27.3.2004   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

CE 78/315


(2004/C 78 E/0316)

SCHRIFTELIJKE VRAAG P-3761/03

van Astrid Thors (ELDR) aan de Commissie

(5 december 2003)

Betreft:   Verplichting tot het afmaken van paarden wegens gebruik van nandrolon

In Finland heeft zich onlangs een geval van doping van een renpaard voorgedaan via inspuiting van nandrolon. De districtsdierenarts ter plaatse is van mening dat alle renpaarden volgens de wet worden ingedeeld als productiedieren en stelt vast dat het dier in kwestie zo spoedig mogelijk moet worden afgemaakt om te voorkomen dat het in de voedselketen terecht komt, hoewel het paard nooit voor dit doel bestemd is geweest. De wetgeving is echter niet helder, daar wordt gesteld dat het paard „kan” worden afgemaakt. De wet is gekoppeld aan de EU-richtlijnen 96/22 (1) en 96/23 (2).

Acht de Commissie de wijze waarop de districtsdierenarts de richtlijnen 96/22 en 96/23 interpreteert correct, zodat dit renpaard zo spoedig mogelijk moet worden afgemaakt?

Antwoord van de heer Byrne namens de Commissie

(27 januari 2004)

Richtlijn 96/22/EG (3), zoals gewijzigd bij Richtlijn 2003/74/EG (4) en Richtlijn 96/23/EG (5), en met name artikel 23, lid 2, kan zodanig worden geïnterpreteerd dat in geval van doping van een paard via inspuiting van het hormoon nandrolon het paard onmiddellijk naar een daartoe aangewezen slachthuis of destructiebedrijf moet worden gebracht.

Dit geldt echter niet als de eigenaar van het paard het dier niet laat slachten met het oog op menselijke consumptie in overeenstemming met de controlemechanismen die zijn vastgesteld in Beschikking 93/623/EEG (6) en Beschikking 2000/68/EG (7).

Artikel 23, lid 2, van Richtlijn 96/23 bepaalt:

2.

Aansluitend op de monsterneming overeenkomstig artikel 17 worden de positief bevonden dieren, wanneer bevestigd wordt dat er sprake is van illegale behandeling, onmiddellijk ter plaatse gedood of, vergezeld van een officieel veterinair certificaat, rechtstreeks naar het aangewezen slachthuis of een destructiebedrijf gebracht om er te worden gedood. De gedode dieren worden vervolgens afgevoerd naar een bedrijf voor de verwerking van hoog-risicomateriaal zoals bepaald in Richtlijn 90/667/EEG (21).

De context van deze bepaling maakt duidelijk dat het vernietigen van het dier nadat het is geslacht tot doel heeft te garanderen dat het vlees niet in de voedselketen terechtkomt. Deze bepaling kan bijgevolg zodanig worden geïnterpreteerd dat in geval van doping van een paard via inspuiting van het hormoon nandrolon het paard onmiddellijk naar een daartoe aangewezen slachthuis of destructiebedrijf moet worden gebracht wanneer de bevoegde autoriteit niet beschikt over bijkomende officiële controlemechanismen ter bescherming van de volksgezondheid.

Dergelijke bijkomende controlemechanismen omvatten de identificatie van geregistreerde paarden, zoals bepaald in Beschikkingen 93/623/EEG (8) en 2000/68/EG.


(1)  PB L 125 van 23.5.1996, blz. 3.

(2)  PB L 125 van 23.5.1996, blz. 10.

(3)  PB L 125 van 23.5.1996.

(4)  Richtlijn 2003/74/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 houdende wijziging van Richtlijn 96/22/EG van de Raad betreffende het verbod op het gebruik, in de veehouderij, van bepaalde stoffen met hormonale werking en van bepaalde stoffen met thyreostatische werking, alsmede van bèta-agonisten, PB L 262 van 14.10.2003.

(5)  Richtlijn 96/23/EG van de Raad van 29 april 1996 inzake controlemaatregelen ten aanzien van bepaalde stoffen en residuen daarvan in levende dieren en in producten daarvan en tot intrekking van de Richtlijnen 85/358/EEG en 86/469/EEG en de Beschikkingen 89/187/EEG en 91/664/EEG, PB L 125 van 23.5.1996.

(6)  PB L 298 van 3.12.1993.

(7)  2000/68/EG: Beschikking van de Commissie van 22 december 1999 houdende wijziging van Beschikking 93/623/EEG en tot vaststelling van de identificatievoorschriften voor als fok- en gebruiksdier gehouden paardachtigen, PB L 23 van 28.1.2000.

(8)  PB L 298 van 3.12.1993.