 18, bepaalde risico zulks niet vereist, en

b)

bij het besluit een bepaald derde land overeenkomstig lid 1 aan een lijst toe te voegen, wordt vastgesteld dat andere informatie aangeeft dat de bevoegde autoriteit de vereiste garanties biedt.

3.   Overeenkomstig dit artikel opgestelde lijsten kunnen voor doeleinden van volksgezondheid en diergezondheid gecombineerd worden met andere lijsten.

4.   Bij de opstelling of bijwerking van de lijsten wordt met name rekening gehouden met de volgende criteria:

a)

de wetgeving van het derde land inzake:

i)

producten van dierlijke oorsprong;

ii)

het gebruik van diergeneesmiddelen, inclusief de voorschriften inzake het verbod op of de machtiging tot het gebruik, de distributie en het in de handel brengen van die diergeneesmiddelen, en de voorschriften inzake beheer en inspectie; en

iii)

de bereiding en het gebruik van diervoeders, met inbegrip van de procedures voor het gebruik van toevoegingsmiddelen en voor de bereiding en het gebruik van diervoeders met medicinale werking, en inzake de hygiënische kwaliteit van de voor de bereiding van het voeder gebruikte grondstoffen en van het eindproduct;

b)

de organisatie van de bevoegde autoriteiten van het derde land, de bevoegdheden en onafhankelijkheid van deze diensten, het toezicht dat erop wordt uitgeoefend, en de mogelijkheden die zij hebben om de toepasselijke wetgeving effectief af te dwingen;

c)

de opleiding van het personeel voor het uitvoeren van officiële controles;

d)

de middelen waarover deze controlediensten beschikken, met inbegrip van keuringsinstallaties;

e)

het bestaan en het functioneren van schriftelijke controleprocedures en op prioriteiten gebaseerde controlesystemen;

f)

indien van toepassing, de situatie inzake diergezondheid, en de procedures voor kennisgeving aan de Commissie en aan relevante internationale organen van het uitbreken van dierziekten;

g)

de reikwijdte en de werking van officiële controles op de invoer van dieren en producten van dierlijke oorsprong;

h)

de garanties die het derde land kan geven ten aanzien van naleving of gelijkwaardigheid met de communautaire vereisten;

i)

de hygiënevoorschriften met betrekking tot productie, vervaardiging, hantering, opslag en verzending die van toepassing zijn op voor de Gemeenschap bestemde producten van dierlijke oorsprong;

j)

de ervaring die bij het in de handel brengen van het product uit het derde land is opgedaan en de resultaten van de invoercontroles;

k)

de resultaten van de communautaire controles in het derde land, met name de resultaten van de evaluatie van de bevoegde autoriteiten, en de maatregelen die bevoegde autoriteiten nemen naar aanleiding van aanbevelingen die zij na een communautaire controle ontvangen hebben;

l)

het bestaan, de toepassing en de mededeling van een erkend programma voor de bestrijding van zoönosen; en

m)

het bestaan, de toepassing en de mededeling van een erkend programma voor de controle op residuen.

5.   De Commissie zorgt ervoor dat de meest recente versies van alle overeenkomstig dit artikel opgestelde of bijgewerkte lijsten, voor het publiek beschikbaar zijn.

Artikel 12

Lijst van inrichtingen waaruit invoer van gespecificeerde producten van dierlijke oorsprong is toegestaan

1.   Producten van dierlijke oorsprong mogen alleen in de Gemeenschap worden ingevoerd indien ze zijn verzonden vanuit en verkregen of bereid in inrichtingen die staan op een lijst die overeenkomstig dit artikel is opgesteld en wordt bijgehouden, behalve:

a)

indien, per geval, overeenkomstig de procedure van artikel 19, lid 2, wordt besloten dat de door een bepaald derde land geboden garanties met betrekking tot de invoer van gespecificeerde producten van dierlijke oorsprong van dien aard zijn dat de in dit artikel bedoelde procedure niet vereist is om ervoor te zorgen dat aan lid 2 wordt voldaan; en

b)

in de gevallen als omschreven in bijlage V.

Bovendien mogen vers vlees, gehakt vlees, vleesbereidingen, vleesproducten en separatorvlees alleen in de Gemeenschap worden ingevoerd indien ze zijn geproduceerd met vlees uit slachthuizen of uitsnijderijen die voorkomen op overeenkomstig dit artikel opgestelde en bijgewerkte lijsten of uit erkende inrichtingen van de Gemeenschap.

2.   Een inrichting kan alleen op een dergelijke lijst worden geplaatst als de bevoegde autoriteit van het derde land van oorsprong garandeert dat:

a)

die inrichting, tezamen met alle inrichtingen die grondstoffen van dierlijke oorsprong hanteren die gebruikt worden bij de productie van de desbetreffende producten van dierlijke oorsprong, voldoen aan de communautaire voorschriften, met name die van Verordening (EG) nr. .../2004 (12), of aan bepalingen die, toen werd besloten dat derde land overeenkomstig artikel 11 aan de desbetreffende lijst toe te voegen, gelijkwaardig bevonden zijn met deze voorschriften;

b)

een officiële inspectiedienst van het derde land toezicht houdt op de inrichtingen en, indien noodzakelijk, alle relevante informatie over inrichtingen die grondstoffen leveren, ter beschikking stelt van de Commissie; en

c)

zij bij machte is de inrichtingen te beletten naar de Gemeenschap te exporteren, indien de inrichtingen niet meer aan de onder a) bedoelde voorschriften voldoen.

3.   De bevoegde autoriteiten van derde landen die op de overeenkomstig artikel 11 opgestelde of bijgewerkte lijsten staan, garanderen dat de lijsten van de in lid 1 bedoelde inrichtingen van waaruit de betrokken producten van dierlijke oorsprong mogen worden verzonden naar de Gemeenschap, worden opgesteld, bijgewerkt en aan de Commissie medegedeeld.

4.

a)

De Commissie stelt de contactpunten die de lidstaten daarvoor hebben aangewezen regelmatig in kennis van de nieuwe of bijgewerkte lijsten die zij overeenkomstig lid 3 van de bevoegde autoriteiten van betrokken derde landen heeft ontvangen.

b)

Indien geen enkele lidstaat binnen twintig werkdagen na de kennisgeving van de Commissie bezwaar maakt tegen de nieuwe of bijgewerkte lijst, wordt, tien werkdagen na de dag waarop de Commissie deze lijst toegankelijk maakt voor het publiek, de invoer uit de inrichtingen die op de lijst staan, toegestaan.

c)

Wanneer ten minste één lidstaat schriftelijke opmerkingen maakt, of wanneer zij zelf van oordeel is dat een lijst moet worden gewijzigd in het licht van relevante informatie, zoals verslagen over communautaire inspecties of een kennisgeving in het kader van het systeem voor vroegtijdige waarschuwing, stelt de Commissie alle lidstaten daarvan in kennis en plaatst zij, zo nodig, dit punt op de agenda van de volgende vergadering van de betrokken afdeling van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid, dat daarover een beslissing neemt volgens de procedure van artikel 19, lid 2.

5.   De Commissie maakt de meest recente versies van alle lijsten voor het publiek toegankelijk.

Artikel 13

Levende tweekleppige weekdieren, stekelhuidigen, manteldieren en mariene buikpotigen

1.   Onverminderd artikel 12, lid 1, onder b), komen levende tweekleppige weekdieren, stekelhuidigen, manteldieren en mariene buikpotigen uit productiegebieden in derde landen die voorkomen op overeenkomstig artikel 12 opgestelde en bijgewerkte lijsten.

2.   Lid 1 is niet van toepassing op pectinidae die buiten ingedeelde productiegebieden verzameld zijn. De officiële controles met betrekking tot pectinidae worden echter overeenkomstig bijlage II, hoofdstuk III verricht.

3.

a)

Voordat de in lid 1 bedoelde lijsten worden opgesteld, moet in het bijzonder rekening worden gehouden met de garanties die de bevoegde autoriteit van het derde land kan bieden inzake de eerbiediging van de voorschriften van deze verordening betreffende de indeling en controle van productiegebieden.

b)

Een communautair inspectiebezoek ter plaatse is vereist voordat dergelijke lijsten worden opgesteld, behalve als:

i)

het overeenkomstig artikel 18, punt 18, bepaalde risico zulks niet vereist; en

ii)

bij het besluit een bepaald productiegebied overeenkomstig lid 1 aan een lijst toe te voegen, wordt vastgesteld dat uit andere informatie blijkt dat de bevoegde autoriteit de vereiste garanties biedt.

4.   De Commissie maakt de meest recente versies van alle overeenkomstig dit artikel opgestelde of bijgewerkte lijsten, voor het publiek toegankelijk.

Artikel 14

Documenten

1.   Elke zending producten van dierlijke oorsprong gaat bij invoer in de Gemeenschap vergezeld van een document dat voldoet aan de eisen van bijlage VI.

2.   Het document bevestigt dat de producten voldoen aan:

a)

de bij of krachtens in Verordening (EG) nr. .../2004 (13) en bij of krachtens Verordening (EG) nr. .../2004 (13) voor dat product vastgestelde eisen, of aan bepalingen die gelijkwaardig zijn met deze eisen; en

b)

specifieke invoervoorwaarden die zijn vastgesteld overeenkomstig artikel 18, punt 19.

3.   Documenten kunnen nadere gegevens bevatten die vereist zijn uit hoofde van andere communautaire regelgeving inzake volksgezondheid en diergezondheid.

4.   Vrijstellingen van lid 1 kunnen worden verleend overeenkomstig de in artikel 19, lid 2, bedoelde procedure, wanneer de in lid 2 van onderhavig artikel bedoelde waarborgen op een andere wijze kunnen worden verkregen.

Artikel 15

Bijzondere bepalingen voor visserijproducten

1.   De in dit hoofdstuk opgenomen procedures zijn niet van toepassing op verse visserijproducten die rechtstreeks van een vissersvaartuig dat de vlag van een derde land voert, in de Gemeenschap zijn aangeland.

De officiële controles van deze visserijproducten worden overeenkomstig bijlage III uitgevoerd.

2.

a)

Visserijproducten die zijn ingevoerd met een fabrieks- of vriesvaartuig dat de vlag van een derde land voert, moeten afkomstig zijn van vaartuigen die staan op een lijst die volgens de procedure van artikel 12, lid 4, is opgesteld en wordt bijgewerkt.

b)

In afwijking van artikel 12, lid 2, onder b), kan een vaartuig echter ook op dergelijke lijsten worden opgenomen:

i)

hetzij op basis van een gezamenlijke mededeling van de bevoegde autoriteit van het derde land waarvan het vaartuig de vlag voert en de bevoegde autoriteit van een ander derde land waaraan de voordien bevoegde autoriteit de verantwoordelijkheid voor de inspectie van het betreffende vaartuig heeft gedelegeerd, op voorwaarde dat:

dat derde land staat op de overeenkomstig artikel 11 opgestelde lijst van derde landen waaruit invoer van visserijproducten is toegestaan,

alle visserijproducten van het betrokken vaartuig die bestemd zijn om in de Gemeenschap in de handel te worden gebracht, rechtstreeks in dat derde land zijn aangeland,

de bevoegde autoriteit van dat derde land het vaartuig heeft geïnspecteerd en verklaard dat het aan de communautaire vereisten voldoet,

en

de bevoegde autoriteit van dat derde land verklaart het vaartuig op gezette tijden te zullen inspecteren om ervoor te zorgen dat het blijft voldoen aan de communautaire vereisten,

ii)

hetzij op basis van een gezamenlijke mededeling van de bevoegde autoriteit van het derde land waarvan het vaartuig de vlag voert en de bevoegde autoriteit van een lidstaat waaraan de voordien bevoegde autoriteit de verantwoordelijkheid voor de inspectie van het betreffende vaartuig heeft gedelegeerd, op voorwaarde dat:

alle visserijproducten van het betrokken vaartuig die bestemd zijn om in de Gemeenschap in de handel te worden gebracht, rechtstreeks in die lidstaat zijn aangeland,

de bevoegde autoriteit van die lidstaat het vaartuig heeft geïnspecteerd en verklaart dat het aan de communautaire vereisten voldoet, en

de bevoegde autoriteit van dat derde land verklaart het vaartuig op gezette tijden te zullen inspecteren om ervoor te zorgen dat het blijft voldoen aan de communautaire vereisten.

c)

De Commissie maakt de meest recente versies van alle overeenkomstig dit artikel opgestelde of bijgewerkte lijsten, voor het publiek toegankelijk.

3.   Wanneer visserijproducten rechtstreeks van een vissers- of vriesvaartuig worden ingevoerd, kan een door de kapitein ondertekend document het uit hoofde van artikel 14 vereiste document vervangen.

4.   Nadere bijzonderheden voor de uitvoering van dit artikel kunnen volgens de procedure van artikel 19, lid 2, worden vastgesteld.

HOOFDSTUK IV

SLOTBEPALINGEN

Artikel 16

Uitvoerings- en overgangsmaatregelen

Uitvoeringsmaatregelen en overgangsregelingen kunnen worden vastgelegd overeenkomstig de procedure van artikel 19, lid 2.

Artikel 17

Wijziging en aanpassing van de bijlagen

1.   De bijlagen I, II, III, IV, V en VI kunnen volgens de procedure van artikel 19, lid 2, worden gewijzigd of aangevuld om rekening te houden met de wetenschappelijke en technische vooruitgang.

2.   Afwijkingen van de bijlagen I, II, III, IV, V en VI kunnen worden toegestaan volgens de procedure van artikel 19, lid 2, voorzover zij geen gevolgen hebben voor het bereiken van de bij deze verordening vastgestelde doelstellingen.

3.   De lidstaten mogen, zonder daarbij de verwezenlijking van de doelstellingen van deze verordening in het gedrang te brengen, overeenkomstig de leden 4 tot en met 7, nationale maatregelen treffen om de in bijlage I vastgestelde voorschriften aan te passen.

4.   De in lid 3 bedoelde nationale maatregelen

a)

zijn bedoeld:

i)

om het voortgezet gebruik van traditionele methoden in alle stadia van de productie, verwerking en distributie van levensmiddelen mogelijk te maken;

ii)

om door middel van aanpassingen tegemoet te komen aan de behoeften van levensmiddelenbedrijven die een lage productie hebben of die gelegen zijn in een gebied met bijzondere geografische beperkingen; of

iii)

om proefprojecten op te zetten waarmee nieuwe benaderingen van de hygiënische controle op vlees worden beproefd.

b)

hebben in het bijzonder betrekking op onderstaande elementen van bijlage I:

i)

voedselketeninformatie;

ii)

de aanwezigheid van de bevoegde autoriteit in de inrichtingen.

5.   Lidstaten die nationale maatregelen als bedoeld in lid 3 willen aannemen, stellen de Commissie en de andere lidstaten daarvan in kennis. Elke kennisgeving omvat:

a)

een gedetailleerde beschrijving van de voorschriften die volgens die lidstaat aangepast moeten worden en de aard van de gewenste aanpassing;

b)

een beschrijving van de betrokken inrichtingen;

c)

de motivering van de aanpassing waaronder, zo nodig, een samenvatting van de risicoanalyse en van de maatregelen die genomen moeten worden om ervoor te zorgen dat de aanpassing de doelstellingen van deze verordening niet in het gedrang brengt; en

d)

alle andere relevante informatie.

6.   De andere lidstaten hebben na ontvangst van de kennisgeving als bedoeld in lid 5 drie maanden de tijd om schriftelijke opmerkingen aan de Commissie toe te zenden. De Commissie kan de lidstaten raadplegen in het in artikel 19, lid 1 bedoelde comité en is gehouden deze mogelijkheid te gebruiken wanneer zij schriftelijke opmerkingen van één of meer lidstaten ontvangt. De Commissie kan volgens de in artikel 19, lid 2, bedoelde procedure besluiten of de voorgenomen maatregelen, zo nodig na passende wijzigingen, kunnen worden toegepast. In voorkomend geval kan de Commissie overeenkomstig lid 1 of lid 2 van dit artikel algemene maatregelen voorstellen.

7.   Lidstaten kunnen nationale maatregelen tot wijziging van de voorschriften in bijlage I uitsluitend aannemen,

a)

op grond van een overeenkomstig lid 6 aangenomen besluit; of

b)

indien de Commissie een maand na afloop van de in lid 6 bedoelde termijn de lidstaten nog niet heeft meegedeeld dat zij schriftelijke opmerkingen heeft ontvangen of dat zij overeenkomstig lid 6 van plan is de aanneming van een besluit voor te stellen.

8.   Wanneer een lidstaat nationale maatregelen vaststelt voor de uitvoering van een proefproject waarmee nieuwe benaderingen van de hygiënische controle op vlees worden beproefd overeenkomstig de leden 3 tot en met 7, stelt de lidstaat de Commissie in kennis van de resultaten zodra deze beschikbaar zijn. De Commissie overweegt dan algemene maatregelen voor te stellen overeenkomstig lid 1.

Artikel 18

Specifieke besluiten

Onverminderd de algemene strekking van artikel 16 en artikel 17, lid 1, kunnen volgens de in artikel 19, lid 2, bedoelde procedure uitvoeringsbepalingen worden vastgesteld of wijzigingen op bijlage I, II, III, IV, V of VI worden aangenomen met specificaties inzake:

1)

tests voor de beoordeling van de prestaties van exploitanten en personeel van een levensmiddelenbedrijf;

2)

de methode voor het meedelen van de controleresultaten;

3)

de criteria om te bepalen wanneer, op basis van een risicoanalyse, de officiële dierenarts niet tijdens de antemortem- of de postmortemkeuring in het slachthuis of de wildverwerkingsinrichting aanwezig hoeft te zijn;

4)

regels voor de inhoud van de tests voor officiële dierenartsen en officiële assistenten;

5)

de microbiologische criteria voor de procescontrole met betrekking tot de hygiëne in inrichtingen;

6)

alternatieve procedures, serologische en andere laboratoriumtests die garanties bieden welke ten minste gelijkwaardig zijn aan de in bijlage I, sectie IV, omschreven specifieke procedures voor de postmortemkeuring en dus daarvoor in de plaats mogen komen, als de bevoegde autoriteit daartoe besluit;

7)

de omstandigheden waarin bepaalde specifieke postmortemkeuringen omschreven in bijlage I, sectie IV, niet nodig zijn, afhankelijk van het bedrijf, de regio of het land van oorsprong, gebaseerd op de beginselen van de risicoanalyse;

8)

regels voor laboratoriumtests;

9)

de koudebehandeling van vlees in verband met cysticercose en trichinose;

10)

de omstandigheden waarin bedrijven en gebieden als vrij van cysticercus of trichinen verklaard kunnen worden;

11)

de methoden voor de beoordeling van de in bijlage I, sectie IV, hoofdstuk IX, genoemde procedures;

12)

het vetmesten van varkens, criteria voor gecontroleerde huisvestingsomstandigheden en geïntegreerde productiesystemen;

13)

criteria voor de indeling van productie- en heruitzettingsgebieden voor levende tweekleppige weekdieren in samenwerking met het betrokken communautair referentielaboratorium, waaronder:

a)

grenswaarden en analysemethodes voor mariene biotoxines;

b)

procedures voor het opsporen van virussen, alsmede virologische normen; en

c)

bemonsteringsschema's, analysemethoden en -toleranties om na te gaan of aan de criteria wordt voldaan;

14)

organoleptische criteria voor de beoordeling van de versheid van visserijproducten;

15)

analytische grenswaarden, analysemethoden en bemonsteringsplannen voor de in bijlage III bedoelde officiële controles op visserijproducten, welke controles mede betrekking hebben op parasieten en uit het milieu afkomstige contaminanten;

16)

de methode waarmee de Commissie de lijsten aanlegt van derde landen en van instellingen in derde landen die voor het publiek beschikbaar zijn volgens de artikelen 11,12,13 en 15;

17)

modellen voor documenten en criteria voor het gebruik van elektronische documenten;

18)

criteria voor het bepalen van het risico dat bepaalde in de Gemeenschap ingevoerde producten van dierlijke oorsprong vertegenwoordigen;

19)

speciale invoervoorwaarden voor specifieke producten van dierlijke oorsprong, rekening houdend met de daaraan verbonden risico's, de door relevante derde landen verstrekte informatie en zo nodig de resultaten van communautaire controles, uitgevoerd in dergelijke derde landen. Deze speciale invoervoorwaarden kunnen worden vastgesteld voor één product van dierlijke oorsprong of voor groepen producten. Zij kunnen gelden voor één derde land, voor regio's van een derde land of voor een groep derde landen; en

20)

de voorwaarden voor de invoer van producten van dierlijke oorsprong uit een derde land of een regio van een derde land, voortvloeiend uit de uitvoering van een gelijkwaardigheidsovereenkomst of een gunstige audit, waarbij wordt bevestigd dat de in dat derde land of die derde regio toegepaste maatregelen waarborgen bieden die gelijkwaardig zijn aan de in de Gemeenschap toegepaste maatregelen, indien het derde land daarvan objectief bewijs levert.

Artikel 19

Comitéprocedure

1.   De Commissie wordt bijgestaan door het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid, dat is opgericht ingevolge artikel 58 van Verordening (EG) nr. 178/2002.

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 5 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.

De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op drie maanden.

3.   Het comité stelt zijn reglement van orde vast.

Artikel 20

Raadpleging van de Europese autoriteit voor voedselveiligheid

De Commissie raadpleegt de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid over zaken die binnen de werkingssfeer van deze verordening vallen, wanneer dat nodig is, met name:

1)

alvorens een voorstel te doen tot wijziging van de specifieke eisen inzake postmortemkeuringsprocedures als bedoeld in sectie IV van bijlage I;

2)

alvorens een voorstel te doen tot wijziging van de voorschriften van bijlage I, sectie IV, hoofdstuk IX, betreffende vlees van dieren waarbij een postmortemkeuring letsels aan het licht heeft gebracht die op brucellose of tuberculose wijzen; en

3)

alvorens uitvoeringsbepalingen voor te stellen inzake de in artikel 18, punt 5 tot en met 15 bedoelde aangelegenheden.

Artikel 21

Verslag aan het Europees Parlement en de Raad

1.   Uiterlijk ... (14) brengt de Commissie bij het Europees Parlement en bij de Raad verslag uit over de met de uitvoering van deze verordening opgedane ervaring.

2.   De Commissie laat dit verslag zo nodig vergezeld gaan van passende voorstellen.

Artikel 22

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing achttien maanden na de datum waarop alle volgende besluiten in werking zijn getreden:

a)

Verordening (EG) nr. .../2004 (15);

b)

Verordening (EG) nr. .../2004 (15), en

c)

Richtlijn 2004/.../EG van het Europees Parlement en de Raad van ... houdende intrekking van bepaalde richtlijnen inzake levensmiddelenhygiëne en gezondheidsvoorschriften voor de productie en het in de handel brengen van bepaalde voor menselijke consumptie bestemde producten van dierlijke oorsprong en tot wijziging van Richtlijnen 89/662/EEG en 92/118/EEG en Beschikking 95/408/EEG (15).

Zij is evenwel niet vóór 1 januari 2006 van toepassing.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te ..., op ...

Voor het Europees Parlement

De Voorzitter

Voor de Raad

De Voorzitter


(1)  PB C 262 E van 29.10.2002, blz. 449.

(2)  PB C 95 van 23.4.2003, blz. 22.

(3)  Advies van het Europees Parlement van 5 juni 2003 (nog niet verschenen in het Publicatieblad), Gemeenschappelijk Standpunt van de Raad van 27 oktober 2003 (PB C 48 E van 24.2.2004, blz. 82), Standpunt van het Europees Parlement van 30 maart 2004.

(4)  Nog niet in het PB gepubliceerd.

(5)  PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.

(6)  Nog niet in het PB gepubliceerd.

(7)  PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1. Gewijzigd door Verordening (EG) Nr. 1642/2003 (PB. L 245 van 29.9.2003, blz. 4).

(8)  PB L 273 van 10.10.2002, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 813/2003 van de Commissie (PB L 117 van 13.05.2002, blz. 22).

(9)  Nog niet in het PB gepubliceerd.

(10)  Nog niet in het PB gepubliceerd.

(11)  Nog niet in het PB gepubliceerd.

(12)  Nog niet in het PB gepubliceerd.

(13)  Nog niet in het PB gepubliceerd.

(14)  Vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van deze verordening.

(15)  Nog niet in het PB gepubliceerd.

BIJLAGE I

VERS VLEES

SECTIE I

TAKEN VAN DE OFFICIËLE DIERENARTS

HOOFDSTUK I: AUDITTAKEN

1.

Afgezien van de algemene voorschriften van artikel 4, lid 3, betreffende de audit van de goede hygiënepraktijken, moet de officiële dierenarts nagaan of de exploitanten van levensmiddelenbedrijven hun eigen procedures voortdurend naleven met betrekking tot elke vorm van inzamelen, vervoeren, opslaan, hanteren, verwerken en gebruiken of verwijderen van dierlijke bijproducten, met inbegrip van gespecificeerd risicomateriaal, waarvoor de exploitant van het levensmiddelenbedrijf verantwoordelijk is.

2.

Afgezien van de algemene voorschriften van artikel 4, lid 4, betreffende de audit van de HACCP-beginselen, moet de officiële dierenarts erop toezien dat de procedures van de exploitanten, voorzover mogelijk, de garantie bieden dat het vlees:

a)

geen pathofysiologische afwijkingen of veranderingen vertoont;

b)

geen sporen van fecaliën of andere verontreiniging vertoont; en

c)

geen gespecificeerd risicomateriaal bevat, tenzij de communautaire wetgeving dat toestaat, en geproduceerd is overeenkomstig de communautaire wetgeving inzake TSE.

HOOFDSTUK II: INSPECTIETAKEN

Bij de uitvoering van de in dit hoofdstuk bedoelde inspectietaken houdt de officiële dierenarts rekening met de resultaten van de in artikel 4 en in hoofdstuk I van deze bijlage bedoelde controles. Indien nodig, past hij zijn inspectietaken daaraan aan.

A.   Informatie over de voedselketen

1.

De officiële dierenarts moet alle relevante gegevens verkregen uit de documenten van het bedrijf van herkomst van de voor de slacht bestemde dieren controleren en analyseren, en bij de antemortem- en postmortemkeuring met de gedocumenteerde resultaten van die controle en analyse rekening houden.

2.

Bij de uitvoering van de inspectietaken houdt de officiële dierenarts rekening met de officiële certificaten die de dieren vergezellen, en met eventuele verklaringen van dierenartsen die de primaire productie controleren, met inbegrip van officiële en erkende dierenartsen.

3.

Als exploitanten die deel uitmaken van de voedselketen, via geïntegreerde of particuliere controlesystemen, certificaten van onafhankelijke derden of andere middelen, aanvullende maatregelen nemen om de voedselveiligheid te waarborgen, en als deze maatregelen gedocumenteerd zijn en de betrokken dieren duidelijk identificeerbaar zijn, kan de officiële dierenarts hiermee rekening houden wanneer hij zijn inspectietaken uitvoert en de HACCP-procedures evalueert.

B.   Antemortemkeuring

1.

Met inachtneming van de punten 4 en 5,

a)

onderwerpt de officiële dierenarts vóór het slachten alle dieren aan een antemortemkeuring;

b)

vindt de keuring plaats binnen 24 uur na aankomst in het slachthuis en minder dan 24 uur vóór het slachten.

Voorts kan de officiële dierenarts te allen tijde een keuring eisen.

2.

Op basis van de antemortemkeuring moet in het bijzonder worden geconstateerd of er ten aanzien van het gekeurde dier tekenen zijn die:

a)

erop wijzen dat het welzijn geschaad is; of

b)

wijzen op een aandoening die gevaar kan opleveren voor de gezondheid van mens of dier, met bijzondere aandacht voor het opsporen van zoönoses en ziekten die voorkomen op lijst A of, indien van toepassing, lijst B van het Internationaal Bureau voor besmettelijke veeziekten (OIE).

3.

Naast de gebruikelijke antemortemkeuring moet de officiële dierenarts alle dieren die de exploitant van het levensmiddelenbedrijf of een officiële assistent apart heeft gezet, aan een klinisch onderzoek onderwerpen.

4.

Bij een noodslachting buiten het slachthuis en in het geval van gejaagd wild onderzoekt de officiële dierenarts in het slachthuis of de wildverwerkingsinrichting de verklaring die het gedode dier vergezelt en door de dierenarts of de gekwalificeerde persoon is opgesteld overeenkomstig Verordening (EG) nr. .../2004 (1).

5.

Wanneer daarin in sectie III, hoofdstuk II, of in sectie IV is voorzien, kan de antemortemkeuring gedeeltelijk op het bedrijf van herkomst worden verricht. In deze gevallen moet de officiële dierenarts in het slachthuis alleen een antemortemkeuring verrichten als en in de mate waarin zulks is voorgeschreven.

C.   Dierenwelzijn

De officiële dierenarts controleert of aan de communautaire en nationale voorschriften inzake dierenwelzijn wordt voldaan, zoals de voorschriften inzake de bescherming van dieren bij het slachten en tijdens het vervoer.

D.   Postmortemkeuring

1.

Het karkas en het slachtafval moeten na het slachten onverwijld aan een post-mortemkeuring worden onderworpen. Alle externe oppervlakken moeten worden gekeurd. Voor dat doel kan een minimaal hanteren van het karkas en/of het slachtafval, of speciale technische uitrusting, vereist zijn. Bijzondere aandacht moet worden besteed aan het opsporen van zoönoses en ziekten die voorkomen op lijst A of, indien van toepassing, lijst B van het OIE. De snelheid van de slachtlijn en het voor de keuring beschikbare personeel moeten een degelijke keuring mogelijk maken.

2.

Er moet, zo nodig, aanvullend onderzoek worden verricht, zoals palpaties en incisies van delen van het karkas en het slachtafval, alsmede laboratoriumtests om

a)

een definitieve diagnose te stellen; of

b)

de aanwezigheid vast te stellen van:

i)

een dierziekte,

ii)

meer residuen of verontreinigende stoffen dan de communautaire wetgeving toestaat,

iii)

en niet-naleving van de microbiologische normen, of

iv)

andere factoren die ertoe kunnen nopen dat het vlees ongeschikt voor menselijke consumptie wordt verklaard of dat het gebruik ervan wordt beperkt,

in het bijzonder in het geval van dieren die een noodslachting hebben ondergaan.

3.

De officiële dierenarts moet eisen dat karkassen van eenhoevige landbouwhuisdieren, van runderen van meer dan zes maanden oud, en van varkens van meer dan vier weken oud, voor de postmortemkeuring in de lengte langs de ruggengraat in tweeën gesneden zijn. Als dat voor de inspectie noodzakelijk is, kan de officiële dierenarts ook verlangen dat de kop of het karkas in de lengte wordt doorgesneden. Echter, om rekening te houden met bijzondere eetgewoonten, technologische ontwikkelingen of bijzondere sanitaire omstandigheden, kan de bevoegde autoriteit toestaan dat karkassen van eenhoevige landbouwhuisdieren, van runderen van meer dan zes maanden oud, en van varkens van meer dan vier weken oud, voor postmortemkeuring worden aangeboden zonder in tweeën gesneden te zijn.

4.

Bij de keuringen moeten de nodige voorzorgen worden genomen om verontreiniging van vlees ten gevolge van het palperen, het versnijden of het maken van insnijdingen tot een minimum te beperken.

5.

In geval van noodslachting moet het karkas zo spoedig mogelijk en voordat het voor menselijke consumptie geschikt wordt verklaard aan een vleeskeuring worden onderworpen, overeenkomstig de punten 1 tot en met 4.

E.   Gespecificeerd risicomateriaal en andere dierlijke bijproducten

De officiële dierenarts controleert, overeenkomstig de specifieke communautaire regels inzake gespecificeerd risicomateriaal en andere dierlijke bijproducten, het verwijderen, afscheiden en, zo nodig, merken van dergelijke producten. De officiële dierenarts ziet erop toe dat de exploitant van het levensmiddelenbedrijf de nodige maatregelen treft om te voorkomen dat vlees bij het slachten (met inbegrip van het verdoven) en het verwijderen van gespecificeerd risicomateriaal door gespecificeerd risicomateriaal wordt verontreinigd.

F.   Laboratoriumtests

1.

De officiële dierenarts moet ervoor zorgen dat er monsters worden genomen en dat die geïdentificeerd, behandeld en naar het juiste laboratorium gezonden worden in het kader van

a)

het toezicht op en de bestrijding van zoönoses en zoönoseverwekkers;

b)

specifieke laboratoriumtests voor het vaststellen van overdraagbare spongiforme encefalopathieën (TSE) overeenkomstig Verordening (EG) nr. 999/2001 van het Europees Parlement en de Raad (2);

c)

het opsporen van niet toegestane stoffen of producten, en de controle op gereglementeerde stoffen, in het bijzonder in het kader van de nationale plannen voor residuen, zoals bedoeld in Richtlijn 96/23/EG van de Raad (3); en

d)

de opsporing van ziekten die voorkomen op lijst A of, indien van toepassing, lijst B van het OIE.

2.

De officiële dierenarts moet er tevens voor zorgen dat ook andere noodzakelijke laboratoriumtests worden uitgevoerd.

HOOFDSTUK III: GEZONDHEIDSMERKEN

1.

De officiële dierenarts moet toezicht houden op de gezondheidsmerken en het gebruik van de merken.

2.

De officiële dierenarts moet er met name voor zorgen dat

a)

het gezondheidsmerk alleen wordt aangebracht als het dier (als landbouwhuisdier gehouden hoefdieren, andere gekweekte wilde zoogdieren dan lagomorfen, en groot wild) een antemortem- en een postmortemkeuring ondergaan heeft overeenkomstig deze verordening en er geen reden is om het vlees ongeschikt te verklaren voor menselijke consumptie. Het gezondheidsmerk mag echter wel worden aangebracht voordat de resultaten van het onderzoek naar trichinose beschikbaar zijn, als de officiële dierenarts ervan overtuigd is dat het vlees van het betrokken dier alleen in de handel zal worden gebracht indien de resultaten bevredigend zijn; en

b)

het gezondheidsmerk aan de buitenkant van het karkas wordt aangebracht, met behulp van een stempel of een brandmerk, en zodanig dat, indien volledige karkassen in tweeën of in vieren of halve karkassen in drieën worden gesneden, elk deel een gezondheidsmerk draagt.

3.

Het gezondheidsmerk moet een ovaal merk van tenminste 6,5 cm lang en 4,5 cm hoog zijn, met de volgende, goed leesbare informatie:

a)

de naam van het land waar de inrichting zich bevindt, voluit in hoofdletters of in de tweelettercode volgens de ISO-norm;

voor de lidstaten luiden deze codes evenwel als volgt: AT, BE, DE, DK, ES, FI, FR, GR, IE, IT, LU, NL, PT, SE en UK;

b)

het erkenningsnummer van het slachthuis; en

c)

wanneer het wordt aangebracht in een slachthuis in de Gemeenschap een van de volgende afkortingen: CE, EC, EF, EG, EK, of EY.

4.

De letters moeten ten minste 0,8 cm en de cijfers ten minste 1 cm hoog zijn. De afmetingen van het merk en van de letters mogen verkleind worden bij gezondheidsmerken voor lammeren, geitjes en biggen.

5.

De voor de gezondheidsmerken gebruikte kleuren moeten voldoen aan de communautaire regels voor het gebruik van kleurstoffen in levensmiddelen.

6.

Op het gezondheidsmerk kan ook een verwijzing worden vermeld naar de officiële dierenarts die het vlees aan een gezondheidskeuring heeft onderworpen. De bevoegde autoriteiten en exploitanten van levensmiddelenbedrijven mogen de uitrusting die zij vóór de inwerkingtreding van deze verordening besteld hebben, blijven gebruiken totdat die versleten is of om een andere reden vervangen moet worden.

7.

Vlees van dieren die buiten het slachthuis een noodslachting hebben ondergaan, moet voorzien zijn van een speciaal gezondheidsmerk dat niet kan worden verward met het gezondheidsmerk als bedoeld in dit hoofdstuk of met het identificatiemerk als bedoeld in bijlage II, sectie I, van Verordening (EG) nr. .../2004 (4).

8.

Vlees van niet gevild vrij wild kan niet voorzien zijn van een gezondheidsmerk, tenzij het, nadat het dier is gevild in een wildverwerkingsinrichting, een postmortemkeuring heeft ondergaan en geschikt is verklaard voor menselijke consumptie.

9.

Dit hoofdstuk is onverminderd de veterinairrechtelijke voorschriften betreffende gezondheidsmerken van toepassing.

SECTIE II

MAATREGELEN NAAR AANLEIDING VAN CONTROLES

HOOFDSTUK I: MEDEDELING VAN DE KEURINGSRESULTATEN

1.

De keuringsresultaten worden door de officiële dierenarts opgetekend en geëvalueerd.

2.

a)

Wanneer bij de inspectie een voor de gezondheid van mens of dier schadelijke ziekte of aandoening dan wel inbreuken op het dierenwelzijn worden vastgesteld, stelt de officiële dierenarts de exploitant van het levensmiddelenbedrijf daarvan in kennis.

b)

Als het gesignaleerde probleem zich voordeed bij de primaire productie, informeert de officiële dierenarts de dierenarts van het bedrijf van herkomst, de exploitant van het levensmiddelenbedrijf die verantwoordelijk is voor dat bedrijf van herkomst (op voorwaarde dat een eventueel rechterlijk onderzoek daardoor niet geschaad wordt), en, zo nodig, de bevoegde autoriteit die toezicht houdt op het bedrijf van herkomst van de dieren of op het jachtterrein.

c)

Als de betrokken dieren zijn gefokt in een andere lidstaat of in een derde land, moet de officiële dierenarts de bevoegde autoriteit van de lidstaat meedelen waar de inrichting is gevestigd. Die bevoegde autoriteit moet passende maatregelen nemen, overeenkomstig de communautaire wetgeving.

3.

De keurings- en testresultaten worden in alle relevante databanken opgeslagen.

4.

Als de officiële dierenarts bij de verrichting van een antemortem- of postmortemkeuring of enige andere inspectie-activiteit een vermoeden krijgt van de aanwezigheid van een op lijst A of lijst B van het OIE voorkomende ziekteverwekker, stelt hij de bevoegde autoriteit daarvan onmiddellijk in kennis en nemen beiden, overeenkomstig de communautaire wetgeving, de nodige maatregelen en voorzorgen om verspreiding van de ziekteverwekker te voorkomen.

HOOFDSTUK II: BESLISSINGEN MET BETREKKING TOT DE INFORMATIE OVER DE VOEDSELKETEN

1.

De officiële dierenarts moet controleren dat de dieren niet worden geslacht tenzij het slachthuis de nodige informatie over de voedselketen heeft gekregen en gecontroleerd.

2.

De officiële dierenarts mag echter toestaan dat dieren in het slachthuis worden geslacht als de relevante informatie over de voedselketen ontbreekt. In dat geval moet de officiële dierenarts over alle relevante informatie over de voedselketen beschikken, voordat de karkassen van deze dieren voor menselijke consumptie geschikt kunnen worden verklaard. In afwachting van een definitieve beslissing worden de karkassen en het bijbehorende slachtafval gescheiden van het overige vlees opgeslagen.

3.

Onverminderd punt 2, wanneer de relevante informatie over de voedselketen niet binnen 24 uur na aankomst van het dier in het slachthuis beschikbaar is, moet al het vlees van het dier ongeschikt worden verklaard voor menselijke consumptie. Indien het dier nog niet is geslacht, moet het gescheiden van de overige dieren worden gedood.

4.

Als uit de begeleidende verslagen, documenten en andere gegevens blijkt dat:

a)

de dieren afkomstig zijn van een bedrijf of uit een gebied waarvoor — met het oog op de gezondheid van mens en dier — een verplaatsingsverbod of een andere beperking geldt,

b)

de voorschriften inzake het gebruik van diergeneesmiddelen niet in acht zijn genomen, of

c)

er andere oorzaken zijn die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de gezondheid van mens of dier,

mogen deze dieren niet worden geslacht, tenzij de in de communautaire regelgeving vastgelegde procedures om de gevaren voor de gezondheid van mens en dier te elimineren, worden gevolgd.

Als de dieren zich reeds in het slachthuis bevinden, moeten ze afzonderlijk worden gedood en ongeschikt voor menselijke consumptie worden verklaard, waarbij de eventueel noodzakelijke voorzorgsmaatregelen ter bescherming van de gezondheid van mens en dier moeten worden genomen. Als de officiële dierenarts dat nodig acht, moeten op het bedrijf van herkomst officiële controles worden uitgevoerd.

5.

De bevoegde autoriteit neemt passende maatregelen als zij vaststelt dat de begeleidende verslagen, documenten en andere gegevens niet overeenstemmen met de feitelijke situatie op het bedrijf van herkomst, of met de feitelijke toestand van de dieren, of gericht zijn op bewuste misleiding van de officiële dierenarts. De bevoegde autoriteit neemt maatregelen ten aanzien van de voor het betrokken bedrijf van herkomst van de dieren verantwoordelijke exploitant van het levensmiddelenbedrijf, of andere betrokkenen, met name door aanvullende controles. De kosten van deze aanvullende controles worden gedragen door de exploitant van het levensmiddelenbedrijf die verantwoordelijk is voor het bedrijf van herkomst of door de andere betrokkenen.

HOOFDSTUK III: BESLISSINGEN MET BETREKKING TOT LEVENDE DIEREN

1.

De officiële dierenarts moet nagaan of de exploitant van het levensmiddelenbedrijf voldoet aan zijn verplichting uit hoofde van Verordening (EG) nr. .../2004 (5) om ervoor te zorgen dat voor menselijke consumptie geslachte dieren naar behoren worden geïdentificeerd. De officiële dierenarts moet ervoor zorgen dat dieren die niet met redelijke zekerheid kunnen worden geïdentificeerd, afzonderlijk worden gedood en ongeschikt voor menselijke consumptie worden verklaard. Als de officiële dierenarts dat nodig acht, moeten op het bedrijf van herkomst officiële controles worden uitgevoerd.

2.

Als er doorslaggevende redenen in verband met dierenwelzijn kunnen worden ingeroepen, mogen paarden in het slachthuis worden geslacht, zelfs als de wettelijk vereiste informatie over de identiteit van de dieren ontbreekt. Zolang deze informatie ontbreekt, kunnen de karkassen van de dieren echter niet voor menselijke consumptie geschikt worden verklaard. Hetzelfde geldt voor noodslachtingen van paarden buiten het slachthuis.

3.

De officiële dierenarts moet nagaan of de exploitant van het levensmiddelenbedrijf voldoet aan zijn verplichting uit hoofde van Verordening (EG) nr. .../2004 (5) om ervoor te zorgen dat dieren waarvan de huid, pels of vacht in zodanige staat verkeert dat het gevaar voor verontreiniging van het vlees tijdens het slachtproces onaanvaardbaar is, niet voor menselijke consumptie worden geslacht, tenzij zij voordien worden schoongemaakt.

4.

Dieren die lijden aan een ziekte of aandoening die op dieren of mensen kan worden overgedragen door contact met of het eten van het vlees, en meer algemeen dieren die klinische symptomen van systemische ziekten of sterke vermagering vertonen, mogen niet voor menselijke consumptie worden geslacht. Deze dieren moeten afzonderlijk worden gedood, waarbij ervoor moet worden gezorgd dat andere dieren of karkassen niet verontreinigd worden, en ongeschikt voor menselijke consumptie worden verklaard.

5.

Het slachten van dieren waarbij een ziekte of aandoening wordt vermoed die negatieve gevolgen kan hebben voor de gezondheid van mens of dier, moet worden uitgesteld. De betrokken dieren moeten een grondige antemortemkeuring ondergaan om een diagnose te kunnen stellen. De officiële dierenarts kan bovendien besluiten monsters voor laboratoriumonderzoek te laten nemen als aanvulling op een postmortemkeuring. Zo nodig, moeten de dieren afzonderlijk of aan het einde van het normale slachtproces worden geslacht, waarbij alle noodzakelijke voorzorgsmaatregelen moeten worden genomen om verontreiniging van ander vlees te voorkomen.

6.

Voor dieren waarin meer residuen van veterinaire geneesmiddelen dan de overeenkomstig het Gemeenschapsrecht vastgestelde gehalten, of residuen van verboden stoffen, worden aangetroffen, gelden de bepalingen van Richtlijn 96/23/EG.

7.

