|
27.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 78/671 |
(2004/C 78 E/0715)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-3910/03
van Amalia Sartori (PPE-DE) aan de Commissie
(10 december 2003)
Betreft: Ongevallen thuis — arbeidsplaats
Het aantal ongevallen thuis is niet alleen in Italië maar ook in de rest van de wereld op onrustbarende wijze gestegen.
Uit de beschikbare statistieken blijkt dat meer dan drie miljoen mensen jaarlijks het slachtoffer worden van een ongeval thuis; meer dan zevenduizend ongelukken kennen een dodelijke afloop. Volgens de Wereldgezondheidsorganisatie is dit soort ongevallen, dat elke leeftijdsgroep treft, in de industrielanden de voornaamste doodsoorzaak van kinderen, ook al zijn de huisvrouwen de zwaarst getroffen groep.
De oorzaken van dergelijke ongevallen zijn veelvoudig. Een deel ervan wordt veroorzaakt door verstrooidheid, onachtzaamheid, geringe kennis en/of niet-naleving van de veiligheidsnormen, de aanwezigheid in huis van gevaarlijke apparaten of chemische stoffen, maar ook, en misschien vooral, het niet voldoende op de hoogte zijn van veiligheid en preventie.
Aangezien de huisvrouwen deel uitmaken van een groep werknemers die vaak niet naar behoren worden beschermd, zou het een goede oplossing kunnen zijn de huiselijke omgeving als „arbeidsplaats” aan te merken, hetgeen niet het geval is in richtlijn 98/24/EG (1) van de Raad van 7 april 1998 betreffende de bescherming van de gezondheid en de veiligheid van werknemers tegen risico's van chemische agentia op het werk.
In de Italiaanse wet nr. 493 van 3 december 1999 (regels voor de bescherming van de gezondheid in huis en invoering van een verzekering tegen ongevallen thuis) (2) wordt de huiselijke omgeving gelijkgesteld met de arbeidsplaats.
Wat denkt de Commissie in dit opzicht te ondernemen?
Vindt de Commissie het wenselijk maatregelen ten behoeve van de huisvrouwen te treffen naar het voorbeeld van de Italiaanse wetgeving?
Antwoord van mevrouw Diamantopoulou namens de Commissie
(19 januari 2004)
De Commissie deelt de zorg van de geachte afgevaardigde met betrekking tot het aantal ongevallen thuis.
De bescherming van werknemers op de arbeidsplaats wordt geregeld bij Kaderrichtlijn 89/391/EEG van de Raad van 12 juni 1989 betreffende de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers op het werk (3) en door de daaruit voortvloeiende 17 bijzondere richtlijnen in de zin van artikel 16, lid 1 van voornoemde kaderrichtlijn. Volgens artikel 3 van Richtlijn 89/391/EEG wordt onder werknemer verstaan: „iedere persoon die door een werkgever wordt tewerkgesteld, alsmede stagiairs en leerlingen, met uitzondering van huispersoneel”. Aangezien huisvrouwen niet door een werkgever worden tewerkgesteld, zoals beschreven in richtlijn 89/391/EEG, vallen zij buiten de toepassingssfeer van deze richtlijn, evenals van de bijzondere richtlijnen en met name van de door de geachte afgevaardigde genoemde richtlijn 98/24/EG van de Raad van 7 april 1998 betreffende de bescherming van de gezondheid en de veiligheid van werknemers tegen risico's van chemische agentia op het werk (4).
Uiteraard hebben de lidstaten de mogelijkheid om specifieke bepalingen aan te nemen met het oog op de bescherming van huisvrouwen tegen gezondheids- en veiligheidsrisico's. Het voorbeeld dat de geachte afgevaardigde beschreef, te weten de Italiaanse wet nr. 493 van 3 december 1999, getiteld „normen voor de bescherming van de gezondheid in de woning en instelling van een verzekering tegen ongevallen thuis”, is in dat opzicht zeer belangwekkend en zou andere lidstaten tot voorbeeld kunnen dienen.
Aangezien de communautaire wetgeving inzake de bescherming van de gezondheid en de veiligheid is gebaseerd op artikel 137 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, dat op dit gebied slechts voorziet in de aanneming van minimumvoorschriften voor de bescherming van werknemers, is de Commissie evenwel niet voornemens specifieke maatregelen te treffen op het communautaire vlak om de huiselijke omgeving als werkplek te beschouwen.
(1) PB L 131 van 5.5.1998, blz. 11.
(2) Gepubliceerd in het Italiaanse Publicatieblad nr. 303 van 28 december 1999.