3.4.2004   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

CE 84/752


(2004/C 84 E/0847)

SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0030/04

van Christopher Huhne (ELDR) aan de Commissie

(20 januari 2004)

Betreft:   Vuilstortplaatsen en grindafgravingen

Kan de Commissie meedelen of er EU-wetgeving bestaat waarin de afstand wordt aangegeven van vuilstortplaatsen en grindafgravingen tot huizen, wegen en waterlopen?

Antwoord van mevrouw Wallström namens de Commissie

(23 februari 2004)

Wat het storten van afval betreft vermeldt bijlage I, punt 1, van Richtlijn 1999/31/EG van de Raad van 26 april 1999 betreffende het storten van afvalstoffen (1) dat bij de inrichting van een vuilstortplaats rekening gehouden moet worden met het volgende:

a)

de afstand vanaf de grens van de stortplaats tot aan woon- en recreatiegebieden, waterwegen, watermassa's en andere landbouw- of stadsgebieden;

b)

de aanwezigheid van grondwater, kustwater of natuurbeschermingsgebieden in de omgeving;

c)

de geologische en hydrogeologische gesteldheid van het gebied;

d)

het gevaar van overstromingen, verzakkingen, aardverschuivingen of lawines op het terrein;

e)

de bescherming van de natuur of het cultureel erfgoed in de omgeving.

Er kan alleen toestemming worden gegeven voor een vuilstortplaats indien de kenmerken van de locatie met betrekking tot bovenstaande punten of de corrigerende maatregelen die genomen moeten worden, aangeven dat de vuilstortplaats geen ernstige bedreiging voor het milieu vormt. De richtlijn noemt echter geen specifieke afstanden tot huizen, wegen of waterlopen.

De afgraving van grind is een activiteit die valt onder Richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 25 juni 1985 betreffende de milieu-effectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (2), zoals gewijzigd bij Richtlijn 97/11/EG van de Raad van 3 maart 1997 (3). De ligging is een van de criteria waarmee rekening gehouden moet worden bij de beoordeling van de mogelijke significante effecten van graafactiviteiten. Ook deze richtlijn noemt geen specifieke afstanden; eisen die hierop betrekking hebben kunnen echter gevonden worden in nationale bepalingen waarmee de richtlijn ten uitvoer wordt gelegd.


(1)  PB L 182 van 16.7.1999.

(2)  PB L 175 van 5.7.1985.

(3)  PB L 73 van 14.3.1997.