De officiële dierenarts bepaalt de wijze waarop dieren, onder zijn toezicht, behandeld moeten worden in het kader van een bijzonder programma voor de bestrijding of de uitroeiing van een bepaalde ziekte, bijvoorbeeld brucellose of tuberculose, of van zoönoseverwekkers zoals salmonella. De bevoegde autoriteit bepaalt de voorwaarden waaronder deze dieren geslacht kunnen worden. Met deze voorwaarden moet worden beoogd besmetting van andere dieren of van het vlees van andere dieren tot een minimum te beperken.

8.

Dieren die voor de slacht bij het slachthuis worden aangeboden, moeten in de regel daar worden geslacht. In uitzonderlijke omstandigheden echter, bijvoorbeeld als de slachtinstallatie ernstig ontregeld raakt, kan de officiële dierenarts rechtstreeks vervoer naar een ander slachthuis toestaan.

HOOFDSTUK IV: BESLISSINGEN MET BETREKKING TOT HET DIERENWELZIJN

1.

Als tijdens het slachten of doden de voorschriften inzake dierenbescherming niet worden nageleefd, moet de officiële dierenarts nagaan of de exploitant van het levensmiddelenbedrijf onmiddellijk de nodige corrigerende maatregelen neemt om soortgelijke problemen in de toekomst te voorkomen.

2.

De officiële dierenarts volgt een evenredige en geleidelijke aanpak voor de handhaving, van het geven van instructies tot het vertragen of stilleggen van de productie, afhankelijk van de aard en de ernst van het probleem.

3.

Zo nodig, stelt de officiële dierenarts andere bevoegde autoriteiten van problemen in verband met welzijn op de hoogte.

4.

Als de officiële dierenarts vaststelt dat de voorschriften inzake de bescherming van dieren tijdens het transport niet worden nageleefd, neemt hij, overeenkomstig de communautaire wetgeving, de nodige maatregelen.

5.

Wanneer:

a)

een officiële assistent uit hoofde van sectie III of IV het dierenwelzijn controleert; en

b)

bij deze controles blijkt dat de regels inzake de bescherming van dieren niet worden nageleefd,

stelt de officiële assistent onverwijld de officiële dierenarts daarvan in kennis en, zo nodig in spoedeisende gevallen, neemt hij de nodige maatregelen als bedoeld in de punten 1 tot en met 4 in afwachting van de komst van de officiële dierenarts.

HOOFDSTUK V: BESLISSINGEN MET BETREKKING TOT HET VLEES

1.

Vlees moet ongeschikt voor menselijke consumptie worden verklaard als het:

a)

afkomstig is van dieren die geen antemortemkeuring ondergaan hebben, met uitzondering van gejaagd wild;

b)

afkomstig is van dieren waarvan het slachtafval geen postmortemkeuring heeft ondergaan, tenzij in deze verordening of in Verordening (EG) nr. .../2004 (6) anders is bepaald;

c)

afkomstig is van dieren die reeds dood waren vóór de slachting, van doodgeboren of ongeboren dieren, of van dieren die bij de slachting nog geen 7 dagen oud waren;

d)

is verkregen bij het wegsnijden van de steekplaats;

e)

afkomstig is van dieren die aan een ziekte lijden die voorkomt op lijst A van het OIE of indien van toepassing, lijst B van het OIE, tenzij in sectie IV anders is bepaald;

f)

afkomstig is van dieren die aan een gegeneraliseerde ziekte, zoals gegeneraliseerde septicaemie, pyaemie, toxaemie of viraemie lijden;

g)

niet beantwoordt aan de microbiologische criteria van de communautaire wetgeving waarmee wordt bepaald of levensmiddelen in de handel mogen worden gebracht;

h)

door parasieten is aangetast, tenzij in sectie IV anders is bepaald;

i)

meer residuen of verontreinigende stoffen bevat dan de communautaire wetgeving toestaat. Overschrijding van het toegestane niveau moet, waar nodig, aanleiding zijn tot verder analyses;

j)

onverminderd meer specifieke communautaire wetgeving, afkomstig is van dieren of karkassen die residuen van verboden stoffen bevatten, of van dieren die met verboden stoffen zijn behandeld;

k)

de lever en de nieren betreft van meer dan twee jaar oude dieren uit regio's waar, blijkens de uitvoering van krachtens artikel 5 van Richtlijn 96/23/EG goedgekeurde plannen, zware metalen overal in het milieu aanwezig zijn;

l)

illegaal met reinigingsmiddelen is behandeld;

m)

illegaal met ioniserende of uv-stralen is behandeld;

n)

vreemd materiaal bevat (behalve, in het geval van gejaagd wild, materiaal dat voor de jacht gebruikt wordt);

o)

de in de communautaire wetgeving vastgelegde maximumniveaus voor radioactiviteit overschrijdt;

p)

pathofysiologische veranderingen, anomalieën inzake de consistentie, ontoereikende verbloeding (behalve voor vrij wild) of organoleptische anomalieën vertoont, in het bijzonder een sterke seksuele geur;

q)

afkomstig is van sterk vermagerde dieren;

r)

gespecificeerd risicomateriaal bevat, behalve voorzover de communautaire wetgeving zulks toestaat;

s)

sporen van vervuiling, faecaliën of andere verontreiniging vertoont;

t)

bloed bevat dat een gevaar kan opleveren voor de gezondheid van mens of dier vanwege de gezondheidstoestand van een dier waarvan het afkomstig is of vanwege besmetting tijdens het slachtproces;

u)

na onderzoek van alle relevante informatie, volgens het oordeel van de officiële dierenarts mogelijk een risico voor de gezondheid van mens of dier vormt, of om een andere reden niet geschikt is voor menselijke consumptie.

2.

De officiële dierenarts kan eisen stellen ten aanzien van het gebruik van vlees afkomstig van dieren die buiten het slachthuis een noodslachting hebben ondergaan.

SECTIE III

VERANTWOORDELIJKHEDEN EN FREQUENTIE VAN CONTROLES

HOOFDSTUK I: OFFICIËLE ASSISTENTEN

De officiële assistenten kunnen de officiële dierenarts in alle taken bijstaan, met inachtneming van de volgende restricties en de specifieke voorschriften van sectie IV:

1.

met betrekking tot de audittaken mogen officiële assistenten alleen gegevens verzamelen over de goede hygiënepraktijken en de op HACCP gebaseerde procedures;

2.

met betrekking tot de antemortemkeuring en de controle op het dierenwelzijn mogen officiële assistenten alleen een eerste onderzoek verrichten bij de dieren en bij louter praktische werkzaamheden helpen; en

3.

met betrekking tot de postmortemkeuring moet de officiële dierenarts het werk van de officiële assistenten regelmatig controleren en, in het geval van dieren die buiten het slachthuis een noodslachting hebben ondergaan, persoonlijk de keuring uitvoeren.

HOOFDSTUK II: DE FREQUENTIE VAN CONTROLES

1.

De bevoegde autoriteit zorgt ervoor dat ten minste één officiële dierenarts aanwezig is

a)

in slachthuizen bij de antemortem- en de postmortemkeuring;

b)

in wildverwerkingsinrichtingen bij de postmortemkeuring.

2.

De bevoegde autoriteit kan echter deze aanpak aanpassen in bepaalde, op basis van een risicoanalyse en overeenkomstig de eventuele criteria als bedoeld in artikel 18, punt 3, uitgekozen slachthuizen en wildverwerkingsinrichtingen. In zulke gevallen

a)

hoeft de officiële dierenarts niet aanwezig te zijn tijdens de antemortemkeuring in het slachthuis indien;

i)

een officiële of een erkende dierenarts een antemortemkeuring heeft uitgevoerd op het bedrijf van herkomst, de gegevens over de voedselketen heeft gecontroleerd en het resultaat van die controle heeft doorgegeven aan de officiële assistent in het slachthuis,

ii)

de officiële assistent in het slachthuis ervan overtuigd is dat de gegevens over de voedselketen niet wijzen op enig mogelijk probleem voor de voedselveiligheid en dat de algemene gezondheids- en welzijnstoestand van het dier bevredigend is, en

iii)

de officiële dierenarts zich er regelmatig van vergewist dat de officiële assistent dergelijke controles op deugdelijke wijze uitvoert;

b)

hoeft de officiële dierenarts niet voortdurend aanwezig te zijn tijdens de postmortemkeuring, indien

i)

een officiële assistent de postmortemkeuring uitvoert en vlees met afwijkingen en al het overige vlees van hetzelfde dier terzijde legt;

ii)

de officiële dierenarts dat vlees daarna inspecteert; en

iii)

de officiële assistent zijn procedures en bevindingen zodanig documenteert dat de officiële dierenarts eruit kan opmaken dat aan de normen wordt voldaan.

In het geval van pluimvee en lagomorfen mag de officiële assistent vlees met afwijkingen verwijderen en hoeft de officiële dierenarts, onder voorbehoud van sectie IV, dat vlees niet systematisch te inspecteren.

3.

De onder punt 2 bedoelde flexibele regeling geldt niet:

a)

voor dieren die een noodslachting hebben ondergaan;

b)

voor dieren waarbij de verdenking bestaat dat zij een ziekte of aandoening hebben die schadelijke gevolgen kan hebben voor de menselijke gezondheid;

c)

voor runderen uit beslagen die niet officieel vrij van tuberculose zijn verklaard;

d)

voor runderen, schapen en geiten uit beslagen die niet officieel vrij van brucellose zijn verklaard;

e)

bij uitbraak van een ziekte die voorkomt op lijst A van het OIE of, indien van toepassing, lijst B van het OIE. Dit betreft dieren die vatbaar zijn voor de betrokken ziekte en afkomstig zijn uit de betrokken regio, als gedefinieerd in artikel 2 van Richtlijn 64/432/EEG van de Raad (7);

f)

wanneer er strengere controles nodig zijn om rekening te houden met nieuwe ziekten of bijzondere ziekten van lijst B.

4.

De bevoegde autoriteit zorgt ervoor dat in uitsnijderijen een officiële dierenarts of een officiële assistent aanwezig is bij de bewerking van vlees, met een zodanige frequentie dat de doelstellingen van deze verordening bereikt worden.

HOOFDSTUK III: ACTIEVE BETROKKENHEID VAN HET PERSONEEL VAN HET SLACHTHUIS

A.   SPECIFIEKE TAKEN IN VERBAND MET DE PRODUCTIE VAN VLEES VAN PLUIMVEE EN LAGOMORFEN

De lidstaten kunnen toestaan dat personeel van het slachthuis de taken uitvoert van officiële assistenten bij de controle van pluimvee en konijnenvlees. Daarbij gelden de volgende voorwaarden:

a)

als de vestiging al minstens twaalf maanden zonder problemen goede hygiënische praktijken overeenkomstig artikel 4, lid 3 en HACCP-gebaseerde procedures toepast, kan de bevoegde autoriteit het personeel van de vestiging toestemming geven om taken van officiële gespecialiseerde assistenten te vervullen, onder toezicht, gezag en verantwoordelijkheid van de officiële dierenarts, en om deel uit te maken van het onafhankelijke keuringsteam van de bevoegde autoriteit in de vestiging. Voorwaarde is dat het betrokken personeel een opleiding heeft gevolgd die gelijkwaardig is aan die van officiële gespecialiseerde assistenten en voor dezelfde test is geslaagd. De officiële dierenarts dient in dat geval aanwezig te zijn bij de ante- en postmortemkeuringen, toezicht uit te oefenen op deze activiteiten, en regelmatig prestatietests af te nemen om zich ervan te vergewissen dat de prestaties van het personeel aan de specifieke criteria van de bevoegde autoriteit voldoen, en de resultaten van deze tests te documenteren. Overeenkomstig de procedure van artikel 18 worden gedetailleerde voorschriften inzake prestatietests vastgesteld. Als het hygiëneniveau in de vestiging verslechtert door het gebrekkige functioneren van dit personeel, als dit personeel bepaalde taken niet naar behoren verricht of naar het oordeel van de bevoegde autoriteit in het algemeen zijn taken niet op bevredigende wijze verricht, moet het personeel door officiële gespecialiseerde assistenten worden vervangen.

Bovendien moeten binnen de vestiging de verantwoordelijkheden voor productie en keuring gescheiden zijn en moet een bedrijf dat gebruik wil maken van bedrijfskeurders over een internationaal erkende certificering beschikken.

b)

De bevoegde autoriteit in elke lidstaat beslist, in principe en verder per geval, of het hierboven beschreven systeem mag worden toegepast. Als een lidstaat daartoe in principe besluit, dient de Commissie daarover te worden ingelicht, alsook over de gestelde voorwaarden. In lidstaten waar het systeem wordt toegepast, staat het levensmiddelenbedrijven vrij om al dan niet van deze mogelijkheid gebruik te maken. De bevoegde autoriteit kan de levensmiddelenbedrijven niet dwingen het systeem toe te passen. Als de bevoegde autoriteit er niet van overtuigd is dat een levensmiddelenbedrijf aan de gestelde voorwaarden voldoet, dient het systeem in dat bedrijf niet te worden toegepast. Om dit te beoordelen, verricht de bevoegde autoriteit een analyse van de documenten betreffende productie en keuring, van het type activiteiten in het bedrijf, van de naleving van de wetgeving door het bedrijf in het verleden, van de deskundigheid, de professionele instelling en het verantwoordelijkheidsgevoel ten aanzien van voedselveiligheid van het personeel van het slachthuis, en van andere relevante aspecten.

B.   SPECIFIEKE TAKEN IN VERBAND MET BEMONSTERING EN TESTS

Slachthuispersoneel dat onder het toezicht van een officiële dierenarts een speciale opleiding heeft gevolgd, mag onder de verantwoordelijkheid en het toezicht van de officiële dierenarts specifieke taken in verband met het bemonsteren en testen van alle soorten dieren uitvoeren.

HOOFDSTUK IV: VAKBEKWAAMHEIDSEISEN

A.   OFFICIËLE DIERENARTSEN

1.

De bevoegde autoriteit mag alleen dierenartsen die zijn geslaagd voor een proef die aan de eisen van punt 2 voldoet, tot officiële dierenarts benoemen.

2.

De bevoegde autoriteit is verantwoordelijk voor de organisatie van de proef. Tijdens de proef moet, voorzover dat nodig is gelet op de achtergrond en de kwalificaties van de dierenarts, de kennis van de volgende onderwerpen blijken:

a)

de nationale en communautaire wetgeving inzake volksgezondheid (vanuit veterinair oogpunt), voedselveiligheid, gezondheid en welzijn van dieren, en farmaceutische stoffen;

b)

de beginselen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, marktmaatregelen, exportsubsidies en fraude-opsporing (ook in de mondiale context: WTO, SPS, Codex Alimentarius, OIE);

c)

de grondbeginselen van voedselverwerking en voedingsmiddelentechnologie;

d)

de beginselen, concepten en methoden van goede productiepraktijken en kwaliteitsbeheer;

e)

kwaliteitsbeheer vóór de oogst (goede landbouwpraktijken);

f)

de bevordering en de toepassing van levensmiddelenhygiëne, voedselveiligheid (goede hygiënepraktijken);

g)

beginselen, concepten en methoden inzake risicoanalyse;

h)

de beginselen, concepten en methoden van HACCP, gebruik van HACCP in de gehele voedselproductieketen;

i)

de preventie en controle van door voedsel overgedragen risico's voor de menselijke gezondheid;

j)

de populatiedynamiek van infecties en intoxicaties;

k)

diagnostische epidemiologie;

l)

controle- en bewakingssystemen;

m)

audit en toetsing aan de voorschriften van systemen voor het beheer van de voedselveiligheid;

n)

de beginselen en diagnostische toepassingen van moderne testmethoden;

o)

informatie- en communicatietechnologieën en het verband met volksgezondheid vanuit veterinair oogpunt;

p)

gegevensverwerking en biostatistische toepassingen;

q)

het onderzoeken van uitbraken van door voedsel overgebrachte ziekten bij mensen;

r)

relevante aspecten met betrekking tot TSE's;

s)

het welzijn van de dieren tijdens het productieproces, het vervoer en het slachtproces;

t)

het verband tussen milieu en voedselproductie (met inbegrip van afvalbeheer);

u)

het voorzorgsbeginsel en de belangen van de consumenten; en

v)

de beginselen van opleidingen voor personeel in de voedselproductieketen.

Kandidaten kunnen de vereiste kennis opdoen als onderdeel van hun veterinaire basisopleiding, of door verdere opleiding te volgen of beroepservaring op te doen na de voltooiing van hun opleiding. De bevoegde autoriteit mag de proeven differentiëren, om rekening te houden met de achtergrond van de kandidaten. Wanneer de bevoegde autoriteit er echter van overtuigd is dat een kandidaat de vereiste kennis heeft verworven bij het behalen van een universitaire graad of door permanente educatie die tot een postdoctorale kwalificatie heeft geleid, kan zij afzien van de eis van een proef.

3.

De dierenarts moet multidisciplinair kunnen samenwerken.

4.

Voorts moet elke officiële dierenarts tijdens een proefperiode van ten minste 200 uur een praktische opleiding volgen voordat hij zelfstandig aan het werk gaat. Tijdens die proefperiode staat hij onder toezicht van de officiële dierenartsen van de slachthuizen, uitsnijderijen, grensinspectieposten voor vers vlees en bedrijven. Tijdens de opleiding moet in het bijzonder aandacht worden geschonken aan de audit van de systemen voor het beheer van de voedselveiligheid.

5.

De officiële dierenarts moet zich via permanente educatie en vakliteratuur van nieuwe ontwikkelingen en van de actuele stand van de wetenschap op de hoogte houden. De officiële dierenarts moet, voorzover mogelijk, deelnemen aan permanente educatie.

6.

De reeds als officiële dierenarts aangestelde dierenartsen moeten over de nodige kennis van de in punt 2 genoemde onderwerpen beschikken. Zo nodig, moeten zij die kennis via permanente educatie opdoen. De bevoegde autoriteit treft daarvoor de nodige maatregelen.

7.

De lidstaten kunnen, in afwijking van de punten 1 tot en met 6, specifieke regels vaststellen voor officiële dierenartsen op deeltijdbasis die verantwoordelijk zijn voor de controle van kleine bedrijven.

B.   OFFICIËLE ASSISTENTEN

1.

De bevoegde autoriteit mag alleen personen tot officieel assistent benoemen die een opleiding gevolgd hebben en voor een proef geslaagd zijn overeenkomstig onderstaande eisen.

2.

De bevoegde autoriteit is verantwoordelijk voor de organisatie van deze proeven. Om aan deze proeven te mogen deelnemen, moeten de kandidaten kunnen aantonen dat zij:

a)

een theoretische opleiding van ten minste 500 uur en een praktische opleiding van ten minste 400 uur hebben gevolgd die de in punt 5 genoemde gebieden bestrijken; en

b)

de nodige aanvullende opleiding hebben gevolgd die officiële assistenten in staat stelt hun taken met de vereiste vakkennis uit te voeren.

3.

De in punt 2, onder a), bedoelde praktische opleiding vindt plaats in slachthuizen en uitsnijderijen, onder toezicht van een officiële dierenarts en op bedrijven en in andere relevante inrichtingen.

4.

De opleiding en de proeven hebben voornamelijk betrekking op rood vlees of vlees van pluimvee. Wie voor een van beide categorieën een opleiding heeft gevolgd en voor de proef is geslaagd, hoeft alleen een verkorte opleiding te volgen om de proef voor de andere categorie te mogen afleggen. De opleiding en de proef moeten, zo nodig, ook betrekking hebben op vrij wild, gekweekt wild en lagomorfen.

5.

De opleiding voor officiële assistenten heeft betrekking op en de proeven bevestigen de kennis van de volgende onderwerpen:

a)

met betrekking tot bedrijven:

i)

theoretisch gedeelte:

algemene kennis van de landbouwindustrie — organisatie, productiemethoden, internationale handel, enz.;

goede veehouderijpraktijken;

basiskennis van ziekten, met name zoönoses, virussen, bacteriën, parasieten, enz.;

bewaking met betrekking tot ziekten, gebruik van geneesmiddelen en vaccins, controle op residuen;

hygiëne en gezondheidscontrole;

welzijn van de dieren op het bedrijf en tijdens het vervoer;

milieuvoorschriften — in de gebouwen, op het bedrijf en in het algemeen;

de wetten, verordeningen en administratieve bepalingen;

consumentenbelangen en kwaliteitscontrole;

ii)

praktisch gedeelte:

bezoeken aan verschillende typen bedrijven met verschillende houderijmethoden;

bezoeken aan productie-inrichtingen;

observatie van het laden en lossen van dieren;

laboratoriumdemonstraties;

veterinaire controles;

documentatie;

b)

met betrekking tot slachthuizen en uitsnijderijen:

i)

theoretisch gedeelte:

algemene kennis van de vleesindustrie — organisatie, productiemethoden, internationale handel, technologie voor het slachten en uitsnijden;

basiskennis van de hygiëne en de goede hygiënepraktijken, met name de bedrijfshygiëne, de hygiëne bij het slachten, het uitsnijden en de opslag en de arbeidshygiëne;

HACCP en de audit van op HACCP gebaseerde procedures;

welzijn van de dieren bij het lossen na het vervoer en in het slachthuis;

basiskennis van de anatomie en fysiologie van geslachte dieren;

basiskennis van de pathologie van geslachte dieren;

basiskennis van de pathologische anatomie van geslachte dieren;

relevante kennis betreffende overdraagbare TSE's en andere belangrijke zoönoses en zoönoseverwekkers;

kennis van methoden en procedures voor slachting, keuring, bereiding, onmiddellijke verpakking, verpakking en vervoer van vers vlees;

basiskennis van microbiologie;

antemortemkeuring;

onderzoek naar trichinose;

postmortemkeuring;

administratieve taken;

kennis van de wetten, verordeningen en administratieve bepalingen;

bemonsteringsprocedures;

verschillende vormen van fraude;

ii)

praktisch gedeelte:

identificatie van dieren;

leeftijdscontroles;

keuring en beoordeling van geslachte dieren;

postmortemkeuring in het slachthuis;

onderzoek naar trichinose;

bepaling van een diersoort op basis van onderzoek van de kenmerkende delen van het dier;

identificatie en beoordeling van delen van geslachte dieren waarbij afwijkingen zijn geconstateerd;

controle van de hygiëne (met inbegrip van de audit van goede hygiënepraktijken en de op HACCP gebaseerde procedures);

registreren van de resultaten van de antemortemkeuring;

bemonstering;

traceerbaarheid van vlees;

documenten.

6.

Officiële assistenten moeten via permanente educatie en vakliteratuur hun kennis actueel houden en zich van nieuwe ontwikkelingen op de hoogte houden. Officiële assistenten moeten, voorzover mogelijk, deelnemen aan permanente educatie.

7.

De reeds als officiële assistent aangestelde personen moeten voldoende kennis hebben van de in punt 5 genoemde onderwerpen. Zo nodig, moeten zij die kennis via permanente educatie opdoen. De bevoegde autoriteit treft daarvoor de nodige maatregelen.

8.

Wanneer officiële assistenten echter uitsluitend bemonsteringen en analyses uitvoeren in verband met onderzoeken naar trichinose, hoeft de bevoegde autoriteit er alleen maar voor te zorgen dat zij een passende opleiding krijgen voor deze taken.

SECTIE IV

SPECIFIEKE VOORSCHRIFTEN

HOOFDSTUK I: ALS LANDBOUWHUISDIER GEHOUDEN RUNDEREN

A.   MINDER DAN ZES WEKEN OUDE RUNDEREN

Karkassen en slachtafval van minder dan zes weken oude runderen worden tijdens de postmortemkeuring aan de volgende procedures onderworpen:

1.

visueel onderzoek van de kop en de keel; de lymfklieren in de keelholte (Lnn. retropharyngiales) moeten worden ingesneden en onderzocht; onderzoek van de mond- en de keelholte; palpatie van de tong; de tonsillen moeten worden verwijderd;

2.

visueel onderzoek van de longen, de luchtpijp en de slokdarm; palpatie van de longen; de bronchiale en de mediastinale lymfklieren (Lnn. bifurcationes, eparteriales et mediastinales) moeten worden ingesneden en onderzocht. In de luchtpijp en de voornaamste vertakkingen van de bronchiën moet een overlangse snede worden aangebracht en in het onderste derde gedeelte van de longen dient een dwarssnede te worden aangebracht door de voornaamste vertakkingen van de luchtpijp; deze insnijdingen zijn evenwel niet vereist wanneer de longen niet voor menselijke consumptie bestemd zijn;

3.

visueel onderzoek van het hartzakje en het hart; in het hart dient een overlangse snede te worden aangebracht waardoor beide kamers worden geopend en de scheidingswand ervan wordt ingesneden;

4.

visueel onderzoek van het middenrif;

5.

visueel onderzoek van de lever en de lymfklieren aan de lever en aan de alvleesklier (Lnn. portales); palpatie en, indien nodig, insnijding van de lever en de lymfklieren aan de lever;

6.

visueel onderzoek van het maag-darmkanaal, het mesenterium en de lymfklieren behorende bij de magen en het mesenterium (Lnn. gastrici, mesenterici, craniales et caudales); palpatie van de lymfklieren behorende bij de magen en het mesenterium en, indien nodig, insnijding van die lymfklieren;

7.

visueel onderzoek en, indien nodig, palpatie van de milt;

8.

visueel onderzoek van de nieren; indien nodig insnijding van de nieren en lymfklieren aan de nieren (Lnn. renales);

9.

visueel onderzoek van het borstvlies en het buikvlies;

10.

visueel onderzoek en palpatie van de navelstreek en de gewrichten. Bij twijfel moet de navelstreek worden ingesneden en moeten de gewrichten worden opengesneden; het gewrichtsvocht moet worden onderzocht.

B.   MEER DAN ZES WEKEN OUDE RUNDEREN

Karkassen en slachtafval van meer dan zes weken oude runderen worden tijdens de postmortemkeuring aan de volgende procedures onderworpen:

1.

visueel onderzoek van de kop en de keel; de lymfklieren voor en achter in de keelholte, alsmede de oorspeeksellymfklieren (Lnn. retropharyngiales, mandibulares et parotidei) moeten worden ingesneden en onderzocht; de uitwendige kauwspieren, waarin twee parallel met de onderkaak lopende sneden moeten worden aangebracht, en de inwendige kauwspieren, waarin een vlakke snede moet worden aangebracht, moeten worden onderzocht. De tong moet zo ver worden losgesneden dat een nauwkeurig visueel onderzoek van mond- en keelholte mogelijk is en moet zelf visueel worden onderzocht en gepalpeerd. De tonsillen moeten worden verwijderd;

2.

onderzoek van de luchtpijp en de slokdarm; visueel onderzoek en palpatie van de longen; de bronchiale en de mediastinale lymfklieren (Lnn. bifurcationes, eparteriales et mediastinales) moeten worden ingesneden en onderzocht. In de luchtpijp en de voornaamste vertakkingen van de bronchiën moet een overlangse snede worden aangebracht en in het onderste derde gedeelte van de longen dient een dwarssnede te worden aangebracht door de voornaamste vertakkingen van de luchtpijp; deze insnijdingen zijn evenwel niet vereist wanneer de longen van menselijke consumptie uitgesloten zijn;

3.

visueel onderzoek van het hartzakje en het hart; in het hart dient een overlangse snede te worden aangebracht waardoor de beide kamers worden geopend en de scheidingswand ervan wordt ingesneden;

4.

visueel onderzoek van het middenrif;

5.

visueel onderzoek en palpatie van de lever en de lymfklieren aan de lever en aan de alvleesklier (Lnn. portales); een insnijding aan de maagzijde van de lever en een insnijding aan de basis van de Spiegelse kwab voor onderzoek van de galwegen;

6.

visueel onderzoek van het maag-darmkanaal, het mesenterium en de lymfklieren behorende bij de magen en het mesenterium (Lnn. gastrici, mesenterici, craniales et caudales); palpatie van de lymfklieren behorende bij de magen en het mesenterium en, indien nodig, insnijding van die lymfklieren;

7.

visueel onderzoek en, indien nodig, palpatie van de milt;

8.

visueel onderzoek van de nieren en, indien nodig, insnijding van de nieren en hun lymfklieren (Lnn. renales);

9.

visueel onderzoek van het borstvlies en het buikvlies;

10.

visueel onderzoek van de geslachtsorganen (behalve de penis, als die reeds verwijderd is);

11.

visueel onderzoek en, indien nodig, palpatie en insnijding van de uier en zijn lymfklieren (Lnn. supramammarii); bij koeien dient elke helft van de uier door een lange en diepe snede tot de melkboezem (sinus lactiferes) te worden geopend en moeten de lymfklieren van de uier worden ingesneden, behalve indien de uier niet bestemd is voor menselijke consumptie.

HOOFDSTUK II: ALS LANDBOUWHUISDIER GEHOUDEN SCHAPEN EN GEITEN

Karkassen en slachtafval van schapen of geiten worden tijdens de postmortemkeuring aan de volgende procedures onderworpen:

1.

visueel onderzoek van de kop na verwijdering van de huid en, bij twijfel, onderzoek van de keel, de mond, de tong, de lymfklieren achter in de keelholte en de oorspeeksellymfklieren. Onverminderd de veterinairrechtelijke voorschriften, is dit onderzoek niet nodig indien de bevoegde autoriteit kan waarborgen dat de kop, daarbij inbegrepen de tong en de hersenen, niet voor menselijke consumptie wordt gebruikt;

2.

visueel onderzoek van de longen, de luchtpijp en de slokdarm; palpatie van de longen en van de bronchiale en de mediastinale lymfklieren (Lnn. bifurcationes, eparteriales et mediastinales); bij twijfel moeten deze organen en lymfklieren worden ingesneden en onderzocht;

3.

visueel onderzoek van het hartzakje en het hart; bij twijfel moet het hart worden ingesneden en onderzocht;

4.

visueel onderzoek van het middenrif;

5.

visueel onderzoek van de lever en de lymfklieren aan de lever en aan de alvleesklier (Lnn. portales); palpatie van de lever en de lymfklieren aan de lever; insnijding aan de maagzijde van de lever voor onderzoek van de galwegen;

6.

visueel onderzoek van het maag-darmkanaal, het mesenterium en de lymfklieren behorende bij de magen en het mesenterium (Lnn. gastrici, mesenterici, craniales et caudales);

7.

visueel onderzoek en, indien nodig, palpatie van de milt;

8.

visueel onderzoek van de nieren; indien nodig insnijding van de nieren en hun lymfklieren (Lnn. renales);

9.

visueel onderzoek van het borstvlies en het buikvlies;

10.

visueel onderzoek van de geslachtsorganen (behalve de penis, als die reeds verwijderd is);

11.

visueel onderzoek van de uier en zijn lymfklieren;

12.

visueel onderzoek en palpatie van de navelstreek en de gewrichten bij jonge dieren. Bij twijfel moet de navelstreek worden ingesneden en moeten de gewrichten worden opengesneden; het gewrichtsvocht moet worden onderzocht.

HOOFDSTUK III: ALS LANDBOUWHUISDIER GEHOUDEN EENHOEVIGEN

Karkassen en slachtafval van eenhoevigen worden tijdens de postmortemkeuring aan de volgende procedures onderworpen:

1.

visueel onderzoek van de kop en, na lossnijden van de tong, de keel; de lymfklieren voor en achter in de keelholte, alsmede de oorspeeksellymfklieren (Lnn. retropharyngiales, mandibulares et parotidei) moeten worden gepalpeerd en, indien nodig, worden ingesneden. De tong moet zover worden losgesneden dat een nauwkeurig visueel onderzoek van mond- en keelholte mogelijk is en moet zelf visueel worden onderzocht en gepalpeerd. De tonsillen moeten worden verwijderd;

2.

visueel onderzoek van de longen, de luchtpijp en de slokdarm; palpatie van de longen; de bronchiale en de mediastinale lymfklieren aan de bronchiën (Lnn. bifurcationes, eparteriales et mediastinales) moeten worden gepalpeerd en, indien nodig, worden ingesneden. In de luchtpijp en de voornaamste vertakkingen van de bronchiën moet een overlangse snede worden aangebracht en in het onderste derde gedeelte van de longen dient een dwarssnede te worden aangebracht door de voornaamste vertakkingen van de luchtpijp; deze insnijdingen zijn evenwel niet vereist wanneer de longen van menselijke consumptie uitgesloten zijn;

3.

visueel onderzoek van het hartzakje en het hart; in het hart dient een overlangse snede te worden aangebracht waardoor de beide kamers worden geopend en de scheidingswand ervan wordt ingesneden;

4.

visueel onderzoek van het middenrif;

5.

visueel onderzoek, palpatie en, indien nodig, insnijding van de lever en de lymfklieren aan de lever en aan de alvleesklier (Lnn. portales);

6.

visueel onderzoek van het maag-darmkanaal, het mesenterium en de lymfklieren behorende bij de magen en het mesenterium (Lnn. gastrici, mesenterici, craniales et caudales); indien nodig, insnijding van die lymfklieren;

7.

visueel onderzoek en, indien nodig, palpatie van de milt;

8.

visueel onderzoek en palpatie van de nieren; indien nodig insnijding van de nieren en hun lymfklieren (Lnn. renales);

9.

visueel onderzoek van het borstvlies en het buikvlies;

10.

visueel onderzoek van de geslachtsorganen van hengsten (behalve de penis, als die reeds verwijderd is) en merries;

11.

visueel onderzoek van de uier en zijn lymfklieren (Lnn. supramammarii) en, indien nodig, insnijding van de lymfklieren van de uier;

12.

visueel onderzoek en palpatie van de navelstreek en de gewrichten bij jonge dieren. Bij twijfel moet de navelstreek worden ingesneden en moeten de gewrichten worden opengesneden; het gewrichtsvocht moet worden onderzocht;

13.

onderzoek bij alle grijze of witte paarden op melanose en melanomata; dat onderzoek betreft de spieren en de lymfklieren van de schouders (Lnn. subrhomboidei) onder het kraakbeen van het schouderblad, waarbij een schouder wordt losgemaakt. De nieren moeten worden vrijgemaakt en volledig worden ingesneden voor onderzoek.

HOOFDSTUK IV: ALS LANDBOUWHUISDIER GEHOUDEN VARKENS

A.   ANTEMORTEMKEURING

1.

De bevoegde autoriteit kan besluiten dat voor de slacht bestemde varkens op het bedrijf van herkomst een antemortemkeuring moeten ondergaan. In dat geval mag een van een bedrijf afkomstige partij varkens alleen worden geslacht als:

a)

zij vergezeld gaan van het in hoofdstuk X, deel A, bedoelde gezondheidscertificaat; en

b)

er wordt voldaan aan de voorschriften van de punten 2 tot en met 5.

2.

De op het bedrijf van herkomst te verrichten antemortemkeuring omvat:

a)

controle van de registers en documentatie van het bedrijf, met inbegrip van informatie over de voedselketen;

b)

onderzoek van de varkens om na te gaan of:

i)

zij lijden aan een ziekte of aandoening die op dieren of mensen kan worden overgedragen door contact met of het eten van het vlees, dan wel een individueel of collectief gedrag vertonen op grond waarvan kan worden gevreesd dat een dergelijke ziekte zal uitbreken;

ii)

zij algemene gedragsstoornissen of ziektesymptomen vertonen ten gevolge waarvan het vlees ongeschikt kan zijn voor menselijke consumptie;

iii)

er aanwijzingen of vermoedens zijn dat zij meer chemische residuen bevatten dan de in de communautaire wetgeving aangegeven grenswaarden, of residuen van verboden stoffen.

3.

De officiële dierenarts of een erkende dierenarts voert de antemortemkeuring op het bedrijf uit. De varkens dienen daarna rechtstreeks naar de slacht gestuurd te worden en mogen niet met andere partijen varkens vermengd worden.

4.

De antemortemkeuring in het slachthuis bestaat uit:

a)

een identiteitscontrole van het dier; en

b)

een screening, waarbij wordt nagegaan of de voorschriften inzake dierenwelzijn zijn nageleefd en er geen symptomen van een aandoening aanwezig zijn die negatieve gevolgen kan hebben voor de gezondheid van mens of dier. Deze screening mag worden uitgevoerd door een officiële assistent.

5.

Wanneer de varkens niet zijn geslacht binnen drie dagen nadat het in punt 1, onder a), bedoelde gezondheidscertificaat is afgegeven,

a)

moeten de dieren, indien zij het bedrijf van herkomst niet hebben verlaten om naar het slachthuis gevoerd te worden, opnieuw onderzocht worden, en moet er een nieuw gezondheidscertificaat worden afgegeven;

b)

kan, indien de dieren reeds op weg zijn naar of zich reeds in het slachthuis bevinden, toch toestemming tot slachten worden gegeven, zodra de oorzaak van de vertraging is bepaald en op voorwaarde dat de dieren opnieuw een antemortemkeuring ondergaan.

B.   POSTMORTEMKEURING

1.

Karkassen en slachtafval van varkens, met uitzondering van de in punt 2 bedoelde varkens, worden bij de postmortemkeuring aan de volgende procedures onderworpen:

a)

visueel onderzoek van de kop en de keel. De lymfklieren van de onderkaak (Lnn. mandibulares) moeten worden ingesneden en onderzocht. De mond, de keelholte en de tong moeten visueel worden onderzocht;

b)

visueel onderzoek van de longen, de luchtpijp en de slokdarm; palpatie van de longen en van de bronchiale en de mediastinale lymfklieren (Lnn. bifurcationes, eparteriales et mediastinales); In de luchtpijp en de voornaamste vertakkingen van de bronchiën moet een overlangse snede worden aangebracht en in het onderste derde gedeelte van de longen dient een dwarssnede te worden aangebracht door de voornaamste vertakkingen van de luchtpijp; deze insnijdingen zijn evenwel niet vereist wanneer de longen niet voor menselijke consumptie bestemd zijn;

c)

visueel onderzoek van het hartzakje en het hart; in het hart dient een overlangse snede te worden aangebracht waardoor beide kamers worden geopend en de scheidingswand ervan wordt ingesneden;

d)

visueel onderzoek van het middenrif;

e)

visueel onderzoek van de lever en de lymfklieren aan de lever en aan de alvleesklier (Lnn. portales); palpatie van de lever en de lymfklieren aan de lever;

f)

visueel onderzoek van het maag-darmkanaal, het mesenterium en de lymfklieren behorende bij de magen en het mesenterium (Lnn. gastrici, mesenterici, craniales et caudales); palpatie van de lymfklieren behorende bij de magen en het mesenterium en, indien nodig, insnijding van die lymfklieren;

g)

visueel onderzoek en, indien nodig, palpatie van de milt;

h)

visueel onderzoek van de nieren; indien nodig insnijding van de nieren en de lymfklieren aan de nieren (Lnn. renales);

i)

visueel onderzoek van het borstvlies en het buikvlies;

j)

visueel onderzoek van de geslachtsorganen (behalve de penis, als die reeds verwijderd is);

k)

visueel onderzoek van de uier en de lymfklieren daarvan (Lnn. supramammarii); bij zeugen moeten de lymfklieren van de uier worden ingesneden;

l)

visueel onderzoek en palpatie van de navelstreek en de gewrichten bij jonge dieren; bij twijfel moet een insnijding in de navelstreek worden aangebracht en moeten de gewrichten worden opengesneden.

2.

De bevoegde autoriteit kan, op basis van epidemiologische of andere gegevens van het bedrijf, besluiten dat vleesvarkens die vanaf het spenen zijn ondergebracht onder gecontroleerde huisvestingsomstandigheden en in geïntegreerde productiesystemen, in sommige of alle van de in punt 1 bedoelde gevallen alleen visueel onderzoek moeten ondergaan.

HOOFDSTUK V: PLUIMVEE

A.   ANTEMORTEMKEURING

1.

De bevoegde autoriteit kan besluiten dat voor de slacht bestemd pluimvee in het bedrijf van herkomst een antemortemkeuring moet ondergaan. In dat geval mag een van een bedrijf afkomstige partij pluimvee alleen worden geslacht als:

a)

zij vergezeld gaat van het in hoofdstuk X, deel A, bedoelde gezondheidscertificaat; en

b)

er wordt voldaan aan de voorschriften van de punten 2 tot en met 5.

2.

De op het bedrijf van herkomst te verrichten antemortemkeuring omvat:

a)

controle van de registers en documentatie van het bedrijf, met inbegrip van informatie over de voedselketen;

b)

een inspectie van de partij om na te gaan of de dieren:

i)

lijden aan een ziekte of aandoening die op dieren of mensen kan worden overgedragen door contact met of het eten van het vlees, dan wel een gedrag vertonen op grond waarvan kan worden gevreesd dat een dergelijke ziekte zal uitbreken;

ii)

algemene gedragsstoornissen of ziektesymptomen vertonen ten gevolge waarvan het vlees ongeschikt kan zijn voor menselijke consumptie;

iii)

er aanwijzingen zijn dat zij meer chemische residuen bevatten dan de communautaire wetgeving toestaat, of residuen van verboden stoffen.

3.

De officiële dierenarts of een erkende dierenarts voert de antemortemkeuring op het bedrijf uit.

4.

De antemortemkeuring in het slachthuis bestaat uit:

a)

een identiteitscontrole van de dieren; en

b)

een screening, waarbij wordt nagegaan of de voorschriften inzake dierenwelzijn zijn nageleefd en er geen symptomen van een aandoening aanwezig zijn die negatieve gevolgen kan hebben voor de gezondheid van mens of dier. De screening mag door een officiële assistent worden uitgevoerd.

5.

Wanneer de dieren niet zijn geslacht binnen drie dagen nadat het in punt 1, onder a), bedoelde gezondheidscertificaat is afgegeven,

a)

moeten de dieren, indien zij het bedrijf van herkomst niet hebben verlaten om naar het slachthuis gevoerd te worden, opnieuw onderzocht worden en moet er een nieuw gezondheidscertificaat worden afgegeven;

b)

kan, indien de dieren reeds op weg zijn naar of zich reeds in het slachthuis bevinden, toch toestemming tot slachten worden gegeven, zodra de oorzaak van de vertraging is bepaald, op voorwaarde dat de dieren opnieuw worden onderzocht.

6.

Wanneer er op het bedrijf geen antemortemkeuring is uitgevoerd, moet de officiële dierenarts de partij pluimvee in het slachthuis inspecteren.

7.

Als de dieren klinische ziektesymptomen vertonen, mogen zij niet voor menselijke consumptie worden geslacht. Het slachten op de slachtlijn wordt echter toegestaan na beëindiging van de normale slachtverrichtingen, op voorwaarde dat de nodige voorzorgen worden genomen om het risico van verspreiding van pathogene organismen zoveel mogelijk te beperken, en de installaties onmiddellijk na het doden worden gereinigd en ontsmet.

8.

Pluimvee voor de productie van „foie gras” en op het bedrijf van herkomst geslacht pluimvee dat later van de ingewanden is ontdaan, moet overeenkomstig de leden 2 en 3 een antemortemkeuring ondergaan. De van de ingewanden ontdane karkassen moeten bij overbrenging naar slachthuis of uitsnijderij vergezeld gaan van een certificaat dat overeenstemt met het model van deel C.

B.   POSTMORTEMKEURING

1.

Alle dieren moeten een postmortemkeuring ondergaan overeenkomstig de secties I en III. Voorts moet de officiële dierenarts persoonlijk de volgende onderzoeken uitvoeren:

a)

dagelijkse keuring van de ingewanden en de lichaamsholten bij een representatief aantal dieren;

b)

grondige inspectie, op een aselect monster uit elke partij dieren van dezelfde herkomst, van delen van vogels of hele vogels die op grond van de postmortemkeuring ongeschikt voor menselijke consumptie zijn verklaard; en

c)

verdere onderzoeken indien er redenen zijn om te vermoeden dat het vlees van de betrokken dieren ongeschikt voor menselijke consumptie kan zijn.

2.

In het geval van pluimvee voor de productie van „foie gras” en van het bedrijf van herkomst afkomstig pluimvee dat later van de ingewanden is ontdaan, moet tijdens de postmortemkeuring het bij de karkassen gevoegde certificaat geïnspecteerd worden. Wanneer dergelijke karkassen rechtstreeks van het bedrijf naar de uitsnijderij gaan, moet de postmortemkeuring op de uitsnijderij plaatsvinden.

C.   MODEL VAN HET GEZONDHEIDSCERTIFICAAT

GEZONDHEIDSCERTIFICAAT

voor pluimvee voor de productie van „foie gras” en op het bedrijf van herkomst geslacht pluimvee dat later van de ingewanden is ontdaan

Bevoegde dienst: ...

Nr.: ...

1.   Identificatie van de niet van de ingewanden ontdane karkassen

Diersoort: ...

