3.4.2004   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

CE 84/297


(2004/C 84 E/0344)

SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0035/04

van Erik Meijer (GUE/NGL) aan de Commissie

(20 januari 2004)

Betreft:   Tekort aan openbaarheid van beschikbare gegevens over de onveiligheid van luchtvaartmaatschappijen op grond van commerciële belangen

1.

Vanaf welk moment en op welke wijze was het buiten Zwitserland bekend dat dit land de Egyptische luchtvaartmaatschappij „Flash Airlines”, waarvan op 3 januari 2004 een vliegtuig met Franse passagiers is neergestort in de Rode Zee, vanwege de onveiligheid van haar vliegtuigen had verboden om boven Zwitserland te vliegen of in dat land te landen?

2.

Hoe worden binnen de Europese Unie en de Europese Economische Ruimte dergelijke door instellingen van lidstaten verkregen gegevens over de veiligheid van luchtvaartmaatschappijen uitgewisseld en in de openbaarheid gebracht?

3.

Wat kunnen de afzonderlijke EU-lidstaten of de Unie naar aanleiding van zulke gegevens ondernemen om overvliegen en landen van onveilige vliegtuigen tegen te gaan?

4.

Worden door de Europese Burgerluchtvaartconferentie (ECAC) op grond van commerciële belangen gegevens over veiligheidscontroles en de namen van onveilige luchtvaartmaatschappijen geheim gehouden voor consumentenorganisaties en voor het grote publiek?

5.

Vindt de Commissie het aanvaardbaar dat vliegtuigpassagiers bij het boeken van een reis niet kunnen beschikken over informatie waarmee ze tegenover de eventueel aantrekkelijke prijs ook het gevaar voor hun leven kunnen afwegen?

6.

Hoe wordt vanaf nu voorkomen dat opnieuw passagiers door onwetendheid gebruik maken van gevaarlijke luchtvaartmaatschappijen of dat gevaarlijke luchtvaartmaatschappijen voor landing en werven van passagiers die EU-lidstaten opzoeken welke de minst strenge normen hanteren?

Antwoord van mevrouw de Palacio namens de Commissie

(9 maart 2004)

Volgens de informatie waarover de Commissie beschikt, hebben de Zwitserse autoriteiten op 15 oktober 2002 de Gezamenlijke Luchtvaartautoriteiten (JAA — Joint Aviation Authorities) op de hoogte gebracht van hun besluit om de maatschappij Flash Airlines de toegang tot het Zwitserse luchtruim te ontzeggen. De JAA beheren voor rekening van de Europese Burgerluchtvaartconferentie (CEAC — Conférence Européenne de l'Aviation Civile) de databank Safety Assessment of Foreign Aircraft (SAFA), waarin de verslagen worden bewaard van de inspecties die door de 38 lidstaten van de CEAC worden uitgevoerd. Op 16 oktober 2002 hebben de JAA deze informatie doorgegeven aan alle nationale SAFA-coördinatoren, met het verzoek om in hun eigen inspectieprogramma rekening te houden met deze elementen.

Zolang de richtlijn van het Parlement en de Raad betreffende de veiligheid van de luchtvaartuigen van derde landen die gebruik maken van de luchthavens in de Gemeenschap nog niet van kracht is, nemen de lidstaten deel aan het SAFA-programma. Deze gegevens zijn niet openbaar.

In afwachting van de inwerkingtreding van deze richtlijn besluit iedere lidstaat zelf over de toegang tot zijn luchtruim op basis van de beschikbare informatie.

Het SAFA-programma van de CEAC is een programma van technische aard dat gericht is op preventie. Het voorziet niet in de publicatie van uitvoerige gegevens over de door de deelnemende landen verrichte controles.

De Commissie is reeds begonnen met een raadpleging om de transparantie inzake de identificatie van luchtvervoerders te verbeteren, met het oog op het zo spoedig voorstellen van maatregelen ten aanzien van de tekortkomingen die door de luchtramp van 3 januari 2004 aan het licht zijn gebracht.

De Commissie verwijst het geachte parlementslid naar het antwoord op schriftelijke vraag P-0158/04 van de heer Hortefeux (1) waarin de bepalingen van de richtlijn worden uiteengezet die het mogelijk moeten maken om de zwakke punten van het huidige controlesysteem voor vliegtuigen uit derde landen te verhelpen, in het bijzonder inzake de voorlichting aan het publiek. Voorts kan hiermee een strengere toepassing van de striktste normen worden gewaarborgd.


(1)  PB C 78 E van 27.3.2004.