Nummer: ...

2.   Herkomst van de niet van de ingewanden ontdane karkassen

Adres van het bedrijf: ...

3.   Bestemming van de niet van de ingewanden ontdane karkassen

De niet van de ingewanden ontdane karkassen worden naar de volgende uitsnijderij vervoerd: ...

4.   Verklaring

Ondergetekende verklaart dat:

de hierboven beschreven niet van de ingewanden ontdane karkassen afkomstig zijn van dieren die vóór de slachting zijn gekeurd op bovengenoemd bedrijf, op ... (datum), ... (tijd), en gezond zijn bevonden;

de registers en documentatie betreffende deze dieren voldeden aan de wettelijke eisen en het slachten van de dieren niet in de weg staan.

Gedaan te: ...

(plaats)

op: ...

(datum)

Stempel

...

(handtekening van de officiële of erkende dierenarts)

HOOFDSTUK VI: GEKWEEKTE LAGOMORFEN

Voor gekweekte lagomorfen gelden dezelfde voorschriften als voor pluimvee.

HOOFDSTUK VII: GEKWEEKT WILD

A.   ANTEMORTEMKEURING

1.

De antemortemkeuring kan plaatsvinden op het bedrijf van herkomst, indien voldaan is aan de voorschriften van bijlage III, sectie III, van Verordening (EG) nr. .../2004 (8). In dat geval dient een officiële dierenarts of een erkende dierenarts de antemortemkeuring te verrichten.

2.

De op het bedrijf van herkomst te verrichten antemortemkeuring omvat een controle van de registers of documenten van het bedrijf, met inbegrip van de gegevens over de voedselketen.

3.

Wanneer de antemortemkeuring niet meer dan drie dagen voor de aankomst van de dieren in het slachthuis plaatsvindt en de dieren levend in het slachthuis worden afgeleverd, bestaat de antemortemkeuring in het slachthuis uit

a)

de controle van de identiteit van de dieren; en

b)

een screening om na te gaan of de voorschriften inzake dierenwelzijn zijn nageleefd, en of er aanwijzingen zijn dat de gezondheid van mens of dier geschaad kan worden.

4.

Levende dieren die op het bedrijf gekeurd zijn, moeten vergezeld gaan van een certificaat volgens het model van hoofdstuk X, deel A. Levende dieren die op het bedrijf gekeurd en geslacht zijn, moeten vergezeld gaan van een certificaat volgens het model van hoofdstuk X, deel B.

B.   POSTMORTEMKEURING

1.

Tijdens de postmortemkeuring worden onder meer palpaties verricht en, zo nodig, delen van het dier geïncideerd die veranderingen hebben ondergaan of om een andere reden verdacht zijn.

2.

De beschreven procedures voor de postmortemkeuring van runderen, schapen, varkens en pluimvee dienen ook te worden toegepast op de vergelijkbare soorten gekweekt wild.

3.

Als de dieren op het bedrijf zijn geslacht, moet de officiële dierenarts van het slachthuis het begeleidende certificaat controleren.

HOOFDSTUK VIII: VRIJ WILD

A.   POSTMORTEMKEURING

1.

Vrij wild moet, nadat het in de wildverwerkingsinrichting is binnengebracht, zo snel mogelijk worden gekeurd.

2.

De officiële dierenarts moet rekening houden met de verklaring of de informatie die de bij de jacht betrokken deskundige heeft verstrekt overeenkomstig Verordening (EG) nr. .../2004 (9).

3.

De postmortemkeuring door de officiële dierenarts omvat:

a)

een visueel onderzoek van het karkas, de lichaamsholten en, in voorkomend geval, de organen, teneinde:

i)

eventuele afwijkingen op te sporen die niet door de jacht veroorzaakt zijn. Hierbij kan de diagnose worden gebaseerd op de door de deskundige verstrekte informatie over het gedrag van het dier voordat het werd gedood;

ii)

na te gaan of de dood niet aan andere oorzaken dan de jacht is toe te schrijven.

Indien aan de hand van de resultaten van het visuele onderzoek geen beoordeling kan plaatsvinden, moet verder onderzoek worden verricht in een laboratorium.

b)

een onderzoek naar organoleptische afwijkingen;

c)

palpatie van organen, indien nodig;

d)

als er gegronde redenen zijn om de aanwezigheid van residuen of contaminanten te vermoeden, inclusief uit het milieu afkomstige contaminanten, een analyse van de bemonstering van residuen die niet door de jacht veroorzaakt zijn. Indien ten gevolge daarvan verdere tests worden uitgevoerd, moet de dierenarts de uitkomst van deze keuring afwachten alvorens over te gaan tot de beoordeling van alle gedode wild van dezelfde jachtbuit of van delen daarvan, waarvan wordt vermoed dat zij dezelfde afwijkingen vertonen;

e)

onderzoek naar verschijnselen die erop duiden dat het vlees een risico voor de gezondheid oplevert, met name:

i)

door de jager gesignaleerde gedragsstoornissen en verstoringen van de algemene gezondheidstoestand van het levende dier;

ii)

gegeneraliseerde gezwellen of abcessen in verschillende inwendige organen of in spieren;

iii)

ontsteking van gewrichten of testikels, aandoeningen van lever of milt, ontsteking van de ingewanden of de navelstreek;

iv)

niet door de jacht veroorzaakte aanwezigheid van vreemde lichamen in de lichaamsholten, de maag of de darmen of in de urine, wanneer het borstvlies of het buikvlies verkleurd zijn (wanneer die ingewanden nog aanwezig zijn);

v)

de aanwezigheid van parasieten;

vi)

ernstige gasvorming in het maag-darmkanaal met verkleuring van de inwendige organen (wanneer die ingewanden nog aanwezig zijn);

vii)

belangrijke afwijkingen in het spierweefsel of de organen qua kleur, consistentie of geur;

viii)

niet-recente open breuken;

ix)

vermagering en/of gegeneraliseerd of plaatselijk oedeem;

x)

recente vergroeiingen van organen met het borstvlies of het buikvlies; en

xi)

andere ernstige duidelijk waarneembare veranderingen, zoals ontbindingsverschijnselen.

4.

Indien de officiële dierenarts dat verlangt, moeten de wervelkolom en de kop in de lengte worden gespleten.

5.

Bij klein vrij wild dat niet onmiddellijk na het doden is ontweid, voert de officiële dierenarts een postmortemkeuring uit bij een representatief monster van dieren van dezelfde herkomst. Wanneer hij daarbij een op de mens overdraagbare ziekte, dan wel een van de in punt 3, onder e), genoemde verschijnselen constateert, moet de officiële dierenarts aanvullende onderzoeken verrichten bij de hele partij teneinde te kunnen bepalen of de hele partij voor menselijke consumptie ongeschikt moet worden verklaard, dan wel of ieder karkas afzonderlijk moet worden gekeurd.

6.

Bij twijfel kan de officiële dierenarts de relevante delen van de dieren verder uitsnijden en onderzoeken om een definitieve diagnose te kunnen stellen.

B.   BESLISSINGEN NAAR AANLEIDING VAN CONTROLES

Onverminderd het bepaalde in sectie II, hoofdstuk V, wordt vlees waarbij in het kader van de postmortemkeuring een of meer van de onder punt A van deze sectie genoemde verschijnselen zijn geconstateerd, ongeschikt voor menselijke consumptie verklaard.

HOOFDSTUK IX: SPECIFIEKE RISICO's

A.   OVERDRAAGBARE SPONGIFORME ENCEFALOPATHIEËN

Bij de officiële controles in verband met herkauwers dient rekening gehouden te worden met de eisen van Verordening (EG) nr. 999/2001, en met andere relevante communautaire wetgeving.

B.   CYSTICERCOSE

1.

Bij het onderzoek naar cysticercose bij meer dan zes weken oude runderen en bij varkens moeten op zijn minst de standaardprocedures voor postmortemkeuringen, als beschreven in de hoofdstukken I en IV worden nageleefd. Voorts mogen specifieke serologische tests worden uitgevoerd. Als een specifieke serologische test wordt uitgevoerd, hoeven de kauwspieren van meer dan zes weken oude runderen bij postmortemkeuringen niet te worden geïncideerd. Hetzelfde geldt voor meer dan zes weken oude runderen afkomstig van officieel cysticercosevrij verklaarde bedrijven.

2.

Met cysticercus besmet vlees moet ongeschikt voor menselijke consumptie worden verklaard. Als het dier niet volledig met cysticercus besmet is, mogen niet-besmette delen na een koudebehandeling geschikt voor menselijke consumptie worden verklaard.

C.   TRICHINOSE

1.

Karkassen van varkens (als landbouwhuisdier gehouden varkens, gekweekt en vrij wild), eenhoevigen en andere voor trichinose vatbare diersoorten moeten op trichinose worden onderzocht overeenkomstig de communautaire wetgeving, tenzij daarin anders is bepaald.

2.

Vlees van met trichinose besmette dieren moet ongeschikt voor menselijke consumptie worden verklaard.

D.   KWADE DROES

1.

Zo nodig, worden eenhoevigen op kwade droes onderzocht. Een onderzoek op kwade droes bij eenhoevigen omvat een zorgvuldig onderzoek van de slijmvliezen van de luchtpijp, het strottenhoofd, de neusholten, de sinussen en de vertakkingen ervan, nadat de kop overlangs middendoor is gespleten en de scheidingswand in de neus is weggesneden.

2.

Vlees van paarden die aan kwade droes lijden, moet ongeschikt voor menselijke consumptie worden verklaard.

E.   TUBERCULOSE

1.

Wanneer dieren positief of onduidelijk op tuberculine reageren, of wanneer er andere gronden zijn om besmetting te vermoeden, moeten zij afzonderlijk van de andere dieren worden geslacht, waarbij voorzorgsmaatregelen moeten worden genomen om het gevaar van verontreiniging voor andere karkassen, de slachtlijn en het slachthuispersoneel te voorkomen.

2.

Al het vlees van dieren waarbij de postmortemkeuring plaatselijke tuberculoseletsels in een aantal organen of een aantal delen van het karkas aan het licht heeft gebracht, moet ongeschikt voor menselijke consumptie worden verklaard. Wanneer echter een tuberculoseletsel wordt aangetroffen in de lymfklieren van slechts één orgaan of een deel van het karkas, hoeven alleen het aangetaste orgaan of deel van het karkas en de bijbehorende lymfklieren ongeschikt voor menselijke consumptie te worden verklaard.

F.   BRUCELLOSE

1.

Wanneer dieren positief of onduidelijk op een brucellosetest reageren, of wanneer er andere gronden zijn om besmetting te vermoeden, moeten zij afzonderlijk van de andere dieren worden geslacht, waarbij voorzorgsmaatregelen moeten worden genomen om het gevaar van verontreiniging voor andere karkassen, de slachtlijn en het slachthuispersoneel te voorkomen.

2.

Vlees van dieren waarbij de postmortemkeuring laesies aan het licht heeft gebracht die wijzen op acute besmetting met brucellose, moet ongeschikt voor menselijke consumptie worden verklaard. Van dieren die positief of onduidelijk op een brucellosetest reageren, moeten de uier, het genitaal apparaat en het bloed ongeschikt voor menselijke consumptie worden verklaard, ook als dergelijke laesies niet worden aangetroffen.

HOOFDSTUK X: MODEL VAN HET GEZONDHEIDSCERTIFICAAT

A.   MODEL VAN HET GEZONDHEIDSCERTIFICAAT VOOR LEVENDE DIEREN

GEZONDHEIDSCERTIFICAAT

voor levende dieren die van het bedrijf naar het slachthuis worden vervoerd

Bevoegde dienst: ...

Nr.: ...

1.   Identificatie van de dieren

Diersoort: ...

Aantal dieren: ...

Identificatiemerk: ...

2.   Herkomst van de dieren:

Adres van het bedrijf van herkomst: ...

Identificatie van de stallen (10): ...

3.   Bestemming van de dieren

Deze dieren worden naar het volgende slachthuis vervoerd: ...

met het volgende vervoermiddel: ...

4.   Andere relevante gegevens

...

5.   Verklaring

Ondergetekende verklaart dat:

de hierboven beschreven dieren vóór de slachting zijn gekeurd op bovengenoemd bedrijf, op (datum), (tijd), en gezond zijn bevonden;

de registers en documentatie betreffende deze dieren voldeden aan de wettelijke eisen en het slachten van de dieren niet in de weg staan.

Gedaan te: ...

(plaats)

op: ...

(datum)

Stempel

...

(handtekening van de officiële of erkende dierenarts)

B.   MODEL VAN HET GEZONDHEIDSCERTIFICAAT VOOR OP HET BEDRIJF GESLACHTE DIEREN

GEZONDHEIDSCERTIFICAAT

voor op het bedrijf geslachte dieren

Bevoegde dienst: ...

Nr.: ...

1.   Identificatie van de dieren

Diersoort: ...

Aantal dieren: ...

Identificatiemerk: ...

2.   Herkomst van de dieren:

Adres van het bedrijf van herkomst: ...

Identificatie van de stallen (11): ...

3.   Bestemming van de dieren

Deze dieren worden naar het volgende slachthuis vervoerd: ...

met het volgende vervoermiddel: ...

4.   Andere relevante gegevens

...

5.   Verklaring

Ondergetekende verklaart dat:

de hierboven beschreven dieren vóór de slachting zijn gekeurd op bovengenoemd bedrijf, op (datum) om (tijd), en gezond zijn bevonden;

de dieren op het bedrijf zijn geslacht op (datum) om (tijd) en dat slachting en bloeding correct zijn uitgevoerd,

de registers en documentatie betreffende deze dieren voldeden aan de wettelijke eisen en het slachten van de dieren niet in de weg stonden.

Gedaan te: ...

(plaats)

op: ...

(datum)

Stempel

...

(handtekening van de officiële of erkende dierenarts)


(1)  Nog niet in het PB gepubliceerd.

(2)  PB L 147 van 31.5.2001, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1234/2003 van de Commissie (PB L 173 van 11.7.2003, blz. 6).

(3)  PB L 125 van 23.5.1996, blz. 10. Richtlijn gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 806/2003 (PB L 122 van 16.5.2003, blz. 1).

(4)  Nog niet in het PB gepubliceerd.

(5)  Nog niet in het PB gepubliceerd.

(6)  Nog niet in het PB gepubliceerd.

(7)  PB L 121 van 29.7.1964. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1226/2002 van de Commissie (PB L 179 van 9.7.2002, blz. 13).

(8)  Nog niet in het PB gepubliceerd.

(9)  Nog niet in het PB gepubliceerd.

(10)  Facultatief.

(11)  Facultatief.

BIJLAGE II

LEVENDE TWEEKLEPPIGE WEEKDIEREN

HOOFDSTUK I: TOEPASSINGSGEBIED

Deze bijlage is van toepassing op levende tweekleppige weekdieren en, mutatis mutandis, op levende stekelhuidigen, levende manteldieren en levende mariene buikpotigen.

HOOFDSTUK II: OFFICIËLE CONTROLES OP LEVENDE TWEEKLEPPIGE WEEKDIEREN UIT GECLASSIFICEERDE PRODUCTIEGEBIEDEN

A.   CLASSIFICATIE VAN PRODUCTIE- EN HERUITZETTINGSGEBIEDEN

1.

De bevoegde autoriteit dient de plaats en de grenzen van de door haar geclassificeerde productieen heruitzettingsgebieden vast te stellen. Indien nodig, kan dit gebeuren in samenwerking met de exploitant van het levensmiddelenbedrijf.

2.

De bevoegde autoriteit moet de productiegebieden waar het oogsten van levende tweekleppige weekdieren is toegestaan, op basis van de mate van faecale verontreiniging als één van de onderstaande drie categorieën classificeren. Indien nodig, kan dit gebeuren in samenwerking met de exploitant van het levensmiddelenbedrijf.

3.

De bevoegde autoriteit kan in klasse A de gebieden indelen waar levende tweekleppige weekdieren mogen worden verzameld voor directe menselijke consumptie. Levende tweekleppige weekdieren uit deze gebieden moeten voldoen aan de gezondheidsnormen voor levende tweekleppige weekdieren bedoeld in bijlage III, sectie VII, hoofdstuk V van Verordening (EG) nr. .../2004 (1).

4.

De bevoegde autoriteit kan in klasse B de gebieden indelen waar levende tweekleppige weekdieren mogen worden verzameld, maar alleen voor menselijke consumptie op de markt gebracht worden na behandeling in een zuiveringscentrum of na heruitzetting, om te voldoen aan de in punt 3 bedoelde gezondheidsnormen. Bij levende tweekleppige weekdieren uit deze gebieden mogen in een meest waarschijnlijke aantal (MPN)-test met vijf proefbuisjes en drie verdunningen niet meer dan 4600 E.coli per 100 g vlees en lichaamsvocht gevonden worden.

5.

De bevoegde autoriteit kan in klasse C de gebieden indelen waar levende tweekleppige weekdieren mogen worden verzameld, die echter pas na langdurige heruitzetting in de handel mogen worden gebracht om aan de gezondheidsnormen van punt 3 te voldoen. Bij levende tweekleppige weekdieren uit deze gebieden mogen in een MPN-test met vijf proefbuisjes en drie verdunningen niet meer dan 46 000 E.coli per 100 g vlees en lichaamsvocht gevonden worden.

6.

Indien de bevoegde autoriteit in beginsel besluit een productiegebied of een heruitzettingsgebied in te delen, dient zij:

a)

een inventaris op te maken van de bronnen van vervuiling van menselijke of dierlijke oorsprong die het productiegebied zouden kunnen verontreinigen,

b)

de hoeveelheden organische verontreinigende stoffen die vrijkomen gedurende de verschillende perioden van het jaar te onderzoeken, rekening houdende met de wisselende aantallen mensen en dieren in het afwateringsgebied, de neerslagniveaus, de behandeling van afvalwater, enz.,

c)

de kenmerken van de verspreiding van verontreinigende stoffen te bepalen, rekening houdende met stroompatronen, dieptemetingen, en de getijdencyclus in het productiegebied, en

d)

een monsternemingsprogramma voor tweekleppige weekdieren in het productiegebied op te zetten, op basis van onderzoek van de verzamelde gegevens, met een zodanig aantal monsters en een zodanige geografische spreiding en frequentie van de bemonsteringspunten dat de resultaten zo representatief mogelijk zijn voor het betrokken gebied.

B.   CONTROLE OP GECLASSIFICEERDE HERUITZETTINGS- EN PRODUCTIEGEBIEDEN

1.

De geclassificeerde heruitzettings- en productiegebieden moeten periodiek worden gecontroleerd, ten einde:

a)

na te gaan of er geen misbruik plaatsvindt ten aanzien van oorsprong, herkomst en bestemming van levende tweekleppige weekdieren;

b)

de microbiologische kwaliteit van levende tweekleppige weekdieren te controleren in relatie tot de productie- en heruitzettingsgebieden;

c)

na te gaan of er toxineproducerend plankton in het productie- en heruitzettingswater en biotoxines in levende tweekleppige weekdieren aanwezig zijn; en

d)

na te gaan of er chemische contaminanten in levende tweekleppige weekdieren aanwezig zijn.

2.

Voor de uitvoering van punt 7, (b), (c) en (d) dienen bemonsteringsplannen te worden opgesteld om bovenbedoelde controles op regelmatige tijdstippen uit te laten voeren of, indien het verzamelen op onregelmatige tijdstippen plaatsvindt, van geval tot geval. De geografische spreiding van de bemonsteringspunten en de frequentie van de bemonstering moeten zodanig zijn dat de resultaten zo representatief mogelijk zijn voor het betrokken gebied.

3.

Bemonsteringsplannen voor de controle van de microbiologische kwaliteit van levende tweekleppige weekdieren moeten met name rekening houden met:

a)

de te verwachten variatie van de faecale verontreiniging, en

b)

de in punt A. 6 bedoelde parameters.

4.

De bemonsteringsplannen voor de controle op de aanwezigheid van toxine producerend plankton in productie- en heruitzettingswater en van biotoxines in levende tweekleppige weekdieren moeten met name rekening houden met mogelijke variaties van de aanwezigheid van plankton dat mariene biotoxines bevat. De bemonstering omvat:

a)

periodieke bemonstering met het oog op de opsporing van wijzigingen in de samenstelling van het toxinehoudende plankton en de geografische spreiding daarvan. Als de resultaten wijzen op een accumulatie van toxines in het vlees van weekdieren, dient intensieve bemonstering te volgen;

b)

periodieke toxiciteitstests op de weekdieren uit het betrokken gebied die het meest vatbaar zijn voor verontreiniging.

5.

De bemonsteringsfrequentie voor de toxineanalyse bij de weekdieren dient als algemene regel wekelijks te zijn in de perioden waarin verzamelen is toegestaan. Deze frequentie kan worden verminderd in specifieke gebieden of voor specifieke typen weekdieren, indien een risicobeoordeling over de aanwezigheid van toxines en fytoplankton erop wijst dat het risico uiterst gering is. De frequentie wordt verhoogd wanneer de beoordeling erop wijst dat een wekelijkse bemonstering onvoldoende zou zijn. De risicobeoordeling moet echter regelmatig opnieuw worden bezien, teneinde het risico te beoordelen van de aanwezigheid van toxines in levende tweekleppige weekdieren uit deze gebieden.

6.

Als er gegevens beschikbaar zijn over de snelheid van de accumulatie van toxines in een groep van soorten in hetzelfde gebied, kan de soort met de hoogste snelheid gebruikt worden als indicatorsoort. De verzameling van alle soorten van die groep is dan toegestaan zolang de toxineniveaus bij de indicatorspecies onder de voorgeschreven grenswaarden blijven. Als die niveaus hoger blijken te zijn dan de voorgeschreven grenswaarden, mag de verzameling van de andere soorten alleen worden toegestaan als uit verdere analyse van die soorten blijkt dat de toxinegrenswaarden niet worden overschreden.

7.

Wat de controle van plankton betreft, dienen de monsters representatief te zijn voor de waterkolom en informatie te verschaffen over zowel de aanwezigheid van toxische soorten als de populatietrends. Als er veranderingen van toxische populaties worden vastgesteld die tot een accumulatie van toxines kunnen leiden, dient de bemonsteringsfrequentie van de weekdieren opgevoerd te worden, ofwel dienen bij wijze van voorzorgsmaatregel de gebieden afgesloten te worden totdat de resultaten van de toxineanalyses bekend zijn.

8.

De bemonsteringsplannen voor het controleren van de aanwezigheid van chemische contaminanten moeten het mogelijk maken vast te stellen of de in Verordening (EG) nr. 466/2001 (2) aangegeven niveaus worden overschreden.

C.   BESLISSINGEN NAAR AANLEIDING VAN CONTROLES

1.

Als uit de resultaten van de bemonstering blijkt dat niet aan de gezondheidsnormen voor weekdieren wordt voldaan, of dat er anderszins een risico voor de menselijke gezondheid kan bestaan, dient de bevoegde autoriteit het betrokken productiegebied te sluiten voor het verzamelen van levende tweekleppige weekdieren. De bevoegde autoriteit kan een productiegebied weer indelen in klasse B of C als het voldoet aan de criteria van deel A en geen ander risico vormt voor de volksgezondheid.

2.

De bevoegde autoriteit kan een gesloten productiegebied alleen heropenen als weer aan de in de communautaire wetgeving vastgelegde gezondheidsnormen voor weekdieren wordt voldaan. Als de bevoegde autoriteit een gebied sluit vanwege de aanwezigheid van plankton of te hoge toxineniveaus in weekdieren, zijn ten minste twee achtereenvolgende testresultaten die onder de voorgeschreven grenswaarden blijven, met een interval van ten minste 48 uur, vereist om het gebied te kunnen heropenen. Bij het nemen van die beslissing kan de bevoegde autoriteit rekening houden met de aanwezigheid van fytoplankton. Wanneer er betrouwbare gegevens zijn over de dynamiek van de toxiciteit in een bepaald gebied, en op voorwaarde dat uit recente gegevens blijkt dat de toxiciteit afneemt, kan de bevoegde autoriteit besluiten het gebied te heropenen als de resultaten van één enkele bemonstering onder de grenswaarden blijven.

D.   AANVULLENDE CONTROLEVOORSCHRIFTEN

1.

De bevoegde autoriteit dient geclassificeerde productiegebieden waar zij het verzamelen van tweekleppige weekdieren heeft verboden of aan bijzondere voorwaarden heeft gebonden, te controleren om te verzekeren dat er geen voor de menselijke gezondheid schadelijke producten op de markt komen.

2.

Naast de in punt B.1 bedoelde controle van de heruitzettings- en productiegebieden moet er een controlesysteem met laboratoriumtests worden opgezet om na te gaan of de exploitanten van levensmiddelenbedrijven tijdens alle productie-, verwerkings- en distributiefasen voldoen aan de voorschriften met betrekking tot het eindproduct. Dit controlesysteem is met name bedoeld om te verifiëren of de gehalten aan mariene biotoxines en contaminanten de veiligheidsnormen niet overschrijden en de microbiologische kwaliteit van de weekdieren geen gevaar voor de menselijke gezondheid oplevert.

E.   REGISTRATIE EN UITWISSELING VAN INFORMATIE

De bevoegde autoriteit dient:

a)

een lijst van de goedgekeurde productie- en heruitzettingsgebieden, waar levende tweekleppige weekdieren mogen worden verzameld overeenkomstig de voorschriften in deze bijlage, op te stellen en bij te houden, met details over locatie en grenzen, en over de klasse waarin het gebied is ingedeeld. Deze lijst dient aan de belanghebbende partijen, waaronder de producenten, de verzamelaars en de exploitanten van zuiveringscentra en verzendingscentra, te worden medegedeeld;

b)

de belanghebbende partijen, waaronder de producenten, de verzamelaars en de exploitanten van zuiveringscentra en verzendingscentra, onmiddellijk op de hoogte te stellen van iedere wijziging van de locatie, de grenzen of de klasse van het productiegebied, of van de tijdelijke of permanente sluiting ervan; en

c)

direct te handelen als bij de in deze bijlage voorgeschreven controles blijkt dat een productiegebied gesloten of in een andere klasse ingedeeld moet worden of heropend kan worden.

F.   CONTROLES DOOR DE EXPLOITANTEN VAN LEVENSMIDDELENBEDRIJVEN

Bij het nemen van beslissingen over de classificatie, openstelling of sluiting van productiegebieden kan de bevoegde autoriteit rekening houden met de resultaten van controles die door de exploitanten van levensmiddelenbedrijven of door de hen vertegenwoordigende organisaties zijn uitgevoerd. In dat geval dient de bevoegde autoriteit het laboratorium aan te wijzen dat de analyse uitvoert; zo nodig, worden de bemonstering de analyse uitgevoerd overeenkomstig een protocol waarover de bevoegde autoriteit en de betrokken exploitant of organisatie overeenstemming hebben bereikt.

HOOFDSTUK III: OFFICIËLE CONTROLES OP PECTINIDAE DIE BUITEN DE GECLASSIFICEERDE PRODUCTIEGEBIEDEN ZIJN VERZAMELD

Op buiten geclassificeerde productiegebieden verzamelde pectinidae moeten officiële controles plaatsvinden in visafslagen, distributiecentra en verwerkingsbedrijven. Daarbij moet worden nagegaan of de gezondheidsnormen voor levende tweekleppige weekdieren van bijlage III, sectie VII, hoofdstuk V, van Verordening (EG) nr. .../2004 (3) en de andere voorschriften van bijlage III, sectie VII, hoofdstuk IX bij die verordening worden nageleefd.


(1)  Nog niet in het PB gepubliceerd.

(2)  PB L 77 van 16.3.2001, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 655/2004 (PB L 104 van 8.4.2004, blz. 48).

(3)  Nog niet in het PB gepubliceerd.

BIJLAGE III

VISSERIJPRODUCTEN

HOOFDSTUK I: OFFICIËLE CONTROLES VAN DE PRODUCTIE EN HET IN DE HANDEL BRENGEN

1.

De officiële controles van de productie en het in de handel brengen van visserijproducten omvatten met name:

a)

een regelmatige controle van de hygiënische omstandigheden waarin aanlanding en eerste verkoop plaatsvinden;

b)

inspecties op gezette tijden van vaartuigen en inrichtingen op het land, inclusief visafslagen en groothandelsmarkten, met name om na te gaan:

i)

zo nodig, of nog aan de erkenningsvoorwaarden wordt voldaan,

ii)

of de visserijproducten correct worden behandeld,

iii)

of er wordt voldaan aan de eisen wat betreft hygiëne en temperatuur, en

iv)

of de inrichtingen, inclusief de vaartuigen en hun voorzieningen en apparatuur schoon zijn en het personeel de hygiëne in acht neemt; en

c)

controles van de opslag- en vervoersomstandigheden.

2.

De officiële controles van vaartuigen, met inachtneming van punt 3

a)

mogen echter worden uitgevoerd wanneer de vaartuigen een haven in een lidstaat aandoen;

b)

gelden voor alle vaartuigen die vis aanlanden in een haven van de Gemeenschap, ongeacht welke vlag zij voeren; en

c)

mogen, indien noodzakelijk, wanneer de bevoegde autoriteit van de lidstaat onder wiens vlag het vaartuig vaart, de controles uitvoert, worden uitgevoerd op zee of terwijl het vaartuig in een haven ligt in een andere lidstaat of in een derde land.

3.

a)

In het geval van een inspectie van een fabrieks- of een vriesvaartuig van een lidstaat, uitgevoerd met het oog op de goedkeuring van het vaartuig, moet de bevoegde autoriteit van de lidstaat onder wiens vlag het vaartuig vaart inspecties uitvoeren die voldoen aan de vereisten van artikel 3, in het bijzonder de perioden van artikel 3, lid 2. Indien nodig kan die bevoegde autoriteit het vaartuig inspecteren op zee of terwijl het in een haven ligt in een andere lidstaat of in een derde land.

b)

Indien de bevoegde autoriteit van de lidstaat waarvan het vaartuig de vlag voert het vaartuig overeenkomstig artikel 3 een voorlopige erkenning heeft gegeven, kan die bevoegde autoriteit de bevoegde autoriteit van

i)

een andere lidstaat

ii)

een derde land dat is opgenomen in de overeenkomstig artikel 11 opgestelde lijst van derde landen waaruit de invoer van visserijproducten is toegestaan,

toestaan een follow-up-inspectie uit te voeren met het oog op de verlening van de definitieve erkenning, de verlenging van de voorlopige erkenning overeenkomstig artikel 3, lid 1, onder b), of de toetsing van de erkenning overeenkomstig artikel 3, lid 4. Indien nodig kan die bevoegde autoriteit het vaartuig op zee inspecteren of terwijl het in een haven van een andere lidstaat of een derde land ligt.

4.

Wanneer de bevoegde autoriteit van een lidstaat de bevoegde autoriteit van een andere lidstaat of van een derde land toestaat overeenkomstig punt 3 namens haar inspecties uit te voeren, dienen beide bevoegde autoriteiten overeenstemming te bereiken over de voorwaarden van deze inspecties. Deze voorwaarden strekken er met name toe dat de bevoegde autoriteit van de lidstaat waarvan het vaartuig de vlag voert, de verslagen ontvangt over de resultaten van de inspecties en onverwijld over elk vermoeden van niet-naleving van de regels, teneinde haar in staat te stellen de noodzakelijke maatregelen te nemen.

HOOFDSTUK II: OFFICIËLE CONTROLES VAN VISSERIJPRODUCTEN

De officiële controles van visserijproducten dienen ten minste de volgende elementen te omvatten.

A.   ORGANOLEPTISCH ONDERZOEK

In alle productie-, verwerkings- en distributiefasen moeten er organoleptische steekproefcontroles plaatsvinden. Een doelstelling van deze controles is na te gaan of de versheidsnormen, vastgelegd overeenkomstig de communautaire wetgeving, worden nageleefd. Dit houdt met name in dat in alle stadia van productie, verwerking en distributie wordt nagegaan dat de visserijproducten voldoen aan de overeenkomstig de communautaire wetgeving vastgelegde minimumversheidsnormen.

B.   VERSHEIDSINDICATOREN

Als het organoleptisch onderzoek aanleiding is tot twijfel aangaande de versheid van de producten, mogen er monsters worden genomen die aan laboratoriumtests worden onderworpen om de niveaus totale vluchtige basestikstof (TVB-N) en trimethylaminestikstof (TMA-N) te bepalen.

De bevoegde autoriteit moet de criteria hanteren die in de communautaire wetgeving zijn vastgelegd.

Als het organoleptisch onderzoek aanleiding is tot een vermoeden van de aanwezigheid van andere risico's voor de menselijke gezondheid, moeten geschikte monsters worden genomen voor verificatiedoeleinden.

C.   HISTAMINE

Er moeten steekproefsgewijs histaminecontroles worden uitgevoerd om na te gaan of de in de communautaire wetgeving vastgelegde grenswaarden niet worden overschreden.

D.   RESIDUEN EN CONTAMINANTEN

Er dienen controles georganiseerd te worden om het gehalte van residuen en contaminanten te bepalen overeenkomstig de communautaire wetgeving.

E.   MICROBIOLOGISCHE CONTROLES

Indien nodig moeten er microbiologische controles plaatsvinden overeenkomstig de voorschriften en normen van de communautaire wetgeving.

F.   PARASIETEN

Er moeten steekproefsgewijs controles plaatsvinden om na te gaan of voldaan wordt aan de communautaire wetgeving inzake parasieten.

G.   GIFTIGE VISSERIJPRODUCTEN

Er moeten controles plaatsvinden om ervoor te zorgen dat de volgende visserijproducten niet in de handel worden gebracht:

1.

giftige vissoorten van de volgende families: Tetraodontidae, Molidae, Diodontidae en Canthigasteridae;

2.

visserijproducten die biotoxinen, zoals Ciguatera, of andere toxinen bevatten die gevaar opleveren voor de menselijke gezondheid. Visserijproducten op basis van tweekleppige weekdieren, stekelhuidigen, manteldieren en mariene buikpotigen mogen wel in de handel worden gebracht, indien zij geproduceerd zijn overeenkomstig sectie VII van bijlage III van Verordening (EG) nr. .../2004 (1) en voldoen aan de in hoofdstuk V, punt 2, van die sectie vastgestelde normen.

HOOFDSTUK III: BESLUITEN NA CONTROLES

Visserijproducten moeten ongeschikt voor menselijke consumptie worden verklaard, als:

1.

de organoleptische, chemische, fysische of microbiologische controles of controles op parasieten hebben aangetoond dat die producten niet voldoen aan de communautaire wetgeving;

2.

zij in de eetbare delen zoveel contaminanten of residuen bevatten, dat de niveaus van de communautaire wetgeving worden overschreden, of de berekende opname bij de voeding de voor de mens aanvaardbare dagelijkse of wekelijkse inname zou overtreffen;

3.

zij afkomstig zijn van:

i)

giftige vissoorten,

ii)

visserijproducten die niet voldoen aan de voorschriften van hoofdstuk II, deel G, punt 2, met betrekking tot biotoxinen, of

iii)

tweekleppige weekdieren, stekelhuidigen, manteldieren en mariene buikpotigen die mariene biotoxinen bevatten in totale hoeveelheden die de normen van Verordening (EG) nr. .../2004 (1) overschrijden; of

4.

de bevoegde autoriteit van mening is dat zij een risico inhouden voor de gezondheid van mens of dier, of om een andere reden niet geschikt zijn voor menselijke consumptie.


(1)  Nog niet in het PB gepubliceerd.

BIJLAGE IV

RAUWE MELK EN ZUIVELPRODUCTEN

HOOFDSTUK I: CONTROLE VAN MELKPRODUCTIEBEDRIJVEN

1.

Dieren in melkproductiebedrijven moeten officiële controles ondergaan om na te gaan of aan de gezondheidsvoorschriften voor de productie van rauwe melk wordt voldaan, met name wat de gezondheid van de dieren en het gebruik van diergeneesmiddelen betreft. Deze controles kunnen plaatsvinden in het kader van de veterinaire controles uit hoofde van communautaire wetgeving inzake de volksgezondheid en de gezondheid en het welzijn van dieren, en kunnen uitgevoerd worden door een erkende dierenarts.

2.

Indien er redenen zijn om aan te nemen dat niet aan de voorschriften inzake de gezondheid van dieren wordt voldaan, dient de algemene gezondheidstoestand van de dieren te worden gecontroleerd.

3.

De melkproductiebedrijven moeten officiële controles ondergaan om na te gaan of aan de hygiënevoorschriften wordt voldaan. Deze officiële controles kunnen inspecties omvatten en/of toezichtscontroles die verricht worden door beroepsorganisaties. Als blijkt dat de hygiëne te wensen over laat, dient de bevoegde autoriteit erop toe te zien dat de nodige stappen worden genomen om de situatie te corrigeren.

HOOFDSTUK II: CONTROLE VAN RAUWE MELK BIJ INZAMELING

1.

De bevoegde autoriteit ziet toe op de controles die verricht worden overeenkomstig bijlage III, sectie IX, hoofdstuk I, deel III van Verordening (EG) nr. .../2004 (1).

2.

Als de exploitant van het levensmiddelenbedrijf de situatie niet gecorrigeerd heeft binnen drie maanden na de eerste kennisgeving aan de bevoegde autoriteit van de niet-naleving van de criteria voor het kiemgetal en het aantal somatische cellen, moet de levering van rauwe melk van het betrokken productiebedrijf worden opgeschort of — overeenkomstig een specifieke toestemming of algemene instructies van de bevoegde autoriteit — onderworpen aan voorschriften inzake de behandeling en het gebruik van de melk ter bescherming van de volksgezondheid. Die opschorting en voorschriften moeten van kracht blijven totdat de exploitant heeft aangetoond dat de rauwe melk weer aan de criteria voldoet.


(1)  Nog niet in het PB gepubliceerd.

BIJLAGE V

INRICHTINGEN WAAROP DE VOORSCHRIFTEN INZAKE LIJSTEN VAN ARTIKEL 12, LID 1, NIET VAN TOEPASSING ZIJN

De volgende inrichtingen uit derde landen hoeven niet voor te komen op de overeenkomstig artikel 12, lid 4, opgestelde en bijgewerkte lijsten:

1.

inrichtingen waar producten van dierlijke oorsprong gehanteerd worden waarvoor bijlage III van Verordening (EG) nr. .../2004 (1) geen voorschriften bevat;

2.

inrichtingen die zich uitsluitend bezighouden met primaire productie;

3.

inrichtingen die zich uitsluitend bezighouden met vervoer;

4.

inrichtingen die zich uitsluitend bezighouden met de opslag van producten van dierlijke oorsprong waarvoor geen opslag met gereguleerde temperatuur vereist is.


(1)  Nog niet in het PB gepubliceerd.

BIJLAGE VI

EISEN VOOR DE CERTIFICATEN WAARVAN INVOERZENDINGEN VERGEZELD GAAN

1.

De vertegenwoordiger van de bevoegde autoriteit van het derde land van verzending die een certificaat afgeeft waarvan elke voor de Gemeenschap bestemde zending producten van dierlijke oorsprong vergezeld gaat, moet het certificaat ondertekenen en erop toezien dat het een officieel stempel draagt. Deze eis geldt, voorzover het certificaat uit meerdere bladzijden bestaat, voor elke bladzijde ervan. In het geval van fabrieksvaartuigen, kan de bevoegde autoriteit de kapitein of een andere scheepsofficier toestemming verlenen om het certificaat te ondertekenen.

2.

Certificaten moeten worden opgesteld in de officiële taal of talen van het derde land van verzending en de lidstaat waar de grensinspectie plaatsvindt, of vergezeld gaan van een eensluidende vertaling in die taal of talen. Indien de lidstaat van bestemming daarom verzoekt, moeten de certificaten ook vergezeld gaan van een eensluidende vertaling in de officiële taal of talen van die lidstaat. Lidstaten kunnen evenwel instemmen met het gebruik van een andere officiële Gemeenschapstaal dan hun eigen taal.

3.

Zendingen moeten bij binnenkomst in de Gemeenschap vergezeld gaan van de originele versie van het certificaat.

4.

Certificaten moeten bestaan uit:

a)

een vel papier;

b)

twee of meer bladzijden die onderdeel zijn van één ondeelbaar vel papier; of

c)

een reeks bladzijden die zo genummerd zijn dat eruit blijkt dat het gaat om een bepaalde bladzijde uit een eindige reeks (bijvoorbeeld, „bladzijde 2 van 4 bladzijden”).

5.

De certificaten moeten een eenmalig identificatienummer dragen. Wanneer het certificaat uit een reeks bladzijden bestaat, moet dit nummer op elke bladzijde vermeld zijn.

6.

Het certificaat moet worden afgegeven voordat de zending waarop het betrekking heeft de controle van de bevoegde autoriteit van het derde land van verzending verlaat.

P5_TA(2004)0220

Transparantievereisten voor uitgevende instellingen van effecten *** I

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot harmonisatie van de transparantievereisten die gelden voor informatie over uitgevende instellingen waarvan effecten tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten en tot wijziging van Richtlijn 2001/34/EG (COM(2003) 138 — C5-0151/2003 — 2003/0045(COD))

(Medebeslissingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2003) 138) (1),

gelet op artikel 251, lid 2 en de artikelen 44 en 95 van het EG-Verdrag, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C5-0151/2003),

gelet op artikel 67 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Economische en Monetaire Commissie en het advies van de Commissie juridische zaken en interne markt (A5-0079/2004),

1.

hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel, als geamendeerd door het Parlement;

2.

verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in dit voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.


(1)  Nog niet in het PB gepubliceerd.

P5_TC1-COD(2003)0045

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 30 maart 2004 met het oog op de aanneming van Richtlijn 2004/.../EG van het Europees Parlement en de Raad tot harmonisatie van de transparantievereisten die gelden voor informatie over uitgevende instellingen waarvan effecten tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten en tot wijziging van Richtlijn 2001/34/EG

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, met name op de artikelen 44 en 95,

Gezien het voorstel van de Commissie (1),

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (2),

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag (3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Efficiënte , transparante en geïntegreerde effectenmarkten dragen bij tot de totstandkoming van een echte interne markt in de Gemeenschap en werken de groei en de schepping van werkgelegenheid in de hand dankzij een betere kapitaalallocatie en kostenvermindering. De openbaarmaking van accurate , alomvattende en actuele informatie over effectenuitgevende instellingen wekt een duurzaam vertrouwen bij beleggers en maakt het mogelijk zich een verantwoord oordeel te vormen over de resultaten en het vermogen van deze uitgevende instellingen. Dit komt zowel de beleggersbescherming als de marktefficiëntie ten goede .

(2)

Te dien einde moeten effectenuitgevende instellingen via een gestage informatiestroom voldoende transparantie jegens beleggers garanderen. Om dezelfde reden dienen aandeelhouders of natuurlijke personen of juridische entiteiten die houder zijn van stemrechten of van financiële instrumenten die recht geven op het verwerven van bestaande aandelen met stemrecht, uitgevende instellingen ook in kennis te stellen van de verwerving of andere wijzigingen van belangrijke deelnemingen in hun kapitaal, zodat deze uitgevende instellingen het publiek daarvan op de hoogte kunnen houden.

(3)

In de Mededeling van de Commissie van 11 mei 1999„Tenuitvoerlegging van het kader voor financiële markten: een actieplan” (4) wordt een reeks maatregelen genoemd die noodzakelijk zijn om de interne markt voor financiële diensten te voltooien. Tijdens de Europese Raad van Lissabon in maart 2000 is aangedrongen op uitvoering van dit actieplan tegen 2005. In het actieplan wordt de noodzaak benadrukt om een richtlijn tot optimalisering van de transparantieverplichtingen op te stellen. Deze noodzaak werd bevestigd door de Europese Raad van Barcelona in maart 2002.

(4)

Er moet op worden toegezien dat deze richtlijn verenigbaar is met de taken en plichten die bij het Verdrag en de statuten van het ESCB aan het ESCB en de centrale banken van de lidstaten zijn opgedragen; en in dit verband moet bijzondere aandacht worden geschonken aan de centrale banken van de lidstaten waarvan de aandelen thans tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten, ten einde te garanderen dat de doelstellingen van het primaire recht van de Gemeenschappen worden nagestreefd.

(5)

Een verder doorgedreven harmonisatie van de nationale wettelijke bepalingen betreffende de voor uitgevende instellingen van effecten geldende eisen op het gebied van de verschaffing van periodieke en actuele informatie moet overal in de Gemeenschap in een hoger niveau van beleggersbescherming resulteren. Deze richtlijn laat evenwel de vigerende Gemeenschapswetgeving onverlet die betrekking heeft op rechten van deelneming in instellingen voor collectieve belegging die niet van het closedend- type zijn, en op via dergelijke instellingen voor collectieve belegging verworven of overgedragen deelnemingsrechten.

(6)

Voor de toepassing van deze richtlijn verdient het aanbeveling dat een instelling die aandelen uitgeeft of obligaties waarvan de nominale waarde per eenheid minder dan 1 000 EUR is , onder toezicht staat van de lidstaat waar deze instelling haar statutaire zetel heeft. In dat opzicht is het van vitaal belang de samenhang te waarborgen met Richtlijn 2003/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende het prospectus dat gepubliceerd moet worden wanneer effecten aan het publiek worden aangeboden of tot de handel worden toegelaten (5). In dezelfde zin moet enige flexibiliteit worden geboden en worden toegestaan dat ondernemingen van derde landen en van de EU die uitsluitend andere dan de hiervoor genoemde obligaties uitgeven, zelf hun lidstaat van herkomst kiezen.

(7)

Indien overal in de Gemeenschap een hoog niveau van beleggersbescherming zou bestaan, dan zouden de belemmeringen voor de toelating van effecten tot op het grondgebied van een lidstaat gelegen of werkzame gereglementeerde markten kunnen worden opgeheven. Het zou andere lidstaten dan de lidstaat van herkomst dan niet meer zijn toegestaan de toelating van effecten tot hun gereglementeerde markten te beperken door strengere eisen te stellen aan periodieke en actuele informatie over uitgevende instellingen waarvan effecten tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten.

(8)

De opheffing van belemmeringen, op basis van het beginsel van de lidstaat van herkomst uit hoofde van deze richtlijn mag geen invloed hebben op aangelegenheden die niet onder deze richtlijn vallen, zoals rechten van aandeelhouders om inspraak uit te oefenen in het bestuur van een uitgevende instelling. Evenmin mag het invloed hebben op het recht van de lidstaat van herkomst om de uitgevende instelling te verzoeken de gereglementeerde informatie bovendien deels of volledig te publiceren in dagbladen.

(9)

Verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 19 juli 2002 betreffende de toepassing van internationale standaarden voor jaarrekeningen (6) heeft reeds de weg vrijgemaakt voor een Gemeenschapsbrede convergentie van de standaarden voor de financiële verslaggeving voor uitgevende instellingen waarvan effecten tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten en die een geconsolideerde jaarrekening moeten opstellen. Er bestaat derhalve al een specifieke regeling voor effectenuitgevende instellingen, naast de bij de richtlijnen vennootschapsrecht ingevoerde algemene regeling die voor alle ondernemingen geldt. In de onderhavige richtlijn wordt, wat de jaarlijkse en tussentijdse financiële verslaggeving betreft, voortgebouwd op deze benadering , met inbegrip van het beginsel dat een getrouw beeld moet worden gegeven van de activa, de passiva, de financiële positie en de winst of het verlies van de uitgevende instelling. De verkorte financiële overzichten, als onderdeel van een halfjaarlijks financieel verslag, bieden ook een voldoende basis voor het geven van een juist en eerlijk beeld van de eerste zes maanden van het boekjaar van een uitgevende instelling.

(10)

Zodra effecten van een uitgevende instelling tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten, moet in een jaarlijks financieel verslag informatie worden verstrekt over de achtereenvolgende jaren. Een betere vergelijkbaarheid van jaarlijkse financiële verslagen is voor beleggers op effectenmarkten alleen nuttig wanneer deze beleggers er zeker van kunnen zijn dat de informatie binnen een bepaalde termijn na het eind van het boekjaar zal worden bekendgemaakt. Met betrekking tot obligaties die vóór 1 januari 2005 zijn toegelaten tot de handel op een gereguleerde markt en die zijn uitgegeven door in een derde land gevestigde instellingen, kan de lidstaat van herkomst onder bepaalde voorwaarden deze uitgevende instellingen toestaan de krachtens de standaarden van deze richtlijn vereiste jaarlijkse financiële verslagen niet op te stellen.

(11)

Deze richtlijn introduceert uitgebreider halfjaarlijkse financiële verslagen voor instellingen die aandelen uitgeven welke tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten. Dit moet de beleggers in staat stellen de situatie van de uitgevende instelling beter in te schatten.

(12)

Een lidstaat van herkomst mag obligatieuitgevende instellingen vrijstellen van de verplichting tot halfjaarlijkse verslaggeving in het geval van

kredietinstellingen die optreden als kleine obligatiesuitgevende instelling, of

uitgevende instellingen die bij de inwerkingtreding van deze richtlijn reeds bestaan en die uitsluitend obligaties uitgeven welke onvoorwaardelijk en onherroepelijk gegarandeerd zijn door de lidstaat van herkomst of door een van diens regionale of plaatselijke autoriteiten, of

bepaalde reeds vóór 1 januari 2005 tot de handel op een gereguleerde markt toegelaten obligaties die uitsluitend voor professionele beleggers zijn bestemd, en wel gedurende een overgangsperiode van tien jaar. Indien de lidstaat van herkomst een dergelijke ontheffing verleent, mag deze niet gelden voor obligaties die in later stadium zullen worden toegelaten tot een gereguleerde markt.

(13)

Het Europees Parlement en de Raad verwelkomen de toezegging van de Commissie om snel aandacht te besteden aan transparantie en salarisbeleid, inclusief de totale beloning die wordt betaald (met inbegrip van incidentele of uitgestelde compensaties) en de uitkeringen in natura die worden toegekend aan elk van de leden van het administratief, bestuurs- en toezichthoudend orgaan, in het kader van haar actieplan „Modernisering van het vennootschapsrecht en verbetering van de corporate governance in de Europese Unie” van 21 mei 2003, alsmede het voornemen van de Commissie in de nabije toekomst een aanbeveling over dit onderwerp te presenteren.

(14)

De lidstaat van herkomst dient uitgevende instellingen waarvan de aandelen tot een gereglementeerde markt zijn toegelaten en wier voornaamste activiteiten de extractieve sector betreffen aan te sporen alle betalingen aan regeringen openbaar te maken in hun jaarlijkse financiële verslagen. De lidstaat van herkomst dient tevens een toename van de transparantie van dergelijke betalingen aan te moedigen binnen het kader dat is vastgesteld op verschillende internationale financiële fora.

(15)

De richtlijn zal ook instellingen die alleen obligaties op gereglementeerde markten uitgeven verplichten tot het opstellen van een halfjaarlijks verslag. Vrijstellingen mogen alleen worden verleend voor wholesalemarkten, op basis van een nominale waarde per eenheid van ten minste 50 000 EUR, als bepaald in Richtlijn 2003/71/EG. Wanneer obligaties zijn uitgegeven in een andere valuta, zijn vrijstellingen alleen mogelijk wanneer de nominale waarde per eenheid in die valuta op de uitgiftedatum ten minste gelijkwaardig is met de bovenbedoelde drempelwaarde.

(16)

Tevens dient vaker tussentijdse informatie te worden verstrekt, zodat actueler en betrouwbaarder gegevens beschikbaar zijn over de in de loop van het boekjaar door de aandelenuitgevende instelling behaalde bedrijfsresultaten. Er moet een verplichting worden ingevoerd om in de loop van de eerste zes maanden een eerste en in de loop van de tweede zes maanden van het boekjaar een tweede tussentijdse verklaring van het bestuursorgaan te doen uitgaan. Aandelenuitgevende instellingen die reeds driemaandelijkse verslagen publiceren, moeten niet worden verplicht om tussentijdse verklaringen van het bestuursorgaan te doen uitgaan.

(17)

Voor de uitgevende instelling, haar leidinggevend, toezichthoudend of bestuursorgaan, of verantwoordelijke personen binnen de instelling dienen passende aansprakelijkheidsregels te gelden zoals die door iedere lidstaat in zijn nationale wet- of regelgeving zijn vastgelegd. De lidstaten moeten de vrijheid hebben de omvang van de aansprakelijkheid zelf vast te stellen .

(18)

Het publiek moet op de hoogte worden gebracht van wijzigingen in belangrijke deelnemingen in uitgevende instellingen waarvan aandelen worden verhandeld op een in de Gemeenschap gelegen of werkzame gereglementeerde markt. Deze informatie moet beleggers in staat stellen aandelen te verwerven of over te dragen met volledige kennis van wijzigingen in de stemverhoudingen; zij zou tevens moeten bijdragen tot een efficiënter toezicht op aandelenuitgevende instellingen en de algemene markttransparantie op het gebied van belangrijke kapitaalbewegingen moeten vergroten. In bepaalde omstandigheden dient informatie te worden verstrekt over aandelen, of in artikel 12 bedoelde financiële instrumenten, die als zekerheid in bewaring zijn gegeven.

(19)

Artikel 9 en artikel 10, onder c), moeten niet van toepassing zijn op aandelen verstrekt aan of door leden van het Europees Systeem van Centrale Banken (ESCB) bij de uitoefening van hun functies als monetaire autoriteit, mits de aan die aandelen verbonden stemrechten niet worden uitgeoefend; „korte periode” moet worden beschouwd als betrekking hebbend op krediettransacties die worden uitgevoerd overeenkomstig het Verdrag en de besluiten van het ECB, met name de instrumenten en procedures van het monetaire beleid van het ECB en TARGET, en krediettransacties in het kader van de uitoefening van vergelijkbare taken uit hoofde van nationale bepalingen.

(20)

Ter vermijding van onnodige lasten voor bepaalde marktdeelnemers en teneinde te verduidelijken wie daadwerkelijk invloed uitoefent op een uitgevende instelling, zijn geen kennisgevingsvereisten noodzakelijk voor belangrijke deelnemingen in de vorm van aandelen of in artikel 12 bedoelde financiële instrumenten die het recht verlenen aandelen te verwerven, ten aanzien van marktmakers of bewaarnemers of voor deelnemingen in de vorm van aandelen of financiële instrumenten die uitsluitend met het oog op clearing en afwikkeling zijn verworven, binnen de limieten en waarborgen die in de gehele Europese Unie moeten worden gehanteerd. De lidstaat van herkomst moet beperkte vrijstellingen kunnen verlenen voor het houden van aandelen in handelsportefeuilles van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen.

(21)

Teneinde te verduidelijken wie daadwerkelijk houder is van een belangrijke deelneming aan aandelen of andere financiële instrumenten in dezelfde uitgevende instelling in de gehele Europese Unie, moeten moederondernemingen niet worden verplicht hun eigen deelnemingen samen te tellen met de door ICBE's of beleggingsondernemingen beheerde deelnemingen, mits laatstgenoemden de stemrechten onafhankelijk van de moederonderneming uitoefenen en aan bepaalde andere voorwaarden voldoen.

(22)

De permanente informatieverstrekking aan effectenhouders die tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten moet gebaseerd blijven op het beginsel van de gelijke behandeling. Een dergelijke gelijke behandeling geldt echter alleen voor aandeelhouders die zich in identieke omstandigheden bevinden en laat bijgevolg de kwestie onverlet van de hoeveelheid stemrechten die aan een specifiek aandeel verbonden kunnen zijn. Evenzo dienen ook houders van obligaties van eenzelfde lening een gelijke behandeling te blijven genieten , zelfs in het geval van overheidsobligaties . De informatieverstrekking aan aandeelhouders en/of houders van obligaties op algemene vergaderingen moet worden vergemakkelijkt. Met name in het buitenland gevestigde aandeelhouders en/of houders van obligaties moeten actiever bij deze vergaderingen worden betrokken door hen in staat te stellen gevolmachtigden opdracht te geven in hun naam te handelen. Om dezelfde redenen dient op een algemene vergadering van aandeelhouders en/of houders van obligaties te worden uitgemaakt of het aangewezen is tot het gebruik van moderne informatie- en communicatietechnologieën over te gaan. In dat geval moeten de uitgevende instellingen regelingen treffen om de aandeelhouders en/of houders van obligaties daadwerkelijk te informeren, voorzover zij de identiteit van die houders kunnen achterhalen.

(23)

Voor de opheffing van bestaande belemmeringen en een doelmatige handhaving van de nieuwe communautaire informatievereisten is het tevens noodzakelijk dat een adequaat toezicht wordt uitgeoefend door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst. Deze richtlijn moet ten minste een minimumgarantie voor de tijdige beschikbaarheid van dergelijke informatie bieden. Om die reden dient er in elke lidstaat ten minste één systeem voor de indiening en de opslag van informatie te bestaan.

(24)

Een eventueel voor een uitgevende instelling geldende verplichting om in alle lidstaten waar haar effecten tot de handel zijn toegelaten, alle actuele en periodieke informatie in alle relevante talen te vertalen, is niet bevorderlijk voor de integratie van de effectenmarkten, maar heeft integendeel een ontmoedigend effect op de grensoverschrijdende toelating van effecten tot de handel op gereglementeerde markten. De uitgevende instelling dient derhalve in bepaalde gevallen het recht te hebben om informatie te verstrekken in een taal die in internationale financiële kringen pleegt te worden gebruikt. Aangezien een bijzondere inspanning moet worden geleverd om beleggers uit het buitenland en zelfs van buiten de Gemeenschap aan te trekken, zouden de lidstaten aandeelhouders , personen die stemrechten uitoefenen, of houders van financiële instrumenten niet langer mogen beletten de vereiste kennisgevingen aan de uitgevende instelling te verrichten in een taal die in internationale financiële kringen pleegt te worden gebruikt.

(25)

De toegang voor beleggers tot informatie over uitgevende instellingen moet beter georganiseerd zijn op Europees niveau, met het oog op een actievere stimulering van de integratie van de Europese kapitaalmarkten. Beleggers die niet gevestigd zijn in de lidstaat van herkomst van de uitgevende instelling moeten bij het verzoeken om toegang tot dergelijke informatie op gelijke voet worden behandeld als beleggers die wel gevestigd zijn in de lidstaat van herkomst van de uitgevende instelling. Dit kan worden bereikt indien de lidstaat van herkomst de naleving waarborgt van minimale kwaliteitseisen voor de verspreiding van informatie in de gehele Europese Unie op snelle en niet-discriminerende wijze en afhankelijk van het soort van de betreffende gereguleerde informatie. Bovendien moet informatie die verspreid is beschikbaar zijn in de lidstaat van herkomst, en wel op gecentraliseerde wijze, zodat een Europees netwerk kan worden opgebouwd dat niet te duur is voor particuliere beleggers, zonder te leiden tot onnodige verdubbelingen of verplichtingen voor uitgevende instellingen tot het verstrekken van gegevens. Uitgevende instellingen moeten kunnen profiteren van de vrije markt bij het kiezen van de media of de exploitanten voor de verspreiding van informatie in het kader van deze richtlijn.

(26)

Teneinde de bedrijfsinformatie in alle lidstaten nog makkelijker toegankelijk te maken voor beleggers, moet de formulering van richtsnoeren voor het opzetten van elektronische netwerken worden overgelaten aan de nationale toezichthoudende autoriteiten, in nauw overleg met de andere betrokken partijen, zoals met name uitgevende instellingen van effecten, beleggers, marktdeelnemers, exploitanten van gereglementeerde markten en verschaffers van financiële informatie.

(27)

Om een doeltreffende bescherming van de beleggers en de goede werking van gereglementeerde markten binnen de Gemeenschap te waarborgen, moeten de voorschriften in verband met de informatie die moet worden bekendgemaakt door uitgevende instellingen waarvan effecten in de Gemeenschap tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten, ook van toepassing zijn op uitgevende instellingen die hun statutaire zetel niet in een lidstaat hebben en die niet onder de werkingssfeer van artikel 48 van het Verdrag vallen. Tevens moet erop worden toegezien dat alle in een derde land maar niet in een lidstaat openbaar te maken aanvullende relevante informatie over uitgevende instellingen uit de Gemeenschap of uit derde landen, ook in de Gemeenschap beschikbaar is voor het publiek.

(28)

In elke lidstaat dient één enkele bevoegde autoriteit te worden aangewezen die de eindverantwoordelijkheid draagt voor het toezicht op de naleving van de krachtens deze richtlijn vastgestelde bepalingen en voor de internationale samenwerking. Die autoriteit moet van administratieve aard zijn en haar onafhankelijkheid van deelnemers aan het economisch verkeer moet gewaarborgd zijn om belangenconflicten te vermijden. De lidstaten mogen echter een andere bevoegde autoriteit aanwijzen die erop toeziet dat de in deze richtlijn bedoelde informatie wordt opgesteld volgens het toepasselijke verslaggevingskader en die in geval van ontdekte inbreuken passende maatregelen treft. Deze autoriteit hoeft niet van administratieve aard te zijn.

(29)

Toenemende grensoverschrijdende activiteiten vereisen een betere samenwerking tussen de nationale bevoegde autoriteiten en een alomvattend geheel aan bepalingen inzake de uitwisseling van informatie en conservatoire maatregelen. De organisatie van het toezicht en van de onderzoeksbevoegdheden in de afzonderlijke lidstaten mag geen belemmering vormen voor de efficiënte samenwerking tussen de nationale bevoegde autoriteiten.

(30)

Tijdens zijn zitting van 17 juli 2000 heeft de Raad het Comité van wijzen voor de regulering van de Europese effectenmarkten opgericht. In zijn eindverslag stelde dit Comité van wijzen voor om nieuwe wetgevingstechnieken in te voeren op basis van een aanpak op vier niveaus, te weten kaderbeginselen, technische uitvoeringsmaatregelen, samenwerking tussen nationale effectentoezichthouders en toezicht op de naleving van het Gemeenschapsrecht. De richtlijn dient beperkt te blijven tot globale „kaderbeginselen”, terwijl de uitvoeringsmaatregelen die door de Commissie dienen te worden vastgesteld, hierin bijgestaan door het Europees Comité voor het effectenbedrijf, de technische bijzonderheden moeten regelen.

(31)

De Europese Raad van Stockholm in maart 2001 heeft in zijn resolutie het eindverslag van het Comité van wijzen goedgekeurd, alsmede de voorgestelde aanpak op vier niveaus om het regelgevingsproces met betrekking tot de communautaire effectenwetgeving efficiënter en transparanter te maken.

(32)

Volgens de resolutie van de Europese Raad van Stockholm moeten de uitvoeringsmaatregelen vaker worden gebruikt om ervoor te zorgen dat de technische bepalingen gelijke tred kunnen houden met de marktontwikkelingen en met de ontwikkelingen inzake toezicht, en moeten voor alle stadia van de uitvoeringsmaatregelen uiterste termijnen worden gesteld.

(33)

Ook in de resolutie van het Europees Parlement van 5 februari 2002 over de tenuitvoerlegging van de financiëledienstenwetgeving werd het verslag van het Comité van wijzen onderschreven, en wel op basis van de formele verklaring die op diezelfde dag door de Voorzitter van de Commissie voor het Parlement werd afgelegd en de brief van het voor de interne markt bevoegde Commissielid van 2 oktober 2001 aan de voorzitter van de Economische en Monetaire Commissie van het Parlement met betrekking tot de garanties die het Europees Parlement zullen worden geboden wat betreft zijn rol in deze procedure.

(34)

De voor de uitvoering van deze richtlijn vereiste maatregelen moeten worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden (7).

(35)

Het Europees Parlement dient te beschikken over een termijn van drie maanden vanaf de eerste indiening van de ontwerpuitvoeringsmaatregelen om deze te onderzoeken en advies erover uit te brengen. In dringende en naar behoren gemotiveerde gevallen kan deze termijn worden ingekort. Indien het Europees Parlement binnen deze termijn een resolutie heeft aangenomen, zal de Commissie de ontwerpmaatregelen opnieuw onderzoeken.

(36)

Om met nieuwe ontwikkelingen op de effectenmarkten rekening te houden, kan het nodig zijn om aan de in deze richtlijn vastgestelde voorschriften technische uitvoeringsmaatregelen toe te voegen. De Commissie dient derhalve de bevoegdheid te krijgen om, na raadpleging van het bij Besluit 2001/528/EG van de Commissie van 6 juni 2001 (8) ingestelde Europees Comité voor het effectenbedrijf, uitvoeringsmaatregelen vast te stellen, mits deze geen wijzigingen met zich meebrengen van de essentiële onderdelen van deze richtlijn en de Commissie handelt overeenkomstig de beginselen van deze richtlijn.

(37)

Bij de uitoefening van haar bevoegdheden van deze richtlijn dient de Commissie de volgende beginselen in acht te nemen:

de noodzaak om ervoor te zorgen dat de investeerders vertrouwen hebben in de financiële markten door de bevordering van hoge transparantienormen voor financiële markten;

de noodzaak om de investeerders een breed scala concurrerende investeringsmogelijkheden te bieden en een niveau van informatie en bescherming dat is toegesneden op hun omstandigheden;

de noodzaak om ervoor te zorgen dat onafhankelijke regelgevende autoriteiten de voorschriften consistent uitvoeren, met name ten aanzien van de bestrijding van economische misdrijven;

de noodzaak dat er hoge niveaus op het vlak van transparantie en raadpleging komen voor alle marktdeelnemers en voor het Europees Parlement en de Raad;

de noodzaak om de innovatie van financiële markten te bevorderen wanneer deze dynamisch en doeltreffend moeten zijn;

de noodzaak om de marktintegriteit te waarborgen door een nauwe en actieve monitoring van financiële innoverende maatregelen;

het belang om de kapitaalkosten te beperken en de toegankelijkheid tot kapitaal te vergroten;

evenwichtige kosten en baten voor marktdeelnemers op een langetermijnbasis (m.i.v. kleine en middelgrote bedrijven en kleine investeerders) bij alle uitvoeringsmaatregelen;

de noodzaak om de internationale concurrentiepositie van de financiële markten van de EU te stimuleren, onverminderd de zo broodnodige uitbreiding van de internationale samenwerking;

de noodzaak om gelijke voorwaarden te scheppen voor alle marktdeelnemers door de invoering van EU-regelgeving op elk moment dat zulks noodzakelijk is;

de noodzaak om de verschillen van de nationale markten te eerbiedigen wanneer deze niet in strijd zijn met de coherentie van de interne markt;

de noodzaak om zorgen voor coherentie met andere EU-wetgeving op dit gebied, omdat onevenwichtigheden bij de voorlichting en een gebrek aan transparantie schadelijk kunnen zijn voor de werking van de markten en bovenal voor consumenten en kleine investeerders.

(38)

Om ervoor te zorgen dat aan de krachtens deze richtlijn of uitvoeringsmaatregelen van deze richtlijn vastgestelde vereisten wordt voldaan, dient iedere inbreuk op deze vereisten onverwijld aan het licht gebracht en, indien nodig, bestraft te worden. Daartoe moeten de maatregelen en sancties voldoende afschrikkend en evenredig zijn en consequent worden toegepast. De lidstaten dienen ervoor te zorgen dat tegen de besluiten van de nationale bevoegde autoriteiten bij de rechter beroep kan worden ingesteld.

(39)

Met deze richtlijn wordt een versterking beoogd van de vigerende transparantieverplichtingen voor uitgevende instellingen van effecten en beleggers die belangrijke deelnemingen in uitgevende instellingen van effecten verwerven of overdragen. Deze richtlijn komt in de plaats van een aantal voorschriften die zijn vervat in Richtlijn 2001/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 mei 2001 betreffende de toelating van effecten tot de officiële notering aan een effectenbeurs en de informatie die over deze effecten moet worden gepubliceerd (9). Om de transparantieverplichtingen in één enkel besluit samen te brengen, moet laatstgenoemde richtlijn dienovereenkomstig worden aangepast. Die aanpassing laat echter de mogelijkheid onverlet dat de lidstaten aanvullende eisen opleggen uit hoofde van de artikelen 42 t/m 63 van Richtlijn 2001/34/EG die geldig blijven.

(40)

Aangezien de doelstellingen van het overwogen optreden — namelijk het vertrouwen van de belegger winnen door overal in de Gemeenschap eenzelfde niveau van transparantie te waarborgen en aldus de interne markt te voltooien — op grond van de vigerende communautaire wetgeving niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt en derhalve, vanwege de omvang en de gevolgen van de maatregelen, beter door de Gemeenschap kunnen worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap maatregelen vaststellen, overeenkomstig het beginsel van subsidiariteit als bedoeld in artikel 5 van het Verdrag. Overeenkomstig het beginsel van evenredigheid als bedoeld in genoemd artikel gaat deze richtlijn niet verder dan hetgeen noodzakelijk is om deze doelstellingen te bereiken.

(41)

Deze richtlijn strookt met Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (10) .

(42)

Deze richtlijn eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen in acht die met name zijn erkend in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Voorwerp en werkingssfeer

Deze richtlijn stelt voorschriften vast ten aanzien van de openbaarmaking van periodieke en actuele informatie over uitgevende instellingen waarvan effecten reeds tot de handel op een in een lidstaat gelegen of werkzame gereglementeerde markt zijn toegelaten.

Deze richtlijn is niet van toepassing op rechten van deelneming in instellingen voor collectieve belegging die niet van het closed-end-type zijn, en evenmin op in dergelijke instellingen voor collectieve belegging verworven of overgedragen deelnemingsrechten.

De lidstaten kunnen besluiten het bepaalde in artikel 16, lid 3, en artikel 18, leden 2 tot en met 4, niet toe te passen op tot de handel op een gereglementeerde markt toegelaten effecten die door een lidstaat of de regionale of plaatselijke overheden van een lidstaat zijn uitgegeven.

De lidstaten kunnen besluiten artikel 17 niet toe te passen op hun nationale centrale banken in hun hoedanigheid van uitgevende instellingen van aandelen die tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten, indien die toelating vóór de inwerkingtreding van deze richtlijn werd verleend.

Artikel 2

Definities

1.   Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:

a)

„effecten”: verhandelbare effecten in de zin van artikel 1, punt 4, van Richtlijn 93/22/EEG betreffende beleggingsdiensten en gereglementeerde markten (11), met uitzondering van geldmarktinstrumenten als bedoeld in artikel 1, punt 5, van Richtlijn 93/22/EEG/ betreffende beleggingsdiensten en gereglementeerde markten die een looptijd hebben van minder dan 12 maanden. Op deze instrumenten mag nationale wetgeving worden toegepast;

b)

„obligaties”: obligaties en andere verhandelbare schuldinstrumenten, met uitzondering van waardepapieren die met aandelen gelijk te stellen zijn of die door middel van conversie of door uitoefening van de daaraan verbonden rechten recht geven tot het verkrijgen van aandelen of met aandelen gelijk te stellen waardepapieren;

c)

„gereglementeerde markt”: een markt in de zin van artikel 4, punt 14, nr. 1, van Richtlijn 2004/39/EG;

d)

„uitgevende instelling”: een onder het publiekrecht of privaatrecht vallende juridische entiteit, met inbegrip van een staat, waarvan effecten tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten, waarbij in het geval van certificaten van aandelen de uitgevende instelling van dergelijke certificaten, ook de uitgevende instelling van de onderliggende aandelen is;

e)

„aandeelhouder” : elke natuurlijke persoon, dan wel onder het publiekrecht of het privaatrecht vallende juridische entiteit die rechtstreeks of indirect :

i)

in eigen naam en voor eigen rekening gehouden aandelen van de uitgevende instelling;

ii)

in eigen naam maar voor rekening van een andere natuurlijke persoon of juridische entiteit gehouden aandelen van de uitgevende instelling;

iii)

certificaten van aandelen, waarbij de houder van het certificaat van aandelen de aandeelhouder wordt beschouwd te zijn van de onderliggende aandelen van het certificaat van aandelen;

f)

gecontroleerde onderneming”: elke onderneming

i)

waarin een natuurlijke persoon of juridische entiteit de meerderheid van de stemrechten bezit ; of ;

ii)

waarvan een natuurlijke persoon of juridische entiteit het recht heeft de meerderheid van de leden van het leidinggevend, toezichthoudend of bestuursorgaan te benoemen of te ontslaan en tevens aandeelhouder of lid van de betrokken onderneming is; of ;

iii)

waarvan de natuurlijke persoon of juridische entiteit een aandeelhouder is en op grond van een overeenkomst met andere aandeelhouders van de onderneming, alleen de meerderheid beheerst van de stemrechten van de aandeelhouders van de betrokken onderneming ; of ;

iv)

waarover de natuurlijke persoon of juridische entiteit daadwerkelijk een overheersende invloed of zeggenschap uitoefent of de macht daartoe heeft ;

g)

„instellingen voor collectieve belegging die niet van het closed-end-type zijn”: beleggingsfondsen en beleggingsmaatschappijen:

i)

waarvan het doel de collectieve belegging is van bij het publiek aangetrokken kapitaal, met toepassing van het beginsel van risicospreiding; en

ii)

waarvan de deelnemingsrechten op verzoek van de houders ten laste van de activa van deze instellingen rechtstreeks of middellijk worden ingekocht of terugbetaald;

h)

„rechten van deelneming in een instelling voor collectieve belegging”: de door een instelling voor collectieve belegging uitgegeven effecten waarin de rechten van deelnemers op het vermogen van deze instelling zijn belichaamd;

i)

„lidstaat van herkomst”:

i)

ingeval het gaat om een uitgevende instelling van obligaties met een nominale waarde per eenheid van ten hoogste 1 000 EUR of om een uitgevende instelling van aandelen:

wanneer de uitgevende instelling in de Gemeenschap gevestigd is: de lidstaat waar zij haar statutaire zetel heeft;

wanneer de uitgevende instelling in een derde land gevestigd is: de lidstaat waar zij overeenkomstig artikel 10 van Richtlijn 2003/71/EG de jaarlijks te verstrekken informatie bij de bevoegde autoriteit moet indienen;

Dezelfde regeling is van toepassing op obligaties in een andere valuta dan de euro, mits de nominale waarde per eenheid op de uitgiftedatum minder dan 1 000 EUR is, tenzij die waarde nagenoeg gelijk is aan 1 000 EUR;

ii)

voor elke uitgevende instelling die niet onder punt i) valt, de door de uitgevende instelling gekozen lidstaat uit de lidstaat waar de uitgevende instelling haar statutaire zetel heeft en de lidstaten die haar effecten tot de handel op een op hun grondgebied gelegen of werkzame gereglementeerde markt hebben toegelaten. De uitgevende instelling mag slechts één lidstaat als haar lidstaat van herkomst kiezen. Die keuze blijft ten minste drie jaar geldig, tenzij haar effecten niet meer tot de handel op een gereglementeerde markt in de Europese Unie worden toegelaten ;

j)

„lidstaat van ontvangst”: een lidstaat waar de effecten tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten wanneer dit een andere lidstaat is dan de lidstaat van herkomst;

k)

„gereglementeerde informatie”: alle informatie die de uitgevende instelling of enigerlei andere persoon die zonder toestemming van de uitgevende instelling de toelating van haar effecten tot de handel op een gereglementeerde markt heeft aangevraagd, gehouden is te verstrekken op grond van deze richtlijn, artikel 6 van Richtlijn 2003/6/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2003 betreffende handel met voorwetenschap en marktmanipulatie (marktmisbruik)  (12) of de wettelijke bestuursrechtelijke bepalingen van een lidstaat die zijn vastgesteld uit hoofde van artikel 3, lid 1 van deze richtlijn ;

l)

„elektronische weg”: elektronische apparatuur voor de verwerking (met inbegrip van digitale compressie), opslag en verzending van gegevens via draden, radio, optische technologieën of andere elektromagnetische middelen;

m)

„beheermaatschappij”: een maatschappij in de zin van artikel 1 bis, lid 2 van Richtlijn 85/611/EEG van de Raad van 20 december 1985 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve effecten (ICBE's) (13);

n)

„marktmaker”: een persoon die op de financiële markten bij voortduring blijk geeft van de bereidheid voor eigen rekening en met eigen kapitaal te handelen door financiële instrumenten te kopen en te verkopen tegen door hemzelf vastgestelde prijzen;

o)

„kredietinstelling”: een onderneming in de zin van artikel 1, lid 1, onder a) van Richtlijn 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 maart 2000 betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen (14);

p)

„doorlopend of periodiek uitgegeven effecten”: doorlopende obligaties van dezelfde uitgevende instelling of emissies waarbij sprake is van ten minste twee afzonderlijke emissies van effecten van eenzelfde categorie en/of klasse.

2.   Voor de toepassing van de in lid 1, onder f), punt ii), vervatte definitie van „gecontroleerde onderneming” omvatten de stem-, benoemings- of ontslagrechten van de houder ook de rechten van elke andere onderneming die onder de zeggenschap van de aandeelhouder staat, alsmede die van elke natuurlijke persoon of juridische entiteit die weliswaar in eigen naam maar voor rekening van de aandeelhouder of van enigerlei andere onder de zeggenschap van de aandeelhouder staande onderneming handelt.

3.   Teneinde rekening te houden met de technische ontwikkelingen op de financiële markten en een eenvormige toepassing van lid 1 van dit artikel te garanderen, stelt de Commissie volgens de procedure van artikel 27, lid 2, uitvoeringsmaatregelen vast voor de in lid 1 vervatte definities.

De Commissie dient met name:

a)

voor de toepassing van lid 1, onder i) ii), de procedure vast te stellen volgens welke een uitgevende instelling de in deze bepaling bedoelde keuze mag maken;

b)

wanneer zulks voor de in lid 1, onder i) ii), bedoelde keuze van de lidstaat van herkomst passend wordt geacht, de periode van drie jaar voor de staat van dienst van de uitgevende instelling aan te passen in het licht van eventuele nieuwe voorschriften in het Gemeenschapsrecht die op de toelating tot de handel op een gereglementeerde markt betrekking hebben;

c)

voor de toepassing van lid 1, l), een indicatieve lijst op te stellen van hulpmiddelen die niet als „elektronische weg” mogen worden aangemerkt, rekening houdend met bijlage V bij Richtlijn 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften  (15).

Artikel 3

Integratie van effectenmarkten

1.   De lidstaat van herkomst mag een uitgevende instelling strengere verplichtingen dan die uit hoofde van deze richtlijn opleggen.

De lidstaat van herkomst mag ook een aandeelhouder, een natuurlijke persoon of een juridische entiteit als bedoeld in artikel 10 of artikel 12 strengere verplichtingen dan die uit hoofde van deze richtlijn opleggen.

2.   Het is een lidstaat van ontvangst niet toegestaan:

a)

strengere informatievereisten dan die uit hoofde van deze richtlijn of artikel 6 van Richtlijn 2003/6/EG op te leggen voor de toelating van effecten tot een op zijn grondgebied gelegen of werkzame gereglementeerde markt;

b)

aandeelhouders, of een natuurlijke persoon of juridische entiteit als bedoeld in artikel 10 of artikel 12 strengere verplichtingen dan die uit hoofde van deze richtlijn op te leggen met betrekking tot de kennisgeving van informatie.

HOOFDSTUK II

PERIODIEKE INFORMATIE

Artikel 4

Jaarlijkse financiële verslagen

1.   De uitgevende instelling maakt haar jaarlijks financieel verslag uiterlijk vier maanden na het einde van elk boekjaar aan het publiek bekend en zorgt ervoor dat dit ten minste vijf jaar publiekelijk beschikbaar blijft.

2.   Het jaarlijks financieel verslag omvat:

a)

de gecontroleerde financiële overzichten;

b)

het jaarverslag;

c)

verklaringen van de bij de uitgevende instelling terzake verantwoordelijke personen, met duidelijke vermelding van naam en functie, dat, voorzover hun bekend, de financiële overzichten opgesteld overeenkomstig de toepasselijke reeks standaarden voor jaarrekeningen een juist en getrouw beeld geven van de activa, de passiva, de financiële positie en de winst of het verlies van de uitgevende instelling en de gezamenlijke in de consolidatie opgenomen ondernemingen en dat het jaarverslag een getrouw overzicht geeft van de ontwikkeling, de prestaties en de positie van de uitgevende instelling en de gezamenlijke in de consolidatie opgenomen ondernemingen, alsmede een beschrijving van de voornaamste risico's en onzekerheden waarmee zij geconfronteerd worden .

3.    Wanneer de uitgevende instelling overeenkomstig Richtlijn 83/349/EEG van de Raad van 13 juni 1983  (16) betreffende de geconsolideerde jaarrekening verplicht is een geconsolideerde jaarrekening op te stellen, omvatten de gecontroleerde financiële overzichten de geconsolideerde jaarrekening conform Verordening (EG) nr. 1606/2002, alsmede de jaarrekening van de moederonderneming conform het nationale recht van de lidstaat waar de moederonderneming is gevestigd .

Wanneer de uitgevende instelling niet verplicht is een geconsolideerde jaarrekening op te stellen, omvatten de gecontroleerde financiële overzichten de jaarrekening opgesteld conform het nationale recht van de lidstaat waar de onderneming gevestigd is.

4.   De financiële overzichten worden gecontroleerd overeenkomstig de artikelen 51 en 51 bis van Richtlijn 78/660/EEG van de Raad van 25 juli 1978  (17) en, wanneer de uitgevende instelling verplicht is een geconsolideerde jaarrekening op te stellen, overeenkomstig artikel 37 van Richtlijn 83/349/EEG van de Raad .

Het accountantsverslag is door de met de controle van de financiële overzichten belaste persoon of personen ondertekend en wordt volledig aan het publiek bekendgemaakt samen met het jaarlijks financieel verslag.

5.   Het jaarverslag wordt opgesteld overeenkomstig artikel 46 van Richtlijn 78/660/EEG en, wanneer de uitgevende instelling verplicht is geconsolideerde jaarrekeningen op te stellen, overeenkomstig artikel 36 van Richtlijn 83/349/EEG .

6.   De Commissie stelt volgens de procedure van artikel 27, lid 2, uitvoeringsmaatregelen vast om met de technische ontwikkelingen op de financiële markten rekening te houden en een eenvormige toepassing van lid 1 van dit artikel te garanderen.

De Commissie specificeert met name de technische omstandigheden waaronder een gepubliceerd jaarlijks financieel verslag, met inbegrip van het accountantsverslag, beschikbaar moet blijven voor het publiek. De Commissie kan in voorkomend geval ook de in lid 1 genoemde periode van vijf jaar aanpassen.

Artikel 5

Halfjaarlijkse financiële verslagen

1.   De instelling die aandelen of obligaties uitgeeft maakt haar halfjaarlijks financieel verslag over de eerste zes maanden van het boekjaar zo spoedig mogelijk na afloop van de verslagperiode maar uiterlijk twee maanden na het einde ervan bekend aan het publiek. Zij zorgt ervoor dat het halfjaarlijks financieel verslag ten minste vijf jaar voor het publiek beschikbaar blijft.

2.   Het halfjaarlijks financieel verslag omvat:

a)

de verkorte financiële overzichten;

b)

een tussentijds jaarverslag;

c)

verklaringen van de bij de uitgevende instelling terzake verantwoordelijke personen, met duidelijke vermelding van naam en functie, dat, naar hun beste weten, de verkorte financiële overzichten opgesteld overeenkomstig de toepasselijke reeks standaarden voor jaarrekeningen een juist en getrouw beeld geven van de activa, de passiva, de financiële positie en de winst of het verlies van de uitgevende instelling en de gezamenlijke in de consolidatie opgenomen ondernemingen, als vereist uit hoofde van lid 3, en dat het tussentijdse jaarverslag een getrouw overzicht geeft van de uit hoofde van lid 4 vereiste informatie .

3.    Wanneer de uitgevende instelling verplicht is een geconsolideerde jaarrekening op te stellen, worden de verkorte financiële overzichten opgesteld overeenkomstig de op de tussentijdse financiële verslaggeving toepasselijke internationale standaarden voor jaarrekeningen, zoals goedgekeurd volgens de procedure van artikel 6 van Verordening (EG) nr. 1606/2002.

Wanneer de uitgevende instelling niet verplicht is een geconsolideerde jaarrekening op te stellen, bevatten de verkorte financiële overzichten ten minste een verkorte balans, een verkorte winst- en verliesrekening en de toelichting bij die rekeningen. Bij het opstellen van de verkorte balans en de verkorte winst- en verliesrekening, past de uitgevende instelling dezelfde beginselen inzake opname en waardering toe als bij het opstellen van de jaarlijkse financiële verslagen.

4.     Het tussentijds jaarverslag bevat ten minste een opsomming van belangrijke gebeurtenissen die zich de eerste zes maanden van het boekjaar hebben voorgedaan en het effect daarvan op de verkorte financiële overzichten, alsmede een beschrijving van de voornaamste risico's en onzekerheden voor de overige zes maanden van het boekjaar. Voor instellingen die aandelen uitgeven, bevat het tussentijdse jaarverslag ook de belangrijkste transacties met verbonden partijen.

5.   Indien het halfjaarlijks financieel verslag is gecontroleerd, wordt het accountantsverslag onverkort opgenomen. Hetzelfde geldt in geval van een beperkte accountantscontrole. Indien geen (beperkte) accountantscontrole van het halfjaarlijks financieel verslag heeft plaatsgevonden, dan wordt dit door de uitgevende instelling in haar verslag vermeld.

6.   De Commissie stelt volgens de procedure van artikel 27, lid 2, uitvoeringsmaatregelen vast om met de technische ontwikkelingen op de financiële markten rekening te houden en een eenvormige toepassing van de leden 1 tot en met 5 van dit artikel te garanderen.

De Commissie dient met name:

a)

te specificeren onder welke technische omstandigheden een gepubliceerd halfjaarlijks financieel verslag, met inbegrip van de accountantscontrole , beschikbaar moet blijven voor het publiek;

b)

het karakter van de beperkte accountantscontrole te verduidelijken; en

c)

de minimuminhoud van de verkorte balans en de verkorte verlies- en winstrekening en de toelichting bij die rekening te specificeren, indien zij niet opgesteld zijn overeenkomstig de internationale standaarden voor jaarrekeningen, zoals goedgekeurd volgens de procedure van artikel 6 van Verordening (EG) nr. 1606/2002.

De Commissie kan in voorkomend geval ook de in lid 1 genoemde periode van vijf jaar aanpassen.

Artikel 6

Driemaandelijkse financiële informatie

1.     Onverminderd artikel 6 van Richtlijn 2003/6/EG maakt een uitgevende instelling waarvan aandelen tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten in de eerste helft van het boekjaar een verklaring van haar bestuursorgaan openbaar, en nog een tijdens de tweede helft van het boekjaar. Die verklaring wordt afgelegd in een periode gelegen tussen tien weken na het begin en zes weken voor het einde van het betreffende halfjaar. De verklaring bevat informatie over de periode tussen het begin van het betreffende halfjaar en de datum van openbaarmaking. De verklaring omvat:

een toelichting van belangrijke gebeurtenissen en transacties die in de betreffende periode hebben plaatsgevonden en van de gevolgen daarvan voor de financiële positie van de uitgevende instelling en de onder haar zeggenschap staande ondernemingen; en

een algemene beschrijving van de financiële positie en de prestaties van de uitgevende instelling en de onder hun zeggenschap staande ondernemingen tijdens de betreffende periode.

2.     Uitgevende instellingen die uit hoofde van de nationale wetgeving, de voorschriften van de gereglementeerde markt of eigener beweging kwartaalverslagen publiceren in overeenstemming met die wetgeving of voorschriften, zijn niet verplicht om de in lid 1 voorgeschreven verklaringen van het bestuursorgaan openbaar te maken.

3.     De Commissie dient uiterlijk vijf jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn. bij de Raad en het Europees Parlement een verslag in over de transparantie van de driemaandelijkse financiële verslaggeving en van de verklaringen van het bestuursorgaan van de uitgevende instellingen, en onderzoekt hierin of de aldus verstrekte informatie de beleggers in staat stelt zich een verantwoord oordeel te vormen over de financiële positie van de uitgevende instelling. In dit verslag wordt een beoordeling opgenomen van de gevolgen die eventueel door haar voorgestelde wijzigingen van dit artikel zouden hebben.

Artikel 7

Verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid

De lidstaten dragen er zorg voor dat de verantwoordelijkheid voor de overeenkomstig de artikelen 4, 5 , 6 en 12 op te stellen en openbaar te maken informatie ten minste bij de uitgevende instelling of bij haar leidinggevend, toezichthoudend of bestuursorgaan berust en dragen er tevens zorg voor dat hun wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake aansprakelijkheid van toepassing zijn op de uitgevende instellingen, de bovenbedoelde organen of verantwoordelijke personen binnen de uitgevende instellingen .

Artikel 8

Ontheffingen

1.    De artikelen 4, 5 en 6 zijn niet van toepassing op de volgende uitgevende instellingen:

a)

een staat, een regionale of plaatselijke overheid van een staat, een openbare internationale instelling waarbij één of meer lidstaten aangesloten zijn, de Europese Centrale Bank en de nationale centrale banken van de lidstaten , ongeacht of deze al dan niet aandelen of andere effecten uitgeven; en

b)

een uitgevende instelling die uitsluitend obligaties uitgeeft die in een lidstaat tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten en waarvan de nominale waarde per eenheid ten minste 50 000 EUR bedraagt of, in het geval van obligaties in een andere valuta dan de euro, de nominale waarde per eenheid op de datum van uitgifte ten minste gelijkwaardig is aan 50 000 EUR .

2.     De lidstaten kunnen besluiten artikel 5 niet toe te passen op kredietinstellingen waarvan de aandelen niet tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten en die, doorlopend of periodiek, uitsluitend obligaties hebben uitgegeven, mits het totale bedrag van alle obligaties ten hoogste 100 000 000 EUR bedraagt, en zij geen prospectus overeenkomstig Richtlijn 2003/71/EG hebben gepubliceerd.

3.     De lidstaten kunnen besluiten artikel 5 niet toe te passen op uitgevende instellingen die al bestaan op de datum van inwerkingtreding van Richtlijn 2003/71/EG en uitsluitend, op een gereglementeerde markt, obligaties uitgeven die onvoorwaardelijk en onherroepelijk gegarandeerd zijn door een lidstaat of door een van de regionale of plaatselijke overheden van een lidstaat.

HOOFDSTUK III

ACTUELE INFORMATIE

AFDELING I

INFORMATIE OVER BELANGRIJKE DEELNEMINGEN

Artikel 9

Kennisgeving van de verwerving of overdracht van belangrijke deelnemingen

1.   De lidstaat van herkomst draagt er zorg ervoor dat een aandeelhouder die aandelen van een uitgevende instelling die tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten en waaraan stemrechten verbonden zijn, verwerft of overdraagt, de uitgevende instelling in kennis stelt van het percentage van de stemrechten dat hij na de verwerving of overdracht bezit wanneer dat percentage de drempelwaarden 5%, 10%, 15%, 20%, 25%, 30%, 50% en 75% bereikt, overschrijdt of onderschrijdt.

De stemrechten worden berekend op basis van alle aandelen waaraan stemrechten verbonden zijn, ook al is de uitoefening daarvan opgeschort. Bovendien moet die informatie ook worden verstrekt met betrekking tot alle aandelen van dezelfde categorie waaraan stemrechten verbonden zijn.

2.    De lidstaat van herkomst draagt er zorg voor dat de aandeelhouders de uitgevende instelling in kennis stellen van het percentage van de stemrechten, wanneer dat percentage de in lid 1 vastgelegde drempelwaarden bereikt, overschrijdt of onderschrijdt, ten gevolge van gebeurtenissen die de verdeling van de stemrechten hebben gewijzigd en op basis van informatie die overeenkomstig artikel 14 bekendgemaakt is. Wanneer de uitgevende instelling in een derde land gevestigd is, vindt de kennisgeving plaats voor soortgelijke gebeurtenissen.

3.   De lidstaat van herkomst is niet gehouden tot de toepassing van:

a)

de drempelwaarde van 30% wanneer de lidstaat van herkomst een drempelwaarde van één derde toepast;

b)

de drempelwaarde van 75% wanneer de lidstaat van herkomst een drempelwaarde van twee derden toepast.

4.     Dit artikel is niet van toepassing op aandelen die uitsluitend worden verworven voor de clearing en afwikkeling van transacties binnen de gebruikelijke korte afwikkelingstermijn, noch op bewaarnemers die aandelen houden in hun hoedanigheid van bewaarnemer, mits die bewaarnemers de aan die aandelen verbonden stemrechten alleen kunnen uitoefenen na daartoe schriftelijk dan wel langs elektronische weg instructies te hebben ontvangen.

5.     Artikel 9 is niet van toepassing op de verwerving of overdracht van een belangrijke deelneming die de drempelwaarde van 5% bereikt of overschrijdt door een marktmaker, handelend in zijn hoedanigheid van marktmaker, mits deze:

a)

van de lidstaat van herkomst een vergunning uit hoofde van Richtlijn 2004/39/EG heeft gekregen;

b)

geen inspraak uitoefent in het bestuur van de uitgevende instelling noch enige invloed uitoefent op de uitgevende instelling om die aandelen te kopen of de prijs van de aandelen anderszins te ondersteunen.

6.     Lidstaten van herkomst in de zin van artikel 2, lid 1, onder i), kunnen bepalen dat stemrechten die in een handelsportefeuille, als gedefinieerd in artikel 2, lid 6, van Richtlijn 93/6/EEG, van een kredietinstelling of een beleggingsonderneming worden gehouden, niet onder dit artikel vallen, mits:

a)

de stemrechten die in de handelsportefeuille worden gehouden 5% niet overschrijden, en

b)

de kredietinstelling of de beleggingsonderneming er zorg voor draagt dat de stemrechten verbonden aan aandelen die in de handelsportefeuille worden gehouden niet worden uitgeoefend en niet anderszins worden aangewend om uit te oefenen in het bestuur van de uitgevende instelling.

7.     De Commissie stelt volgens de in artikel 27, lid 2, bedoelde procedure uitvoeringsmaatregelen vast om met de technische ontwikkelingen op de financiële markten rekening te houden en een eenvormige toepassing van de leden 2, 4, en 5 te garanderen.

De Commissie specificeert met name de maximale lengte van de „korte afwikkelingstermijn”, bedoeld in lid 4, alsmede de passende mechanismen voor de controle door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst. Bovendien kan de Commissie de in lid 2 bedoelde gebeurtenissen opsommen.

Artikel 10

Verwerping of overdracht van een meerderheid van de stemrechten

De regels inzake kennisgeving als omschreven in artikel 9, leden 1 en 2, zijn ook van toepassing op een natuurlijke persoon of een juridische entiteit voorzover deze het recht heeft stemrechten te verwerven, over te dragen of uit te oefenen in een van de volgende gevallen, of een combinatie daarvan:

a)

stemrechten die een derde houdt, met wie deze persoon of entiteit een overeenkomst heeft gesloten die hen verplicht, door een onderling afgestemde uitoefening van hun stemrechten, een duurzaam gemeenschappelijk beleid inzake het beheer van de betrokken uitgevende instelling te voeren;

b)

stemrechten die een derde houdt uit hoofde van een overeenkomst die met deze persoon of entiteit is gesloten en waarin een tijdelijke en betaalde overdracht van deze stemrechten is geregeld;

c)

stemrechten die verbonden zijn aan aandelen die bij deze persoon of entiteit als zekerheid in bewaring zijn gegeven, mits de bewaarnemer de stemrechten houdt en zijn voornemen kenbaar maakt om deze uit te oefenen;

d)

stemrechten verbonden aan aandelen waarvan deze persoon of entiteit het vruchtgebruik heeft;

e)

stemrechten als bedoeld onder a) tot en met d) die worden gehouden of kunnen worden uitgeoefend door een onderneming die onder de zeggenschap van deze persoon of entiteit staat;

f)

stemrechten die verbonden zijn aan bij deze persoon of entiteit in bewaring gegeven aandelen en die deze persoon of entiteit bij gebreke van specifieke instructies van de aandeelhouders naar eigen goeddunken kan uitoefenen;

g)

stemrechten die een derde houdt in eigen naam of voor rekening van deze persoon of entiteit;

h)

stemrechten die deze persoon of entiteit als gevolmachtigde mag uitoefenen wanneer deze persoon of entiteit bij gebreke van specifieke instructies van de aandeelhouders deze stemrechten naar eigen goeddunken kan uitoefenen.

Artikel 11

Ontheffing in verband met het Europees Systeem van Centrale Banken

Artikel 9 en artikel 10, onder c), zijn niet van toepassing op aandelen verstrekt aan of door leden van het Europees Systeem van Centrale Banken (ESCB) bij de uitoefening van hun taken als monetaire autoriteiten, met inbegrip van aandelen die aan of door leden van het ESCB in het kader van een pandgeving, retrocessie- of soortgelijke overeenkomst inzake liquiditeit worden verstrekt voor monetaire beleidsdoeleinden of binnen een betalingssysteem.

De ontheffing zou gelden voor de bovenbedoelde transacties die van korte duur zijn, mits de aan die aandelen gehechte stemrechten niet worden uitgeoefend.

Artikel 12

Procedures voor de kennisgeving en openbaarmaking van belangrijke deelnemingen

1.   De bij artikel 9 en artikel 10 voorgeschreven kennisgeving bevat de volgende informatie:

a)

de resulterende situatie wat de stemrechten betreft;

b)

de keten van gecontroleerde ondernemingen via welke stemrechten daadwerkelijk worden gehouden, indien van toepassing;

c)

de datum waarop de drempelwaarde werd overschreden of bereikt;

d)

de identiteit van de aandeelhouder , ook al heeft deze niet het recht stemrechten uit te oefenen onder de in artikel 10 neergelegde voorwaarden, en van de natuurlijke persoon of juridische entiteit die gemachtigd is de stemrechten namens de aandeelhouder uit te oefenen.

2.   De kennisgeving aan de uitgevende instelling geschiedt zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen een termijn van vier handelsdagen, aanvangend op de dag na de datum waarop de aandeelhouder, of de natuurlijke persoon of juridische entiteit als bedoeld in artikel 10 :

a)

kennis krijgt van de verwerving of overdracht , of mogelijkheid om stemrechten uit te oefenen, of waarop deze, gezien de omstandigheden, daarvan kennis had moeten krijgen, ongeacht de datum waarop de verwerving, overdracht of mogelijkheid om stemrechten uit te oefenen effect sorteert; of

b)

in kennis wordt gesteld van de gebeurtenis genoemd in artikel 9, lid 2.

3.    Een onderneming wordt vrijgesteld van de verplichting de kennisgeving overeenkomstig lid 1 te verrichten , indien de kennisgeving wordt verricht door de moederonderneming of, wanneer de moederonderneming zelf een gecontroleerde onderneming is, door haar eigen moederonderneming.

4.     De moederonderneming van een beheermaatschappij is niet verplicht de deelnemingen uit hoofde van de artikelen 9 en 10 samen te voegen met de deelnemingen die worden beheerd door de beheermaatschappij onder de voorwaarden neergelegd in Richtlijn 85/611/EEG, mits die beheermaatschappij de stemrechten onafhankelijk van de moederonderneming uitoefent.

De artikelen 9 en 10 zijn echter van toepassing wanneer de moederonderneming, of een andere gecontroleerde onderneming van de moederonderneming, heeft belegd in deelnemingen die door die beheermaatschappij worden beheerd, en het niet aan de beheermaatschappij is de stemrechten van deze deelnemingen uit te oefenen, en de beheermaatschappij deze stemrechten alleen op grond van directe of indirecte aanwijzingen van de moederonderneming of een andere gecontroleerde onderneming van de moederonderneming kan uitoefenen.

5.     De moederonderneming van een beleggingsonderneming die een vergunning heeft gekregen uit hoofde van Richtlijn 2004/39/EG, is niet verplicht haar deelnemingen uit hoofde van de artikelen 9 en 10 samen te voegen met de deelnemingen die deze beleggingsonderneming per cliënt beheert in de zin van artikel 4, lid 1, punt 9 van Richtlijn 2004/39/EG, mits:

de beleggingsonderneming op grond van bijlage I, deel A, punt 4 van Richtlijn 2004/39/EG een vergunning heeft om dergelijk portefeuillebeheer te verrichten;

zij de aan die aandelen verbonden stemrechten alleen mag uitoefenen na daartoe schriftelijk dan wel langs elektronische weg instructies te hebben ontvangen of er, door het treffen van passende regelingen, zorg voor draagt dat individueel portefeuillebeheer onafhankelijk van andere diensten wordt verricht onder voorwaarden die gelijkwaardig zijn aan de voorwaarden waarin wordt voorzien bij Richtlijn 85/611/EEG;

de beleggingsonderneming de stemrechten onafhankelijk van de moederonderneming uitoefent.

De artikelen 9 en 10 zijn echter van toepassing wanneer de moederonderneming, of een andere gecontroleerde onderneming van de moederonderneming, heeft belegd in deelnemingen die door die beleggingsonderneming worden beheerd, en het niet aan de beleggingsonderneming is de stemrechten van deze deelnemingen uit te oefenen, en de beleggingsonderneming deze stemrechten alleen op grond van directe of indirecte aanwijzingen van de moederonderneming of een andere gecontroleerde onderneming van de moederonderneming kan uitoefenen.

6.   Uiterlijk drie handelsdagen na ontvangst van de in lid 1 bedoelde kennisgeving maakt de uitgevende instelling alle in de kennisgeving vervatte informatie openbaar.

7.     De lidstaat van herkomst kan een uitgevende instelling van de in lid 4 neergelegde verplichting vrijstellen indien de in de kennisgeving vervatte informatie door de bevoegde autoriteit van die lidstaat, onder de in artikel 17 neergelegde voorwaarden, openbaar wordt gemaakt bij de ontvangst van de kennisgeving, maar uiterlijk drie handelsdagen daarna.

8.   Teneinde rekening te houden met de technische ontwikkelingen op de financiële markten en een eenvormige toepassing van de leden 1, 2, 4, 5 en 6 van dit artikel te garanderen, stelt de Commissie volgens de procedure van artikel 27, lid 2, uitvoeringsmaatregelen vast:

a)

om een standaardformulier op te stellen dat overal in de Gemeenschap moet worden gebruikt om de uitgevende instelling van de in lid 1 bedoelde informatie in kennis te stellen of om informatie in te dienen overeenkomstig artikel 19, lid 3;

b)

om voor alle lidstaten een kalender van de „ handelsdagen ” vast te stellen;

c)

om te bepalen in welke gevallen de aandeelhouder of de in artikel 10 bedoelde natuurlijke persoon of juridische entiteit of beide de vereiste kennisgeving aan de uitgevende instelling zullen verrichten;

d)

om te verduidelijken in welke omstandigheden de aandeelhouder, of de in artikel 10 bedoelde natuurlijke persoon of juridische entiteit, kennis hadden moeten krijgen van de verwerving of overdracht;

e)

om de voorwaarden van onafhankelijkheid te verduidelijken waaraan beheermaatschappijen en hun moederondernemingen, of beleggingsondernemingen en hun moederondernemingen, moeten voldoen om recht te hebben op de vrijstellingen bedoeld in de leden 4 en 5.

Artikel 13

Het houden van financiële instrumenten die het recht verlenen om aandelen te verwerven

1.     De in artikel 9 vastgelegde kennisgevingsvereisten zijn ook van toepassing op een natuurlijke persoon of juridische entiteit die, rechtstreeks of middellijk, financiële instrumenten houdt die het recht verlenen om, uitsluitend op eigener beweging, uit hoofde van een formele overeenkomst, reeds uitgegeven aandelen waaraan stemrechten zijn verbonden te verwerven van een uitgevende instelling waarvan de aandelen tot een gereglementeerde markt zijn toegelaten.

2.     De Commissie stelt volgens de in artikel 27, lid 2, bedoelde procedure uitvoeringsmaatregelen vast om met de technische ontwikkelingen op de financiële markten rekening te houden en een eenvormige toepassing van lid 1 van dit artikel te garanderen. Zij bepaalt met name:

a)

de soorten financiële instrumenten als bedoeld in lid 1, en de wijze waarop ze worden samengevoegd;

b)

de aard van de in lid 1 bedoelde formele overeenkomst;

c)

de inhoud van de te verrichten kennisgeving, waarvoor zij een standaardformulier opstelt dat daartoe in de hele Gemeenschap moet worden gebruikt;

d)

de kennisgevingstermijn;

e)

de geadresseerde van de kennisgeving.

Artikel 14

Het verwerven of overdragen door een uitgever van eigen aandelen

1.     Wanneer een uitgevende instelling van tot de handel op een gereglementeerde markt toegelaten aandelen eigen aandelen verwerft of overdraagt, zelf of via een persoon die in eigen naam maar voor rekening van de uitgevende instelling optreedt, draagt de lidstaat van herkomst er zorg voor dat de uitgevende instelling het percentage eigen aandelen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk vier handelsdagen na die verwerving of overdracht bekendmaakt wanneer dat percentage 5% of 10% van de stemrechten bereikt, overschrijdt of onderschrijdt. Het percentage wordt berekend op basis van het totale aantal aandelen waaraan stemrechten verbonden zijn.

2.     De Commissie stelt volgens de in artikel 27, lid 2, bedoelde procedure uitvoeringsmaatregelen vast om met de technische ontwikkelingen op de financiële markten rekening te houden en een eenvormige toepassing van lid 1 van dit artikel te garanderen.

Artikel 15

Totale aantal stemrechten en kapitaal

De lidstaat van herkomst schrijft ten minste voor dat de uitgevende instelling het totale aantal stemrechten en het totale kapitaal aan het publiek bekendmaakt (met het oog op de berekening van de in artikel 9 bepaalde drempelwaarden), op het eind van elke kalendermaand tijdens welke dat totale aantal stemrechten of totale kapitaal is gestegen of gedaald.

Artikel 16

Aanvullende informatie

1.    De uitgevende instelling van tot de handel op een gereglementeerde markt toegelaten aandelen maakt onverwijld alle wijzigingen in de rechten die aan de diverse aandelencategorieën verbonden zijn openbaar , met inbegrip van wijzigingen in de rechten die verbonden zijn aan afgeleide effecten die door de uitgevende instelling zelf zijn uitgegeven en recht geven op aandelen van deze uitgevende instelling.

2.     De uitgevende instelling van andere effecten dan aandelen, die tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten, maakt onverwijld wijzigingen in de rechten van houders van andere effecten dan aandelen openbaar, met inbegrip van wijzigingen in de voorwaarden betreffende die effecten, die indirect van invloed zouden kunnen zijn op die rechten, met name wijzigingen voortvloeiend uit een wijziging in leningsvoorwaarden of rentevoeten.

3.     De uitgevende instelling van tot de handel op een gereglementeerde markt toegelaten effecten maakt onverwijld nieuwe emissies van leningen en inzonderheid van de daarbij behorende garanties of zekerheid openbaar. Onverminderd Richtlijn 2003/6/EG gelden de bepalingen van dit lid niet voor een openbaar internationaal orgaan waarvan minstens één lidstaat lid is.

AFDELING II

INFORMATIE VOOR HOUDERS VAN EFFECTEN DIE TOT DE HANDEL OP EEN GEREGLEMENTEERDE MARKT ZIJN TOEGELATEN

Artikel 17

Informatie vereisten voor uitgevende instellingen waarvan de aandelen tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten

1.   De uitgevende instelling van tot de handel op een gereglementeerde markt toegelaten aandelen draagt zorg voor een gelijke behandeling van aandeelhouders die zich in identieke omstandigheden bevinden.

2.   De uitgevende instelling zorgt ervoor dat in de lidstaat van herkomst de nodige faciliteiten en informatie ter beschikking staan opdat de aandeelhouders hun rechten kunnen uitoefenen, en dat de integriteit van de gegevens bewaard blijft. De aandeelhouders wordt niet belet hun rechten bij volmacht uit te oefenen overeenkomstig het recht van het land waar de uitgevende instelling gevestigd is . Met name moet de uitgevende instelling:

a)

informatie verstrekken over de plaats, het tijdstip en de agenda van de vergaderingen, het totale aantal aandelen en stemrechten en het recht van aandeelhouders om vergaderingen bij te wonen;

b)

op papier of, in voorkomend geval, langs elektronische weg, samen met het bericht betreffende de vergadering een volmachtformulier beschikbaar stellen aan iedere persoon die het recht heeft te stemmen op een aandeelhoudersvergadering danwel op verzoek na de aankondiging van de vergadering ;

c)

een financiële instelling aanwijzen als gemachtigde waarbij de aandeelhouders hun financiële rechten kunnen uitoefenen; en

d)

berichten publiceren of circulaires verspreiden betreffende de vaststelling en de betaling van dividenden en de uitgifte van nieuwe aandelen, waarbij tevens informatie wordt verstrekt over eventuele regelingen voor de toewijzing, inschrijving, annulering of conversie.

3.   De lidstaat van herkomst staat toe dat uitgevende instellingen langs elektronische weg informatie naar aandeelhouders verzenden, mits een besluit in deze zin is genomen op een algemene vergadering en ten minste aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a)

de verzending van informatie langs elektronische weg is in geen enkel opzicht afhankelijk van de locatie van de zetel of woonplaats van de aandeelhouder of, in de in artikel 10, onder a) tot en met h), bedoelde gevallen, van de natuurlijke personen of juridische entiteiten;

b)

er zijn identificatieregelingen getroffen zodat de aandeelhouders of de natuurlijke personen of juridische entiteiten die stemrechten kunnen uitoefenen of de uitoefening van stemrechten kunnen sturen, daadwerkelijk worden ingelicht;

c)

er zal schriftelijk contact worden opgenomen met aandeelhouders of, in de in artikel 10, onder a) tot en met e) bedoelde gevallen, de natuurlijke personen of rechtspersonen die het recht hebben stemrechten te verwerven, over te dragen of uit te oefenen, om hun toestemming te vragen voor de verzending van informatie langs elektronische weg; indien zij niet binnen een redelijke termijn bezwaar maken, wordt hun toestemming geacht te zijn gegeven; zij kunnen te allen tijde in de toekomst verzoeken dat de informatie schriftelijk wordt verzonden;

d)

bij de vaststelling van een eventuele verdeelsleutel voor de kosten die uit de verzending van informatie langs elektronische weg voortvloeien, neemt de uitgevende instelling het in lid 1 neergelegde beginsel van de gelijke behandeling in acht.

4.   De Commissie stelt volgens de procedure van artikel 27, lid 2, uitvoeringsmaatregelen vast om zowel met de technische ontwikkelingen op de financiële markten als met de ontwikkelingen in de informatie- en de communicatietechnologie rekening te houden en tevens een eenvormige toepassing van de leden 1, 2 en 3 van dit artikel te garanderen. Zij specificeert met name de categorieën financiële instellingen waarbij een aandeelhouder de in lid 2, onder c), bedoelde financiële rechten kan uitoefenen.

Artikel 18

Informatie vereisten voor uitgevende instellingen waarvan de obligaties tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten

1.   De uitgevende instelling van tot de handel op een gereglementeerde markt toegelaten obligaties draagt zorg voor een gelijke behandeling van houders van obligaties van eenzelfde lening voor alle aan deze obligaties verbonden rechten.

2.   De uitgevende instelling zorgt ervoor dat in de lidstaat van herkomst de nodige faciliteiten en informatie voor het publiek ter beschikking staan opdat de obligatiehouders hun rechten kunnen uitoefenen, en dat de integriteit van de gegevens bewaard blijft. De obligatiehouders wordt niet belet hun rechten bij volmacht uit te oefenen overeenkomstig het recht van het land waar de uitgevende instelling gevestigd is . Met name moet de uitgevende instelling:

a)

berichten publiceren of circulaires verspreiden betreffende de plaats, het tijdstip en de agenda van vergaderingen van obligatiehouders, de rentebetaling, de uitoefening van eventuele rechten inzake conversie, omwisseling, inschrijving of annulering, en de aflossing, alsook betreffende het recht van obligatiehouders om dergelijke vergaderingen bij te wonen;

b)

op papier of, in voorkomend geval, langs elektronische weg, samen met het bericht betreffende de vergadering een volmachtformulier beschikbaar stellen aan iedere persoon die het recht heeft te stemmen op een obligatiehoudersvergadering danwel op verzoek na de aankondiging van de vergadering en

c)

een financiële instelling aanwijzen als gemachtigde waarbij de obligatiehouders hun financiële rechten kunnen uitoefenen.

3.   Indien het de bedoeling is dat alleen houders van obligaties met een nominale waarde per eenheid van ten minste 50 000 EUR of, in het geval van obligaties in een andere valuta dan euro, met een nominale waarde per eenheid die op de datum van uitgifte ten minste gelijkwaardig is aan 50 000 EUR, op een vergadering worden uitgenodigd, dan mag de uitgevende instelling om het even welke lidstaat als vergaderplaats kiezen, mits in deze lidstaat alle nodige faciliteiten en informatie ter beschikking staan opdat deze obligatiehouders hun rechten kunnen uitoefenen.

4.   De lidstaat van herkomst of de overeenkomstig lid 3 door de uitgevende instelling gekozen lidstaat staat toe dat uitgevende instellingen langs elektronische weg informatie naar obligatiehouders verzenden, mits een besluit in deze zin is genomen op een algemene vergadering en ten minste aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a)

de verzending van informatie langs elektronische weg is in geen enkel opzicht afhankelijk van de locatie van de zetel of woonplaats van de obligatiehouder of van een gevolmachtigde die deze houder vertegenwoordigt;

b)

er zijn identificatieregelingen getroffen zodat obligatiehouders daadwerkelijk worden ingelicht;

c)

er zal schriftelijk contact worden opgenomen met obligatiehouders om hun toestemming te vragen voor de verzending van informatie langs elektronische weg; indien zij niet binnen een redelijke termijn bezwaar maken, wordt hun toestemming geacht te zijn gegeven; zij kunnen te allen tijde in de toekomst verzoeken dat de informatie schriftelijk wordt verzonden;

d)

bij de vaststelling van een eventuele verdeelsleutel voor de kosten die uit de verzending van informatie langs elektronische weg voortvloeien, neemt de uitgevende instelling het in lid 1 neergelegde beginsel van de gelijke behandeling in acht.

5.   De Commissie stelt volgens de procedure van artikel 27, lid 2, uitvoeringsmaatregelen vast om zowel met de technische ontwikkelingen op de financiële markten als met de ontwikkelingen in de informatie- en de communicatietechnologie rekening te houden en tevens een eenvormige toepassing van de leden 1 tot en met 4 van dit artikel te garanderen. Zij specificeert met name de categorieën financiële instellingen waarbij een obligatiehouder de in lid 2, onder c), bedoelde financiële rechten kan uitoefenen.

HOOFDSTUK IV

ALGEMENE VERPLICHTINGEN

Artikel 19

Toezicht door de lidstaat van herkomst

1.   Telkens als een uitgevende instelling of de persoon die zonder toestemming van de uitgevende instelling heeft verzocht om toelating van haar effecten tot de handel op een gereglementeerde markt, gereglementeerde informatie openbaar maakt, dient zij deze informatie tegelijkertijd in bij de bevoegde autoriteit van haar lidstaat van herkomst. Deze bevoegde autoriteit kan besluiten de ingediende informatie op haar internetsite bekend te maken.

Wanneer een uitgevende instelling voornemens is haar oprichtingsakte of statuten te wijzigen, deelt zij het ontwerp van deze wijziging mee aan de bevoegde autoriteit van haar lidstaat van herkomst en aan de gereglementeerde markt waarop haar effecten tot de handel zijn toegelaten. Deze mededeling moet onverwijld geschieden en uiterlijk op de datum van de bijeenroeping van de algemene vergadering die over de wijziging moet stemmen of daarvan in kennis zal worden gesteld.

2.   De lidstaat van herkomst kan een uitgevende instelling van de verplichting uit hoofde van lid 1 ontheffen wanneer het overeenkomstig artikel 6 van Richtlijn 2003/6/EG of artikel 12, lid 6, van deze richtlijn openbaar gemaakte informatie betreft.

3.   Informatie die overeenkomstig artikelen 9, 10, 11 en 12 ter kennis van de uitgevende instelling moet worden gebracht, wordt tegelijkertijd ingediend bij de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst.

4.   De Commissie stelt volgens de procedure van artikel 27, lid 2, uitvoeringsmaatregelen vast om een eenvormige toepassing van de leden 1, 2 en 3 van dit artikel te garanderen.

De Commissie specificeert met name de procedure volgens welke een uitgevende instelling of een aandeelhouder of andere financiële instrumenten, of een persoon als bedoeld in artikel 10, overeenkomstig respectievelijk de leden 1 of 3 informatie bij de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst moet indienen teneinde:

a)

in de lidstaat van herkomst indiening langs elektronische weg mogelijk te maken;

b)

de indiening van het in artikel 4 van deze richtlijn bedoelde jaarlijks financieel verslag te coördineren met de indiening van de in artikel 10 van Richtlijn 2003/71/EG bedoelde jaarlijks te verstrekken informatie.

Artikel 20

Taalregeling

1.   Wanneer effecten alleen in de lidstaat van herkomst tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten, wordt de gereglementeerde informatie openbaar gemaakt in een taal die door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst wordt aanvaard .

2.   Wanneer effecten zowel in de lidstaat van herkomst als in één of meer lidstaten van ontvangst tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten, wordt de gereglementeerde informatie openbaar gemaakt:

a)

in een taal die door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst wordt aanvaard; en

b)

naar keuze van de uitgevende instelling, hetzij in een taal die door de bevoegde autoriteiten van die lidstaten van ontvangst wordt aanvaard, hetzij in een taal die in internationale financiële kringen pleegt te worden gebruikt.

3.   Wanneer effecten in één of meer lidstaten van ontvangst maar niet in de lidstaat van herkomst tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten, wordt de gereguleerde informatie , naar keuze van de uitgevende instelling, bekendgemaakt hetzij in een taal die door de bevoegde autoriteiten van die lidstaten van ontvangst wordt aanvaard , hetzij in een taal die in internationale financiële kringen pleegt te worden gebruikt.

Bovendien kan de lidstaat van herkomst in zijn wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen voorschrijven dat de gereglementeerde informatie, naar keuze van de uitgevende instelling, bekend wordt gemaakt hetzij in een taal die door zijn autoriteit wordt aanvaard, hetzij in een taal die in internationale financiële kringen pleegt te worden gebruikt.

4.   Wanneer effecten zonder toestemming van de uitgevende instelling tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten, berusten de verplichtingen uit hoofde van de leden 1, 2 en 3 niet op de uitgevende instelling maar op de persoon die zonder toestemming van de uitgevende instelling de toelating tot de handel heeft aangevraagd.

5.   De lidstaten staan aandeelhouders en de natuurlijke persoon of juridische entiteit als bedoeld in de artikelen 9, 10 en 12 toe om een uitgevende instelling , uitsluitend in een taal die in internationale financiële kringen pleegt te worden gebruikt uit hoofde van deze richtlijn in kennis te stellen van informatie. Indien de uitgevende instelling een dergelijke kennisgeving ontvangt, kunnen de lidstaten de uitgevende instelling niet verplichten een vertaling in een door de bevoegde autoriteiten aanvaarde taal te verstrekken.

6.     Wanneer effecten met een nominale waarde per eenheid van ten minste 50 000 EUR of, in het geval van effecten in een andere valuta dan de euro, met een nominale waarde per eenheid die op de datum van uitgifte ten minste gelijkwaardig is aan 50 000 EUR, in één of meer lidstaten tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten, wordt de gereglementeerde informatie, in afwijking van de leden 1 tot en met 4 naar keuze van de uitgevende instelling of de persoon die zonder toestemming van de uitgevende instelling om die toelating heeft verzocht, aan het publiek bekendgemaakt, hetzij in een taal die door de bevoegde autoriteiten van die lidstaten van ontvangst wordt aanvaard, hetzij in een taal die in internationale financiële kringen pleegt te worden gebruikt.

7.   Indien in een lidstaat bij een rechterlijke instantie een vordering met betrekking tot de inhoud van gereglementeerde informatie wordt ingesteld, dan wordt overeenkomstig het recht van de betrokken lidstaat beslist over de verantwoordelijkheid voor de betaling van de kosten die ten behoeve van de gerechtelijke procedure voor de vertaling van deze informatie zijn gemaakt.

Artikel 21

Snelle toegang tot gereglementeerde informatie

1.   De lidstaat van herkomst draagt er zorg voor dat de uitgevende instelling , of de persoon die, zonder toestemming van de uitgevende instelling, heeft verzocht om toelating tot de handel op een gereglementeerde markt, de gereglementeerde informatie op zodanige wijze openbaar maakt dat deze snel en op nietdiscriminerende basis toegankelijk is en die informatie beschikbaar stelt aan het officieel aangewezen mechanisme als bedoeld in lid 2. De uitgevende instelling of de persoon die, zonder toestemming van de uitgevendei nstelling, heeft verzocht om toelating tot de handel op een gereglementeerde markt, mag de beleggers geen specifieke kosten voor het verschaffen van die informatie aanrekenen. De lidstaat van herkomst verplicht de uitgevende instelling er met name toe gebruik te maken van media waarvan redelijkerwijze mag worden aangenomen dat zij voor een doeltreffende verspreiding van de informatie in de hele Europese Unie kunnen zorgen. De lidstaat van herkomst mag de uitgevende instelling er niet toe te verplichten alleen gebruik te maken van media waarvan de exploitanten op zijn grondgebied gevestigd zijn.

2.     De lidstaat van herkomst draagt er zorg voor dat er ten minste één officieel aangewezen mechanisme is voor de centrale opslag van gereglementeerde informatie. Die mechanismen moeten voldoen aan minimumnormen op het gebied van beveiliging, betrouwbaarheid van de informatiebron, tijdregistratie en gemakkelijke toegang voor eindgebruikers en worden afgestemd de indieningsprocedure van artikel 19, lid 1.

3.    Wanneer effecten in slechts één lidstaat van ontvangst en niet in de lidstaat van herkomst tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten, draagt de betrokken lidstaat van ontvangst er zorg voor dat de gereglementeerde informatie met inachtneming van de verplichtingen uit hoofde van lid 1 openbaar wordt gemaakt.

4.   Teneinde zowel met de technische ontwikkelingen op de financiële markten als met de ontwikkelingen in de informatie- en de communicatietechnologie rekening te houden en tevens een eenvormige toepassing van de leden 1, 2 en 3 van dit artikel te garanderen, stelt de Commissie volgens de procedure van artikel 27, lid 2, uitvoeringsmaatregelen vast.

De Commissie specificeert met name:

a)

minimumnormen voor de verspreiding van gereglementeerde informatie als bedoeld in lid 1 ;

b)

minimumnormen voor de mechanismen voor centrale opslag als bedoeld in lid 2.

De Commissie kan ook een lijst van media voor de verspreiding van informatie onder het publiek opstellen en actualiseren.

Artikel 22

Richtsnoeren

1.   De bevoegde autoriteiten van de lidstaten stellen passende richtsnoeren vast teneinde de uit hoofde van Richtlijn 2003/6/EG, Richtlijn 2003/71/EG en deze richtlijn openbaar te maken informatie beter toegankelijk te maken voor het publiek.

Doel van deze richtsnoeren is het opzetten van:

a)

een elektronisch netwerk op nationaal niveau tussen nationale effectentoezichthouders, exploitanten van gereglementeerde markten en de nationale vennootschapsregisters die onder Richtlijn 68/151/EEG van de Raad van 9 maart 1968 strekkende tot het coördineren van de waarborgen, welke in de lidstaten worden verlangd van de vennootschappen in de zin van de tweede alinea van artikel 58 van het Verdrag, om de belangen te beschermen zowel van de deelnemers in deze vennootschappen als van derden, zulks ten einde die waarborgen gelijkwaardig te maken  (18) vallen; en

b)

één enkel elektronisch netwerk of een platform van elektronische netwerken dat alle lidstaten bestrijkt.

2.   De Commissie maakt uiterlijk op 31 december 2006 een balans op van de op het gebied van de tenuitvoerlegging van lid 1 behaalde resultaten en kan volgens de procedure van artikel 27, lid 2, uitvoeringsmaatregelen vaststellen om de naleving van de artikelen 19 en 21 te vergemakkelijken.

Artikel 23

Derde landen

1.   Wanneer de statutaire zetel van een uitgevende instelling in een derde land gelegen is, dan kan de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst deze uitgevende instelling ontheffing verlenen van de verplichtingen uit hoofde van de artikelen 4 tot en met 7, artikel 12, lid 6 en de artikelen 13, 14, 16 en 18, mits het recht van het betrokken derde land ten minste gelijkwaardige verplichtingen oplegt of de uitgevende instelling zich houdt aan de verplichtingen krachtens de wetgeving van een derde land, die door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst gelijkwaardig worden beschouwd.

De informatie waarvoor de in het derde land opgelegde verplichtingen gelden, wordt echter ingediend overeenkomstig artikel 19 en openbaar gemaakt overeenkomstig de artikelen 20 en 21.

2.     In afwijking van lid 1 is een uitgevende instelling wier statutaire zetel in een derde land gelegen is niet verplicht tot het opstellen van een financieel overzicht als bedoeld in artikel 4 of artikel 5, voorafgaand aan het boekjaar dat begint op of na 1 januari 2007, mits een dergelijke uitgevende instelling haar financiële overzichten opstelt overeenkomstig internationaal gangbare normen als bedoeld in artikel 9 van Verordening (EG) nr. 1606/2002.

3.   De bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst draagt er zorg voor dat de in een derde land bekendgemaakte informatie die voor het publiek in de Gemeenschap van belang kan zijn, overeenkomstig de artikelen 20 en 21 openbaar wordt gemaakt, ook al gaat het niet om gereglementeerde informatie in de zin van artikel 2, lid 1, onder k), van deze richtlijn.

4.   Teneinde een eenvormige toepassing van lid 1 te garanderen, stelt de Commissie volgens de procedure van artikel 27, lid 2, uitvoeringsmaatregelen vast waarin:

a)

wordt voorzien in een mechanisme voor het waarborgen van gelijkwaardigheid van de informatie vereist uit hoofde van deze richtlijn, met inbegrip van financiële verklaringen, en van de informatie, met inbegrip van financiële verklaringen, die uit hoofde van de wet, voorschriften of administratieve bepalingen van een derde land, is vereist;

b)

wordt bepaald dat een derde land zorg draagt voor de gelijkwaardigheid met de informatievereisten uit hoofde van deze richtlijn door middel van zijn binnenlands recht, wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen of doordat de aldaar gangbare praktijken of procedures gebaseerd zijn op door internationale organisaties opgestelde internationale standaarden. De Commissie neemt overeenkomstig de procedure van artikel 27, lid 2, en uiterlijk vijf jaar na de in artikel 31 vermelde datum, de noodzakelijke besluiten inzake de gelijkwaardigheid van standaarden voor jaarrekeningen die overeenkomstig het bepaalde in artikel 30, lid 3, worden gehanteerd door uitgevende instellingen van derde landen. Indien de Commissie van oordeel is dat deze normen niet gelijkwaardig zijn, kan zij de uitgevende instellingen van het derde land in kwestie toestemming geven deze normen gedurende een gepaste overgangsperiode te blijven hanteren.

5.     Met het oog op een uniforme toepassing van lid 3 kan de Commissie, overeenkomstig de procedure van artikel 27, lid 2, uitvoeringsmaatregelen vaststellen waarin wordt vastgelegd welk soort in het derde land vrijgegeven informatie voor het EU-publiek van belang is.

6.     Ondernemingen waarvan de statutaire zetel in een derde land gelegen is, die overeenkomstig artikel 5, lid 1, van Richtlijn 85/611/EEG of, met betrekking tot portefeuillebeheer overeenkomstig bijlage I, deel A, punt 4 van Richtlijn 2004/39/EG (RBD2), een vergunning nodig zouden hebben indien hun statutaire zetel of (alleen voor beleggingsondernemingen) hun hoofdkantoor in de Gemeenschap gelegen was, zijn onder de voorwaarden van artikel 12, leden 4 en 5, ook vrijgesteld van de samenvoeging van deelnemingen met de deelnemingen van hun moederonderneming, mits zij aan gelijkwaardige voorwaarden op het gebied van onafhankelijkheid als beheermaatschappijen of beleggingsondernemingen voldoen.

7.     Teneinde rekening te houden met de technische ontwikkelingen op de financiële markten en een eenvormige toepassing van lid 4 te garanderen, stelt de Commissie volgens de in artikel 27, lid 2, bedoelde procedure uitvoeringsmaatregelen vast waarin wordt bepaald dat een derde land, door middel van zijn binnenlands recht, wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen, zorg draagt voor de gelijkwaardigheid met de onafhankelijkheidsvereisten uit hoofde van deze richtlijn en de maatregelen ter uitvoering daarvan.

HOOFDSTUK V

BEVOEGDE AUTORITEITEN

Artikel 24

Bevoegde autoriteiten en hun bevoegdheden

1.   Elke lidstaat wijst de in artikel 21, lid 1, van Richtlijn 2003/71/EG bedoelde centrale autoriteit aan als centrale bevoegde administratieve autoriteit die verantwoordelijk is voor het vervullen van de in deze richtlijn omschreven verplichtingen en voor het zeker stellen dat de ter uitvoering van deze richtlijn vastgestelde bepalingen worden toegepast. De lidstaten stellen de Commissie van deze aanwijzing in kennis.

2.     De lidstaten kunnen voor de toepassing van lid 5, onder h), evenwel een andere bevoegde autoriteit dan de in lid 1 bedoelde centrale bevoegde autoriteit aanwijzen.

3.   De lidstaten kunnen hun centrale bevoegde autoriteit toestaan taken te delegeren. Behalve wat betreft de in lid 5, onder h), bedoelde taken, wordt elke delegatie van taken met betrekking tot de in deze richtlijn of in de maatregelen ter uitvoering ervan omschreven verplichtingen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn getoetst en eindigt zij acht jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn . Wanneer taken worden toegewezen, geschiedt dat op specifieke wijze, waarbij melding wordt gemaakt van de te vervullen taken en de voorwaarden waaronder deze taken dienen te worden uitgevoerd.

In deze voorwaarden is een bepaling opgenomen die de entiteit in kwestie ertoe verplicht zich zodanig te organiseren dat belangenconflicten worden vermeden en dat in het kader van de uitoefening van de gedelegeerde taken verkregen informatie niet onrechtmatig wordt gebruikt en evenmin wordt aangewend om concurrentie te verhinderen. De eindverantwoordelijkheid voor het toezicht op de naleving van de bepalingen van deze richtlijn en van alle ter uitvoering ervan genomen maatregelen berust hoe dan ook bij de overeenkomstig lid 1 aangewezen bevoegde autoriteit.

4.   De lidstaten stellen de Commissie en de bevoegde autoriteiten van de andere lidstaten in kennis van alle met het oog op de delegatie van taken getroffen regelingen, inclusief de precieze voorwaarden voor het delegeren van taken.

5.   Aan een bevoegde autoriteit worden alle bevoegdheden verleend die nodig zijn voor de vervulling van haar taken. Zij heeft ten minste het recht om:

a)

accountants, uitgevende instellingen , aandeelhouders of andere instrumenten, of de in de artikelen 10 of 12 genoemde personen en de personen onder wiens zeggenschap zij staan of over wie zij zeggenschap uitoefenen, te verplichten informatie en documenten te verstrekken;

b)

van de uitgevende instelling te verlangen dat zij de onder a) bedoelde informatie aan het publiek bekendmaken met behulp van de middelen en binnen de termijn die de autoriteit noodzakelijk acht. Ingeval de uitgevende instelling, dan wel de personen onder wiens zeggenschap zij staat of over wie zij zeggenschap uitoefent, deze informatie niet bekendmaken, kan de autoriteit dit op eigen initiatief doen na de uitgevende instelling te hebben gehoord;

c)

van de bedrijfsleiding van de uitgevende instelling en van de aandeelhouders of andere financiële instrumenten, of van de in de artikelen 10 en 12 bedoelde personen, te verlangen dat zij kennis geven van de krachtens deze richtlijn of overeenkomstig de op grond van deze richtlijn aangenomen nationale wetgeving mee te delen informatie en, indien nodig, verdere informatie en documenten verstrekken;

d)

de effectenhandel telkens voor maximaal tien dagen op te schorten, of de betrokken gereglementeerde markt te verzoeken dit te doen, wanneer zij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat de uitgevende instelling inbreuk op de bepalingen van deze richtlijn of op de conform deze richtlijn aangenomen nationale wetgeving heeft gepleegd;

e)

de handel op een gereglementeerde markt te verbieden wanneer zij tot de bevinding komt dat er inbreuk op de bepalingen van deze richtlijn of op de conform deze richtlijn aangenomen nationale wetgeving is gepleegd, of gegronde redenen heeft om aan te nemen dat er inbreuk op deze bepalingen en deze wetgeving zou kunnen worden gepleegd;

f)

erop toe te zien dat de uitgevende instelling tijdig informatie verstrekt om ervoor te zorgen dat deze in alle lidstaten waar de effecten worden verhandeld, daadwerkelijk en gelijkelijk toegankelijk is voor het publiek en passende actie te ondernemen indien dat niet het geval is ;

g)

openbaar te maken dat een uitgevende instelling of een aandeelhoudes of andere financiële instrumenten, of een persoon als bedoeld in de artikelen 10 en 12, niet aan zijn verplichtingen voldoet;

h)

na te gaan of de in deze richtlijn bedoelde informatie is opgesteld overeenkomstig de toepasselijke voorschriften voor de verslaglegging en passende maatregelen te nemen indien inbreuken worden vastgesteld; en

i)

op haar grondgebied overeenkomstig de nationale wetgeving inspecties ter plaatse uit te voeren om na te gaan of deze richtlijn en de maatregelen tot uitvoering ervan worden nageleefd. Indien de nationale wetgeving dat vereist, kan (kunnen) de bevoegde autoriteit(en) gebruik maken van dit recht door middel van een verzoek aan de bevoegde rechterlijke instantie en/of in samenwerking met andere autoriteiten.

6.    De leden 1 tot en met 5 laten de mogelijkheid onverlet voor een lidstaat om aparte juridische en administratieve regelingen te treffen voor overzeese Europese grondgebieden waarvan hij de buitenlandse betrekkingen behartigt.

7.     Melding aan de bevoegde autoriteiten door accountants van feiten of besluiten die verband houden met de verzoeken van de bevoegde autoriteit uit hoofde van artikel 24, lid 5, onder a), vormt geen inbreuk op enige uit hoofde van overeenkomst of van een wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling opgelegde beperking inzake de verstrekking van informatie, en leidt voor de betrokken accountants tot geen enkele vorm van aansprakelijkheid.

Artikel 25

Beroepsgeheim en samenwerking tussen lidstaten

1.   Het beroepsgeheim geldt voor alle personen die werkzaam zijn of zijn geweest bij de bevoegde autoriteit en bij entiteiten waaraan de bevoegde autoriteit eventueel sommige taken heeft gedelegeerd. Onder het beroepsgeheim vallende informatie mag aan geen enkele andere persoon of autoriteit worden verstrekt, tenzij op grond van wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van een lidstaat.

2.   De bevoegde autoriteiten van de lidstaten werken onderling samen wanneer dat voor de vervulling van hun taken en de uitoefening van hun bevoegdheden nodig is, ongeacht of deze taken en bevoegdheden in de richtlijn dan wel in de uit hoofde van deze richtlijn aangenomen nationale wetgeving zijn neergelegd. De bevoegde autoriteiten verlenen assistentie aan de bevoegde autoriteiten van andere lidstaten.

3.   Lid 1 belet niet dat tussen de bevoegde autoriteiten uitwisseling van vertrouwelijke informatie plaatsvindt. De aldus uitgewisselde informatie valt onder het beroepsgeheim waaraan alle personen gebonden zijn die werkzaam zijn of werkzaam zijn geweest bij de bevoegde autoriteiten die de informatie ontvangen.

4.     De lidstaten mogen samenwerkingsovereenkomsten voor de uitwisseling van gegevens sluiten met de bevoegde autoriteiten of instanties van derde landen die volgens hun wetgeving in staat zijn om (een deel van) de taken uit te voeren die artikel 24 van deze richtlijn de bevoegde autoriteiten toewijst. Met betrekking tot die uitwisseling van gegevens gelden ten minste gelijkwaardige waarborgen inzake het beroepsgeheim als de in dit artikel bedoelde. Een dergelijke uitwisseling van gegevens moet bestemd zijn voor de vervulling van de toezichthoudende taak van de bedoelde autoriteiten of instanties. Gegevens die afkomstig zijn van een andere lidstaat mogen alleen openbaar worden gemaakt met de uitdrukkelijke toestemming van de bevoegde autoriteiten die de gegevens hebben medegedeeld en in voorkomend geval alleen worden gebruikt voor de doeleinden waarmee deze autoriteiten hebben ingestemd.

Artikel 26

Conservatoire maatregelen

1.   Wanneer de bevoegde autoriteit van een lidstaat van ontvangst tot de bevinding komt dat de uitgevende instelling of de aandeelhouder of andere financiële instrumenten, of wanneer de persoon als bedoeld in artikel 10, onregelmatigheden heeft begaan, dan wel haar, respectievelijk zijn verplichtingen niet is nagekomen, stelt zij de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst van deze bevindingen in kennis.

2.   Wanneer de uitgevende instelling of de effectenhouder in weerwil van de door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst getroffen maatregelen, of omdat deze maatregelen ontoereikend zijn, inbreuk blijft plegen op de desbetreffende wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen, neemt de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst, na de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst daarvan in kennis te hebben gesteld, overeenkomstig artikel 3, lid 2, alle passende maatregelen ter bescherming van de beleggers. De Commissie wordt zo spoedig mogelijk van die maatregelen op de hoogte gesteld.

HOOFDSTUK VI

UITVOERINGSMAATREGELEN

Artikel 27

Comité

1.   De Commissie wordt bijgestaan door het bij artikel 1 van Besluit 2001/528/EG ingestelde Europees Comité voor het effectenbedrijf.

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is de regelgevingsprocedure van artikel 5 van Besluit 1999/468/EG van toepassing met inachtneming van de artikelen 7 en 8 van dat besluit, met dien verstande dat de volgens deze procedure vastgestelde uitvoeringsmaatregelen de essentiële bepalingen van deze richtlijn niet mogen wijzigen.

3.   De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt op drie maanden vastgesteld.

4.   Onverminderd de reeds vastgestelde uitvoeringsmaatregelen wordt na het verstrijken van een periode van vier jaar te rekenen vanaf de inwerkingtreding, de toepassing van de in deze richtlijn vervatte bepalingen met betrekking tot de vaststelling van technische voorschriften en besluiten volgens de in lid 2 bedoelde procedure opgeschort. Op voorstel van de Commissie kunnen het Europees Parlement en de Raad besluiten de desbetreffende bepalingen te verlengen volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag, waartoe zij deze vóór het verstrijken van de periode van vier jaar aan een nieuw onderzoek onderwerpen.

Artikel 28

Sancties

1.   Onverminderd het recht van de lidstaten tot het opleggen van strafrechtelijke sancties dragen de lidstaten er zorg voor dat overeenkomstig hun nationale wetgeving ten minste passende administratieve maatregelen of civielrechtelijke en/of administratiefrechtelijke sancties kunnen worden opgelegd aan de verantwoordelijke personen indien de ter uitvoering van deze richtlijn vastgestelde bepalingen niet worden nageleefd. De lidstaten zien erop toe dat deze maatregelen doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.

2.   De lidstaten bepalen dat de bevoegde autoriteit iedere maatregel of sanctie die is opgelegd voor schending van de krachtens deze richtlijn aangenomen bepalingen openbaar mag maken, tenzij deze openbaarmaking de financiële markten ernstig in gevaar zou brengen of de betrokken partijen onevenredige schade zou berokkenen.

Artikel 29

Recht van beroep

De lidstaten dragen er zorg voor dat tegen besluiten die worden genomen uit hoofde van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die overeenkomstig deze richtlijn zijn vastgesteld, beroep open staat bij de rechter.

Hoofdstuk VII

Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 30

Overgangsbepalingen

1.    In afwijking van artikel 5, lid 3, van deze richtlijn kan de lidstaat van herkomst de volgende uitgevende instellingen ontheffen van de verplichting financiële overzichten overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1606/2002 openbaar te maken.

2.   Onverminderd het bepaalde in artikel 12, lid 2, stelt een aandeelhouder de uitgevende instelling uiterlijk ...  (19) overeenkomstig de artikelen 9 , 10 en 12 in kennis van het percentage van de stemrechten en het kapitaal dat hij op die datum in uitgevende instellingen bezit, tenzij hij vóór die datum reeds kennis heeft gegeven van gelijkwaardige informatie.

Onverminderd het bepaalde in artikel 12, lid 6, maakt een uitgevende instelling op haar beurt uiterlijk ...  (20) de in het kader van deze kennisgevingen ontvangen informatie openbaar.

3.    Wanneer een uitgevende instelling is gevestigd in een derde land, kan de lidstaat van herkomst deze instelling ontheffen van de verplichting om overeenkomstig artikel 4, lid 3, haar financiële verklaringen en, overeenkomstig artikel 4, lid 5, haar managementverslagen op te stellen, doch alleen met betrekking tot de obligaties die vóór 1 januari 2005 tot de handel op een gereguleerde markt zijn toegelaten, en op voorwaarde dat

a)

de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst officieel verklaart dat de jaarlijkse financiële rklaringen die zijn opgesteld door uitgevende instellingen van een dergelijk derde land, een getrouw beeld geven van de activa en passiva, de financiële positie en de resultaten;

b)

het derde land waar de uitgevende instelling is gevestigd de toepassing van de internationale standaarden voor jaarrekeningen in de zin van artikel 2 van Verordening (EG) nr. 1606/2002 niet verplicht heeft gesteld; en

c)

de Commissie geen uitspraak heeft gedaan in de zin van artikel 23, lid 4, onder b), over de gelijkwaardigheid tussen de standaarden voor jaarrekeningen als vermeld in artikel 2 van Verordening (EG) nr. 1606/2002 en

de standaarden neergelegd in de wet, voorschriften of bestuursrechtelijke bepalingen van het derde land waar de uitgevende instelling is gevestigd, of

de standaarden voor jaarrekeningen van een derde land waartoe een dergelijke uitgevende instelling zich heeft verbonden.

4.     De lidstaat van herkomst kan uitgevende instellingen gedurende tien jaar, gerekend vanaf 1 januari 2005, ontheffen van de verplichting om overeenkomstig artikel 5 halfjaarlijkse financiële verslagen openbaar te maken, doch uitsluitend met betrekking tot obligaties die vóór 1 januari 2005 zijn toegelaten tot de handel op een gereguleerde markt, en op voorwaarde dat de lidstaat van herkomst eerder besloten had zulke uitgevende instellingen op het moment van de toelating van deze obligaties in aanmerking te laten komen voor de ontheffing waarin artikel 27 van Richtlijn 2001/34/EG voorziet.

Artikel 31

Omzetting

1.   De lidstaten doen de nodige bepalingen in werking treden om uiterlijk op ...  (21) aan deze richtlijn te voldoen. Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen naar deze richtlijn verwezen of wordt hiernaar verwezen bij de officiële bekendmaking van de bepalingen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.   Wanneer de lidstaten overeenkomstig artikelen 3, lid 1, 8, lid 2, 8, lid 3, 9, lid 6 of artikel 30 maatregelen nemen, stellen zij de Commissie en de andere lidstaten onverwijld van die maatregelen in kennis.

Artikel 32

Wijzigingen

Met ingang van de in artikel 31, lid 1, gespecificeerde datum wordt Richtlijn 2001/34/EG als volgt gewijzigd:

1.

artikel 1, onder g) en h), wordt geschrapt.

2.

artikel 4 wordt geschrapt.

3.

artikel 6, lid 2, wordt geschrapt.

4.

artikel 8, lid 2, wordt vervangen door:

„2.   De lidstaten kunnen de uitgevende instellingen van tot de officiële notering toegelaten effecten aanvullende verplichtingen opleggen, mits deze aanvullende verplichtingen algemeen toepasselijk zijn voor alle uitgevende instellingen of per categorie van uitgevende instellingen.”

5.

de artikelen 65 tot en met 97 worden geschrapt.

6.

de artikelen 102 en 103 worden geschrapt.

7.

artikel 107, lid 3, tweede alinea, wordt geschrapt.

8.

artikel 108 wordt als volgt gewijzigd:

a)

in lid 2, onder a), wordt de zinsnede „en de periodieke informatieverstrekking door vennootschappen waarvan de aandelen zijn toegelaten” geschrapt;

b)

lid 2, onder b), wordt geschrapt,

c)

lid 2, onder c) iii), wordt geschrapt,

d)

lid 2, onder d), wordt geschrapt.

Verwijzingen naar de geschrapte bepalingen gelden als verwijzingen naar de bepalingen van deze richtlijn.

Artikel 33

Toetsing

Uiterlijk op 30 juni 2009 dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in over de werking van deze richtlijn , waarin tevens aandacht wordt besteed aan de juistheid van het beëindigen van de ontheffing voor bestaande obligaties na de periode van 10 jaar als bepaald in artikel 30, lid 4, alsmede aan de mogelijke gevolgen daarvan voor de Europese financiële markten.

Artikel 34

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgend op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 35

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te ..., op ...

Voor het Europees Parlement

De Voorzitter

Voor de Raad

De Voorzitter


(1)  PB C ...

(2)  PB C ...

(3)  Standpunt van het Europees Parlement van 30 maart 2004.

(4)  COM(1999) 232 def.

(5)   PB L 345 van 31.12.2003, blz. 64 .

(6)   PB L 243 van 11.9.2002, blz. 1 .

(7)  PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.

(8)  PB L 191 van 13.7.2001, blz. 45. Besluit gewijzigd bij Besluit 2004/8/EG (PB L 3 van 7.1.2004, blz. 33).

(9)   PB L 184 van 6.7.2001, blz. 1 .

(10)  PB L 281 van 23.11.1995, blz. 31. Richtlijn gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1882/2003 (PB L 284 van 31.10.2003, blz. 1).

(11)  PB L 145 van 30.4.2004, blz. 1 .

(12)   PB L 96 van 12.4.2003, blz. 16 .

(13)  PB L 375 van 31.12.1985, blz. 3. Richtlijn zoals gewijzigd bij Richtlijn 2004/39/EG...

(14)  PB L 126 van 26.5.2000, blz. 1. Richtlijn zoals gewijzigd bij Richtlijn 2004/69/EG van de Commissie (PB L 125 van 28.4.2004, blz. 44).

(15)  PB L 204 van 21.7.1998, blz. 37. Richtlijn als laatstelijk gewijzigd bij toetredingsakte, (PB L 236 van 23.9.2003, blz. 68).

(16)  PB L 193 van 18.7.1983, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2003/51/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 178 van 17.7.2003, blz. 16).

(17)  PB L 222 van 14.8.1978, blz. 11. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2003/51/EG.

(18)  PB L 65 van 14.3.1968, blz. 8. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2003/58/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 221 van 4.9.2003, blz. 13).

(19)   Twee maanden na de in artikel 31, lid 1 vermelde datum.

(20)   Drie maanden na de in artikel 31, lid 1 vermelde datum.

(21)   24 maanden na de inwerkingtreding van de richtlijn.

P5_TA(2004)0221

Gelijke behandeling bij de toegang tot en de levering van goederen en diensten *

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement over het voorstel voor een richtlijn van de Raad tot uitvoering van het beginsel van gelijke behandeling van vrouwen en mannen bij de toegang tot en de levering van goederen en diensten (COM(2003) 657 — C5-0654/2003 — 2003/0265(CNS))

(Raadplegingsprocedure)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan de Raad (COM(2003) 657) (1),

gelet op artikel 13, lid 1 van het EG-Verdrag, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C5-0654/2003),

gelet op artikel 67 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie rechten van de vrouw en gelijke kansen en de adviezen van de Commissie vrijheden en rechten van de burger, justitie en binnenlandse zaken, de Commissie juridische zaken en interne markt, de Commissie industrie, externe handel, onderzoek en energie en de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A5-0155/2004),

1.

hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel, als geamendeerd door het Parlement;

2.

verzoekt de Commissie haar voorstel krachtens artikel 250, lid 2 van het EG-Verdrag dienovereenkomstig te wijzigen;

3.

verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

4.

wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in het voorstel van de Commissie;

5.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

DOOR DE COMMISSIE VOORGESTELDE TEKST

AMENDEMENTEN VAN HET PARLEMENT

Amendement 1

Titel

Richtlijn van de Raad tot uitvoering van het beginsel van gelijke behandeling van vrouwen en mannen bij de toegang tot en de levering van goederen en diensten

Richtlijn van de Raad tot uitvoering van de gelijkheid van vrouwen en mannen bij de toegang tot en de levering van goederen en diensten

(Dit amendement is van toepassing op de gehele tekst).

Amendement 2

Overweging 2 bis (nieuw)

 

(2 bis) In de traditie van de burgerrechten heeft een persoon recht op gelijke behandeling in zijn of haar hoedanigheid van individu, niet op grond van het feit dat hij of zij behoort tot een ras, een sekse, een religie of etnische groepering. Aangezien vrouwen en mannen de twee helften van de mensheid vormen, vormen vrouwen geen minderheid en mogen zij niet als zodanig worden beschouwd of behandeld.

Amendement 3

Overweging 2 ter (nieuw)

 

(2 ter) Belangrijk is dat bij het verbod op discriminatie andere fundamentele rechten en vrijheden worden gerespecteerd.

Amendement 4

Overweging 9

(9) De problemen zijn vooral duidelijk op het gebied van goederen en diensten. Seksediscriminatie moet daarom op dit gebied worden voorkomen en uitgebannen. Naar het voorbeeld van Richtlijn 2000/43/EG van de Raad kan deze doelstelling met behulp van communautaire wetgeving worden verwezenlijkt.

(9) De problemen zijn vooral duidelijk op het gebied van goederen en diensten. Seksediscriminatie moet daarom op dit gebied worden voorkomen en uitgebannen. Naar het voorbeeld van Richtlijn 2000/43/EG van de Raad kan deze doelstelling met behulp van communautaire wetgeving beter worden verwezenlijkt.

Amendement 5

Overweging 10

(10) Deze wetgeving moet seksediscriminatie bij de toegang tot en de levering van goederen en diensten verbieden. Onder diensten worden diensten verstaan die normaliter in ruil voor een vergoeding worden verleend.

(10) Deze wetgeving moet uitvoering geven aan het beginsel van het individuele recht op gelijkheid van vrouwen en mannen. Zij moet seksediscriminatie verbieden en de feitelijke gelijkheid van vrouwen en mannen bij de toegang tot en de levering van alle voor het publiek beschikbare goederen en diensten tot stand brengen . Onder diensten moeten diensten worden verstaan die normaliter in ruil voor een vergoeding worden verleend. Onder goederen moeten goederen worden verstaan die een economische waarde hebben.

Amendement 6

Overweging 10 bis (nieuw)

 

(10 bis) Deze richtlijn moet niet van toepassing zijn op het onderwijs, noch op de inhoud van media en reclame.

Amendement 7

Overweging 11

(11) Belangrijk is dat bij het verbod op discriminatie andere fundamentele rechten en vrijheden worden gerespecteerd, inclusief de bescherming van het privé- en gezinsleven, transacties in die context en de vrijheid en het pluralisme van de media. Het verbod op discriminatie heeft daarom betrekking op de toegang tot en de levering van goederen en diensten die voor het publiek beschikbaar zijn. Het is niet van toepassing op de inhoud van de media of de reclame.

Schrappen.

Amendement 8

Overweging 11 bis (nieuw)

 

(11 bis) Differentiatie van premies of uitkeringen van verzekeringsproducten op basis van sekse (met inbegrip van het zwangerschapsrisico) is discriminerend aangezien het geslacht een factor is die niet kan worden beïnvloed en die uitsluitend op basis van statistische aannames op een groep wordt toegepast; verschillen in prijs die samenhangen met verschillende risicoprofielen moeten het gevolg te zijn van gedrag en keuzes van individuele personen.

Amendement 9

Overweging 12

(12) Het beginsel van gelijke behandeling mag geen verschillen uitsluiten die verband houden met goederen of diensten waarvoor mannen en vrouwen zich niet in een vergelijkbare situatie bevinden omdat de goederen of diensten uitsluitend of hoofdzakelijk voor de leden van één sekse bestemd zijn (bijvoorbeeld privé-clubs), of met vaardigheden die voor elke sekse verschillend worden beoefend.

Schrappen.

Amendement 10

Overweging 14 bis (nieuw)

 

(14 bis) Gezien de verschillen tussen de lidstaten en de concurrentievervalsing die daarvan het gevolg kan zijn tijdens deze overgangsperiode, moeten de lidstaten jaarlijks een verslag voorleggen aan de Commissie over de vorderingen die zijn gemaakt bij het wegwerken van het gebruik van seksegerelateerde actuariële factoren. Dit permanent toezicht door de Commissie, die het Europees Parlement en de Raad moet informeren, moet samen met volledige transparantie in het gebruik van deze factoren de concurrentievervalsing tijdens de overgangsperiode beperken.

Amendement 42

Artikel 1, lid 1

1. Deze richtlijn stelt een kader vast voor de bestrijding van seksediscriminatie bij de toegang tot en de levering van goederen en diensten met het oog op de toepassing in de lidstaten van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen .

1. Deze richtlijn stelt een kader vast voor de bestrijding van seksediscriminatie en de bevordering van de gelijkheid van vrouwen en mannen bij de toegang tot en de levering van goederen en diensten met het oog op de toepassing in de lidstaten van het beginsel van gelijkheid van vrouwen en mannen .

Amendement 12

Artikel 1, lid 2

2. Binnen de grenzen van de aan de Gemeenschap verleende bevoegdheden is deze richtlijn van toepassing op alle personen in de particuliere en de overheidssector (met inbegrip van overheidsinstanties) wat de toegang tot en de levering van voor het publiek beschikbare goederen en diensten (inclusief huisvesting) betreft.

2. Binnen de grenzen van de aan de Gemeenschap verleende bevoegdheden is deze richtlijn van toepassing op alle personen in de particuliere en de overheidssector (met inbegrip van overheidsinstanties) wat de toegang tot en de levering van alle voor het publiek beschikbare goederen en diensten betreft.

Amendement 13

Artikel 1, lid 3

3. Deze richtlijn sluit geen verschillen uit die verband houden met goederen of diensten waarvoor mannen en vrouwen zich niet in een vergelijkbare situatie bevinden omdat de goederen of diensten uitsluitend of hoofdzakelijk voor de leden van één sekse bestemd zijn, of met vaardigheden die voor elke sekse verschillend worden beoefend.

Schrappen.

Amendement 14

Artikel 1, lid 4

4. Deze richtlijn is niet van toepassing op het onderwijs of de inhoud van de media en de reclame, met name reclame en televisiereclame zoals gedefinieerd in artikel 1, lid b), van Richtlijn 89/552/EEG van de Raad .

4. Deze richtlijn is niet van toepassing op het onderwijs of de inhoud van media en reclame, behalve reclame voor de bepalingen en voorwaarden waarop de toegang tot goederen verstrekt wordt en diensten worden geleverd.

Amendement 15

Artikel 1, lid 4 bis (nieuw)

 

4 bis. Deze richtlijn doet geen afbreuk aan de toepassing van de communautaire wetgeving op het gebied van de werkgelegenheid, met name communautaire regelgeving inzake pensioenen, sociale zekerheid en sociale bijstand.

Amendement 16

Artikel 2, lid 1, letter d)

d)

er is sprake van seksuele intimidatie bij ongewenst fysiek, verbaal of non-verbaal gedrag van seksuele aard dat tot doel of gevolg heeft dat de waardigheid van een persoon wordt aangetast en een bedreigende, vijandige, kwetsende, vernederende of aanstootgevende omgeving wordt gecreëerd.

d)

er is sprake van seksuele intimidatie bij ongewenst fysiek, verbaal of non-verbaal gedrag van seksuele aard dat tot doel of gevolg heeft dat de waardigheid van een persoon wordt aangetast en een bedreigende, vijandige, kwetsende, vernederende of aanstootgevende omgeving wordt gecreëerd op het werk of daarbuiten .

Amendement 17

Artikel 2, lid 2

2. Aansporing tot directe of indirecte seksediscriminatie wordt beschouwd als discriminatie in de zin van deze richtlijn.

Schrappen.

Amendement 18

Artikel 3, titel

Het beginsel van gelijke behandeling

Gelijkheid

Amendement 19

Artikel 3, lid 1, letters a) en b)

a)

directe seksediscriminatie, inclusief de minder gunstige behandeling van vrouwen wegens zwangerschap en moederschap, verboden is;

a)

directe seksediscriminatie, inclusief de minder gunstige behandeling wegens zwangerschap , moederschap en vaderschap verboden is;

b)

indirecte seksediscriminatie verboden is.

b)

indirecte seksediscriminatie , met name op grond van gezinssituatie of echtelijke staat dan wel vanwege het combineren van werk en gezinsleven verboden is;

Amendement 20

Artikel 3, lid 2 bis (nieuw)

 

2 bis. Ook aansporing tot directe of indirecte seksediscriminatie wordt beschouwd als discriminatie in de zin van deze richtlijn.

Amendement 22

Artikel 4, lid 2

2. De lidstaten mogen de uitvoering van de maatregelen die nodig zijn om aan lid 1 te voldoen, uitstellen tot uiterlijk (zes jaar na de in lid 1 vermelde datum).

2. Indien zich moeilijkheden voordoen bij de uitvoering van de maatregelen die nodig zijn om aan lid 1 te voldoen, mogen de lidstaten de uitvoering van deze maatregelen uitstellen voor een periode van ( vier jaar na de in lid 1 vermelde datum).

De betrokken lidstaten moeten de Commissie in dat geval onmiddellijk op de hoogte brengen. Ze moeten uitgebreide tabellen over het sterftecijfer en de levensverwachting van vrouwen en mannen opstellen , publiceren en op gezette tijden actualiseren.

De betrokken lidstaten brengen de Commissie in dat geval onmiddellijk op de hoogte. Voorts brengen ze bij de Commissie op gezette tijden verslag uit over de vorderingen die bij het wegwerken van deze moeilijkheden zijn geboekt. Ze actualiseren en publiceren tevens jaarlijks uitgebreide tabellen over het sterftecijfer en de levensverwachting van vrouwen en mannen.

 

De Commissie doet al deze informatie toekomen aan het Europees Parlement en de Raad.

Amendement 43

Artikel 5

Het beginsel van gelijke behandeling mag de lidstaten niet verhinderen specifieke maatregelen te handhaven of te nemen om seksegerelateerde nadelen te voorkomen of te compenseren.

Teneinde volledige gelijkheid in de praktijk te waarborgen , mag het beginsel van gelijkheid van vrouwen en mannen de lidstaten niet verhinderen specifieke maatregelen te handhaven of te nemen om seksegerelateerde nadelen te voorkomen of te compenseren.

Amendement 24

Artikel 6, lid 1

1. De lidstaten mogen bepalingen invoeren of handhaven die voor de bescherming van het beginsel van gelijke behandeling van vrouwen en mannen gunstiger zijn dan die van deze richtlijn.

1. De lidstaten handhaven bepalingen of mogen nieuwe bepalingen invoeren die voor de bescherming van de gelijkheid van vrouwen en mannen gunstiger zijn dan die van deze richtlijn.

Amendement 25

Artikel 7, lid 2

2. De lidstaten zorgen in het kader van hun nationale wetgeving voor de nodige maatregelen om te waarborgen dat een door een persoon als gevolg van discriminatie in de zin van deze richtlijn geleden verlies of nadeel daadwerkelijk wordt gecompenseerd of vergoed — al naar de lidstaten passend achten — op een wijze die ontradend en evenredig aan het geleden nadeel is. De compensatie of vergoeding mag niet a priori aan een maximum gebonden zijn.

2. De lidstaten zorgen in het kader van hun nationale wetgeving voor de nodige maatregelen om te waarborgen dat een door een persoon als gevolg van discriminatie in de zin van deze richtlijn geleden verlies of nadeel daadwerkelijk en doeltreffend wordt gecompenseerd of vergoed — al naar de lidstaten passend achten — op een wijze die ontradend en evenredig aan het geleden nadeel is. De compensatie of vergoeding mag niet a priori aan een maximum gebonden zijn en de toekenning van rentebetalingen ter compensatie van door de ontvanger van de vergoeding geleden schade als gevolg van de tijd die tot de betaling van de toegekende hoofdsom is verlopen, mag niet worden uitgesloten .

Amendement 44

Artikel 9

De lidstaten zorgen in het kader van hun nationale wetgeving voor de nodige maatregelen om personen te beschermen tegen een nadelige behandeling of nadelige gevolgen als reactie op een klacht of een gerechtelijke actie gericht op het doen naleven van het beginsel van gelijke behandeling .

De lidstaten zorgen in het kader van hun nationale wetgeving voor de nodige maatregelen om alle personen , ook niet-slachtoffers, te beschermen tegen een nadelige behandeling of nadelige gevolgen , met inbegrip van een eenzijdige contractbreuk door de leverancier van een goed of een dienst, als reactie op een klacht of een gerechtelijke actie of enige andere actie ter ondersteuning daarvan, gericht op het doen naleven van de gelijkheid van vrouwen en mannen .

Amendement 45

Artikel 10

De lidstaten gaan een dialoog aan met niet-gouvernementele organisaties die overeenkomstig hun nationale wetgeving en praktijk een rechtmatig belang hebben bij te dragen tot de bestrijding van seksediscriminatie met het oog op het bevorderen van het beginsel van gelijke behandeling .

De lidstaten gaan een periodieke dialoog aan met niet-gouvernementele organisaties en de sociale partners die overeenkomstig hun nationale wetgeving en praktijk een rechtmatig belang hebben bij te dragen tot de bestrijding van seksediscriminatie met het oog op het bevorderen van de gelijkheid .

Amendement 28

Artikel 11, lid 1

1. De lidstaten treffen de nodige voorzieningen voor een of meer organen belast met de bevordering, analyse, monitoring en ondersteuning van de gelijke behandeling van iedereen zonder seksediscriminatie. Deze organen kunnen deel uitmaken van instanties die nationaal verantwoordelijk zijn voor de bescherming van de mensenrechten of de bescherming van de rechten van personen, of van instanties die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen met betrekking tot de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen, en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden.

1. De lidstaten treffen de nodige voorzieningen voor een of meer onafhankelijke organen belast met de bevordering, analyse, monitoring en ondersteuning van de gelijkheid van vrouwen en mannen en de bestrijding van seksediscriminatie. Deze organen kunnen deel uitmaken van onafhankelijke instanties die nationaal verantwoordelijk zijn voor de bescherming van de mensenrechten of de bescherming van de rechten van personen, of van instanties die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen met betrekking tot de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen, en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden.

Amendement 29

Artikel 11, lid 2

2. De lidstaten zorgen ervoor dat de in lid 1 vermelde organen onder meer bevoegd zijn om:

a)

onverminderd de rechten van de slachtoffers en van de in artikel 7, lid 3, bedoelde verenigingen, organisaties of andere rechtspersonen, onafhankelijke bijstand te verlenen aan slachtoffers van discriminatie bij de afwikkeling van hun klachten inzake discriminatie;

b)

onafhankelijk onderzoek naar discriminatie te doen;

c)

onafhankelijke verslagen te publiceren en aanbevelingen te doen over elk onderwerp dat met dergelijke discriminatie verband houdt.

2. De lidstaten zorgen ervoor dat de in lid 1 vermelde organen over voldoende personele en financiële middelen beschikken om hun bevoegdheden doeltreffend uit te oefenen. De organen zijn onder meer bevoegd om:

a)

onverminderd de rechten van de slachtoffers en van de in artikel 7, lid 3, bedoelde verenigingen, organisaties of andere rechtspersonen, een gerechtelijke actie in te stellen om waar nodig discriminatie te bestrijden en onafhankelijke bijstand te verlenen aan slachtoffers van discriminatie bij de afwikkeling van hun klachten inzake discriminatie;

b)

onafhankelijk onderzoek naar discriminatie te doen;

c)

genderspecifieke statistieken op te stellen, onafhankelijke verslagen te publiceren , aanbevelingen te doen over elk onderwerp dat met dergelijke discriminatie verband houdt en na te gaan welke impact wetgeving en beleid hebben op de gelijkheid van vrouwen en mannen .

Amendement 30

Artikel 12, inleidende formule

De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat het beginsel van gelijke behandeling wordt nageleefd bij de toegang tot en de levering van goederen en diensten binnen de werkingssfeer van deze richtlijn, en met name dat:

De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de gelijkheid wordt nageleefd binnen de werkingssfeer van deze richtlijn, en met name dat:

Amendement 31

Artikel 12, letter b)

b)

alle met het beginsel van gelijke behandeling in strijd zijnde bepalingen in individuele of collectieve contracten of overeenkomsten, interne reglementen van ondernemingen en regels die gelden voor verenigingen met of zonder winstoogmerk, nietig worden of kunnen worden verklaard of worden gewijzigd.

b)

alle met de gelijkheid in strijd zijnde bepalingen in contracten of overeenkomsten, interne reglementen van ondernemingen en regels die gelden voor verenigingen met of zonder winstoogmerk, nietig worden of kunnen worden verklaard of worden gewijzigd.

Amendement 32

Artikel 13

Straffen

Sancties

De lidstaten stellen regels vast betreffende de straffen voor inbreuken op de uit hoofde van deze richtlijn goedgekeurde nationale bepalingen en nemen alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat ze worden toegepast. De straffen moeten doeltreffend, evenredig en ontradend zijn. De lidstaten stellen de Commissie van deze bepalingen uiterlijk op de in artikel 16, lid 1, vermelde datum in kennis en brengen de Commissie onmiddellijk van alle latere wijzigingen van deze bepalingen op de hoogte.

De lidstaten stellen regels vast betreffende de sancties voor inbreuken op de uit hoofde van deze richtlijn goedgekeurde nationale bepalingen en nemen alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat ze worden toegepast. De sancties, die ook de betaling van schadevergoeding aan het slachtoffer kunnen omvatten, moeten doeltreffend, evenredig en ontradend zijn. De lidstaten stellen de Commissie van deze bepalingen uiterlijk op de in artikel 16, lid 1, vermelde datum in kennis en brengen de Commissie onmiddellijk van alle latere wijzigingen van deze bepalingen op de hoogte.

Amendement 33

Artikel 14

Transparantie

Verspreiding van informatie

De lidstaten zorgen ervoor dat de betrokkenen op hun grondgebied via alle aangewezen middelen worden geïnformeerd over de uit hoofde van deze richtlijn goedgekeurde bepalingen en de reeds van kracht zijnde relevante bepalingen.

De lidstaten zorgen ervoor dat de betrokkenen , met name de consumenten en de leveranciers van goederen en diensten, op hun grondgebied via alle aangewezen middelen worden geïnformeerd over de uit hoofde van deze richtlijn goedgekeurde bepalingen en de reeds van kracht zijnde relevante bepalingen.

Amendement 34

Artikel 15, lid 1

1. Uiterlijk ( vijf jaar na de datum van inwerkingtreding) en daarna om de vijf jaar delen de lidstaten de Commissie alle beschikbare informatie over de toepassing van deze richtlijn mee.

1. Uiterlijk ( drie jaar na de datum van inwerkingtreding) en daarna om de drie jaar delen de lidstaten de Commissie alle beschikbare informatie over de toepassing van deze richtlijn mee , met inbegrip van een evaluatie van de impact, resultaten en doeltreffendheid van de genomen maatregelen .

De Commissie stelt een beknopt verslag op dat aan het Europees Parlement en de Raad wordt voorgelegd. Zo nodig voegt de Commissie voorstellen bij het verslag om de richtlijn te wijzigen.

Uiterlijk (vier jaar na de datum van inwerkingtreding) en daarna om de vier jaar stelt de Commissie op grond van de verstrekte informatie een beknopt verslag op dat aan het Europees Parlement en de Raad wordt voorgelegd. Zo nodig voegt de Commissie voorstellen bij het verslag om de richtlijn te wijzigen.


(1)  Nog niet in het PB gepubliceerd.

P5_TA(2004)0222

Bescherming van dieren tijdens het vervoer *

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement over het voorstel voor een verordening van de Raad inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten en tot wijziging van de Richtlijnen 64/432/EEG en 93/119/EG (COM(2003) 425 — C5-0438/2003 — 2003/0171(CNS))

(Raadplegingsprocedure)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan de Raad (COM(2003) 425) (1),

gelet op artikel 37 van het EG-Verdrag, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C5-0438/2003),

gelet op artikel 67 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling en de adviezen van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en consumentenbeleid en de Commissie regionaal beleid, vervoer en toerisme (A5-0197/2004),

1.

hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel, als geamendeerd door het Parlement;

2.

verzoekt de Commissie haar voorstel krachtens artikel 250, lid 2 van het EG-Verdrag dienovereenkomstig te wijzigen;

3.

verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

4.

wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in het voorstel van de Commissie;

5.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

DOOR DE COMMISSIE VOORGESTELDE TEKST

AMENDEMENTEN VAN HET PARLEMENT

Amendement 1

Overweging 5

(5) Om redenen van dierenwelzijn moet het vervoer van dieren over lange afstanden, met inbegrip van slachtdieren, zo veel mogelijk beperkt worden.

(5) Om redenen van dierenwelzijn moeten dieren zo kort mogelijk in de vrachtwagen verblijven, hetgeen vereist dat er meer dan een chauffeur aanwezig is, zodat de transportijd en de duur van de pauzes zo veel mogelijk kunnen worden beperkt. Vandaar dat het gebruik van mobiele slachthuizen moet worden bevorderd, met name in dunbevolkte en perifere gebieden.

Amendement 2

Overweging 10

(10) Het lossen en daarna opnieuw laden veroorzaakt bij de dieren meer stress dan wanneer zij onder goede condities in het voertuig kunnen blijven rusten. Bovendien kan het contact op halteplaatsen tussen dieren van verschillende herkomst leiden tot de verspreiding van besmettelijke ziekten. Daarom moet het gebruik van halteplaatsen om redenen van dierenwelzijn en diergezondheid worden vermeden. Bijgevolg moet Verordening (EG) nr. 1255/97 van de Raad van 25 juni 1997 betreffende de communautaire criteria voor halteplaatsen en tot aanpassing van het in Richtlijn 91/628/EEG bedoelde reisschema worden ingetrokken.

(10) Het lossen en daarna opnieuw laden veroorzaakt bij de dieren meer stress dan wanneer zij onder goede condities in het voertuig kunnen blijven rusten. Bovendien kan het contact op halteplaatsen en markten tussen dieren van verschillende herkomst leiden tot de verspreiding van besmettelijke ziekten. Daarom moet het gebruik van halteplaatsen om redenen van dierenwelzijn en diergezondheid worden vermeden , mits goede omstandigheden voor de dieren kunnen worden gegarandeerd . Bijgevolg moet Verordening (EG) nr. 1255/97 van de Raad van 25 juni 1997 betreffende de communautaire criteria voor halteplaatsen en tot aanpassing van het in Richtlijn 91/628/EEG bedoelde reisschema worden ingetrokken.

Amendement 3

Overweging 10 bis (nieuw)

 

(10 bis) Halteplaatsen moeten tijdens langeafstandsreizen evenwel gebruikt blijven worden als plaatsen waar de voertuigen worden bijgetankt en waar water en voer voor de dieren beschikbaar is indien daaraan onverwacht een tekort bestaat, waar apparatuur aanwezig is voor het melken van zogende dieren en waar in noodgevallen de hulp van een dierenarts kan worden ingeroepen.

Amendement 4

Overweging 15 bis (nieuw)

 

(15 bis) Een beperking van het diertransport kan ernstige economische gevolgen hebben voor de perifere gebieden. Deze verordening dient dan ook te voorzien in de nodige afwijkingen, teneinde een commercieel isolement van deze gebieden te voorkomen.

Amendement 5

Overweging 16

(16) Verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad van 20 december 1985 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer voorziet in maximumrijtijden en minimumrusttijden voor beroepschauffeurs. De transporttijden voor dieren zouden op soortgelijke wijze moeten worden gereglementeerd. Verordening (EEG) nr. 3821/85 van 20 december 1985 betreffende het controleapparaat in het wegvervoer bepaalt dat het controleapparaat geïnstalleerd moet zijn en gebruikt moet worden om daadwerkelijk te kunnen controleren of de hand wordt gehouden aan de sociale wetgeving inzake het wegvervoer. De door deze apparaten geregistreerde gegevens moeten beschikbaar worden gesteld en worden gecontroleerd teneinde de maximale transporttijden uit hoofde van de wetgeving inzake dierenwelzijn te handhaven.

(16) Verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad van 20 december 1985 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer voorziet in maximumrijtijden en minimumrusttijden voor beroepschauffeurs. De transporttijden voor dieren zouden op soortgelijke wijze moeten worden gereglementeerd. Verordening (EEG) nr. 3821/85 van 20 december 1985 betreffende het controleapparaat in het wegvervoer bepaalt dat het controleapparaat geïnstalleerd moet zijn en gebruikt moet worden om daadwerkelijk te kunnen controleren of de hand wordt gehouden aan de sociale wetgeving inzake het wegvervoer. Om de reistijd en de route van diertransporten alsmede de activiteiten tijdens het vervoer te kunnen controleren moet een GPS-systeem worden gebruikt, dat een systeem van automatische controle van diertransporten mogelijk maakt.

Amendement 6

Overweging 16 bis (nieuw)

 

(16 bis) Dankzij een grote flexibiliteit en veelzijdigheid voldoet de toepassing van nieuwe GPS- en mobiele communicatietechnologieën in systemen voor het volgen en traceren van transporten aan de vereisten van het nieuwe beleid inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer, dat op communautair niveau wordt vastgesteld. Deze technologieën maken het mogelijk om voertuigen waarmee dieren worden vervoerd te volgen, traceren, monitoren en controleren. Met betrekking tot GPS dient het Galileo-project (2) dat door de Europese Unie in 2002 is gestart om met ingang van 2008 diensten te leveren die optimaal geschikt zijn voor deze doeleinden.

Amendement 7

Overweging 25 bis (nieuw)

 

(25 bis) In het belang van dierenwelzijn en de gezondheid van mens en dier moet het vervoer tot een minimum worden beperkt, overeenkomstig goede landbouwpraktijken.

Amendement 8

Overweging 25 ter (nieuw)

 

(25 ter) Het slachten van de dieren zo dicht mogelijk in de buurt van de plaats waar ze worden gehouden, moet prioriteit krijgen. Dit komt de plaatselijke slachthuizen en derhalve de plaatselijke werkgelegenheid ten goede, met name in achterstandsregio's.

Amendement 109

Artikel 1, lid 2

2. Deze verordening is niet van toepassing op het vervoer van afzonderlijke dieren onder begeleiding van de persoon die er tijdens het vervoer verantwoordelijk voor is.

2. Deze verordening is niet van toepassing op het vervoer van afzonderlijke dieren onder begeleiding van de persoon die er tijdens het vervoer verantwoordelijk voor is , op vervoer in het kader van de tradionele verweiding of transhumance, noch op geregistreerde eenhoevigen die voor fok- of wedstrijddoeleinden worden vervoerd die aan de hand van een individueel paspoort kunnen worden geïdentificeerd. Deze verordening is evenmin van toepassing op het vervoer van dieren die bestemd zijn voor openbare voorstellingen en tentoonstellingen, culturele, sport- of opleidingsactiviteiten, repopulatie, dan wel centra voor voorlichting over dieren en de natuur.

 

De sectoren die niet onder deze verordening vallen stellen de bevoegde autoriteiten in kennis van hun vervoerspraktijken en -gewoonten, onderwerpen zich regelmatig aan controles en tonen aan zich te houden aan de relevante specifieke vereisten, zodat het welzijn van de vervoerde dieren wordt gewaarborgd.

Amendement 10

Artikel 1, lid 2 bis (nieuw)

 

2 bis. Deze verordening vormt geen belemmering voor strengere nationale maatregelen, inclusief een totaal verbod op de export van levende eenhoevigen voor de fok of de slacht, met het oog op het verbeteren van het dierenwelzijn tijdens het vervoer dat volledig binnen het grondgebied van een lidstaat plaatsvindt of gedurende vervoer over zee dat begint op het grondgebied van een lidstaat.

Amendement 11

Artikel 2, letter a bis) (nieuw)

 

a bis)

„gecertificeerde fokdieren” zijn dieren bestemd voor de fokkerij, waarvoor een stamboekcertificaat is afgegeven;

Amendement 12

Artikel 2, letter c)

c)

„verzorger”: een persoon die rechtstreeks verantwoordelijk is voor het welzijn van de dieren en deze op een transport begeleidt;

c)

„verzorger”: een persoon die rechtstreeks verantwoordelijk is voor het welzijn van de dieren en deze op een transport en bij het laden en lossen begeleidt;

Amendement 121/rev.

Artikel 2, letter h)

h)

„transport”: de gehele vervoersoperatie van de plaats van vertrek tot de plaats van bestemming, met inbegrip van het lossen, de huisvesting en het laden tijdens tussenstops;

h)

„transport”: de gehele vervoersoperatie vanaf het inladen van het eerste dier op de plaats van vertrek tot het lossen van het laatste dier op de plaats van bestemming, met inbegrip van het lossen, de huisvesting en het laden tijdens tussenstops;

Amendement 13

Artikel 2, letter k bis) (nieuw)

 

k bis)

„transport voor de slacht”: het transport van dieren die binnen een maand na aankomst op de plaats van bestemming worden geslacht;

Amendement 14

Artikel 3 bis (nieuw)

 

Artikel 3 bis

Het slachten van de dieren zo dicht mogelijk in de buurt van de plaats waar ze worden gehouden krijgt prioriteit. De ontwikkeling van plaatselijke slachthuizen en derhalve de plaatselijke werkgelegenheid in achterstandsregio's vormt onderdeel van het beleid gericht op plattelandsontwikkeling.

Teneinde de transportduur zo kort mogelijk te houden of het vervoer van dieren te vermijden, wordt het gebruik van mobiele slachthuizen ondersteund via Verordening (EG) nr. 1257/1999 (3).

Amendement 15

Artikel 3 ter (nieuw)

 

Artikel 3 ter

De Commissie herziet de regels inzake overheidssteun, teneinde te bewerkstelligen dat steun kan worden toegekend aan plaatselijke slachthuizen met het oog op naleving van de toepasselijke normen en financiële levensvatbaarheid.

Amendement 115

Artikel 3 quater (nieuw)

 

Artikel 3 quater

De Commissie moet manieren onderzoeken voor het aanmoedigen en bevorderen van de ontwikkeling en het gebruik van grotere aantallen kleine lokale abattoirs en mobiele slachthuizen, en hierover vóór december 2004 een verslag indienen. In het verslag moet met name worden onderzocht of het aan te bevelen is om betalingen voor inspecties van vleeshygiëne per dier (doorvoer) te laten plaatsvinden in plaats van op basis van een vast dagelijks bedrag.

Amendement 16

Artikel 6, punt 7

7. De leden 1, 2 en 4 zijn niet van toepassing op personen die dieren vervoeren over een afstand van maximaal 50 km , gerekend vanaf de plaats van vertrek tot de plaats van bestemming.

7. De leden 1, 2 en 4 zijn niet van toepassing op personen die dieren vervoeren over een afstand van maximaal 100 km , gerekend vanaf de plaats van vertrek tot de plaats van bestemming.

Amendement 17

Artikel 7, punt 1

1. Het wegvervoer van dieren over lange afstanden is verboden, tenzij het vervoermiddel overeenkomstig artikel 17, lid 1, is geïnspecteerd en goedgekeurd.

1. Het wegvervoer van dieren over afstanden van meer dan 100 km tussen de plaats van vertrek en de plaats van bestemming is verboden, tenzij het vervoermiddel overeenkomstig artikel 17, lid 1, is geïspecteerd en goedgekeurd.

Amendement 18

Artikel 9, lid 1 bis (nieuw)

 

1 bis. Exploitanten van verzamelcentra zien erop toe dat dieren een makkelijke en voortdurende toegang hebben tot vers en schoon water.

Amendement 19

Artikel 9, lid 2, letter a)

a)

alleen personeel met de dieren laten omgaan dat een opleiding in de desbetreffende technische voorschriften van bijlage I heeft gevolgd;

a)

alleen personeel met de dieren laten omgaan dat een opleiding in de desbetreffende technische voorschriften van bijlage I heeft gevolgd , alsmede in dierfysiologie, de voederen drinkbehoeften, diergedrag en factoren die stress veroorzaken, en in het bijzonder praktische aspecten van de omgang met dieren en eerste hulp voor dieren ;

Amendement 20

Artikel 10, titel

Vergunningen voor vervoerders die langeafstandstransporten verzorgen

Vergunningen voor vervoerders die dieren vervoeren over afstanden van meer dan 100 km tussen de plaats van vertrek en de plaats van bestemming

Amendement 21

Artikel 10, lid 1, letter e), punt i)

i)

geldige opleidingscertificaten als bedoeld in artikel 16, lid 2, voor alle bestuurders die mogelijk op langeafstandstransporten zullen worden ingezet;

i)

geldige opleidingscertificaten als bedoeld in artikel 16, lid 2 voor alle bestuurders die mogelijk op transporten over een afstand van meer dan 100 km of langer dan twee uur zullen worden ingezet;

Amendement 22

Artikel 10, lid 1, letter e), punt ii)

ii)

geldige certificaten van goedkeuring als bedoeld in artikel 17, lid 2, voor alle wegvoertuigen die bestemd zijn voor langeafstands transporten;

ii)

geldige certificaten van goedkeuring als bedoeld in artikel 17, lid 2, voor alle wegvoertuigen die bestemd zijn voor transporten over een afstand van meer dan 100 km of langer dan twee uur ;

Amendement 23

Artikel 11

Artikel 11

Vergunningen voor vervoerders die geen langeafstandstransporten verzorgen

1. De bevoegde autoriteit verleent vervoerders die geen langeafstandstransporten verzorgen, op aanvraag een vergunning op voorwaarde dat zij voldoen aan het bepaalde in artikel 10, lid 1, onder a) tot en met d).

2. De bevoegde autoriteit geeft dergelijke vergunningen af overeenkomstig het model in hoofdstuk II van bijlage III en voor de duur van maximaal vijf jaar na de datum van afgifte.

Schrappen.

Amendementen 24 en 25

Artikel 12, leden 1 t/m 3

1. De bevoegde autoriteit kan de omvang van een vergunning als bedoeld in artikel 10, lid 1, of artikel 11, lid 1, beperken volgens criteria die tijdens het vervoer kunnen worden gecontroleerd.

1. De bevoegde autoriteit kan de omvang van een vergunning als bedoeld in artikel 10, lid 1, beperken volgens criteria die tijdens het vervoer kunnen worden gecontroleerd.

2. Elke door de bevoegde autoriteit afgegeven vergunning als bedoeld in artikel 10, lid 1, of artikel 11, lid 1, draagt een eenduidig nationaal nummer. De vergunning moet worden opgesteld in minstens een van de officiële talen van de lidstaat en in twee andere officiële talen van de Gemeenschap.

2. Elke door de bevoegde autoriteit afgegeven vergunning als bedoeld in artikel 10, lid 1, draagt een eenduidig nationaal nummer. De vergunning moet worden opgesteld in minstens een van de officiële talen van de lidstaat en in twee andere officiële talen van de Gemeenschap, waarvan één het Engels .

3. De bevoegde autoriteit registreert vergunningen als bedoeld in artikel 10, lid 1, of artikel 11, lid 1, zodanig dat zij vervoerders snel kan identificeren, met name wanneer niet aan de voorschriften van deze verordening wordt voldaan.

3. De bevoegde autoriteit registreert vergunningen als bedoeld in artikel 10, lid 1, zodanig dat zij vervoerders snel kan identificeren, met name wanneer niet aan de voorschriften van deze verordening wordt voldaan.

Amendement 26

Artikel 13, letter c)

c)

zo spoedig mogelijk de in het journaal vermelde gegevens van het voorgenomen langeafstandstransport door te sturen aan de bevoegde autoriteit van de plaats van bestemming of de plaats van uitgang.

c)

zo spoedig mogelijk de in het journaal vermelde gegevens van het voorgenomen langeafstandstransport door te sturen aan de bevoegde autoriteit van de plaats van bestemming of de plaats van uitgang. Hiertoe maakt de bevoegde autoriteit zo spoedig mogelijk melding van alle transporten die zij heeft aangemerkt als zijnde in overeenstemming met deze verordening, door middel van het systeem voor gegevensuitwisseling als bedoeld in artikel 20 van Richtlijn 90/425/EEG.

Amendementen 27 en 28

Artikel 14

De bevoegde autoriteit voert in elk stadium van een langeafstandstransport steekproefsgewijze of gerichte controles uit om na te gaan of de opgegeven transporttijden geloofwaardig zijn en aan deze verordening voldoen. De bevoegde autoriteit controleert met name of de transport- en rusttijden in overeenstemming zijn met de in hoofdstuk V van bijlage I vastgestelde limieten.

De bevoegde autoriteit dient via gekwalificeerde vertegenwoordigers in elk stadium van een langeafstandstransport steekproefsgewijze of gerichte officiële controles op dierenwelzijnsaspecten te hebben uitgevoerd om na te gaan of de opgegeven transporttijden geloofwaardig zijn en of het transport aan deze verordening voldoet . De bevoegde autoriteit controleert met name of de transport- en rusttijden in overeenstemming zijn met de in hoofdstuk V van bijlage I vastgestelde limieten. Het aantal gecontroleerde dieren en controles dient minstens 20% van alle dierentransporten te omvatten, waarvan 10% wegcontroles. De lidstaten zorgen ervoor dat de voor de controles bevoegde autoriteiten over voldoende opgeleid personeel beschikken om bovengenoemde controles uit te voeren.

Voor de uitvoering van deze controles wordt gebruikt gemaakt van GPS- en mobiele communicatietechnologieën.

Wanneer de controles aan meer dan één autoriteit worden gedelegeerd, zorgt de centrale autoriteit van de lidstaat voor de coördinatie van de controles, met name om dubbele controles te voorkomen, zodat transporten geen onnodige vertraging oplopen.

De bevoegde autoriteit legt de resultaten van de uitgevoerde controles van langeafstandstransporten vast in het systeem voor gegevensuitwisseling als bedoeld in artikel 20 van richtlijn 90/425/EEG.

Amendement 29

Artikel 15, alinea 1 bis (nieuw)

 

De opleidingen in het kader van deze verordening moeten aan de hand van uniforme criteria in de lidstaten worden opgezet.

Amendement 30

Artikel 16, lid 1

1. Voor de toepassing van artikel 6, lid 4, en artikel 9, lid 2, onder a), moeten er voor het personeel van vervoerders en verzamelcentra opleidingscursussen worden aangeboden.

1. Voor de toepassing van artikel 6, lid 4, en artikel 9, lid 2, onder a), moeten er voor het personeel van vervoerders en verzamelcentra opleidings- en vervolgcursussen worden aangeboden en moet een certificeringsprocedure worden vastgesteld .

Amendement 31

Artikel 16, lid 2

2. Het opleidingscertificaat voor bestuurders van wegvoertuigen die als huisdier gehouden eenhoevigen, runderen, schapen, geiten of varkens, en pluimvee vervoeren als bedoeld in artikel 6, lid 5, wordt verleend overeenkomstig bijlage IV. Het opleidingscertificaat moet worden opgesteld in minstens een van de officiële talen van de lidstaat waar het is afgegeven, en in twee andere officiële talen van de Gemeenschap. Het opleidingscertificaat wordt afgegeven door de bevoegde autoriteit of de hiertoe door de lidstaten aangewezen instantie, en moet in overeenstemming zijn met het model in hoofdstuk III van bijlage III.

2. Het opleidingscertificaat voor bestuurders van wegvoertuigen die dieren vervoeren als bedoeld in artikel 6, lid 5, wordt verleend overeenkomstig bijlage IV. Het opleidingscertificaat moet worden opgesteld in minstens een van de officiële talen van de lidstaat waar het is afgegeven, en in twee andere officiële talen van de Gemeenschap, waarvan één het Engels. Het opleidingscertificaat wordt afgegeven door de bevoegde autoriteit of de hiertoe door de lidstaten aangewezen instantie, en moet in overeenstemming zijn met het model in hoofdstuk III van bijlage III. Het diploma van een landbouwschool of relevante opleiding geldt als opleidingscertificaat overeenkomstig bijlage IV.

Amendement 32

Artikel 16, lid 2 bis (nieuw)

 

2 bis. Het toepassingsbereik van het opleidingscertificaat kan worden beperkt tot een specifieke soort, een subgroep, bepaalde reistijden of een bepaalde periode.

Amendement 33

Artikel 16, lid 2 ter (nieuw)

 

2 ter. Het verantwoordelijke personeel moet zijn kennis met redelijke tussenpozen opfrissen, waarbij aandacht besteed moet worden aan wetenschappelijke ontwikkelingen op het gebied van de behandeling van dieren.

Amendement 34

Artikel 17, lid 1, inleidende formule

1. De bevoegde autoriteit of de door de lidstaat aangewezen instantie verleent op aanvraag een certificaat van goedkeuring voor wegvervoermiddelen die worden gebruikt voor langeafstandstransporten , op voorwaarde dat:

1. De bevoegde autoriteit of de door de lidstaat aangewezen instantie verleent op aanvraag een certificaat van goedkeuring voor wegvervoermiddelen die worden gebruikt voor transporten over een afstand van meer dan 100 km tussen de plaats van vertrek en de plaats van aankomst, op voorwaarde dat:

Amendement 35

Artikel 17, lid 1, letter b)

b)

het vervoermiddel na inspectie door de bevoegde autoriteit blijkt te beantwoorden aan de eisen van de hoofdstukken II en VI van bijlage I ten aanzien van het ontwerp, de bouw en de staat van onderhoud van wegvervoermiddelen voor langeafstandstransporten .

b)

het vervoermiddel na inspectie door de bevoegde autoriteit blijkt te beantwoorden aan de eisen van de hoofdstukken II en , in het geval van wegvervoermiddelen voor langeafstandstransporten, hoofdstuk VI van bijlage I ten aanzien van het ontwerp, de bouw en de staat van onderhoud van wegvervoermiddelen.

Amendement 36

Artikel 17, lid 2

2. Elk door de bevoegde autoriteit of door de lidstaat aangewezen instantie afgegeven certificaat draagt een eenduidig nationaal nummer en dient in overeenstemming te zijn met het model in hoofdstuk IV van bijlage III. Het certificaat moet worden opgesteld in minstens een van de officiële talen van de lidstaat waar het is afgegeven, en in twee andere officiële talen van de Gemeenschap. De geldigheidsduur van het certificaat bedraagt ten hoogste vijf jaar vanaf de datum van afgifte en het moet worden vernieuwd bij elke wijziging of aanpassing van het vervoermiddel.

2. Elk door de bevoegde autoriteit of door de lidstaat aangewezen instantie afgegeven certificaat draagt een eenduidig nationaal nummer en dient in overeenstemming te zijn met het model in hoofdstuk IV van bijlage III. Het certificaat moet worden opgesteld in minstens een van de officiële talen van de lidstaat en in twee andere officiële talen van de Gemeenschap, waarvan één het Engels . De geldigheidsduur van het certificaat bedraagt ten hoogste drie jaar vanaf de datum van afgifte. Het certificaat vervalt zodra het vervoermiddel wordt gewijzigd of aangepast .

Amendement 41

Artikel 17, lid 2 bis (nieuw)

 

2 bis. Alle voertuigen in elke lidstaat ontvangen een vergunning voor de diersoorten die zij mogen vervoeren; ook het gewicht en de grootte van de dieren zijn van invloed op het aantal dieren dat een voertuig mag vervoeren. Elk voertuig wordt voorzien van een plaat met de relevante informatie, zodat in de gehele EU kan worden toegezien op naleving van de voorschriften.

Amendement 37

Artikel 17, lid 2 ter (nieuw)

 

2 ter. De bevoegde autoriteit registreert de certificaten van goedkeuring van de voertuigen in een elektronische databank, op zodanige wijze dat bevoegde autoriteiten in alle lidstaten snel een vervoermiddel kunnen identificeren, in het bijzonder bij het niet nakomen van de vereisten van deze verordening.

Amendement 38

Artikel 18, lid 1, letter a)

a)

het schip vanuit de lidstaat waar de aanvraag wordt gedaan, geregelde verbindingen onderhoudt;

a)

het schip vanuit de lidstaat waar de aanvraag wordt gedaan, verbindingen onderhoudt;

Amendement 39

Artikel 18, lid 2

2. Elk door de bevoegde autoriteit of door de lidstaat aangewezen instantie afgegeven certificaat draagt een eenduidig nationaal nummer. Het certificaat moet worden opgesteld in minstens een van de officiële talen van de lidstaat waar het is afgegeven, en in twee andere officiële talen van de Gemeenschap. De geldigheidsduur van het certificaat bedraagt ten hoogste vijf jaar vanaf de datum van afgifte en het moet worden vernieuwd bij elke wijziging of aanpassing van het veeschip.

2. Elk door de bevoegde autoriteit of door de lidstaat aangewezen instantie afgegeven certificaat draagt een eenduidig nationaal nummer. Het certificaat moet worden opgesteld in minstens een van de officiële talen van de lidstaat en in twee andere officiële talen van de Gemeenschap , waarvan één het Engels . De geldigheidsduur van het certificaat bedraagt ten hoogste vijf jaar vanaf de datum van afgifte en het moet worden vernieuwd bij elke wijziging of aanpassing van het veeschip.

Amendement 40

Artikel 18, lid 3

3. De bevoegde autoriteit registreert de goedgekeurde veeschepen zodanig dat deze snel kunnen worden geïdentificeerd, met name wanneer niet aan de voorschriften van deze verordening wordt voldaan.

3. De bevoegde autoriteit registreert de goedgekeurde veeschepen zodanig in een elektronische databank dat deze snel kunnen worden geïdentificeerd, met name wanneer niet aan de voorschriften van deze verordening wordt voldaan.

Amendement 42

Artikel 19, lid -1 (nieuw)

 

-1. Voorafgaand aan het begin van het laden vult de vervoerder het „reisschema voor veeschepen” volledig en correct in, zoals vastgelegd in hoofdstuk IV A van bijlage III, waarna het reisschema wordt ingediend bij de bevoegde autoriteit.

Amendement 43

Artikel 19, lid 1, inleidende formule

1. De bevoegde autoriteit inspecteert veeschepen vóór het inladen van de dieren teneinde met name te controleren of:

1. De bevoegde autoriteit inspecteert veeschepen vóór het inladen van de dieren teneinde de juistheid van het ingediende „reisschema voor veeschepen” te controleren en met name of:

Amendement 44

Artikel 20, lid 1, inleidende formule

1. Onverminderd de controles die op grond van artikel 2 van Verordening (EG) nr. 639/2003 moeten worden verricht wanneer dieren op plaatsen van uitgang of grensinspectieposten worden aangeboden , controleren de officiële dierenartsen van de lidstaten of de dieren conform deze verordening worden vervoerd en met name of:

1. Onverminderd de controles die op grond van artikel 2 van Verordening (EG) nr. 639/2003 moeten worden verricht, controleren de officiële dierenartsen van de lidstaten op plaatsen van uitgang en grensinspectieposten of de dieren conform deze verordening worden vervoerd en met name of:

Amendement 45

Artikel 20, lid 1, letter f bis) (nieuw)

 

f bis)

of de transporteurs in gevallen van invoer en uitvoer bewijs hebben geleverd dat het transport vanaf de plaats van vertrek tot aan de plaats van bestemming overeenstemt met de reistijden als vastgelegd in hoofdstuk V van bijlage I.

Amendement 46

Artikel 20, lid 2

2. Bij langeafstandstransporten van als huisdier gehouden eenhoevigen, runderen, schapen, geiten of varkens verrichten de officiële dierenartsen van plaatsen van uitgang en grensinspectieposten de in bijlage II, afdeling 3: „Plaats van bestemming”, vermelde controles en tekenen zij de resultaten daarvan op. De resultaten van die controles en van de in lid 1 bedoelde controle worden door de bevoegde autoriteit bijgehouden gedurende ten minste vijf jaar na de datum van de controles, met inbegrip van een kopie van het desbetreffende registratieblad of de desbetreffende bestuurderskaart als bedoeld in bijlage I of bijlage I B van Verordening (EEG) nr. 3821/85 indien het voertuig onder deze verordening valt.

2. Bij langeafstandstransporten of transporten naar het slachthuis van als huisdier gehouden eenhoevigen, runderen, schapen, geiten of varkens verrichten de officiële dierenartsen van plaatsen van uitgang en grensinspectieposten de in bijlage II, afdeling 3: „Plaats van bestemming”, vermelde controles en tekenen zij de resultaten daarvan op. De resultaten van die controles en van de in lid 1 bedoelde controle worden door de bevoegde autoriteit bijgehouden gedurende ten minste vijf jaar na de datum van de controles, met inbegrip van een kopie van het desbetreffende registratieblad of de desbetreffende bestuurderskaart als bedoeld in bijlage I of bijlage I B van Verordening (EEG) nr. 3821/85 indien het voertuig onder deze verordening valt.

Amendement 47

Artikel 20, lid 3

3. Indien de bevoegde autoriteit van oordeel is dat de dieren tijdens het transport zijn verwaarloosd of mishandeld en daarom niet in een conditie verkeren om de reis te voltooien , moeten zij worden uitgeladen, gedrenkt en gevoederd, en rust krijgen.

3. Indien de bevoegde autoriteit van oordeel is dat de dieren tijdens het transport zijn verwaarloosd of mishandeld of niet in een conditie verkeren om de reis voort te zetten , moeten zij worden uitgeladen, gedrenkt en gevoederd, en rust krijgen gedurende een periode van tenminste 24 uur, waarbij zo nodig maatregelen worden genomen overeenkomstig artikel 22 .

Amendement 48

Artikel 20, lid 3 bis (nieuw)

 

3 bis. Indien in het geval van invoer de dieren niet worden vervoerd overeenkomstig deze verordening en in het bijzonder de bepalingen van lid 1, onder a, b, c, d, f of f bis, lid 2 of lid 3, verbiedt de bevoegde autoriteit de invoer van de dieren naar het grondgebied van de Europese Unie.

Amendement 49

Artikel 20, lid 3 ter (nieuw)

 

3 ter. Alle voor de slacht ingevoerde dieren worden bij of in de buurt van de grensinspectieposten gelost en krijgen 24 uur rust, voedsel en water, tenzij zij binnen twee uur naar het slachthuis kunnen worden gebracht. Deze bepaling geldt niet als de landen van oorsprong en doorvoer de Gemeenschapswetgeving inzake dierenwelzijn in nationaal recht hebben omgezet en de ingevoerde dieren aan alle in deze verordening gestelde eisen voldoen.

Amendement 50

Artikel 20, lid 3 quater (nieuw)

 

3 quater. Indien in het geval van uitvoer de dieren niet worden vervoerd overeenkomstig deze verordening en in het bijzonder de bepalingen van lid 1, onder a, b, c, d, f of f bis, lid 2 of lid 3, verbiedt de bevoegde autoriteit de invoer van de dieren naar het grondgebied van de Europese Unie.

Amendement 51

Artikel 21, lid 2 bis (nieuw)

 

2 bis. De bevoegde autoriteit draagt er zorg voor dat de uit hoofde van artikel 14 vereiste officiële controles zodanig worden georganiseerd en uitgevoerd dat de transporten onverwijld kunnen worden voortgezet. De controle mag niet langer dan een half uur duren.

Amendement 52

Artikel 22, lid 2, letter d)

d)

terugzending van de dieren naar de plaats van vertrek langs de kortste weg;

d)

terugzending van de dieren naar de plaats van vertrek langs de kortste weg , of, als dat humaner is, toestaan dat de dieren langs de kortste weg naar de plaats van bestemming worden gebracht ;

Amendement 53

Artikel 22, lid 2 bis (nieuw)

 

2 bis. De bevoegde autoriteit van elke lidstaat wijst een voldoende aantal passende locaties voor het lossen aan en stelt de Commissie hiervan regelmatig op de hoogte.

Amendement 54

Artikel 23, lid 2

2. Elke lidstaat deelt de Commissie binnen drie maanden na inwerkingtreding van deze verordening de gegevens mede van een voor de toepassing van deze verordening aangewezen contactpunt, met inbegrip van een e-mailadres , indien voorhanden, en houdt de Commissie op de hoogte van alle wijzigingen in die gegevens. In het kader van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid geeft de Commissie de gegevens van het contactpunt door aan de andere lidstaten .

2. Elke lidstaat deelt de Commissie de gegevens mede van een voor de toepassing van deze verordening aangewezen contactpunt, met inbegrip van een e-mailadres. De Commissie zet uiterlijk op ... (4) een centrale elektronische databank op, waaraan het contactpunt dat elke lidstaat overeenkomstig dit lid heeft aangewezen, alle in artikel 25, lid 7 bedoelde gegevens doet toekomen. De Commissie is in het kader van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid verantwoordelijk voor het beheer van de databank.

Amendement 55

Artikel 24

De lidstaten stellen de regels vast inzake de sancties die van toepassing zijn op overtredingen van de bepalingen van deze verordening, en treffen alle maatregelen om erop toe te zien dat deze ook worden toegepast. Deze sancties moeten doeltreffend en evenredig zijn en een preventieve werking hebben. De lidstaten delen deze bepalingen, alsmede de bepalingen voor de toepassing van artikel 25, uiterlijk op ... (18 maanden na de datum van bekendmaking) aan de Commissie mee en stellen de Commissie onverwijld in kennis van elke latere wijziging daarvan.

De lidstaten stellen op EU-niveau uniforme regels vast inzake de sancties die van toepassing zijn op overtredingen van de bepalingen van deze verordening, en treffen alle maatregelen om erop toe te zien dat deze ook worden toegepast. Deze sancties moeten doeltreffend en evenredig zijn en een preventieve werking hebben. De lidstaten delen deze bepalingen, alsmede de bepalingen voor de toepassing van artikel 25, uiterlijk op ... (18 maanden na de datum van bekendmaking) aan de Commissie mee en stellen de Commissie onverwijld in kennis van elke latere wijziging daarvan. In geval van nalatigheid of doelbewuste schendingen die ernstig lijden bij de dieren veroorzaken wordt de vergunning van de vervoerder voor een jaar ingetrokken en moet diens hele personeel een adequate opleiding volgen. In geval van nalatigheid of doelbewuste schendingen die ernstig lijden bij de dieren veroorzaken moeten de mogelijke sancties onder meer een gevangenisstraf tot maximaal twee jaar omvatten.

Amendement 56

Artikel 25, lid 2

2. Indien een bevoegde autoriteit vaststelt dat een vervoerder deze verordening niet in acht heeft genomen of dat een vervoermiddel niet aan deze verordening voldoet, stelt zij de bevoegde autoriteit die de vervoerder de vergunning heeft verleend of het certificaat van goedkeuring van het vervoermiddel heeft afgegeven, daarvan onverwijld in kennis. Deze kennisgeving dient vergezeld te gaan van alle relevante gegevens en documenten.

2. Indien een bevoegde autoriteit vaststelt dat een vervoerder deze verordening niet in acht heeft genomen of dat een vervoermiddel niet aan deze verordening voldoet, stelt zij de bevoegde autoriteit die de vervoerder de vergunning heeft verleend of het certificaat van goedkeuring van het vervoermiddel heeft afgegeven en, wanneer een chauffeur deze verordening niet naleeft, de bevoegde autoriteit die het opleidingscertificaat van die chauffeur heeft afgegeven , daarvan onverwijld in kennis. Deze kennisgeving dient vergezeld te gaan van alle relevante gegevens en documenten.

Amendement 57

Artikel 25, lid 4 bis (nieuw)

 

4 bis. In geval van drie overtredingen van deze verordening binnen één jaar gaat de bevoegde autoriteit over tot schorsing of intrekking van de vergunning van de vervoerder en zo nodig het certificaat van goedkeuring van het vervoermiddel voor een periode van ten minste één jaar.

Amendement 58

Artikel 25, lid 5

5. Bij overtreding van deze verordening door een chauffeur die in het bezit is van een opleidingscertificaat als bedoeld in artikel 16, lid 2, kan de bevoegde autoriteit dit opschorten of intrekken , met name als uit de overtreding blijkt dat het de chauffeur ontbreekt aan voldoende kennis of zorgzaamheid om dieren in overeenstemming met deze verordening te vervoeren.

5. Bij overtreding van deze verordening door een chauffeur die in het bezit is van een opleidingscertificaat als bedoeld in artikel 16, lid 2, schort de bevoegde autoriteit dit op of trekt dit in , met name als uit de overtreding blijkt dat het de chauffeur ontbreekt aan voldoende kennis of zorgzaamheid om dieren in overeenstemming met deze verordening te vervoeren , tenzij het een lichte overtreding betreft die het welzijn van de dieren niet heeft geschaad, of er sprake is van bijzondere omstandigheden waaruit blijkt dat de overtreding zich buiten de invloed van de chauffeur heeft voorgedaan .

Amendement 59

Artikel 25, lid 6

6. Bij herhaalde of ernstige overtredingen van deze verordening kan een lidstaat de vervoerder of het vervoermiddel in kwestie tijdelijk een verbod opleggen om dieren op zijn grondgebied te vervoeren, ook al is de vervoerder of het vervoermiddel door een andere lidstaat toegelaten, op voorwaarde dat alle door wederzijdse bijstand en informatie-uitwisseling als bedoeld in artikel 23 geboden mogelijkheden zijn uitgeput.

6. Bij overtredingen van deze verordening kan een lidstaat de vervoerder of het vervoermiddel in kwestie al naar gelang de ernst van de overtreding een tijdelijk of totaal verbod opleggen om dieren op zijn grondgebied te vervoeren, ook al is de vervoerder of het vervoermiddel door een andere lidstaat toegelaten, op voorwaarde dat alle door wederzijdse bijstand en informatie-uitwisseling als bedoeld in artikel 23 geboden mogelijkheden zijn uitgeput.

Amendement 60

Artikel 25, lid 7

7. De lidstaten zorgen ervoor dat alle contactpunten als bedoeld in artikel 23, lid 2, onverwijld op de hoogte worden gebracht van de op grond van lid 4, onder c), of de leden 5 en 6 genomen besluiten.

7. De lidstaten zorgen ervoor dat de elektronische databank als bedoeld in artikel 23, lid 2, op de hoogte wordt gebracht van de op grond van lid 4, onder c), of de leden 5 en 6 genomen besluiten.

Amendement 61

Artikel 26, lid 1

1. De bevoegde autoriteit gaat door middel van niet-discriminerende controles van de dieren, vervoermiddelen en geleidedocumenten na of aan de voorschriften van deze verordening is voldaan. Deze controles moeten worden uitgevoerd op een adequaat percentage van de dieren die elk jaar binnen elke lidstaat worden vervoerd, en kunnen tegelijk met controles voor andere doeleinden worden uitgevoerd. Het percentage controles moet worden opgevoerd als geconstateerd wordt dat de bepalingen van deze verordening zijn veronachtzaamd. Bovenbedoelde percentages worden vastgesteld volgens de in artikel 30, lid 2, bedoelde procedures.

1. De bevoegde autoriteit gaat door middel van niet-discriminerende controles van de dieren, vervoermiddelen en geleidedocumenten na of aan de voorschriften van deze verordening is voldaan. Deze controles moeten worden uitgevoerd op een adequaat percentage van ten minste 10% van de dieren die elk jaar binnen elke lidstaat worden vervoerd, en kunnen tegelijk met controles voor andere doeleinden worden uitgevoerd. Het percentage controles moet worden opgevoerd als geconstateerd wordt dat de bepalingen van deze verordening zijn veronachtzaamd. Bovenbedoelde percentages worden vastgesteld volgens de in artikel 30, lid 2, bedoelde procedures.

Amendement 62

Artikel 26, lid 2

2. De bevoegde autoriteit legt de Commissie elk jaar vóór 30 juni een jaarverslag voor over de in het jaar ervoor verrichte controles als bedoeld in lid 1. Het verslag dient vergezeld te gaan van een analyse van de belangrijkste aan het licht gebrachte tekortkomingen en van een actieplan om die aan te pakken.

2. De bevoegde autoriteit legt de Commissie elk jaar vóór 30 juni een jaarverslag voor over de in het jaar ervoor verrichte controles als bedoeld in lid 1. Het verslag dient vergezeld te gaan van een analyse van de belangrijkste aan het licht gebrachte tekortkomingen en van een actieplan om die aan te pakken , alsmede van documentatie inzake de door de autoriteiten opgelegde sancties. Het verslag wordt het Europees Parlement en de lidstaten op verzoek ter beschikking gesteld .

Amendement 63

Artikel 27

Veterinaire deskundigen van de Commissie kunnen in samenwerking met de autoriteiten van de betrokken lidstaat en voor zover zulks voor een uniforme toepassing van deze verordening noodzakelijk is, controles ter plaatse verrichten overeenkomstig de procedures van Beschikking 98/139/EG van de Commissie.

Veterinaire deskundigen van de Commissie kunnen in samenwerking met de autoriteiten van de betrokken lidstaat en voor zover zulks voor een uniforme toepassing van deze verordening noodzakelijk is, tijdens tenminste een dienstreis per lidstaat per jaar controles ter plaatse verrichten overeenkomstig de procedures van Beschikking 98/139/EG van de Commissie.

Amendement 64

Artikel 28

Praktijkrichtlijnen

De lidstaten moedigen de opstelling van praktijkrichtlijnen aan , die aanbevelingen moeten bevatten voor de naleving van deze verordening en in het bijzonder van artikel 10, lid 1.

Praktijkrichtlijnen en vergunningsprocedures

1. De lidstaten ontwikkelen praktijkrichtlijnen en certificeringsregelingen , die aanbevelingen moeten bevatten voor de naleving van deze verordening en in het bijzonder van artikel 10, lid 1. Deze praktijkrichtlijnen worden opgesteld op nationaal niveau, door een aantal lidstaten, of op communautair niveau. De verspreiding en het gebruik van nationale en communautaire praktijkrichtlijnen wordt aangemoedigd. De toepassing ervan is echter vrijwillig.

2. De vergunningsprocedures voor vervoerders die langeafstandstransporten uitvoeren, bevatten aanbevelingen voor de naleving van deze verordening en waarborgen dierenwelzijnsnormen die strenger zijn dan de in deze verordening vastgestelde minimumnormen.

De deelname aan een vergunningsprocedure is verplicht voor bepaalde vervoerders die langeafstandstransporten uitvoeren, zoals vermeld in bijlage I.

Amendement 65

Artikel 29, lid 1

1. De bijlagen kunnen gewijzigd worden volgens de in artikel 30, lid 2, bedoelde procedure.

1. De bijlagen bij deze verordening worden door de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Parlement gewijzigd, met uitzondering van de bijlagen III, IV, V en VI, die gewijzigd kunnen worden volgens de in artikel 30, lid 2, bedoelde procedure.

Amendement 66

Artikel 29, lid 6 bis (nieuw)

 

6 bis. De Commissie stelt een verslag op en legt dit aan het Europees Parlement voor, zodat het de gevolgen van deze verordening kan beoordelen voor alle bedrijfstakken die te maken hebben met de aanscherping van de regels inzake het welzijn van dieren tijdens het vervoer. Voorafgaande aan elke eventuele verdere wijziging van de voorschriften die in de bijlagen van deze verordening staan en kunnen voortvloeien uit de toepassing van lid 1, moet een effectbeoordeling worden uitgevoerd, die eveneens aan het Europees Parlement moet worden voorgelegd.

Amendement 67

Artikel 30 bis (nieuw)

 

Artikel 30 bis

Acute-fase-eiwit

Aangezien de gevolgen van deze verordening voor het welzijn van dieren wetenschappelijk moeten worden aangetoond, brengt de Europese Commissie binnen ... (5) verslag uit over de ontwikkeling van het onderzoek naar acute-fase-eiwit, zo nodig vergezeld van voorstellen tot herziening van deze verordening.

Amendement 68

Artikel 32, lid 2

(Artikel 12, lid 1, letter b), punt i) (Richtlijn 64/432/EEG)

i)

beschikken over geschikte en door de bevoegde autoriteit erkende reinigings- en ontsmettingsinstallaties , met inbegrip van installaties voor de opslag van strooisel en mest; of

i)

gebruik maken van de aan de vervoerders door de lidstaten ter beschikking gestelde installaties voor het reinigen en ontsmetten van de voertuigen. Deze installaties moeten door de bevoegde autoriteit erkend zijn, met inbegrip van installaties voor de opslag van strooisel en mest; of

Amendement 69

Artikel 33

Bijlage A, deel II, punt 3 (Richtlijn 93/119/EG)

3. Bij het verplaatsen van de dieren dient behoedzaam te werk te worden gegaan. Drijfgangen moeten zo zijn geconstrueerd dat het gevaar voor verwonding van de dieren zo klein mogelijk wordt en moeten zo zijn aangelegd dat gebruik kan worden gemaakt van het kudde-instinct. Instrumenten om de dieren in een bepaalde richting te drijven mogen uitsluitend voor dat doel worden gebruikt en slechts gedurende korte tijd.

3. Bij het verplaatsen van de dieren dient behoedzaam te werk te worden gegaan. Drijfgangen moeten zo zijn geconstrueerd dat het gevaar voor verwonding van de dieren zo klein mogelijk wordt en moeten zo zijn aangelegd dat gebruik kan worden gemaakt van het kudde-instinct. Instrumenten om de dieren in een bepaalde richting te drijven mogen uitsluitend voor dat doel worden gebruikt en slechts gedurende korte tijd. Het gebruik van instrumenten waarmee elektrische schokken worden toegediend, is verboden.

Amendement 70

Artikel 34, alinea 2

Zij is van toepassing met ingang van ... ( 18 maanden na de datum van bekendmaking).

Zij is van toepassing met ingang van ... ( 24 maanden na de datum van bekendmaking).

Amendement 71

Bijlage I, Hoofdstuk I, punt 2, letter e)

e)

het varkens van minder dan vier weken , lammeren van minder dan een week of kalveren van minder dan twee weken betreft , tenzij zij over minder dan 100 km worden vervoerd ;

e)

het varkens van minder dan drie weken , lammeren van minder dan een week of kalveren van minder dan twee weken betreft;

Amendement 72

Bijlage I, Hoofdstuk I, punt 3, inleidende formule

3)

Zieke of gewonde dieren kunnen echter geschikt worden geacht om te worden vervoerd als:

3)

Zieke of gewonde dieren kunnen echter geschikt worden geacht om over een korte afstand te worden vervoerd als:

Amendement 73

Bijlage I, Hoofdstuk II, punt 1.1, letter h bis) (nieuw)

 

h bis)

zij met ingang van 2008 uitgerust zijn met passende apparatuur voor satellietnavigatie, waarbij gegevens inzake de positie kunnen worden geregistreerd en doorgegeven aan de bevoegde autoriteiten;

Amendement 74

Bijlage I, Hoofdstuk II, punt 1.1, letter h ter) (nieuw)

 

h ter)

zij voorzien zijn van externe en interne laadbruggen die niet steiler zijn dan 30% en die minstens om de 30 cm voorzien zijn van klampen.

Amendement 112

Bijlage I, Hoofdstuk II, punt 1.4

1.4)

Tussenschotten moeten sterk genoeg zijn om het gewicht van de dieren te weerstaan. De uitrusting moet zo ontworpen zijn dat deze snel en gemakkelijk kan worden bediend.

1.4)

Om te voorkomen dat dieren tijdens het transport heen en weer worden geworpen, worden tussenschotten aangebracht en gebruikt om grote groepen dieren of een gedeelte dat minder dieren dan de normale capaciteit bevat, onder te verdelen. Tussenschotten moeten sterk genoeg zijn om het gewicht van de dieren te weerstaan. De uitrusting moet zo ontworpen zijn dat deze snel en gemakkelijk kan worden bediend. Tussenschotten worden op een dusdanige wijze geconstrueerd en aangebracht dat dieren geen verwonding oplopen doordat hun poten vastraken tussen de onderkant van het tussenschot en de vloer van het voertuig of tussen de spijlen van het tussenschot.

Amendement 75

Bijlage I, Hoofdstuk II, punt 1.5

1.5)

Biggen onder de 10 kg, lammeren onder de 20 kg, kalveren onder de zes maanden en veulens onder de vier maanden moeten de beschikking hebben over passend strooisel in een hoeveelheid die voor de dieren voldoende is om te kunnen liggen zonder direct in aanraking te komen met de vloer.

1.5)

Alle dieren moeten de beschikking hebben over passend strooisel in een hoeveelheid die voor de dieren voldoende is om te kunnen liggen zonder direct in aanraking te komen met de vloer. Dit materiaal dient een adequate opname van urine en uitwerpselen te waarborgen.

Amendement 76

Bijlage I, Hoofdstuk III, punt 1.4

1.4)

Laadbruggen mogen niet steiler zijn dan 33,3% voor varkens, kalveren en paarden, en 50% voor schapen en runderen, kalveren uitgezonderd, op voorwaarde dat de laadbruggen minstens om de 30 cm voorzien zijn van klampen.

1.4)

De externe en interne laadbruggen mogen niet steiler zijn dan 30% voor varkens, kalveren , paarden, schapen en runderen, en moeten minstens om de 30 cm voorzien zijn van klampen.

Amendement 77

Bijlage I, Hoofdstuk III, punt 1.11, letter f bis)

 

f bis) geslachtsrijpe mannelijke en vrouwelijke dieren.

Amendement 78

Bijlage I, Hoofdstuk IV, punt 9 bis (nieuw)

 

9 bis)

Er moet een satellietnavigatiesysteem aanwezig zijn dat tijdens het vervoer op continue basis informatie over de positie kan registreren en deze gegevens op verzoek kan doorzenden aan de bevoegde autoriteiten.

Amendement 79

Bijlage I, Hoofdstuk V, letter b)

b)

„reistijd”: een periode tijdens een transport die niet onderbroken wordt door een minimumrusttijd in de zin van afdeling 1, punt 1.1, onder d) en e).

b)

”reistijd”: een periode tijdens een transport die niet onderbroken wordt door een minimumrusttijd in de zin van afdeling 1, punt 1.1, onder d) en e). Met het oog op de dierenbescherming kan bij onvoorziene vertraging (file, defect, ongeval, omleiding, overmacht, enz.), in het bijzonder met inachtneming van de afstand tot de plaats van bestemming of de in de transportplanning voorziene rustplaats, het transport met twee uur worden verlengd.

Amendement 80

Bijlage I, Hoofdstuk V, punt -1 (nieuw)

 

-1)

Transporten naar het slachthuis over de weg en per spoor van dieren zoals als huisdier gehouden eenhoevigen, runderen, schapen, geiten en varkens zijn alleen toegestaan indien het transport niet langer duurt dan 9 uur. Deze beperking geldt niet indien zich binnen een straal van 500 km vanaf de plaats van vertrek niet minstens twee slachthuizen bevinden. De lidstaten kunnen een kortere maximale transportduur binnen hun eigen grenzen vaststellen of de uitvoer van bepaalde soorten om morele redenen verbieden.

Amendement 81

BIJLAGE I, HOOFSTUK V, punt 1.1, letter d bis) (nieuw)

 

d bis)

vervoer over de weg, voorzien van een certificaat overeenkomstig de bepalingen van artikel 28, lid 2, overschrijden de reistijden niet de reistijden voor chauffeurs als vastgesteld in Verordening (EG) nr. 3820/85. Een transport kan meerdere reistijden omvatten. In het belang van de dieren kan de maximumreistijd worden overschreden met 2 uur rekening houdend met de nabijheid van de eindbestemming.

Amendement 82

Bijlage I, Hoofdstuk VI, punt 1.2

1.2) Eenhoevigen moeten permanent toegang hebben tot hooi.

1.2)

Eenhoevigen moeten om de 9 uur toegang hebben tot hooi en water .

Amendement 83

BIJLAGE I, HOOFSTUK VI, punt 1.7

1.7)

Zolang het vervoermiddel in beweging is, mogen de dieren niet worden aangebonden. Deze bepaling geldt niet voor geregistreerde paardachtigen als bedoeld in Richtlijn 90/426/EEG.

1.7)

Zolang het vervoermiddel in beweging is, mogen de dieren niet worden aangebonden. Deze bepaling geldt niet voor geregistreerde paardachtigen als bedoeld in Richtlijn 90/426/EEG. Aanbinden is echter slechts bij uitzondering toegestaan als dit om redenen van dierenwelzijn en/of om redenen van arbeidsbescherming noodzakelijk is en als voorziening van voldoende water en voeder is gewaarborgd.

Amendement 84

Bijlage I, Hoofdstuk VI, punt 1.9 bis (nieuw)

 

1.9 bis)

Runderen moeten vervoerd worden in een groep van ten hoogste 8 volwassen dieren of 15 kalveren, varkens in een groep van ten hoogste 15 varkens/jonge zeugen, 60 biggen (< 10 kg) of 32 jonge varkens (10-30 kg), en schapen en geiten in groepen van ten hoogste 30 dieren.

Amendement 85

Bijlage I, Hoofdstuk VI, punt 3.1

3.1)

De ventilatiesystemen op voertuigen voor het vervoer van dieren moeten zo zijn ontworpen, geconstrueerd en onderhouden dat zij op elk moment tijdens de reis, ongeacht of het voertuig stilstaat of in beweging is, volstaan om de temperatuur in het voertuig te handhaven tussen de minimum- en de maximumtemperatuur als vermeld in de onderstaande tabel, na correctie voor de luchtvochtigheid.

3.1)

De ventilatiesystemen op voertuigen voor het vervoer van dieren moeten zo zijn ontworpen, geconstrueerd en onderhouden worden dat met zekerheid in het inwendige van het voertuig voor alle dieren een temperatuur tussen de 5 °C en 30 °C wordt gehandhaafd, waarbij al naar gelang de buitentemperatuur een tolerantiemarge van + 5° C is toegestaan.

Amendement 86

Bijlage I, Hoofdstuk VI, tabel 1

Soort — Type/gewicht/leeftijd — Minimum-temperatuur °C — Maximumtemperatuur °C

 

Schrappen.

Amendement 87

Bijlage I, Hoofdstuk VII, punt 1.2 bis (nieuw)

 

1.2 bis)

In geval van langeafstandstransporten over zee gelden voor drachtige vrouwtjes in het laatste derde van de draagtijd, niet gecastreerde stieren en runderen die naar bestemmingen ten zuiden van de 30ste breedtegraad worden vervoerd de in de tabellen 1, 2 en 3 vermelde minimumvloeroppervlaktes, vermeerderd met 10 %.

Amendement 88

Bijlage I, Hoofdstuk VII, punt 1.7 bis (nieuw)

 

1.7 bis)

De hoogte van de compartimenten moet alle dieren in staat stellen op natuurlijke wijze rechtop te staan met voldoende ruimte boven het hoogste deel van het lichaam om voldoende ventilatie mogelijk te maken. De inwendige hoogte van het veecompartiment dient ten minste 10 cm hoger te zijn dan de schofthoogte van het grootste dier.

Amendement 89

Bijlage I, Hoofdstuk VII, tabel 1, eenhoevigen

Gemiddeld gewicht in kg

Oppervlakte A1 per dier in m2

50

0,488

100

0,625

150

0,763

200

0,900

250

1,038

300

1,175

350

1,313

400

1,450

45

1,588

500

1,725

550

1,863

600

2,000

650

2,125

700

2,250

750

2,375

800

2,500

Gemiddeld gewicht in kg

Oppervlakte A1 per dier in m2

50

0,50

100

0,60

 

 

200

0,90

 

 

300

1,20

 

 

400

1,50

 

 

500

1,70

 

 

600

1,90

 

 

700

2,00

 

 

 

 

Amendement 110

Bijlage I, Hoofdstuk VII, tabel 1, runderen

Gemiddeld gewicht in kg

Oppervlakte A1 per dier in m2

Oppervlakte A2 per dier in m2

50

0,289

0,439

100

0,459

0,563

150

0,603

0,686

200

0,731

0,810

250

0,849

0,934

300

0,959

1,058

350

1,064

1,181

400

1,163

1,305

450

1,259

1,429

500

1,351

1,553

550

1,440

1,676

600

1,526

1,800

650

1,610

1,913

700

1,692

2 025

750

1,772

2 138

800

1,851

2 250

Gemiddeld gewicht in kg

Oppervlakte A1 per dier in m2

Oppervlakte A2 per dier in m2

50

0,300

0,350

100

0,400

0,500

 

 

 

200

0,700

0,800

 

 

 

300

1,000

1,100

 

 

 

400

1,100

1,150

 

 

 

500

1,300

1,400

 

 

 

600

1,500

1,600

 

 

 

700

1,700

1,800

 

 

 

 

 

 

Amendement 90

Bijlage I, Hoofdstuk VII, tabel 2, schapen en geiten

Gemiddeld gewicht in kg

Oppervlakte A1 of A2 per dier in m2

20

0,240

30

0,265

40

 

50

0,315

60

0,340

70

0,390

80

0,440

Gemiddeld gewicht in kg

Oppervlakte A1 of A2 per dier in m2

20

0,25

 

 

 

 

50

0,30

 

 

70

0,40

80

0,50

Amendement 91

Bijlage I, Hoofdstuk VII, tabel 3, varkens, H1 (cm), geforceerde ventilatie

Gemiddeld gewicht in kg

H1 (cm) geforceerde ventilatie

20

66

30

70

40

74

50

77

70

84

90

90

100

92

110

95

130

99

150

103

170

106

190

109

 

 

210

111

230

112

Gemiddeld gewicht in kg

H1 (cm) geforceerde ventilatie

20

60

30

60

 

 

50

70

70

80

 

 

100

90

 

 

 

 

150

100

 

 

 

 

200

110

 

 

 

 

Amendement 92

Bijlage I, Hoofdstuk VII, tabel 3, varkens, H2 (cm) passieve ventilatie

Gemiddeld gewicht in kg

H1 (cm) passieve ventilatie

20

81

30

85

40

89

50

92

70

99

90

105

100

107

110

110

130

114

150

118

170

121

190

124

 

 

210

126

230

127

Gemiddeld gewicht in kg

H1 (cm) passieve ventilatie

20

70

30

70

 

 

50

80

70

90

 

 

100

100

 

 

 

 

150

120

 

 

 

 

200

130

 

 

 

 

Amendement 93

Bijlage I, Hoofdstuk VII, TABEL 3, OPPERVLAKTE A1 PER DIER IN m2

Gemiddeld gewicht in kg

Oppervlakte A1 per dier in m2

 

 

20

0,143

30

0,187

40

0,227

50

0,264

70

0,331

90

0,391

100

0,420

110

0,448

110

0,373

130

0,501

150

0,551

170

0,599

 

 

190

0,646

210

0,691

230

0,734

 

Gemiddeld gewicht in kg

Oppervlakte A1 per dier (in m2)

< 4 uur

> 4 uur

20

0,119

0,15

30

0,156

0,20

 

40

0,189

50

0,220

0,30

70

0,276

0,35

 

90

0,326

100

0,350

0,45

 

130

0,417

 

150

0,460

0,55

170

0,499

 

190

0,538

 

200

 

0,70

210

0,575

 

230

0,612

 

Amendement 94

Bijlage II, punt 3, letter d)

d)

ervoor te zorgen dat het journaal de dieren gedurende het transport begeleidt tot aan de plaats van bestemming of, in geval van uitvoer naar een derde land, ten minste tot aan de plaats van uitgang.

d)

ervoor te zorgen dat het journaal de dieren gedurende het transport begeleidt tot aan de plaats van bestemming.

Amendement 95

Bijlage II, punt 7 bis (nieuw)

 

7 bis)

Geregistreerde satellietnavigatiegegevens worden op verzoek aan de bevoegde autoriteit geleverd in de door de autoriteit gewenste vorm.

Amendement 96

Bijlage III, Hoofdstuk IV bis (nieuw)

 

Hoofdstuk IV bis

Reisschema voor schepen voor diertransport

1. Gegevens van het schip

Naam van het schip:

Vlag:

IMO-nummer:

Classificatiemaatschappij:

Instantie van afgifte ISM:

ISM-exploitant:

Volledige contactgegevens van de eigenaar/beheerder van het schip:

Naam kapitein:

Volledige contactgegevens van de vergunninghoudende vervoerder:

Vergunningsnummer:

Datum en plaats van uitgifte:

Volledige contactgegevens van de uitgevende instantie:

2. Gegevens over de inrichting van het schip voor diertransport

Totale voor het vee beschikbare oppervlakte, exclusief laadbruggen/gangen/opslag (in m2):

Drinkwatercapaciteit, exclusief ballastwater (in ton):

Mogelijke dagelijkse drinkwaterproductie op zee (in ton):

3. Reisgegevens

Laadhaven:

Geplande datum en tijd van vertrek vanuit laadhaven:

Loshaven:

Geplande datum en tijd van aankomst in loshaven:

Reisduur (in uren/dagen):

Afstand tussen laad- en loshaven (in zeemijl):

Vrachtgegevens (diersoort, aantal, gewicht):

Aantal drachtige dieren:

Aantal niet gecastreerde stieren:

Totale voor de dieren vereiste oppervlakte (in m2):

Totale voor de zeereis vereiste hoeveelheid voer + veiligheidsmarge (in ton):

Totale voor de zeereis vereiste hoeveelheid water + veiligheidsmarge (in ton):

Totale aan boord beschikbare hoeveelheid voer op het moment van vertrek (in ton):

Totale aan boord beschikbare hoeveelheid water op het moment van vertrek (in ton):

4. Handtekeningen

Handtekening kapitein van het schip:

Handtekening bevoegde autoriteit voor goedkeuring:

Amendement 97

Bijlage IV, punt 1

1)

Bestuurders van wegvoertuigen als bedoeld in artikel 6, lid 4, en artikel 16, lid 1, moeten de in punt 2 bedoelde opleiding met goed gevolg doorlopen hebben en geslaagd zijn voor een examen dat is erkend door de bevoegde autoriteit, welke laatste de onafhankelijkheid van de examinators moet garanderen.

1)

Bestuurders van wegvoertuigen als bedoeld in artikel 6, lid 4, en artikel 16, lid 1, moeten de in punt 2 bedoelde opleiding met goed gevolg doorlopen hebben en geslaagd zijn voor een examen dat is erkend door de bevoegde autoriteit, welke laatste de onafhankelijkheid van de examinators moet garanderen. De examinator kan eerdere opleiding en ervaring beoordelen en in aanmerking nemen.


(1)  Nog niet in het PB gepubliceerd.

(2)   Verordening (EG) nr. 876/2002 van de Raad van 21 mei 2002 tot oprichitng van de gemeenschappelijke onderneming Galileo (PB L 138 van 28.5.2002, blz. 1).

(3)   Verordening (EG) nr. 1257/1999 van de Raad van 17 mei 1999 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL) en tot wijziging en intrekking van een aantal verordeningen (PB L 160 van 26.6.1999, blz. 80).

(4)   Zes maanden na de inwerkingtreding van deze verordening.

(5)   Vijf jaar na de inwerkingtreding van deze verordening.

P5_TA(2004)0223

Financiële belangen van de Gemeenschappen en fraudebestrijding (2002)

Resolutie van het Europees Parlement over de bescherming van de financiële belangen van de Gemeenschappen en fraudebestrijding — Jaarverslag 2002 (COM(2003) 445 — C5-0593/2003 — 2003/2248(INI))

Het Europees Parlement,

gezien het Jaarverslag 2002 van de Commissie over de bescherming van de financiële belangen van de Gemeenschappen en fraudebestrijding (COM(2003) 445 — C5-0593/2003),

gezien het verslag van het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) over het in juni 2003 aflopende verslagjaar (1),

gezien het Jaarverslag van de Europese Rekenkamer over het begrotingsjaar 2002 (2),

onder verwijzing naar op zijn resolutie van 4 december 2003 over het verslag van de Commissie betreffende de evaluatie van de werkzaamheden van het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) (3),

gezien het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 1073/1999 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) (COM(2004) 103),

gelet op artikel 276, lid 3 en artikel 280, lid 5 van het EG-Verdrag,

gelet op artikel 47, lid 2, en artikel 163 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A5-0135/2004),

A.

overwegende dat het aantal over 2002 gemelde fraudes en onregelmatigheden met 13% gestegen is en dat de geconstateerde bedragen met 35,8% gestegen zijn, dat in vergelijking met het voorgaande jaar dit aantal op het terrein van de traditionele eigen middelen met 13% en in de landbouwsector met 36% gestegen is, dat het aantal gevallen bij de structuurbeleidsmaatregelen meer dan verviervoudigd is, wat met de afsluiting van de programma's voor de periode 1994-1999 verband houdt, en dat bij het aantal gevallen dat in de sector van de directe uitgaven geconstateerd werd, een toeneming met 21% valt waar te nemen (zie Bijlage 1 t/m 4 bij het verslag A5-0135/2004),

B.

overwegende dat de totale omvang van de in het jaarverslag van de Commissie vermelde gevallen van onregelmatigheden en fraude in het jaar 2002 bijna 2,12 miljard EUR bedroeg, waarvan 1,18 miljard EUR door de lidstaten en 0,94 miljard EUR door OLAF zijn gemeld. De door de lidstaten gemelde gevallen kunnen als volgt worden uitgesplitst:

— Eigen middelen:

324 544 459 EUR

(Jaar 2001: 238 908 883 EUR)

— EOGFL-Garantie:

198 079 000 EUR

(Jaar 2001: 140 685 000 EUR)

— Structuurbeleidsmaatregelen:

614 094 000 EUR

(Jaar 2001: 201 549 000 EUR)

— Directe uitgaven:

42 605 000 EUR

(Jaar 2001: 42 548 000 EUR),

C.

overwegende dat over de verslagperiode bij de traditionele eigen middelen gevallen ten belope van 324,54 miljoen EUR, bij de EOGFL, afdeling Garantie gevallen ten belope van 171,58 miljoen EUR en bij de maatregelen in het kader van het structuurbeleid gevallen ten belope van 368, 29 miljoen EUR met het oog op terugvordering werden gemeld en bij de traditionele eigen middelen 80,6 miljoen EUR, oftewel 24,8% van het in 2002 geconstateerde bedrag, weer kon worden teruggevorderd,

D.

overwegende dat OLAF in 2002 in 415 gevallen onderzoeken heeft ingesteld en 652 gevallen heeft afgerond, en dat de omvang van de schade bij de in deze periode afgesloten gevallen naar raming ca. 937 miljoen EUR bedroeg,

E.

overwegende dat de Gemeenschap het begrotingsjaar 2002 met een begrotingsoverschot van 7,4 miljard EUR heeft afgesloten (in 2001: 15,0 miljard EUR, in 2000: 11,6 miljard EUR), welk overschot hoofdzakelijk een gevolg is van het feit dat de lidstaten hun uitgaven in het kader van de structuurfondsen ongeveer 4,8 miljard EUR te hoog geraamd hebben, maar ook van het feit dat bij de rechtstreeks door de Commissie beheerde middelen de geplande uitgaven ongeveer 1,8 miljard EUR te hoog waren geraamd,

Melding van onregelmatigheden en fraudes door de lidstaten

1.

betreurt het dat het de Commissie na de Eurostat-affaire aan wil en kracht ontbrak om tegen de weerstand binnen haar eigen apparaat in de nodige koerscorrecties aan te brengen bij de door haar toegepaste decentralisatie van de bevoegdheden van het financiële management; stelt vast dat deze decentralisatie zonder een onafhankelijk en doelmatig tegenwicht op het stuk van controle aanzienlijke risico's voor de financiële belangen van de Gemeenschap in zich bergt;

2.

herinnert eraan dat de Commissie in 1999 haar taken heeft aangevat met de enthousiaste aankondiging van een nultolerantiebeleid op het stuk van fraude en bedrog, maar voor haar opvolgers voor wat betreft de bestrijding van onregelmatigheden en bedrog een warboel zonder weerga achterlaat van ten dele tegenstrijdige voorschriften en nieuw gecreëerde instanties en organen, en dat derhalve competentiegeschillen en het elkaar toeschuiven van de verantwoordelijkheid zijn ingebouwd;

3.

verwacht dat in de toekomstige Commissie één lid uitsluitend bevoegd zal zijn voor de begrotingscontrole ter onderlijning van het belang van deze taak en om mogelijke belangenconflicten van meet af aan te vermijden;

4.

neemt er met grote bezorgdheid kennis van dat de melding en de verdere vervolging van onregelmatigheden en fraudes door veel lidstaten niet serieus genomen worden; wijst erop dat deze lidstaten aldus in strijd met de wet handelen;

5.

stelt vast dat slechts een klein deel van de nationale controlediensten en opsporingsinstanties voor fraudebestrijding wordt ingezet, en verlangt van de lidstaten dat zij deze aanpak herzien;

6.

vindt het frustrerend dat de vooruitgang op dit terrein na al deze jaren nog steeds volledig onbevredigend is of, zoals de Commissie zegt: „De praktijken van de nationale overheden lopen nog steeds uiteen, ondanks de harmonisatie-inspanningen op dit gebied. De door de lidstaten gemelde gegevens zijn vaak onvolledig, en in veel gevallen is niet aangegeven welke bedragen met de onregelmatigheden zijn gemoeid, noch om welke producten het gaat. Ook wat het onderscheid tussen ‚fraude’ en andere onregelmatigheden betreft, blijven er verschillen tussen de lidstaten bestaan, daar deze uiteenlopende opvattingen over het ‚misdaadrisico’ hebben. Bijgevolg wordt in veel meldingen niet aangegeven of het om fraude dan wel om een gewone onregelmatigheid gaat” (4);

7.

stelt vast dat Duitsland, Griekenland en Spanje de vigerende wetgeving (5) schenden en onregelmatigheden in de landbouwsector niet in digitale vorm aan OLAF toezenden, terwijl Duitsland en Spanje 52% van het totale aantal meldingen voor hun rekening nemen; verlangt van de betrokken lidstaten dat zij hun mededelingen in digitaal formaat toezenden;

8.

wijst erop dat op het terrein van de traditionele eigen middelen (totaal geïmpliceerd bedrag 324 544 459 EUR) met name het vrije verkeer van goederen (sigaretten, bananen, suiker, aluminium) van onregelmatigheden de dupe is;

9.

stelt met onbegrip vast dat in de landbouwsector (totaal geïmpliceerd bedrag 198 079 000 EUR) in 50% van de gevallen het betrokken product niet kon worden geïdentificeerd; bovendien vielen de meeste onregelmatigheden bij fruit en groenten op;

10.

constateert dat bij de structuurbeleidsmaatregelen (totaal geïmpliceerd bedrag 614 094 000 EUR) de onregelmatigheden in hoofdzaak door de afrekening van niet-subsidiabele kosten, door het ontbreken van afsluiting van de maatregel, alsmede door ontbrekende of onvolledige bewijsstukken veroorzaakt werden;

11.

onderstreept dat de terugvordering van onrechtmatig betaalde middelen geen sanctie is en dat het alleen al om redenen van preventie van vitaal belang is dat de Commissie en OLAF zich er nadrukkelijk voor inzetten dat de bevoegde nationale instanties fraudepogingen ook strafrechtelijk vervolgen;

Terugvordering van te veel of ten onrechte betaalde bedragen (6)

12.

stelt vast dat in de navolgende sectoren bijna 2,2 miljard EUR weer dient te worden teruggevorderd:

eigen middelen: 243 981 821 EUR uit het jaar 2002 (1,24 miljard uit de jaren 1998 t/m 2001 (7)); in het jaar 2002 werden de onregelmatigheden hoofdzakelijk door Duitsland, Nederland en Italië veroorzaakt,

structuurbeleidsmaatregelen: 368 287 000 EUR uit het jaar 2002 (337 656 000 EUR uit voorgaande jaren); in het jaar 2002 werden de onregelmatigheden hoofdzakelijk door Duitsland veroorzaakt;

13.

verzoekt OLAF voor eind maart 2004 om opheldering over de vraag of een Tempus-Phareopleidingsseminarie voor hoge Roemeense ambtenaren, dat de Vrije Universiteit van Brussel in het jaar 2002 in Boekarest georganiseerd had, ordelijk is uitgevoerd;

14.

neemt nota van de verklaring van de Commissie (antwoord op schriftelijke vraag E-3812/03) dat OLAF zijn onderzoek naar de Tempus-beroepsopleidingsacties voor hoge ambtenaren in Roemenië heeft hervat; onderstreept dat de aan de Vrije Universiteit Brussel voor dit programma betaalde middelen moeten worden teruggevorderd, indien niet afdoende kan worden aangetoond dat hoge regeringsambtenaren inderdaad aan de genoemde opleidingsacties hebben deelgenomen;

15.

neemt met betrekking tot dit geval voorts kennis van de verklaring van de Commissie (antwoord op schriftelijke vraag E-3812/03) dat de aantijgingen in dit verband aanvankelijk aan een antifraudecontrole door een particulier accountantsbedrijf zijn onderworpen en dat OLAF zich op de resultaten daarvan heeft gebaseerd; verwacht van OLAF in het eerstvolgende verslag van zijn werkzaamheden een lijst van alle gevallen waarin OLAF heeft ingestemd met een controle door particuliere bedrijven in plaats van deze direct zelf ter hand te nemen;

16.

juicht toe dat de Commissie in november 2002 en januari 2003 de systemen van de procedures voor de melding en verdere vervolging van onregelmatigheden in het kader van de structuurfondsen in de lidstaten getoetst heeft en daarbij tot de volgende conclusies gekomen is, welke in de komende maanden in praktische maatregelen moeten worden omgezet (8):

de systematische en directe melding van alle onregelmatigheden dient gewaarborgd te zijn,

het systematische toezicht op de verdere vervolging van onregelmatigheden, alsmede de melding ervan die een actualisering van de mededelingen aan en van OLAF mogelijk maakt, dient gewaarborgd te zijn,

de juistheid en volledigheid van de in de melding vervatte informatie dient gewaarborgd te zijn,

op nationaal niveau dienen coördinatiemaatregelen genomen of versterkt te worden om een geharmoniseerde interpretatie en geharmoniseerde procedures te waarborgen,

op nationaal niveau dienen richtlijnen voor de behandeling van onregelmatigheden te worden uitgewerkt, duidelijker geformuleerd of aangevuld te worden,

de elektronische datacommunicatie met de Commissie dient zo snel mogelijk te worden ingevoerd,

er dienen geactualiseerde systeembeschrijvingen voor de omzetting van Verordening (EG) nr. 1681/94 (9) aan OLAF te worden toegezonden (artikel 2),

er dient een debiteurenboek te worden gecreëerd, de uitkeringsinstanties dienen met de toezending van de vereiste verslagen over terugvorderingen te beginnen en daarmee in de uitgavenverklaringen rekening te houden;

Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de landbouw (10)

17.

stelt vast dat bij EOGFL-Garantie op 1 december 2003 (11) een bedrag van in totaal 2,08 miljard EUR voor terugvordering te boek stond en dat 657 miljoen EUR daarvan op grond van reeds in de periode voor 1995 gemelde onregelmatigheden geresulteerd was;

18.

stelt vast dat de Commissie enkele vorderingen bij het wegwerken van de achterstand bij dergelijke gevallen geboekt heeft;

19.

neemt in dit verband kennis van Beschikking 2003/481/EG van de Commissie van 27 juni 2003 (12) betreffende de financiële consequenties van door marktdeelnemers begane onregelmatigheden, op grond waarvan op een niet-terugvorderbaar totaalbedrag van 73,6 miljoen EUR slechts 5,6 miljoen EUR (ofte wel 7,6 %) aan de lidstaten wegens verzuimen bij de controles in rekening gebracht werd, maar de rest ten laste van de communautaire begroting kwam;

20.

verzoekt de Rekenkamer mede met het oog op andere, nog te nemen besluiten van deze aard te toetsen of de Commissie bij haar voornoemde beschikking van 27 juni 2003 tegenover de lidstaten wellicht te toegeeflijk geweest is, en zo spoedig mogelijk een speciaal verslag dienaangaande voor te leggen;

21.

stelt vast dat van het terug te vorderen bedrag van 2,08 miljard EUR meer dan twee derde (1,40 miljard EUR) alleen op Italië betrekking had;

22.

wijst op de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, dat reeds in zijn arrest van 11 oktober 1990 (zaak C-34/89, Italiaanse Republiek tegen de Commissie) (13) herinnerde aan de voor de lidstaten geldende zorgvuldigheidsplicht, op grond waarvan zij maatregelen dienen te nemen voor een snelle opheffing van de onregelmatigheden, daar anders het risico bestaat dat de terugvordering van de teveel betaalde bedragen moeilijk of onmogelijk wordt;

Restituties voor de export van levende runderen naar Libanon

23.

stelt vast dat in 2002 een bedrag van meer dan 52 miljoen EUR aan exportrestituties voor het vervoer van 226 867 levende runderen naar Libanon werd uitgekeerd en dat aldus 121 026,6 ton aan levende runderen naar Libanon werd uitgevoerd; betwijfelt of de Libanese markt een dergelijk hoog invoervolume aan rundvlees kan opnemen; betwijfelt dan ook of Libanon de uitsluitende bestemming van de levende runderen is; dringt er derhalve bij de Commissie op aan om de betaling van restituties voor de export van levende runderen naar Libanon onmiddellijk stop te zetten totdat is vastgesteld dat er bij de betaling van exportrestituties voor Libanon geen sprake van misbruik was;

24.

dringt erop aan dat OLAF een onderzoek instelt naar de kennelijke onregelmatigheden bij de restituties voor de export van levende dieren naar Libanon;

25.

dringt er bij de Commissie op aan snel maatregelen te treffen om de voor misbruik gevoelige exportrestitutieregeling af te schaffen; verwacht van de Commissie dat zij een tijdschema voor de afschaffing hiervan indient; verzoekt de Raad om het Europees Parlement te steunen in zijn voornemen inzake de afschaffing van de exportrestituties in het algemeen belang;

26.

juicht de maatregelen van de Commissie op landbouwgebied toe om de weliswaar legale, maar ethisch onacceptabele mogelijkheid aan banden te leggen om met steun van exportrestituties landbouwproducten in één van de tien nieuwe lidstaten in te voeren en na de toetreding weer naar het land van herkomst terug te vervoeren;

OLAF's jaarlijkse activiteitenverslag en zijn voorlichtingsbeleid

27.

is ontevreden met het jaarlijkse activiteitenverslag van OLAF voor het jaar eindigend in juni 2003, daar dit verslag weliswaar een groot aantal tabellen en grafieken en enkele concrete voorbeelden van gevallen bevat, maar geen algehele evaluatie van de resultaten en van het welslagen van de door OLAF geleide onderzoeken toestaat;

28.

betreurt met name dat het bij uitstek belangrijkste geval van de verslagperiode — de zaak Eurostat — zelfs uitdrukkelijk van de verslaglegging werd uitgezonderd;

29.

bekritiseert dat de gekozen verslagperiode van het midden van het jaar tot het midden van het volgende jaar een synoptische vergelijking met het jaarverslag van de Commissie ten aanzien van de bescherming van de financiële belangen van de Gemeenschap onnodig bemoeilijkt; verlangt derhalve dat de verslagperioden onderling op elkaar afgestemd worden;

30.

herinnert eraan dat het Parlement OLAF verzocht had het per kwartaal over interne en externe onderzoeken in te lichten (14), en bekritiseert dat dit in 2003 niet is geschied;

31.

bekritiseert verder dat de overzichtstabellen voortdurend van formaat veranderen, hetgeen verhindert dat gevallen gedurende verschillende verslagperioden gevolgd worden; stelt derhalve voorop dat de overzichtstabellen in de toekomst de volgende kolommen dienen te omvatten: CMS (Case Management System), nummer en startdatum, betrokken instelling/onderneming, verwijt/verdenking, evaluatie: aanvang- einde, onderzoek: aanvang-einde, huidige stand van zaken, mogelijke financiële schade, aanbevolen vervolgmaatregelen: tuchtprocedure/strafrechtelijke procedure/terugvordering; daadwerkelijk genomen vervolgmaatregelen en het resultaat ervan;

32.

wijst erop dat diverse malen interne informatie van OLAF aan de pers werd doorgegeven; constateert verder dat OLAF op 27 maart 2002 een persverklaring gepubliceerd heeft, waarin o.a. verklaard werd dat er een intern onderzoek werd ingesteld en dat daarbij ook zou worden onderzocht of dit document wellicht door betaling aan een ambtenaar verkregen werd (15); de journalist van een Duits weekblad, waarin verschillende artikelen over OLAF-zaken verschenen waren, beschouwde dit als laster en diende een klacht in bij de Europese Ombudsman;

33.

constateert dat het standpunt van OLAF een onhoudbare bewering gebleken is, wat de Ombudsman er in juni 2003 toe bewoog om de volgende aanbeveling te doen: „OLAF zou moeten overwegen de gepubliceerde omkoopverwijten, die beschouwd zouden kunnen worden als zijnde gericht tegen de indiener van de klacht, in te trekken” (16); betreurt het dat OLAF aan deze aanbeveling geen gevolg heeft gegeven, maar de verdenking dat er van omkoping sprake is, in een persbericht van 30 september 2003 heeft herhaald en slechts heeft verklaard dat er „tot dusverre” geen bewijzen voorhanden zijn dat geld werd betaald;

34.

wijst erop dat onderzoeken van het Bureau slechts bij een gegronde verdenking openbaar mogen worden gemaakt, overeenkomstig artikel 6 van de OLAF-Verordening niet onderbroken mogen worden en een gepaste duur moeten hebben; verzoekt het Comité van toezicht van OLAF zijn standpunt kenbaar te maken over de vraag of in dit geval deze voorschriften zijn overtreden en het onderzoek mogelijkerwijs misbruikt werd om journalisten onder druk te zetten of te intimideren;

Herziening van de OLAF-Verordening (EG) nr. 1073/1999 (17)

35.

wijst erop dat de voorzitter van de Commissie op 18 november 2003 heeft aangekondigd met wetsvoorstellen te komen die door het Parlement en de Raad nog voor de Europese verkiezingen aangenomen zouden kunnen worden en er aldus toe zouden kunnen bijdragen om het door de Eurostat-affaire geschokte vertrouwen van de publieke opinie te herstellen;

36.

herinnert aan zijn voornoemde resolutie van 4 december 2003 inzake de evaluatie van de werkzaamheden van OLAF, waarin het steun toezegt voor de aankondiging van de voorzitter van de Commissie om aan de kerntaken van OLAF een grotere prioriteit te verlenen, de informatiestroom tussen OLAF en de instellingen te verbeteren, het recht van personen op wie onderzoeken betrekking hebben, om te worden gehoord te beschermen en de rol van het Comité van toezicht van OLAF te versterken;

37.

uit zijn onbegrip over het feit dat de Commissie het voortgangsverslag ingevolge artikel 15 van de OLAF-Verordening meer dan een jaar te laat heeft toegezonden en het na aanneming van de resolutie inzake het verslag over de evaluatie van de werkzaamheden van OLAF, op 4 december 2003 in het Europees Parlement, meer dan twee maanden gevergd heeft alvorens zij een desbetreffend pakket voorstellen op 10 februari 2004 (COM(2004) 103) heeft goedgekeurd; constateert dat het door deze vertraging onmogelijk geworden is nog voor de Europese verkiezingen de OLAF-Verordening te verbeteren;

38.

wijst erop dat de door de Commissie ingediende wetgevingsvoorstellen ten dele in de juiste richting gaan, maar dat de volgende punten onvolledig onaanvaardbaar zijn en welhaast als een provocatie beschouwd moeten worden:

a)

in plaats van vast te leggen dat OLAF zijn gedurende lange tijd verwaarloosde kerntaak op het terrein van de interne onderzoeken eindelijk volledig vervult, opent het voorstel van de Commissie voor het Bureau thans uitdrukkelijk de mogelijkheid zelfs dan van interne onderzoeken af te zien wanneer er een duidelijke verdenking bestaat dat fraude- en corruptiedelicten of andere onwettige handelingen ten nadele van de financiële belangen van de Gemeenschap zijn gepleegd,

b)

in plaats van het secretariaat van het OLAF-Toezichtcomité administratief bij het Secretariaat-generaal van het Europees Parlement onder te brengen, stelt de Commissie thans een administratieve indeling van het secretariaat bij de Commissie voor; aldus komt de onafhankelijkheid van het Comité van toezicht op losse schroeven te staan,

c)

in plaats van de rechten van de personen op wie een intern onderzoek betrekking heeft, te versterken, zal hen de tot nu toe in de OLAF-Verordening toegekende mogelijkheid ontnomen worden om bij het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen een klacht in te dienen wanneer het Bureau in de loop van zijn onderzoeken handelingen verricht waardoor zij zich bezwaard achten; daardoor zou de deur wijd opengezet worden voor machtsmisbruik (b.v. een onderzoek zonder voldoende gronden, onredelijk lange duur van het onderzoek), daar dergelijke inbreuken in de toekomst aan rechterlijke controle onttrokken zouden zijn;

39.

merkt verder op dat het door de Commissie ingediende voorstel tevens wijzigingen behelst in samenhang met Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 (18) betreffende controles en verificaties ter plaatse, wat een snelle aanneming ervan door de Raad zou kunnen vertragen; is van mening dat de bij de toepassing van de voornoemde verordening aan het licht gekomen tekorten door een directe wijziging van deze verordening dienen te worden opgeheven en niet via de omweg van wijziging van de OLAF-Verordening;

40.

onderstreept dat tijdens de overgangsperiode de vigerende bepalingen van de OLAF-Verordening strikt moeten worden toegepast;

41.

bekrachtigt in dit verband met name dat de directeur van OLAF ingevolge artikel 10 van de verordening uitdrukkelijk gehouden is de strafrechtelijk vervolgbare feiten aan de gerechtelijke instanties mede te delen; onderstreept andermaal dat de verordening de directeur op dit gebied geen discretionaire bevoegdheden toekent (paragraaf 16 van zijn resolutie van 4 december 2003 over de evaluatie van de werkzaamheden van OLAF), maar dat dergelijke besluiten uitsluitend door de bevoegde nationale gerechtelijke instanties worden genomen;

42.

wijst andermaal nadrukkelijk op paragraaf 18 van zijn resolutie van 4 december 2003 volgens welke prioriteit moet worden gegeven aan onderzoek op terreinen waarvoor van de zijde van de nationale autoriteiten geen bijzondere belangstelling of geen bevoegdheid bestaat, dus onderzoek binnen de organen en instellingen en in verband met de door de Commissie rechtstreeks beheerde uitgaven; bekrachtigt dat onderzoeken op de genoemde gebieden in beginsel volgens de strikte regels voor intern onderzoek moeten worden verricht, daar in deze gevallen ook steeds de mogelijke betrokkenheid of nalatigheid van EU-ambtenaren moet worden onderzocht;

43.

wijst erop dat de begrotingsautoriteit in de toelichting bij het organisatieschema van OLAF, waarin voor 2004 in totaal 329 posten zijn opgenomen, heeft opgemerkt dat 80 posten voor intern onderzoek uit hoofde van artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1073/1999 zijn gepland en dat deze opsporingsambtenaren in een speciaal directoraat moeten worden ondergebracht; verwacht dat OLAF uiterlijk in juli 2004 de hiervoor nodige interne reorganisatie heeft afgerond;

44.

herinnert eraan dat OLAF af en toe met onderzoeken buiten de Gemeenschap (bijvoorbeeld naar het mogelijk oneigenlijk gebruik van financiële steun voor de Palestijnse Autoriteit) in het nieuws is gekomen; dringt erop aan dat deze kwestie in het kader van de voorgestelde verbetering van de OLAF-Verordening wordt behandeld;

45.

wijst op de tendens in de jurisprudentie van het Gerecht van eerste aanleg om klachten van ambtenaren en andere personeelsleden tegen OLAF niet ontvankelijk te verklaren, zolang de betrokken OLAF-onderzoeken niet tot disciplinaire maatregelen hebben geleid; wijst erop dat artikel 14 van de OLAF-Verordening uitdrukkelijk in rechterlijk toezicht voorziet op de maatregelen die het Bureau in het kader van een intern onderzoek heeft genomen zonder dat hieraan specifieke voorwaarden worden verbonden; dringt er bij de Commissie op aan in komende procedures voor het Gerecht van eerste aanleg duidelijk onder de aandacht te brengen dat het de bedoeling van de wetgever was om aan de betrokken personen reeds gedurende de periode van onderzoek een betrouwbare bescherming te bieden in het kader van de rechtsstaat;

46.

verzoekt het nieuwgekozen Parlement aan de herziening van de OLAF-Verordening vanaf september 2004 prioriteit te verlenen;

Fraudebestrijding bij de Europese Centrale Bank en de Europese Investeringsbank

47.

herinnert aan de uitspraken van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 10 juli 2003 (arresten C-11/00 en C-15/00), dat de OLAF-Verordening (EG) nr. 1073/1999 op de Europese Centrale Bank en de Europese Investeringsbank van toepassing is;

48.

verzoekt beide banken thans zonder verder uitstel de in artikel 4 van de OLAF-Verordening voorziene besluiten inzake interne onderzoeken van OLAF te nemen en het standaardbesluit over interne onderzoeken om te zetten;

49.

wijst erop dat ook zonder een dergelijk besluit over de interne onderzoeken van OLAF de beide banken ingevolge artikel 7 van de OLAF-Verordening verplicht zijn OLAF onverwijld alle informatie over eventuele gevallen van fraude of corruptie of andere onwettige handelingen mee te delen;

50.

is van mening dat beide banken de tot nu toe achterwege gebleven mededelingen alsnog onverwijld dienen toe te zenden, zodat OLAF een volledig beeld krijgt van alle sinds zijn oprichting in het jaar 1999 bij de banken opgetreden gevallen van onregelmatigheden en fraude; verwacht hierover van OLAF uiterlijk in september 2004 een verslag;

51.

is van oordeel dat de arresten van het Hof van Justitie mutatis mutandis ook op het Europees Investeringsfonds van toepassing zijn en dringt er bij het Investeringsfonds op aan de nodige besluiten te nemen;

Contracten met externe ondernemingen

52.

wijst erop dat de Commissie tussen 1998 en de eerste helft van 2003 aan de vijf belangrijkste internationale adviesbureaus een bedrag van bijna 115 miljoen EUR betaald heeft; twee van deze vijf ondernemingen ontvingen meer dan 77 miljoen EUR, ofte wel meer dan twee derde van de gelden; wijst erop dat deze gegevens blijkbaar slechts betrekking hebben op de rechtstreeks door de Commissie beheerde uitgaven; verzoekt de Commissie statistische gegevens te verstrekken waarin ook gegevens over de betalingen van niet rechtstreeks door de Commissie beheerde communautaire uitgaven zijn opgenomen, in het bijzonder in verband met de structuurfondsen;

53.

herinnert aan de slechte indruk die de gunning van een contract aan het consortium „ASCII” met een totale waarde van 23 miljoen EUR in het jaar 2002 heeft gemaakt, daar daarvan ook een woordvoerder van de Commissie, die op dat tijdstip „om persoonlijke redenen” met verlof was, geprofiteerd heeft (19);

54.

verlangt van de Commissie dat zij, gelet op dergelijke hoge bedragen voor adviescontracten en de negatieve ervaringen met de verstrekking van opdrachten aan externe ondernemingen in het verleden, haar beleid inzake de uitbesteding van Commissieactiviteiten herziet; wijst erop dat de verlening van opdrachten aan externe ondernemingen voor de tenuitvoerlegging van werkzaamheden voor de Commissie een uitzondering dient te blijven;

55.

herinnert aan Titel V (artikel 89) van het nieuwe Financieel Reglement, waarin wordt bepaald dat „bij alle (...) overheidsopdrachten (...) het transparantiebeginsel, het evenredigheidsbeginsel, het beginsel van gelijke behandeling en het beginsel van non-discriminatie in acht (worden) genomen” en dat alle aanbestedingen moeten beginnen „met een zo ruim mogelijke uitnodiging tot inschrijving”; wijst erop dat volgens deskundigen ontbrekende of gemanipuleerde aanbestedingen van overheidsopdrachten kunnen leiden tot aanzienlijke extra kosten voor de Europese belastingbetaler;

56.

verwacht dat de directeur van OLAF alle overtredingen van de aanbestedingsvoorschriften bij de bevoegde rechterlijke instanties aanhangig maakt en niet langer als verontschuldiging accepteert dat dergelijke overtredingen het gevolg van onwetendheid of onkunde waren of zonder het oogmerk van persoonlijke verrijking zijn begaan;

57.

herinnert eraan dat artikel 314 van het Belgische Wetboek van Strafrecht ook toepasselijk is op aanbestedingsprocedures van de in Brussel gevestigde Europese instellingen en dat derhalve alleen al het feit strafbaar is dat potentiële inschrijvers met oneerlijke middelen van deelneming aan een aanbesteding worden uitgesloten zonder dat het nodig is om het doorgaans moeilijke bewijs te leveren hoe hoog de schade was of dat corruptie of persoonlijke verrijking in het spel waren;

Overige opmerkingen

58.

juicht toe dat de Commissie uitvoerig bericht in welke vorm de toetredende landen bij het fraudepreventie-en fraudebestrijdingsbeleid betrokken worden;

59.

verwelkomt de opening van het OLAF-onderzoek naar de financiering van de gebouwen van het Parlement in Brussel, met inbegrip van alle betalingen tussen de opdrachtgever SA Forum Léopold en de met de financiering belaste WestLB, alsmede eventuele betalingen aan derden; verwacht dat, indien nodig, de bevoegde gerechtelijke instanties alle nodige hulp verstrekken, indien de betrokkenen zich op het bankgeheim beroepen;

60.

verzoekt de Commissie de ter zake bevoegde commissie van het Parlement schriftelijk van maatregelen tot inperking van de sigarettensmokkel, mede gelet op de bij Amerikaanse gerechten aanhangige klachten, alsmede van maatregelen ter bescherming van de euro en de intellectuele eigendom op de hoogte te houden;

61.

verzoekt te worden ingelicht over de stand van de onderhandelingen met Zwitserland over fraudebestrijding, en met name over de vraag

of Zwitserland nog steeds weigert administratieve controles bij in Zwitserland gevestigde bedrijven te verrichten,

of Zwitserland bereid is de normen van de Raad van Europa voor justitiële samenwerking op het terrein van douane- en fiscale delicten over te nemen, en

of Zwitserland nog steeds het witwassen van winsten uit belastingfraude via Zwitserse financiële instellingen als legale activiteit beschouwt;

62.

beklemtoont opnieuw (20) dat een 80 bladzijden lange lijst met tabellen inzake nieuwe nationale voorschriften voor de omzetting van de doeleinden van artikel 280 van het EG-Verdrag van geringe waarde blijft zolang deze niet door de Commissie geanalyseerd is om eventuele leemten inzake de bescherming van de financiële belangen van de Gemeenschap vast te stellen; verlangt dat in het Jaarverslag 2003 een hoofdstuk wordt opgenomen waarin een dergelijke analyse plaatsvindt en waarin de Commissie aangeeft op welke terreinen er nog steeds een dringende noodzaak tot handelend optreden bestaat;

63.

neemt ter kennis dat commissaris Solbes op 21 januari 2004 het Eurostat-Actieplan 2004 aan de voorzitter van de Commissie begrotingscontrole heeft toegezonden; is van mening dat de nieuwe Eurostatstructuur na afsluiting van de onderzoeken door OLAF aan een onafhankelijke audit inzake administratie en beheer dient te worden onderworpen;

64.

verlangt van de Commissie dat zij erop toeziet dat de geest van de preferentiële handelsregelingen met aangrenzende staten niet aldus ondermijnd wordt dat de export van eigenlijk voor handhaving binnen de Europese Unie bestemde waren naar toetredende landen gesteund wordt;

*

* *

65.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, de Europese Rekenkamer, de Europese Centrale Bank, de Europese Investeringsbank, het Europees Investeringsfonds, het Comité van toezicht van OLAF alsmede aan OLAF.


(1)  http://europa.eu.int/comm/anti_fraud/reports/index_en.html.

(2)  PB C 286 van 28.11.2003, blz. 1.

(3)  P5_TA(2003)0551.

(4)  COM(2003) 445, Titel III, punt 10.1. Zie tevens punt 11.

(5)  PB L 67 van 14.3.1991, blz. 11.

(6)   Zie tevens de bijlagen 5-7 bij het verslag.

(7)  Het is onduidelijk of deelbedragen uit deze jaren reeds werden teruggevorderd.

(8)  Commissie, DG Regionaal beleid en OLAF, Beknopt verslag over de toetsing van de systemen en procedures voor de melding en verdere vervolging van onregelmatigheden in het kader van de structuurfondsen, van 19 december 2003.

(9)  PB L 178 van 12.7.1994, blz. 43.

(10)   Schrijven van commissaris Schreyer aan de rapporteur, d.d. 30.1.2004.

(11)  Schrijven D (2004) 3541 van commissaris Schreyer van 30 januari 2004.

(12)  PB L 160 van 28.6.2003, blz. 83.

(13)  Jurisprudentie 1990, I-3603.

(14)  Paragrafen 140 en 142 van de resolutie van het Europees Parlement van 8 april 2003 met de opmerkingen bij het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2001 (Commissie) (PB L 148 van 16.6.2003, blz. 21).

(15)  http://europa.eu.int/comm/anti_fraud/press_room/pr/2002/2002_03_en.html.

(16)  http://www.europarl.ep.ec/ombudsman/recommen/en/021840.html.

(17)   PB L 136 van 31.5.1999, blz. 1.

(18)  PB L 292 van 15.11.1996, blz. 2.

(19)  Volgens door Agence Europe gepubliceerde informatie, dd. 30 september 2002, punt 29.

(20)  Paragraaf 56 van de resolutie van het Parlement van 13 maart 2003 over de bescherming van de financiële belangen van de Gemeenschappen en over fraudebestrijding — Jaarverslag 2001 (PB C 61 E van 10.3.2004, blz. 392); zie tevens de resolutie van het Europees Parlement van 29 november 2001 over dit onderwerp (PB C 153 E van 27.6.2002, blz. 325).